PKN GS KTO 09-05

De kerk en de democratische rechtsstaat — een positiebepaling
Bijdrage aan het gesprek in gemeente en kerk
2009

Generale synode
KTO 09-05

PKN GS KTO 09-05 Inh

|3|

Inhoud

 

Inhoud — 3

1 Inleiding — 5
Begripsverheldering — 7
Opzet van deze handreiking — 9

2 Tradities in het kerkelijk denken over samenleving en overheid — 11
De Reformatie — 11
De Verlichting — 14
Uiteengaande wegen — 15
Nieuwe toenadering — 17

3 Veranderingen in het publieke domein — 21
Verschillende domeinen — 21
Individualisering — 23
Globalisering — 23
Europese integratie — 24
Veelvormigheid — 24
Consequenties — 25

4 Theologische motieven en overwegingen — 29
Het eigen erfgoed — 29
Legitimeren of herkennen — 31
De rechtsstaat — 32
Mensenrechten — godsdienstvrijheid — 32
De scheiding van kerk en staat — 34
Democratie — 35
De civil society — 36
De plaats van de kerk — 37

5 Praktische perspectieven — 41
De democratische rechtsstaat — 41
De plaatselijke gemeente en de overheid — 43
De landelijke kerk — 45
Godsdienst en samenleving — 46
Internationale dimensies — 47

Bijlage — 49
Artikel XVI van de Onveranderde Augsburgse Confessie — 49
Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis — 49

PKN GS KTO 09-05 1

|5|

 

De kerk en de democratische rechtsstaat

Een positiebepaling

 

Bijdrage aan het gesprek in gemeente en kerk

 

1 Inleiding

 

1) Nederland is een democratische rechtsstaat. Een rechtsstaat, want niet de overheid maar het recht heeft het laatste woord. En democratisch, want zij die regeringsverantwoordelijkheid dragen doen dat krachtens een mandaat van de burgers. Over beide is veel meer te zeggen, maar dit is de kern. Rechtsstaat en democratie bepalen elkaar, vandaar: democratische rechtsstaat.
Binnen dit bestel is de scheiding van kerk en staat een vanzelfsprekende verworvenheid. Daarmee wordt hier niet meer en niet minder bedoeld dan het volgende. Enerzijds, de kerk heeft geen institutioneel vastgelegde verantwoordelijkheid binnen het functioneren van de overheid: zij heeft bijvoorbeeld geen kwaliteitszetels in het parlement, en overheidsbenoemingen behoeven haar goedkeuring niet. Zoiets zou terecht worden ervaren als een aantasting van het grondrecht van de gelijkheid van alle burgers, ongeacht hun godsdienst of levensbeschouwing. Anderzijds, de overheid heeft geen institutioneel vastgelegde verantwoordelijkheid binnen het functioneren van de kerken: de kerken worden ‘geregeerd naar hun eigen statuut’ (zo art. 2:2 Burgerlijk Wetboek), en ze kunnen in volstrekte vrijheid ten opzichte van de overheid hun kerkelijk leven inrichten. Als het anders was, zou dat worden ervaren als een aantasting van het grondrecht van de vrijheid van godsdienst. Ook over de scheiding van kerk en staat is veel meer te zeggen, maar hier ligt de essentie ervan.

2) Er valt meer over te zeggen, en de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland wil dat in deze handreiking ook doen. Zij vindt daarvoor aanleiding in het publieke debat van de laatste jaren rond rechtsstaat, democratie en de scheiding van kerk en staat. Om een paar direct herkenbare zaken te noemen:
• meer dan eens wordt gesuggereerd dat de scheiding van kerk en staat met zich meebrengt dat de overheid elke samenwerking met geloofsgemeenschappen zou moeten vermijden, laat staan dat zij bijvoorbeeld de bouwvan een gebedshuis financieel zou mogen ondersteunen;
• godsdienst zou geen rol mogen spelen in het publieke leven: als men ook het onderwijs tot het publieke domein rekent, zou dat volgens sommigen moeten betekenen dat de gelijkberechtiging van bijzonder en openbaar onderwijs, vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, zou moeten worden opgeheven;
• telkens rijzen er vragen rond de verhouding van de verschillende grondrechten binnen de rechtsstaat; dikwijls is daarbij de vrijheid van godsdienst één van de betrokken botsende grondrechten (mag een religieus leider zich negatief uitlaten over homoseksualiteit, of omgekeerd: mag een atheïst zich kwetsend uitlaten over gelovigen?)
• ook de democratie is in discussie, vooral als het gaat om de plaats van minderheden binnen dit bestel; hoe verhoudt zich het beginsel dat de meerderheid beslist tot de rechten van culturele en religieuze minderheden in ons land?
De kerk dient daarbij ook in te gaan op de mogelijkheden die zij, hetzij in haar gestalte van landelijke kerk, hetzij in die van de plaatselijke gemeenten, heeft. Wat betekent in de huidige situatie de roeping van de

|6|

kerk ten opzichte de samenleving? Hoe kan zij — met de woorden van artikel I lid 6 van de kerkorde — ‘oproepen tot de vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat’, als zij dat al moet, en kan? Welke rol mag en moet een plaatselijke gemeente wellicht vanuit haar diaconale roeping spelen in een samenleving waarin de overheid een groter beroep doet op mensen en organisaties om een eigen verantwoordelijkheid te nemen in de maatschappelijke ondersteuning?

3) Bij de bezinning op de kerk en de democratische rechtsstaat moet ook aandacht geschonken worden aan de toenemende betekenis van de civil society — men spreekt hier ook wel van het maatschappelijk middenveld of de ‘burgersamenleving’. Het is de sfeer waar burgers in vrijheid, en via tal van op vrijwilligheid gebaseerde organisaties, zonder overheidsbemoeienis vorm geven aan het samen leven, in belangenbehartiging of sport, publieke meningsvorming of vrijwilligerswerk. De civil society blijkt van groot belang voor de vitaliteit van de democratische rechtsstaat.
Er bestaat zorg over waarden die sinds lang een onlosmakelijk onderdeel zijn van de democratische rechtsstaat. Te denken valt aan de bescherming van minderheden als belangrijk onderdeel van de democratie en de godsdienstvrijheid als belangrijk element van de rechtsstaat. Dit leidt tot de vraag welke taak de kerk heeft als het gaat om het vergroten van het draagvlak en het opkomen voor die waarden binnen de civil society.
Tegelijk verandert de verhouding tussen de samenleving en de democratische rechtsstaat. Terwijl enerzijds steeds meer bevoegdheden verschuiven van de nationale overheid naar de Europese Unie, legt de overheid anderzijds steeds meer taken neer bij het maatschappelijk middenveld. Dit leidt tot de vraag welke taak de kerk heeft binnen de civil society. Neemt zij maatschappelijke taken op zich, en zo ja welke? Is zij geroepen bij te dragen aan het reservoir van maatschappelijk en moreel kapitaal, en zo ja hoe?

4) Het zijn nog maar enkele van de vele vragen die hier in beeld komen. Maar ze zijn meer dan theoretisch van aard, omdat in de samenleving soms sprake is van heftige emoties rond de wijze waarop godsdienst zich daar manifesteert. Recente ingrijpende gebeurtenissen beïnvloeden het denken over de mogelijke rol van de kerk in de samenleving. De oorlog in voormalig Joegoslavië maakte al duidelijk hoe de nationale en religieuze identiteit van bevolkingsgroepen nauw met elkaar verbonden kunnen zijn, en dat haat en geweld juist daardoor kunnen escaleren tot een tevoren niet vermoed niveau. De aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington, en daarop volgende aanslagen in Londen, Madrid en Indonesië door islamistische terreurnetwerken als Al Qaida maakten velen er eens te meer van bewust dat religie mensen kan brengen tot schokkend geweld, en zo een enorme impact kan hebben op de samenleving. Daarmee kwam ook de Nederlandse samenleving onder dreiging te liggen. Zij werd hardhandig geconfronteerd met de mogelijkheid dat groeperingen die zich nadrukkelijk op hun geloofsovertuiging beroepen, desnoods met geweld streven naar een samenleving die niet voldoet aan voor het Westen vanzelfsprekende normen van vrijheid en gelijkheid.
Direct politiek geweld deed in Nederland zijn herintrede met de moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002. Dat was een grote schok voor de democratische rechtsstaat. Bij de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 was dat evenzeer het geval. Bij deze laatste aanslag was duidelijk sprake van een religieuze drijfveer. De vraag naar de relatie van godsdienst en godsdienstvrijheid tot andere grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en het antidiscriminatiebeginsel kwam hoog op de maatschappelijke agenda.

5) Achter de publieke discussie over de democratische rechtsstaat en de civil society ligt een complex samenstel van ontwikkelingen. Ze kunnen hier slechts worden aangeduid, maar komen in volgende hoofdstukken uitvoerig aan de orde. Te denken valt aan culturele processen, zoals de individualisering,

|7|

waardoor de rol van geloofsgemeenschappen verandert: zij zijn niet meer vanzelfsprekend representatief voor het geleefde geloof. Men denke ook aan veranderingen in de samenstelling van de Nederlandse bevolking, die in hoge mate multicultureel en multireligieus is geworden: vooral de groei van de islamitische geloofsgemeenschap leidt tot nieuwe vragen. Gedacht kan worden aan economische ontwikkelingen zoals de globalisering van de economie, met tal van directe en indirecte gevolgen op sociaal, cultureel en politiek gebied. En tenslotte aan politieke ontwikkelingen zoals enerzijds de versterking van een Europese rechtsorde, maar anderzijds de onmiskenbare aarzelingen die in Nederland leven als het gaat om de toekomstvan Europa.

6) In de context van de genoemde ontwikkelingen in de samenleving zoekt de Nederlandse samenleving opnieuw naar fundamentele waarden die een bindende werking kunnen hebben, in een brede discussie over centrale waarden van de democratische rechtsstaat en nog fundamenteler: over het vormgeven van het samenleven. Het maatschappelijke debat over de veranderende verhouding tussen religie en publieke ruimte is daar niet van los te maken. De juridische en institutionele kwestie van de relatie tussen kerk en overheid is daarvan een aspect. Ook binnen de kerk wordt die discussie gevoerd, en wellicht kan de kerk ook bijdragen aan het publieke debat over deze vragen.

 

Begripsverheldering

7) Het gaat in deze handreiking om de democratische rechtsstaat en daarom ook om de civil society. Dat zijn betrekkelijk recente fenomenen, ontstaan uit een eeuwenlange ontwikkeling en strijd om de relatie tussen de overheid en de burgers. Meer begripsverheldering is gewenst voordat wordt ingegaan op de vele vragen die hier liggen.

8) De kern van de rechtsstaat is dat niet de overheid het laatste woord heeft, maar het recht waaraan ook de overheid gebonden is. Een rechtsstaat is onder alle omstandigheden gebonden aan de grondrechten van zijn ingezetenen en mag niet zomaar de vrijheid van mensen inperken. Het openbaar bestuur en de rechterlijke macht dienen zich te richten naar het recht. Tot de belangrijkste kenmerken van de rechtsstaat behoort daarom de scheiding van de machten. De wetgevende en de uitvoerende macht zijn niet in één hand: zo heeft de regering zich te houden aan de wetgeving die door het parlement — overigens wel in samenwerking met de regering — wordt vastgesteld. En, nog belangrijker, de rechterlijke macht is ten opzichte van beide onafhankelijk. De rechter houdt zich aan het recht, niet aan de wensen van regering of volksvertegenwoordiging. Het totale systeem is erop gericht willekeur en machtsmisbruik te voorkomen. In de praktijk vereist de precieze invulling van deze scheiding van de machten natuurlijk voortdurend nieuwe bezinning.
Zo ontlenen de burgers aan het recht zekerheid en bescherming. Het staat borg voor hun vrijheid en gelijkwaardigheid. Een van de consequenties is dat de staat absoluut onpartijdig is op ideologisch en levensbeschouwelijk gebied. Tegelijk is zij gebaseerd op fundamentele waarden en overtuigingen. Zij staat dus niet onverschillig tegenover de mens en de samenleving.
Het recht beschermt de burgers ook tegen elkaar, en daarin heeft de overheid — vooral door middel van het strafrecht — een beslissende rol. Daarom ligt bij haar het ‘geweldsmonopolie’. Het gebruik van geweld is in de rechtsstaat voorbehouden aan diegenen die als overheidsdienaren daartoe binnen het rechtssysteem bevoegd zijn verklaard, in beginsel alleen justitie en politie.

9) Door te spreken van de democratische rechtsstaat wordt aangegeven dat overheidspersonen functioneren dankzij een mandaat van de burgers. Waar ‘rechtsstaat’ iets zegt over de normen waaraan ook de

|8|

overheid gebonden is, zegt ‘democratie’ iets over de wijze waarop machthebbers en burgers zich tot elkaar verhouden: wie de macht heeft is vervangbaar, dient zich te verantwoorden tegenover de burgers en luistert naar de burgers. Burgers hebben in een democratie invloed op het overheidsbeleid, onder meer door het kiezen van volksvertegenwoordigers. De politieke partijen die de burgers in het parlement vertegenwoordigen hebben hun wortels vaak in een bepaalde ideologische of levensbeschouwelijke traditie. Argumenten en overtuigingen uit die politieke bagage beïnvloeden de beleidskeuzes van bijvoorbeeld de betrokken Kamerfracties. In de democratische rechtsstaat hebben burgers dus in beginsel gelijke invloed op het vaststellen van wat recht is. Besluitvorming daarover wordt mogelijk door meerderheidsvorming. Maar dat betekent niet dat democratie samenvalt met ‘besluiten bij meerderheid’. In een rechtsstaat heeft democratie evenzeer te maken met de bescherming van minderheden. De geschiedenis kent voorbeelden van door democratische verkiezingen aan de macht geholpen regeringen die in dit laatste perspectief allesbehalve democratisch waren. Anders gezegd: democratie en rechtsstaat bepalen elkaar. Dat komt al tot uitdrukking in het feit dat de Grondwet niet bij eenvoudige meerderheid is te veranderen.

10) Een kenmerkend element van de Nederlandse rechtsstaat is voorts haar sociale dimensie. De Grondwet garandeert niet alleen de vrijheden van de burger ten opzichte van de overheid, maar zij legt bij de overheid ook een positieve verplichting om het welzijn te bevorderen. Op het gebied van onderwijs, wonen, gezondheidszorg en inkomen spant de overheid zich in voor basisvoorzieningen die garanderen dat burgers ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun grondrechten. Naast vrijheid en gelijkwaardigheid is solidariteit een derde pijler onder de Nederlandse sociale rechtsstaat.
Hetzelfde geldt voor het Europese rechtsstelsel. In de verdragen van de Europese Unie horen vrede, vrijheid, gelijkheid, menselijke waardigheid en solidariteit tot de bepalende waarden.

11) Door de positie van de kerk ten opzichte van de democratische en sociale rechtsstaat aan de orde te stellen wordt de klassieke vraagstelling van ‘kerk en overheid’ hier bewust verbreed. De term overheid is te beperkt geworden. Zij verwijst naar het hoogste gezag binnen een bepaald territorium. Eeuwenlang viel de overheid praktisch samen met de persoon van een koning of keizer. Nu kan men spreken van gemeentelijke, provinciale, nationale of Europese overheid. Het hoogste gezag heeft op de verschillende niveaus een ingewikkelde structuur: het gaat om bestuurlijke organen — de Nederlandse regering of het lokale college van burgemeester en wethouders — en om vertegenwoordigende organen — van Europees parlement tot gemeenteraad. Veelal wordt ook het ambtenarenapparaat waarvan het burgerlijk bestuur zich bedient ertoe gerekend. Gekozen vertegenwoordigende en bestuurlijke organen hebben een tijdelijke rol: na volgende verkiezingen worden de verantwoordelijkheden opnieuw verdeeld. De democratische rechtsstaat is de politieke orde waarbinnen de overheden functioneren. Vooral over die orde gaat het hier.

12) Hierboven werd al even gesproken over de civil society, als de sfeer waar burgers los van de overheidsbemoeienis bij elkaar komen en vorm geven aan het samen leven. Zo behartigen ze specifieke belangen, voorzien ze in hun behoeften wat betreft vrije tijd en ontspanning, nemen ze verantwoordelijkheid voor het onderwijs voor hun kinderen op zich, raken ze betrokken op radio en televisie, enzovoort. Verenigingen en andere vrijwillige associaties hebben in ieder geval twee belangrijke maatschappelijke functies. Om te beginnen bieden ze een platform voor publieke meningsvorming en actie. Binnen deze netwerken worden kleine en grote samenlevingsproblemen aangekaart en morele en politieke kwesties bediscussieerd. Soms organiseren mensen gezamenlijke acties tegen beleid dat als onrechtvaardig wordt gezien of proberen ze via bijvoorbeeld politieke lobby en inspraak publieke

|9|

problemen op te lossen. In zekere zin wordt alles politiek. Naast deze politieke functie heeft de civil society ook een belangrijke rol op sociaal vlak. Dat mensen met elkaar in gesprek komen leidt niet alleen tot politieke actie, maar kan ook uitmonden in groeiend onderling vertrouwen en hulpvaardigheid. In de netwerken van de civil society ligt veel sociaal kapitaal opgeslagen: zo wordt ook de sociale cohesie bevorderd. Mensen raken er geïnspireerd om zich in te zetten voor medeburgers, bijvoorbeeld via vrijwilligerswerk. De kerken zijn er steeds meer onderdeel van gaan uitmaken; zij vormen een belangrijke plek voor moreel beraad, ontmoeting en inspiratie.

 

Opzet van deze handreiking

13) Achtereenvolgens worden in deze handreiking de volgende stappen gezet.
In hoofdstuk 2 komt aan de orde, hoe de kerkelijke tradities waaruit de Protestantse Kerk in Nederland is voortgekomen zich in de loop van de geschiedenis, vooral sinds de Reformatie, tot de overheid hebben verhouden, uitlopend op eerdere positiebepalingen ten aanzien van de democratische rechtsstaat.
Hoofdstuk 3 geeft inzicht in een aantal belangrijke actuele ontwikkelingen op het gebied van de democratische rechtsstaat, die de kerk uitnodigen tot een nieuwe positiebepaling.
In het vierde hoofdstuk wordt getracht de theologische vragen te doordenken die van belang zijn voor het bepalen van de positie van de Protestantse Kerk in Nederland tegenover meer recente ontwikkelingen.
Tenslotte biedt hoofdstuk 5 een aantal zo concreet mogelijk geformuleerde perspectieven die samen bepalend zijn voor de positie die de Protestantse Kerk in Nederland inneemt ten opzichte van de democratische rechtsstaat.

14) De Protestantse Kerk in Nederland heeft in eerste aanleg bij monde van de generale synode haar positie in deze discussie bepaald. Daarmee is het noodzakelijke gesprek niet afgesloten, maar voortgezet. Het is haar expliciete bedoeling daardoor niet alleen de kerkelijke maar ook de maatschappelijke discussie te bevorderen, en zo nodig tegenstemmen uitte lokken. Dit rapport is dan ook tevens bedoeld als een handreiking voor de gemeente. En dat niet alleen om de gemeente uit te nodigen mee te denken over landelijke ontwikkelingen, maar zeker ook om aandacht te geven aan de eigen mogelijkheden die kerkenraden en diaconieën hebben in het contact met de plaatselijke overheid.

PKN GS KTO 09-05 2

|11|

 

2 Tradities in het kerkelijk denken over samenleving en overheid

 

15) Als de Protestantse Kerk in Nederland haar positie bepaalt ten opzichte van de democratische rechtsstaat, dan wil zij weten van haar geschiedenis. Die geschiedenis is om twee redenen ingewikkeld.
Allereerst, als verenigde kerk staat de Protestantse Kerk in Nederland zowel in de lutherse als in de calvinistische traditie. Beide wortelen in de zestiende eeuw en hebben zich in de vragen rond kerk en overheid op een eigen manier ontwikkeld. Binnen de calvinistische traditie hebben hervormden en gereformeerden vanaf het einde van de negentiende eeuw tot ver in de twintigste eeuw ook nog eens heel verschillende accenten gelegd.
Ingewikkeld is die geschiedenis vervolgens ook omdat die tradities gestalte kregen in een context die sterk veranderde. De overheid van de zestiende eeuw is nauwelijks te vergelijken met die binnen de democratische rechtsstaat van de eenentwintigste eeuw. De staatsburger van nu lijkt in niets meer op de onderdaan van toen. De idee van een ‘civil society’ als een eigen ruimte tussen overheid en burger is van later datum.

