Heuvel, P. van den e.a. (2004) H6

158-191

|158|

6 De ambtelijke vergaderingen

 

Ord. 4 over de ambtelijke vergaderingen moet worden gelezen tegen de achtergrond van art. VI (zie daarover § 1.2.4). Ze geeft allereerst een aantal algemene bepalingen. In de volgende hoofdstukken van ord. 4 worden achtereenvolgens de kerkenraad (hoofdstuk II), de classicale vergadering (hoofdstuk III), de evangelisch-lutherse synode (hoofdstuk IV) en de generale synode (hoofdstuk V) besproken. Zie voor een overzicht van de ambtelijke vergaderingen en hun samenstelling het organigram in de bijlagen (bijlage 1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1

6.1 Algemeen

In het eerste hoofdstuk heeft een aantal van de algemene bepalingen speciaal betrekking op de ambtelijke vergaderingen, terwijl andere een bredere werking hebben. Zo gelden de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming ook voor andere kerkelijke lichamen, terwijl de plicht tot geheimhouding niet tot de ambtsdragers beperkt is.

In ord. 4-1-1 wordt er aan herinnerd dat aan de ambtelijke vergaderingen de leiding in de kerk is toevertrouwd, maar wordt met name onderstreept dat ze zich daarbij niet als ‘machtsorganen’ behoren te gedragen. Er wordt iets gezegd over de stijl van werken in de ambtelijke vergaderingen. Er wordt geluisterd naar de Schrift en naar elkaar. We proberen elkaar niet te overtroeven, maar de eenheid en de vrede te dienen.

In ord. 4-1-2 wordt opnieuw benadrukt dat in de ambtelijke vergaderingen een goede balans bewaard moet worden tussen de verantwoordelijkheid die men in de vergaderingen gemeenschappelijk draagt en de bijzondere verantwoordelijkheid die aan elk van de drie ambten is toevertrouwd (zie daarover ook ord. 3-8-1 en § 5.4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.1

6.1.1 Geheimhouding

In de kerk moet men elkaar kunnen vertrouwen. Dat is van essentieel belang voor het pastoraat, voor diaconale hulpverlening, voor alle situaties waarin vertrouwelijke zaken aan de orde komen. Daarom is de bepaling over de geheimhouding breed geformuleerd.

Het gaat om zaken die een vertrouwelijk karakter dragen. Het is niet mogelijk in een regeling nauwkeuriger aan te geven welke zaken dat zijn. Dat vraagt fijngevoeligheid. Maar het is van groot belang dat we in de kerk zorgvuldig omgaan met persoonlijke gegevens. Men moet zich veilig kunnen voelen in wat men aan anderen toevertrouwt.

|159|

De geheimhoudingsplicht geldt niet alleen dienstdoende ambtsdragers, maar blijft ook van kracht nadat ze hun ambt hebben neergelegd. Ze geldt bovendien voor alle anderen die binnen kerk of gemeente een dienst of functie vervullen, een opdracht uitoefenen of een taak waarnemen (zie § 5.5.2).

Als in ord. 4-2-1 de uitdrukking ‘ter kennis komen’ wordt gebruikt, wordt daarmee aangegeven dat de plicht tot geheimhouding niet alleen betrekking heeft op wetenschap die men onder de belofte van geheimhouding heeft verkregen, maar zich ook uitstrekt over iets dat men ‘toevallig’ heeft gehoord of over informatie die door anderen is verstrekt. Als het daarin gaat over zaken die kennelijk een vertrouwelijk karakter dragen, is geheimhouding geboden.

Specifieke bepalingen met betrekking tot de bescherming van geregistreerde gegevens zijn te vinden in de generale regeling ledenregistratie (art. 3-5 t/m 7). De registratie moet uit het oogpunt van de bescherming van de privacy voldoen aan de Wet bescherming persoonsgegevens. In de registers van de gemeente mogen kerkelijke gegevens dan ook alleen worden opgenomen voorzover daarmee de geheimhouding niet wordt geschonden (G.R. ledenregistratie, art. 7-1). Zie over deze regeling ook § 4.2.

De vraag of en in hoeverre het ambtsgeheim ‘gedeeld’ kan worden — bijvoorbeeld in een pastoraal beraad binnen de kerkenraad — wordt door de kerkordelijke regels niet beantwoord. In het algemeen zal daarvoor eerst van de betrokkene toestemming verkregen moeten worden. Er wordt in de bepalingen evenmin aangegeven of er in sommige situaties ook sprake zou kunnen zijn van een meldingsplicht, bijvoorbeeld bij vermoeden van kindermishandeling. Het is duidelijk dat de plicht tot geheimhouding zwaar moet wegen, maar er kan niet zonder meer van een absolute geheimhoudingsplicht worden gesproken. In sommige situaties zal men een beslissing moeten nemen waarbij men belangen tegen elkaar afweegt: enerzijds het belang van geheimhouding en anderzijds het belang van de bescherming van een slachtoffer dat zich niet verweren kan.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.2

6.1.2 Meerdere vergaderingen

Hoewel ze al in art. VI-11 worden genoemd, wordt hier pas aangegeven wat onder het begrip ‘meerdere vergaderingen’ moet worden verstaan: het zijn alle ambtelijke vergaderingen behalve de kerkenraad of algemene kerkenraad.

De meerdere vergaderingen in de Protestantse Kerk in Nederland zijn dus:
- de classicale vergadering en de algemene classicale vergadering,
- de evangelisch-lutherse synode en
- de generale synode.

Een kenmerk van de ambtelijke vergaderingen is dat daarin de drie ambten bijeen zijn: predikanten, ouderlingen en diakenen. Daarin onderscheiden ambtelijke vergaderingen zich van andere vergaderingen waarin ambtsdragers bijeenkomen, zoals bijvoorbeeld de werkgemeenschappen van predikanten en de colleges

|160|

van diakenen en van kerkrentmeesters. Een kenmerk van de meerdere ambtelijke vergaderingen is bovendien dat ze worden gevormd door afgevaardigde ambtsdragers. Omdat ze afgevaardigd zijn, vertegenwoordigen ze in zekere zin de vergadering die hen gezonden heeft. Als in de classicale vergadering de afgevaardigden van de kerkenraden aanwezig zijn, zijn als het ware de kerkenraden zelf samengekomen voor onderling beraad en besluitvorming.

Toch zijn de leden van de meerdere vergaderingen niet in de eerste plaats vertegenwoordigers. Ze komen als ambtsdragers bijeen. Daarom handelen ze ‘zonder last of ruggespraak’ (ord. 4-3-2). Ze nemen beslissingen zonder eerst de ‘achterban’ te moeten raadplegen. Ze hebben een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid. Een ambtelijke vergadering kan de afgevaardigden die door haar worden gekozen niet opleggen hoe ze stemmen moeten.

 

Er wordt wel gevraagd of de algemene classicale vergadering tot de meerdere vergaderingen moet worden gerekend. Ze wordt immers niet met zoveel woorden genoemd in art. VI-2, waar de ambtelijke vergaderingen worden opgesomd. Deze vraag is steeds als volgt beantwoord: de algemene kerkenraad en de wijk-kerkenraden worden niet afzonderlijk als ambtelijke vergadering genoemd in art. VI-2, omdat ze beide worden beschouwd als een verschijningsvorm van het ‘verzamelbegrip’ kerkenraad.

Zo is de algemene kerkenraad in een gemeente met wijkgemeenten een eigen gestalte van de kerkenraad: een kerkenraad voor de gemeente als geheel, met eigen — zij het beperkte — ambtelijke verantwoordelijkheden, gevormd door leden die uit hun midden door de wijkkerkenraden zijn aangewezen. Op dezelfde wijze is de algemene classicale vergadering voor een grotere regio een eigen gestalte van de classicale vergadering: met eigen — zij het beperkte — ambtelijke verantwoordelijkheden die het gehele gebied betreffen, gevormd door leden die uit haar midden door de classicale vergaderingen zijn aangewezen.

