FQI (1960)

Almanak van het Corpus Studiosorum in Academia Campensi “Fides Quadrat Intellectum” 1958-1960
Kampen
Drukkerij Fa. Ph. Zalsman
1960

FQI (1960) A1

99-127

|99|

Om het recht van Gods liefde

(Over het historisch-canonisch werk van Prof. P. Deddens)

 

„Men maakte geschiedenis, maar had geen tijd, om geschiedenis te schrijven.”
J.G.R. Acquoy in Mislukte pogingen der Nederlandsche Kerken om hare geschiedenis te doen beschrijven (Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin, ’s-Gravenhage 1894, bl. 232).

 

Twee kerkhistorici zijn Nederland in het jaar 1958 ontvallen: maandag 13 januari overleed plotseling de nestor der Nederlandse kerkhistorici, Dr. J. Lindeboom, oud-hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Groningen; ruim drie weken later — 6 februari 1958 — stierf zeker even plotseling P. Deddens, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen.

Het vrijwel samenvallend verscheiden nodigt en noopt tot confrontatie. Lindeboom is één van de glanzende vertegenwoordigers geweest van de Nederlandse kerkhistorische school, redacteur van het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, alom erkend en als redacteur van het kerkhistorisch handboek én als auteur van de kerkhistorische monografie. Deddens heeft, het zij onomwonden erkend, als historicus geen naam gemaakt dan alleen bij zijn discipelen, die met liefde hem gedenken.

Zal daarom het resultaat der confrontatie niet zijn, dat wij maar zwijgen van de historicus en in dit opstel alle aandacht concentreren op de canonicus Deddens? Want het is zeker dat inzonderheid in de jaren van zijn professoraat zijn polemische en thetische arbeid op het gebied van het kerkrecht de meeste publiciteit gevonden heeft, de meeste kracht verslonden heeft ook, zodat op hem van toepassing is het woord, dat Acquoy schreef over die gereformeerden, die in de 16e eeuw zich wilden zetten tot het leveren van de bouwstenen van een geschiedenis der reformatie in de Nederlanden en dat als motto boven dit opstel staat afqedrukt; metterdaad, óók professor Deddens heeft in zijn brede adviezen-dienst aan de vrijgemaakte kerken — ging hij soms niet met „vakantie”, de koffer vol met vragen om advies? — en in zijn kerkrechtelijke journalistiek geschiedenis gemaakt, de geschiedenis van de verdediging én de consolidatie, de bescherming voor gevaren van buiten af en van binnen uit, van de vrijmaking der Gereformeerde Kerken. Dus vond hij de tijd niet geschiedenis te schrijven, temeer waar grote historische accuratesse hem huiverig

|100|

maakte om naar zijn mening voortijdig te publiceren.1) De parallel ligt hier voor de hand met zijn grote voorganger-canonicus Dr. F.L. Rutgers, wien het in correspondentie mogelijk was snel zijn gedachten te formuleren, maar die tegelijk uiterst moeilijk over kon gaan tot het publiceren van de resultaten zijner historische studiën,2) waardoor deze historicus van erkend formaat toch nimmer is gekomen tot het bereiken van zijn dubbel ideaal, een Calvijn-biografie en een handboek voor de Nederlandse kerkgeschiedenis.3)

En is Deddens, om zo te zeggen, niet voldoende verontschuldigd, wanneer men in rekening brengt, dat mannen, die in veel gunstiger conditie hebben gewerkt dan hij en nadrukkelijk als de doelstelling van hun academische werkzaamheid te kennen hebben gegeven het schrijven van een Nederlandse Kerkgeschiedenis als J.G.R. Acquoy4) en H.H. Kuyper5), evenmin hun doel vermochten te bereiken? Temeer waar Deddens direct bij het begin van zijn academische loopbaan het kerkrechtelijk terrein als speciaal interessegebied koos; zijn inaugurele oratie behandelt immers duidelijk een kerkrechtelijk thema?6) Wat zouden we beter kunnen doen, dan met spijt constateren, dat de praktische en wetenschappelijke arbeid van de canonicus het den historicus verhinderd heeft recht op gang te komen?

Toch hebben we aan de direct opkomende gedachte ons te bepalen tot de canonicus Deddens weerstand geboden. Om twee redenen. In de eerste plaats is na zijn overlijden reeds herhaaldelijk, en terecht, brede aandacht aan déze in het oog vallende zijde van zijn levenswerk gewijd; we mogen in een noot naar enkele van deze bijdragen wel opzettelijk verwijzen, nu onze interesse primair een andere kant uitgaat.7)


1) Zie de autobiografische notitie in zijn opstel Prof. Schilder als vriend in de Almanak van F.Q.I., 1953 bl. 67: ...ik kreeg een uitgever bij me, die met me kwam praten over de uitgave van m’n Afscheidings-artikelen. Ik weigerde met het motief, dat ik in m’n grote drukke gemeente geen tijd kon vinden voor bronnenstudie, waaraan verbonden was het delven in vele archieven, welke bronnenstudie naar mijn inzicht alleen uitgave rechtvaardigen kon”.
2) J.C. Rullmann, Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en werken geschetst, Rotterdam 1918, bl. 218.
3) a.w., bl. 219.
4) Dr. J.G.R. Acquoy, Het nut der beoefening van de geschiedenis der Hervormde Kerk in Nederland, Leiden 1878, bl. 14.
5) Dr. H.H. Kuyper, Het gereformeerd beginsel der Kerkgeschiedenis, Leiden 1900, bl. 39/40.
6) P. Deddens, De ratificeering der besluiten van meerdere vergaderingen, z.j.
7) Zie C. Veenhof, In memoriam Pieter Deddens, in Opbouw 1e jrg., bl. 350-352; prof. Veenhof heeft in deze academische gedachtenisrede stof verwerkt, die hem de nog onuitgegeven rectorale oraties van Deddens boden; H.J. Schilder, Collegialiteit contra collegialisme in De Reformatie

|101|

Maar in de tweede plaats vrezen wij, dat, wanneer wij nu bij deze gelegenheid in dezelfde richting zouden gaan schrijven, we het ons wel betrekkelijk makkelijk zouden maken, maar niet geheel verantwoord zouden zijn tegenover de nagedachtenis van onze leermeester en voorganger, omdat de kans verzuimd zou zijn aandacht te vragen voor het gehéél van Deddens’ wetenschappelijk levenswerk.

Daarom willen we in dit opstel ons uitgangspunt nemen in het historisch werk van Deddens, dat ons is nagelaten en dat ons bij nadere bestudering naar opzet en inhoud bij vernieuwing heeft geboeid, zo dat de overtuiging groeide, dat het goed is in deze Almanak iets te releveren van de methode, het uitgangspunt, de resultaten van zijn historische studie — dit achten wij goed te zijn terwille van zijn nagedachtenis, goed ook voor ons, die na hem tot het gereformeerd-wetenschappelijk bedrijf, ook tot de gereformeerde kerkgeschiedvorsing en kerkgeschiedschrijving zijn geroepen.

De confrontatie tussen Lindeboom en Deddens blijft ons boeien. Beiden hebben jarenlang in Groningen gewerkt, toen de één hoogleraar en de ander nog predikant was. Lindeboom wist ook zichzelf representant van de Nederlandse kerkhistorische school, waarvan hij eens schreef: „Sedert meer dan een eeuw bloeit hier te lande de Nederlandsche kerkhistorische school, waaraan de namen zijn verbonden van den Leidschen hoogleeraar N.C. Kist (1793-1859) en zijn tijdgenoot H.J. Royaards (1794-1854) te Utrecht, van Kist’s beroemden leerling W. Moll (1812-1896), van de hoogleeraren F. Pijper (1858-1926), H.G. Kleyn (1859-1896) en H.C. Rogge (1831-1905), resp. te Leiden, Utrecht en Amsterdam, terwijl thans de tegenwoordige hoogleeraren der kerken dogmengeschiedenis te Leiden, Utrecht en Groningen de tradities dezer directe en indirecte leermeesters trachten voort te zetten ... Ook buiten de genoemden, en in de kringen van roomsch-katholieke en gereformeerde kerkhistorici, hebben denkbeelden dezer school aanhang en toepassing gevonden. Deze denkbeelden en beginselen zijn niet uitermate diepzinnig, maar wel in hun consequente toepassing van groot practisch belang voor de kerkhistorische wetenschap. Zij omvatten: in de eerste plaats het bronnenonderzoek, het zooveel mogelijk en met name op de kritieke punten putten uit de oorspronkelijke gegevens”. 8) Hier nemen we de vrijheid


➝ 33e jrg., bl. 152/3 en 162-164; dezelfde, In Memoriam Pieter Deddens, in Handboek ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland 1958, Goes 1958, vooral bl. 208-230; J. Kamphuis, Het levend protest tegen de vergeetachtigheid in De Reformatie, 33e jrg., bl. 150/1.
8) Dr. J. Lindeboom, Kerk- en Dogmengeschiedenis in Inleiding tot de Theologische Studie, samengesteld door de Faculteit der Godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Groningen, onder redactie van Prof. Dr. H. van Oyen, Groningen-Batavia 1946, bl. 105/6. Wie verder over deze school en haar geschiedenis wil lezen, raadplege Dr. A. Eekhof, De geschiedenis van het „Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis (1829-1929)”

|102|

het citaat af te breken, want hier begint de mogelijkheid materieel iets te zeggen van Deddens’ kerkhistorisch werk en de methode daarvan. Is hij al geen vertegenwoordiger van deze school te achten, één ding heeft hij zijn lezers en zijn leerlingen voor-geleefd: de billijkheid èn de onontwijkbaarheid van dit maxime voor de historicus: terug naar de bronnen! Hij heeft zelf, zie de aantekening in noot 1 opgenomen, geconstateerd, dat hem tot die gang naar de bronnen zo weinig mogelijkheid geboden werd vanwege zijn drukke praktijk als predikant, maar dat maakt de onbevangen lezer, die van zijn kerkhistorische artikelen kennis neemt, te dankbaarder voor de strenge tucht, die uit zijn bescheiden publikaties blijkt.

Vanaf 23 jan. 1937 tot 25 okt. 1941 heeft Deddens in de „Groninger Kerkbode” een veertiendaagse rubriek verzorgd getiteld: „Grepen uit de geschiedenis der Kerk”. 9) In een bijna vijf jaren lopende reeks heeft Deddens voor zijn gemeente gehandeld over slechts één onderwerp: het Reveil. Trouwens, ook uit andere publikaties blijkt steeds zijn grote voorliefde voor en kennis van de vorige eeuw. Maar in deze — noodzakelijkerwijs populair gehouden — reeks toont hij onafgebroken, hóe de historicus heeft te werk te gaan om inzicht in het verleden te verschaffen. Waarschijnlijk kent de Nederlandse kerkgeschiedenis behalve het complex van de doopsgezinde stromingen in de 16e eeuw geen meer gecompliceerde beweging, dan die waar de contra-revolutionaire Bilderdijk de vader en de anti-revolutionaire Groen van Prinsterer het centrum van geweest is; de beweging, waar elkaar troffen A. Brummelkamp, die de noodzaak van afscheiding bleef bepleiten èn Da Costa, de man van de „medische weg” tot kerkherstel. Hoe groot is de verleiding niet op één of ander punt een vereenvoudiging toe te passen met het doel „houvast” aan het verleden te krijgen, maar waardoor haast onmerkbaar het gehele beeld toch verschuift.

De enige remedie tegen die simplificatie is de weg naar de bronnen, het geduldig en alzijdig luisteren, opdat een scherp beeld verkregen worden kan en opdat óók een billijk oordeel, dat alle factoren in rekening brengt, kan worden gevormd.

Alleen reeds uit dit oogpunt is de kennismaking met deze Grepen uit de geschiedenis der Kerk voor de lezer waardevol.

We kiezen een enkele illustratie uit een rééks van voorbeelden; Deddens behandelt het Reveil gedeeltelijk door een schets te geven van onderscheiden representanten van deze beweging; zo bespreekt hij ook de figuur van Ds. De Liefde. Hij kent het oordeel van Groen van Prinsterer over hem en heeft A. Pierson’s „Oudere


➝ en Dr. J. Lindeboom „Honderd jaren kerkgeschiedenis naar honderd jaar „Archief”, beide opstellen te vinden in Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXII (1929), resp. bl. 153v.v. en bl. 199v.v.
9) We zullen deze artikelen in de regel citeren bij rubriektitel en datum.

|103|

Tijdgenoten” geraadpleegd. Maar hij gaat niet af op het oordeel van anderen; hij heeft De Liefde uit zijn eigen geschriften leren kennen, zoals alleen al blijken kan uit de volgende zin: „Vóór mij ligt, behalve Coolsma's bekende keur uit De Liefde’s geschriften, het volgende van zijn hand: verschillende delen van het „Volksmagazijn voor burger en boer”, de „Algemeene Geschiedenis voor het volk”, de „Beknopte Geschiedenis des Vaderlands”, dan „Vruchten des geloofs ingezameld op den akker van het Protestantisme”, voorts preeken, liederen, en verschillende populaire geschriften als „De Koningin van het Zuiden”, „De diligence”, „Waarschijnlijkheid of zekerheid”.10) En dat alles heeft niet alleen maar vóór de auteur gelegen; hij kènt het materiaal, citeert gretig en overvloedig zowel de „geestelijke” liederen als de kinderliedjes, zowel uit de Algemene als uit de Vaderlandse Geschiedenis van De Liefde zó, dat een scherp omlijnd beeld begint op te rijzen. Waarbij niet veronachtzaamd mag worden, dat Deddens tegelijk de correspondentie van en over De Liefde, voorzover toegankelijk, blijkt te kennen en te beheersen.

Een tweede voorbeeld.

In deze zelfde reeks schreef Deddens ook enkele boeiende opstellen over de „oefeningen” en de „gezelschappen”. Hij blijkt open oog te hebben voor wat in dat historisch verschijnsel van het godsdienstig leven is te waarderen, maar houdt de kritiek niet achter; een kritiek, die inzet met de stelling: „Wie echter meenen mocht, dat de gezelschappen niets dan goeds hebben gebracht, vergist zich”.11)

Tegen deze bewering en de daarop volgende argumentatie kwam op vriendelijke wijze Ds. S. Datema, grondig kenner van de Afscheidings-geschiedenis, in het weekblad De Wachter op. Hij oordeelt de geuite kritiek te scherp. Maar het antwoord van Deddens is verrassend van overtuigingskracht, juist omdat op ongedachte wijze blijkt, hoe hij weer maar niet tweedehands-bronnen gebruikt en handboeken-wijsheid doorgegeven heeft, maar naar de oorsprongen is teruggegaan en geduldig heeft geluisterd, vóór hij zijn oordeel gaf. Zo zegt hij ook zelf: „Eer ik mij tot schrijven over het „Gezelschapsleven” zette, had ik veel over deze bijeenkomsten gelezen, en ook in de loop mijner Bediening met velen gesproken, die vroeger van het gezelschap trouwe bezoekers waren geweest”.12) Nu, dat blijkt ook overduidelijk. Niet alleen citeert Deddens een- en andermaal „de bekende eerste periodiek der Afscheiding „De Reformatie”, Tijdschrift der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland”, maar ook tekent hij nadrukkelijk aan, dat hij, toen hij zijn kritiek formuleerde, met opzet niet zelfstandig te werk ging, maar een man aan het woord liet, die de


10) Grepen, 12 april 1941.
11) Grepen, 9 juli 1938.
12) Grepen, 17 september 1938.

|104|

gezelschappen „van jongsaf zelf had bezocht” nl. Ds. W.H. Gispen Sr. En dan volgen de bewijsplaatsen: „Keurgarve”, 1915, bl. 84 en 85, en „Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem”, 1905, bl. 177.13)

Men moet niet alleen de vriendelijkheid van deze polemiek respecteren, een vriendelijkheid die ditmaal wederzijds was, maar door Deddens ook volgehouden in veel bitterder situaties, maar vooral het zuivere ter zake kundig zijn. Inderdaad: wie zou beter èn billijker over het „gezelschap” kunnen oordelen dan de oude Gispen? Maar Deddens blijkt het materiaal ook bij de hand te hebben en te kunnen gebruiken. Dat heeft, naar we menen, in historisch opzicht ook winst afgeworpen. Hij heeft zijn personen om zo te zeggen bespied, voor hij ging schrijven. Daarom verrijkt hij zijn lezer ook keer op keer door op de ontwikkeling te wijzen, die bij hen te constateren is. Zo schetst hij de politieke ontwikkeling van Da Costa, die als contra-revolutionair begon in 1823 („Bezwaren tegen den geest der eeuw”), maar reeds in 1830 blijkens zijn correspondentie zwenkte in anti-revolutionaire richting14), waarbij Deddens niet vergeet te noteren, dat er bij Da Costa steeds een „ultra”-element aanwezig is: „Ultra-reactionair vóór 1830 ultra-toegefelijk aan den geest des tijds in de periode na dit jaar”15), wat dan in het volgend artikel bewezen wordt door twee geschriften van Da Costa naast elkaar te leggen: de „Bezwaren” van 1823 en „Het Oogenblik” uit het revolutie-jaar 1848. Maar ook dit schema van de ontwikkelingsgang van Da Costa hanteert Deddens met de vrijheid en de voorzichtigheid, die de ware historicus steeds in het oog houdt; het verhindert hem niet in zijn bespreking van Da Costa’s brochure „Rekenschap van gevoelens” uit het jaar 1843, te constateren, dat Da Costa voor wat het kerkelijk vraagstuk aangaat in zijn contra-revolutionaire periode „in de kwestie van de onderteekening der Formulieren” meer anti-revolutionair was, dan toen hij zijn oude standpunt had prijsgegeven16) en tegenover het „juridisch” standpunt van Groen van Prinsterer de medische weg aanprijst ter gezondmaking van de Hervormde Kerk.

Ook bij de schets, die Deddens jaren later gaf van de verhouding tussen Groen van Prinsterer en de Afgescheidenen17) treft het oog hebben voor de ontwikkeling, het accuraat noteren van de voortgang van iemands denkbeelden, dat slechts mogelijk is doordat de eigenlijke bronnen voor de kennis der geschiedenis geen ogenblik worden verwaarloosd. Wie bij voorbeeld naast elkaar legt déze schets van Deddens en het opstel van de reeds eerder


13) a. art.
14) Grepen, 11 december 1937 en vervolgens.
15) Grepen, 25 december 1937.
16) Grepen, 22 juni 1940.
17) 26 artt. in De Reformatie, 31e jrg., no. 14-39.

|105|

genoemde en door Deddens hooggeschatte W.H. Gispen Sr. „Van 1816 tot 161818), waarin deze over hetzelfde of in ieder geval een verwant onderwerp handelt en daarom ook tot een beoordeling van Groen’s kerkelijke positie komt, merkt bij beiden de wil om een afwijkend standpunt recht te doen en om eerlijk te staan, ook bij de noodzaak van kritiek, tegenover een figuur als Groen van Prinsterer. Maar hoeveel nauwkeuriger is het beeld, dat Deddens ons tekent, vooral op het punt van de ontwikkeling van Groen’s gedachten. Hij werpt opzettelijk de vraag op „of er ontwikkeling in Groens kerkelijke zienswijze valt op te merken”19) en beantwoordt deze vraag dan toestemmend; aanvankelijk deden Groens „sympathieën voor de opvattingen der Historische Rechtsschool” hem niet inzien „dat alle pogingen tot kerkherstel afstuitten en moesten afstuiten op de organisatie der kerk, op de kerkelijke besturen, aangevoerd en geïnspireerd door de synode, de vuurhaard van verzet tegen alle actie, die bedoelde de kerk te reformeren”20), maar „als alle pogingen om de Belijdenis in de Hervormde Kerk rechtsgeldigheid te verschaffen, ijdel blijken, dan ziet Groen al duidelijker, dat geen kerkherstel mogelijk is, zolang de organisatie der kerk gehandhaafd blijft. Hij richt zich nu met alle kracht tegen de bestaande, door de regering opgedrongen, kerkelijke inrichting. Zijn confessionele strijd is een kerkrechtelijke geworden”21). Waarna weer niet verzuimd wordt de invloeden aan te wijzen, die in dit opzicht op Groen hebben gewerkt.22)

Wij menen, dat dit accuraat-historisch werk voor de gereformeerden in de kerkelijke situatie van de vijftiger jaren dezer eeuw, nu in de synodocratische gemeenschap pogingen tot kerkherstel ondernomen worden zonder dat primair gesteld wordt wat primair ìs, de on-kerkelijke organisatie, van actuele betekenis is. Het is mee daarom, dat wij ook dit moment uit Deddens’ historisch werk memoreren, maar we doen het in het kader van het overleggen van het bewijs, dat deze historicus vanwege het luisteren naar de eigen taal van de geschiedenis bij machte is geweest tot het moeizame bedrijf van de historiografie- werkelijke geschiedvorsing bracht hem tot waardevolle geschied-schrijving.