16) Juist daarom is het goed te proberen de eigen geschiedenis te begrijpen, en ervan te leren, onder meer door te kijken naar belijdenisgeschriften uit de Reformatietijd en daarop doordenkende kerkelijke documenten en beslissingen uit later tijd. Maar de belijdenisgeschriften zelf zijn alleen te begrijpen in het perspectief van een daaraan voorafgaande geschiedenis van eeuwen.
In de oudtestamentische tijd staan profeten tegenover koningen. In de nieuwtestamentische tijd verkondigen de apostelen het Evangelie van het koninkrijk van God in een daaraan vreemde wereld (vgl. Joh. 18: 36). In de eerste eeuwen vormen de christelijke gemeenschappen door hun afwijzing van de keizercultus, hun nadruk op de zorg voor de medemens en ook door hun vrije organisatievorm een potentieel risico voor de bestaande orde; soms leidt dat tot hevige christenvervolgingen.
Maar in de vierde eeuw na Christus vindt een beslissende wending plaats in de Europese geschiedenis. Vanaf de tijd van keizer Constantijn de Grote zijn de kerk en de overheid nauw op elkaar betrokken: de kerk wordt staatskerk, en de staat wordt gekerstend.

Augustinus (✝ 430) herkent het gevaar dat hierin schuilt. In zijn De Civitate Dei contrasteert hij de ‘stad Gods’ en de ‘stad van de duivel.’ Ten diepste gaat het in de geschiedenis om de strijd van God tegen de machten, die pas aan het eind der tijden definitief zal worden beslist. De kerk, die in dienst staat van de ‘stad Gods’, en de staat hebben daarom een verschillende rol. De staat, ook de christelijke staat, is geroepen de chaos te voorkomen, maar kan uit zichzelf de burgers niet verbeteren. De kerk is wel geroepen het leven van de gelovigen te richten op Gods toekomst. De doordenking van dit onderscheid in het denken van Augustinus — en de daarin opgesloten gedachte dat de kerk voor haar voortbestaan niet afhankelijk is van het Romeinse rijk — zal de geschiedenis van het westerse christendom blijvend bepalen.

 

De Reformatie

17) Luthers Reformatie moet in de jaren na 1517 ook tegenover die geschiedenis haar positie bepalen, waarbij het denken over de verhouding tot de staat met name na de officiële excommunicatie van Luther in januari 1521 een grotere rol gaat spelen. Luther ontwikkelde zijn ‘twee-regimentenleer’ — waarover hieronder meer —  nader rond 1525, toen deze een hevige actualiteit kreeg door de Boerenoorlog waarbij Luther nu bij zijn radicale volgelingen (vooral Thomas Münzer) weer een vermenging van de twee regimenten zag ontstaan.

|12|

Keizer Karel V roept in 1530 een vergadering van Duitse vorsten bijeen, de rijksdag van Augsburg. Op zijn verzoek leggen de volgelingen van Luther een stuk op tafel waarin zij aangeven hoe zij in de gezamenlijke katholieke traditie staan. Zo ontstaat de Augsburgse Confessie, geschreven door Luthers collega Philipp Melanchthon. Het document gaat uiteraard over de grote vragen van de Reformatie, over rechtvaardiging, geloof en goede werken, en over de misstanden in de kerk. Het bevat ook een artikel ‘over burgerlijke zaken’, art XVI CA (voor volledige tekst zie bijlage).
Anders dan de Anabaptisten van toen kiest de vroege lutherse traditie voor een positieve houding tegenover de burgerlijke ambten. Wettelijke burgerlijke ordeningen en de wereldlijke regering worden als goede instellingen van God gezien. Gods scheppende liefdeswil komt erin tot uitdrukking. Christenen kunnen binnen die wereldlijke kaders daarom voluit hun verantwoordelijkheid nemen, zolang de gehoorzaamheid tegenover God hun dat niet verhindert. Het wereldlijke en politieke leven wordt dus positief beoordeeld, en mag geheiligd worden.

18) De hierboven genoemde inzet van Augustinus werkt door in de ontwikkeling van Luthers concept van de twee regimenten en de twee rijken: er is in de menselijke geschiedenis een voortdurende strijd tussen het rijk van God en het rijk van het kwaad. Tegelijk staat deze voor de christen onder het voorteken van de toekomst van Christus. Deze strijd vindt plaats op alle terreinen van het leven, ook in de kerk. Maar dan wel op verschillende manieren. God regeert in het ‘wereldlijk regiment’ door de structuren van de overheid, die door regelgeving en zo nodig met geweld moet zorgen voor de handhaving van orde, recht en vrede. In het ‘geestelijk regiment’ regeert Hij uitsluitend door de verkondiging van zijn Woord en door zijn Geest. Zo worden kerk en overheid in zekere zin van elkaar gescheiden, maar beide blijven gericht op de dienst aan God. Juist de christen kan daarom bij uitstek dienstbaar zijn op politiek terrein. De mens staat in beide regimenten voor het aangezicht van God..
In later eeuwen wordt de twee-regimentenleer — anderen spreken liever van een tweerijkenleer of van Luthers theologische rechtsleer — in verschillende richtingen uitgelegd en uitgewerkt. Soms tendeert dit naar een volledige verzelfstandiging en autonomie van het politieke leven. Een waterdichte scheiding tussen het domein van de kerk en het politieke leven past echter niet in het denken van Luther zelf. Luther benadrukt dat de kerk niet moet proberen door middel van politieke macht te bereiken wat zij door overtuiging en verkondiging niet tot stand brengt. De overheid is zelf verantwoordelijk voor het goed vervullen van haar ambt, waartoe zij van Godswege geroepen is, en de kerk mag de overheid daaraan herinneren.

19) Voor de calvinistische traditie is de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) van groot belang geworden. Het is een bewerking, uit 1561, van een eerdere Franse tekst waarop Calvijn zelfde nodige invloed had. Ook de NGB is een verantwoording tegenover de overheid: de schrijver, Guido de Brès, richt zich in een begeleidende brief tot koning Philips II. Zijn bedoeling is vergelijkbaar met die achter de Augsburgse Confessie, namelijk om te laten zien dat de volgelingen van Calvijn zich houden aan de Bijbelse leer, en om tevens aan de overheid duidelijk te maken dat zij als het gaat om de rechtsorde en de overheid niet op één lijn staan met de Anabaptisten (de NGB noemt ze ‘wederdopers’). Daarover gaat het in artikel 36 NGB (voor volledige tekst zie bijlage). Uitgangspunt van dit artikel is dat God overheden heeft ingesteld om de ongebondenheid van de mensen te laten bedwingen en alles in goede orde te laten toegaan. Ook daaruit blijkt zijn zorg die eerder in de NGB een centraal thema is in artikel 13, over Gods voorzienigheid. Daarom heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven, naar de bekende woorden van Paulus in Romeinen 13: 4. De daarop volgende woorden hebben in de latere geschiedenis een grote rol gespeeld. Ze luiden in de meest recente gangbare vertaling:

|13|

“En hun taak is niet alleen acht te geven op de openbare orde en daarover te waken, maar ook de hand te houden aan de heilige bediening van de kerk, om te weren en uitte roeien alle afgoderij en valse godsdienst, het rijk van de antichrist te vernietigen en het koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het woord van het Evangelie overal te doen prediken, opdat God door een ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt.”i

20) Men kan hierin lezen, dat de overheid als zodanig de taak heeft alle afgoderij en valse godsdienst te weren en uitte roeien, en het rijk van de antichrist te vernietigen. Men kan erover van mening verschillen of dat ook echt de bedoeling is van de oorspronkelijke Nederlandse tekst, en van de Franse tekst waarop deze teruggaat. Een vroegere Nederlandse vertaling — licht aangepast aan de huidige spelling  — luidde:

“En haar ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de hand te houden aan de heiligen kerkendienst, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen, en het koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het Woord van het evangelie overal te doen prediken, opdat God van een ieder geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn woord gebiedt.”

21) Met ‘politie’ wordt hier het openbaar bestuur bedoeld. De ‘kerkendienst’ doelt op wat wij de eredienst noemen. Men kan het wellicht ook zo lezen: de overheid heeft onder meer de taak de eredienst mogelijk te maken, zodat daardoor alle afgoderij wordt geweerd, enzovoort. Anders gezegd: als de overheid de eredienst maar veilig stelt, dus als het Woord van God ongestoord kan worden verkondigd, dan wordt daardoor afgoderij en valse godsdienst tegengegaan en het rijk van de antichrist vernietigd. Deskundigen verschillen van mening over de vraag of men de tekst werkelijk zo kan lezen, maar zo is het in elk geval in later tijd niet begrepen. De hierboven gecursiveerde eenentwintig meest omstreden woorden in de oorspronkelijke Nederlandse tekst zijn hoe dan ook een eigen leven gaan leiden.
Dat geldt trouwens van heel artikel 36 NGB. De nauwe relatie met het daarop volgende artikel 37, het slotartikel van de NGB is vaak ook te weinig gehonoreerd. Daarin gaat het over het laatste oordeel. Bij Calvijn zelf vinden we een nauwe samenhang tussen zijn visie op de overheid en de christelijke toekomstverwachting, het geloof dat Christus zal komen om te oordelen over levenden en doden. Het bestraffen van de boze mensen en het beschermen van de goede mensen is in dit bestel een onontbeerlijke overheidstaak, maar het uiteindelijke oordeel daarover ligt in Gods hand, en in zijn toekomst. Een geordende samenleving is dus wel een belangrijke voorwaarde voor een goed leven, maar het is tegelijkertijd een onhaalbaar ideaal. Wie die samenhang in het oog houdt, wordt voorzichtiger in het denken over een christelijke ordening van de samenleving.

22) De NGB wortelt in de strijd tegen de beknotting van de geestelijke vrijheid die de achtergrond vormt van de Tachtigjarige Oorlog — ook wel aangeduid als: de Nederlandse Opstand. Tegelijk gaat het in die strijd om bevrijding van de Nederlanden van de Spaanse overheersing. Calvijn erkende in beginsel het recht van opstand tegenover een overheid die tot tirannie is vervallen.
De Vrede van Munster (1648) betekent in beide opzichten een verdere stap. Zij bevestigt de zelfstandigheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarin nu de ‘gereformeerde’ (calvinistische) religie in het publieke leven domineert. En zij erkent feitelijk de vrijheid van geweten of van godsdienstige overtuiging voor het individu.

|14|

In de daarop volgende eeuwen levert artikel 36 NGB weinig problemen op. De gereformeerde kerk, later ook wel hervormde kerk genoemd, blijft de publieke kerk, en is gedurende lange tijd feitelijk staatskerk. Andersdenkenden — zoals rooms-katholieken, lutheranen, remonstranten, doopsgezinden en joden — worden door de overheid niet vervolgd, maar ze zijn wel gedwongen zich niet al te zichtbaar te manifesteren. Er is gewetensvrijheid, maar dus geen volledige godsdienstvrijheid.

 

De Verlichting

23) Alles wordt anders als aan het eind van de achttiende eeuw de Fransen in Nederland de macht overnemen. De Franse revolutie van 1789 met haar beginselen van vrijheid en gelijkheid werkt ook hier door, en leidt gedurende een aantal jaren tot een wettelijke scheiding van kerk en staat. We zien hier onder meer de invloed van het denken van de Verlichting, met haar nadruk op menselijke vrijheid. Godsdienst wordt als een privézaak gezien, en kerkelijke aanspraken op de staat worden afgewezen. In Europa was de Verlichting zelfs niet zelden antireligieus gekleurd. Tegelijk is deze beweging niet toevallig ontstaan binnen een door de christelijke traditie gestempelde cultuur: zij is zowel een uitloper van de christelijke traditie, als een reactie daarop. Achter de scheiding van kerk en staat liggen ook andere ontwikkelingen, zoals de toenemende betekenisvan onafhankelijke geloofsgemeenschappen die ervoor hun eigen ontplooiing direct belang bij hadden.
Als Napoleon is verslagen en het Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I tot stand komt, worden de oude verhoudingen eerst tot op zekere hoogte hersteld. In de grondwet van 1815 worden grondrechten als de vrijheid van drukpers en een bepaalde vorm van godsdienstvrijheid vastgelegd. De koning rekent echter de zorg voor de kerk — die nu officieel ‘Nederlandse Hervormde Kerk’ gaat heten — tot zijn verantwoordelijkheid. Hij geeft de kerk in 1816 een nieuwe kerkorde, het Algemeen Reglement. Datzelfde doet hij trouwens kort daarop voor de Evangelisch-Lutherse Kerk.

24) Gaandeweg wordt echter duidelijk dat het nooit meer zal worden zoals het geweest is. De idee van een ‘staat’, veelal direct verbonden met een ‘natie’ (de nationale staat), ontwikkelt zich in het Europa van de negentiende eeuw meer en meer. De beginselen van vrijheid en gelijkheid blijven ook in Nederland doorwerken. Het zet een proces van meer dan een eeuw in gang waarin de macht van de koning meer en meer wordt beperkt, ten gunste van de macht van het volk, door middel van het parlement: de democratische rechtsstaat krijgt langzaam maar zeker vorm. Grondrechten als het recht van vergadering en van vereniging worden rond het midden van de negentiende eeuw vastgelegd in de grondwet. De invloed van de koning op de kerk wordt nu als ongewenst ervaren, en de overheid laat de NHK na 1848 de ruimte om haar eigen zaken te regelen.

25) Daardoor komt de vraag naar de verhouding van kerk en staat, en naar de betekenis van artikel 36 NGB, opnieuw aan de orde. Intussen waren de eerste scheuren in de nieuw opgerichte NHK een feit geworden: in 1834 vond de Afscheiding plaats. Korte tijd hadden de Afgescheidenen zelfs te maken gehad met vervolging van de kant van de overheid.
Binnen de NHK ligt daarna de macht over het algemeen bij de liberale stroming die de scheiding van kerk en staat vooropstelt. Anderen zoeken naar een visie op kerk en staat waarin de nadruk ligt op de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het leven van de Nederlandse natie, zij het met een onderscheid in taken. Fundamenteel daarvoor is de gedachte dat de NHK als zodanig gericht is op het grotere geheel van overheid en samenleving. Het is een visie die tot op vandaag van betekenis zal blijven.
Pas in de twintigste eeuw ontwikkelt zich gaandeweg een breed gedragen nieuwe visie op kerk en samenleving, die uiteindelijk ook een andere kerkorde mogelijk maakt.

|15|

26) In de tweede helft van de negentiende eeuw versnelt de ontwikkeling van allerlei organisaties in de samenleving. De eerste politieke partijen worden opgericht, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van het onderwijs ontstaan nieuwe initiatieven vanuit de burgers. Men kan zeggen dat hier de aanzet ligt voor wat nu de civil society heet.

 

Uiteengaande wegen

27) In 1892 ontstaan de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), uit het samengaan van een groot deel van de Afgescheiden gemeenten met de kerken van de Doleantie van 1886, onder leiding van Abraham Kuyper. Daarmee wordt nadrukkelijk gekozen voor een kerk die vrij is van elke overheidsinvloed. De ‘soevereiniteit in eigen kring’, dat wil zeggen de nadruk op de zelfstandigheid van de verschillende levenskringen — zoals gezin, economie, kerk, staat — ten opzichte van elkaar, wordt een belangrijk uitgangspunt in het denken. Daarmee vormen krachtige andere instituties in de samenleving een tegenwicht tegen mogelijke almachtspretenties van de staat.
Binnen de GKN komt artikel 36 NGB spoedig in discussie. Als de kerken, in de nu bepalende gereformeerde kerkvisie, hun eenheid ontlenen aan de gezamenlijke instemming met de Drie Formulieren van Enigheid (waaronder de NGB), dan moet men ook voluit achter de tekst van die documenten kunnen staan. De omstreden woorden van artikel 36 NGB maken dat echter heel moeilijk. Bovendien streeft de nauw met de GKN verbonden Anti-Revolutionaire Partij (ARP) naar regeringsverantwoordelijkheid. Het kan toch niet zo zijn, dat de overheid de taak heeft alle afgoderij en valse godsdienst te weren en uit te roeien, en het rijk van de antichrist te vernietigen? Uiteindelijk besluit de generale synode van de GKN (Utrecht 1905) de eenentwintig omstreden woorden te schrappen, en te gaan zoeken naar een vervangende betere tekst — die er overigens nooit is gekomen.

28) Doorslaggevend is voor de GKN in 1905 de gedachte, dat de overheid zich uit eerbied voor de kerk en voor het geweten van de mensen heeft te onthouden van elke inmenging in godsdienstige zaken. Dat betekent trouwens niet dat de overheid neutraal zou moeten zijn in de zin van volstrekt onverschillig in religieuze zaken. Maar de gereformeerde synode kiest wel voor een principiële scheiding van kerk en staat: de staat moet geen institutioneel verankerde macht hebben over of in de kerk, en omgekeerd moet de kerk geen institutioneel vastgelegde macht hebben in de overheid.
Daarmee wordt ook aanvaard dat er binnen de Nederlandse samenleving verschillende denktradities bestaan: wat we nu de ‘plurale samenleving’ noemen is een gegeven waar positief op ingespeeld moet worden. Dat geeft tegelijk ruimte voor een concept van christelijke politiek. De kerk ‘als instituut’ dient zich buiten de politiek te houden, maar de kerk ‘als organisme’ organiseert zich op politiek terrein in een christelijke politieke partij als de ARP. Die weet zich geroepen zich binnen de spelregels van de rechtsstaat in te zetten voor een overheidsbeleid dat strookt met de christelijke beginselen.

29) In hervormde kring leeft in het spoor van G. Groen van Prinsterer en Ph. Hoedemaker vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw de gedachte voort van Nederland als principieel een protestants-christelijke natie. Dat kleurt de visie op de taak van de kerk én van de overheid als dienaresse Gods. Het betrekt kerk en overheid ook nauw op elkaar. Later komt voor deze benadering de term ‘theocratie’ in zwang. Velen houden zo vast aan de idee van een bijzondere relatie tussen Nederland als ‘christelijke natie’ en de NHK. In de twintigste eeuw bouwen theologen als Th.L. Haitjema en A.A. van Ruler dit gedachtegoed verder uit. Politiek krijgt het vorm in de politieke programma’s van de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP).

|16|

30) Intussen ontwikkelt zich de democratische rechtsstaat steeds verder. Vanaf 1917 geldt het algemeen kiesrecht, eerst nog alleen voor mannen, maar vanaf 1919 ook voor vrouwen.

