FQI (1960) A2

128-131

|128|

Een historisch document

 

Mr. L. Roeleveld heeft in De Reformatie van 15 febr. 1958 (bl. 155) met instemming overgenomen het oordeel, dat in één der dagbladen na het overlijden van professor Deddens te lezen stond over het optreden van de canonicus der Gereformeerde Kerken voor de burgerlijke rechten in verband met de kerkelijke procedures: „Vooral door zijn scherpzinnige memories stelde op vele plaatsen de rechter de vrijgemaakte kerken in het bezit van de kerkelijke goederen”.

We zijn bijzonder dankbaar voor het feit, dat door vriendelijke medewerking van Mevrouw de Wed. M. Deddens-Buurman het ons mogelijk is in deze Almanak de eerste pleitrede op te nemen, die professor, toen nog ds. Deddens voor de rechter heeft gehouden op 7 okt. 1944 ten behoeve van de Gereformeerde Kerk van Groningen, die door de gebonden kerk aldaar in een proces gewikkeld was vanwege de kerkelijke goederen.

Voorzover ons bekend is deze „Korte pleitrede” nog niet eerder gepubliceerd; daarom menen we, dat wij deze gelegenheid mogen aangrijpen om door middel van de publikatie van deze verdediging enige informatie te verschaffen over een omvangrijk deel van de arbeid van prof. Deddens, dat praktisch niet in de openbaarheid is gekomen, maar voor vele der Gereformeerde Kerken tot grote zegen mocht zijn.

J. Kamphuis.

 

Mijnheer de President,

Ik moge beginnen U dank te zeggen voor de gelegenheid, die U mij biedt, mij als gedaagde kort te verantwoorden.

Zooals U bekend is, heb ik mij in een schrijven aan de synodale ambtsdragers geheel gesteld achter de geschorste predikanten. Daarna uitgenoodigd voor deze ambtsdragers te verschijnen, beschuldigd van scheurmaking, terwijl men verklaarde, mij te zullen moeten schorsen op grond van art. 79 en 80 D.K.O., heb ik geantwoord, de vergadering van deze ambtsdragers niet als wettige vergadering te erkennen, en evenmin te kunnen aanvaarden de besluiten van de „classisvergadering” van 25 Sept. als wettige besluiten van een wettige classis. Toen heeft men ook tot mijn „schorsing” besloten.

Door U, mijnheer de President, is nadruk gelegd op de groote beteekenis in deze procedure van classisvergadering en classisbesluiten, of deze aangemerkt moeten worden als wettig of onwettig. Ook naar mijn meening ligt hier de cardo quaestionis, de nexus rerum. Terwijl nu mijn collega ds van Dijk zal spreken over de al of niet wettigheid van de classisvergadering, zij het mij vergund, de wettigheid van haar schorsingsbesluiten te betwisten.

Ik doe daarbij een beroep op de Dordtsche Kerkenordening, de grondwet, die de orde van kerkelijk handelen bepaalt. Want dat kerkelijk handelen zal hier aan die grondwet gemeten moeten worden. Wel is door pleiter voor eischeres gezegd, dat U geen

|129|

bevoegdheid bezit, de gepleegde kerkelijke handelingen te beoordeelen: U zoudt, dit doende, zich mengen in interne kerkelijke aangelegenheden, welker beoordeeling alleen ligt ter competentie van de meerdere kerkelijke vergaderingen. Dat deze opvatting onjuist is, is evident. Want in de eerste plaats, Mijnheer de President, zou in dat geval eischeres tot U gekomen zijn met een rechtzaak, die het U onmogelijk zou zijn te beslissen. Immers zij had dan Uw veroordeling gevraagd van een enkele daad (het gebruik van de Noorderkerk met bijbehoorende localiteiten) terwijl heel de achtergrond, die de rechtmatigheid of de onrechtmatigheid van deze daad beheerst, met name de vraag of gedaagden RECHT hebben tot die daad als in feite niet-geschorsten, of GEEN recht als geschorsten, aan Uw beoordeeling zou zijn onttrokken. Maar in de tweede plaats, en dit klemt nog sterker, verklaart de wet zelf U tot oordeelen bevoegd. Immers voor de wet geldt elk kerkgenootschap voor een zedelijk lichaam, evenals bijv. een vereeniging. En gelijk nu de handelingen van een vereeniging volgens de wet moeten getoetst worden aan de Statuten en Huishoudelijke regelingen, zoo moeten de handelingen der kerk, treedt zij voor den wereldlijken rechter, zooals door eischeres geschied is, getoetst worden aan de Dordtsche Kerkenordening en de Huishoudelijke regelingen en bepalingen van kerkeraad en classis. Deze Kerkenordening en regelingen zijn niet geheim, de kerk houdt er niet een soort veem-gericht op na; de ordeningen der kerk zijn publiek en moeten in een rechtzaak als deze publiek gehanteerd worden. Het is daarom, mijnheer de President, dat ik mij voor U met alle vrijmoedigheid beroep op de Dordtsche Kerkenordening om aan de hand van haar normatieve bepalingen de wettigheid der classicale schorsingsbesluiten te ontkennen.