Maar zoals de algemene kerkenraad niet de meerdere vergadering is van de wijkkerkenraden (hij bestaat niet uit ‘afgevaardigden’ van de wijkkerkenraden, de leden van de algemene kerkenraad worden aangewezen door de wijkkerkenraden, aldus ord. 4-9-2), zo is ook de algemene classicale vergadering niet de meerdere vergadering van de classicale vergadering (de leden worden aangewezen door de classicale vergadering, aldus ord. 4-19-2). Ten opzichte van de kerkenraden is de algemene classicale vergadering echter wel een meerdere vergadering. De kleine kerkenraad en de kleine synode worden aangeduid en zijn te beschouwen als een breed moderamen (resp. ord. 4-10-1 en ord. 4-27-4) en oefenen net als de overige brede moderamina ambtelijke taken uit omdat de leden deel uitmaken van de ambtelijke vergadering die hen heeft gekozen. Zij hebben als breed moderamen eigen beslissingsbevoegdheden ontvangen.

 

De bijeenkomsten van de meerdere vergaderingen zijn in principe openbaar (ord.

|161|

4-3-3). Als daar aanleiding toe is, kan men ‘in comité’ (dus achter gesloten deuren) vergaderen, bijvoorbeeld als er vertrouwelijke zaken aan de orde zijn of als er gesproken moet worden over personen. Bij de brede moderamina is het tegenovergestelde het geval: daar zijn de vergaderingen in principe niet openbaar. Zij kunnen echter besluiten leden van de kerk tot de vergadering toe te laten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.3

6.1.3 Kerkelijk lichaam

In de ordinanties is veelvuldig sprake van een kerkelijk lichaam (zie ook art. XIV-2). Onder kerkelijke lichamen worden niet alleen de ambtelijke vergaderingen verstaan, maar ook alle andere organen en colleges die in de kerkorde worden genoemd en alle vaste en tijdelijke commissies die door de kerkelijke organen en colleges zijn ingesteld.

Een (tijdelijke) restauratiecommissie die door het college van kerkrentmeesters is ingesteld, is dus evenzeer een kerkelijk lichaam als de generale synode. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs valt er net zo goed onder als de taakgroep eredienst van een gereformeerde kerk of de commissie jeugdwerk van een hervormde gemeente.

Het belang van deze bepaling is dat daarmee de regelingen van al deze kerkelijke organen en instanties onder de werkingssfeer van het kerkrecht worden gebracht (ord. 4-4-2): zij hebben zich bijvoorbeeld te houden aan de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming (ord. 4-5) en zijn onderworpen aan de kerkelijke rechtspraak (ord. 12-3-1).

Ord. 4-4-3 geeft aan dat het lidmaatschap van een kerkelijk lichaam automatisch eindigt als niet langer wordt voldaan aan de kerkordelijke voorwaarden die aan dat lidmaatschap worden gesteld. Een voorbeeld: de leden van een regionaal college voor het opzicht worden benoemd uit de predikanten en ouderlingen van de betreffende regio. Als een predikant-lid verhuist naar de andere kant van het land, of als de ambtstermijn van een ouderling-lid is verstreken, vervalt daarmee automatisch hun lidmaatschap van het college (behalve natuurlijk wanneer op de ouderling ord. 3-7-3 wordt toegepast).

 

Ord. 4-4 geeft een brede omschrijving van kerkelijke lichamen, zodat vrijwel alle organen of bijeenkomsten waarin kerkelijke bevoegdheden worden uitgeoefend, daaronder vallen. Er zijn twee uitzonderingen:
- een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden geldt niet als kerkelijk lichaam; de gemeentevergadering moet veelmeer worden beschouwd als een incidentele bijeenkomst onder leiding van de kerkenraad;
- een stichting wordt niet als een kerkelijk lichaam beschouwd: ze wordt geregeerd door haar eigen statuten en niet door de kerkorde. Overigens worden aan een protestantse stichting in de generale regeling stichtingen, art. 3, voorwaarden gesteld waardoor een aantal kerkordelijke bepalingen op een protestantse stichting wel van toepassing is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.4

|162|

6.1.4 Besluitvorming

In ord. 4-5 is een aantal voorschriften met betrekking tot besluitvorming in kerkelijke lichamen opgenomen. Omdat een gemeentevergadering niet wordt beschouwd als kerkelijk lichaam (zie boven) gelden deze voorschriften dus niet (zonder meer) voor bijeenkomsten waarin de verkiezing van ambtsdragers plaatsvindt. In de plaatselijke verkiezingsregeling kunnen overigens ord. 4-5-2 en 3 wel van toepassing worden verklaard (zie § 5.1.1).

In ord. 4-5 is de eerste zin misschien wel de belangrijkste: om een besluit te kunnen nemen wordt er eerst overlegd en gezocht naar overeenstemming. Dat hangt samen met het kerkelijk karakter waarover bij ord. 4-1 is gesproken. De beste besluitvorming is die waarbij niet gestemd hoeft te worden omdat er overeenstemming is bereikt.

In de praktijk zal dat niet altijd mogelijk zijn: in de kerk moeten we dan op een ordelijke manier met verschillen van inzicht omgaan. De meerderheid heeft zoveel mogelijk rekening te houden met de gevoelens van de minderheid, maar op een gegeven moment zal een besluit moeten vallen, waarbij met meerderheid van stemmen wordt beslist. Daarbij is een gewone of enkelvoudige meerderheid voldoende, dus elk percentage boven de 50 (de kerkorde kent niet de regel dat een meerderheid van ‘de helft plus één’ vereist is).

In enkele gevallen is er sprake van een dermate zwaarwegend besluit dat de kerkorde uitdrukkelijk een gekwalificeerde meerderheid van twee derde van de uitgebrachte (geldige) stemmen voorschrijft (art. XVIII-5, ord. 1-4-2, ord. 1-5-7, ord. 3-21-1 en ord. 10-10-2). In ord. 3-4-6 wordt een twee derde meerderheid voorgeschreven om een voldoende draagvlak voor het beroepen van een predikant te waarborgen.

Blanco stemmen tellen bij het bepalen van de uitslag niet mee, zodat er geen feitelijk verschil is met ‘zich onthouden van stemming’. Bij een gewone stemming door 18 aanwezigen geldt bij de uitslag ‘7 voor, 6 tegen, 5 blanco’ het besluit dus als wettig genomen. In de kerk hoort overigens het uitgangspunt te zijn dat alle leden hun stem uitbrengen. Er moeten zwaarwegende redenen zijn om zich van stemming te onthouden: door het uitbrengen van een stem delen we in de verantwoordelijkheid voor de besluitvorming.

 

In principe wordt over zaken mondeling gestemd en over personen schriftelijk. Maar bij stemming over zaken kan om schriftelijke stemming worden gevraagd, bijvoorbeeld als de zaken erg gevoelig liggen. Over personen kan niet mondeling worden gestemd, behalve als er geen tegenkandidaten zijn en niemand bezwaar heeft tegen een benoeming ‘bij acclamatie’. Als de stemmen twee keer staken, is het besluit verworpen of is (als de vergadering slechts de keuze uit één kandidaat heeft) de kandidaat niet benoemd. Als er keuze is tussen twee of meer kandidaten en — na eventuele tussenstemmingen — de stemmen blijven staken, beslist het

|163|

lot. Vroeger gaf in een dergelijke situatie meestal de leeftijd de doorslag en werd de oudste verkozen verklaard. Maar ook de verkiezing door het lot heeft goede bijbelse papieren (Hand. 1: 26).

Een voorbeeld hoe een verkiezing kan plaatsvinden als er meer kandidaten zijn dan er verkozen moeten worden, is te vinden in § 5.3.2.

 

Ord. 4-5-4 regelt het quorum. Er kan pas een wettig besluit genomen worden als in de vergadering van een kerkelijk lichaam het vereiste quorum aanwezig is. Tenminste de helft van het aantal leden, zoals dat is vastgesteld, moet ter vergadering aanwezig zijn. Het aantal leden van een (wijk)kerkenraad wordt vastgesteld bij besluit van de (wijk)kerkenraad zelf (ord. 4-6-3). Het is voor het vaststellen van het aantal leden van de (wijk)kerkenraad van belang dat er rekening gehouden wordt met het feit dat dit aantal consequenties heeft voor het vaststellen van het quorum. Bij het vaststellen van het aantal worden de boventallige leden steeds meegeteld. Zij hebben immers ook stemrecht.