31) Onder sterke invloed van de Zwitserse theoloog Karl Barth ontwikkelt zich in de eerste helft van de twintigste eeuw een visie die uiteindelijk grote invloed zal krijgen. Hij kiest niet voor christelijke politiek, vanwege het daarin liggende risico van een vereenzelviging van een politiek programma met het Evangelie zelf. Veeleer bepleit hij een politiek waaraan christenen gevoed door het christelijk ethos op zakelijke wijze deelnemen en waarbij de kerk een kritische functie heeft naar de overheid.
De Theologische Verklaring van Barmen geeft in 1934 op bijzondere wijze invulling aan het denken van Barth. Een ‘synode’ van belijdende christenen uit lutherse en calvinistische kring getuigt hierin van het geloof in Jezus Christus als Heer over de machten, waarmee nee gezegd wordt tegen de — ook door christenen verdedigde — nationaalsocialistische rassenleer en de onvoorwaardelijke trouw aan Hitler. Het geloof blijkt uiterst relevant voor het politieke leven. Op de betekenis van deze verklaring voor het belijden in het heden wordt in hoofdstuk 4 dieper ingegaan.
Na de Tweede Wereldoorlog kiest een aantal hervormden, geïnspireerd door Barth, tegen de verzuiling. Het leidt tot de ‘doorbraak’ in de richting van de niet-confessionele partijen, in het bijzonder de Partij van de Arbeid (PvdA).
Het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust stimuleren na 1945 het denken over de fundamentele mensenrechten. In 1948 aanvaarden de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

32) In de NHK maken de ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog de lang verhoopte brede overeenstemming over een nieuwe kerkorde mogelijk. Die wordt in 1951 van kracht. De apostolaatstheologie van Kraemer en Hoekendijk kleurt deze kerkorde mede. Bepalend daarvoor is de gedachte dat de kerk een zending heeft die in het verlengde ligt van Gods zending. Elke vorm van kerk of zending is dus ingebed in een raamwerk van goddelijk handelen met de wereld. In haar spreken verwijst de kerk voor alles naar wat tussen God en wereld al aan de gang is. De kerk treedt niet namens God op in de wereld, maar spreekt veeleer vanuit het zoeken naar het gesprek tussen God en wereld. Zij tracht de brug te slaan tussen het geloof van de plaatselijke gemeente en het visioen van de ene mensheid.
De NHK ziet zich als Christus-belijdende geloofsgemeenschap gesteld in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen vanuit de verwachting van het Koninkrijk Gods, aldus artikel VIII van de nieuwe hervormde kerkorde. De daarmee gegeven betrokkenheid op ‘overheid en volk’ kent vele gestalten, waaronder die van kanselboodschappen en herderlijke schrijvens. Maar minstens even belangrijk zijn club- en buurthuiswerk, diaconaat, godsdienstonderwijs op openbare scholen en dergelijke.
De in hetzelfde artikel van de kerkorde aangeduide taak van de kerk tot ‘kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie’ laat tegelijk de theocratische manier van denken nog herkennen.

33) In officiële geschriften, besluiten en uitspraken gaat de hervormde synode in de periode na de Tweede Wereldoorlog meer dan eens op vragen rond kerk en overheid in, soms expliciet, soms meer impliciet. De grondlijn van de bijzondere verantwoordelijkheid van de NHK voor de samenleving als geheel blijft bepalend. Dat leidt ook tot concrete stellingnames van de kerk in politieke kwesties als dekolonisatie, kernbewapening en racisme.

|17|

Al in 1949 stelt de hervormde synode de proeve van een hernieuwd reformatorisch belijden Fundamenten en Perspectieven van Belijden vast. Een karakteristieke zinsnede uit artikel 16, over de overheid die zijn laatste grond vindt ‘in de genadige bedoeling Gods’, luidt:

“Daarom mogen de regeringen ter wille van haar roeping niet neutraal zijn noch eigen gekozen wereldbeschouwingen volgen, maar moeten zij in haar heerschappij de Koningsheerschappij Gods zoeken te vertegenwoordigen en Jezus Christus als de Overste van de koningen der aarde zoeken te prijzen. Dan zal blijken dat, waar de dienst van God wordt gezocht, de dienst aan de waarachtige menselijkheid wordt gevonden”.ii

34) Het herderlijk schrijven Christen-zijn in de Nederlandse samenleving volgt in 1955. De synode houdt daarin principieel vast aan de visie op de overheid als instelling van God, geroepen om recht en orde te handhaven, onderworpen aan de heerschappij van God over al het geschapene, en dienstbaar aan leefbaarheid. Maar dat betekent nu juist niet dat gekozen wordt voor een kerkstaat of een staatskerk. De synode stelt het belang van het leven in een democratisch geordende rechtsstaat voorop. Hoewel dit niet betekent dat rechtsstaat en democratie ‘hoogste en laatste waarden’ zijn voor de kerk, acht de synode het wel “de opdracht der Kerk, op de bres te staan voor de verdediging en handhaving van een staatsinrichting, waarin een recht, dat ook voor de staat van volstrekte geldigheid is, een garantie vormt voor de gelijkgerechtigdheid van de burgers en voor hun geestelijke vrijheid”.iii Juist de Tweede Wereldoorlog heeft immers laten zien wat er op het spel staat! In solidariteit met het gehele volk, weet de NHK zich als kerk medeverantwoordelijk voor het maatschappelijke en culturele leven.

 

Nieuwe toenadering

35) In een geschrift onder de titel De politieke verantwoordelijkheid van de kerk (1964) komt de synode opnieuw op deze thematiek terug. Het koninkrijk van God, niet slechts een zaak van de toekomst, maar ook nu reeds verborgen aanwezig in de geschiedenis, is van doorslaggevende betekenis. Nu wordt onderscheid gemaakt tussen de overheid en de staat: regeringen zijn immers afzetbaar, de staat is blijvend. Rechtsstaat en democratische structuur “verwijzen naar grondovertuigingen aangaande de mens en zijn bestemming en aangaande de gemeenschap en de gerechtigheid, die niet willekeurig en naar bevind van zaken kunnen worden gewijzigd of buiten werking gesteld”.iv Daarom moeten de geestelijke bronnen telkens opnieuw ontsloten worden. De kerk weet ook maar al te goed van het menselijke, het al te menselijke, de zonde, ook in het overheidsbeleid: “Op weg naar de voleinding in het rijk hebben wij in de overheden representatie van Gods regering voor ons én rebellie tégen Gods regering, omdat God in en over de staten regeert”.v

36) Na de hereniging van alle Nederlandse Lutheranen in de ELK (in 1952) kent de kerkorde van 1955 van deze kerk geen bepaling waarin aan de synode of de synodale commissie een specifieke taak wordt toegekend voor de relatie tot overheid en samenleving. Wel is aan de synodale commissie opgedragen ‘het onderhouden van contacten met de Overheid en andere maatschappelijke organisaties op nationaal en internationaal terrein’ (art. 157 kerkorde ELK). De twee-regimentenleer heeft in Nederland nooit een grote rol gespeeld. Opvallend is een studie van prof. W.J. Kooiman uit 1959 over Luthers visie op de dreiging van de kant van de Turken. Hij trekt de conclusie: “Hier werd voor het eerst de godsdienstoorlog principieel veroordeeld en dit is in de geschiedenis niet zonder gevolg gebleven”.vi Immers, “de orde in deze wereld kan niet in stand gehouden worden door de prediking van het kruis en het kruis mag niet worden misbruikt in dienst van de strijd om een aardse machtspositie”.vii

|18|

37) Bij de oprichting van de Raad van Kerken in Nederland (1968) treedt behalve de NHK en de ELK (die al actief waren in de voorloper van de Raad) ook de GKN toe als lid. De Raad zal zich in de ruim veertig jaar van zijn bestaan ontwikkelen tot een belangrijke vertegenwoordiger van de kerken op maatschappelijk en politiek terrein, bijvoorbeeld rond thema’s als vluchtelingen, asielzoekers en nieuwe armoede.

38) In de GKN blijft het denken tot ver in de jaren zestig bepaald door het schema ‘kerk als instituut’ en ‘kerk als organisme’. De vraag wordt echter — mede vanwege de groeiende openheid voor de oecumene — steeds dringender gesteld, of en in hoeverre ook de kerk als instituut, bijvoorbeeld via de generale synode, een verantwoordelijkheid kan hebben op politiek en maatschappelijk terrein. Dat die roeping er ligt wordt in 1972 helder uitgesproken.viii De vraag hoe daaraan invulling kan worden gegeven, bepaalt een reeks besluiten van de generale synode in de periode 1970-1990, zonder dat daarbij veel aandacht wordt besteed aan de roeping van de overheid. In 1979 wordt overigens wel een nieuwe vertaling van de NGB vastgesteld, waarin de wijziging van artikel 36 ongedaan wordt gemaakt. Maar de discussie draait jarenlang om de vraag naar de bevoegdheid van de generale synode om uitspraken om politiek en maatschappelijk gebied te doen. Uiteindelijk relativeert de synode van 1987 expliciet de ‘werkconstructie’ die in het onderscheid tussen ‘kerk als instituut’ en ‘kerk als organisme’ ligt. In de gereformeerde kerkorde krijgt de ‘kerk als instituut’ alsnog de taak toebedeeld deel te nemen aan het gesprek over belangrijke problemen van de menselijke samenleving en met de middelen die haar ten dienste staan dit gesprek te stimuleren en verder te helpen (art. 130 kerkorde GKN). Daarnaast blijft er de mogelijkheid — die in 1959 al in de herziene kerkorde was opgenomen — van een ‘getuigenis’ tegenover volk en overheid.

39) Intussen is in 1986 door NHK en GKN samen de Verklaring van Overeenstemming vastgesteld, waarbij zich kort daarop ook de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK) aansluit. Uitgangspunt voor deze verklaring is de overtuiging, dat de wegen van de twee — later drie — kerken elkaar in de praktijk zo dicht genaderd zijn, dat het begaan van een gemeenschappelijke weg naar de toekomst mogelijk wordt. De verschillen die er nog zijn hebben geen kerkscheidende betekenis meer. De kerken beseffen dat de doorgaande secularisatie hen voor heel nieuwe uitdagingen stelt die hen des te meer oproepen de krachten te bundelen en “samen te zoeken naar een gezamenlijk getuigenis van geloven en leven in de volkssamenleving van vandaag”.ix Over de meest fundamentele vragen van het belijden zijn de kerken het eens. Daarbij behoort ook dat zij samen belijden dat de kerk in dienst staat van het komende Rijk. Jezus Christus heeft leerlingen om zich heen verzameld, opdat zij zijn getuigen zouden zijn in de wereld. De gemeente wordt geroepen om gezonden te worden. De motivatie tot eenwording komt mede op uit het besef van de gemeenschappelijke opdracht. Tegelijk zijn er op verschillende punten duidelijke verschillen tussen de kerken. Het gaat daarbij ten diepste om gemeenschappelijke vragen. Eén daarvan betreft wat veelal genoemd wordt ‘het spreken van de kerk’, of breder: de verhouding van de kerk tot overheid en samenleving. De verschillen, vooral tussen NHK en GKN, op dit punt worden erkend. In de NHK is een theocratische neiging waar te nemen: ambtelijk stelde de kerk zich als een gezaghebbende instantie op tegenover overheid en volk. In de GKN werd vanouds meer nadruk gelegd op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de kerkleden als burgers. De Verklaring van Overeenstemming zegt vervolgens: “Wij zijn van oordeel, dat dit verschil in accentuering niet als een motief tot volharding in onze kerkelijke gescheidenheid mag worden ingebracht. Beide kerken dienen wat zij aan mogelijkheden en moeilijkheden in hun verantwoordelijkheid tegenover volk en overheid ontdekt hebben, in te brengen in het zoeken van een weg om de opdracht van de Heer in deze zaak uit te voeren”.x

|19|

40) De hervormde synode komt in de jaren daarna nog enkele malen naar buiten met nieuwe uitspraken op dit terrein. In 1988 verschijnt de pastorale handreiking Gemeente-zijn in de mondiale samenleving. De titel geeft al blijk van een nieuw accent: de eigen plaats van de gemeente komt sterker in beeld. Nieuw is ook het besef, dat kerk en overheid elkaar minder makkelijk verstaan. De secularisatie heeft ook deze consequentie. De overheid kan zich in een seculiere, pluriforme samenleving nu eenmaal weinig voorstellen bij de hervormde opvatting van het ‘ambt’ van de overheid. En de kerk kan zich niet herkennen in de visie van de overheid op de kerk als niets anders dan een ‘vereniging van gelovigen’. Het getuigt van nuchterheid dit te beseffen.
Nieuw is ook de verruiming van de horizon: de Nederlandse samenleving vormt niet langer de eerste context voor de kerk. De oecumenische verbondenheid met de wereldwijde gemeente komt in de plaats van de gebondenheid aan de eigen cultuur en geschiedenis. De kerk deelt zo in de roeping van de wereldwijde kerk tot getuigenis en dienst, en dat leidt tot een nieuwe plaatsbepaling in de eigen samenleving. De kerk blijft zich waar nodig uitspreken over de politieke actualiteit, maar in een gedemocratiseerde samenleving moet dit spreken gevoed worden door een ‘doorgaand beraad op het niveau van de gemeente’.
Nieuw is tenslotte de grote aandacht voor de veranderende rol van de overheid. Er is sprake van een verstatelijking van de maatschappij: de staat is van nachtwaker geworden tot een stuurmechanisme. Tegelijk is er een vermaatschappelijking van de staat, door de groeiende invloed van allerlei belangengroepen op de politiek. Nu is de kerk één stem te midden van vele. Expliciet wordt ingegaan op artikel 36 NGB, dat immers aan de overheid een eigen functie toekent in Gods bemoeienis met de wereld. Betekent dat theocratie? Ja, voor zover het theocratisch denken eraan vasthoudt dat politieke en economische machtsstructuren aan Gods heerschappij onderworpen zijn. Daarom worden ze niet afgewezen én niet verabsoluteerd. Ook een neutrale overheid is in die zin dienaresse Gods. De staat heeft een reële functie in de heerschappij van God én wordt daardoor begrensd. Een theocratische staatsconceptie wordt echter zonder meer afgewezen. De NHK kiest principieel voor de democratie, omdat daarin de waardigheid van de mens het best gewaarborgd is. Van ‘kerstening’ kan alleen nog gesproken worden voor zover daarmee bedoeld wordt dat de kerk betrokken is op de wereld. Zij is er niet voor zichzelf, zij is er voor het gehele volk en ook voor het openbare leven. Drie jaar later wordt, in Kerstening als kerkewerk, deze opstelling nog wat verder uitgediept: het komt aan op de vernieuwende, heilzame invloed die van de kerk kan uitgaan op de samenleving.

41) Vermelding verdient zeker ook het hervormde rapport Hart en ziel voor Europa? (1996). In het licht van de grote veranderingen in Midden- en Oost-Europa én de doorgaande integratie van de Europese Unie (die in 1993 in plaats kwam van de Europese Gemeenschap), koos de synode in dit lijvige rapport voor een positieve betrokkenheid van de kerk bij de Europese eenwording, nu in dit deel van de wereld machtsverhoudingen plaatsmaken voor rechtsverhoudingen. Een van de zwaartepunten betreft de noodzaak van oecumenische samenwerking binnen een Europa dat voor grote uitdagingen staat als het gaat om de verwerking van het verleden, nauw met religie verbonden nationalisme (Joegoslavië!) en economische ongelijkheid, binnen Europa en op mondiaal niveau.

42) Sinds 2004 bestaat de Protestantse Kerk in Nederland, en richt zij haar leven in naar de regels van een nieuwe kerkorde. Daarin zijn beslissende elementen uit de hierboven geschetste geschiedenis terug te vinden. Zo wijst artikel I lid 5 op de betekenis van de Theologische Verklaring van Barmen voor het belijden in het heden. Lid 6 zegt dat de kerk Jezus Christus belijdt als Heer en Verlosser van de wereld, en ziet dit belijden — dat tot uitdrukking komt in haar vieren, spreken en handelen — als een oproep tot

|20|

vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat. Aansluitend staat er: “De kerk getuigt voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden en zoekt daarbij de samenspraak met andere kerken”. Deze grondlijnen worden, behalve in wat elders in de kerkorde gezegd wordt over bijvoorbeeld diaconaat en onderwijs, vooral uitgewerkt in ord. 1-3, over ‘het spreken der kerk’. Daar ligt een breed instrumentarium. De kerk bevordert de meningsvorming in de gemeenten over maatschappelijke vragen, in de eigen omgeving en wereldwijd. Zij kan zich uitspreken over maatschappelijke vragen, en zij kan, zo mogelijk samen met andere kerken, een getuigenis doen uitgaan terzake van maatschappelijke vragen.

43) In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de theologische vragen die hier liggen, tegen de achtergrond van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland.

PKN GS KTO 09-05 3

|21|

 

3 Veranderingen in het publieke domein

 

44) De democratische rechtsstaat is in Nederland al vele decennia gerealiseerd, al blijft de discussie in de samenleving over de onderlinge verhouding en de reikwijdte van de burgerlijke vrijheden noodzakelijkerwijs doorgaan, en al wordt in het publieke debat steeds weer gesproken over voor- en nadelen van mogelijke andere democratische instrumenten, zoals het referendum.

45) De scheiding van kerk en staat is een aspect van de democratische rechtsstaat. Alles wat ook maar zou tenderen naar zoiets als een kerkstaat of een staatskerk is wettelijk onmogelijk. Een kwart eeuw geleden werd zelfs de registratie van kerkgenootschappen door de overheid afgeschaft. Per 1 januari 2010 wordt een wijziging in de Handelsregisterwet van kracht: nu wordt inschrijving van kerken (op landelijk niveau) bij de Kamers van Koophandel verplicht, overigens zonder dat dit een voorwaarde is voor erkenning door de overheid.
Dat neemt niet weg dat er tal van relaties zijn tussen de overheid en de kerken. In het openbaar onderwijs is ruimte gecreëerd voor godsdienstonderwijs onder verantwoordelijkheid van de kerken. Samenwerking vindt plaats op het terrein van de geestelijke verzorging in justitiële inrichtingen, in de krijgsmacht en in de gezondheidszorg. De instandhouding van monumentale kerkgebouwen komt in beginsel in aanmerking voor overheidssubsidie. Overleg tussen overheid en kerken over deze en andere zaken vindt plaats in het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO).

 

Verschillende domeinen

46) Vaak wordt het debat over de maatschappelijke positie van de kerk versmald tot een discussie over de scheiding van kerk en staat. Dit heeft twee nadelen.
Het klassieke onderscheid tussen kerk en staat suggereert dat het hier om twee vergelijkbare instituten zou gaan die in een voortdurende machtsstrijd verwikkeld zijn. Dit beeld is historisch verklaarbaar, maar biedt geen goede beschrijving van de huidige verhouding tussen overheid en kerk. De scheiding is immers al lang een feit en door alle partijen vaak en op veel plaatsen erkend.
Het tweede nadeel van de focus op kerk en staat is dat daardoor een aantal ontwikkelingen rondom geloof en samenleving over het hoofd wordt gezien. De maatschappij is complex en het klassieke analysemodel van kerk en staat geeft onvoldoende houvast om daar recht aan te doen. Dit hoofdstuk tracht daarom een breder beeld te schetsen van de maatschappelijke werkelijkheid waarin de kerk haar weg zoekt.

47) Om zicht te krijgen op het ingewikkelde karakter van de Nederlandse maatschappij is een aantal onderscheidingen behulpzaam. De eerste is die tussen het private domein, de sfeer van de persoonlijke relaties, en het publieke domein, het speelveld van het maatschappelijk leven. Binnen dat laatste domein kunnen vervolgens weer drie subdomeinen worden onderscheiden, elk met eigen waarden en spelregels, namelijk de markt, de staat en de civil society. De markt regelt het economisch verkeer, de staat bepaalt en handhaaft de spelregels en de civil society biedt ruimte voor opinievorming en het opbouwen van sociale netwerken die mensen kunnen inspireren tot gezamenlijke actie.
Lang belichaamde de kerk een vierde aspect van het publieke domein, los van markt, rechtsstaat en civil society. Vanuit die positie sprak zij de overheid op haar verantwoordelijkheid aan. Tegenwoordig wordt de kerk echter steeds meer gezien als een onderdeel van de civil society. Dit heeft haar positie ten opzichte van de staat veranderd. Deze nieuwe verhouding wordt in het laatste deel van dit hoofdstuk nader verkend. Eerst wordt de verhouding tussen de democratische rechtsstaat en de civil society nader

|22|

omschreven, waarna een aantal belangrijke maatschappelijke processen aan bod komt die hun sporen nalaten op deze twee velden binnen het publieke domein.

48) Vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit zijn bepalend voor de Nederlandse democratische en sociale rechtsstaat. De rechtsstaat is gebonden aan de grondrechten van de burgers, en voor de staat zijn alle burgers gelijkwaardig. Zij hebben wettelijke en gelijke mogelijkheden om invloed uitte oefenen op de besluitvorming. Via de zorg voor veiligheid, onderwijs, wonen, gezondheidszorg en inkomen draagt de overheid bij aan het welzijn van de burgers.