Ik wijs U daarbij allereerst op art. 30, waar staat: „in meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan van het gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen behoort”. U vergunt mij, te beginnen met de laatste clausule en de vraag onder de oogen zien: die besluiten van schorsing, door de classis genomen, waren dat handelingen, welke behoorden tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen? Om deze vraag te beantwoorden, verwijs ik U naar art. 79, waar nauwkeurig beschreven staat, op welke wijze de schorsing van ambtsdragers zal toegaan. Ik lees daar: „wanneer Dienaren des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der kerk schandelijk of ook bij de overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond na voorgaand oordeel des kerkeraads derzelve en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden”. In het voorbijgaan moge ik opmerken, dat ik niet kan instemmen met wat beweerd is door pleiter voor eischeres, nl. dat in dit artikel wel staat: schorsing kan geschieden door den kerkeraad en

|130|

dien der naastgelegen gemeente, maar dat dit niet wegneemt, dat schorsing ook kan geschieden door de classis, aangezien de classis het recht heeft tot AFZETTING, en duidelijk is dat wie het meerdere mag doen (afzetting) ook het mindere mag doen (schorsing). Tegen deze bewering heb ik twee bezwaren. In de eerste plaats wijs ik er op, dat pleiter een fout maakt als hij iets anders leest dan er staat. Pleiter leest, dat de kerkeraad en die der naastgelegen gemeente KUNNEN schorsen; er staat echter, dat ambtsdragers in bedoeld geval ZULLEN geschorst worden. En KUNNEN is heel iets anders dan ZULLEN, dit zullen heeft hier de kracht van MOETEN.

In de tweede plaats acht ik het ook niet juist, dat wie het meerdere mag, daarom ook het mindere zou mogen: ik meen, dat deze regel, algemeen doorgevoerd, groote verwarring zou brengen in de zaken niet alleen van het kerkelijk, maar ook van het staatkundig en maatschappelijke leven. Uitdrukkelijk wordt door art. 30 gevorderd, dat de schorsing zal geschieden door eigen kerkeraad en dien der naastgelegen gemeente; eerst de afzetting zal staan aan het oordeel der classis. Waarom nu de schorsing ook niet aan het oordeel der classis? De bedoeling ligt voor de hand. De schorsing is de eerste groote ingrijpende daad, die bepaalt, dat de ambtsdrager van de uitoefening van zijn ambtelijken dienst voor zekeren tijd wordt ontheven. Daarbij is van het grootste gewicht de vraag, hoe de eigen, plaatselijke kerkeraad, die het eerst tot oordeelen bevoegd is en bovendien den betrokken ambtsdrager kent als geen andere kerkeraad, over hem oordeelt. Zeker, deze kerkeraad moet een andere kerkeraad in het oordeel betrekken, zulks om mogelijke willekeur te voorkomen. Maar in het uitbrengen van dat oordeel is de verhouding van het stemmencijfer, waarbij over schorsing beslist wordt, als 1 : 1; de eigen kerkeraad heeft 50% stem in het kapittel, terwijl, zou de schorsing aan het oordeel der classis staan en zou de kerkeraad meestemmen, de verhouding van het stemmencijfer zou bv. zijn 1 : 10 of 1 : 15 of 1 : 20, dat wil zeggen, dat in dat geval de invloed van den plaatselijken kerkeraad uitermate zou worden beperkt.