Het vastgestelde aantal leden van de overige ambtelijke vergaderingen blijkt in de regel uit het rooster waarin wordt vastgelegd welk ‘type’ ambtsdrager moet worden aangewezen of afgevaardigd.

Zie voor het rooster
- van de algemene kerkenraad: ord. 4-9-2;
- van de classicale vergadering: ord. 4-14-3;
- van de algemene classicale vergadering: ord. 4-19-2;
- van de generale synode: ord. 4-25-3.

De evangelisch-lutherse synode telt 36 leden (ord. 4-22-2).

Door toepassing van aanvullende bepalingen kan het vastgestelde aantal leden overigens soms groter zijn dan het rooster van afvaardiging aangeeft. Ord. 3-4-8 en ord. 3-6-7 geven aan de algemene kerkenraad de mogelijkheid om boventallige leden te verkiezen. Ord. 4-14-1 maakt het de classicale vergadering mogelijk zelf enkele predikanten tot lid te benoemen; door toepassing van ord. 4-25-5 kan het aantal synodeleden met ten hoogste tien toenemen.

In een algemene kerkenraad die volgens de plaatselijke regeling uit 18 ambtsdragers moet bestaan, moeten dus tenminste 9 leden aanwezig zijn, ook als men met een flink aantal hardnekkige vacatures te kampen heeft.

Op een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden met het oog op de verkiezing van een predikant is de quorumbepaling niet van toepassing, omdat deze vergadering niet geldt als een kerkelijk lichaam (zie § 5.2.2 en § 6.1.3).

Als het quorum niet aanwezig is, kan een besluit over het voorstel pas op zijn vroegst twee weken later worden genomen, in een volgende vergadering die afzonderlijk wordt geagendeerd. In die volgende vergadering kan een besluit worden genomen zelfs als minder dan de helft van het aantal leden aanwezig is. Op deze wijze wordt voorkomen dat een aanzienlijk deel van de vergadering zou worden overrompeld met een besluitvorming die door dat deel ongewenst wordt

|164|

geacht, maar wordt het ook mogelijk gemaakt uiteindelijk tot besluitvorming te komen ook als er van hardnekkig absenteïsme sprake is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2

6.2 De kerkenraad

Ord. 4-6 zet in met een aantal fundamentele uitgangspunten:
- elke gemeente heeft een kerkenraad; binnen de Protestantse Kerk in Nederland is geen gemeente denkbaar zonder kerkenraad, al hoeven ze niet allemaal dezelfde omvang te hebben en aan dezelfde vereisten te voldoen;
- de kerkenraad wordt gevormd door de ambtsdragers van de gemeente; daarmee wordt gezegd dat alle ambtsdragers van de gemeente deel uitmaken van de kerkenraad; het is niet mogelijk om als ambtsdrager bevestigd te worden onder de voorwaarde dat men vrijgesteld wordt van het lidmaatschap van de kerkenraad;
- in de kerkenraad zijn de drie ambten aanwezig: van predikant, ouderling en diaken.

Zie voor de kerkenraad en zijn organen van bijstand het organigram in bijlage 2.

 

De hoofdregel voor de samenstelling van de kerkenraad wordt gegeven in ord. 4-6-3.

Regel is dat aan een gemeente een predikant is verbonden. Bij een gewone vacature wordt een consulent ingeschakeld die door het breed moderamen van de classicale vergadering of door het ringverband wordt aangewezen. Er zijn echter omstandigheden waardoor een gemeente voor langere tijd geen predikant kan beroepen. In dat geval zijn er ook andere voorzieningen mogelijk (bijv. ord. 3-27-5 en 6 en G.R. kerkelijk werkers, art. 7-4).

Naast de predikant telt de kerkenraad in elk geval twee ‘gewone’ ouderlingen, twee beheersouderlingen en drie diakenen. Wat de diakenen betreft: er zijn drie diakenen nodig om een college van diakenen te kunnen vormen (zoals in ord. 11-3-1 is voorgeschreven). Het college van kerkrentmeesters bestaat ook uit drie leden (ord. 11-2-2), maar één van hen kan niet-ambtsdrager zijn. Daarom volstaat ord. 4-6-3 met tenminste twee ouderlingen-kerkrentmeester. In totaal bestaat een kerkenraad dus uit minimaal 8 ambtsdragers.

Voor kleine gemeenten wordt een uitweg geboden in ord. 4-6-4. Voor hen blijkt het soms onmogelijk om zeven gemeenteleden bereid te vinden een ambt in de gemeente te vervullen. In een gemeente met minder dan 300 leden (doopleden en belijdende leden samen) kan een regeling worden getroffen waarbij met een kleiner aantal ambtsdragers wordt volstaan. In de regeling moet dan wel worden aangegeven hoe de noodzakelijke taken worden vervuld. Soms kan dat door een andere onderlinge taakverdeling (bijvoorbeeld doordat een ouderling-kerkrentmeester ook voluit een pastorale taak op zich neemt, of doordat een diaken wordt

|165|

ingeschakeld bij het huisbezoek), soms moet er voor bepaalde taken hulp van buiten worden gezocht. Er kan worden afgesproken dat er slechts één ambtsdrager naar de classicale vergadering wordt afgevaardigd, in plaats van het gebruikelijke aantal van twee (ord. 4-14-2). Voor deze regeling is medewerking en goedvinden van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist. Het breed moderamen moet dus bij de plannen worden betrokken en goedkeuring verlenen.

 

In ord. 4-6-5 is een andere situatie aan de orde. Hier is sprake van een bestuurlijk vacuüm: minder dan de helft van het reguliere aantal ambtsdragers is nog aanwezig of in functie. Iets dergelijks kan zich voordoen als (een groot deel van) de kerkenraad het ambt heeft neergelegd vanwege hevige conflicten, als van een aantal ambtsdragers de ambtsvervulling tijdelijk is opgeschort (ord. 10-9-4), als op hen een middel van kerkelijke tucht is toegepast (ord. 10-9-7 sub b t/m d), al dan niet na een procedure voor het college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-6-3).

In dat geval rust op het breed moderamen van de classicale vergadering de taak om te bepalen hoe de werkzaamheden voortgang kunnen vinden. Het pleegt daarbij overleg met de overgebleven kerkenraadsleden en het zal hen daarbij als regel zoveel mogelijk inschakelen. Maar als dat voor het herstel van de normale verhoudingen dienstig is, kan het breed moderamen ook bepalen dat bepaalde taken tijdelijk door anderen worden waargenomen.

 

Ord. 4-6 sluit af met twee praktische bepalingen: de kerkenraad kan besluiten de kerkelijk werkers die in een bediening zijn gesteld, zijn vergaderingen geheel of gedeeltelijk te laten bijwonen als adviseur. Hij kan bovendien predikanten met bijzondere opdracht die aan de gemeente verbonden zijn (bijvoorbeeld een ziekenhuispredikant die door de kerkenraad beroepen is) en andere dienstdoende predikanten die lid zijn van de gemeente (bijvoorbeeld een predikant in algemene dienst) tot lid van de kerkenraad benoemen. Deze is dan als predikant lid van de kerkenraad en heeft daarin volledig stemrecht. Het is verstandig dat de kerkenraad bij de benoeming ook de termijn en de mogelijkheid van herbenoeming vastlegt, waarbij het voor de hand ligt daarbij de gebruikelijke regelingen te volgen (dus: benoeming voor vier jaar met voor eenmaal de mogelijkheid van aansluitende herbenoeming).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.1

6.2.1 Arbeidsveld

De aanduiding van de taken van de kerkenraad in ord. 4-7-1 is niet bedoeld als een uitputtend overzicht. Dat blijkt al uit de slotwoorden van de bepaling: ‘het verrichten van alles wat verder naar de orde van de kerk van hem wordt gevraagd’. Bij die andere taken zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan de

|166|

verkiezing van de ambtsdragers, waarbij de kerkenraad een leidinggevende taak heeft. Bij sommige taken worden andere instanties ingeschakeld, zoals bij het totstandkomen van het beleidsplan waarbij het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen zijn betrokken (zie ord. 11-2-7 sub a en ord. 11-3-4 sub a). De meeste genoemde taken komen elders afzonderlijk aan de orde.