49) De hervormde synode wees in 1988 al op de vermaatschappelijking van de staat — die van nachtwaker tot stuurmechanisme is geworden —, en op de verstatelijking van de maatschappij — de verdergaande democratisering van de samenleving. Samenleving en staat zijn dus op tal van manieren met elkaar verbonden geraakt. In dit spoor ontwikkelde zich de civil society.
In Nederland wordt vanouds gehecht aan een nauwe band tussen staat en civil society. De verschillende netwerken binnen de maatschappij zijn plekken waar mensen zich kunnen oefenen in actief burgerschap en burgerzin. De betekenis van de civil society kwam sterk naar voren bij de grote veranderingen in Midden- en Oost-Europa (de ‘Wende’) in 1989.
De overheid wordt bij de uitvoering van haar beleid gesteund door de civil society. Tegelijk oefent die laatste invloed uit op de overheid, bijvoorbeeld door te lobbyen voor een bepaald beleid of voor gunstige wet- en regelgeving.

50) Er is veel voor te zeggen om naast het private domein (dat hier verder praktisch buiten beschouwing is gebleven) en het publieke domein nog een derde domein te onderscheiden, dat wel wordt aangeduid als ‘het heilige domein’. Het is van direct belang voor zowel het persoonlijke als het sociale leven, en het heeft een sterk publiek aspect. Het wordt zichtbaar in nationale gedenkdagen zoals de Herdenking van de Gevallenen en Bevrijdingsdag, maar ook bijvoorbeeld in monumenten en kerken. Die verwijzen op verschillende manieren naar verhalen, gemeenschappelijke herinneringen en waarden die bepalend zijn voor de samenleving (en die dus in politiek en civil society voortdurend aan de orde zijn!), maar die tegelijkertijd niet kunnen worden georganiseerd. Dat heilig domein lijkt vandaag onbeschermd geraakt. Het vraagt om respect en terughoudendheid, maar het recht van de overheid kan de juiste middelen niet bieden om dit heilige domein te beschermen. Het heeft een onontkoombare kwetsbaarheid. Respect kan nu eenmaal niet worden afgedwongen. Het ontkennen van de Holocaust laat zich via de strafrechter niet werkelijk beteugelen. Datzelfde geldt voor godslastering. Het kwetsen van medemensen en van bepaalde groeperingen blijkt in Nederland nauwelijks via het strafrecht te kunnen worden ingedamd — en al helemaal niet wanneer de vrijheid van meningsuiting als een ‘recht tot kwetsen’ wordt geïnterpreteerd. Wanneer in de rechtsstaat verschillende grondrechten botsen en normen niet dwingend kunnen worden opgelegd, is het des te belangrijker dat mensen er vrij voor kiezen elkaar te respecteren.

51) De uiteenlopende visies op de samenhang tussen civil society en de staat laten zien dat de grens tussen beide vaak niet scherp is. Bovendien zijn er organisaties die in de verschillende subdomeinen thuishoren. Politieke partijen zijn het duidelijkste voorbeeld. Als organisaties van burgers kan men ze zien als deel van de civil society, maar hun functie is primair hun rol in de staatsinrichting.

52) Alle spelers binnen het publieke domein hebben ideeën en idealen over de verhouding tussen de verschillende sferen en hun eigen positie daarbinnen. Gedeeltelijk hebben de overheid, verenigingen,

|23|

marktpartijen en de kerk de mogelijkheid om zelf hun maatschappelijke rol te bepalen. Tegelijkertijd zijn ze afhankelijk van de ruimte die ze van de andere publieke instituties krijgen. In een democratische samenleving is het de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen dat de spanning tussen hoe men zichzelf ziet en positioneert enerzijds en de reële maatschappelijke verhoudingen anderzijds, niet te hoog oploopt. Het is schipperen tussen de eigen organisatievrijheid en een pragmatische acceptatie van de bestaande maatschappij-inrichting.
Voor de staat en voor veel van haar samenwerkingspartners is de kerk een vereniging van gelovigen. Men beseft veelal wel dat de kerk een belangrijke rol vervult in de civil society. Het is echter de vraag in hoeverre de kerk zichzelf vanuit haar roeping kan verstaan als deel van de civil society. Vanuit een sociologisch gezichtspunt moet worden benadrukt dat de kerk niet alleen verbonden is met de civil society, maar ook met het private leven. Ondanks deze kanttekeningen is het goed om de maatschappelijke rol van de kerkte verkennen. Dit levert een aantal vragen op die in het vierde hoofdstuk verder besproken zullen worden.

 

Individualisering

53) Van de processen die grote invloed hebben op de civil society, is individualisering een van de belangrijkste. Het betekent allereerst dat individuen zelf kunnen beslissen hoe ze zich met welke sociale verbanden willen identificeren. Dit verandert de aard van de relaties die mensen aangaan. Individuen binden zich op een steeds lichtvoetiger manier. Hun betrokkenheid bij een groep is vaak minder duurzaam en wordt als minder verplichtend ervaren.
Op het gebied van de moraal is zelfs sprake van een dubbele individualisering. Mensen kiezen in toenemende mate zelf de normen en waarden die ze belangrijk vinden. Bovendien hebben zij daarbij een voorkeur voor die waarden die de vrijheid en het geluk van het individu centraal stellen.
Het is opvallend dat deze individualisering niet leidt tot maatschappelijke versplintering. De toegenomen keuzevrijheid wordt vaak gebruikt om dezelfde keuzes te maken als medeburgers. Zo neemt bijvoorbeeld de steun voor de centrale waarden van de democratie en de rechtsstaat eerder toe dan af.xi Wel is de tijd van de gesloten verzuiling goeddeels voorbij: mensen maken hun eigen keuzes en die gaan lang niet altijd op de verschillende maatschappelijke terreinen in dezelfde richting. Ze sturen wellicht hun kinderen naar een christelijke school, maar lezen een liberale krant en stemmen op een partij ter linkerzijde van het spectrum. Zij veranderen ook makkelijk in zulke keuzes, en binden zich niet voor langere tijd en dikwijls in het geheel niet. De zo ontstane flexibiliteit in keuzes zou mogelijkheden kunnen bieden voor het bouwen van bruggen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Maar in de praktijk is het effect vooral dat de loyaliteit ten aanzien van instituten afneemt.

 

Globalisering

54) Een tweede kernbegrip in de recente ontwikkeling is globalisering. De pastorale handreiking Gemeente-zijn in de mondiale samenleving vroeg in 1988 al aandacht voor dit proces en sinds die tijd is het bewustzijn van de effecten van globalisering verder gegroeid. Veel klemmende problemen zijn te groot om per land op te lossen. Armoedebestrijding, het klimaatvraagstuk, vrede en veiligheid vereisen een wereldwijde aanpak. Globalisering betekent ook dat de grenzen tussen samenlevingen op cultureel en moreel vlak steeds meer vervagen. Te denken valt aan de invloed van multinationals op de smaken en voorkeuren van consumenten. De culturele bagage die immigranten meebrengen naar hun nieuwe thuisland is een ander voorbeeld.
De kerken hebben hier op allerlei manieren mee te maken. Dat geldt ook in een heel positieve zin. Zoals de hervormde synode in 1988 al aangaf staat de gemeente vandaag bewust ‘in een mondiale

|24|

samenleving’. Bij alle kerkelijk provincialisme dat in de Protestantse Kerk in Nederland ook te vinden is, staat recht overeind dat velen de kerk vandaag veel sterker dan voorheen ervaren als onderdeel van een wereldwijde gemeenschap van christenen. Via Kerk in Actie — en andere aan de kerk gelieerde organisaties zoals de Gereformeerde Zendingsbond — wordt dat besef terecht steeds weer levend gehouden en gevoed. De wereldwijde oecumene vormt het natuurlijke leefmilieu van de kerk, misschien niet allereerst door de herkenning van het werk van internationale oecumenische organisaties maar dan toch wel door gemeentecontacten en betrokkenheid bij kerkelijke projecten wereldwijd — waarvoor de wereldwijde organisatorische structuur een noodzakelijke voorwaarde is.

 

Europese integratie

55) Het Europese integratieproject is een specifieke kracht die bijdraagt aan het ontgrenzen van Nederland. De Europese Unie en de Raad van Europa (met daaraan verbonden het Europese Hof voor de Rechten van de Mens) hebben toenemende invloed op de inrichting van de Nederlandse rechtsstaat. Burgers van Nederland zijn ook burgers van Europa. De onzekerheid over de gewenste koers voor Europa zoals deze de laatste jaren blijkt uit politieke discussies (of een gebrek daaraan), uit het referendum over een Europese Grondwet en uit de lage opkomst bij verkiezingen voor het Europese Parlement, laat onverlet dat zeer velen beseffen dat Nederland zich niet meer zonder Europa laat denken.
De sterk gegroeide Europese regelgeving, met haar consequenties voor het recht in Nederland, en de invloed van de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op de Nederlandse rechtsstaat kleuren de Nederlandse democratische rechtsstaat op een specifieke wijze in.

56) De Europese Unie, met tegenwoordig 27 lidstaten, houdt volledig vast aan het beginsel van de scheiding van kerk en staat. In het Verdrag van Lissabon dat bedoeld is om een kader te scheppen voor de verdere ontwikkeling van de Europese Unie wordt vastgelegd, dat de Europese Unie de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationaal recht in de lidstaten hebben, eerbiedigt en daaraan geen afbreuk doet. Datzelfde geldt overigens voor de status van andere levensbeschouwelijke organisaties, ook niet-confessionele. Anders gezegd, Europese wetgeving mag niet de nationale kerk-staat verhoudingen beïnvloeden.
Toch valt op, dat de Europese Unie een grotere waarde toekent aan de rol van de kerken en de dialoog tussen de politiek verantwoordelijken en de kerken dan in Nederland door velen voor wenselijk wordt gehouden. In de Preambule van het Verdrag van Lissabon wordt de inspirerende rol van ‘de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa’ nadrukkelijk erkend als de grondslag van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat. En het verdrag schept — voor het eerst in de Europese verdragen — een wettelijke basis voor de dialoog met de kerken: ‘De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage’.xii Daarmee wordt aan een bestaande praktijk een wettelijke basis gegeven, al blijft het nog de vraag hoe de kerk deze dialoog in de toekomst kan invullen.

 

Veelvormigheid

57) Als vierde samenvattende term moet veelvormigheid genoemd worden. Zowel de toegenomen individuele vrijheid als de voortgaande wereldwijde verknoping leidt ertoe dat mensen steeds meer hun eigen levenspad uit kunnen stippelen. Puttend uit verschillende tradities, weven mensen hun eigen wereldvisie. Overtuigingen kunnen echter ook weer gemakkelijk worden verruild voor een nieuw patroon. Het werd al even aangeduid: loyaliteiten wisselen snel. Dat is een soms harde werkelijkheid, want het betekent ook

|25|

dat sprake kan zijn van fundamentele verschillen in opvatting, van een grote beperking van de gemeenschappelijke horizon, en zelfs van een onmogelijkheid elkaar nog werkelijk te verstaan!
Een opvallende constante binnen deze maatschappelijke veelvormigheid of pluraliteit is de afnemende belangstelling voor traditioneel georganiseerde vormen van religie. Maar het inzicht dringt door dat het dalende ledental van kerken niet wil zeggen dat de samenleving radicaal seculariseert. Het geloof onttrekt zich steeds meer aan de gebaande institutionele paden en komt op een nieuwe manier terug in de samenleving. Meer mensen maken ook op geloofsterrein hun eigen keuzen en willen dat die keuzes serieus genomen worden.
De toegenomen veelvormigheid leidt tot meer keuzemogelijkheden, maar ook tot keuzedwang. Voorgegeven antwoorden zijn niet bij voorbaat vanzelfsprekend en dit betekent vaak een moeizame zoektocht naar nieuwe wegen. Sommigen varen wel bij de toegenomen vrijheid. Anderen verlangen naar duidelijk omschreven identiteiten en vinden die bijvoorbeeld in vormen van religieus fundamentalisme of een sterk nationalisme. Veelvormigheid leidt soms tot angst en onzekerheid.

 

Consequenties

58) Individualisering, globalisering, de Europese integratie en de toenemende veelvormigheid hebben de Nederlandse maatschappij blijvend veranderd. Nederland is steeds minder een land van sterk georganiseerde minderheden. Goed georganiseerde verbanden op levensbeschouwelijke grondslag zoeken opnieuw naar de betekenis van hun identiteit voor de dagelijkse praktijk. Getalsmatig hebben ze aan belang ingeboet. Het duidelijkste voorbeeld is de daling van het ledental van kerken. Maar dit verschijnsel blijkt ook op andere terreinen. Tekenend is bijvoorbeeld dat de voorkeur voor openbaar onderwijs sinds kort groter is dan die voor een onderwijsvorm op religieuze grondslag, al komt dat vooral doordat de groep die het niets uitmaakt sterk is gegroeid.xiii Bindingen aan traditionele organisatievormen worden losser en er wordt minder zwaar aan getild. Politieke partijen hebben bijvoorbeeld te maken met sterk teruggelopen ledentallen — in veel sterkere mate dan de kerken: minder dan 300.000 Nederlanders zijn nog lid van een politieke partij, terwijl de kerken samen nog vele miljoenen leden tellen. Dat wil niet zeggen dat de belangstelling voor politieke zaken is verdwenen. Politieke betrokkenheid verplaatst zich naar verenigingen voor deelbelangen zoals milieubeschermingorganisaties.

59) Voor de ‘eigenlijke’ politiek kan dat betekenen dat politiek meer een markt is geworden dan een forum: het gaat dan niet meer primair om het debat over de gezamenlijke toekomst van een veelkleurige samenleving maar veeleer om het veiligstellen van de eigen (groeps)belangen via een stem op de ‘meest biedende’. Interne partijdemocratie wordt in die opzet vaak minder relevant geacht. Het opkomen van politieke bewegingen zonder verenigingsstructuur en de gelijktijdige snelle afkalving van veel andere politieke partijen qua ledenaantal, is des te meer zorgwekkend, wanneer daardoor te weinig mensen gevonden kunnen worden die bereid en in staat zijn bestuurlijke en vertegenwoordigende functies te bekleden. Nauw daarmee verbonden is het gevaar van populisme. Daarbij gaat het niet primair om een bepaalde inhoud — populisme kan zich onder vele gedaanten voordoen — maar om een bepaalde wijze van appelleren aan wat verondersteld wordt te leven in ‘het volk’. Populisme leeft van en voedt tegelijk het wantrouwen in de ‘gevestigde orde’, en ondergraaft stelselmatig het vertrouwen in de politieke instellingen.

60) In dit veranderend landschap wordt de discussie over politieke en morele kwesties steeds meer een openbare aangelegenheid. Dit betekent aan de ene kant dat iedereen zich in het debat kan mengen en een eigen positie kan bepalen. Er wordt een steeds kleurrijker geheel aan overtuigingen en waarden

|26|

verdedigd. Aan de andere kant laat de publieke opinie zich makkelijker beïnvloeden door sterk verwoorde standpunten. De media spelen daarbij een niette onderschatten rol.
Het is opvallend dat de toenemende keuzevrijheid de meeste mensen niet in morele verwarring heeft achtergelaten. Integendeel. Een groeiend aantal Nederlanders geeft aan zelf goed te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad. Bovendien worden ze veeleisender naar hun medeburgers. In een tijd dat de veelvormigheid in normen en waarden toeneemt, neemt de verdraagzaamheid voor sterk afwijkende visies af. Als mensen niet in de pas lopen met de door de meerderheid gedeelde normen en waarden wordt dat sneller als probleem ervaren en aan de orde gesteld.xiv

61) De overheid ziet op dit punt een taak voor zichzelf weggelegd en wil de morele en culturele veelvormigheid in goede banen leiden. Ze stimuleert het debat over gedeelde normen, waarden en actief burgerschap. Een onderwerp dat de laatste jaren hoog op de politieke agenda is komen te staan, is de spanning tussen grondrechten die met elkaar kunnen botsen. De vrijheden en rechten van burgers kunnen met elkaar in conflict zijn en dit geeft aanleiding om hun onderling belang te wegen. Zo lijkt het recht op gelijke behandeling voor menigeen zwaarder te wegen dan de vrijheid van godsdienst. Gelijke behandeling was in eerste instantie een belangrijk principe voor de relatie tussen overheid en burger. Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat hij op dezelfde manier bejegend wordt als medeburgers. Tegenwoordig wordt dit uitgangspunt steeds meer van toepassing geacht op maatschappelijke verhoudingen. Burgers en organisaties moeten iedereen gelijk behandelen. Als deze ontwikkeling zich zou doorzetten, zou dit op termijn gevolgen kunnen hebben voor de organisatievrijheid van kerken, als bijvoorbeeld de rechter niet meer zou aanvaarden dat in bepaalde kerkgemeenschappen vrouwen geen ambtsdrager kunnen zijn.
Overigens loopt de overheid in haar pogingen om de veelvormigheid in de samenleving beheersbaar te houden tegen grenzen aan. Juist een staat die de vrijheden van haar burgers echt serieus neemt, kan hen immers niet (met overheidsgeweld) dwingen om loyaal te zijn aan de kernwaarden van de democratie: daartoe kan zij slechts oproepen en inspireren. Het is aan de burgers zelf om een cultuur te creëren waarin waarden als gelijkheid en vrijheid voor iedereen hoog worden gehouden.

62) Hoe ziet de samenleving de rol van de kerk bij de publieke opinievorming in de civil society? Het antwoord is niet bij voorbaat duidelijk. Het publieke debat kent geen vaste deelnemers en ook de kerk is niet bij voorbaat uitgenodigd. In de discussie wordt deskundigheid hoger aangeslagen dan autoriteit. Nog niet de helft van de Nederlanders die zich daarover uitspreken ziet de kerken als een betrouwbare bron van informatie als het gaat om belangrijke maatschappelijke en politieke kwesties (overigens scoren politieke partijen in dat opzicht veel lager).xv In de beeldvorming lijkt de kerk vaak nog verbonden te worden met maatschappelijke macht, en niet beleefd te worden als een deelnemer aan het publieke debat die de burgers en hun eigen keuzen serieus neemt.
Dit beeld van de kerk als politieke kracht stelt ook de kerkelijke bijdrage aan het debat over morele kwesties in een verdacht licht. Het belangrijke onderscheid tussen een politieke bijdrage gericht op directe beleidsbeïnvloeding en een morele bijdrage aan het voortgaande maatschappelijke debat wordt door de buitenwereld niet altijd herkend. Misverstanden liggen op de loer, waardoor de bijdrage van de kerk soms al te snel ter zijde wordt geschoven. Anderzijds ziet men soms ook verrassende tekenen van een nieuwe openheid voor de betekenis van religie voor het publieke domein.xvi

63) Tot slot. De toegenomen keuzevrijheid gaat gepaard met nieuwe verantwoordelijkheden voor de burger. De overheid gaat er vanuit dat burgers mondig zijn en hun eigen zaken goed kunnen regelen. De Wet

|27|

Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is een voorbeeld van de veranderende visie van de overheid op haar eigen rol. De verzorgingsstaat wordt ingeruild voor een participatiestaat waarin mensen primair zelf verantwoordelijk zijn voor het regelen van voorzieningen voor hun eigen zorgbehoeften. Bovendien laat de WMO zien dat de overheid op een aantal vlakken decentraliseert. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van sociaal beleid wordt bij de gemeenten en maatschappelijke organisaties gelegd. De civil society als de plek waar mensen hun netwerken opbouwen en gezamenlijk actie ondernemen wordt actief door de overheid bij haar beleid betrokken.