Daarin eren we maar niet een leermeester-voorganger, maar allereerst de God, Die hem vele gaven voor dit werk had geschonken; zó zag Deddens het immers zelf? Hij heeft het éérste beginsel van de Nederlandse kerkhistorische school: terug naar de bronnen, als een opdracht erkend, maar — kenmerk van de gereformeerde,


18) In „De Vrije Kerk”, Vereeniging van Christ. Geref. Stemmen, 14e jrg. (1888), bl. 529v.v. en 15e jrg. (1889) bl. 11v.v.
19) De Reformatie, 31e jrg., bl. 189.
20) a.w., t.a.p.
21) a.w., bl. 190.
22) a.w., bl. 195v.

|106|

van de gelovige historicus — wanneer hij aan de opdracht naar de maat van zijn mogelijkheden voldeed, was er bij hem de dankbare toon van één, aan wie het geschonken was tot de geschiedenis zèlf te gaan. Zo zet hij een opstel over een kerkrechtelijke oratie van Campegius Vitringa Sr. als volgt in:

„Wie wat over de Nederlandsche Kerkgeschiedenis gelezen heeft, bij hem zullen, stuit hij op den naam van Campegius (Kempe) Vitringa Sr., allicht opkomen de gangbare handboeken-notities: Sieraad der Franeker Hoogeschool; gematigd Coccejaan; Oostersche talen en exegese; groote toeloop ook van buitenlandsche studenten; Commentaar op Jesaja en Drie boeken over de Oude Synagoge. Wie gelegenheid had, in de historie te lezen en daarbij de norm van het Woord hanteert, ziet met genoegen, dat Vitringa bij het ouder worden zich al meer afkeert van de Cartesiaansene philosophie”, enz.23)

Deddens zelf liet in dit citaat de woorden „over” en „in” spatiëren; wij vragen nu aandacht voor dat dankbare: „wie gelegenheid had”; geen kwasi-wetenschappelijke geborneerdheid, maar waarlijk-wetenschappelijke verwondering spreekt hier uit een gelovig hart.

In dit verband mogen ons nog enkele opmerkingen vergund zijn.

Typisch voor Deddens’ geschiedschrijving op grond van zijn geschied-vorsing is de overvloed van historische anekdoten, waarmee hij een tijdsbeeld voor ons op kan roepen. Feitelijk moet men heel een artikel als „Andere tijden, andere zeden”24) lezen om er iets van te verstaan hoe Deddens met zijn enorm historisch fonds werkt bij de beantwoording van de vraag: „Wat was dat voor een tijd, ruim een eeuw geleden, toen het Réveil zijn intrede deed in ons land?” Dan volgen de alinea’s op elkaar, onweerstaanbaar, zoals de golven na elkaar uitvloeien op het strand, en dat in een steeds eendere aanhef: „het was in de dagen”, waarna telkens weer nieuwe, telkens weer verrassende bijzonderheden volgen, soms details, soms speels voorgezet, soms in een plotselinge ernst. Dezelfde soms haast verbijsterende kennis van de historische bijzonderheden, maar dienstbaar gemaakt aan de compositie van het historisch verhaal treft men in zijn opstel „De weg tot de oprichting der Theologische School”25). Geen wonder, dat deze geschiedschrijver gaarne de rol vervult van historisch portrettist; graag geeft hij geschreven portretten van anderen door, zo dat


23) a.w., 23e jrg., bl. 409.
24) Grepen, 6 februari 1937.
25) In de bundel „Tot de prediking van het Woord des geloofs”. Kampen 1954, bl. 41-67, vooral bl. 45v.v. In dit verband maken we nog melding van een viertal artikelen in De Reformatie, 20e jrg., no. 49 (27 juli 1945 en volgende nummers), „1945 in vergelijking met 1813”. Uit al deze artikelen en opstellen blijkt tevens, hoe breed de belangstelling van de kerkhistoricus Deddens was; hij geeft met evenveel gemak illustraties uit de economische, sociale, politieke als uit de kerkelijke geschiedenis.

|107|

van de hand van Allard Pierson over Groen van Prinsterer26) en de bekende schets van Bilderdijk college gevende over de geschiedenis van het Vaderland voor een auditorium van 6 personen op het Rapenburg te Leiden.27) Maar ook zelf beeldde Deddens graag personen en situaties uit. Bekend is zijn beschrijving van „’t eerste vriendschappelijk contact” tussen K. Schilder en hem zelf op de eerste vergadering van de classis ’s-Gravenhage, die hij als predikant van Rijswijk meemaakte, waarin Deddens K. Schilder in zijn rond, open opkomen voor éérlijk „zaken doen” op een kerkelijke vergadering tekent; het toneeltje leeft. De lezer leert de sfeer kennen van de classis ’s-Gravenhage, het vasthouden aan orde en regel van haar actuarius, de laatst-ingekomen predikant Deddens van Rijswijk, de verbazing van de eerwaarde vergadering over zoveel nodeloze stiptheid en de kerkelijke trouw, waarmee de Oegstgeester predikant K. Schilder het opnam voor de aangevallen actuarius.28) Een sfeer oproepen, personen karakteriseren, het was hem een lust, omdat de historische accuratesse zich hier huwde met het uitbeeldend vermogen van de kunstenaar. Evenals nu Deddens oog had voor het historisch detail, minde hij ook het fijne trekje, de puntige karakteristiek, die eigenaardig zijn voor het historische portret, het genre binnen de geschiedbeschrijving, dat wel eens moeite heeft om erkend te worden in zijn eigen merites, maar waarvan het Algemeen Handelsblad ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van De Standaard en zijn hoofdredacteur A. Kuyper volkomen terecht opmerkte: „Portretteeren is groote kunst en eischt eindeloze studie en tijd”28a) Wellicht heeft het gereformeerde volk te weinig nog beseft, hoe zeldzaam de verbintenis van wetenschap en kunst is om de stilistische gaven van Deddens recht te waarderen.

Met de vermelding van Deddens uitbeeldend vermogen hebben we tegelijk de overgang gemaakt naar onze laatste opmerking in dit verband. Er is in de geschiedschrijving ook een niet te verwaarlozen esthetisch element: men moet de moed hebben na de geschiedvorsing terwille van de geschiedschrijving de mogelijkheden van de taal te exploiteren om uit te beelden. Daarmee wordt de eis van strenge wetenschappelijkheid in de weergave der feiten niet ontkend; integendeel. W. Moll, in het begin van dit opstel in een citaat van Lindeboom de beroemde leerling van Kist genoemd, ging juist mede daarin volgens bevoegd getuigenis bóven Kist uit, dat hij de schone taalvorm dienstbaar maakte aan de wetenschappelijke


26) De Reformatie, 31e jrg., bl. 109, vgl. A. Pierson, Oudere Tijdgenoten3, Amsterdam 1922, bl. 119.
27) Grepen, 29 mei 1937.
28) Prof. Schilder als vriend in Almanak Fides Quadrat Intellectum, 1953, bl. 62v.v.
28a) Zie Gedenkboek, opgedragen door het feestcomité aan Prof. Dr. A. Kuyper bij zijn vijf en twintig-jarig jubileum als hoofdredacteur van „De Standaard”, Rotterdam 1897, bl. 83.

|108|

historiografie.29) Zo vaak nu Deddens „los” komt, kan men genieten van een keurige taal, die in rake typeringen haar kracht zoekt. Hoe wordt — alweer — Groen ons voor ogen gesteld, maar nú via een schets van zijn „De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatstegt getoetst”, wanneer Deddens dit geschrift als volgt karakteriseert:

„Achter den beraden gang der gebonden zinnen met hun welgekozen woorden voelt men een hart, dat trilt van verontwaardiging; hier is een conscientie-kreet uit een overvol gemoed; een betoog, dat met zijn klemmende argumenten den inbreuk op de vrijheid van geweten, die edelste aller nationale schatten, raak en onbarmhartig aan de kaak stelt”.30)

***

Als tweede kenmerk van de Nederlandse kerkhistorische school noemt Dr. J. Lindeboom in het artikel, waar we ons uitgangspunt in nemen: „een zakelijk voordragen van de aldus (sc. door middel van een zo verantwoord mogelijk bronnen-onderzoek) gewonnen resultaten, waarbij niet deductief geredeneerd wordt van bepaalde praemissen uit, niet geconstrueerd wordt aan de hand van vooraf uitgedachte ideologieën, maar inductief wordt betoogd en geconcludeerd op grond van wèl-verantwoorde gegevens”.31)

In zoverre hier aan de historicus de eis gesteld wordt van de rustige, onpartijdige reproduktie van het gevondene, zal dit woord weinig tegenstand oproepen, maar is wèl de vraag te overwegen of Lindeboom zelf hier geen vlekken aanbracht op zijn eigen werk. In deze richting heeft b.v. G. Keizer wel geklaagd,32) en onzes inziens terecht, wat betreft de geschiedenis der Afscheiding. Waarbij gevoegd kan worden, dat soms ook uitvoerige documentatie prof. Lindeboom niet van een al te oppervlakkig oordeel vermocht af te brengen, zoals zijn recensie bewijzen kan van de dissertatie van J.A.C. v. Loon over het Reglement van 1816 in het Ned. Arch. voor Kerkgeschiedenis.33) Slag op slag blijkt hier toch de genootschappelijke voorkeur het te winnen van de wetenschappelijke onpartijdigheid.

In dit opzicht achten we het werk van Deddens zuiverder dan dat van Lindeboom. Hij heeft zijn kritiek op de door hem beschreven personen. Hij schaamt zich de functie van criticus ook niet; wij komen daar nog op terug. Maar nergens treft men in zijn werk de speldeprikken aan, die het oeuvre van Lindeboom soms ongenietbaar


29) Dr. J. Lindeboom, Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXII (1929), bl. 215/6.
30) Grepen, 5 augustus 1939.
31) Inleiding tot de Theologische Studie, enz. bl. 106.
32) Dr. G. Keizer, De Afscheiding van 1834, Kampen 1934, bl. 13 en 32.
33) N.S. XXXIV (1943/45), bl. 215.

|109|

maken. Dat valt temeer op, omdat het kerkhistorisch werk van Deddens voor het grootste deel cirkelt om figuren, met wie hij de kerkelijke keuze niet kan delen. Wanneer we zijn artikelen over Mr. A.M.C. van Hall34) en die rond Brummelkamp35) uitzonderen, handelt zijn werk, voorzover het personen betreft, voornamelijk over figuren, die òf niet aan de vrijmaking van de synodale organisatie van 1816 toe zijn gekomen, zoals Bilderdijk, òf die die vrijmaking, zoals deze tot stand kwam in de Afscheiding van 1834, veroordeelden en tegenstonden. Deddens verliest dit niet uit het oog; hij schenkt er integendeel overvloedige aandacht aan36), maar zijn blik blijft onbevangen. Dat blijkt duidelijk, wanneer hij de betekenis van Groen van Prinsterer schetst, maar evenzeer als hij het beeld tekent van Otto Gerhard Heldring37). Dit beeld werd ontworpen vóór Dr. A. van der Hoeven zijn biografie van Heldring gaf38), maar toont in ieder opzicht dezelfde terzake-kundigheid als wij bij de artt. over Ds. De Liefde constateerden. Deddens toont de zwakheid te kennen van deze grote filantroop uit het Reveil: „Inplaats van nu echter alleen te letten op de eisch, die de kompasnaald (sc. het Woord Gods) stelt, begint Heldring eischen te stellen aan het kompas zelf. Hij wil het wel volgen, mits het hem vergunt, zijn philanthropische arbeid voort te zetten”39). Maar daarom negeert Deddens deze arbeid niet en kleineert ze ook niet: „In de voorposten van het Christelijk-sociale leger der negentiende eeuw staat Heldring als de held die „ringende”40) moeite na moeite en teleurstelling na teleurstelling te boven komt, en die door het geloof in de kracht Gods overwint;”41) en: „Waarlijk, vruchteloos was de strijd des geloofs en der liefde niet geweest.”42) We kunnen verder gaan: hoewel Deddens scherp kritisch staat tegenover Heldring’s weigering om dóór te tasten ten aanzien van de Kerk, toen het erop aan ging komen en hij daarom óók het initiatief, dat Heldring ontplooit en dat uitloopt op de


34) Van Reveil tot Afscheiding, 8 artt. in de serie Grepen uit de geschiedenis der Kerk, vanaf 18 maart 1939.
35) Grepen, vooral vanaf 12 oktober 1940.
36) Waar het Reveil feil ging; Verboden Verkeersweg; Het Reveil op het keerpunt, I-III; Waarom geen Scheiding, I-VI, aansluitende artt. in de serie Grepen uit de geschiedenis der Kerk, vanaf 1 okt. 1938; De zigzaggang I-II in dezelfde serie 8 en 22 juli 1939 en Het negende Geloofsartikel, idem, 30 sept. 1939.
37) Grepen, van 14 okt. 1939 tot 16 maart 1940.
38) Dr. A. van der Hoeven, Otto Gerhard Heldring, A’dam 1942.
39) Grepen, 2 maart 1940.
40) Hier zinspeelt Deddens op een woordspeling, die Gossner eens maakte op naam en standplaats (Hemmen) van Heldring, die door Deddens a.v. wordt weergegeven: Nun Held, ring durch zum Siege; lasz dich nicht hemmen, und wolle nicht hemmen. Zakelijk gelijk bij Dr. A. v. d. Hoeven, a.w., bl. 124.
41) Grepen, 28 okt. 1939.
42) Grepen, 20 jan. 1940.

|110|

vergaderingen van de „Christelijke Vrienden” scherp laakt43), aarzelt hij geen ogenblik met vreugde te erkennen, dat er van deze vergaderingen grote stuwkracht is uitgegaan: „Hun vergaderingen waren het van God gegeven middel om in Nederland, na de verwoestingen door de revolutie aangericht, de ontwrichte pilaren weer vast te zetten. ..... Het behaagde ..... den Heer in deze zwakheid (nl. bestaande in het kleine aantal en de weinige mogelijkheden) Zijn kracht te openbaren, en in de geringheid der middelen Zijn heerlijkheid te toonen. Hij dreef de Christelijke Vrienden voort door de stuwkracht des geloofs”.44)

***

Onpartijdig is deze historicus.

Maar men zie wèl toe.

Het is de òn-partijdigheid van het geloof, dat partij gekozen heeft voor de God der geschiedenis en dat nu geen geschiedenis kan schrijven zonder deze God in het oog te hebben. Ja, daaruit wordt Deddens’ onpartijdigheid, waarin hij te loven is bóven Lindeboom, geboren, uit zijn streng-theocentrische historiografie.

Daar wijken dan ook de wegen van deze beide historici uiteen.

En daarmee raken we, naar ons oordeel, het hart van Deddens’ historische arbeid, dat opzettelijk bespreking verdient; een bespreking, die wij geven willen in duidelijke confrontatie met de maximen van de nu reeds herhaaldelijk genoemde Nederlandse kerkhistorische school. Wij zouden de nagedachtenis van de calvinist Deddens niet eren, wanneer wij camoufleerden dat op dit punt een afgrond gaapt tussen Lindeboom en Deddens, tussen de humanistische èn de calvinistische kerkgeschiedschrijving.

***

Lindeboom tracht wel het eigen karakter van de kerkgeschiedenis in onderscheid met de vaderlandse en algemene geschiedenis te handhaven: „ook zonder dogmatische a-priori’s te laten meewegen en zonder het openbaringskarakter van het Christendom uit te breiden over de kerkgeschiedenis (wat op protestantsch standpunt onnoodig is en onaanvaardbaar), kan men er niet aan ontkomen het „hic et nunc” van het Christendom mee te laten bepalen door het openbaringskarakter, dat aan zijn optreden in den tijd, in en door Jezus Christus, eigen is ..... de kerkgeschiedenis (heeft) ..... een eigen, principieel karakter ....: het openbaringskarakter van


43) „En als straks Heldring met andere medici in consult gaat, en de meerderheid zijn zienswijze deelt, dan weten we, wat van deze Reveil-actie, die niet reformatorisch is, wijl niet naar de Schrift, te wachten is”, Grepen, 17 febr. 1940.
44) Grepen, 13 april 1940.

|111|

Jezus Christus en zijn Evangelie, dat uitstraalt over al het historisch gebeuren, hetwelk Christus met onzen tijd verbindt.”45)

Maar, afgedacht nu even van de alles-beslissende vraag, of Lindeboom op déze wijze wel onderscheid mag maken tussen de kerkgeschiedenis enerzijds èn de, zo door hem genoemde, profane geschiedenis anderzijds, feitelijk poogt Lindeboom in de verantwoording van zijn historiografische methode nog zo veel mogelijk te ontkomen aan dat schamele overblijfsel van de Schrift in de zo juist van hem geciteerde formules. Het is een „minimum”, hij geeft het toe. Maar verder mag, naar zijn stellige overtuiging, de historicus toch zéker niet gaan, want dan geschiedt het grootste ongeluk: het wetenschappelijk bedrijf loopt vast in het slop van de onwetenschappelijke stichtelijkheid: „Bepaalt men zich niet tot dit minimum... dan loopt men gevaar de geschiedenis stichtelijk te gaan waardeeren en beschrijven, dan ziet men overal den bekenden vinger Gods, Gods wonderbaarlijke leiding, die speciaal „Zijn” kerk — welke dan praktisch de kerk van den beschrijver is! — betreft. Van stichtelijke beoefening der kerkgeschiedenis, van dierbare redeneeringen, over de genadige teekenen en leidingen vanwege den Heer der kerk (men substitueere dan, al naar behoefte, één bepaalde kerk) hebben wij in Nederland al meer dan genoeg genoten, gelijk er in Duitschland altijd een overdaad was van het nationalistische element”.46)

De nevenstelling: stichtelijke geschiedschrijving in Nederland — nationalistische in Duitsland is duidelijk genoeg. En ook navrant. En Lindeboom heeft naar deze richtlijnen niet alleen zijn eigen kerkhistorisch werk trachten op te bouwen, maar ook dat van anderen beoordeeld. Wanneer A. Janse in zijn Van „Dordt” tot ’34 een poging doet om de grote strijd tussen het vleselijk en het Geestelijk Israël te tekenen „in het verband van den kamp tussen de humanistische en de Gereformeerde strooming in de Hervormde Kerk tijdens de Republiek”47), dan is Lindeboom in zijn recensie in het Ned. Arch. yoor Kerkgeschiedenis snel klaar met zijn oordeel: „Liefhebbers van stichtelijke lectuur mogen beoordeelen in hoeverre de heer Janse met deze „verbanden” op den goeden, door hem verkozen weg is; wij kunnen hier slechts constateeren dat de schrijver gebleven is buiten het verband van de eenvoudigste eischen, die de historiebeoefening stelt”.48) Wat dan niet nader geadstrueerd wordt noch blijkbaar behoeft te worden, want het feit alleen, dat „stichtelijke lectuur” geboden wordt, is voor Lindeboom reeds voldoende om Janse uit te sluiten uit de kring der serieuze historie-beoefenaars. En zó spreekt hij werkelijk niet alleen ten aanzien van kerkelijk-gereformeerden. Als in 1941 de


45) Inleiding tot de Theologische Studie, enz., bl. 93/5.
46) a.w., bl. 95.
47) A. Janse, Van „Dordt” tot ’34, Kampen 1934, bl. 6.
48) Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXVII (1935), bl. 254.

|112|

hervormde, barthiaans-georiënteerde Dr. H. Berkhof zijn Geschiedenis der Kerk het licht doet zien, om, zoals hij in het Woord Vooraf verklaart „het belangstellend lid der kerk de geestelijke beteekenis van het gebeurde te doen verstaan”,49) dan is Lindeboom in zijn recensie, die in dit geval naar haar inhoud meer betekenis heeft, weer spoedig klaar: „Het gaat dus blijkbaar om een stichtelijke geschiedenis van het Christendom, geschikt om de bijzondere voortreffelijkheid van de Nederlandsen Hervormde Kerk te doen uitkomen” en: „Het ligt verder geheel op de stichtelijke lijn — zeker ten bate van „gereformeerd Nederland” — dat zoo gemakkelijk gesproken wordt van genadige teekenen en leidingen vanwege den Heer der Kerk”. Iets van de achtergrond van deze hooghartige afwijzing wordt onthuld, wanneer Lindeboom Berkhof’s standpunt met betrekking tot het Woord Gods — onzes inziens onnauwkeurig — aldus weergeeft: Het Woord, dat „zonder eenige menschelijke verklaring, opvatting of weergave als een transcendente grootheid tot hem komt”. En dan volgt déze opmerking, die voor heel het wetenschappelijk, kerkhistorisch werk van Lindeboom van beslissende betekenis is: „Een oude dwaling (art. XXVIII der Ned. Geloofsbelijd. is er al niet vrij van gebleven), maar voor wetenschappelijken arbeid altijd gevaarlijk. Zij leidt tot gewrongen stichtelijke beschouwingen, tot onbillijke beoordeelingen”.50)

In duidelijke tegenstelling tot deze geseculariseerde geschiedbeschrijving is Deddens zijn onopvallende weg als historicus gegaan. Hij heeft zich het evangelie van de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die om Zijnentwil ook onze God en Vader wil zijn en daarom ons, ook in de loop van de kerkgeschiedenis, met alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil, niet geschaamd, ook niet al wist hij, dat hij daardoor onder hetzelfde oordeel vallen zou, als Lindeboom over Janse en over Berkhof streek. Dat komt al uit in het laatste citaat, dat we van hem gaven, waarin Deddens handelt over de vergaderingen van
de „Christelijke Vrienden”, waar de krachten van het Reveil gebundeld en zoveel mogelijk gericht werden. Wanneer hij over de invloed spreekt, die van deze vergaderingen is uitgegaan, formuleert hij bewust theocentrisch: „Hun vergaderingen waren het van God gegeven middel .....”.