Eén van de taken wordt in ord. 4-7-2 verder uitgewerkt: het vaststellen van de plaatselijke regeling. Daarin dienen in elk geval drie regelingen te worden opgenomen:
- de regeling voor de verkiezing van ambtsdragers (zie ord. 3-2-2, besproken in §5.1.1);
- de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad (ord. 4-8-6, zie § 6.2.2);
- de beheersregeling (zie § 12.3.3). Merkwaardig genoeg zwijgen de ordinanties verder over deze regeling; zelfs in ord. 11 wordt er niet over gerept, terwijl daar wel naar de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad wordt verwezen: in ord. 11-6-4 en ord. 11-7-2.

In het ‘modellenboek’ zijn voor deze regelingen voorbeelden te vinden, voorzien van een toelichting.

De regelingen worden bij eerste vaststelling of latere wijziging opgestuurd naar het breed moderamen van de classicale vergadering. Er hoeft geen goedkeuring voor de regelingen te worden gevraagd, maar het breed moderamen kan natuurlijk wel met de kerkenraad contact opnemen als het constateert dat een regeling bepalingen bevat die in strijd zijn met de kerkorde. Zoals we al eerder zagen, hebben dergelijke bepalingen geen rechtskracht (ord. 4-4-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.2

6.2.2 Werkwijze

Een kerkenraad vergadert minstens zes maal per jaar. Een kerkenraad is niet alleen een bestuursorgaan, ook al is hem opgedragen leiding te geven aan het leven en werken van de gemeente (art. VI-4). Hij is ook een werkgemeenschap waar de gemeenschappelijke vreugden en zorgen worden besproken, waar de lijnen worden uitgezet en de taken verdeeld, waar we als ambtsdragers bemoedigd en toegerust worden.

De dagelijkse leiding berust bij het moderamen van de kerkenraad. Het moderamen wordt jaarlijks gekozen en telt tenminste drie leden: een preses (voorzitter), een scriba (secretaris) en een assessor (toegevoegd lid). Bij een grotere kerkenraad (van 12 leden of meer) een predikant, een diaken, een ouderling én een ouderling-kerkrentmeester. Bij een kleine kerkenraad zitten in het moderamen in elk geval: een predikant, een diaken en een ouderling óf een ouderling-kerkrentmeester (ord. 4-8-2).

Het is belangrijk duidelijk zicht te hebben op de bevoegdheden van een moderamen. In principe neemt een moderamen geen beleidsbeslissingen, die komen aan

|167|

de kerkenraad als ambtelijke vergadering zelf toe. Het moderamen heeft tot taak:
- het voorbereiden en leiden van de vergaderingen van de kerkenraad; daarbij valt te denken aan het opstellen van een agenda, het zorgen dat de agendapunten zo zijn voorbereid dat de vergadering daarover op een verantwoorde wijze een beslissing kan nemen, het doen van voorstellen en het doen van aanbevelingen;
- het uitvoeren van kerkenraadsbesluiten (voorzover die taak niet aan anderen is opgedragen);
- het afdoen van zaken van formele en administratieve aard; als een kerkenraad op een bepaald gebied een duidelijke beleidslijn heeft uitgezet, kan het moderamen een niet-omstreden aangelegenheid afhandelen conform het vastgestelde beleid van de kerkenraad;
- tenslotte noemt ord. 4-8-3 het afdoen van zaken die geen uitstel gedogen. Wanneer een bezwaar moet worden ingediend binnen een bepaalde termijn en de kerkenraad voor die tijd niet vergadert, is het moderamen bevoegd om namens de vergadering te handelen.

Bij de taken die bij de twee laatste gedachtestreepjes worden genoemd voegt de bepaling uitdrukkelijk toe: ‘onder verantwoording aan de kerkenraad’. Met andere woorden: in deze gevallen moet het moderamen zich achteraf wel verantwoorden ten opzichte van de kerkenraad, door verslaglegging en eventueel door aan te geven waarom een door het moderamen genomen beslissing niet kon worden uitgesteld.

 

De kerkenraad kan zich voor de taken die moeten worden verricht, laten bijstaan door commissies voor verschillende arbeidsterreinen (ord. 4-8-4). De kerkenraad stelt de commissies in en benoemt de leden. Op deze manier worden de gemeenteleden ingeschakeld om de taken waarvoor de gemeente staat te vervullen. De verantwoordelijkheid voor de arbeid blijft echter geheel bij de kerkenraad berusten. De commissies werken namelijk in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad; ze zijn ook verplicht aan de kerkenraad verantwoording af te leggen (bijvoorbeeld door een periodiek verslag van de werkzaamheden).

In ord. 4-10 wordt een bijzondere vorm van participatie van gemeenteleden mogelijk gemaakt, waarbij de kerkenraad zijn verantwoordelijkheid ten dele overdraagt aan door hem ingestelde werkgroepen (zie in § 6.2.4).

 

Het beleidsplan komt aan de orde in ord. 4-8-5. Het wordt vastgesteld voor een periode van vier jaar, maar ieder jaar wordt bekeken of het beleidsplan bijgesteld moet worden. Na vier jaar wordt een nieuw beleidsplan voorbereid. Bij het opstellen van het beleidsplan zijn niet alleen het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen betrokken. Er wordt ook overleg gepleegd ‘met alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente’. De

|168|

kerkenraad moet dus zelf bepalen welke instanties hij erbij wil betrekken. Dat zullen in de regel in elk geval de organen van bijstand (kerkenraadscommissies) zijn die bij de uitvoering van het beleid betrokken zijn, zoals een evangelisatiecommissie, een jeugdraad, een catechesecommissie, een werkgroep pastoraat en dergelijke. Het is goed als zij hun inbreng hebben bij de bezinning over de vraag op welke terreinen de gemeente de komende jaren haar prioriteiten legt.

In het beleidsplan moet in elk geval het in de gemeente gewenste beleid ten aanzien van de kerkmuziek worden vastgesteld (G.R. kerkmusici, art. 2-2).

Als het beleidsplan aan de gemeente is voorgelegd (via een publicatie) en de eventuele reacties vanuit de gemeente zijn overwogen en verwerkt, kan de kerkenraad het plan vaststellen. Als het beleidsplan tussentijds wordt gewijzigd, wordt dezelfde procedure gevolgd.

 

De kerkenraad heeft een eigen regeling voor zijn wijze van werken (ord. 4-8-6). Een aantal zaken moet daarin in elk geval worden opgenomen.
- Het convoceren en agenderen van de kerkenraadsvergaderingen. Daarin kan worden vastgelegd hoeveel dagen tevoren de leden voor de vergadering moeten worden uitgenodigd en wie de agenda vaststelt. Men kan er ook in vastleggen in welke vergadering de jaarlijkse verkiezing van het moderamen wordt gehouden.
- De wijze waarop de gemeente wordt gekend en gehoord wanneer dat volgens de kerkorde is voorgeschreven. Het ligt voor de hand in de regeling vast te leggen dat in dergelijke gevallen een gemeenteavond moet worden gehouden: op deze wijze zijn de gemeenteleden in de gelegenheid over de voorstellen die aan de orde zijn met de kerkenraad en met elkaar van gedachten te wisselen. De kerkorde sluit echter niet uit te bepalen dat het kennen en horen plaatsvindt door middel van een publicatie in het kerkblad met de mogelijkheid van schriftelijk reageren. Een schriftelijke raadpleging van de gemeente is overigens niet toegestaan als de kerkorde met zoveel woorden een beraad in de gemeente voorschrijft (zoals bijvoorbeeld in ord. 7-2-2 en ord. 5-4-1). Dan moet de gemeente direct in het bezinningsproces betrokken worden (ord. 4-8-7 slotzin).
- De wijze waarop de gemeenteleden hun mening over de begrotingen en jaarrekeningen kunnen kenbaar maken (ord. 11-6-4 en ord. 11-7-2). Zie daarover § 12.2.4.
- Tenslotte moet in elk geval in de regeling worden vastgelegd of de vergaderingen van de kerkenraad al dan niet openbaar zijn. Uiteraard blijft het altijd mogelijk als de regeling bepaalt dat de vergadering in principe openbaar is, bepaalde agendapunten achter gesloten deuren te behandelen (zie ook § 6.1.2).