64) Voor de kerk liggen ook op dit terrein vragen. Vanuit de overheid behoudt de kerk enige erkenning voor haar rol als maatschappelijke organisatie. Binnen het belastingrecht is zij aangemerkt als een Algemeen Nut Beogende Instelling. De WMO biedt nieuwe kaders om de taken die de kerk al op zich heeft genomen uitte voeren. De vraag is hoe de kerk deze rol diaconaal en missionair vorm wil geven. Ook dit vraagstuk komt in het laatste hoofdstuk aan de orde.

PKN GS KTO 09-05 4

|29|

 

4 Theologische motieven en overwegingen

 

65) De Protestantse Kerk in Nederland staat in een lange en diverse traditie van nadenken over haar verhouding tot de overheid. Veranderde omstandigheden, zoals beschreven in het vorige hoofdstuk, roepen oude en nieuwe theologische vragen op.
In dit hoofdstuk worden theologische motieven en overwegingen naar voren gebracht. Daarbij gaat het om gedachten die veelal niet zonder meer — dat wil zeggen: zonder nadere vertaling — als relevant voor de hedendaagse samenleving zullen worden herkend. Anders gezegd: het gaat hier allereerst om een gesprek binnen de kring van de kerk, en daarom staan hier theologische vragen centraal die in dit kerkelijk gesprek meer of minder expliciet aan de orde zijn.
In het volgende en laatste hoofdstuk zal geprobeerd worden de betekenis daarvan voor het gesprek met en in de samenleving zo naar voren te brengen dat ook wie er zelf niet voor kiest te leven uit de inspiratie van het Evangelie van Jezus Christus op zijn minst kan herkennen hoe de Protestantse Kerk in Nederland zich in het noodzakelijk doorgaande publieke debat over de democratische rechtsstaat opstelt. Het is niet ondenkbaar dat zo zichtbaar wordt hoe ook het denken van velen buiten de kerk nog nauw aansluit bij wat vaak wordt aangeduid als de joods-christelijke traditie, een traditie die Nederland wellicht meer heeft gevormd dan sommigen waar willen hebben.

 

Het eigen erfgoed

66) Allereerst lijkt het zinvol samen te vatten welke motieven vanuit de geschiedenis — zoals aangeduid in hoofdstuk 2 — tot vandaag de dag van betekenis blijven. Het is van belang om zo het beste uit de verschillende denktradities samen te brengen.

67) Een fundamenteel motief in die geschiedenis is dat van de overheid als ‘instelling Gods’. Zowel in de CA als in de NGB kwam het naar voren, waarbij de CA de gehoorzaamheid aan de overheid begrenst met een beroep op Handelingen 5: 29: men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Het wegvallen van de klassieke dualiteit van overheid en onderdaan en het daarvoor in de plaats opkomen van de driehoek van overheid, burger en rechtsstaat, betekent niet dat dit fundamentele motief terzijde kan worden geschoven. Het beroep op het karaktervan de overheid als instelling Gods heeft ongetwijfeld menigmaal gefunctioneerd als een argument om kritiek op de overheid de mond te snoeren, maar ook dat neemt niet weg dat de kerk gelooft dat de overheid een instrument is in Gods hand. Vandaag is het overigens beter te spreken van rechtsorde dan van overheid, te meer omdat de rechtsorde waarbinnen de kerk leeft in toenemende mate wordt bepaald door de Europese integratie en door internationale verdragen. Ook daarin kan de gemeente van Christus Gods genadige zorg herkennen. Dat geldt in beginsel voor elke overheid, en dus zeker niet alleen voor een democratisch gekozen regering binnen een sociale rechtsstaat. Daar ligt de essentie van de bekende woorden van Paulus uit Romeinen 13: 1: “Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld”. Gods genade beperkt zich niet tot zijn heilswerk in Christus en door de Geest, maar komt ook tot uiting in het tegenstaan van de macht van de zonde in het menselijk leven en samenleven, onder meer in het recht. Hier ligt ook de basis voor de tot vandaag toe in de Protestantse Kerk in Nederland veelvuldig gepraktiseerde voorbede voor de overheden.

68) In het verlengde hiervan ligt een motief dat vooral in de hervormde traditie sterk heeft doorgewerkt, en wel dat van de verantwoordelijkheid van de kerk voor de samenleving als geheel. De Protestantse Kerk in

|30|

Nederland wil zich nadrukkelijk de vraag stellen hoe zij de samenleving als geheel — en niet alleen haar eigen ‘achterban’ — kan dienen met de boodschap van het Evangelie, ook in zijn relevantie voor de sociale, culturele en politieke vragen van nu. Het geloof dat Jezus Christus de Heer en Verlosser van de wereld is, roept haar ertoe steeds opnieuw te belijden, ‘in haar vieren, spreken en handelen’, en zo ook de samenleving op te roepen tot vernieuwing van het leven (vgl. art. I lid 6 PKO).

69) Maar niet alleen de kerk in haar organisatorische vormgeving draagt hier verantwoordelijkheid. Ook de christenen hebben individueel en gezamenlijk als burgers, door het Evangelie geïnspireerd, een eigen politieke roeping. Die gedachte, vanouds centraal in het motief van de ‘kerk als organisme’ in de gereformeerde traditie — hier als traditie naast de hervormde gezien — heeft alleen maar aan betekenis gewonnen.

70) Inhoudelijk sluit het theocratische motief hier op aan. De kerk is er ook vandaag van overtuigd, dat de samenleving er slechts bij gebaat kan zijn wanneer regering en parlement zich in wetgeving en bestuur richten naar normen die de kerk herkent vanuit Gods beloften en geboden (vgl. opnieuw art. I lid 6 PKO). Bij theocratie denkt men vaak aan ‘kerk boven de staat’. De kerk staat echter niet boven de overheid, en de overheid ook niet boven de kerk. Beide zijn door God met een eigen verantwoordelijkheid en roeping ingesteld. Gods gebod is goed en heilzaam, ook op politiek en maatschappelijk terrein. Van christenen die hun verantwoordelijkheid nemen — hetzij waar het hun invloed via de stembus betreft, hetzij waar zij ertoe geroepen worden wetgevende of bestuurlijke verantwoordelijkheden te aanvaarden — mag verwacht worden dat zij zich daardoor laten leiden, ongeacht de vraag of zij daarbij menen te moeten werken via christelijke politieke partijen of niet. In die zin staat de ‘theocratie’ voor een bepaalde visie op de roeping van de overheid als ‘dienaresse Gods’, ongeacht het staatkundig stelsel waarbinnen die overheid functioneert.

71) Het eschatologische motief, dat in het historisch overzicht gaandeweg sterker zichtbaar werd, verdient eens te meer te worden gehandhaafd. Daarmee wordt de discussie over de democratische rechtsstaat gezet onder het voorteken van Gods beloften en van zijn oordeel. Het gaat in het leven, ook in het politieke leven, immers uiteindelijk om een blijvende spanning en een geestelijke strijd tussen Gods bedoelingen met deze wereld en allerlei machten die zich daartegen verzetten. Zij belemmeren het zicht op diegene die in de kerk het centrum van het geloof is, Jezus Christus. Paulus woorden over de strijd ‘niet tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen’ (Ef. 6: 12) wijzen — hoewel ze voor mensen van nu niet eenvoudig te verstaan zijn — nu juist op zulke diepere dimensies van het menselijk leven en samenleven. Een Bijbels grondmotief als dat van het koninkrijk Gods wil vooral het beloftekarakter tot uitdrukking brengen: vrede en gerechtigheid zijn uiteindelijk niet de vrucht van — en dus volledig afhankelijk van — het handelen van mensen, maar ze worden de wereld toegezegd als een belofte inzake Gods toekomst. Mensen worden geroepen om daaraan dienstbaar te zijn, in bescheidenheid en met volledige inzet, tot en met de bereidheid daarvoor verdrukking te aanvaarden. Dat maakt de eschatologie op een bepaalde manier relevant voor het heden. De Gemeenschap van Protestantse Kerken in Europa (Leuenberg) heeft in een studie uit 1997 overtuigend laten zien hoe de lutherse twee-regimentenleer en de calvinistische nadruk op het koninkrijk van God — die nogal eens zijn beschouwd als niet met elkaar te rijmen — elkaar juist raken in dit perspectief van de beloften Gods.xvii

Bekend is een uitspraak van Dietrich Bonhoeffer (✝ 1945): “Wij geloven in het laatste, maar leven in het voorlaatste”. Daarmee houdt Bonhoeffer deze wereld en de beloofde toekomst enerzijds uit elkaar. Elk

|31|

heeft zijn eigen recht en zijn eigen plaats. Men kan er een variatie op het thema van de lutherse twee-regimentenleer in herkennen. Men moet daarom waken voor alles wat zweemt naar een heiligverklaring van elementen van het wereldse bestaan, en eraan vasthouden dat de wereld niet behoort tot het laatste, maar tot het voorlaatste! De wereld moet wereld blijven. Wij moeten, schrijft Bonhoeffer, trouw zijn aan de aarde en het voorlaatste! Vandaag maakt de democratische rechtsstaat deel uit van dat voorlaatste.

72) De keerzijde daarvan is, dat de geschiedenis staat onder het voorteken van het ‘laatste’, een uiteindelijk oordeel dat niet in de handen van mensen ligt. Ook dit besef kleurt de wijze waarop de gemeente zich verhoudt tot de overheid. Het impliceert primair dat de kerk de overheid aanvaardt, ook waar zij aangeeft grote moeite te hebben met specifieke vormen van overheidsoptreden. Onder de aanvaarding ligt het besef en de verwachting dat Christus zelf zal komen om te oordelen de levenden en de doden. De kerk heeft weet van het geduld van de landman (vgl. Matth. 13: 30). Dat geeft ook een zekere ontspannenheid. Alleen in uiterste instantie, als een overheid zich evident en expliciet opstelt tegenover al wat heilzaam mag heten voor de samenleving (en daarin ook tegenover de democratische rechtsstaat!), weet de kerk van de mogelijkheid van een afzweren van de gehoorzaamheid jegens die overheid — met alle consequenties van dien. In die zin blijft de kerk, juist in eschatologisch perspectief, ook geroepen tot waakzaamheid.

 

Legitimeren of herkennen

73) De vijf tot nu toe gevonden historische lijnen — de overheid als instelling Gods, de verantwoordelijkheid van de kerk voor het geheel van de samenleving, de eigen verantwoordelijkheid van de burger, de theocratie (mits niet misverstaan) en het eschatologische perspectief — bieden als zodanig geen aanknopingspunten om fundamentele vragen te stellen bij de democratische rechtsstaat. Veeleer kunnen zij doorwerken in de aanvaarding daarvan, en in de bezinning op aspecten daarvan als de scheiding van kerk en staat of de plurale samenleving. Niettemin vereisen deze en andere vandaag gehanteerde concepten wel een nadere theologische bezinning.

74) Een kernvraag daarbij is, wat de rol van kerk en theologie in dit opzicht is. Is de kerk geroepen de democratische rechtsstaat van een theologisch fundament te voorzien? Moet zij uit haar traditie argumenten opdiepen om te zeggen: zo moet het? De geschiedenis heeft geleerd welke risico’s het met zich meebrengt wanneer kerken een theologische legitimatie geven voor een bepaald staatsbestel. Men komt er snel mee uit bij de kerk die de wapens zegent, of die het apartheidssysteem legitimeert.
Het kan dan ook niet de opdracht van de kerk zijn, de democratische rechtsstaat te funderen, te legitimeren ofte rechtvaardigen. De Protestantse Kerk in Nederland kiest hier een andere positie. Zij maakt allereerst duidelijk dat en in welke zin zij de democratische rechtsstaat aanvaardt. Dat is in feite hierboven al duidelijk geworden. De kerk aanvaardt immers, in aansluiting bij haar erfgoed, de overheid als instelling Gods. Maar daarmee is niet alles gezegd. Aansluitend stelt de kerk zich de vraag, in hoeverre zij gaandeweg geleerd heeft juist in de democratische rechtsstaat iets te herkennen van de genadige bedoelingen van God zoals die tot uitdrukking komen in het Evangelie van het koninkrijk van God. Het woord ‘herkennen’ wil de waarde van de democratische rechtsstaat voluit honoreren, maar tegelijk recht doen aan het gegeven dat er altijd een grote afstand blijft tussen de denkwereld van de christelijke traditie en de wereld van nu. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt op verschillende aspecten van deze herkenning nader ingegaan.

|32|

75) De democratische rechtsstaat zelf heeft er overigens alle belang bij dat kerken en andere voor religie of levensbeschouwing representatieve organisaties zich uitspreken over de relatie tussen de eigen fundamentele inzichten en de politieke orde. Zij is immers in hoge mate afhankelijk van een doorleefde en gefundeerde betrokkenheid van de burgers en de samenleving bij haar functioneren. Wanneer deze inhoudelijke betrokkenheid afneemt of ontbreekt, dreigt de democratische rechtsstaat te verworden tot niet meer dan een set procedurele afspraken, een formele structuur zonder inhoudelijke waarden. In toenemende mate zijn er signalen dat vanuit samenleving en overheid ook een engagement van de kerken wordt verwacht.

 

De rechtsstaat

76) De kerk herkent in de rechtsstaat zonder voorbehoud belangrijke noties uit de Schrift. Dat ook de overheid gebonden is aan het ‘recht en gerechtigheid’, is een motief dat in de profetische boeken van het oude testament (waartoe de Joodse gemeenschap ook de boeken van Jozua, Richteren, Samuël en Koningen rekent!) steeds terugkeert. In het beste geval spant de wetgever zich in om het recht zoals het wordt vastgelegd in wetgeving, te laten beantwoorden aan de hoogste morele normen van wat ‘recht’ mag heten.
Met de hervormde synode van 1964 kan ook de Protestantse Kerk in Nederland zeggen dat de rechtsstaat verwijst “naar grondovertuigingen aangaande de mens en zijn bestemming en aangaande de gemeenschap en de gerechtigheid, die niet willekeurig en naar bevind van zaken kunnen worden gewijzigd of buiten werking gesteld”.xviii Een belangrijk motief daarin is voorts het besef van de zondigheid van de mens: onbeperkte en ongecontroleerde macht appelleert veelal meer aan de neiging van mensen daarvan ten koste van anderen misbruikte maken dan aan de verantwoordelijkheid om die tot welzijn van de samenleving in te zetten.
De verwijzing naar zulke belangrijke Bijbelse noties bedoelt niet te miskennen dat de rechtsstaat in de moderne zin in de Bijbel niet voorkomt.

77) Des te sterker geldt de herkenning de sociale rechtsstaat. Recht en gerechtigheid worden ingekleurd door solidariteit, door een koningschap dat ‘recht doet aan de zwakken en redding biedt aan de armen’ (vgl. Psalm 72: 4). In het nieuwe testament is van zo’n directe (profetisch gekleurde) verantwoordelijkheid van de christelijke gemeente tegenover de overheid geen sprake. Daar vinden we dit motief hooguit impliciet, als van de overheid wordt gezegd: “zij staat in dienst van God en is ervoor uw welzijn” (Rom 13: 4; vgl. 1 Petrus 2: 13-14).
In het recht gaat het ten diepste om de menselijke waardigheid. Dat is een kernbegrip in de discussie over de fundering van de rechten van de mens.

 

Mensenrechten — godsdienstvrijheid

78) De rechtsstaat verwijst naar het recht als de basis van elke legitieme machtsuitoefening. Op zichzelf is ‘rechtsstaat’ nog een formeel begrip: het laat nog open hoe dat ‘recht’ waaraan de staat gebonden is, er uitziet. Het zou bij wijze van spreken nog wettelijk vastgelegd onrecht kunnen zijn — al is zelfs dat wellicht altijd nog beter dan anarchie. In de loop van de tijd hebben de mensenrechten echter een sleutelrol toebedeeld gekregen in de inhoudelijke vulling van het moderne denken over de rechtsstaat. Zij zijn medebepalend geworden voor het denken over de inhoud van het recht dat de staat fundeert.

79) Godsdienstvrijheid — nauwkeuriger gezegd: de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging — vormt in verschillende opzichten de sleutel tot het denken over mensenrechten. Daarbinnen kan men verschillende

|33|

aspecten onderscheiden: het gaat om gewetensvrijheid, om de vrijheid de godsdienst uit te oefenen — die zoals in hoofdstuk 5 zal worden uitgewerkt op zichzelf weer een aantal kanten heeft, zoals bijvoorbeeld ook de vrijheid om van godsdienst te veranderen — en om de scheiding van kerk en staat. Historisch gezien is de ontwikkeling van de mensenrechten zoals we die nu kennen begonnen met het erkennen van vrijheid van religieuze overtuiging. In hoofdstuk 2 werd er al op gewezen dat al ten tijde van de gereformeerde staatskerk deze vrijheid van geweten werd erkend.

80) Vaak is gesteld dat godsdienstvrijheid op gespannen voet staat met de waarheidsclaim van de christelijke traditie. Wie de waarheid in Jezus Christus heeft leren kennen, zou alles op alles moeten zetten om ook anderen daarvan te doordringen. In dat licht hebben kerken zich maar al te vaak verbonden met de politieke macht om — de eigen interpretatie van (!) — de waarheid exclusieve rechten te geven in de samenleving. Het heeft bloedige sporen nagelaten in de geschiedenis, niet in de laatste plaats in die van Europa. Alleen dat feit al zou een argument kunnen aanreiken ten gunste van godsdienstvrijheid. Maar theologisch gaat het om een nog meer principiële zaak: in de godsdienstvrijheid herkent de kerk een belangrijk Bijbels motief, namelijk dat van de vrijheid van de Geest van God. Geloof is een vrije gave van de Geest, en alleen dat sluit al elke vorm van geloofsdwang uit. Anders gezegd: een religieuze overtuiging betreft per definitie een niet door mensen af te dwingen, vrije keuze. Om hier een stem uit de oecumene te laten klinken, het Tweede Vaticaans Concilie zei in 1965 in een decreet over de godsdienstvrijheid: “de uitoefening van de godsdienst bestaat krachtens zijn aard zelf op de eerste plaats in vrijwillige en vrije innerlijke daden, waardoor de mens zich rechtstreeks richt op God. Dergelijke daden kunnen door een louter menselijke macht niet worden opgelegd en evenmin worden verboden”.xix

81) De kerk dient dus omwille van wat geloof ten diepste is zich sterk te maken voor de godsdienstvrijheid. Waar godsdienstvrijheid heerst, is de basis voor een plurale samenleving gelegd — en ook die pluraliteit wordt dus door de kerk als legitiem erkend. In hoeverre die pluraliteit ook werkelijk zichtbaar wordt, hangt uiteraard af van historische ontwikkelingen. Zo heeft de laatste decennia immigratie de pluraliteit in Nederland aanzienlijk doen toenemen. Dat leidt tot spanningen, maar geeft de samenleving ook een nieuwe dynamiek. De kerk weet zich geroepen met deze pluraliteit zorgvuldig om te gaan, en zich in haar publieke uitingen niet kwetsend uitte laten over mensen met een andere, al dan niet religieus geïnspireerde, overtuiging.
Andere mensenrechten, zoals het verbod op discriminatie, de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vergadering en het recht op privacy hangen nauw samen met de godsdienstvrijheid. Het is echter de vraag of en hoe zich het idee van mensenrechten theologisch laat beargumenteren.