Met groote wijsheid hebben de opstellers van dit artikel de SCHORSING toegewezen aan den plaatselijken kerkeraad en dien der naastgelegen gemeente; terwijl ze de AFZETTING van predikanten, die het leerambt mogen bedienen ook in andere gemeenten dan de eigene, onderwierpen aan het oordeel der meerdere vergadering; maar die meerdere vergadering, het staat duidelijk in art. 30, oordeelt niet over de schorsing. En dat is het punt in geding. De gedachte: een classis mag schorsen, want schorsing is iets, dat tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen behoort, wordt door art. 79 onbetwistbaar ontkend.

Maar art. 30 bevat nog een bepaling. Een tweede zaak wordt genoemd, waarover de meerdere vergadering recht heeft te handelen. Zij mag ook handelen over hetgeen in een mindere vergadering niet

|131|

afgehandeld kunnen worden. Valt dan misschien onder DEZE bepaling het recht van de classis Groningen, tot schorsing van de 54 ambtsdragers over te gaan? Evenmin: immers wie bepaalt in elk voorkomend geval, of een zaak al of niet op de mindere vergadering kan afgehandeld worden? Geschiedt dit door de meerdere vergadering, in casu de classis? Neen, dit wordt bepaald door de mindere vergadering zelf; is zij van oordeel, dat ze, om wat reden dan ook, met een of andere kwestie niet klaar kan komen, dan brengt ze haar op de meerdere vergadering.

Heeft nu inderdaad de kerkeraad van Groningen, de zaak der schorsing behandelend en bemerkend, dat er reden was, haar aan de meerdere vergadering voor te leggen, zich met deze aangelegenheid gewend tot de classis? Allerminst. De kerkeraad van Groningen heeft dit niet gedaan; hij kon dit niet doen; hij dacht er zelfs niet aan, Mijnheer de President, want de zaak van de schorsing van deze ambtsdragers is op den kerkeraad van Groningen nooit in behandeling geweest.

Uit dit alles volgt, dat geen van beide gevallen, waarin een meerdere vergadering bevoegd is op te treden, aanwezig is. De classis was derhalve onbevoegd de schorsingsbesluiten te nemen, want volgens art. 31 zal elk besluit van een meerdere vergadering, dat tegen de artikelen der kerkenordening ingaat, niet voor vast en bondig gehouden worden. Zulk een besluit heeft niet de minste kracht of geldigheid; men beschouwt zulk een besluit van evenveel waarde als ware het nooit genomen. Daaruit volgt: de uitgesproken schorsingen zijn onwettig. Conclusie: de „geschorsten” staan nog in hun ambt, ongerept. Conclusie: de bezwaarden, waaronder de gedaagden — (de meerderheid van den kerkeraad) — hadden voile recht tot het gebruiken van de Noorderkerk met bijbehoorende localiteiten. Conclusie: aan eischeres moet haar eisch, als niet ontvankelijk, worden ontzegd. Er is nog een ding, mijnheer de President, waarop ik moge wijzen. Het bedroeft mij, dat pleiter voor eischeres, die geestelijk gezien zo dicht naast mij staat, ontkend heeft dat de „geschorsten”, eer men tot schorsing overging, gehoord hadden moeten worden. Hun werd niet eenmaal de gelegenheid gegeven, hun daad van stemmen tegen de afkeuring aan het adres van ds van Dijk te verdedigen, noch de gronden, waarop de beschuldiging steunde, te betwisten. Dit veroordeelen zonder hoor en wederhoor is niet te verontschuldigen. Het Evangelie zegt ons, dat ten aanzien van onzen Heiland de vraag gesteld werd: „Oordeelt ook onze wet den mensch, tenzij zij eerst van hem gehoord heeft en verstaat, wat hij doet?” En de wet beveelt in het negende gebod: „dat ik niemand (laat staan een ambtsdrager, laat staan 54 ambtsdragers) lichtelijk of onverhoord oordele of helpe veroordeelen”. Met vertrouwen, Mijnheer de President, zie ik Uw beslissing tegemoet.

Ik dank U voor het geduld, waarmee U mij hebt aangehoord.

P.D.