In de regeling van een algemene kerkenraad moet in elk geval ook worden opgenomen een rooster voor de wijkkerkenraden voor het aanwijzen van de leden van de algemene kerkenraad (ord. 4-9-2, zie § 6.2.3). Daarbij dient tevens te worden

|169|

bepaald voor welke periode de leden worden aangewezen. Ook de regeling waarin de vorming en inrichting van de gemeente wordt neergelegd, vindt een plaats in de regeling van de algemene kerkenraad (ord. 2-16-10).

In deze regeling kan ook een nadere verdeling van taken en bevoegdheden tussen de algemene kerkenraad en de wijkkerkenraden worden opgenomen (ord. 4-9-4, zie § 6.2.3). Uit ord. 11-4-2 en ord. 11-4-4 kan worden afgeleid dat de algemene kerkenraad het aantal leden van het college van kerkrentmeesters en van liet college van diakenen bepaalt (zie § 12.3.3). Het is aan te bevelen deze aantallen vast te leggen in de regeling van de algemene kerkenraad.

 

Dat de kerkenraad de gemeente voluit serieus heeft te nemen, blijkt nog eens uit ord. 4-8-7. Bij een groot aantal ingrijpende beslissingen is de kerkenraad verplicht de gemeente daarin te kennen en daarover te horen. Die zaken gaan zozeer de gemeente als geheel aan, dat de kerkenraad daar niet over kan beslissen zonder dat de gemeente in de gelegenheid is geweest haar mening kenbaar te maken. Het blijft altijd de kerkenraad als de ambtelijke vergadering van de gemeente die beslist. Aan de gemeentevergadering wordt hier geen doorslaggevende bevoegdheid verleend. Maar de opvattingen die in de gemeente leven, wegen wel mee als de kerkenraad zijn beslissing neemt.

Concreet worden als beslismomenten waarbij de gemeente moet worden betrokken, genoemd:
- het beantwoorden van de doopvragen door doopleden (zie daarover § 8.2);
- het toelaten van doopleden tot het avondmaal (zie § 8.6);
- het verlenen van actief en passief kiesrecht aan doopleden (zie § 5.1.1);
- de wijze van verkiezing van ambtsdragers (zie eveneens § 5.1.1);
- het zegenen van andere levensverbintenissen (zie § 7.4);
- het veranderen van de aanduiding en de naam van de gemeente (bijvoorbeeld als een hervormde gemeente of een gereformeerde kerk een verzoek wil indienen om als protestantse gemeente te worden aangemerkt, zie ord. 2-12-6 en § 4.3.2);
- het voortbestaan van de gemeente, als de gemeente zich wil verenigen (ord. 2-12-1), samengevoegd wil worden (ord. 2-14) of samengebracht in een streek-gemeente (ord. 2-17);
- het aangaan van een samenwerkingsverband, zoals een federatie (ord. 2-11-6 en ord. 14-4-5) of een combinatie (ord. 2-15);
- als het kerkgebouw van de gemeente in het geding is.

Dat bij deze opsomming het aanvaarden van de ‘kinderzegening’ niet wordt genoemd, is omdat deze mogelijkheid in de kerkorde niet expliciet ter sprake komt (zie verder §7.1). Wanneer een kerkenraad daartoe zou willen overgaan, als daarvoor in het Dienstboek een orde wordt aangereikt, ligt het echter voor de hand daarbij de procedure van ord. 4-8-7 te volgen.

Op welke wijze de gemeente in bepaalde beslissingen ‘gekend en gehoord’ wordt,

|170|

is in de plaatselijke regeling vastgelegd (zie eerder in deze paragraaf). In bepaalde gevallen is uitdrukkelijk een ‘beraad in de gemeente’ voorgeschreven. Dat is het geval in ord. 7-2-2 (over de deelname aan het avondmaal) en in ord. 5-4 (zegening van andere levensverbintenissen).

Overigens is de kerkenraad alleen verplicht de gemeente op deze punten te raadplegen als hij van plan is om in de bestaande gang van zaken wijziging te brengen. Wanneer men vasthoudt aan de wijze van doen zoals die in de gemeente gebruikelijk is, hoeft de kerkenraad deze zaken niet in een gemeenteberaad ter sprake te brengen. Gemeenteleden kunnen zich niet beroepen op deze bepaling om de kerkenraad te dwingen mogelijke veranderingen in de gemeente aan de orde te stellen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.3

6.2.3 Wijkkerkenraden en algemene kerkenraad

Een gemeente met meer dan twee predikanten is in de regel ingedeeld in wijkgemeenten (ord. 2-16-1, zie § 4.3.6). Wanneer dat het geval is, heeft elke wijkgemeente haar eigen wijkkerkenraad. Daarnaast is er een algemene kerkenraad die een aantal taken die voor de gemeente als geheel van belang zijn, behartigt. Zie voor de wijkkerkenraad en de algemene kerkenraad met hun organen van bijstand het organigram in bijlage 2.

Ord. 4-9-1 zegt dat zowel op de wijkkerkenraden als op de algemene kerkenraad de bepalingen van ord. 4-6 t/m 8 van overeenkomstige toepassing zijn. Dat wil zeggen — om enkele voorbeelden te noemen — dat elk van hen een moderamen met de aangegeven taken heeft, dat zowel de wijkkerkenraad als de algemene kerkenraad een beleidsplan opstelt, dat ze elk hun eigen plaatselijke regeling hebben, dat ze kerkenraadscommissies kunnen instellen, enzovoort.

Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Ord. 4-9-4 geeft aan dat de wijkkerkenraad als de eigenlijke kerkenraad moet worden beschouwd, zoals de wijkgemeente de eigenlijke gemeente is. In principe komen alle taken en bevoegdheden van een kerkenraad, zoals die zijn aangeduid in ord. 4-7-1, aan de wijkkerkenraad toe. Daarvan zijn slechts uitgezonderd de taken die in ord. 4-9-4 uitdrukkelijk aan de algemene kerkenraad worden opgedragen.

Aan de wijkkerkenraad is dus opgedragen de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten, voor catechese en geestelijke vorming, voor diaconaat en het missionaire werk, voor pastoraat en opzicht, voor de oecumene en de zaken die in de classicale vergadering zijn behandeld.

Overigens zijn ook aan de algemene kerkenraad belangrijke taken opgedragen. Het meest in het oog springt de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden, zoals de financiën, de gebouwen en de andere bezittingen. De beheerstaken worden gezamenlijk behartigd door één college van kerkrentmeesters, zoals er ook één college van diakenen is voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconie. De begrotingen en rekeningen worden door de algemene

|171|

kerkenraad vastgesteld. De algemene kerkenraad draagt de verantwoordelijkheid voor de traktementen en vergoedingen van de predikanten (ord. 3-16-5).

Daarnaast heeft de algemene kerkenraad een coördinerende taak. In een grotere gemeente is het van belang dat er samenhang is in het beleid van de wijkkerkenraden. Maar de algemene kerkenraad kan deze taak slechts in overleg met de wijkkerkenraden uitoefenen. De algemene kerkenraad kan daarin dus alleen bindende besluiten nemen als er met de wijkkerkenraden overeenstemming is bereikt.