82) Juist in een plurale samenleving bestaat geen vanzelfsprekende overeenstemming over zo’n fundamentele vraag als die naar de diepste betekenis van mensenrechten. Er bestaat dus niet één door iedereen aanvaarde universeel geldende filosofische, theologische of religieuze basis voor de mensenrechten. Elke religieuze of (niet-religieuze) levensbeschouwelijke overtuiging kan hier een eigen visie op hebben, onder meer gebaseerd op een eigen mensbeeld. De godsdienstvrijheid laat ook en juist daarvoor ruimte — en daagt de verschillende al dan niet religieuze richtingen in de samenleving ook uit hierover na te denken. Alleen als representatieve vertegenwoordigers van de meest zichtbare stromingen in de samenleving, nationaal en internationaal, zich vanuit hun eigen basisovertuiging principieel uitspreken ten gunste van de universele geldigheid van mensenrechten, kan werkelijk sprake zijn van zoiets als de ‘universele rechten van de mens’.

|34|

83) Voor die uitdaging staat ook de Protestantse Kerk in Nederland. In welk theologisch perspectief spreekt zij over de mensenrechten en menselijke waardigheid? Dat vraagt om een Bijbels mensbeeld, als aanzet voor een christelijke antropologie. Een basis ligt in het Bijbelse spreken over de mens als beeld Gods. “God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen” (Genesis 1: 26v.). In Genesis 9: 6 komt die gedachte weer terug: “Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt”. Het geheim van de menselijke waardigheid — de mens, de ‘kroon der schepping’ (vgl. Psalm 8) — wordt hier verwoord, in drie relaties, die tot God, die van mensen tot elkaar, en die van mensen tot de schepping. In Jezus Christus, bij uitstek “beeld van God, de onzichtbare” (Kol. 1: 15) komt deze mens voluit tot zijn bestemming. Ook hier geldt: men kan van dit Bijbelse spreken over de mens als beeld Gods iets herkennen in de moderne aandacht voor de rechten van de mens, maar men moet zich wel realiseren dat het daarover in het Bijbelse getuigenis niet direct gaat. Vrijheid en gelijkwaardigheid van mensen, de onaantastbaarheid van het menselijk leven en andere motieven uit de mensenrechtendiscussie laten zich niet rechtstreeks funderen in een Bijbels mensbeeld. Een christelijke antropologie heeft zich van daaruit door de eeuwen heen ontwikkeld in een voortdurende dialoog met tal van filosofische en culturele stromingen.

 

De scheiding van kerk en staat

84) De scheiding van kerk en staat in de huidige vorm is een modern verschijnsel. Wel is in het Nieuwe Testament al duidelijk dat de kerk en de wereldlijke overheid twee van elkaar onderscheiden grootheden zijn, die niet tot elkaar te herleiden zijn. In de traditie van het christelijk geloof is er altijd het besef geweest dat de kerk niet ondergeschikt is aan de overheid, maar ook dat de overheid een eigen verantwoordelijkheid heeft en geen afdeling van de kerk is. De interactie tussen kerk en overheid is echter geen gemakkelijke geweest, en van beide kanten is er steeds weer de neiging geweest de andere partij te overheersen. Maar al te vaak leunde de kerk aan tegen de macht van de staat en trachtte die voor het eigen karretje te spannen (denk aan de verhouding tussen paus en keizer in de Middeleeuwen). Een belangrijke invloed is van de Verlichting uitgegaan. Tegen het geweld van de godsdienstoorlogen werd de beweging ingezet die de staat radicaal losmaakte van een binding aan een kerk of kerkelijke denominatie. Overigens hebben in Noord-Amerika protestantse groeperingen een scheiding van kerk en staat bewerkstelligt. In Europa heeft het de kerken, en met name de historische meerderheidskerken ontegenzeggelijk tijd en moeite gekost te aanvaarden dat zij haar vaak bevoorrechte plaats kwijt raakten en zo ook minder macht kregen in het politieke bestel. Dat geldt niet alleen voor de Rooms katholieke kerk, maar ook voor calvinistische en lutherse kerken.

85) Staat en overheid zijn neutraal: zo wordt dat veelal gesteld. Men spreekt ook wel van de ‘seculiere staat’. Voor zover daarmee wordt aangeduid dat de overheid als zodanig geen religieuze voorkeur heeft, is die aanduiding zinvol. Omdat men erin zou kunnen beluisteren dat de staat wel kan kiezen voor een specifieke niet-religieuze levensbeschouwing, is zij tegelijk misleidend.
Is ‘neutraal’ dan een betere typering? Men maakt wel onderscheid tussen drie vormen van neutraliteit. Bij (a) exclusieve neutraliteit tracht de overheid de publieke sfeer vrij te houden van religie en levensbeschouwing, bij (b) inclusieve neutraliteit maakt de overheid in haar beleid geen enkel onderscheid tussen religieuze en niet-religieuze partnerorganisaties, en bij (c) compenserende neutraliteit steunt de overheid zo nodig een religieuze organisatie die in vergelijking met anderen op achterstand staat.xx

|35|

86) Inclusieve neutraliteit is sinds lang kenmerkend voor de Nederlandse situatie. Waar het om gaat, wordt beter uitgedrukt in de stelling dat de overheid onpartijdig is: zij kiest niet partij voor de ene godsdienstige groepering tegenover de andere. Zij kiest ook niet voor religieuze groeperingen tegenover niet religieus gemotiveerde mensen, of omgekeerd voor een atheïstische overtuiging tegenover godsdienstige opvattingen. Zij discrimineert niet; zij geeft gelijke zorg en respect aan alle burgers. Juist zo zet zij zich in voor een vreedzame samenleving. Dat blijkt binnen de Nederlandse grondwet uit de gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs, ongeacht de vraag door welke religieuze overtuiging dit bijzonder onderwijs zich laat leiden, en ook óf het zich wel door religieuze overtuigingen laat leiden. Deze onpartijdige staat — en velen denken daaraan bij ‘neutraal’ — heeft een breed draagvlak in de Nederlandse samenleving.
De scheiding van kerk en staat maakt het mogelijk dat religie en levensovertuiging een rol spelen in het politieke bestel. Neutraal is dan ook niet hetzelfde als atheïstisch. In de Nederlandse traditie ligt het accent op een vorm van neutraliteit waarin de overheid zich niet afzijdig houdt, maar de rol van religie en levensbeschouwing in het publieke domein erkent en waar nodig — op basis van een evenredige behandeling van de verschillende stromingen — stimuleert. Daarom gaat de overheid de dialoog aan met velen in de samenleving, en ook met de kerken, in erkenning van hun maatschappelijke betekenis.

87) De Protestantse Kerk in Nederland herkent en erkent voluit het belang van de scheiding van kerk en staat. Zij is dankbaar voor de bij wet vastgelegde vrijheid het kerkelijk leven voluit naar eigen overtuiging te kunnen inrichten. Zij weet van de corrumperende werking die het delen in de politieke macht in de geschiedenis soms op kerken heeft gehad. Zij acht het ongewenst zelf meer mogelijkheden te hebben dan anderen in de samenleving om haar opvattingen in het politieke leven te laten doorwerken. Haar kracht kan alleen liggen in haar overtuiging zelf. In die zin kan het Bijbelwoord “niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest, zegt de Here der heerscharen” (Zacharia 4: 6 NBG) richtinggevend heten.

 

Democratie

88) De Nederlandse rechtsstaat is democratisch van aard. Voor het besef van velen vallen rechtsstaat en democratie praktisch samen, en ze laten zich ook nauwelijks nog los van elkaar denken. Heeft de Protestantse Kerk in Nederland iets met de democratie, iets meer dan dat zij de overheid, en dus ook een democratisch gekozen overheid erkent? Herkent de kerk in de democratie waarden die haar herinneren aan de Bijbelse boodschap en de christelijke geloofstraditie?
De aan de democratie ten grondslag liggende gedachte van de volkssoevereiniteit is voor de kerk aanvaardbaar in haar bedoeling: de afwijzing van elke wereldlijke macht die zich aanmatigt te kunnen heersen over de mensen zonder daarvoor tegenover die mensen verantwoording te hoeven afleggen. Voor zover in de term volkssoevereiniteit ook iets zou kunnen meeklinken van een ontkenning van de betekenis van Gods geboden en beloften voor de samenleving, is zij misverstandwekkend.

89) Van de Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr (✝ 1971) komt de bekende uitspraak “Het vermogen van de mens tot rechtvaardigheid maakt democratie mogelijk, maar zijn neiging tot onrechtvaardigheid maakt democratie noodzakelijk”.xxi In de democratie herkent de kerk grote mogelijkheden om onrecht te voorkomen of althans binnen de perken te houden: daarom kan zij zich er kritisch-loyaal toe verhouden. Hier klinkt een motief dat al bij Calvijn een rol speelt, als hij de voorkeur geeft aan een aristocratie boven de alleenheerschappij van een vorst. Daaronder ligt het niet onverdeeld positieve mensbeeld van de Schrift: een christelijke antropologie zal ook oog hebben voor de zondigheid van de mens. Het ons

|36|

vertrouwde presbyteriaal-synodale kerkmodel, waarin door de gemeente gekozen ambtsdragers in ambtelijke vergaderingen gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen, maakte op kerkelijk terrein al belangrijke elementen van democratisch denken zichtbaar lang voordat dit op politiek gebied kon worden gerealiseerd.

90) Ook de democratie behoort principieel tot het ‘voorlaatste’, om het weer in termen van Bonhoeffer te zeggen. Het blijft voor de kerk mogelijk — en soms noodzakelijk — vanuit het perspectief van het komende rijk van God kritiek uit te oefenen, niet op de intenties van het democratische bestel, maar wel op de wijze waarop de democratie feitelijk functioneert en op besluiten die democratisch worden genomen. Hier ligt de actuele betekenis voor het belijden van de kerk van artikel 5 van de Theologische Verklaring van Barmen (vgl. art. I lid 5 kerkorde):xxii “De Schrift zegt ons, dat de staat naar goddelijke beschikking de taak heeft, in de nog niet verloste wereld, waarin ook de kerk staat, naar de mate van menselijk inzicht en menselijk vermogen, onder bedreiging met en uitoefening van dwang, voor recht en vrede te zorgen. De kerk erkent, in dankbare eerbied jegens God, de weldaad van deze Zijn beschikking. Zij herinnert aan Gods rijk, Gods gebod en gerechtigheid en daarmee aan de verantwoordelijkheid van regeerders en geregeerden. Zij vertrouwt en gehoorzaamt de kracht van het Woord, waardoor God alle dingen draagt.” De Protestantse Kerk in Nederland aanvaardt de democratische rechtsstaat principieel, en weet juist daarom ook van het recht en de plicht van de kerk zich — in lijn met het profetisch spreken in de Schriften — kritisch uit te spreken over het feitelijke handelen van die overheid. Immers, men dient de overheid te gehoorzamen, tenzij zeer zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen” (Handelingen 5: 29, vgl. art XVI CA). De kerk beseft dat het geldende recht niet volmaakt is. Het wordt immers mede bepaald door de feitelijke machtsverhoudingen. Daarom kan het voor de kerk noodzakelijk zijn op het geldende recht — in naam van de gerechtigheid als een morele norm! — ernstige kritiek uit te oefenen. Wat ‘recht’ heet moet soms als onrecht ontmaskerd worden. Zij doet dat waar nodig, als onderdeel van de civil society. Het is niet nodig, en al snel te pretentieus, dit een ‘profetisch spreken’ te noemen — wat werkelijk profetisch is, wordt niet vooraf, maar achteraf (en soms pas veel later) vastgesteld.

 

De civil society

91) Voor het functioneren van de democratische rechtsstaat is de civil society van groot belang, ja zelfs essentieel. Ooit vormde de kerk in zekere zin het grote tegenwicht tegenover de staat. Daarom stond de verhouding van kerk en overheid centraal in het denken; in het verlengde daarvan werd later de scheiding van kerk en staat een centraal thema.
Nu vormt veeleer de civil society de horizon van het overheidsbeleid. Het is voor de overheid van belang voeling te houden met wat in de civil society leeft. De kerk heeft geen reden om een andere plaats ten opzichte van de overheid te claimen dan juist deze, dat zij onderdeel is van de civil society — overigens met behoud van haar wettelijk vastgelegde vrijheid te worden ‘geregeerd naar hun eigen statuut’. Toch roept dit nog wel enkele nieuwe vragen op.

92) De kerk heeft wel een eigen plaats en een eigen identiteit binnen de civil society. In Europees verband, in het Verdrag van Lissabon, wordt zij daarom zelfs nadrukkelijk onderscheiden van andere organisaties die samen de civil society vormen. Die eigen plaats heeft ermee te maken dat zij niet allereerst opkomt voor haar eigen belangen (al is ook dat soms onvermijdelijk), of voor een deelbelang waarvoor zij zich in het bijzonder sterk maakt. Waar mogelijk en nodig ondersteunt zij hen die niet in staat zijn in het publieke domein hun stem te doen horen. Als het goed is, stelt zij in de publieke discussie die kenmerkend is voor

|37|

de civil society steeds weer de achterliggende vragen aan de orde die te maken hebben met de meest fundamentele oriëntaties van de samenleving zelf. Dat doet zij vanuit het besef dat zij geroepen is ‘voor mensen, machten en overheden te getuigen van Gods beloften en geboden’, ‘gezonden in de wereld en geroepen tot de bediening van de verzoening’ (vgl. artikel I lid 6 en 8 kerkorde). De kernwoorden van het geloof — genade, verzoening en vergeving — zijn immers ook kernwoorden van het leven.

93) De kerk weet van de roeping van elke gelovige om — naar de mogelijkheden en beperkingen waarmee eenieder te maken heeft — zich in te zetten voor het welzijn van de samenleving, en dus naar vermogen actief te zijn in de civil society. Deze bestaat bij de gratie van de vrijwillige betrokkenheid van de burger, en die krijgt vooral gestalte in de vorming van allerlei organisaties die op specifieke terreinen staan voor wat als het ‘algemeen belang’ gezien wordt. Wie dat wil kan zich er echter praktisch volledig aan onttrekken, en zich binnen de grenzen van de rechtsorde beperken tot het privéleven en de rol als producent en/of consument. Vanuit het perspectief van de kerk is dat te weinig. De vrijwilligheid die voor de civil society fundamenteel is, kan geen vrijblijvendheid zijn. Bewust burgerschap, tot uitdrukking komend in het meedenken over de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt en in het bijdragen aan de sociale samenhang mag van een christen gevraagd worden. De kerk kan een eigen rol spelen in de toerusting van haar leden tot dit burgerschap.

94) Dit element van de roeping van de gelovige treedt in de lutherse en de calvinistische traditie van meet af aan sterk op de voorgrond. “Politieke verantwoording is een ‘beroep’ — in de betekenis die Luther aan dit woord hechtte — van alle burgers in de democratie”,xxiii zo staat te lezen in een memorandum van de Evangelische Kirche in Duitsland over de democratie. In een ‘beroep’ of roeping vallen verantwoordelijkheid voor de wereld en verantwoording tegenover God samen. Het gebod van de naastenliefde impliceert de bereidheid politieke verantwoordelijkheid te dragen. Anders dan de Anabaptisten van toen keerden lutheranen en calvinisten zich niet van de wereld af, maar zochten zij juist naar mogelijkheden het alledaagse aardse leven te heiligen. Vooral Calvijn legt daarop grote nadruk. In verbondenheid met kerken wereldwijd, in nauwe samenwerking met andere protestantse kerken binnen Europa en wat Nederland betreft binnen de kaders van Raad van Kerken en CIO, weet de kerk zich daarom geroepen vorm te geven aan wat de Gemeenschap van Protestantse Kerken in Europa (Leuenberg) in een recent rapport — bewust in hedendaagse politieke termen — aanduidde als zes criteria voor de relatie van de kerken tot volk, natie, staat en samenleving: vrijheid, gelijkheid, duurzaamheid, participatie, veiligheid en solidariteit.xxiv

 

De plaats van de kerk

95) Hierboven werd al gesteld, dat er geen theologisch motief is om voor de kerk een eigen plaats ten opzichte van de overheid, buiten de civil society, te claimen. In de publieke discussie wordt het vermoeden dat de kerk daarop wel uit is en dat zij een machtsfactor van betekenis wil zijn, regelmatig verwoord — zij het dat dit gaandeweg minder het geval lijkt te zijn. Beelden van het verleden, overigens ook niet altijd geschraagd door de feiten en soms al te emotioneel geladen, spelen hierbij nog steeds een rol. De Protestantse Kerk in Nederland kan alleen door de wijze waarop zij zich feitelijk gedraagt en door de kwaliteit van haar argumenten laten zien dat voor die vrees geen grond bestaat.

96) De eerste verantwoordelijkheid van de kerk ligt in de ‘gewone’ rol van de gemeente, als lerende gemeenschap, in de geestelijke vorming en de toerusting van haar leden, zoals die gestalte krijgen ‘in onderricht en bezinning, in meditatie en gebed, in beraad en daadwerkelijke inzet’.xxv Het gaat om

|38|

gemeenteleden die de verbinding kunnen leggen tussen spiritualiteit en engagement, en die zo hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor het welzijn van de gemeenschap onderkennen en vormgeven. Op plaatselijk vlak, in verkondiging en gesprekskringen, in het beraad in de kerkenraad en in het diaconale werk, wordt de verantwoordelijkheid van de kerk binnen de civil society concreet gemaakt. Daarbij is de praktische kant van essentieel belang: een kerkelijke gemeenschap die zelf niet handen en voeten geeft aan wat zij zegt te belijden en te bepleiten, verliest haar geloofwaardigheid.

97) In het bijzonder dient hier gewezen te worden op de diaconale aspecten van de kerkelijke presentie. Vanouds heeft de kerk het tot haar taak gerekend in haar ‘charitas’ (liefdewerk) gestalte te geven aan de caritas (liefde) van God voor alle mensen, onder voortdurend veranderende maatschappelijke omstandigheden. De opkomst van de verzorgingsstaat heeft kerk en gemeente in dit opzicht voor nieuwe uitdagingen gesteld. Dat klinkt door in de kerkordelijk vastgelegde roeping van de gemeente op diaconaal terrein, die onder meer bestaat in ‘het signaleren van knelsituaties in de samenleving’ (ord. 8-3-1), waarbij diakenen de taak hebben overheid en samenleving op haar verantwoordelijkheid aan te spreken (vgl. ord. 3-11-1). De overgang naar de participatiestaat maakt een heroriëntatie opnieuw noodzakelijk, maar ook nu blijft een oprechte diaconale betrokkenheid bij mensen die het nodig hebben een prioriteit voor kerk en gemeente. Spiritualiteit en solidariteit gaan daarin samen.

98) Steeds weer rezen in het recente verleden vragen rond wat genoemd wordt ‘het (politiek en maatschappelijk) spreken der kerk’. Het is een kwestie waarmee de kerken soms ongewild mensen van zich hebben vervreemd. Over de taak die de kerk in haar bovenplaatselijke gestalte in dit opzicht heeft, moet genuanceerd gesproken worden. Alleen een kerk die weet wanneer zij moet zwijgen, heeft ook recht van spreken. De landelijke kerk is er allereerst op gericht de plaatselijke gemeente in haar functioneren te ondersteunen, ook op maatschappelijk terrein, onder meer via handreikingen als deze. De kerkorde zegt dan: de kerk bevordert de meningsvorming in de gemeenten over maatschappelijke vragen (vgl. ord. 1-3-2 PKO). Daarbij zal het er vooral om gaan relevante gezichtspunten naar voren te brengen die in het publieke debat onvoldoende gehoord worden, vragen te stellen bij de waarden van de samenleving en bij de morele consequenties van huidige maatschappelijke ontwikkelingen, en het gesprek te stimuleren tussen mensen, groepen en organisaties die in het publieke domein tegenover elkaar staan. Pastoraat en maatschappelijke betrokkenheid lopen soms in elkaar over. Daarbij brengt de kerk ter sprake wat zij zelf in het luisteren naar de Schriften en naar de samenleving meent op te vangen. In het bijzonder heeft zij oor voor wat in een wereldwijde oecumenische verbondenheid met partnerkerken en oecumenische organisaties naar voren wordt gebracht. Wat zij dan zegt, is altijd tijdgebonden, en zo moet het ook zijn.