Zo’n uitlating is in zijn werk niet incidenteel, ook niet frequent-en-daarmee-uit; maar ze geeft de richting aan, waarin en de norm, waarnaar hij werken wilde: „Als de almachtige en alwijze Creator menschen als zooveel letteren gaat schrijven in het schoone boek der Schepping, dan copieert Hij Zichzelf niet. Maar in de pluriforme pracht, die Hij voor onze oogen ontvouwt, is toch hier en daar overeenstemming op te merken”.51) Van die Creator belijdt


49) Dr. H. Berkhof, Geschiedenis der Kerk, Nijkerk (1941), bl. 5.
50) Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXXIV (1944/5), bl. 71/2.
51) De Reformatie, 23e jrg., bl. 303. Vgl. ook De positie van de

|113|

Deddens graag, dat „Hij Zijn materiaal niet vindt, maar schept52) en van de geschiedschrijving daarom: „Want alle geschied-herdenking brengt ons in de tegenwoordigheid van Hem, Die uit vele, door ons ook ongeweten mogelijkheden, telkens één ding kiest, dat werkelijkheid wordt en in de verschijning treedt, en alzo door Hem tot een mede-bepalende factor gemaakt wordt van hetgeen naar tijdsorde volgens Zijn Raad in de loop der historie geschieden moet. Geschieden moet naar de wil van Hem, die de naam draagt van de alleen wijze God, die het Verbond bewaart en daarom aan Zijn Kerk de hand houdt tot het einde”;53) en eveneens: „Heel de kerkgeschiedenis is niet anders dan een hymne, een roerende lofzang op de trouw van de Middelaar Gods en der mensen, de Koning en Leidsman der Kerk”. 54) Hoewel hij in de arbeid, waaruit wij nu één en ander naar voren halen, het schrijven van de jaaroverzichten van het kerkelijk leven in het „Handboek”, zich slechts „chroniqueur” wist, „die niet meer te doen had dan enkele in ’t oog vallende, voor het leven onzer Kerken van betekenis zijnde gebeurtenissen in de herinnering terug te roepen”, acht hij die arbeid toch schóón, „niet uit aesthetisch, maar uit religieus oogpunt”.55)

Zo past Deddens die geloofsstelling, dat alle geschied-herdenking ons brengt in de tegenwoordigheid van de alleen wijze God, ook op een wijze, die door de humanistische, ook de religieus-humanistische geschiedbeschrijving met alle kracht moet verworpen worden, schijnbaar argeloos toe op heel concrete omstandigheden en gebeurtenissen: „Immers de School (bedoeld is de Theologische Hogeschool) is niet in de eerste plaats onze School, maar de School des Heeren ..... toen de Kamper School verloren scheen en men zich van de zogenaamde „lastige elementen” ontdaan had, gaf de Heere aan de leden van de eerste meerdere vergadering van de vrijgemaakte Kerken in het Noorden in ’t hart, het onderwijs voort te zetten, en het stoffelijk onderhoud der School voor haar rekening te nemen”.56)

Schijnbaar argeloos, zo zeiden we. Maar het is slechts schijnbaar. Want Deddens heeft publiek rekenschap gegeven van deze methodische inzet van zijn historisch werk: „Wie over een historisch onderwerp gaat handelen loopt het gevaar, de aandacht op te eisen voor hetgeen in een bepaalde periode voorviel op het schouwtoneel van het verleden, en de rol te doen zien, die elk der op de voorgrond tredende spelers in de totstandkoming van enig belangrijk


Diakenen ren aanzien van den Kerkeraad, Rotterdam z.j., bl. 5: „verschil van tijden en omstandigheden, immers God herhaalt Zich niet in de historie”.
52) a. art.
53) Handboek ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland onder redactie van Prof. P. Deddens, Goes 1954, bl. 225.
54) a.w., bl. 212.
55) a.w., bl. 225.
56) De Reformatie, 23e jrg., bl. 5.

|114|

gebeuren heeft vervuld, zodat in de schaduw of in ’t duister blijft wat de Heere deed, en misschien slechts in ’t voorbijgaan Zijn Naam wordt genoemd.

De Heere is echter niet (met eerbied gezegd) de onzichtbare Souffleur of Regisseur, ook niet slechts de Auteur van de opgevoerde Acten, die elkaar in de loop der jaren en eeuwen afwisselen en van het totaal der Bedrijven; de Heere is God, en daarmee is alles uitgesproken. Als Schepper „ontdekt” Hij noch het toneel, noch de spelers; Hij formeert de wereld en bevolkt haar; Hij vindt Zijn werkmateriaal niet zoals wij, doch Hij maakt het; en in trouw aan Zichzelf en daarom aan Zijn Schepping stuwt Hij Zijn wereld voort door een permanente, presente, almachtige wilsdaad, van verandering tot verandering, door Zijn nooit onderbroken „ingrijpen” volgens geschiedend besluit haar heenstuwend naar de dag van Zijn oogst. ..... In het schijnbaar onontwarbaar, in de loop der eeuwen voor ons oog zich steeds meer verwikkelend kluwen van gebeurtenissen, bewaart God de orde; Hij bepaalt en realiseert waar, wanneer, onder welke omstandigheden ieder mens en elk volk zal leven en werken. Hij heeft daartoe naar Goddelijke orde de tijden doen komen (Hand. 17: 26), en in verband met die tijden formeert Hij de mensen, die alsdan moeten optreden (Jer. 1: 5, Hand. 13: 36a). ..... En wijl nu de Heere Zijn Kerk maakte tot centrum van Zijn wereldregiment (Deut. 32: 8 ....), daarom dient alles wat in de tijd geschiedt, direct of indirect de kerk, al kunnen wij, klein van verstand en beperkt van inzicht, de wijze en de wegen van deze dienst slechts zeer fragmentarisch en niet dan uiterst onvolkomen kennen”. En dan volgt de concrete „toepassing” op de geschiedenis, die nù door hem zal beschreven worden: „De Theologische Hogeschool is geweest en bleef schenking Gods; inzake haar oprichting merken we op, dat ze geschiedde op Gods tijd, en met door Hem bereide middelen.”57)

Hier doet zich nu in volle kracht gelden de tegenwerping, die Lindeboom steevast maakt: staat deze geschiedbeschouwing en -beschrijving niet op één lijn met de duits-nationalistische, die „God” annexeert tot meerdere glorie van het eigen volk, de eigen natie? Is in de grond der zaak de éne geschiedbeschouwing niet ident met de andere? Heeft Hitler niet de „Voorzienigheid” voor zich en voor zijn duizendjarig rijk geannexeerd, zoals, naar Deddens eens in herinnering bracht, reeds in 1810 ook Napoleon deed, toen hij tot een adviserende Commissie uit Nederland, juli 1810 naar Parijs ontboden, zei: „Toen de Voorzienigheid mij dezen eersten troon der wereld deed bestijgen, moest ik, om Frankrijks lot voor goed te bevestigen, het lot regelen der volken, die deel uitmaken van dit Rijk; ze allen doen deelen in de zegeningen van bestendigheid en orde”.58)


57) Tot de prediking van het Woord des geloofs, bl. 41/2.
58) De Reformatie, 20e jrg., no. 49 (27 juli 1945), bl. 5/6.

|115|

Maar deze tegenwerping houdt geen steek. Zeker, we weten, dat de tegen-instantie die wij aanvoeren, voor hen die Lindeboom’s richtsnoer volgen, van geen kracht zal zijn, zoals blijken kan uit wat we aanhaalden uit zijn recensie van Berkhof’s Kerkgeschiedenis. Maar dat mag ons niet verhinderen hier niet alleen de tegenj-stelling te constateren tussen Lindeboom’s religieus-humanistische historiografische methode èn de calvinistische van Deddens, maar ook protest aan te tekenen, wanneer Lindeboom van zijn uitgangspunten uit de calvinistische geschiedbeschouwing en -beschrijving gelijkschakelt met die der duitse immanentisten. Want Deddens heeft niet alleen gepostuleerd de vrijheid en de soevereiniteit van de eeuwige God en de transcendentie van Hem, die immanent werkt in de gang der tijden, maar hij heeft principieel alle vleselijke annexatiedrift de levenswortel afgesneden, toen hij het Woord Gods, dat ons in de Schrift geschonken is, aanvaardde als de maatstaf, het richtsnoer, het enige betrouwbare middel om te taxeren. Hij is nimmer zò ver gegaan, gelukkig, dat hij de kerkgeschiedenis opvatte in de beperkte zin, die Ebeling haar gegeven heeft: geschiedenis van de uitlegging der Heilige Schrift59), want hoe groot ook het waarheidselement in een dergelijke omschrijving is, ze zegt toch te weinig; naar twee zijden: de kerkgeschiedenis is méér dan de geschiedenis van de uitlegging van de Heilige Schrift èn de Heilige Schrift wil vooral als norm erkend worden in de beschrijving van de geschiedenis der Kerk. Een calvinistische kerkgeschiedschrijving zal zich kenmerkend van alle andere daarin onderscheidden, dat zij vanwege de eerbied voor de souvereine God, die wij in Christus kennen en die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, een strikt-normatieve geschiedbeschrijving is. Tegenover Emil Ludwig spreekt Deddens dan ook expliciet van dit geloofsuitgangspunt: „Ofschoon hij, voor zoover ons bekend is, nergens uitvoerig zijn opvatting over de beteekenis van de geschiedenis en van den enkelen mensch heeft weergegeven, blijkt uit meerdere aanduidingen toch wel, dat ook in dit opzicht Goethe zijn leermeester is geweest. Wij krijgen den indruk dat voor hem, als voor Goethe, alles wat geschiedt, een uitdrukking is van den „Geest”, die naar het heet, achter de natuur zich verbergt en in alle gebeuren zich openbaart, dat het individu in de ontvouwing van zijn bijzonderen aard tegelijk uitdrukking en gelijkenis is van het alwezen, dat men geest of god noemt. Geen God boven de historie dus. Geen God, die de historie maakt als de ontwikkeling van Zijn Raad. En de inhoud der geschiedenis is hier dan ook niet de machtige worsteling tussen duisternis en licht, tussen zonde en genade. ..... Hij verstaat het proces der historie gansch anders als wij. Hij beziet haar eenzijdig-pragmatisch, alleen naar het nut dat ze bij wijze van voorbeeld afwerpt in bemoediging en waarschuwing. Maar wat is nu in


59) Gerh. Ebeling, Kirchengeschichte als Geschichte der Auslegung der Heiligen Schrift, Tübingen 1947, passim.

|116|

zijn helden te prijzen, wat te laken? Wat is de maatstaf, dien deze schrijver aanlegt? Ludwig kent geen anderen maatstaf dan de humanistische. Met andere woorden: een zeer onvaste, wisselende.”60)

Daarom beschrijft Deddens in alles de gang van de heerschappij van de Christus, die door Zijn Woord verlost, herschept, vergadert, regeert, óók door en ondanks de rebellie der vijanden en de vaak gebleken ongehoorzaamheid der kinderen Gods. Neen, dat is geen geschiedbeschrijving, die, naar het oordeel van Lindeboom, wel uitlopen moet op het aanprijzen van de bijzondere voortreffelijkheid van een bepaald kerk-instituut, want we zagen juist, dat Deddens’ krachtig-theocentrische „aanpak” der geschiedenis hem de mogelijkheid van de werkelijke on-partijdigheid heeft gegeven, omdat hij wist de tol der dankbaarheid aan de God der geschiedenis verplicht te zijn overal, waar die God Zich heerlijk betoont in Zijn verlossingswerk. Inderdaad, Deddens heeft maar weinig en dan nog op een onopvallende manier gepubliceerd op historisch gebied, maar dat weinige doet hem kennen als het tegendeel van de bekrompen kerkist; hoe zou hij het hebben kunnen zijn, waar hij wist te werken in het licht van die God, die hij zo van harte beleed als de Schepper van de einden der aarde?

Maar de nórm heeft hij niet losgelaten.

Dat opent ook op het onverwachts vaak verrassende perspectieven in zijn historisch werk.

Wanneer hij over Heldring handelt in zijn „Grepen uit de geschiedenis der Kerk”, beschrijft hij ook de inhoud en het doel van Heldring’s geschrift uit 1841: „Waarom staan de namiddag-kerken zo ledig?”. Het wordt getypeerd als ,,’n echt Heldring-geschrift: op den man af, maar voorts rustig, zonder eenige felheid, goed-bedoeld, argeloos”.61) Maar Heldring staat onthutst over de venijnige reactie, die van hervormde zijde losbreekt, als zijn analyse van de kerkelijke situatie bekend geworden is. „Wat zal”, vraagt Deddens, die het verhaal vertelt als de geschiedenis van een patiënt en een medicus, „dokter Heldring nu doen? Doorzetten?” Hij heeft het wel overwogen, maar dat zou aansluiting bij de Afgescheidenen betekend hebben en hoe na hij daar ook aan toe geweest mag zijn, hij doet die stap niet.” Maar waarom was Heldring daar zo na aan toe geweest en waarom kwam er toch in dit opzicht geen geloofsactiviteit?: „Heldring maakt het ons nog gemakkelijker zijn geesteshouding te begrijpen door de vermelding, dat hij er ernstig over dacht, de Hervormde Kerk voor die der Afgescheidenen te verlaten, omdat hij gegriefd was door de bittere ontvangst van zijn boekje. Als de smaad den Heere aangedaan, die in Zijn eigen huis wordt tegengesproken en in een hoek gezet, wordt voorbijgezien om de krenking, die men persoonlijk ondervindt, dan is er op


60) De Reformatie, 10e jrg., bl. 238.
61) Grepen, 17 febr. 1940.

|117|

krachtige reformatorische actie niet te hopen”.62) Hetzelfde oordeel velt Deddens over de noodkreet, die Heldring na raadpleging van Groen van Prinsterer schreef aan „de vrienden des Heeren, die met mij hebben leeren kennen door den Heiligen Geest, dat de Gereformeerde kerkleer niet uit den mensch, maar uit God is”, want Deddens’ analyse van Heldring’s initiatief, waarbij allerlei activiteiten en genootschappen ter sprake komen, leert ons: „Bemoeiing dus met genootschappen en vereenigingen — van de Kerk is geen sprake. Het gaat over „inrichtingen, welke in den eigelijken zin des woords menschenwerk zijn” — over het lichaam van Christus geen woord. Wel spreekt Heldring aan ’t eind over de eere Gods — wat die eere Gods vordert voor Zijn heilige Gemeente naar het klaar getuigenis van het Evangelie beseft hij niet”. En dan volgt een diepzinnige, billijke en tegelijk scherpe opmerking: „Hoe diep blijkt de omzetting van de Kerk in een genootschap zelfs op het bewustzijn van geloovigen, die leiding hadden te geven, te hebben ingewerkt”. 63)

In dezelfde lijn ligt wat Deddens opmerkt naar aanleiding van de confrontatie van het kerkelijk standpunt van Groen van Prinsterer en dat van Da Costa in een vijftal artikelen Om de Kerk64). Deddens vermeldt dan, dat „de aversie van Da Costa om met beslistheid de Formulieren te handhaven geweten (is) aan zijn onjuist kerk-begrip: de zichtbare Kerk was voor hem niet meer dan iets dat in hope en in de toekomst bestaat, een embryo, een kampplaats, een schip, gehavend door den storm”.

De auteur ontkent dat niet, maar vervolgt: „de eigenlijke oorzaak lag dieper. Reeds vroeger wezen we op Da Costa’s subjectivisme en individualisme. Het centrale punt van zijn denken was niet de eere Gods, maar de zaligheid van den mensch. Christus de Koning ging voor hem schuil achter Christus de Hoogepriester. Hij getuigde van de liefde Gods — de gedachte van het recht van Gods liefde heeft hem niet gegrepen. Groen bleef bij de Hervormde Kerk, omdat hij niet inzag dat deze was omgezet in een kerkgenootschap. Da Costa bleef erbij, omdat hij haar abnormale toestand van diep bederf haast als normaal zag. Het juridisch standpunt van Groen kon in het genootschap onmogelijk zijn doel bereiken. Het medisch standpunt van Da Costa heeft verzwakking en verslapping van het kerkelijk besef in de hand gewerkt”.65)

Het recht van Gods liefde.”

Die „verslapping en verzwakking van het kerkelijk besef” wijst Deddens ook concreet aan, bij voorbeeld in de bemoeienis, die Da Costa in het conflict heeft gehad, waarin Kohlbrügge werd gewikkeld met de Hervormde Kerk, die hem zijn toelating weigerde.