Als het gaat om zaken die voor de gemeente als geheel van belang zijn, heeft de algemene kerkenraad verstrekkender bevoegdheden: dan kan hij zelf voorzieningen treffen. Daarbij moet vooral gedacht worden aan voorzieningen ten behoeve van minderheden in de gemeente. Een algemene kerkenraad is bevoegd om bijvoorbeeld voor een modaliteitsgroepering een kerkenraadscommissie in te stellen met daarin een aantal ambtsdragers en kan met het oog daarop ook ambtsdragers met ‘een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente in haar geheel’ benoemen (ord. 3-6-7, zie § 5.3.2). Zo kan worden recht gedaan aan de binnen de gemeente voorkomende kerkelijke verscheidenheid.

Binnen het kader van de algemene taakverdeling zoals die in ord. 4-9-4 is aangegeven, kan in de regeling voor de wijze van werken van de algemene kerkenraad een nadere verdeling van taken en bevoegdheden worden opgenomen (zie § 6.2.2). Bij de woorden ‘voor zover in de orde van de kerk niet anders is bepaald’ kan worden gedacht aan ord. 11-4-3 en 5 waar de mogelijkheid wordt geopend dat het college van kerkrentmeesters bepaalde taken delegeert aan de wijkraden van kerkrentmeesters en van diakenen. Zie voor de regeling van de algemene kerkenraad ook § 6.2.2.

 

De algemene kerkenraad wordt gevormd door ambtsdragers die zijn aangewezen (niet: afgevaardigd, zie § 6.1.2) door de wijkkerkenraden. Een algemene kerkenraad bestaat uit minimaal tien leden: 2 predikanten, 3 ouderlingen, 2 kerkrentmeesters en 3 diakenen. Bij een grotere algemene kerkenraad worden dezelfde verhoudingen aangehouden.

De bepalingen laten open voor welke periode de leden worden aangewezen. Men kan dus in de regeling voor de wijze van werken van de algemene kerkenraad zelf bepalen of men de leden voor een periode van één of twee jaar (of langer) aanwijst. Enkele voorbeelden van een rooster voor de samenstelling van de algemene kerkenraad zijn te vinden in bijlage 6.

 

Nog twee bepalingen in ord. 4-9 vragen onze aandacht.
- De algemene kerkenraad is bevoegd ambtsdragers met een bepaalde opdracht aan te wijzen (omdat ze al ambtsdrager zijn) of zelf tot ambtsdrager te verkiezen en hen als boventallige leden aan de algemene kerkenraad toe te voegen. Deze rechtstreeks door de algemene kerkenraad aangewezen leden

|172|

mogen ten hoogste een derde van de algemene kerkenraad uitmaken. Van deze regeling in ord. 4-9-2 kan bijvoorbeeld gebruikgemaakt worden om — met het oog op een goede communicatie — de voorzitters van het college van kerkrentmeesters en van het college van diakenen aan de algemene kerkenraad toe te voegen. Deze bepaling maakt het met name mogelijk rechtstreeks een preses en/of scriba te verkiezen ofte benoemen. In dat geval worden zij niet voor de periode van één jaar gekozen tot preses of scriba, maar voor de periode tot hun ambtstermijn verstreken is.
- Als de algemene kerkenraad daartoe aanleiding ziet, kan hij een vergadering van de ambtsdragers van alle wijkgemeenten samenroepen voor informatie of beraad (ord. 4-9-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.4

6.2.4 De kerkenraad met werkgroepen

In ord. 4-10 komt de werkgroepenkerkenraad aan de orde. De bepaling maakt een andere wijze van werken in de gemeente mogelijk, waarbij de kerkenraad zijn verantwoordelijkheden deelt met gemeenteleden. Deze werkwijze werd in de vorige eeuw ontwikkeld binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland.1 Wanneer gekozen wordt voor een andere gemeentestructuur kunnen de taken en verantwoordelijkheden van de kerkenraad voor een belangrijk deel worden gedelegeerd aan werkgroepen waarin naast een of meer kerkenraadsleden ook andere gemeenteleden worden benoemd. Deze werkgroepen worden nader aangeduid als sectieteams en taakgroepen.
- Een sectieteam draagt verantwoordelijkheid voor een sectie (een geografisch onderdeel) van de gemeente. Het is mogelijk aan zo'n team niet alleen de pastorale verantwoordelijkheid voor de betreffende gemeenteleden, maar bijvoorbeeld ook de diaconale zorg toe te vertrouwen. In dat geval is het natuurlijk gewenst aan het team ook een diaken te verbinden.
- Een taakgroep draagt specifieke verantwoordelijkheid voor een taak van de gemeente. Daarbij kan worden gedacht aan de catechese of aan het vormingswerk van de gemeente. Er bestaan ook taakgroepen eredienst, werelddiakonaat, pastoraat en kindernevendienst.

Ord. 4-10-1 spreekt (evenals art. VI-6) overigens nadrukkelijk uit dat de kerkenraad zijn bevoegdheden niet definitief uit handen geeft: dat ligt besloten in de formulering 'onder behoud van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid'. Het is denkbaar dat de kerkenraad tot de uitspraak komt dat hij een besluit van een werkgroep niet aanvaardbaar vindt. In dat geval mag van de werkgroep worden verwacht dat ze het besluit in heroverweging neemt. Omdat er sprake is van delegatie van de bevoegdheid aan de werkgroep kan de kerkenraad in dat geval echter niet zelf een ander besluit nemen. Als goed overleg niet tot een oplossing leidt, zou de kerkenraad in het uiterste geval alleen de delegatie ongedaan kunnen maken. Daarom is het van belang in de regeling zorgvuldig op te nemen


[191] 1. Kerk in Perspectief (commissie gemeentestructuur GKN, 1969) en Gemeentestructuur in Perspectief (deputaatschap Gemeenteopbouw, 1982).

|173|

welke bevoegdheden de kerkenraad aan de werkgroepen delegeert.

Wanneer voor dit werkmodel wordt gekozen, wordt er onderscheid gemaakt tussen de (wijk)kerkenraad als geheel, waarvan alle ambtsdragers van de gemeente of wijkgemeente deel uitmaken, en de kleine kerkenraad. Tot de kleine kerkenraad behoren de leden van het moderamen, de predikanten van de (wijk)gemeente en een aantal ouderlingen en diakenen. Er moet voor worden gezorgd dat in elk sectieteam en elke taakgroep een lid van de kleine kerkenraad zitting heeft. Deze kleine kerkenraad wordt in ord. 4-10-1 als een breed moderamen aangeduid (zie § 6.1.2).

 

In ord. 4-10-7 wordt de verdeling van taken tussen de kerkenraad als geheel en de kleine kerkenraad (met de sectieteams en de taakgroepen) nader uitgewerkt.

De algehele leiding blijft berusten bij de kerkenraad als geheel. Daarom is aan deze kerkenraad onder meer opgedragen de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten, het raadplegen van de gemeente bij belangrijke beslissingen, het vaststellen van het beleidsplan, de zorg voor de financiën (begroting en rekening), het verkiezen van de ambtsdragers, het opzicht over de gemeenteleden. Hij vergadert daartoe tenminste vier maal per jaar. De kerkenraad mag eventueel zijn taak bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen opdragen aan de kleine kerkenraad. Dit kan overigens slechts ‘van geval tot geval’ en kan dus niet in de plaatselijke regeling worden vastgelegd.

De verantwoordelijkheden van de kleine kerkenraad zijn vooral gericht op de sectieteams en de taakgroepen. De kleine kerkenraad stelt deze werkgroepen in, benoemt de leden, geeft hun een instructie mee en toetst hun werk aan het beleidsplan.

De kleine kerkenraad, de sectieteams en de taakgroepen zijn alle gebonden aan het beleid zoals dat door de kerkenraad als geheel is vastgesteld. Maar binnen dat kader hebben zij ruimte om aan dit beleid zelf nadere invulling te geven.