99) Een volgende mogelijkheid is dat de kerk ‘zich uitspreekt over maatschappelijke vragen’ (ord. 1-3-3 PKO). Dan richt zij zich nadrukkelijker naar de samenleving. Zo denkt zij mee over de basisoriëntaties van de samenleving, zet zij zich mede in voor het bevorderen van de sociale samenhang, en roept daartoe ook haar leden op. In de praktijk laten zich interne en externe werking niet zo gemakkelijk scheiden. Uitspraken, publicaties en activiteiten van kerk en gemeente vinden, ook als zij primair gericht zijn op de eigen leden, immers altijd plaats binnen de publieke ruimte. Daarvan dient de kerk zich bewust te zijn: ook wat voor ‘binnen’ bedoeld is, moet zo mogelijk ‘naar buiten toe’ geen misverstand wekken. En omgekeerd blijft voor uitspraken naar buiten het beraad binnen kerk en gemeente van het grootste belang. De grens tussen het bevorderen van de meningsvorming in de gemeenten en het zich uitspreken over maatschappelijke vragen is dus dun.

|39|

Juist hier staat de kerk voor nieuwe uitdagingen. Door zich — nadrukkelijk binnen de context van het publieke debat dat kenmerkend is voor de civil society — uit te spreken over maatschappelijke vragen, kan zij het publieke debat stimuleren, en zo een bijdrage leveren aan het adequaat functioneren van de democratische rechtsstaat. Niet haar veronderstelde gezag, maar nuchtere zakelijkheid en deskundigheid zijn daarbij van doorslaggevend belang.

100) De kerkorde noemt nog een laatste mogelijkheid, en opnieuw is de overgang vloeiend: ‘Gehoor gevend aan haar opdracht te getuigen van Gods beloften en geboden kan de kerk een getuigenis doen uitgaan terzake van maatschappelijke vragen.’ (ord. 1-3-4). Hierboven werd gesteld, dat godsdienstvrijheid niet in strijd is met de waarheidsclaim van de christelijke traditie: geloof is immers een gave die dwang uitsluit. Dat neemt niet weg dat de kerk zich binnen de context van de democratische rechtsstaat met de daarvoor fundamentele godsdienstvrijheid en meer in het bijzonder binnen de civil society geroepen weet op te komen voor wat zij op basis van de Schrift in een geschiedenis van vele eeuwen heeft leren verstaan en vertolken als de dragende waarheid onder het leven van mensen in deze wereld: Gods liefde in Jezus Christus. Deze missionaire opdracht blijft van fundamentele betekenis, en kan en moet ook, ja juist binnen deze context gestalte krijgen.

101) Daarom kan de kerk zich geroepen weten zich duidelijk uit te spreken over en eventueel tegen bepaalde ontwikkelingen in politiek en samenleving. Zij leeft immers in het besef dat het wel ergens om gaat! Bij alle nuchtere zakelijkheid die in politieke en maatschappelijke vragen ook geboden is, kan op enig moment duidelijk worden dat een fundamentele keuze gemaakt moet worden, waarin iets zichtbaar wordt van een onderliggende geestelijke strijd. Dan komt het erop aan zo helder mogelijk te spreken.
Die roeping geldt overigens niet alleen de synode, maar elke ambtelijke vergadering — voor zover het vragen betreft die binnen haar ressort aan de orde zijn (vgl. ord. 1-3-5). Wanneer men meent dat de tijd voor een getuigenis — liefst samen met andere kerken — gekomen is, blijft het van belang het gesprek met de samenleving te zoeken; dat kan onder meer door in een dergelijk getuigenis de zelfkritische vraag te stellen of de kerk de ontwikkelingen die zulke grote vragen oproepen, inderdaad juist interpreteert — en door zo ook de eigen analyse van de situatie expliciet in gesprek te brengen. Voor de kerk mag waar nodig de overweging een rol spelen dat zij een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid en een eigen gezag heeft, een gezag dat zij zich overigens alleen maar door de kracht van overtuiging en argumenten gaandeweg kan verwerven.

102) In dit verband dient tenslotte iets gezegd te worden over de mogelijkheid van een status confessionis. Dat is als zodanig geen kwestie die de relatie van de kerk tot samenleving en overheid raakt. Van een status confessionis kan alleen binnen de kerk sprake zijn. Dan is een situatie ontstaan waarin de kerk van haar leden en meer in het bijzonder van haar ambtsdragers vraagt het belijden van de kerkte concretiseren in een specifieke politieke keuze, met mogelijk directe consequenties voor het kerkelijk leven. De lutherse en de calvinistische kerken wereldwijd hebben dat ongeveer dertig jaar geleden noodzakelijk geacht ten aanzien van het apartheidsbeleid in Zuid-Afrika, door op dat punt het politieke systeem af te wijzen, inclusief de doorwerking ervan in kerkelijke vormen van apartheid. Het is niet waarschijnlijk — en nog veel minder te wensen — dat zich een dergelijke situatie snel voordoet. Maar het laat zich ook niet volledig uitsluiten.xxvi

PKN GS KTO 09-05 5

|41|

 

5 Praktische perspectieven

 

103) Op grond van wat in de voorgaande hoofdstukken is samengebracht vanuit een historisch overzicht van de relatie van kerk en overheid (hoofdstuk 2), een analyse van de actuele situatie (hoofdstuk 3) en een theologische doordenking van een en ander, wil dit hoofdstuk zo concreet mogelijk aangeven in welke richting de kerk denkt te kunnen gaan om vorm te geven aan haar voortgaande betrokkenheid bij de samenleving.
Deze ‘praktische perspectieven’ worden op deze manier nadrukkelijk ter discussie gesteld, dat wil zeggen: ingebracht in het noodzakelijke gesprek in de gemeente en daarmee in de bredere samenleving.

104) Vooropgesteld dient te worden dat de kerk zich bewust is van de grote uitdagingen waarvoor veel gemeenten vandaag staan, alleen al als het gaat om het eigen voortbestaan. Vragen rond financiële draagkracht en beschikbare menskracht bepalen in veel gevallen de agenda meer dan alle betrokkenen lief is. De kerk wil daar niet aan voorbijgaan door een eenzijdige nadruk op de roeping van de gemeente in
de samenleving. Naarmate de vergrijzing en de ‘ontgroening’ van het ledenbestand van de kerk doorzet, zal het ook moeilijker worden voor kerk en gemeente om vorm te blijven geven aan de traditioneel grote betrokkenheid op de samenleving door de beschikbaarheid van vrijwilligers op allerlei terreinen. Dat is noch voor de kerk noch voor de samenleving goed. Deze handreiking bedoelt aanknopingspunten te bieden bij het stellen van prioriteiten en bij het op elkaar afstemmen van mogelijkheden en behoeften.

 

De democratische rechtsstaat

105) Vrijheid, gelijkheid, duurzaamheid, participatie, veiligheid en solidariteit zijn belangrijke waarden en uitdagingen voor de kerk zelf en voor de maatschappij.xxvii Hoewel de kerk beseft dat deze waarden heel verschillend kunnen worden ingevuld, herkent zij daarin fundamentele Bijbelse noties als gerechtigheid, liefde, gemeenschap en vrede. Daarom herkent de kerk ook de betekenis van zulke waarden voor de rechtsstaat en kan zij de rechtsstaat mede daarom voluit aanvaarden als een wezenlijke instelling voor het geordend samenleven. De kerk bevordert waar mogelijk de loyaliteit aan deze waarden en versterkt daarmee het draagvlak voor de rechtsstaat.

106) De kerk erkent de groeiende maatschappelijke veelvormigheid binnen Nederland en de vrijheid van ieder individu op levensbeschouwelijk terrein. De democratische rechtsstaat vormt de garantie voor die vrijheid en verdient daarom steun. De democratie toont haar kracht in de ruimte die zij kan inruimen voor minderheden.

107) De Protestantse Kerk in Nederland neemt expliciet afstand van elke suggestie dat juist zij in haar organisatorische vormgeving in het licht van de Nederlandse geschiedenis ten opzichte van de overheid enig voorrecht zou kunnen claimen of enige pretentie zou kunnen voeren. Dat neemt niet weg dat zij beseft te mogen staan in een traditie die geen geringe rol heeft gespeeld in de totstandkoming van de democratische rechtsstaat in Nederland, en die voor de toekomst daarvan van belang zal blijven.

108) De term theocratie is ongeschikt voor het gesprek van de kerk met de samenleving, omdat deze telkens weer het misverstand zal oproepen dat beoogd zou worden dat de rechtsstaat wordt vervangen door een andere staatsvorm.

|42|

109) De kerk erkent zonder voorbehoud de scheiding van kerk en staat. Zij respecteert daarmee de eigen en unieke verantwoordelijkheid van de overheid om binnen het kader van de rechtsstaat beleid te maken. Zij wil op geen enkele wijze treden in de bevoegdheden van de overheid, en beseft terdege dat politiek vaak een kwestie is van lastige afwegingen.
De kerk acht de wettelijk vastgelegde bevoegdheid van de kerken hun interne regelingen zelf vast te stellen — ‘geregeerd te worden naar hun eigen statuut’ (art. 2:2 BW) — een beslissend element in de wettelijke vormgeving van de scheiding van kerk en staat. Daarin ligt de erkenning van overheidswege besloten dat kerkgenootschappen een eigen categorie van organisaties vormen, niet simpelweg gelijkte stellen met verenigingen, stichtingen of bedrijven.
Dat betekent ook, dat de kerk van de overheid mag verwachten dat zij oog heeft voor het eigen karakter van kerken en andere geloofsgemeenschappen. Het uitgangspunt van ‘gelijke behandeling in gelijke gevallen’ impliceert dat in bepaalde gevallen het accent juist ligt op de ongelijke behandeling van ongelijke gevallen. De kerk constateert met zorg dat dit niet altijd in voldoende mate het geval is. Zo worden kerken in de milieuregelgeving soms onder bedrijven gerangschikt, met als mogelijk gevolg onredelijk hoge kosten in de sfeer van reinigingslasten. In arbowetgeving en regelingen met betrekking tot brandveiligheid bestaat soms de neiging kerkgebouwen gelijk te stellen met discotheken, alsof sprake zou van ook maar enigszins vergelijkbare risico’s.
Onder meer bij de recente wijziging in de Wet Inkomstenbelasting 2001 ten aanzien van de kerk als ‘algemeen nut beogende instelling’ (ANBI) en bij de eerder genoemde wijziging in de Handelsregisterwet zijn vergelijkbare ervaringen opgedaan.

110) De scheiding van kerk en staat betekent niet dat de kerk zich zou moeten of kunnen terugtrekken in de sfeer van het private leven. Juist de scheiding van kerk en staat garandeert voor de kerk de vrijheid om zonder bemoeienis van de overheid de Naam van Jezus Christus te belijden, burgers op te roepen tot een leven vanuit het christelijk geloof, en deel te nemen aan het publieke debat.

111) De scheiding van kerk en overheid betekent ook niet dat de overheid altijd op grote afstand moet blijven als het gaat om religie en levensbeschouwing. Geloofsovertuigingen en levensbeschouwelijke motivaties zijn voor veel mensen zo wezenlijk dat de overheid haar burgers waar nodig op basis van gelijkheid kan ondersteunen. Daarom is de bekostiging van zaken als het bijzonder onderwijs, de geestelijke verzorging in het leger en het gevangeniswezen, evenals de medewerking aan geestelijke verzorging in de gezondheidszorg, van groot belang.
Kerk en overheid hebben voorts gezamenlijke belangen als het gaat om de instandhouding van cultureel en religieus erfgoed. Waar monumentale kerkgebouwen vanwege hun culturele betekenis in stand gehouden dienen te worden, past het de overheid daaraan zodanig financieel bij te dragen dat het religieuze leven van de geloofsgemeenschap niet bovenmatig onder druk komt te staan: de meerkosten die gemoeid zijn met de instandhouding van een monumentaal kerkgebouw — in vergelijking tot een modern functioneel gebouw — dienen voor rekening van de overheid/samenleving te komen.

112) Bovendien is de vrijheid en mogelijkheid van minderheden om hun eigen levensbeschouwelijke of culturele traditie in ere te houden de toetssteen van het democratische en rechtsstatelijke karakter van overheidsbeleid. De overheid heeft voorts belang bij de rol van religieuze gemeenschappen bij het invulling geven aan de democratische rechtsstaat. In een enkel geval kunnen daarom bepaalde groepen zelfs extra overheidssteun nodig hebben om een achterstand in te halen die bijvoorbeeld samenhangt met immigratie. Een voorbeeld is financiële ondersteuning bij het bouwen van een gebedshuis voor een

|43|

migrantenkerk of een moslimgemeenschap. In de Notitie scheiding kerk en staat van de gemeente Amsterdam van juni 2008 wordt voor een dergelijke vorm van ‘compenserende neutraliteit’ in specifieke gevallen een mogelijkheid geboden.

113) De kerk acht de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van fundamenteel belang in een democratische samenleving. Deze vrijheid omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. Zo staat het in art. 9 van het Europese Verdrag voorde Rechten van de Mens, dat voor Nederland bindend recht vormt, en in andere internationale verdragen.xxviii De overheid is geroepen deze vrijheid niet alleen te respecteren maar ook voor alle burgers veilig te stellen.

114) De kerk acht de voorbede voor de overheid een onopgeefbaar onderdeel van de kerkelijke dienst aan de samenleving.

 

De plaatselijke gemeente en de overheid

115) De erkenning van de eigenheid van de rechtsstaat en de eigen verantwoordelijkheid van de overheid, betekent dat de kerk de civil society als haar belangrijkste werkterrein beschouwt. De kerk heeft een bijzondere plek binnen de civil society omdat zij mensen met verschillende sociale en culturele achtergronden samenbrengt. Ze is een ontmoetingsplaats waar onderling vertrouwen wordt opgebouwd, en waar mensen geïnspireerd worden om zich vrijwillig voor anderen in te zetten. Zo speelt de kerk haar eigen rol in het bevorderen van sociale cohesie.

116) Een kerk die niet wil heersen maar wil dienen, zoekt haar weg naar de plekken waar mensen samen wonen en leven. Dit levert allereerst de vraag op hoe de kerk wil en kan bijdragen aan de sociale verbanden binnen de maatschappij. Hier komt vooral de diaconale opdracht van de plaatselijke gemeente in beeld. Als het gaat om de dienst aan de samenleving hebben kerk en gemeente om te beginnen een toerustende taak. Ze ondersteunen en inspireren haar leden in hun inzet voor een menselijkere samenleving.

117) De rol van de kerkelijke gemeente zal van plaats tot plaats verschillen. Bepalend is niet alleen de wijze waarop een bepaalde gemeente aan haar roeping gestalte wil geven, maar evenzeer de mate waarin de burgerlijke overheid openstaat voor vormen van contact en samenwerking met kerken en andere geloofsgemeenschappen. Burgerlijke gemeenten hebben in dat opzicht de nodige beleidsvrijheid. Over het geheel lijkt het bewustzijn van de mogelijkheden die hier liggen bij plaatselijke bestuurders toe te nemen. Dat de overheid religie in haar beleid niet kan negeren, wordt intussen breed beseft. Dat zij zich buiten de interne aangelegenheden van geloofsgemeenschappen dient te houden, is ook duidelijk. Maar onjuiste interpretaties van het beginsel van de scheiding van kerk en staat blijven een rol spelen, en kunnen leiden tot een onnodige distantie van de overheid ten opzichte van de kerken, terwijl communicatie en het maken van concrete afspraken soms meer effect hebben dan regelgeving. Bovendien kan in onderling overleg beter worden ingespeeld op de specifieke eisen die een bepaalde situatie stelt.
Waar bij de overheid openheid bestaat voor contacten met kerken, mag van de plaatselijke gemeente worden verwacht dat zij zich naar vermogen mee inzet voor het welzijn op plaatselijk niveau, en dat zij daarom contact onderhoudt met de lokale overheid. Het uitnodigen van een vertegenwoordiging van de

|44|

lokale overheid bij belangrijke gebeurtenissen in het leven van een gemeente (ingebruikneming van een kerkgebouw, intrede van een predikant) kan de openheid voor contacten zichtbaar maken.

118) Als onderdeel van de civil society erkent de kerk de spelregels en gebruikt ze ook de ruimte die ze bieden. Het is duidelijk dat de overheid op gemeentelijk niveau een kerkelijk initiatief niet kan steunen omdat het een initiatief van de kerk is. Maar evenzeer is waar — en dat wordt niet altijd herkend — dat de overheid geen steun aan een kerkelijk initiatief mag weigeren omdat het van de kerk uitgaat. In beide gevallen is sprake van discriminatie op grond van religieuze overtuiging. De beslissing om een bepaald initiatief wel of niet te ondersteunen mag uitsluitend gebaseerd zijn op beleidsmatige overwegingen met betrekking tot het welzijn van de samenleving, waarvoor de overheid een eigen verantwoordelijkheid draagt. In de afwegingen die dan gemaakt moeten worden, vanuit een onpartijdige positie van de overheid, dienen naast argumenten ten aanzien van bijvoorbeeld de kwaliteit en de efficiency van het initiatief, vooral motieven in de sfeer van de doelstellingen van overheidsbeleid bepalend te zijn. Kerkelijke initiatieven kunnen bijvoorbeeld uitstekend passen in overheidsbeleid op het gebied van participatie en integratie van burgers.

119) Plaatselijke gemeenten kunnen van belang zijn voor het bevorderen van de sociale samenhang. Van hen mag worden verwacht dat zij daarvoor waar mogelijk samenwerken met andere kerken, alsmede met niet-christelijke geloofsgemeenschappen en andere levensbeschouwelijke organisaties. In dit veld kan men denken aan ontmoetingsavonden, taalcursussen e.d. Plaatselijke raden van kerken en platforms voor religie en levensbeschouwing kunnen hierin een grote rol spelen, maar zijn daarvoor in de praktijk sterk afhankelijk van de vraag of de aangesloten kerken en organisaties hen daartoe ook werkelijk in staat stellen.
In sommige plaatsen is de kerkelijke gemeente zelf uitgegroeid tot een belangrijke spil in het maatschappelijk leven. Onder erkenning van de eigen verantwoordelijkheden, bestaat er geen beletsel voor lokale overheden en kerkelijke gemeenten dan wel diaconieën om samen te werken.xxix Gedacht kan worden aan:
• het beschikbaar stellen van kerkelijke gebouwen voor maatschappelijke activiteiten, tegen een redelijke vergoeding; daarbij kan het bijvoorbeeld ook gaan om publieke manifestaties als de Herdenking van de Gevallenen;
• het aanbieden van godsdienstonderwijs op openbare scholen;
• het openstellen van jeugdwerkactiviteiten voor buitenkerkelijke jongeren;
• het organiseren van voedselbanken, maaltijden voor dak- en thuislozen;
• het organiseren van opbouwactiviteiten in nieuwbouw-, vinex- en vogelaarwijken;
• het organiseren van of ondersteunen van vrijwilligerswerk (klussen, schoonmaken, vervoer e.d.).

120) De overheid kan er belang bij hebben om het netwerk en de kennis van de kerkelijke gemeente in te zetten voor een goed sociaal beleid. Kerken staan veelal dichter bij de mensen dan de overheid. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een kerkelijke vertegenwoordiger wordt uitgenodigd om zitting te nemen in de plaatselijke WMO Raad en zo mee te praten over de manier waarop maatschappelijke ondersteuning vorm krijgt. Ook daarbij is oecumenische samenwerking is van groot belang. Steun van de overheid kan het voor de kerk(en) mogelijk maken om projecten uit te voeren die zij tot haar diaconale opdracht rekent en die niet door anderen worden uitgevoerd.

121) De plaatselijke gemeente mag van de lokale overheid verwachten,xxx dat zij:

|45|

• bereid is regelmatig contact te onderhouden met kerken en andere geloofsgemeenschappen; het beginsel van scheiding van kerk en staat daaraan niet in de weg;
• oog heeft voor de religieuze aspecten van bepaalde maatschappelijke vraagstukken;
• besluiten op subsidieaanvragen van kerken en andere geloofsgemeenschappen voor bijvoorbeeld activiteiten als hierboven genoemd, niet laat beïnvloeden door het gegeven dat het hier om religieuze organisaties gaat;
• aan het verlenen van subsidies geen voorwaarden verbindt die raken aan de overtuiging van de betrokken organisaties;
• aan openbare manifestaties van religieuze aard (zoals het publiekelijk dragen van ambtskleding of andere religieuze kleding, klokgelui of oproepen tot gebed) alleen wettelijk toegestane en uit de aard der zaak noodzakelijke beperkingen oplegt (bijvoorbeeld met het oog op gezondheid, verkeer of openbare orde en veiligheid), die de godsdienstvrijheid niet onevenredig beperken;
• zich naar vermogen mede inzet voor de instandhouding van belangrijk religieus en cultureel erfgoed, waarbij zowel geloofsgemeenschappen als de burgerlijke overheid, om deels verschillende redenen, belang hebben.
Op terreinen als deze dient de overheid op te treden op basis van volstrekte onpartijdigheid.