62) a. art.
63) Grepen, 16 maart 1940.
64) Grepen, 27 april 1940-22 juni 1940.
65) Grepen, 22 juni 1940.

|118|

Dan memoreert hij een uitlating van De Clercq inzake de redenering van Da Costa: „aan de eene kant moest men het recht van de zaak handhaven en de scheiding tegengaan; juist het opstellen van een stuk zoals men vermeende, kon strekken om Kohlbrügge terug te houden, die juist op het punt stond om, of op den directen of op den indirecten weg, een dienaar der Kerke Gods te zijn”. „Deze zin”, zo vervolgt Deddens, „munt niet uit door helderheid. Maar de bedoeling is duidelijk. Da Costa wil bij de Synode protesteren. Met welk doel? Het begane onrecht hersteld te zien? Waarschijnlijk wel. Maar daarvan rept hij verder niet. Wel noemt hij iets anders: hij wil door het protest de Scheiding tegengaan. En dan nog eens: hij wil Kohlbrügge tegenhouden, nl. van Scheiding. ..... Hij wil voor het recht opkomen eenerzijds. Maar anderzijds wil hij blijven in de Kerk. ..... Zijn protest zal in de laatste instantie niet dienen het recht, maar een bepaald belang: het voorkomen van Scheiding”.66) En ook wanneer bij monde van De Clercq het Reveil de Afscheiding dicht nadert, blijft Deddens de grondfout onderkennen: „Men is hier zelfs vrij dicht tot de Scheiding genaderd. Maar om wat reden? Hoofdzakelijk om de vervolgingen, die de Afgescheidenen hadden te verduren. De wil des Heeren tracht men in deze kwestie minder op te maken uit Zijn Woord, dan uit de omstandigheden, uit leidingen, uit stemmen en wenken van Boven. Dat is hier de grondfout van het Réveil”,67) een grondfout, die zoals uitvoerig aangewezen is, teruggaat op Bilderdijk: „De profetisch-priesterlijk-koninklijke roeping van den Christen reikte tot aan de kerkmuren; binnen deze muren gold een heel aparte, bijzondere roeping, die slechts voor enkele hoogbevoorrechten gold. Hoe duur is deze vergissing de Kerk te staan gekomen. ..... De eer van Christus, den Koning der koningen, zocht men op menig levensgebied, behalve in het midden der gemeente, die Hij Zich gekocht had tot den prijs van Zijn bloed”.68)

En weer komt Deddens terug op „het recht van de liefde Gods”, wanneer hij de kerkelijke positie van het Reveil nog eens opzettelijk analyseert. Want dan blijkt uit zijn uiteenzetting, dat in deze kring „de strijd tegen de neologie en de willekeur der kerkelijke machthebbers” ontbrandde „in den naam van het belang en het recht der gemeente”.69)

De auteur zelf spatieert deze laatste woorden. En ontdekt dan in de volgende beoordeling allereerst de zwakheid van het Reveil, ook in zijn meest-gereformeerde vertegenwoordiger, Groen van Prinsterer, maar voor òns, die zijn historisch werk trachten te overzien, ontdekt hij ook het brandpunt van zijn eigen werk: „Historisch is deze gang van zaken uitnemend te verklaren. Maar


66) Grepen, 26 nov. 1938.
67) Grepen, 8 juli 1939.
68) Grepen, 4 febr. 1939.
69) Grepen, 30 sept. 1939.

|119|

principieel was het uitgangspunt niet juist gekozen. Het uitgangspunt kan niet zijn de mensen, de geloovige; zijn belang, zijn recht.
Het gaat in de Kerk des Heeren allereerst om God en Zijn Gezalfde, gelijk dan ook de Catechismus in de belijdenis van de Kerk de belijdenis uitspreekt van den Zone Gods, die Zichzelf een Gemeente vergadert, in Zijn belang.
Het uitgangspunt is de voortdurende vergaderingsdaad van Christus, die in Zijn huis Zijn wet stelt. Het uitgangspunt is Christus’ Koningschap, en het rechts verband, dat Hij voor Zijn Kerk heeft afgekondigd. .... Het ging maar, dacht men, om de gemeenschap der heiligen. Daar zocht men vergoeding voor hetgeen de kerk niet gaf. Vandaar uit zou men op „de kerk” inwerken. Hoezeer men echter daardoor te kort deed aan Christus' rechten en ordinantiën, die Zichzelf de Kerk vergadert en Zelf haar sticht, uitbreidt en, ligt ze gevangen onder de macht van den leugen, haar uitleidt — dat verstond men niet”.70)

Het recht van Gods liefde.

Het recht van den Middelaar.

Daar heeft Deddens de draad gegrepen, waarmee hij de weg vond in wat anders geworden zou zijn de doolhof van de geschiedenis. Dat hij die draad gegrepen heeft, doet hem zijn plaats innemen in de calvinistische „school” der kerkhistorici; we zetten het woord „school” tussen aanhalingstekens, want we realiseren ons, dat hier meestentijds bitter weinig van „team-work”, om een moderne term te kiezen, is terecht gekomen, terwijl de continuïteit in de historiografie hier ook nauwelijks zichtbaar is. Het heeft zich vaak al te zeer gewroken, dat de gereformeerden geen gelegenheid hadden of vonden om geschiedenis te schrijven, omdat zij actief deel moesten nemen aan het „maken” van de geschiedenis. Men verstaat, dat wij Acquoy’s onderscheiding met voorzichtigheid en reserve gebruiken. Maar ze roept wél de vraag op, of onder de gereformeerden niet te weinig overwogen is, dat zeker óók de historicus een historische roeping te vervullen heeft? Trigland „maakte” geschiedenis, toen hij tegen Wtenbogaert de geschiedenis der reformatie beschreef en Groen van Prinsterer deed het, toen hij zijn „Handboek” publiceerde, zo goed als binnen zijn mogelijkheden de roomse Nuyens actief betrokken was in het proces van de emancipatie der Rooms-Katholieken — dus voor zijn deel „geschiedenis maakte” —, toen hij zijn „Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten in de XVIe eeuw” in vier delen publiceerde, even over het midden van de vorige eeuw.

We schrijven deze woorden niet neer als kritiek op Deddens’ werk als historicus, eerder als een stimulans voor ons, de generatie na hem.

Voor wat hèm aangaat, wij zijn dankbaar, dat hij naast zijn arbeid als canonicus èn als bibliothecaris der Theologische


70) a. art.

|120|

Hogeschool toch de mogelijkheid nog heeft gezien en benut de lijn, die hij als predikant-historicus gevolgd had, dóór te trekken in zijn professoraat, zij het dat de katheder-arbeid niet in publikaties van grotere omvang kon neergelegd worden. Want nu is ons toch een éénheid gebleken in het levenswerk van de historicus, waarbij de volgende generatie in dankbaarheid mag aansluiten.

***

Die éénheid van zijn wetenschappelijk levenswerk strekt zich trouwens nog verder uit.

Want hebben we wèl gezien, wanneer wij „het recht van Gods liefde”, het recht van de Middelaar, onderkennen als de draad, die de historicus in handen hield, en nauwlettend volgde, dan wordt ons óók duidelijk de éénheid van zijn historisch èn zijn canonisch werk.

Neen, wij spreken hier niet over de profijtelijkheid van de verbinding der beide leeropdrachten, die Deddens ontving. Daar is het hier de plaats niet voor. We trachten alleen het leven van professor Deddens te overzien en de wetenschappelijke vrucht daarvan te taxeren, zoals dat leven onder Gods voorzienigheid zijn loop nu eenmaal heeft gehad.

En dàn zeggen wij a posteriori: zo bij iemand, dan was bij Deddens de combinatie van die dubbele leeropdracht mogelijk vanwege de gerichtheid van zijn geloofs-aandacht. Heeft de predikant reeds in tal van artikelen op het veld van de geschiedenis doen zien, dat in de Kerk alles cirkelt „om het recht van Gods liefde”, daarmee was, toen in 1945 de opdracht kwam in een tijd van diepgaande kerkrechtelijke strijd, wetenschappelijk het recht der liefde Gods te vindiceren, voor de hoogleraar-canonicus de inzet van dat veelomvattende en tijdrovende werk gegeven.

Zó leggen wij gaarne de verbinding.

We weten het: er is óók een andere verbinding mogelijk tussen de ene èn de andere arbeid van Deddens.

Wie immers zijn inaugurele oratie ook maar vluchtig inziet en zijn latere kerkrechtelijke publikaties en polemieken nagaat, komt al spoedig tot de ontdekking, dat Deddens zijn aanleg als historicus ook in canonische vragen niet verloochent. Hij werkt graag en veel met historische argumentatie;71) hij blijkt ook een open oog te hebben voor het feit, dat het gereformeerde kerkrecht in zijn motieven en beginselen inderdaad steunt op de Schrift, maar tegelijk


71) De Reformatie, 33e jrg., bl. 3v.v. In deze laatste jaargang van De Reformatie, waarvan Deddens medewerking kon geven, heeft hij tot vlak voor zijn sterven met een keur van historische argumenten betoogd, dat het gevoelen inzake de procedure-gang van appèl-zaken, zoals hij die voorgedragen had in het Handboek 1957, het oude gevoelen in de Gereformeerde Kerken geacht mag worden. Nimmer is deze historische argumentatie weerlegd.

|121|

een historisch-geworden complex is, zó dat hij terecht het accoord-karakter van de Kerkenordening accentueerde en immer de mogelijkheid openliet, dat uit de boezem van de Kerken b.v. ten aanzien van de plaats der diakenen in de kerkeraad72) en de kerkelijke proces-gang,73) een vernieuwing en Schriftuurlijke verscherping van het huidige accoord en zijn beleving in de praktijk op zou komen. Het is zelfs verleidelijk déze aspecten van dit canonisch werk nauwkeuriger, gedetailleerder na te gaan, dan tot nog toe gebeuren kon. Deddens’ historische visie kon dan wel eens blijken bevrijdend te werken voor onze kerkelijke samenleving. Maar wij moeten toch met deze enkele aanduiding volstaan, zullen we de ons beschikbaar gestelde ruimte niet ver overschrijden.

Ons staat nu vooral de zakelijke verbinding tussen het historisch en canonisch werk van onzen leermeester-voorganger voor ogen.

We denken dan vooral aan onderscheiden richtinggevende confessies, die de canonicus heeft doen horen, richtinggevend allereerst voor zijn eigen voortgaand praktisch en principieel werk, waarvan de grondleggende wellicht wel deze uit het jaar 1947 genoemd mag worden: „In het ambt mag niemand uitkomen dan de Middelaar en Heere Jezus Christus. In het spreken van den dienaar des Woords moet Christus gezien worden. In de regeering der ouderlingen moet Christus gezien worden. In woord en daad der diakenen moet Christus gezien worden. In allen ambtelijken dienst moet God in allen geprezen worden door Jezus Christus (I Petri 4: 11)”74). Hier is, nietwaar, de maatstaf, die op het veld van de kerkgeschiedenis als een kritische gehanteerd werd, naar ons één en andermaal bleek, voor eigen canonische arbeid en in de voorlichtingsdienst in de Kerken geworden tot norm voor denken, spreken en doen.

Maar die norm vraagt exegese, want, zonder meer, kan zij ook in allerlei hoogkerkelijk clericalisme misbruikt worden. Die exegese geeft Deddens naar twee kanten, zowel wanneer hij wijst op de grondslag, de enig-legitieme grondslag van alle kerkrecht, dat die naam waard is, als wanneer hij de „functie” van het Woord Gods in het kerkelijk samenleven beschrijft.

Over elk van beide een enkel woord.

Deddens, we wezen er reeds op, had een open oog voor het feit, dat het vastgestelde gereformeerde kerkrecht óók een zaak van historische ontwikkeling was, maar hij was onwrikbaar in de geloofsovertuiging, dat alle kerkrecht, dat de naam van gereformeerd nog verdient, steeds weer voor haar principia en voor haar maximen


72) De positie van de Diakenen, passim.
73) Zie Handboek ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland, onder redactie van Prof. P. Deddens, Goes 1957, bl. 173v.v., vooral 180v.v. Vgl. ook Voetius, Pol. Eccl., IV, p. 213 en Dr. W.P.C. Knuttel, Acta der Particuliere Synoden van Zuid-Holland, 1621-1700. I, bl. XVII.
74) De positie van de Diakenen, bl. 21.

|122|

terug moet kunnen vallen op de Heilige Schrift: wanneer hij in de meergenoemde rede over de positie van de diakenen verwijst naar I Tim. 3: 15, schrijft hij: „En door in dit verband te wijzen op den Heer des huizes, den levenden God, die vandaag met dezelfde kracht en ernst beveelt als ten tijde van Timotheus, legt de Apostel in naam van den huis-Heer ons den plicht op, de regels van het huiselijk verkeer na te komen correct en getrouw, gehoorzaam aan de gegeven opdracht”. En dan volgt een sprekend citaat van Calvijn: „Car si nous voulons avoir Eglise entre nous, il faut que nous ayons ce régime que Dieu a establé comme involiable”.75)

Deddens schroomt dus niet bij concrete twistpunten terug te keren tot de Heilige Schrift, die immers inzake de Kerkinrichting „normatief voor alle tijden is”.

Maar dat is bij hem niet een steriele teksten-theologie geweest, die in de grote verbanden niet, maar bij de concrete controversen wél op de Schrift wilde teruggaan: het grote gevaar immers van de teksten-theologie, van de klanken-dogmatiek, dat de Schrift wèl zorgen mag voor loci classici, maar bij de scharnieren van de prolegomena niet in haar gezaghebbend en perspicue karakter wordt aanvaard; men hoeft geen all-round ingewijde te zijn om te weten, dat juist dat gevaar èn de gereformeerde dogmatiek èn het gereformeerde kerkrecht permanent bedreigt.

Evenwel, Deddens heeft voor zijn deel die dreiging onderkend en er weerstand aan geboden. We denken aan de polemiek, die hij in 1954 heeft gevoerd met Dr. H.N. Ridderbos over één van de grondvragen óók van het gereformeerd kerkrecht. Deze wilde in zijn orgaan, Gereformeerd Weekblad, een synthese geven van twee stromingen, die hij in zijn kerkelijk leven ontdekte ten aanzien van fundamenteel-kerkrechtelijke vragen. „Eensdeels”, zo geeft Deddens de reportage van H.N. Ridderbos door, „is er een stroming met zekere argwaan tegen de synoden vervuld; ze waarschuwt tegen centraliserende tendenzen. Deze stroming komt op voor het grote goed van de vrijheid. Een andere stroming acht dit „oude” kerkrecht een groot gevaar voor een krachtige en doelbewuste opbouw en vormgeving van het kerkelijk leven: zij wil een „permanente vertegenwoordiging van de kerken”. Deze stroming wil een krachtig algemeen kerkelijk gezag”.76)

Zoals nu in 1959 Dr. H.N. Ridderbos in dogmaticis een gulden middenweg meent gevonden te hebben, zo proclameert hij in canonicis de synthese der meningen al in 1954. Want er ìs z.i. een oplossing te vinden, als men maar oog heeft voor de „organische eenheid” van de Kerk. En dan beroept Ridderbos zich op het feit,


75) a.w., bl. 5, vgl. ook op dezelfde bladzijde: „De vraag is nu maar: Wat bepaalt de Heere inzake den dienst der bijzondere ambtsdragers, in dit speciale geval: Welk is naar Zijn wil de positie van diakenen ten aanzien van den Kerkeraad”, en eveneens onderscheiden uitspraken op bl. 7.
76) De Reformatie, 29e jrg., bl. 383.

|123|

dat de Kerk in de Schrift een lichaam wordt genoemd en leidt daaruit af zijn idee van „organische eenheid”, waaruit dan weer volgt: „Het éne lichaam openbaart zich immers op allerlei plaats, en zoals ieder lidmaat zijn leven daaraan ontleent, dat het tot dat lichaam behoort en dat het lichaam in dat bepaalde lid van het lichaam leeft, zó heeft ook iedere plaatselijke kerk haar last en macht, omdat in haar de éne kerk leeft en zich openbaart”.77) Dat alles loopt dan uit op een feitelijke propaganda voor het nieuwe kerkrecht, de synodocratie. Maar wat ons nu vooral bezig houdt, is de aandacht, die Deddens aan deze theorie heeft gewijd. Aan de hand van J. Ridderbos en K. Schilder bestrijdt hij de legitimiteit van het begrip „organisch” en met beroep op K. Schilder wordt aangewezen, „dat prof. H.N. Ridderbos niet is uitgegaan van Schriftuurlijke gegevens inzake de kerk als lichaam in het maken van de tegenstelling organisch-mechanisch; hij hield vast aan de voorstelling natuurlijk bestaan, als ware dit het Schriftuurlijk criterium en verzuimde, zich er van te vergewissen, of de Schrift, sprekende van een lichaam, zich bij het heidense begrip aansloot of niet”.78)

Deddens zelf maakt dan nog de fijne kritische opmerking: „Voorts: ieder lidmaat ontleent niet daaraan zijn leven, dat het tot het lichaam behoort; hij ontleent het aan de herscheppende daad van de Heilige Geest”.79)

En de kritiek van Deddens wordt besloten met een typische Deddens-opmerking, schijnbaar speels, maar in werkelijkheid levensgevaarlijk voor de tegenstander: „’t Hele geval doet me denken aan ’t geen ik onlangs las in een berichtje uit een streekblad. Een correspondent van dat blad schreef aan zijn redactie naar aanleiding van een debatavond: „enigen verdedigden de onsterfelijkheid der ziel, terwijl anderen deze ten heftigste bestreden. De waarheid zal echter ook hier wel in ’t midden liggen”. Moeilijk te aanvaarden”. 80)

Er ware meer uit die polemiek naar voren te brengen, maar we volstaan hiermee om aan te tonen, dat Deddens aan zijn adagium: „wie spreekt, die spreke als de woorden Gods” trouw is gebleven, vooral ook wanneer het om de prolegomena van het Kerkrecht ging. Want hij wist: daar vallen de grote beslissingen.

Tenslotte dan nog een enkel woord aangaande het werk van Deddens, waarin hij op wetenschappelijk niveau of, in ieder geval steeds met wetenschappelijk-verantwoorde fundering, getuigenis heeft afgelegd van de plaats van het Woord Gods in de samenleving der Kerken.

Over dat onderwerp is na zijn verscheiden reeds veel geschrevene we hebben er in een noot naar verwezen en mogen hier dus kort


77) a.w., bl. 384.
78) a.w., bl. 383.
79) a.w., bl. 384.
80) t.a.p.

|124|

zijn. Ons houdt allermeest bezig het thema door hem als historicus gesteld „het recht van de liefde Gods”, het recht van de Middelaar. En dan geloven wij, dat bij het overzien van de levensgang van professor Deddens, voorzover deze publiek is geweest, ons een grote dankbaarheid vervullen moet voor de providentiële leiding van God over dat leven. Hij is, voor wat de landelijke samenleving der Kerken betreft, naar voren gekomen in een tijd toen het samenlevingsverband in een uiterste crisis verkeerde vanwege de machtsusurpatie van synodale vergaderingen. Tóen gewerd hem de opdracht het Kerkrecht te doceren aan de Hogeschool der Kerken. Dat betekende tegelijk in die situatie, dat hij toen in die crisistijd op het felst-omstreden gebied, dat van het kerkrecht, zich zag geroepen publiek de gereformeerde leer te verdedigen tegen alle opdringende en van binnen uit opkomende ketterij (vgl. art. 18 K.O. over het ambt der doctoren).

Dat ogenblik kwam voor hèm onverwacht.

Hem was het niet vergund zich jarenlang opzettelijk voor te bereiden.

Maar al kwam het moment voor hèm onverwacht, het kwam niet onverwacht voor dien God, wiens providentie Deddens vaak zo eerbiedig had beleden, ook in de beschrijving van het leven van anderen.

Was hij klaar, om deze taak te aanvaarden?

Hij zal zelf de eerste geweest zijn om te zeggen: ik moest nog beginnen, toen mij de leeropdracht gewerd.

Maar, terwijl wij de waarheid van dat woord in rekening blijven brengen en dus blijven constateren, dat dit professoraat moeilijk anders dan een publiek begin van wetenschappelijke arbeid kon laten zien, wij zeggen nu: wat heeft de Heere alles wonderlijk wèl in dit leven gemaakt! Wonderlijk wèl met Zijn Kerk, waarvan Deddens immers getuigde, dat deze centraal staat in Gods wereldbestuur, centraal stond dus óók in het bestuur van het leven van Pieter Deddens!

Want hij móest jaar en dag zich bezig houden met de geschiedenis van de Kerk in de vorige eeuw en hij móest geduldig zich indringen in de wereld van het Reveil, haar kracht èn haar zwakheid onderkennen, omdat hij in die crisis die komen zou, doctor ecclesiae naar art. 18 der Kerkenordening zou vermogen te zijn. De stille arbeid besteed aan de geschiedenis der Kerk, zette vrucht in het waarschijnlijk meest publieke woord, dat Deddens sprak bij de aanvang van zijn professoraat over „De ratificeering der besluiten van meerdere vergaderingen”. Want toen sprak hij als canonicus over „het recht van de liefde Gods”, dat hij bedreigd, ja geschonden en verworpen wist door synodale machtsaanmatiging over de gemeenten van de Heere Jezus Christus. Die liefde is immers geopenbaard en dat recht is geopenbaard. Zij zijn beide geopenbaard in het Wóórd der genade. Wie dus als historicus de maatstaf heeft gegrepen van „het recht van de liefde Gods”, moet

|125|

deze maatstaf ook als canonicus hanteren in een concrete kerkelijke situatie. Wie de geschiedenis heeft leren lezen met het Wóórd in de hand en in het hart81), moet voor de majesteit van dat Woord, zoals dit in de samenleving der Kerken erkend wil worden, opkomen in een tijdsgewricht, waarin de Satan hier zijn aanval heeft ingezet op de ware vrijheid van Christus’ Kerk. Daarom vangt Deddens zijn professorale werkzaamheid aan met een niet mis te duiden beroep op Calvijn: „Alle gezag en waardigheid, zegt hij, is in de kerk niet eigenlijk gegeven aan de menschen zelf, maar aan den dienst, waarover zij gesteld zijn, of (om duidelijk te spreken) aan het Woord, welks bediening aan menschen is toevertrouwd. De getrouwe krijgsknechten van God hebben tot taak, alles te doen wijken voor de majesteit van het Woord; door de kracht van het Woord hebben ze over allen, van de hoogste af tot de laagste toe te gebieden, de schapen te weiden, de wolven te vernietigen, te binden en te ontbinden; als het noodig is, te bliksemen en te donderen, maar alles door het Woord Gods. Hierdoor wordt afgesneden alle macht, die in de Kerk iets zou willen bevelen zonder het Woord Gods”.82).