 

Volgens ord. 4-10-8 kan de werkwijze van de kerkenraad met werkgroepen niet alleen worden toegepast op een (enkelvoudige) kerkenraad of een wijkkerken-raad, maar kan ook een algemene kerkenraad op deze wijze worden gestructureerd. In de praktijk ligt dat niet erg voor de hand, omdat de leden van een algemene kerkenraad veel minder met de uitvoerende taken van deze kerkenraad zijn belast.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.5

6.2.5 Gemeenschappelijke regeling

Tenzij daarvoor in een kerkordelijke bepaling met zoveel woorden ruimte wordt gemaakt, mag een ambtelijke vergadering of een kerkelijk college haar of zijn bevoegdheden niet zomaar aan anderen overdragen. In ord. 4-11 wordt — onder bepaalde voorwaarden — deze mogelijkheid geopend: kerkenraden, colleges van

|174|

kerkrentmeesters of colleges van diakenen kunnen bepaalde taken overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen commissie. De leden van deze commissie worden uit hun midden benoemd: ze dragen het werk dus niet aan anderen over, maar verrichten dat samen met anderen.

Zo wordt het mogelijk dat colleges van kerkrentmeesters gezamenlijk een kerkelijk bureau instellen, of dat kerkenraden gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de gemeenteopbouw in een VINEX-locatie dragen. Gemeenten kunnen door toepassing van deze bepaling samenwerken in een regionaal verband, om gemeenschappelijk taken die afzonderlijk hun draagkracht te boven gaan, uit te voeren. De G.R. preekconsent (art. 6-1) geeft aan dat het in een dergelijke situatie mogelijk is voor een kerkelijk werker die in de bediening is gesteld, preekconsent aan te vragen. Om er op toe te zien dat kerkenraden en colleges hun taken niet lichtvaardig uit handen geven, is bepaald dat medewerking en goedvinden van de classicale vergadering is vereist.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.6

6.2.6 Consulent en vervanging

In de kerkenraad zijn alle ambten aanwezig, stelt ord. 4-6-3. Toch kunnen er zich omstandigheden voordoen dat er geen predikant aan de gemeente of aan de wijk-gemeente verbonden is (vanwege een vacature) of dat deze niet beschikbaar is (vanwege langdurige ziekte, als de predikant op non-actief is gesteld of als er een tuchtmaatregel getroffen is).

In dat geval wordt de gemeente bijgestaan door een consulent (ord. 4-12-1). Deze wordt aangewezen door het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 4-16-6) of het ringverband (ord. 4-17-2).

Als er om andere dan de zojuist genoemde redenen behoefte is aan de begeleiding door een consulent, moet het breed moderamen of het ringverband het verzoek daartoe beoordelen.

Over de taken die door de consulent worden verricht, moeten onderling afspraken worden gemaakt. In elk geval behoren het adviseren van de kerkenraad en het begeleiden van het beroepingswerk tot diens taak. Het zal niet altijd noodzakelijk zijn dat de consulent alle vergaderingen van de kerkenraad en het moderamen bijwoont. Om te kunnen beoordelen wanneer zijn of haar aanwezigheid gewenst is, wordt de consulent wel als adviseur voor alle vergaderingen uitgenodigd en ontvangt hij of zij alle stukken.

De G.R. predikantstraktementen geeft aan dat deze werkzaamheden niet meer zullen omvatten dan gemiddeld zes uur per week (art. 36-1) en dat de consulent deze taken niet in zijn vrije tijd verricht: ze komen in mindering op de arbeidstijd in de eigen gemeente. De consulent ontvangt daarom uitsluitend een onkostenvergoeding voor zijn werkzaamheden in de vacante gemeente.

Alleen als er — in onderling overleg — meer tijd wordt besteed aan het consulentschap, krijgt de consulent daarvoor behalve de onkostenvergoeding ook een

|175|

consulentvergoeding. Als dit meer omvattende consulentschap vanwege ziekte (niet bij een langdurige vacature!) langer dan zes maanden duurt, ontvangt de gemeente van de consulent eveneens een vergoeding (G.R. predikantstraktementen, art. 36-2 en 3).

In een vacante gemeente is het de verantwoordelijkheid van de kerkenraad zelf om (bevoegde) voorgangers te zoeken voor de kerkdiensten (zie § 7.5 en 7.6). De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland kent geen regeling voor vacaturebeurten, zoals voorheen in de Nederlandse Hervormde Kerk het geval was.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.7

6.2.7 Kerkenraad met gedelegeerden

Zoals in § 5.7 is beschreven, kennen ord. 3-19 en 3-20 de mogelijkheid dat een predikant op non-actief wordt gesteld of zelfs wordt losgemaakt van de gemeente. Tot een dergelijke maatregel kan worden besloten als de spanningen in de gemeente het niet goed mogelijk maken verder te functioneren. Er kan zich echter ook een situatie voordoen dat het vrijstellen van de werkzaamheden of het losmaken van de predikant geen oplossing biedt. Het functioneren van de kerkenraad is zodanig verstoord dat het leven en werken van de gemeente daardoor worden ontwricht. Natuurlijk worden eerst alle andere mogelijkheden, zoals visitatie en dergelijke, beproefd. Als er niets anders overblijft, kan de generale synode op basis van ord. 4-13 uit de ambtsdragers of voormalige ambtsdragers van de kerk enkele gedelegeerden aanwijzen en verstrekkende bevoegdheden verlenen. Zij krijgen als opdracht die taken van de kerkenraad geheel of gedeeltelijk uit te voeren, die niet achterwege kunnen blijven. De gedelegeerden handelen na overleg met de kerkenraad. Zoveel mogelijk moeten de zittende ambtsdragers worden ingeschakeld om de taken die hun zijn opgedragen zelf uit te voeren. De gedelegeerden nemen pas taken over als de kerkenraad of zijn leden niet bij machte zijn die zelf naar behoren te vervullen.

 

In feite wordt met de toepassing van deze bepaling plaatselijk de noodtoestand uitgeroepen. Dat is de reden waarom alleen de generale synode tot deze uiterste maatregel kan besluiten.

Een aantal nadere bepalingen is daarbij van belang:
- de generale synode kan deze maatregel slechts nemen op verzoek van het breed moderamen van de classicale vergadering;
- dit breed moderamen legt een verzoek slechts aan de generale synode voor als er vanuit de kerkenraad of vanuit de gemeente een beroep op hem is gedaan;
- voordat de generale synode het besluit neemt, worden de kerkenraad en de gemeente door het regionale college voor de visitatie gehoord;
- de maatregel is getermineerd en geldt voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar. Mocht de situatie van ontwrichting voortduren, dan kan de generale synode eventueel besluiten tot een nieuwe periode.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3

|176|

6.3 De classicale vergadering

De classicale vergadering neemt een centrale plaats in binnen de kerk. Ze legt de verbinding tussen de plaatselijke gemeente en de landelijke kerk. Daarom is ze dikwijls aangeduid als de ‘grondvergadering der kerk’. In deze uitdrukking ligt de nadruk op de ‘kerk’: in de classicale vergaderingen komt de kerk in haar bredere verbanden tot uitdrukking.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.1

6.3.1 Samenstelling

De samenstelling van de classicale vergadering wordt geregeld in ord. 4-14. Elke kerkenraad of wijkkerkenraad vaardigt — voor vier jaar — twee leden af. Een gemeente die toestemming heeft gekregen voor een kleinere kerkenraad (ord. 4-6-4), kan volstaan met één afgevaardigde. Een rooster moet er voor zorgen dat ieder jaar een vierde deel van de afgevaardigden aftreedt en dat de samenstelling van de vergadering ongeveer uitkomt op een verhouding van 30% predikanten, 20% ouderlingen, 30% diakenen en 20% ouderlingen-kerkrentmeester. Als een predikant moet worden afgevaardigd en aan de (wijk)gemeente geen predikant voor gewone werkzaamheden verbonden is, kan in plaats van een eigen predikant of een ouderling of de consulent worden afgevaardigd (tenzij de consulent al door de eigen gemeente is afgevaardigd). Met de mogelijkheid dat ook een predikant in algemene dienst of een predikant met een bijzondere opdracht tot lid van de kerkenraad kan worden benoemd (ord. 4-6-7), was bij het opstellen van ord. 4-14-3 en 4 nog geen rekening gehouden. Aan een kerkenraad kan moeilijk het recht ontzegd worden een dergelijke predikant die lid is van zijn vergadering, als predikant af te vaardigen naar de classicale vergadering.