122) De plaatselijke gemeente kan niet van de overheid vragen dat zij zonder duidelijke gronden anders wordt behandeld dan andere organisaties als het gaat om zaken als vrijstelling van een bestemmingsplan, brandvoorschriften en dergelijke. Wel mag ook bij zulke zaken worden verwacht dat de overheid oog heeft voor het eigen karakter van bijvoorbeeld kerkgebouwen en geloofsgemeenschappen, in het licht van wat hierboven werd gesteld over ‘ongelijke behandeling van ongelijke gevallen’.
In een aantal gevallen bevat de wet zelf specifieke regelingen voor kerken en andere geloofsgemeenschappen, waarop de plaatselijke gemeente zich kan beroepen. Dat geldt bijvoorbeeld in de milieuwetgeving voor het toegestane geluidsniveau van klokgelui, en bij het toepassen van de geluidsnormen op kerkdiensten.

123) Bijzondere aandacht vraagt de rol van provinciale overheden, die immers eigen verantwoordelijkheden hebben op het gebied van bijvoorbeeld plattelandsontwikkeling, ruimtelijke ordening, de leefbaarheid van dorpen en woonkernen, en de instandhouding van religieus erfgoed. De structuur van de Protestantse Kerk in Nederland biedt geen voor de hand liggende gesprekspartners voor deze bestuurslaag. Daarom is nadere bezinning noodzakelijk op de vraag hoe de kerk met deze bestuurslaag contacten kan onderhouden.

 

De landelijke kerk

124) De civil society bevordert niet alleen de sociale samenhang, maar is tegelijk een belangrijk platform voor publieke opinievorming. De kerk levert ook hier haar bijdrage. Dit gebeurt allereerst doordat zij zelf een platform is voor moreel beraad. Gelovigen denken na over hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en maken hun eigen afwegingen over politieke participatie en publieke actie. De kerk steunt haar leden in het zoeken naar verbindingen tussen hun verantwoordelijkheid als christen en die als burger.

125) Het is hier dat de specifieke kwaliteit van de vrijheid van godsdienst het beste zichtbaar wordt. Dit recht garandeert niet alleen de ruimte om op basis van religieuze overtuigingen mee te doen aan het publieke debat of om een vereniging op te richten op levensbeschouwelijke grondslag. De godsdienstvrijheid erkent ten diepste dat mét het burgerschap van de nationale staat ook andere loyaliteiten van wezenlijk belang

|46|

kunnen zijn voor mensen. Het is voor de overheid niet altijd mogelijk de betekenis daarvan te onderkennen, maar zij dient zich daarvoor wel naar vermogen in te spannen. Christenen zullen de samenleving altijd onder het kritische licht van Gods beloften en geboden bezien. Gemeenteleden, theologen, predikanten en kerkelijke vertegenwoordigers en professionals leveren daarom ieder vanuit de eigen specifieke positie een bijdrage aan de publieke opinievorming.

126) De kerk als instituut wil naar vermogen deelnemen aan het morele debat in de civil society. Daarbij erkent zij de plurale samenleving, en zoekt zij het gesprek met allen die de samenleving ter harte gaat. Zij zal via gespreksnotities, en andere discussiebijdragen proberen het gesprek te verdiepen en waar nodig niet gehoorde stemmen te laten klinken. Het gaat er om zaken bespreekbaar te maken en het gesprek te faciliteren. Daarbij richt zij zich eerder op onderliggende morele vraagstellingen dan op politieke uitwerkingen. Wellicht leidt het debat over ethische kwesties uiteindelijk tot wijzigingen in het overheidsbeleid, maar de kerk heeft geen aspiraties om zich al te direct in de politiek te mengen. Ze beschikt in beginsel over dezelfde middelen als andere verbanden in de civil society om deel te nemen aan het publieke debat.
De kerk beseft dat de wijze waarop zij in het publieke debat in beeld komt wordt bepaald door vorm en inhoud en niet door bijvoorbeeld kerkordelijk vastgelegde bevoegdheden. Een interview met een kerkelijke vertegenwoordiger kan veel meer impact hebben dan een besluit van de generale synode. De kerk tracht positief in te spelen op de mogelijkheden die hier liggen.

127) Het kan nodig zijn dat de kerk zich bij monde van de generale synode of haar moderamen publiekelijk zeer kritisch opstelt tegenover de civil society en de overheid, omdat zij meent dat gerechtigheid en vrijheid, vrede en wederzijdse verantwoordelijkheid, duurzaamheid of veiligheid binnen de samenleving ernstig in de verdrukking komen. In dat geval gaat het niet om een ‘spreken namens de kerkelijke gemeenschap’, maar om een vorm van ambtelijk spreken. Het is niet mogelijk van te voren met meer nauwkeurigheid vast te leggen welke omstandigheden een dergelijk optreden noodzakelijk maken. Kerkordelijk is dit niet sluitend in te kaderen. Wanneer de kerk een dergelijk publiek getuigenis onontkoombaar acht, zoekt zij mogelijkheden om dit te doen samen met andere kerken, nationaal — in Raad van Kerken of CIO —, in Europa of wereldwijd.

 

Godsdienst en samenleving

128) De kerk vraagt aandacht voor de noodzaak van respect en terughoudendheid wat betreft ‘het heilige domein’, juist omdat recht en wet hier per definitie onvoldoende mogelijkheden hebben. Met wat voor anderen heilig is dient eenieder respectvol om te gaan.
Oprechte en beargumenteerde religiekritiek — in de zin van het aanwijzen van de verwevenheid van vormen van religie met bijvoorbeeld geweld en haat — is echter niet alleen aanvaardbaar maar zelfs geboden.

129) Vrijheid van meningsuiting is van fundamenteel belang voor het functioneren van de civil society en van de democratische rechtsstaat. Daarmee is ook het belang en de grote verantwoordelijkheid van een vrije pers gegeven. De kerk vraagt van alle betrokkenen, in het bijzonder voor zover zij zich tot de kerk rekenen, om zich bij voortduur bewust te zijn van de gevaren van eenzijdige en suggestieve berichtgeving en commentaren.

|47|

130) De kerk heeft te aanvaarden dat zij door velen gezien wordt als een vereniging van gelovigen, ook al doet dit geen recht aan haar zelfverstaan. Religieus geïnspireerde argumenten hebben op zichzelf geen enkele meerwaarde, maar ook geen mindere waarde dan niet-religieuze argumenten. In de door secularisatie gekenmerkte samenleving is momenteel echter sprake van een grote mate van ‘religieus analfabetisme’ en van onvoldoende inlevingsvermogen ten aanzien van religie. Godsdienst wordt door buitenstaanders nogal eens gezien als louter een zaak van meningen, of van een uniforme en autoritaire leer, op basis van gezagvolle teksten — en daarmee zonder meer afgewezen. Daarmee wordt geen recht gedaan aan de dynamiek van religie en aan de mensen die het betreft — voor wie bijvoorbeeld de levenspraktijk dikwijls minstens even essentieel is. Elke godsdienst heeft een potentieel tot verandering en aanpassing aan nieuwe eisen van de context.

131) Voor de instandhouding van de democratische rechtsstaat is de civil society en daarmee de inhoudelijke betrokkenheid van de burger bij de politiek van levensbelang. Mede door de — op zichzelf onvermijdelijke — grote rol van de media bij de beeldvorming en de vorming van de publieke opinie bestaat het gevaar dat het politieke leven verwordt van een forum tot een markt. Dan is niet meer de gezamenlijke bezinning op het welzijn van de samenleving als geheel het hart van de zaak, maar zoekt men in de politiek slechts naar een uitvergroting van het eigen belang. Burgers worden dan kopers, politici verkopers van specifieke belangen.

132) Daarom maakt de kerk zich zorgen over de neiging tot populisme in de politiek waardoor het vertrouwen in de politieke instellingen wordt geschaad. Democratie leeft echter juist van het vertrouwen van de burgers in haar instituties, niet primair in de personen die er invulling aan geven. Wantrouwen ten opzichte van degene die een politiek ambt vervullen heeft een negatief effect op het vertrouwen van de burgers in de instituties. Dat stelt hoge eisen aan de politiek verantwoordelijken. Daar ligt ook het belang van goed functionerende democratisch georganiseerde politieke partijen, waarin de leden ook werkelijk vorm kunnen geven aan hun verantwoordelijkheid.

 

Internationale dimensies

133) De kerk zoekt haar weg in een maatschappij die in toenemende mate onderdeel is van een wereldwijd netwerk en waarin de vanzelfsprekendheid van het geloof steeds verder afneemt. De kerk is in Nederland inmiddels een minderheid geworden. In Gemeente-zijn in de mondiale samenleving gaf de hervormde synode aan dat deze nieuwe situatie een blikverruiming met zich brengt. Immers, de verbondenheid met in alle landen verspreide groepen van navolgers van Christus komt in de plaats van ‘bindingen aan de “christelijkheid” van eigen volk en samenleving’.xxxi De kerk kijkt meer en meer over de nationale grenzen heen.

134) De Nederlandse rechtsorde laat zich niet meer los denken van een internationale rechtsorde, die zich gaandeweg verder ontwikkelt. In het bijzonder is het Nederlandse staatsrechtelijk bestel nauw verweven met de Europese Unie. De kerk ziet de EU — geworteld als zij is in het streven naar vrede, verzoening en solidariteit na de Tweede Wereldoorlog — niet als een bedreiging van nationale voorrechten en belangen, maar veeleer als een extra mogelijkheid om te bouwen aan een maatschappelijke ordening naar hoge maatstaven van recht en solidariteit. Daarvoor vormt ook de Raad van Europa met het daaraan verbonden Europese Hof voor de Rechten van de Mens een belangrijk instrument.

|48|

135) Internationale oecumenische samenwerking biedt de mogelijkheid om als kerken gezamenlijk present te zijn binnen Europa, en daarbuiten. Binnen Europa ontwikkelt de Gemeenschap van Protestantse Kerken in Europa (Leuenberger Kerkengemeenschap) zich gaandeweg tot een gezamenlijke protestantse stem. Waar mogelijk wordt binnen de Conferentie van Europese Kerken, nauw samenwerkend met haar rooms-katholieke evenknie, de verbreding naar alle grote christelijke tradities gezocht. Op mondiaal vlak is het vooral de Wereldraad van Kerken die zich geroepen weet om — in samenspel met de confessionele wereldbonden — de inbreng van de kerken in het politieke en maatschappelijke debat vorm te geven.

136) Kerk in Actie, samenwerkend met ICCO, heeft een eigen — zij het niet exclusieve — opdracht gestalte te geven aan deze wereldwijde verbondenheid. Zij bevordert bewustwording, kennis en inzicht in de gemeenten wat betreft de internationale dimensies van recht en onrecht, van economie en de bedreiging van het milieu, van menselijke nood en menselijke macht. Zij zet zich namens de kerk in voor het geven van tekenen van hoop in deze wereld, en zij stimuleert en helpt de gemeenten binnen de in Kerk in Actie samenwerkende kerken om daarin een eigen rol te spelen.

PKN GS KTO 09-05 Bijl

|49|

 

Bijlage

 

Artikel XVI van de Onveranderde Augsburgse Confessie

Over de burgerlijke zaken
Over publieke zaken wordt geleerd, dat wettige publieke ordeningen goede werken Gods zijn en dat het christenen geoorloofd is publieke ambten te bekleden, rechtte spreken, een oordeel te vellen over rechtszaken naar keizerlijke en andere geldende wetten, straffen op te leggen, rechtsgeldige oorlogen te voeren, soldaat te zijn, wettelijke overeenkomsten af te sluiten, eigendom te bezitten, een eed te zweren als dat publiekelijk vereist is, een vrouw te trouwen.
Vervloekt worden de wederdopers die de christenen deze publieke ambten verbieden.
Veroordeeld worden ook zij, die de evangelische volmaaktheid niet vinden in godsvrucht en geloof, maar in het opgeven van publieke ambten. Want het Evangelie schenkt de eeuwige gerechtigheid van het hart, schaft echter tussentijds politiek en maatschappij niet af, maar eist nadrukkelijk dat ze bewaard blijven als ordeningen van Godswege, en dat binnen die ordeningen de liefde wordt beoefend. Derhalve moeten christenen hun publieke overheden en wetten gehoorzamen, tenzij ze bevelen te zondigen. Dan moeten ze immers God meer gehoorzamen dan de mensen, Hand. 5 [:29].

 

Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

De overheid
Wij geloven dat onze goede God, vanwege de verdorvenheid van het menselijk geslacht, koningen, vorsten en overheden heeft ingesteld. Hij wil namelijk dat de wereld geregeerd wordt door wetten en verordeningen, opdat de ongebondenheid van de mensen bedwongen wordt en alles in goede orde onder hen toegaat. Hiertoe heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven om te bestraffen hen die kwaad doen [Rom. 13: 4] en te beschermen de goeden. En hun taak is niet alleen acht te geven op de openbare orde en daarover te waken, maar ook de hand te houden aan de heilige bediening van de kerk, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, het rijk van de antichrist te vernietigen en het koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het woord van het Evangelie overal te doen prediken, opdat God door een ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt.
Verder is ieder, van welke hoedanigheid, rang of stand hij ook mag zijn, verplicht zich aan de overheden te onderwerpen, belastingen te betalen, hun eer en eerbied te bewijzen en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen die niet in strijd zijn met het Woord van God. leder dient voor hen te bidden, opdat de Here hen wil leiden in al hun wegen en opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid [1 Tim. 2:2].
Daarom wijzen wij de wederdopers af en andere oproerlingen en in het algemeen allen die overheden en magistraten verwerpen en de rechtsorde omver willen stoten door het invoeren van de gemeenschap van goederen en de goede zeden, die God onder de mensen ingesteld heeft, verstoren.

 

(Teksten naar K. Zwanepol en C.H. van Campenhout (red.), Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland, Heerenveen 2004)

PKN GS KTO 09-05 Not

|50|

 

Noten

 

i Tekst naar K. Zwanepol en C.H. van Campenhout (red.), Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland, Heerenveen 2004, 189v.
iiFundamenten en Perspectieven van Belijden, artikel 16
iiiChristen-zijn in de Nederlandse samenleving, 20
ivDe politieke verantwoordelijkheid van de kerk, 18
v idem, 24
vi W.J. Kooiman, Luther’s getuigenis in de oorlog tegen de Turken — een hoofdstuk uit zijn leer der twee rijken, Ned. Bond ‘Maarten Luther’, Hoorn z.j. [1959], 36. Vgl. ook: W. BIeij, ‘Twee rijken’, in: E. Hallewas/H. Mudde (red.), Luthers gezien, een oude traditie in een nieuwe kerk, Kok: Kampen 2009, p.39v.
vii a.w., 37.
viii Vgl. Acta van de generale synode van de GKN Dordrecht 1971, art. 375; vgl. ook het studierapport Het spreken van de kerk in de samenleving (1972).
ixVerklaring van Overeenstemming, in: B. Wallet e.a. (red.), Werkboek voor Samen op Weg, Boekencentrum: ’s-Gravenhage/Zoetermeer, 1989-2000, p. (4-)1-18, 1v.
xVerklaring van Overeenstemming, 17
xi Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2003) Waarden, normen en de last van het gedrag, Amsterdam, Amsterdam University Press 2003, 72-75. Voor een overzicht zie: W. van der Burg (2005). Over religie, moraal en politiek. Een vrijzinnig alternatief, Kampen, Ten Have, 30-35.
xii Vgl. Verdrag van Lissabon, art. 16C
xiii Vgl. T. Bernts, G. Dekker en J. de Hart (2007), God in Nederland 1996-2006, Kampen. Ten Have, 93-96. Overigens gaat blijkens ditzelfde onderzoek nog altijd 61% van de kinderen in Nederland naar een confessionele basisschool.
xiv Vgl. G. van den Brink. ‘Hoger, harder, sneller... en de prijs die men daarvoor betaalt’, in: P.T. de Beer, C.J.M. Schuyt (red). Bijdragen aan waarden en normen, Amsterdam, Amsterdam University Press 2004, 15-38, 23-24.
xv T. Bernts, G. Dekker en J. de Hart (2007), God in Nederland 1996-2006, Kampen. Ten Have, 99; de score van politieke partijen ligt beneden de 20%, vgl. p. 98 en 208.
xvi Vgl. een recente Verkenning van de Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid, Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, AUP: Amsterdam 2006.
xvii Vgl. Leuenberger Kirchengemeinschaft, Evangelische Texte zur ethischen Urteilsfindung, Leuenberger Texte 3, Lembeck: Frankfurtam Main 1997.
xviiiDe politieke verantwoordelijkheid van de kerk, 18
xixDignitatis Humanae, artikel 2
xx Dit onderscheid is geïntroduceerd door prof. W. van der Burg; vgl. van zijn hand: Het ideaal van de neutrale staat. Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op

|51|

godsdienst en cultuur, Boom: Den Haag 2009. Het werd eerder van hem overgenomen door de gemeente Amsterdam, in de Notitie Scheiding Kerk en Staat (van juni 2008). Een recente brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten biedt op dit punt ook interessante aanknopingspunten. Vgl. Vereniging van Nederlandse Gemeenten/Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkszaken, Tweeluik religie en publiek domein. Handvatten voor gemeenten, 2009, 12; http://www.vng.nl/Documenten/Extranet/Gemeenterecht/2009/Tweeluik%20Religie%20en%20publiek%20domein.pdf
xxi “Man’s capacity for justice makes democracy possible, but man’s inclination to injustice makes democracy necessary”, in: R. Niebuhr, The Children of Light and the Children of Darkness, New York 1944, 19.
xxii Vgl. voor het volgende ook de nota Het Israëlisch-Palestijns conflict in de context van de Arabische wereld van het Midden-Oosten. Bijdrage tot de meningsvorming in de Protestantse Kerk in Nederland, 39 (zie: http://www.pkn.nl/5/site/uploadedDocs/Nota_Israelisch_Palestijns_conflict_11_april_2008.pdf)
xxiii „Die politische Verantwortung ist im Sinne Luthers ,Beruf aller Burger in der Demokratie”, in: Evangelische Kirche und freiheitliche Demokratie. Der Staat des Grundgesetzes als Angebot und Aufgabe, Gütersloh 1985, 16, vgl. 22v.
xxiv Vgl. Leuenberger Kirchengemeinschaft, Kirche — Volk — Staat — Nation. Ein Beitrag zu einem schwierigen Verhältnis, Leuenberger Texte 7, Lembeck: Frankfurt am Main 1997, 150-154
xxv Vgl. artikel XI lid 1 en 2 PKO.
xxvi Zo stelt de Accra Verklaring, die in 2005 ook door de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland werd besproken, de genoemde kerken voor indringende vragen van geloof en belijden als het gaat om de toenemende urgentie van het wereldwijde economisch onrecht en de ecologische verwoesting. Vgl. Accra Verklaring, http:// www. pkn.nl/site/uploadedDocs/Accra.pdf
xxvii Vgl. Leuenberger Kirchengemeinschaft, Kirche — Volk — Staat — Nation. Ein Beitrag zu einem schwierigen Verhältnis, Leuenberger Texte 7, Lembeck: Frankfurt am Main 1997, 151vv.
xxviii Vgl. Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 18.
xxix Vgl. VNG e.a., Tweeluik religie en publiek domein. Handvatten voor gemeenten
xxx Vgl. ook: S.C. van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2008
xxxiGemeente-zijn in de mondiale samenleving. Pastorale Handreiking van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, ’s-Gravenhage, Boekencentrum 1988, 38.