Dat uitgangspunt blijkt nu allesbeheersend te zijn voor de rechte interpretatie van de omstreden artikelen uit de Kerkenordening, die als accoord van samenleving is aanvaard door de Gereformeerde Kerken in dit land, inzonderheid voor de rechte interpretatie van art. 31 K.O. Want daarin wordt een recht der Kerken vastgelegd, maar ook een plicht der Kerken gestipuleerd; een plicht die dus na de stipulatie behoort tot de onderlinge afspraak, maar die niet ontstaat vanwége die afspraak, maar gefundeerd is in „het recht van de liefde Gods”, in de heerschappij van het Woord der genade: „De Kerken hebben gezegd: wij houden de Synodebesluiten voor vast en bondig, tenzij. Er is een grens. Die grens is Gods Woord en de Kerkenordening. — Wat is haar (nl. der Kerken) plicht? De grenswacht te betrekken, en in overeenstemming met de gemaakte afspraak, de Synodebesluiten te toetsen naar art. 31. Hier ligt een speciale taak voor de Kerkeraden. Zij hebben toe te zien, dat het Woord Gods ongebonden bewaard wordt”.83) Dat klemt voor Deddens zó sterk, dat de toetsing der besluiten en de ratificering daarna voor hem is „een integreerend deel van den rechtsvorm inzake de geldigheid van besluiten eener meerdere vergadering”.84)

De vaak opgeworpen vraag, of bij deze wijze van Kerkregering niet de chaos ontstaat, beantwoordt Deddens aan het einde van zijn rede op een wijze hem eigen. Hij blijft bij de beantwoording van die vraag volop canonicus; verwezen wordt naar artikelen


81) Zie het citaat onder noot 23 verantwoord.
82) Ratificeering, bl. 6.
83) a.w., bl. 12.
84) t.a.p.

|126|

van de Kerkenordening. Maar in de canonicus spreekt de gelovige, die vertrouwt in de alle weerstanden overwinnende kracht van het Woord Gods:

„Volgt bij toepassing van dit recht van ratificering de chaos? Naar art. 53 en 54 der Kerkenordening moeten alle ambtsdragers de Drie Formulieren van Eenigheid onderteekenen; het oordeel der liefde doet zeggen: die onderteekening was ten volle ernstig gemeend.
De Vaderen uit den na-Reformatorischen tijd lieten het ratificeerings-recht ten volle gelden. Zeker, er was wel eens geduld noodig, maar dat geduld stelde niet teleur. Wie van het Gereformeerde volk, van de Gereformeerde ambtsdragers eischt en blijft eischen: onderwerping aan het Woord, komt niet bedrogen uit.
Want de macht van het Woord Gods is sterker dan alle autoriteit van Synode-besluiten. Verbum Dei Vincit.”85)

Zó was de aanvang van het professoraat: in de continuïteit met het historisch werk van vroeger bleek de trouw aan het Woord Gods, waarin het recht van Gods liefde is geopenbaard, bleek óók het gelóóf aan datzelfde Woord in het vertrouwen, dat de Heere Zijn Kerk hierdoor wèl regeert en geen enkel mens, op welke plaats ook gezet, moet menen Zijn regering door en in Zijn Woord te kunnen of te moeten ondersteunen door menselijke machtsuitoefening, die buiten dit Woord zou omgaan.

En in de voortgang van het professoraat is deze aanvang nimmer verloochend. Wij menen, dat zulks het duidelijkste naar voren is gekomen, toen Deddens ook in eigen kring tegen het einde van zijn leven voor gevaren heeft gewaarschuwd en die waarschuwing vol hield, omdat hij die aanvang van zijn doctoren-ambt niet verloochenen kon: de belijdenis van de énige heerschappij van het Woord Gods. Zoals hij tegen de synodocratie getoornd heeft, zo heeft hij voor de „consistoriocratie” dringend gewaarschuwd, omdat hier in schijn wel een typisch woord voor de gereformeerde kerkregering is gevonden, maar in werkelijkheid de term onbruikbaar en de praktijk ongereformeerd is, wijl het in de gereformeerde kerkregering niet aankomt op de heerschappij van kerkeraden, maar op die van het Woord Gods, waaraan allereerst die kerkeraden dienstbaar hebben te zijn.

Spreekt dan I Tim. 5: 17 niet van het regeren der ouderlingen? Kan met die Schriftuurlijke term, προίσταναι, dan niet het begrip en de praktijk der consistoriocratie gedekt worden?

Weer valt, wanneer deze vragen rijzen, de eerbiedige confrontatie met de Schrift op. Want Deddens construeert niet, maar laat de Schrift zelf spreken. Wat bedoelt zij, wanneer van het „regeren”, het „leiden” der ouderlingen wordt gesproken? Het Griekse verbum, zo stelt Deddens vast, betekent feitelijk „aan ’t hoofd stellen of staan, vooraan staan, leiden, besturen. Zit daar toch weer niet


85) a.w., bl. 17.

|127|

’t begrip regeren in? O zeker, dat kan er niet van losgemaakt worden, het behoort er óók bij. Maar niemand wane, dat daarin nu het specifieke van het ambt der ouderlingen te zoeken is ... de nadruk ... valt op ’t verzorgen en leiden en beschermen zoals een herder dat doet, dit vereist wijsheid, zelfverloochening, moed, voorzichtigheid en mededogen.”86)

Het was 10 maart 1956, dat Deddens deze woorden schreef tegen een nieuw gevaar, dat hij zag dreigen voor het recht van Gods liefde op de gemeente van Christus en voor de dienstbaarheid aan het Woord, waarin dit recht der liefde is geopenbaard.

Hij is in zijn waarschuwing niet steeds begrepen, hem is óók niet steeds recht gedaan.

Maar nà zijn sterven heeft dit verzet tegen het begrip en de praktijk der consistoriocratie als machteloze reactie op de synodocratie van onverwachte zijde een algehele bevestiging gekregen. Immers in april 1958 verschijnt het artikel προιστημι in het Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament van de hand van de Baseier nieuw-testamenticus Bo Reicke87), die in een grondige behandeling van alle in aanmerking komende plaatsen uit het Nieuwe Testament tot de conclusie komt: „An den meisten Stellen scheint προιστημι zunüchst die Bedeutung ... leiten zu haben, aber der Kontext zeigt in jedem Falie, dasz man gleichzeitig die Bedeutung ... sorgen für einbeziehen musz ... (die) Aufmerksamkeit richtet sich nicht auf die Machtausübung an sich, sondern auf die dabei zu erweisende Umsicht und Fürsorge”.88)

Wij verbergen het niet, dat deze exegetische bevestiging van de kerkrechtelijke vertogen van onze leermeester en voorganger ons vreugde heeft bereid, want bij vernieuwing is ons daaruit gebleken, dat de canonicus Deddens trouw aan de Schrift gebleven is en het Kerkrecht zich niet anders denken kon dan dienstbaar aan het recht van Gods liefde voor Zijn volk.

En het einde van Reicke’s artikel mag ons de samenvatting zijn van Deddens’ kerkrechtelijke strijd, temeer waar Reicke eindigt met de verwijzing naar een woord van de Heiland, dat méér dan enig ander het leven en de leer van Deddens heeft gestempeld:

„Also erweist sich in allen diesen Fallen, dasz das Verbum im Neuen Testament meistens die Bedeutung leiten und fürsorgen hat, was mit der Eigenart des neutestamentlichen Amtes zusammenhängt, indem nach Lk. 22, 26 der Leitende (ὁ ἡγουμενος) wie der Diener sein soll”.

 

Kampen, 28 nov. 1959.

J. Kamphuis


86) De Reformatie, 31e jrg., bl. 187, vgl. bl. 289.
87) VI, S. 700-703.
88) De laatste zin slaat in het artikel speciaal op I Tim. 3: 12, maar mag, gelet op de doorlopende lijn van het artikel, als onderdeel van de algemene karakteristiek genomen worden.

FQI (1960) A2

128-131

|128|

Een historisch document

 

Mr. L. Roeleveld heeft in De Reformatie van 15 febr. 1958 (bl. 155) met instemming overgenomen het oordeel, dat in één der dagbladen na het overlijden van professor Deddens te lezen stond over het optreden van de canonicus der Gereformeerde Kerken voor de burgerlijke rechten in verband met de kerkelijke procedures: „Vooral door zijn scherpzinnige memories stelde op vele plaatsen de rechter de vrijgemaakte kerken in het bezit van de kerkelijke goederen”.

We zijn bijzonder dankbaar voor het feit, dat door vriendelijke medewerking van Mevrouw de Wed. M. Deddens-Buurman het ons mogelijk is in deze Almanak de eerste pleitrede op te nemen, die professor, toen nog ds. Deddens voor de rechter heeft gehouden op 7 okt. 1944 ten behoeve van de Gereformeerde Kerk van Groningen, die door de gebonden kerk aldaar in een proces gewikkeld was vanwege de kerkelijke goederen.

Voorzover ons bekend is deze „Korte pleitrede” nog niet eerder gepubliceerd; daarom menen we, dat wij deze gelegenheid mogen aangrijpen om door middel van de publikatie van deze verdediging enige informatie te verschaffen over een omvangrijk deel van de arbeid van prof. Deddens, dat praktisch niet in de openbaarheid is gekomen, maar voor vele der Gereformeerde Kerken tot grote zegen mocht zijn.

J. Kamphuis.

 

Mijnheer de President,

Ik moge beginnen U dank te zeggen voor de gelegenheid, die U mij biedt, mij als gedaagde kort te verantwoorden.

Zooals U bekend is, heb ik mij in een schrijven aan de synodale ambtsdragers geheel gesteld achter de geschorste predikanten. Daarna uitgenoodigd voor deze ambtsdragers te verschijnen, beschuldigd van scheurmaking, terwijl men verklaarde, mij te zullen moeten schorsen op grond van art. 79 en 80 D.K.O., heb ik geantwoord, de vergadering van deze ambtsdragers niet als wettige vergadering te erkennen, en evenmin te kunnen aanvaarden de besluiten van de „classisvergadering” van 25 Sept. als wettige besluiten van een wettige classis. Toen heeft men ook tot mijn „schorsing” besloten.

Door U, mijnheer de President, is nadruk gelegd op de groote beteekenis in deze procedure van classisvergadering en classisbesluiten, of deze aangemerkt moeten worden als wettig of onwettig. Ook naar mijn meening ligt hier de cardo quaestionis, de nexus rerum. Terwijl nu mijn collega ds van Dijk zal spreken over de al of niet wettigheid van de classisvergadering, zij het mij vergund, de wettigheid van haar schorsingsbesluiten te betwisten.

Ik doe daarbij een beroep op de Dordtsche Kerkenordening, de grondwet, die de orde van kerkelijk handelen bepaalt. Want dat kerkelijk handelen zal hier aan die grondwet gemeten moeten worden. Wel is door pleiter voor eischeres gezegd, dat U geen

|129|

bevoegdheid bezit, de gepleegde kerkelijke handelingen te beoordeelen: U zoudt, dit doende, zich mengen in interne kerkelijke aangelegenheden, welker beoordeeling alleen ligt ter competentie van de meerdere kerkelijke vergaderingen. Dat deze opvatting onjuist is, is evident. Want in de eerste plaats, Mijnheer de President, zou in dat geval eischeres tot U gekomen zijn met een rechtzaak, die het U onmogelijk zou zijn te beslissen. Immers zij had dan Uw veroordeling gevraagd van een enkele daad (het gebruik van de Noorderkerk met bijbehoorende localiteiten) terwijl heel de achtergrond, die de rechtmatigheid of de onrechtmatigheid van deze daad beheerst, met name de vraag of gedaagden RECHT hebben tot die daad als in feite niet-geschorsten, of GEEN recht als geschorsten, aan Uw beoordeeling zou zijn onttrokken. Maar in de tweede plaats, en dit klemt nog sterker, verklaart de wet zelf U tot oordeelen bevoegd. Immers voor de wet geldt elk kerkgenootschap voor een zedelijk lichaam, evenals bijv. een vereeniging. En gelijk nu de handelingen van een vereeniging volgens de wet moeten getoetst worden aan de Statuten en Huishoudelijke regelingen, zoo moeten de handelingen der kerk, treedt zij voor den wereldlijken rechter, zooals door eischeres geschied is, getoetst worden aan de Dordtsche Kerkenordening en de Huishoudelijke regelingen en bepalingen van kerkeraad en classis. Deze Kerkenordening en regelingen zijn niet geheim, de kerk houdt er niet een soort veem-gericht op na; de ordeningen der kerk zijn publiek en moeten in een rechtzaak als deze publiek gehanteerd worden. Het is daarom, mijnheer de President, dat ik mij voor U met alle vrijmoedigheid beroep op de Dordtsche Kerkenordening om aan de hand van haar normatieve bepalingen de wettigheid der classicale schorsingsbesluiten te ontkennen.

Ik wijs U daarbij allereerst op art. 30, waar staat: „in meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan van het gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen behoort”. U vergunt mij, te beginnen met de laatste clausule en de vraag onder de oogen zien: die besluiten van schorsing, door de classis genomen, waren dat handelingen, welke behoorden tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen? Om deze vraag te beantwoorden, verwijs ik U naar art. 79, waar nauwkeurig beschreven staat, op welke wijze de schorsing van ambtsdragers zal toegaan. Ik lees daar: „wanneer Dienaren des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der kerk schandelijk of ook bij de overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond na voorgaand oordeel des kerkeraads derzelve en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden”. In het voorbijgaan moge ik opmerken, dat ik niet kan instemmen met wat beweerd is door pleiter voor eischeres, nl. dat in dit artikel wel staat: schorsing kan geschieden door den kerkeraad en

|130|

dien der naastgelegen gemeente, maar dat dit niet wegneemt, dat schorsing ook kan geschieden door de classis, aangezien de classis het recht heeft tot AFZETTING, en duidelijk is dat wie het meerdere mag doen (afzetting) ook het mindere mag doen (schorsing). Tegen deze bewering heb ik twee bezwaren. In de eerste plaats wijs ik er op, dat pleiter een fout maakt als hij iets anders leest dan er staat. Pleiter leest, dat de kerkeraad en die der naastgelegen gemeente KUNNEN schorsen; er staat echter, dat ambtsdragers in bedoeld geval ZULLEN geschorst worden. En KUNNEN is heel iets anders dan ZULLEN, dit zullen heeft hier de kracht van MOETEN.

In de tweede plaats acht ik het ook niet juist, dat wie het meerdere mag, daarom ook het mindere zou mogen: ik meen, dat deze regel, algemeen doorgevoerd, groote verwarring zou brengen in de zaken niet alleen van het kerkelijk, maar ook van het staatkundig en maatschappelijke leven. Uitdrukkelijk wordt door art. 30 gevorderd, dat de schorsing zal geschieden door eigen kerkeraad en dien der naastgelegen gemeente; eerst de afzetting zal staan aan het oordeel der classis. Waarom nu de schorsing ook niet aan het oordeel der classis? De bedoeling ligt voor de hand. De schorsing is de eerste groote ingrijpende daad, die bepaalt, dat de ambtsdrager van de uitoefening van zijn ambtelijken dienst voor zekeren tijd wordt ontheven. Daarbij is van het grootste gewicht de vraag, hoe de eigen, plaatselijke kerkeraad, die het eerst tot oordeelen bevoegd is en bovendien den betrokken ambtsdrager kent als geen andere kerkeraad, over hem oordeelt. Zeker, deze kerkeraad moet een andere kerkeraad in het oordeel betrekken, zulks om mogelijke willekeur te voorkomen. Maar in het uitbrengen van dat oordeel is de verhouding van het stemmencijfer, waarbij over schorsing beslist wordt, als 1 : 1; de eigen kerkeraad heeft 50% stem in het kapittel, terwijl, zou de schorsing aan het oordeel der classis staan en zou de kerkeraad meestemmen, de verhouding van het stemmencijfer zou bv. zijn 1 : 10 of 1 : 15 of 1 : 20, dat wil zeggen, dat in dat geval de invloed van den plaatselijken kerkeraad uitermate zou worden beperkt.

Met groote wijsheid hebben de opstellers van dit artikel de SCHORSING toegewezen aan den plaatselijken kerkeraad en dien der naastgelegen gemeente; terwijl ze de AFZETTING van predikanten, die het leerambt mogen bedienen ook in andere gemeenten dan de eigene, onderwierpen aan het oordeel der meerdere vergadering; maar die meerdere vergadering, het staat duidelijk in art. 30, oordeelt niet over de schorsing. En dat is het punt in geding. De gedachte: een classis mag schorsen, want schorsing is iets, dat tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen behoort, wordt door art. 79 onbetwistbaar ontkend.

Maar art. 30 bevat nog een bepaling. Een tweede zaak wordt genoemd, waarover de meerdere vergadering recht heeft te handelen. Zij mag ook handelen over hetgeen in een mindere vergadering niet

|131|

afgehandeld kunnen worden. Valt dan misschien onder DEZE bepaling het recht van de classis Groningen, tot schorsing van de 54 ambtsdragers over te gaan? Evenmin: immers wie bepaalt in elk voorkomend geval, of een zaak al of niet op de mindere vergadering kan afgehandeld worden? Geschiedt dit door de meerdere vergadering, in casu de classis? Neen, dit wordt bepaald door de mindere vergadering zelf; is zij van oordeel, dat ze, om wat reden dan ook, met een of andere kwestie niet klaar kan komen, dan brengt ze haar op de meerdere vergadering.

Heeft nu inderdaad de kerkeraad van Groningen, de zaak der schorsing behandelend en bemerkend, dat er reden was, haar aan de meerdere vergadering voor te leggen, zich met deze aangelegenheid gewend tot de classis? Allerminst. De kerkeraad van Groningen heeft dit niet gedaan; hij kon dit niet doen; hij dacht er zelfs niet aan, Mijnheer de President, want de zaak van de schorsing van deze ambtsdragers is op den kerkeraad van Groningen nooit in behandeling geweest.

Uit dit alles volgt, dat geen van beide gevallen, waarin een meerdere vergadering bevoegd is op te treden, aanwezig is. De classis was derhalve onbevoegd de schorsingsbesluiten te nemen, want volgens art. 31 zal elk besluit van een meerdere vergadering, dat tegen de artikelen der kerkenordening ingaat, niet voor vast en bondig gehouden worden. Zulk een besluit heeft niet de minste kracht of geldigheid; men beschouwt zulk een besluit van evenveel waarde als ware het nooit genomen. Daaruit volgt: de uitgesproken schorsingen zijn onwettig. Conclusie: de „geschorsten” staan nog in hun ambt, ongerept. Conclusie: de bezwaarden, waaronder de gedaagden — (de meerderheid van den kerkeraad) — hadden voile recht tot het gebruiken van de Noorderkerk met bijbehoorende localiteiten. Conclusie: aan eischeres moet haar eisch, als niet ontvankelijk, worden ontzegd. Er is nog een ding, mijnheer de President, waarop ik moge wijzen. Het bedroeft mij, dat pleiter voor eischeres, die geestelijk gezien zo dicht naast mij staat, ontkend heeft dat de „geschorsten”, eer men tot schorsing overging, gehoord hadden moeten worden. Hun werd niet eenmaal de gelegenheid gegeven, hun daad van stemmen tegen de afkeuring aan het adres van ds van Dijk te verdedigen, noch de gronden, waarop de beschuldiging steunde, te betwisten. Dit veroordeelen zonder hoor en wederhoor is niet te verontschuldigen. Het Evangelie zegt ons, dat ten aanzien van onzen Heiland de vraag gesteld werd: „Oordeelt ook onze wet den mensch, tenzij zij eerst van hem gehoord heeft en verstaat, wat hij doet?” En de wet beveelt in het negende gebod: „dat ik niemand (laat staan een ambtsdrager, laat staan 54 ambtsdragers) lichtelijk of onverhoord oordele of helpe veroordeelen”. Met vertrouwen, Mijnheer de President, zie ik Uw beslissing tegemoet.

Ik dank U voor het geduld, waarmee U mij hebt aangehoord.

P.D.

FQI (1960) A3

132-139

|132|

Gods kind, onze meester

 

Nog spelen de kinderen.

Want van hen is de wereld, totdat de zon is ondergegaan. De hulst is van hen en het vuur en de sneeuw. En het engelenspel, dat hun oudste broeder ze leerde.

Hun oudste broeder — ook de grote mensen leerde hij: wetten en spreuken, “to preach and struggle and pray”. Maar zij, zo machtig als listig, zij schreven zijn naam wel in goud, maar hemzelf hebben zij genomen, geslagen, gehangen aan een kruis1).

En nog spelen de kinderen.

Maar weten ze dan niet, wat de koning deed en wat de priester? Och ja, ze weten het wel, ze zingen zélf ervan. „De donkere dag kwam aangebroken: op hun gezichten konden wij het zien”. Ze weten zelfs nog meer. Ze weten, dat een kind niet méér is dan zijn oudste broeder. Ze weten, dat indien zij hem vervolgden, zij hen vervolgen zullen.

En toch spelen ze, de kinderen.

Toch spelen ze der engelen spel, omdat hun oudste broeder ’t zelf ze heeft geleerd. Zoals ze preken zullen, strijden, bidden — wanneer hun oudste broeder ze wetten leren zou en spreuken.

De kinderen — niet als de koning, als de priester leven zij.

De kinderen — hun wereld is zo wijs. Zo simpel is hun weg. Zo nederig hun gang en zo gehoorzaam ......

„Go humbly ..... it has hailed and snowed ......
With voices low and lanterns lit;
So very simple is the road,
That we may stray from it
2).

 

„Na dat de uytheemsche Theologi waren vertrocken”, bepaalde de Dordtse Synode negatief, „Dat den Professoren vande H. Theologiae verboden werde nieuwe gevoelens voor te stellen, strydich tegens de leere, die inde kercke aengenomen is; Ende dat haer niet toegelaten werde problematice eenighe scrupulen teghen de aengenomen leere lichtelick te moveren”, zoals zij voordien positief verordend had: „Het Ampt der Doctoren ofte Professoren inder Theologie is, de Heylige Schrifture uyt te legghen, ende de suyvere Leere teghen de Ketterijen ende doolinghen voor te staen”3).


1) Vergelijk “The Song of the Children” in: The Collected Poems of G.K. Chesterton, 1927, pag. 299.
2) Dit en het nog volgend citaat uit: “The Wise Men”, a.w., pag. 121 v. “The three wise men of yore” (vgl. Matth. 2) zeggen aan het slot van zichzelf: “We are little children ......”.
3) P. Biesterveld en Dr. H.H. Kuyper, Kerkelijk Handboekje, 1905, pag. 266 en 230.

|133|

Vergde professor Deddens ter bediening van dit hem opgedragen „Ampt” van zichzelf „alle geschonken gaven en krachten”, „allen ijver” ook, zo eiste hij niet minder van zijn leerlingen „trouwe, Schriftgehoorzame studie”4). Dit gold maar niet alleen ten aanzien van het studeerkamer-werk, maar evenzeer inzake zijn colleges.

Die eis nu gold allereerst voor hemzelf. Ik kan me niet herinneren, dat professor Deddens zijn colleges ooit afgelast of uitgesteld heeft, tenzij dan in geval van ziekte, of wanneer de rooster „met gemeen accoord” gewijzigd was. Hetzij per fiets, hetzij lopend, prof. Deddens kwam door weer en wind van over de IJssel naar de Hogeschool. Op het eenmaal vastgestelde uur maakten wij nooit een vergeefse reis naar de collegezaal, behalve op die morgen van zijn dood.....

Vervolgens gold die eis van trouw ook voor zijn leerlingen. Hij verwachtte allen, ook al waren de „horae” den „auditoribus” niet altijd even „commodae”. Vermoedelijk besefte hij wel, dat het nogal moeilijk was om voor zijn „droge vakken” (ipse dixit) een „hora commoda” te vinden. In ieder geval: wanneer het college aanving met iets dat klonk als: „M’neren....”, dan wisten wij, dat onverbiddelijk volgen zou: „..... de presentielijst”. En even onverbiddelijk: „Dag meneer X.”, als het iemand betrof, die hij lang niet gezien had. Of: „Bent u weer beter, meneer Y.?” tegen één, die men een recente langdurige ziekte niet zou aanzien.

Droge vakken — professor Deddens was van het tegendeel overtuigd. Mocht hij niet onderzoeken „de gangen van Christus’ Bruidskerk in deze wereld, en ..... het recht, dat Hij als haar Koning over haar gehandhaafd wil zien”? Hoe poogde hij ook ons liefde bij te brengen voor dit onderzoek! En daartoe wendde hij alle middelen aan, waarover hij beschikte. In de eerste plaats zijn vertelkunst. Daarbij leefde hij zich zozeer in zijn stof in, dat hij eens kon zeggen: „Ik herinner me nog uit de 14e eeuw ....”! En het kostte ons heus niet veel moeite ons hem voor te stellen in de moestuin van het klooster, op de plaats waar zich tegenwoordig de Nieuwe Markt bevindt.

Ook zal het niet vaak gebeurd zijn, dat P.D. — zoals hij zichzelf in de krant, en wij hem in de wandeling noemden — alléén z’n dictaatcahier bij zich had. Meestal nam hij een paar boeken mee of een afbeelding, die zijn betoog moesten verduidelijken. Hij verwees maar niet naar een schrijver, maar liet zijn werk ook zien en circuleren. Op een goede dag kwam hij met een paar enorme plakkaten de collegezaal binnen, zodat we ons afvroegen: wat zou hij nu weer bij zich hebben? Het bleken een paar aflaatbrieven te zijn, die hij had opgediept uit het stedelijk archief, —


4) Zie hier en straks: P. Deddens, De Ratificeering etc, 1946, pag. 18 en 20.

|134|

een plaats waar hij allesbehalve een onbekende was. Hij kwam bij die gelegenheid aan iedere tafel persoonlijk uitleg geven, zodat we niet alleen maar zouden horen over de

„Mulstooters met haar rijven”5),

maar ook zelf konden zien, hoe deze

„Om kiekens, koorne en vlas
Connen wonder bedrijven.”

Een ander middel om het epitheton „droog” ten aanzien van zijn vakken te logenstraffen, bestond in het vertellen van één der anekdotes, waarvan hij een onuitputtelijke hoeveelheid tot zijn beschikking had. Daarin was hij zozeer „doctor universalis”, dat z’n eigen familieleden het op college konden getuigen: „Die hebben wij nog niet eens gehoord!” Ik herinner me het geval van de Heilige Bernard van Clairvaux. Bernard had, zo luidde het verhaal, zich op een kwade dag eens verslapen en was zodoende te laat in de kerk gekomen. En daarom vroeg het Mariabeeld hem verwijtend:

„Sancte Bernarde,
unde tam tarde?”

Waarop Bernardus — uitgeslapen inmiddels! — zeer ad rem antwoordde:

„Taceat mulier in ecclesia!”6).

Er zouden talloze voorbeelden te geven zijn van die humor, waarin hij zich zozeer leerling betoonde van Chesterton en Wodehouse7). Hoe voelde hij zich dan nog student en zocht hij mede door die komische, Father Brown-achtige uitvallen de vriendschap van studenten te winnen8). Hoe gebruikte hij tevens dit charisma om zijn „Ampt” te bedienen en de aanstaande dienaren een kinderlijke vreugde voor te leven.


5) = questierders met hun reliekkassen. Het citaat is uit mijn collegeverslag van 5.IV.’55, de gebeurtenis zelf vond later plaats.
6) Heilige Bernardus, waar kom je zo laat vandaan? — Laat een vrouw in de gemeente zwijgen!
7) Vergelijk voor de anekdote, waarmee prof. Deddens — na enkele vergééfse pogingen — bereikte, dat zelfs de Heren Curatoren uit de plooi raakten: H. Boehmer, Luther im Lichte der neueren Forschung, 1917, pag. 26!
8) Hoewel niet geheel binnen het kader van dit opstel vallend, geef ik hier (met toestemming van de Senaat van F.Q.I.) voor de curiositeit een afschrift van de brief, die „student” Deddens op 5 oktober 1951 aan de Senaat e.t. richtte. Men lette er op, dat P.D. de heren Studenten volkomen „in stijl” beantwoordt, maar inmiddels een behoorlijke steek onder water geeft. Hier volgt de brief: ➝

|135|

Dat hij op college aanstaande dienaren voor zich had, vergat professor Deddens geen ogenblik. Wel waarschuwde hij: „Geen student gedrage zich als ware hij reeds dienaar des Woords”, maar ook verklaarde hij: „De roeping van een dienaar des Woords en van een theologisch student zijn niet tegenstrijdig”9). Toen de exegeet Edouard Barde zijn hoogleraarsambt aanvaardde, merkte hij op, dat het schoolbestuur had begeerd „moins un théologien qu’ un pasteur, moins un savant qu’ un croyant”10). Maar bij de kerkhistoricus Pieter Deddens vormden deze begrippen-paren, de eerste in feite, de tweede uit principe, geen tegenstellingen. Theoloog, man van wetenschap was hij krachtens roeping en in aanleg. Pastor en gelovige betoonde hij zich op ieder college, in elk gebed. En dat voor hem — als voor de vaderen — de theologie beide „theoretica” en „practica” was, bleek tijdens de colleges uit zijn opmerkingen voor de praktijk, over de omgang met de gemeenteleden, over de indeling van het werk. Blijkt ook op menige bladzijde van zijn dictaten, onverschillig of deze nu handelen over de Franse Kerkenordening dan wel over het leven van Calvijn. Wat dit laatste betreft, moge hier één voorbeeld volgen. Als hij geschetst heeft, hoe reeds gedurende anderhalf jaar op Calvijn het ene beroep na het andere wordt gedaan om uit Straatsburg naar Genève terug te keren, dan vraagt Deddens: „Hoe gedroeg zich Calvijn in dit alles?”. Men weet, dat de reformator aan Genève’s Raad schrijft wonderlijk verlegen te zijn. Dat hij de toestand uitvoerig bespreekt met zijn vrienden in Worms.


➝ „Weledelgeboren Heeren,
U heeft mij zeer verplicht met de toezending van het Foto-album 1951, zoo rijk èn aan verluchting èn aan historische en biographische documentatie.
Ofschoon reeds meerdere exemplaren van dit keurige werkje door aankoop in ’t bezit geraakt waren van mij en mijn gezinsleden, dank zij den uit kracht van esprit-de-corps bezielden en bezielenden ijver van Uw medestudent, mijn zoon, bij wien zich in dit verband evenals, naar ik vernam bij andere leden van Uw Corps, een merkwaardig, wijl ingenieus, volhardend en dies ook met succes bekroond handels-instinct ontplooide, dat den kooper-in-spe den laatsten twijfel ontnam of hij zou zich en zijn nageslacht onherstelbare schade berokkenen, indien hij de aanschaffing van bedoeld foto-werk zich en dus ook den naneef zou ontzeggen, terwijl toch evenzeer eigen naam als de eer der Theol. Hoogeschool (postpositis permittendis) op het spel stonden, voor welk argumentum ad verecundiam wij vanzelf de vlag moesten strijken —
heb ik Uw schenking dankbaar en met blijdschap aanvaard.
Ik heb, Weledelgeboren Heeren, de eer te zijn Uw dienstwillige,
P. Deddens.”
9) De Reformatie, XXIX, 6v. en XXXIII, 156.
10) Geciteerd via Barde's Kommentaar op de Handelingen, vertaald door dr. G. Keizer, 1910, pag. VII.

|136|

Dat hij correspondeert met Farel. Dat hij overdenkt en bidt ..... Maar professor Deddens vraagt: „Hoe gedroeg zich Calvijn in dit alles?”. Waarop het antwoord luidt: „Niet anders dan een waardig en getrouw dienaar betaamt11). Niet anders.....

De colleges van professor Deddens hadden een vaste indeling, waarvan hij zelden of nooit afweek. Gedurende de eerste helft van een lesuur besprak hij het onderwerp, dat voor dit uur bestemd was. In de laatste twintig minuten dicteerde hij het besprokene. Ook aan deze regel bond hij niet alleen zichzelf, maar tevens zijn discipelen. Als hij sprak, dienden wij te luisteren; dicteerde hij, dan werd verwacht dat wij schreven. P. D. dicteerde langzaam, zodat wij letterlijk konden opnemen, wat hij ons wilde doorgeven. Opmerkelijk was, dat hij heel vaak citaten uit het Frans, Duits of Engels vertaald en al dicteerde. Betrof het een aanhaling in het Latijn, dan gaf hij daarvan een woordelijke vertaling, zodat wij inmiddels de nodige aantekeningen konden maken. In de eerste tijd liet hij een dergelijk citaat ook door onszelf overzetten.

Uit al die kleine dingen, en waarschijnlijk zijn er nog wel meer te noemen, bleek de uiterste nauwkeurigheid, waarmee hij werkte. En zoals telkens, wanneer je nadenkt over het college van professor Deddens, valt ook hierbij weer op, dat zijn feitelijke werk zo volkomen dekte hetgeen hij in zijn inaugurele zich had voorgesteld te doen. Hij kende klaarblijkelijk de grenzen van zijn krachten en gaven zo goed, dat hij reeds bij de aanvang van zijn professoraat kon zeggen, wat hij wel en wat hij niet zou geven. Wat hij later opmerkte met betrekking tot het oordelen over kerkelijke kwesties, gold in even sterke mate voor zijn en ons werk in college-verband: men „denke eerst, onderzoeke eerst, breed en geduldig, tot ..... (men) de zaak dóór heeft, en spreke daarna, voorzichtig, maar tevens kloek, naar het Woord ....”12).

Breed — zeer uitvoerig waren zijn dictaten, te uitvoerig soms naar onze smaak, omdat wij meenden bij zoveel details het geheel, de grote lijn uit het oog te verliezen. Maar elk onderdeel ervan is weer een getuigenis te meer van zijn enorme, encyclopedische feitenkennis op kerk- en dogmenhistorisch gebied.

Geduldig — professor Deddens nam de tijd voor het behandelen van zijn onderwerp. Hij haastte zichzelf en anderen niet en liet de argumenten van zijn tegenstanders één voor één de revue passeren. En het geheel was geschreven in dezelfde rustige stijl, die zijn Reformatie-artikelen kenmerkte.

Voorzichtig ten slotte, en kloek — want temidden van al die feiten en meningen, was uiteindelijk het enige dat voor hem waarde had: het Woord.


11) Uit mijn college-verslag van 17.V.’55.
12) De Reformatie, XXIX, 6.

|137|

Wie, exempli gratia, het verslag leest van zijn college over dr. Emmens’ opstel13), ziet zich eerst breed ingelicht inzake de historische achtergrond van het conflict Erasmus-Luther en de controvers Pighius-Calvijn. Wordt daarna geduldig ingeleid in beider woord en weder-woord. En hoort ten slotte, naast het oordeel van andere geleerden, de voorzichtige, maar Schriftuurlijke conclusie van professor Deddens zelf.

Volkomen in tegenstelling hiermee stonden de tentamens, die hij afnam. Zelf heb ik nooit een tentamen bij P.D. gedaan, maar volgens anderen14), die wel door hem aan de tand zijn gevoeld, vroeg hij alleen naar de hoofdzaken, de dingen die werkelijk van belang waren. Een nogal geliefde afleidingsmanoeuvre: het „spuien-van-feitjes” als men de eigenlijke kwestie niet of slechts gedeeltelijk door heeft, had bij professor Deddens geen schijn van kans, omdat hij altijd weer terugdrong naar het essentiële. Tekenend is bijvoorbeeld het antwoord dat hij verwachtte op de vraag: „Wat is kerkrecht?”. Geen ingewikkelde definities bevredigden hem dan, maar enkel deze geloofsuitspraak: „Het recht van Christus in de kerk van Christus”. En wie nog eens zijn dictaten en publikaties doorleest, moet tot de conclusie komen, dat deze „definitie” er inderdaad in terug te vinden is.

De kerk van Christus: van haar en van haar Meester wist onze meester zich uiteindelijk dienaar. Als het haar slecht ging, dan treurde en bad hij. Was het gedurende de laatste maanden en wellicht jaren niet te merken, hoe zijn colleges steeds ernstiger werden en hoe we zelden of nooit meer zijn humoristische opmerkingen hoorden?

De kerk van Christus: ging het haar goed, dan juichte en dankte hij. Ik herinner me nog die morgen in het vroege voorjaar van 1957. Toen hij de collegezaal binnenkwam, was het aan zijn gezicht al te zien, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hij had dan ook bijzonder nieuws en in verband daarmee werd zonder meer van indeling en programma voor dat uur afgeweken. Professor Deddens had namelijk kort tevoren bericht ontvangen, dat het proces-Hasselt door de Hoge Raad te onzen gunste was beslist. „Wij hadden dat niet verdiend”, schreef hij in De Reformatie15), „en dit resultaat is niet vrucht van menselijke inspanning of scherpzinnigheid of energie, al wilde de HERE daarvan gebruik maken, ’t is Zijn werk. Zijn genadige beschikking over ons ......”. Inmiddels kregen wij die morgen dan maar een staaltje van menselijke inspanning en scherpzinnigheid! Met groeiende bewondering hebben


13) „De Geschiedeniswaardering der Reformatie”. Besproken in 1949 e.v.j.
14) De predikanten en amici, die me bij het schrijven van dit opstel hebben geholpen, zeg ik ook op deze plaats vriendelijk dank. Zonder hun hulp zou het samenstellen ervan me onmogelijk geweest zijn, J.H.V.
15) Hier en straks: De Reformatie, XXXII, 159.

|138|

wij toen geluisterd naar dat brede, rustige, kloeke betoog, waarin de argumenten van de Commissie van Deskundigen één voor één werden ontzenuwd16). „Ere, wien ere toekomt”, schreef P.D. ten aanzien van Hasselts verdediger. Professor, dachten wij, toen we dit lazen, vergeet u zichzelf niet? „Stil”, scheen hij te zeggen: „Komt, maakt God met mij groot”. In dit verband leerde hij ons die morgen: Mijne heren, gelooft u nooit voetstoots wat men beweert, ook al heet men deskundig. Maar onderzoekt u het zelf aan de hand van de stukken. Breed, geduldig, kloek.....

Aan het eind van ieder college groette hij ons altijd: de man die de deur voor hem open hield, kreeg een extra knikje. Hij zou ook nooit verzuimen je te bedanken, als je hem geholpen had bij het aantrekken van zijn jas. En als je toevallig ook de kant van de IJssel uit moest, dan kon je hem even later een praatje zien maken met de brugwachter. En het gesprek, liep niet alleen over het wéér. Savant en croyant. Théologien, niet minder pasteur.

 

Ik heb professor Deddens nooit van meer nabij gekend. Twee keer heb ik hem op een bijzondere wijze ontmoet. De eerste keer was, toen hij me voor een ander aanzag en meende, dat ik van buiten de stad was gekomen om bij hem één of ander tentamen te doen, ofschoon ik het vorige uur nog college bij hem gelopen had. Bij die gelegenheid gaf hij mij, tot groot vermaak van de omstanders, plechtig een hand en vroeg me, hoe ik het maakte. De tweede keer ontmoette ik hem in de trein van Kampen naar Zwolle. Hij was toen op weg naar de Synode van Enschede. Ik had hem die morgen al eerder gezien, toen hij aanbelde aan een huis op de Ebbingestraat. Toen ik daar langs kwam, hadden we wensen voor een goede dag gewisseld. Nu ik hem enkele uren later in de trein ontmoette, herinnerde hij zich dit direct en voegde me toe: „De volgende keer, dat ik u zie vandaag, moet u trakteren, hoor!”

Over professor Deddens zelf en over zijn karakter weet ik dus niet veel. Alleen van zijn wèrk heb ik op college iets gezien, in de pers iets gelezen. Wat mij altijd opviel, is, dat hij die bekende tekst uit Johannes zo graag vertaalde met: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem slepe”, méé-sleure17). Ik weet niet,


16) In hoofdlijnen is dit betoog later gepubliceerd in: Handboek t.d.v. De Gereformeerde Kerken in Nederland, 1957, pag. 198 vv.
Wat professor Deddens in dit opzicht, behalve voor de kerken, gedurende de moeilijke jaren van het proces met het studentencorps aan de Oudestraat ook voor F.Q.I. betekend heeft, is welbekend.
Minder bekend daarentegen is wellicht, dat P.D. reeds vóór zijn inauguratie als hoogleraar F.Q.I. in de rechtszaal met raad en daad terzijde stond, zoals hij dit ook later nog vaak, zowel mondeling als schriftelijk, gedaan heeft.
17) Evangelie, cap. 6 : 44.

|139|

of in deze vertaling iets van zijn eigen leven doorklonk. En al wist ik het, al had ik hem van meer nabij gekend: Wie onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Is er zelfs niet voor ieder, die reeds overwonnen hééft, een naam, die niemand weet, dan die hem ontvangt?18)

Maar het is ook niet erg, een mens niet van nabij gekend te hebben. Tenslotte verwees het Woord ons niet naar de mens Deddens, naar zijn persoon, maar naar zijn dienst, zijn „Ampt”19). Zoals de dienstknecht op zijn beurt immer verwees naar het Woord en naar de Heer van dat Woord.

Het kind speelde, totdat de zon was ondergegaan. Het wist wel, wat de koning zijn oudste Broeder had gedaan, en wat de priester. Het wist wel, dat de koning ook hem niet sparen zou, en evenmin de priester.

Maar het speelde, het kind. Hulst, vuur, sneeuw .... Het speelde ’t engelenspel, dat zijn oudste Broeder hem leerde. Zoals het ook preken zou en strijden, bidden — omdat zijn oudste Broeder hem spreuken had geleerd en wetten.

..... Er was één, die vroeg, of het nog wel de moeite waard was geschiedenis en recht der kerk te bestuderen. De ander antwoordde, dat die studie zo belangwekkend was en ook de géést verruimde. Toen vroeg de eerste zachtjes, of het dan zo belangwekkend was, dat de kerk haar leer zo weinig in praktijk gebracht had. En of de kennis van het onrecht in de kerk de geest soms zo verruimde. Toen zweeg de ander en hij dacht aan het kind, dat zijn engelenspel speelde, omdat zijn oudste Broeder ’t hem had geleerd. Ook dacht hij, dat men wel erg nederig en erg gehoorzaam moest zijn, als men de geschiedenis en het recht der kerk onderzoeken mocht en onderwijzen.

Nederig en gehoorzaam — als het kind.

„Go humbly, humble are the skies,
And low and large and fierce the Star;
So very near the Manger lies
That we may travel far!

De kribbe, en het Woord van de kribbe.
So very near.....
In uw mond.
In uw hart.

 

Hervormingsdag/Allerheiligen 1959.

J.H. Veefkind


18) Vgl. 1 Cor. 2: 11 en Openb. 2: 17.
19) De Reformatie, XXVII, 226, waar prof. Deddens soortgelijke dingen zegt, na het overlijden van zijn „amicus maximus" (De Ratificeering etc, pag. 19), dr. K. Schilder.

FQI (1960) A4

140-156

|140|

Publikaties van Prof. P. Deddens

 

Woord vooraf

In het navolgend overzicht is gestreefd naar volledigheid en doelmatigheid.

Alle publikaties die zich lieten nagaan zijn vermeld, maar alle zijn niet op dezelfde wijze vermeld. Het leek mij bv. minder doelmatig, van alle 288 Schriftoverdenkingen de teksten, van alle 115 artikelen over het Reveil de opschriften, van alle 209 driestarren de onderwerpen, van alle ongeveer 137 besproken boeken de titels op te geven. Detaillering zou in dit geval in sterke mate de lengte, slechts in geringe mate de waarde van het overzicht vermeerderen. Bij deze reeksen is derhalve met meer globale aanduiding volstaan.

Hier staat tegenover, dat in menig ander geval een kort commentaar is toegevoegd, dat verduidelijken wil, waar bepaalde geschriften en artikelen (-series) over handelen. Evenals de indeling der gezamenlijke artikelen in vijf rubrieken, zal dit, naar ik hoop, de bruikbaarheid van deze bibliografische opgave ten goede komen.

Het is mijn Vader niet beschoren geweest, naar zijn wens en voornemen meerdere resultaten zijner studiën in boekvorm uit te geven. Hij hoopte, na de beëindiging van de actieve hoogleraars-dienst, waarin al deze jaren zoveel extra-arbeid ten behoeve van de kerken werd gevraagd, de tijd en de rust te vinden, die hem in staat zouden stellen zijn rectorale redevoeringen en andere verhandelingen in het licht te geven. De Here heeft het anders beschikt. De geschriften op wetenschappelijk gebied, die sub reservatione Jacobi nog zouden worden gepubliceerd, zijn niet meer verschenen en kunnen hier niet worden vermeld. Intussen moge hier wel worden medegedeeld, dat het voornemen bestaat, in ieder geval tot uitgave van de rectorale oraties te komen. Deze droegen tot titel: (1) Van Dordt naar Westminster? Beantwoording van de vraag of het beroep op de Westminster Assembly inzake de bevoegdheid der meerdere vergaderingen gewettigd is (9 dec. 1947); (2) Iets over Calvijns invloed op ontstaan en aanvankelijke ontwikkeling van het Franse en Nederlandse Gereformeerde kerkrecht (5 maart 1953); en (3) Calvijn over de regering der Kerk, speciaal met betrekking tot de plaats van het ambt, het Woord en de meerdere vergaderingen (6 dec. 1957).

Light is the task when many share the toil. Daarom tot slot een woord van hartelijke dank jegens de Heren P. Deddens Jr. en J.P. de Vries, voor opsporingswerk, door hen verricht resp. te ’s-Gravenhage-Rijswijk en Groningen.

D. Deddens.

|141|

A. Geschriften, bijdragen in verzamelwerken, enz.

 

1 — Prof. L. Lindeboom.
Almanak „Fides Quaerit Intellectum” 1918 (Kampen, Ph. Zalsman, 1917), bl. 107-111 (niet ondertekend).
1a — „Standje” (opstel), ibid., blz. 202-208 (niet ondertekend).

2 — Christus verhooging.
Preek over Filip. 2: 9-11. Menigerlei Genade (Kampen, J.H. Kok, 1927), 17e jrg., nr. 3.

3 — Bijbelsche geïllustreerde kalender, naar Rembrandt.
Met Album (’s-Gravenhage, Weenenk & Snel, 1928).
53 reprodukties van Rembrandt, met toelichting bij iedere reproduktie.

4 — Kerkinstitueering in het Laakkwartier.
Brochure, in samenwerking met Dr. S.O. Los e.a. over noodzaak kerkinstituering ’s-Gravenhage-Zuid (’s-Gravenhage, J. Schouten, 1929).

5 — Tot twee Heiren.
Gedenkschrift ter gelegenheid der kerksplitsing Geref. Kerk te Rijswijk (Z.H.) (kerkinstituering ’s-Gravenhage-Zuid), 1 jan. 1932. (Delft, Judels & Brinkman, 1931).

6 — Gemeenschap en eenheid.
Preek over 1 Cor. 10: 16, 17. Menigerlei Genade (Kampen, J. H. Kok), 22e jrg., nr. 38.

7 — Een zwarte dag.
Bijlagen bij Mededeelingen Geref. Kerk Groningen, 30 sept. 1944 (niet ondertekend).
Inz. maandag 25 sept. 1944, toen 3 predikanten en 51 ouderlingen van de Geref. Kerk te Groningen wederrechtelijk door de z.g. „vergadering van de classis Groningen” geschorst werden.

8 — De uitspraak van den rechter. Korte pleitrede van Ds P. Deddens voor de rechtbank op 7 Oct. 1944.
Bijlage bij Mededeelingen Geref. Kerk Groningen, 21 okt. 1944.

9 — Heerschen of dienen.
Preek over Matth. 20: 25-28. Gehouden in de Pelstergasthuiskerk te Groningen op 1 okt. 1944. Gepubliceerd als bijlage bij Mededeelingen Geref. Kerk Groningen, 28 okt. 1944.

|142|

10 — Blijft in de Kerk.
Brochure, verschenen als bijlage bij Mededeelingen Geref. Kerk Groningen, 4 nov. 1944. Enkele malen herdrukt.

11 — Eerste- en tweedehands gezag.
Bijdrage tot de kennis der jongste kerkelijke procedure, in samenwerking met Prof. Dr. K. Schilder (Groningen, Erven A. de Jager, 1945). Hierin:
„Waarom heeft de Dordtsche Synode, tegen de Kerkenordening in, predikanten afgezet?”, blz. 46-48.
„Is het een vreemde en ongereformeerde praktijk, dat de synodebesluiten door de mindere vergaderingen worden goedgekeurd?”, blz. 48-56.

12 — De ratificeering der besluiten van meerdere vergaderingen.
Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het Hoogleraarsambt a. d. Theol. Hogeschool te Kampen op 28 jan. 1946. (Groningen, Hendrik de Cockstichting, 1946).

13 — Ter inleiding.
Woord vooraf in J. van Dalen, De schriftuurlijke beginselen van het kerkrecht. (Goes, Oosterbaan & Le Cointre, 1946).

14 — De positie van de Diakenen ten aanzien van den Kerkeraad.
Referaat Centr. Diac. Conf. 1947 (uitgebreid en van aantt. voorzien). (Rotterdam, Stichting „De Vrije Kerk”, 1947).

15 — Opzicht en tucht door en over Miss. Dienaren des Woords of Evangelisten.
Een der rapporten van depp., benoemd vanwege de Gen. Syn. te Amersfoort 1948 tot herziening van de K.O. (art. 52) en Z.O. (Kampen, Ph. Zalsman, z.j.).

16 — Kerkenordening van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Met een aantal synodebesluiten. In Handboek t.d.v. De Gereformeerde Kerken in Nederland 1949. (Goes, Oosterbaan & Le Cointre, 1949), blz. 167-214.
De tekst van de K.O. en van dezelfde synodebesluiten eveneens in Handboek 1950, blz. 168-214, en in Handboek 1951, blz. 176-222.
De tekst van de K.O. en van ten dele andere synodebesluiten in Handboek 1952, blz. 192-250; Handboek 1953, blz. 164-252; Handboek 1954, blz. 146-210; Handboek 1955, blz. 181-245.

17 — Prof. Dr K. Schilder, piae memoriae.
In Handboek 1952, blz. 252-256.

|143|

18 — Gedenkt uw Voorgangeren. In memoriam Prof. Dr. K. Schilder.
In dit verzamelwerk (Goes, Oosterbaan & Le Cointre, 1952):
„Prof. Dr K. Schilder” (met B. Holwerda, C. Veenhof, en H.J. Jager), blz. 6;
„Prof. Schilder, vindicerend het recht Gods”, blz. 31 v.;
„Gedachteniswoord”, blz. 69-73.

19 — Inleidend Woord.
Woord vooraf in J. Geelhoed, Augustinus (Goes, Oosterbaan & Le Cointre, 1952).

20 — Prof. Schilder als vriend.
In Almanak „Fides Quadrat Intellectum” 1953. (Kampen, Ph. Zalsman, 1953), blz. 62-72.

21 — Jaaroverzicht 1952-1953.
Handboek 1953, blz. 229-252.

22 — Jaaroverzicht 1953-1954.
Handboek 1954, blz. 211-225.

23 — Tot de Prediking van het Woord des Geloofs.
Opstellen ter gelegenheid van de herdenking van de oprichting der Theologische School A.D. 1854 te Kampen (Comité van uitg. Broederweg 15, Kampen, Kampen, z.j.) In dit verzamelwerk:
„De weg tot de oprichting der Theol. School”, blz. 41-67;
„De Bibliotheek”, blz. 150-155.

24 — Jaaroverzicht 1954-1955.
Handboek 1955, blz. 162-180.

25 — Jaaroverzicht 1955-1956.
Handboek 1956, blz. 174-209.

26 — Jaaroverzicht 1956-1957.
Handboek 1957, blz. 173-218.

 

ADDENDUM:

1 — Kracht en Doel der Politiek.
Antwoord der „vijftien” op den door den leider der A.R.-Partij, J. Schouten, tot zijn „Geestverwanten” gerichten oproep. Onder redactie van C. Veenhof en A. Zijlstra. (Goes, Oosterbaan & Le Cointre, 1948).
Prof. P. Deddens was een der „vijftien”.

|144|

2 — Toelichting van Prof. P. Deddens voor de deskundigen benoemd door het Arnhemse Gerechtshof.
Het Gerechtshof te Arnhem benoemde in 1954 een drietal deskundigen, die belast werden met een onderzoek omtrent kerkrechtelijke vragen, verband houdende met de procedure-Hasselt. Deskundigen hebben ingevolge art. 230 lid 2 W. v. Rv. partijen in de gelegenheid gesteld „voordragten en vorderingen” te doen. Van geref. zijde werd toen (o.m.) deze toelichting aangeboden. Zij werd in gestencilde vorm vermenigvuldigd. In 21 compacte blz. wordt, met aanvoering van zeer veel historisch materiaal, de kerkrechtelijke juistheid van de Vrijmaking in het licht gesteld.

3 — Toespraak namens Hoogleraren ter Gen. Synode van Enschede.
In: Acta Gen. Syn. van De Geref. Kerken in Nederland, Enschede 1955-1956 (Enschede, J. Boersma, 1957), blz. 205 v.

***

B. Artikelen in bladen en periodieken

1) Schriftoverdenkingen
2) Kerkhistorische artikelen
3) Kerkrechtelijke artikelen
4) Overige artikelen
5) Boekbesprekingen

 

1) Schriftoverdenkingen

288 Schriftoverdenkingen in diverse organen, nl. in:

1 — Geref. Kerkbode.
Officieel orgaan van de Geref. Kerk te Rijswijk (Z.H.) (Rijswijk, H. Retel; vanaf 4e jrg. Delft, Judels & Brinkman), 1e-5e jrg. (1924-31); 148 S.o.

2 — De Geref. School.
Orgaan v. h. Geref. Schoolverband (Groningen, J. Haan), 1e-5e jrg. (1925-30): 72 S.o.

3 — Geref. Kerkbode van Rijswijk (Z.H.) en ’s-Gravenhage-Z.
(Delft, Judels & Brinkman), 1e jrg (1932): 9 S.o.

4 — Ons Kerkblad.
Officieel orgaan van de Geref. Kerken van Rijswijk (Z.H.), Voorburg, Leidschendam en Zegwaard (na enige tijd ook: Loosduinen) (’s-Gravenhage, P. v.d. Linden), 1e en 2e jrg. (1933-4): 8 S.o.

|145|

5 — Groningsch Kerkblad.
Weekblad der Geref. Kerk van Groningen (Groningen, E. Venema, 29e-35e jrg. (1934-40); 51 S.o.

 

2) Kerkhistorische artikelen

1 — Geref. Kerkbode.
Officieel orgaan van de Geref. Kerk te Rijswijk (Z.H.) 1e-4e jrg. (1924-9), nrs 1, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, 21, 27, 47, 61, 81, 82, 86, 87.
Uit de geschiedenis onzer Kerken.
Artt.-serie over ned. kg. 19e eeuw tot 1834 (8 artt.) en Afscheiding (H. de Cock) (8 artt).

2 — Ons Kerkblad.
Officieel orgaan van de Geref. Kerken van Rijswijk (Z.H.) enz., 1e jrg (1933), nrs. 2-8, 10-16, 23-33, 35, 37, 40, 42, 45, 47, 49, 51; 2e jrg (1934), nrs 1, 9.
Naar het Eeuwfeest der Scheiding.
Artt.-serie over ned. kg. 19e eeuw tot begin Afscheiding (35 artt.).

3 — Bouwen en Bewaren.
Orgaan van de Bond van Meisjesver. op Geref. Grondslag. 15e jrg., nr. 25 (12 okt. 1934, Afscheidingsnr.).
De Afscheiding.

4 — Groninger Kerkbode.
Orgaan van de Geref. Kerken in de stad en prov. Groningen. (Groningen, J. Haan), 45e jrg. (nr. 13 okt. 1934, Afscheidingsnr.).
Afscheiding en Gezangen.

5 — Groninger Kerkbode (id.), 18e-22e jrg. (nrs. 23 jan. 1937-25 okt. 1941.)
Grepen uit de geschiedenis der kerk.
Artt.-serie (tweewekelijks) speciaal over het Reveil (115 artt.).

6 — De Reformatie, 26e jrg. (1950-1). (Goes, Oosterbaan & Le Cointre.)
Kerkelijk leven:
Niet het werk eens menschen, blz. 227;
Gods instrument, blz. 235;
Waardig geacht, smaadheid te lijden, blz. 243;
Gehaat, apart gezet, gesmaad, uitgeworpen, blz. 252.
Artt. over Hendrik de Cock.

7 — De Reformatie, 29e jrg. (1953-4).
Kerkelijk leven:
Herdenking Servet-Castellio, blz. 43.
Wat toch blinde haat kan brouwen, blz. 51;

|146|

Servet in Genève, blz. 59;
Castellio, blz. 67;
Christendom en Humanisme, blz. 74.
Artt. i.v.m. de herdenking van Servet en Castellio.
Reformatie en Retrospectie, blz. 105, 111.
Artt. over verlossing uit grote zwarigheden te Bern (1532) door optreden van Capito.
Correspondentie over afvaardiging Engelse vluchtelingen-kerken naar de Dordtse Synode, blz. 112.
Antwoord op verzoek om litt. opgave over dit onderwerp.

8 — De Reformatie, 31e jrg. (1955-6).
Uit de Historie:
Groen van Prinsterer en de afgescheidenen, blz. 109 vv.
Serie van 26 artt.

 

3) Kerkrechtelijke artikelen

1 — Geref. Kerkbode.
Officieel orgaan van de Geref. Kerk te Rijswijk (Z.H.) 1e jrg. (1924-5) nrs. 16, 18; 3e jrg. (1926-7) nrs. 55, 56.
Van de Christelijke handreiking.
4 artt. over diaconale collecten.

2 — Geref. Kerkbode.

(Id.), 5e jrg. (1929-31) nrs. 118-120, 122, 128, 129, 135, 140, 143.
Kerk en Overheid inzake Echtscheiding.
Artt.-serie over gronden van echtscheiding, met historisch exposé.
ibid., nr. 168.
De beteekenis der kerkelijke verkiezingen.

3 — Dienst.
Maandblad voor ouderlingen en diakenen in de Geref. Kerken in Nederland (Enschede, Te Sligte), 1e jrg. (1947)
Dienst der ouderlingen en vrijmaking, blz. 9.
Het artikel der singulariteit, blz. 21, 65.
Inz. art. 8 K.O.

4 — Dienst, 2e jrg. (1948).
Is de classis een bureau van advies?, blz. 87.
Taak der kerkeraden inzake de synodebesluiten, blz. 135.

5 — De Reformatie, 21e jrg. (1945-6).
Kerkelijk leven:
De Utrechtsche Synode en het Geref. Kerkrecht, blz. 189 vv.
5 artt. over de kerkrecht, besluiten Gen. Syn. Utrecht (1946) gebonden kerken.

|147|

6 — De Reformatie, 22e jrg. (1946-7).
Kerkelijk leven:
De stem uit den rechterstoel en die van ’t recht, blz. 179,187.
Inz. de zg. plicht tot aanwezigheid ter Gen. Syn. Utrecht-Sneek (1942) van Prof. Dr. K. Schilder als preadviserend lid.

7 — De Reformatie, 23e jrg. (1947-8).
Kerkelijk leven:
Het ontwerp van een kerkorde der Ned. Herv. Kerk, blz. 176.
Prof. Dr S. Greijdanus-nr.:
Prof. Greijdanus en het Geref. Kerkrecht, blz. 303.
Uit de Historie:
Vitringa over nut, noodzakelijkheid, gezag van Synoden. blz. 409 vv.
3 artt., gevolgd door 10 andere in jrg. 24.

8 — De Reformatie, 24e jrg. (1948-9).
Hoofdartikel:
Het Apostolaat, blz. 57 vv.
Serie van 8 artt.; rede, gehouden bij de opening der lessen a. d. Theol. Hogeschool op 1 okt. 1948, sterk vermeerderd en van aantt. voorzien.
Kerkelijk leven:
Trouweloze verlating van den dienst, blz. 293, 323.
Inz. art. 80 K.O.
Uit de Historie:
Vitringa over nut, noodzakelijkheid, gezag van Synoden, blz. 6 vv.
10 verdere artt., vervolg van 3 eerdere in jrg. 23.

9 — De Reformatie, 26e jrg. (1950-1).
Hoofdartikel:
Apostolische successie, blz. 289;
De Roomsche hiërarchie en de Schrift, blz. 297;
De Roomsche successie en de traditie, blz. 305;
De Reformatie contra Rome, blz. 313.
4 artt. inz. de roomse leer betr. de „apostolische successie”, met litt.-opgave.
De Orde der Kerk, blz. 357.
Uitvoerige bespreking van het onder deze titel verschenen werk van Dr. F. L. Bos.
Jubileum-nr.:
Kerkrecht: Veel kerk en weinig recht?, blz. 17, 28.
Inz. de betekenis van De Ref. voor de handhaving en verdediging van het geref. kerkrecht.

|148|

10 — De Reformatie, 27e jrg. (1951-2).
Hoofdartikel:
Goede Orde?, blz. 353.
Uitvoerige bespreking van Ds. Joh. Jansen, Korte Verklaring v. d. Kerkorde der Geref. Kerken, 3e dr.
Kerkelijk leven:
De nieuwe Kerkorde van de Ned. Herv. Kerk in de practijk, blz. 243;
De nieuwe Kerkorde van de Ned. Herv. Kerk en de Geref. Bond, blz. 250;
De Kerkorde van de Ned. Herv. Kerk, blz. 331;
Phraseologie inzake de Kerkorde der Ned. Herv. Kerk, blz. 338.
De positie van de diakenen, blz. 358, 361, 365, 371.
Inz. Prof. J. Hovius, Behooren de diakenen tot den kerkeraad?
Driestarren.

11 — De Reformatie, 28e jrg. (1952-3).
Hoofdartikel:
Leiden alle wegen naar Rome?, blz. 69, 77, 85, 101.
4 artt. n.a.v. art. Dr. H. v.d. Linde in In de Waagschaal.
Kerkelijk leven:
Tendimus in Latium, blz. 79;
Recht-staf of krom-staf, blz. 108.
2 artt. n.a.v. art. Dr. O. Noordmans in In de Waagschaal.
Het recht in Christus’ kerk naar Deuteronomium, blz. 227 vv.
11 artt. waarin verwerkt college-voordrachten Prof. B. Holwerda.
Tuchtrecht der meerdere vergaderingen, blz. 171;
Tuchtrecht meerdere vergaderingen in de gebonden kerken, blz. 299;
Bevoegdheid op grond van eenheids-openbaring?, blz. 308;
Vergulde pil, blz. 315;
Collegialistisch kerkrecht, blz. 322.
5 artt. inz. besluiten synode-Rotterdam (1952) gebonden kerken betr. tuchtrecht meerdere vergaderingen.
Over de brochure „Terug naar de wissel”, blz. 330;
Waar ligt de wissel?, blz. 338;
De vorm van het recht en niet de zaak van het recht?, blz. 347;
Aanstonds, blz. 353;
Niet: de Bijbel dicht, de Kerkenorde open, blz. 358;
Hoe de Kerkenorde niet moet gehanteerd worden, blz. 362;
Eerst de Bijbel open — dan de Kerkenorde, blz. 366;
Het „horen” van partijen in het licht van Schrift en historie, blz. 370;

|149|

De letter van de Kerkenorde, blz. 378;
Synodale hiërarchie, blz. 386.
Artt.-serie, speciaal inz. de behandeling van appèls door meerdere vergaderingen; voortgezet in jrg. 29.
Driestarren.

12 — De Reformatie, 29e jrg. (1953-4).
Hoofdartikel:
Actueel kerkelijk proces, blz. 357 vv.
6 artt. over proces Free Church contra United Free Church in Schotland, begin v. deze eeuw; voortzetting van serie in jrg. 30.
Kerkelijk leven:
Kerkelijk appèl, blz. 19;
Appèl onder Israël, blz. 26;
Appèl door de H. Schrift niet toegelaten?, blz. 35;
Iets over herkomst en geschiedenis van ’t appèlrecht, blz. 43;
Recht van appèl overgenomen uit het Romeinsche recht, blz. 50;
Appèl in de oude kerk en de kerk der Middeleeuwen, blz. 60;
Appèl bij Calvijn, blz. 67;
Appèl in de franse kerken, blz. 76;
Appèlrecht in ons land voorheen en thans, blz. 83;
Appèl in de Wezelse artikelen, blz. 90;
De Emdense synode over appèl, blz. 135;
Appèl na Emden, blz. 151;
Wie heeft recht van appèl?, blz. 158;
Appèl en revisie, blz. 167;
Kerkelijke beroeps-instanties, blz. 175;
Dr Kuyper’s voorslag inzake beperking appèlrecht, blz. 183;
Zijn we met de huidige appèl-behandeling op de goede weg?, blz. 190;
Kerkelijke rechtspraak naar kerkelijke stijl, blz. 199;
Arbitrale pacificatie, blz. 208;
Zwakke plekken, blz. 214;
Rechtspraak alleen op grond van de stukken?, blz. 223;
Scheiding van recht en feit?, blz. 239;
Samenvatting appèlrecht, blz. 247, 254, 262;
Kerkelijke arbitrage, blz. 327;
Arbitrage en rechtszekerheid, blz. 334.
Deze serie van 27 artt. over het kerkelijk appèlrecht is een voortzetting v. d. 10 eerdere artt. in jrg. 28.
Een veelomstreden kwestie, blz. 215;
Voorgestelde opheffing van Art. 185 der Grondwet, blz. 239;
Kerkelijke goederen vóór de Reformatie, blz. 248;
Kerkelijke goederen tijdens de Republiek, blz. 255;
De kerkelijke goederen na de Omwenteling, blz. 263;
Van Staats-creatuur tot Staats-erfgenaam, blz. 278;

|150|

Recht en onrecht nopens de kerkelijke goederen, blz. 287;
Recht op kerkelijke goederen, blz. 310;
Losmaking van de fin. band tussen Staat en Kerk, blz. 319.
Artt.-serie n.a.v. verzoek a.d. regering inz. pensioenen door emeriti-predikanten N.H.K., en rapport Staatscommissie inz. opheffing Art. 185 Grondwet.

13 — De Reformatie, 30e jrg. (1954-5).
Hoofdartikel:
Actueel kerkelijk proces, blz. 1vv.
4 artt, voortzetting van reeks in jrg. 29.
Kerkelijk leven:
„Openbaring” van Christus’ lichaam, blz. 91;
Ubi principia demonstrandi?, blz. 98.
Kritiek op beschouwingen v. Prof. Dr. H.N. Ridderbos.
De ambtelijke positie v. d. Kamper hoogleraren, blz. 194 vv.
3 artt. n.a.v. voorstel, de hoogleraren niet meer te emeriteren naar art. 13 K.O., maar hen te doen beroepen door de kerk van Kampen.
Concept nieuwe Kerkenorde, blz. 218 vv.
5 artt. inz. Rapport depp. herziening K.O. gebonden kerken.
Driestarren.

14 — De Reformatie, 31e jrg. (1955-6).
Kerkelijk leven:
Van heren en knechten, blz. 138;
Geen enkele vorm van hiërarchie, blz. 154;
Geen improvisaties, blz. 154;
Gang kerkelijk rechtsgeding, blz. 163 v.;
Mag men artt. van de K.O. verklaren en aanwenden tegen hun bedoeling in?, blz. 170;
What is the matter?, blz. 178;
Isolering niet mogelijk, blz. 178;
Geen vertekend beeld, blz. 179;
Bevoegdheid kerkelijke vergaderingen, blz. 186;
Langs elkaar heen?, blz. 187;
Wie goed onderscheidt, blz. 187;
Kleingoed, blz. 202, 244;
Niet eindeloos, blz. 210;
Heel de zaak van ’t appèl of alleen „het bewijs”?, blz. 211;
Heel de zaak van appellant op ’t tapijt, blz. 218;
Beroep en beroepen, blz. 218;
De zonde niet laten liggen, blz. 218;
„Oordeelt gij hetgeen ik zeg", blz. 218;
Trigland, blz. 219;
Historisch moment uit de strijd tegen machtsaanmatiging, blz. 226;

|151|

Met vreugde onderzoek toegestaan, blz. 227;
Apologetische Verklaring, blz. 227;
„Niets mee te maken” of „misschien toch nog wel iets te leren”?, blz. 235;
Het recht van vermaan, blz. 235;
Veel gevallen — korte regel, blz. 254;
Verzoening, tweeërlei aspect, blz. 254;
Hoofdbeginselen, blz. 271;
Het onderzoek, blz. 271;
Verzoening, blz. 271, 280;
Winnen, blz. 280.
Nieuwe serie van 33 artt. speciaal inz. de behandeling van appèls door meerdere vergaderingen.
Kerkeraad en gemeente, blz. 289, 306, 316.
Geen mensenmacht tussen Christus en de gemeente.

15 — De Reformatie, 32e jrg. (1957-8).
Kerkelijk leven:
Debat Handboek, blz. 2;
Nieuw gevoelen inz. toepassing art. 31 K.O., blz. 11;
Geref. Kerken en Personen inz. appèl-procedures, blz. 18;
Het Doleantie-kerkrecht, blz. 26;
Hebben de Geref. Kerken nooit goede kerkrechtelijke leiding gehad?, blz. 34, 43;
Van de Historie naar de Schrift, blz. 50;
Bouquetje Polemiek, blz. 61, 68, 76, 84, 93, 102, 111, 117.
Nieuwe artt.-serie vnl. inz. behandeling van kerkelijke appèls door (bevoegdheid en taak in dezen van) meerdere vergaderingen, n.a.v. persreacties op „Jaaroverzicht 1956-1957” in Handboek 1957.

16 — Geref. Kerkbode Groningen, Friesland, Drente (Sappemeer, Kleefsman & V.d. Veen), 13e jrg. (1957).
Debat Handboek, nr. 40;
Letter, geest en bedoeling der K.O. inz. appèllen, nr. 41;
Doleantie-kerkrecht, nr. 42;
Hebben de Geref. Kerken nooit goede kerkrechtelijke leiding gehad?, nr. 43;
Naar het Woord Gods, nr. 44;
Wat polemiek, nrs. 45, 46.
Wederwoord op kritiek Ds. D. van Dijk „Jaaroverzicht 1956-1957” in Handboek 1957; ten dele identiek met artt-serie in De Ref.

 

4) Overige artikelen

1 — Geref. Kerkbode.
Officieel orgaan van de Geref. Kerk te Rijswijk (Z.H.) 3e jrg. (1926-7).

|152|

Over echtscheiding, nr. 57;
Over Nieuwjaar, nr. 58;
Punten van reformatie, nr. 64.

2 — Geref. Kerkbode. (id.), 5e jrg. (1929-31).
Kerkelijk besef, nrs. 119, 126, 130.
Is er behoefte aan een nieuwe Bijbelvertaling?, nrs. 164-9.

3 — De Reformatie, 10e jrg. (1929-30).
Het boek van de week:
Over Emil Ludwig, blz. 237.
Inz. E. Ludwig, Napoleon.

4 — Ons Kerkblad.
Officieel orgaan van de Geref. Kerken van Rijswijk (Z.H.) enz., 1e jrg. (1933).
Onze kerkelijke gezangen, nrs 32 vv.
Serie van 14 artt. over de gezangen, ingevoerd door de Gen. Synode van Middelburg (1933).

5 — De Reformatie, 20e jrg. (1945).
Uit de Historie:
1945 in vergelijking met 1813, blz. 383, 392, 399.
3 artt. over de bevrijding van het Franse en het Duitse juk.

6 — De Reformatie, 22e jrg. (1946-7).
Hoofdartikel:
Millioenplan.
Verklaring, gepubliceerd samen met veertien andere brs., met advies niet mee te werken aan het A.R. 2e millioenplan.

7 — De Reformatie, 23e jrg. (1947-8).
Kerkelijk leven:
Het „concrete voorstel tot hereniging” van ds B.A. Bos, blz. 419, 428, 441.
Schooldagnr.:
Rede Schooldag 1947, blz. 5.

8 — De Reformatie, 24e jrg. (1948-9).
Kerkelijk leven:
In welken weg dan ook, blz. 33;
Nieuw Oosterbeeksch palliatief, blz. 136 vv.
8 artt. inz. tien stellingen van Dr. F.L. Bos en Ds. E.G. van Teylingen.
Caricatuur?, blz. 207;
Bibliotheek Theol. Hogeschool, blz. 352.
Schooldagnr.:
De kosten van de Schooldag, blz. 13.

|153|

9 — De Reformatie, 25e jrg. (1949-50).
Kerkelijk leven:
De Haagsche Parade, blz. 3vv.
5 artt. inz. besluiten Gen. Syn. ’s-Gravenhage gebonden kerken betr. „toenadering” enz.
Naar het diensthuis teruggekeerd, blz. 203 vv.
5 artt. inz. terugkeer Ds. B.A. Bos e.a. naar de gebonden kerken.
Van Biblia en een nieuwe Thèkè, blz. 315.
Een rijk gezegend bibliotheek jaar, blz. 324.
Schooldagnr.:
De breedte en de diepte, blz. 16.

10 — De Reformatie, 26e jrg. (1950-1).
Schooldagnr.:
Kerkbank en Katheder, blz. 35.

11 — De Reformatie, 27e jrg. (1951-2).
Kerkelijk leven (o.m.):
Schorsingsgronden Ds W.G.F. van Herwijnen, blz. 175.
Onze bibliotheek en „als we nu eens ....”, blz. 183.
De allereerst geschorste ouderling voor een puzzle gesteld, blz. 284.
„Hereniging” met de gebonden kerken?, blz. 294.
Toespraak bij het sluiten der lessen c. 1951-2, blz. 298.
Weemoed en dankbaarheid in een jaar Bibliotheek-leven, blz. 300.
„Anders denken” een beletsel voor „hereniging”?, blz. 308.
„Her-eniging”? Wederkeer!, blz. 314.
Een proefproces inz. de naam der kerken, blz. 323.
Theorie, practijk en infiltratie van Barthianisme, blz. 346.
In Memoriam Prof. Dr. K. Schilder-nr.:
Prof. Dr K. Schilder (met overige hoogleraren), blz. 208;
Prof. Dr K. Schilder, vindicerend het recht Gods, blz. 209;
Gedachteniswoord bij de hervatting der colleges, blz. 226.
In Memoriam Prof. B. Holwerda-nr.:
Prof. B. Holwerda (met overige hoogleraren), blz. 259;
Prof. B. Holwerda, de Schriftverklaarder, blz. 259;
Gedachteniswoord bij de hervatting der colleges, blz. 265.
Schooldagnr. :
Een schip vol dwazen, blz. 8.
Driestarren.
24 in totaal (sommige kerkrechtelijk).
Persschouw.
In 3 nrs., nl. blz. 294, 312, 335.

|154|

12 — De Reformatie, 28e jrg. (1952-3).
Hoofdartikel:
Hybris van het Relativisme, blz. 129.
Politieke propaganda of gesprek?, blz. 137.
De nacht van Zaterdag op Zondag, blz. 152.
Watersnood: omvang en oorzaken, blz. 153.
Kerkelijk leven (o.m.):
De nieuwbenoemde hoogleraren, blz. 26.
Van Kant tot Drees, blz. 42, 50.
Is de kerk het laatste asyl van de waarheid in deze wereld?, blz. 58.
Twee-maten-meterij, blz. 58.
„Kralingen”, blz. 70.
Van de baan zwierend, blz. 87.
De opgelegde „eenheid” in de Ned. Herv. Kerk, blz. 115.
Overzicht fata Theol. Hogeschool, blz. 179.
Over de Aprilbeweging, blz. 258, 266, 275, 285, 291.
Schooldag-nr. (1952):
Na de Schooldag, blz. 1;
Reformatie en tentatie, blz. 2.
Schooldag-nr. (1953):
Nutteloos leergeld, blz. 395.
Driestarren.
34 in totaal (sommige kerkrechtelijk).

13 — De Reformatie, 29e jrg. (1953-4).
Kerkelijk leven (o.m.):
Niet-beschaamde studenten, blz. 6.
Onbevredigende polemiek (contra Dr. F.L. Bos), blz. 90.
Nog eens: de gebroken vaas (inz. procedure-Ds. Taverne), blz. 119.
Antwoord aan Ds Timmer, blz. 127.
Gods kerk en onze vele kerken, blz. 167.
Katholiserend Protestantisme, blz. 200.
Half-weg doorgangspunt; geen eindpunt, blz. 207.
Incarnatio continua?, blz. 215.
Dr Mulders Dissertatie, blz. 215.
Schrift en traditie, blz. 223.
75-jarig bestaan der Vrije Universiteit, blz. 263.
Brochure G. Goossens, blz. 288, 302.
Schooldag en Gouden Feest (1854-1904), blz. 296.
Schooldag en Eeuwfeest (1854-1954), blz. 297.
Verslag Bibl. Theol. Hogeschool 1953-4, blz. 312.
Samengang, Christendom-Islam?, blz. 350 vv.

|155|

Driestarren.
84 in totaal (sommige kerkrechtelijk).

14 — De Reformatie, 30e jrg. (1954-5).
Kerkelijk leven (o.m.):
Om Kralingen, blz. 19.
Voor steun: doorboring, blz. 27.
Met apenmunt betalen, blz. 51.
De kern van de zaak, blz. 99.
Slaapt het kerkvolk rustig voort?, blz. 115.
Ter opscherping, blz. 138.
Promotie dr Holwerda, blz. 194.
De predikantstractementen, blz. 259, 267, 274, 282.
Promotie dr J. Bosch, blz. 260.
Mislukt eenheidsstreven i.d. Ned. Herv. Kerk, blz. 275, 282.
Promotie Mr L. Roeleveld, blz. 299.
Aan onze lezers, blz. 299.
Jaarverslag Bibliotheek 1954-5, blz. 323, 332.
Schooldag-nr. (1954):
Kairos, blz. 2.
Driestarren.
67 in totaal (sommige kerkrechtelijk).

15 — De Reformatie, 31e jrg. (1955-6).
Kerkelijk leven:
Vreugde om en met Hasselts kerk, blz. 243.
Verslag Bibliotheek Theol. Hogeschool 1955-6, blz. 341.
Schooldag-nr. (1955):
Pieus of scandaleus, blz. 11.
Schooldag-nr. (1956):
Tot hiertoe .... en verder, blz. 418.

16 — De Reformatie, 32e jrg. (1956-7).
Kerkelijk leven:
Hasselt, blz. 159.
Bibliotheekverslag 1956-7, blz. 304, 311.
Aspecten van kerkelijke reformatie, blz. 318, 328, 337.

17 — De Reformatie, 33e jrg. (1957-8).
Schooldag-nr. (1957):
Onderwijs overbodig?, blz. 3.

 

5) Boekbesprekingen

Omstreeks 137 boekbesprekingen in diverse organen (de rec. in de Ni. Prov. Gron. Ct. werden niet ondertekend, waardoor

|156|

het totale aantal zich niet nauwkeurig laat vaststellen), nl. in:

1 — Geref. Kerkbode.
Officieel orgaan van de Geref. Kerk te Rijswijk (Z.H.) 1e-5e jrg. (1924-31): 48 rec.

2 — Geref. Kerkbode van Rijswijk (Z.H.) en ’s-Gravenhage-Z., 1e jrg. (1932): 6 rec.

3 — Ons Kerkblad.
Officieel orgaan van de Geref. Kerken van Rijswijk (Z.H.) enz., 1e en 2e jrg. (1933-4): 4 rec.

4 — Nieuw Prov. Groninger Courant (Groningen, Jan Haan), jrg 1938 vv.: omstreeks 50 rec.

5 — De Reformatie, 23e-30e jrg. (1947-54): 28 rec.

6 — Dienst, 2e jrg. (1948): 1 rec.