Een voorbeeld voor een rooster van afvaardiging naar de classicale vergadering met tien (wijk)gemeenten is te vinden in bijlage 7.

 

Voor elke afgevaardigde wordt een secundus (letterlijk: ‘tweede’) aangewezen. Deze moet aan dezelfde vereisten voldoen: de secundus van een diaken is dus ook diaken, de secundus van een ouderling-kerkrentmeester moet ouderling-kerk-rentmeester zijn. Uitzondering op deze regel is: als er in de (wijk)gemeente maar één predikant is, wordt in zijn plaats een ouderling als secundus aangewezen. De secundus vervangt de primus (letterlijk: ‘de eerste’) afgevaardigde als die verhinderd is of als er geen eerste afgevaardigde voorhanden is (‘bij ontstentenis’).

 

Behalve de gewone afgevaardigden kunnen ook anderen aan de vergadering deelnemen.
- De classicale vergadering benoemt van de predikanten met bijzondere opdracht en de predikanten in algemene dienst die binnen het ressort van de classis wonen of aan een ambtelijke vergadering binnen de classis verbonden zijn,

|177|

er twee tot lid van de classicale vergadering. Op deze manier kunnen ook deze predikanten (bij toerbeurt) deel uitmaken van een ambtelijke vergadering en kan de vergadering van hun ervaring en deskundigheid gebruikmaken (ord. 4-14-1).
- De ambtsdragers die niet zijn afgevaardigd, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden (ord. 4-14-5). De andere ambtsdragers van de tot de classis behorende gemeenten zijn niet alleen welkom als gasten, maar kunnen uitgenodigd worden als adviseurs aan de beraadslagingen deel te nemen.
- Vaste adviseurs van de vergadering zijn de afgevaardigden naar de generale synode. Die kunnen namelijk worden benoemd uit de ambtsdragers van het ressort en zijn niet altijd lid van de classicale vergadering.
- In de eigen regeling kan de classicale vergadering bepalen welke andere adviseurs aan de vergaderingen deelnemen (ord. 4-14-6).
- Omdat de vergaderingen in principe openbaar zijn, kan de vergadering door anderen als gast worden bijgewoond (ord. 4-3-3, zie § 6.1.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.2

6.3.2 Arbeidsveld

Ord. 4-15-1 laat zien dat er in de opsomming van taken van de classicale vergadering agendascheiding wordt toegepast. Een deel van de taken wordt uitgevoerd door de classicale vergaderingen zelf, een ander deel van de classicale taken voert men gezamenlijk uit in de algemene classicale vergadering.

Ook tussen de classicale vergadering en haar breed moderamen kan er van agendascheiding worden gesproken. Een deel van haar taken — vooral als die betrekking hebben op personen — oefent de classicale vergadering uit door het breed moderamen. Het is niet altijd wenselijk dergelijke aangelegenheden in de voltallige vergadering te behandelen (zie verder § 6.3.4). Aangelegenheden die vooral de gemeenten als geheel betreffen, zijn in het algemeen aan de classicale vergadering zelf opgedragen.

 

In ord. 4-15-1 worden de taken van de classicale vergadering in globale zin aangeduid. Er wordt niet alleen gewezen op het leidinggeven aan het leven en werken van de classis, het vaststellen van een beleidsplan voor het eigen werk van de classicale vergadering, het meewerken aan het activiteitenplan van het regionaal dienstencentrum (RDC) en het samenbrengen van de predikanten in werkgemeenschappen, maar ook op de taken die gericht zijn op de gemeenten enerzijds en op de kerk anderzijds.

 

De verantwoordelijkheid ten aanzien van de gemeenten krijgt op verschillende manieren gestalte. Zonder volledig te zijn, noemen we hier een aantal aandachtsvelden.

|178|

Een belangrijke taak van de classicale vergadering is het bevorderen van de saamhorigheid van de gemeenten. In de classicale vergadering ontmoeten de gemeenten elkaar en worden ze ervan doordrongen dat ze tot het bredere verband van de kerk behoren. Als gemeenten zijn we samen kerk. De classicale vergadering legt zich erop toe dat zich tussen de gemeenten, die soms zo van elkaar verschillen, een onderling besef van verantwoordelijkheid ontwikkelt. Binnen de classicale vergadering moet daarom het kerkelijk gesprek gevoerd en gestimuleerd worden.

De classicale vergadering ziet er ook op toe dat de gemeenten ‘bij de les’ blijven, dat ze hun roeping en taak nakomen en biedt hun daarbij zo nodig advies en hulp. Om de betrokkenheid van classicale vergadering en gemeenten op elkaar te versterken, behoren de afgevaardigden naar de classicale vergadering in de kerkenraad verslag uit de brengen van wat er op de vergadering is besproken en besloten.

 

Naast deze meer algemene aanduidingen zijn er in de ordinanties nog tal van bepalingen te vinden waar sprake is van een verantwoordelijkheid van de classicale vergadering voor de gemeenten. Ze zijn met name te vinden hoofdstuk III van ord. 2, waar de classicale vergadering betrokken blijkt te zijn bij de vorming van een protestantse of een nieuwe gemeente, van gemeenten van bijzondere aard en van streekgemeenten, bij het totstandkomen van een combinatie of een samenvoeging van gemeenten, bij het vaststellen van de grenzen van de gemeenten en bij het vaststellen van het aantal wijkgemeenten. De classicale vergadering speelt verder een rol bij het totstandkomen van een gemeenschappelijke regeling (ord. 4-11) en van een ringverband (ord. 4-17). Bij een groot aantal van deze besluiten moeten ook voorzieningen worden getroffen met betrekking tot de rechtsgevolgen (zie daarover § 4.4).

Om — zeker gedurende de eerste jaren na de vereniging — de classicale vergaderingen hulp te bieden bij al deze taken, is ovb. 199 opgenomen. Die maakt het een algemene classicale vergadering mogelijk een predikant van de kerk of een andere ambtsdrager uit het ressort te beroepen of te benoemen om de classicale vergaderingen en de brede moderamina de nodige ambtelijke ondersteuning te bieden. Het behoort overigens tot de reguliere taak van de dienstenorganisatie om de classicale vergaderingen bij de uitvoering van deze taken te ondersteunen (G.R. dienstenorganisatie, art. 2-1).

 

De classicale vergadering werkt met een aantal andere classicale vergaderingen samen in de algemene classicale vergadering, in het werk op het regionale niveau ten dienste van de gemeenten. Ze wijst leden voor de algemene classicale vergadering aan (ord. 4-19-2), wordt gehoord over het activiteitenplan van het RDC (ord. 4-19-1), benoemt een aantal visitatoren (ord. 10-3-1) en kan aanbevelingen doen voor regionale colleges (ord. 4-19-6, ord. 10-8-3, ord. 11-21-2, ord. 12-2-3).

|179|

Zie voor de classicale vergadering en de algemene classicale vergadering met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 3.

 

Daarnaast is de classicale vergadering gericht op de kerk in haar bredere verbanden.

Er is daarbij sprake van een wederkerige relatie met de generale synode. De classicale vergadering kan op eigen initiatief zaken die binnen de classis en de gemeenten leven, aan de synode voorleggen. De classicale vergadering is ook bevoegd tot het indienen van wijzigingsvoorstellen voor de kerkorde en de ordinanties (art. XVII-3 en XVIII-2).

Omgekeerd is de generale synode verplicht bij belangrijke vragen die betrekking hebben tot het belijden (ord. 1-4-2), het kerkboek (ord. 5-9-3), de kerkorde (art. XVI1-4 en art. XVIII-4) en de oecumene (ord. 14-4-4, ord. 14-5-1 en ord. 14-6-2) de classicale vergaderingen te raadplegen. Pas nadat de classicale vergaderingen hun consideraties (beschouwingen) hebben gegeven, kan de generale synode daarover een definitieve beslissing nemen. Op deze wijze zijn de classicale vergaderingen betrokken bij de taken van de kerk met betrekking tot confessie en kerkorde. De betrokkenheid van de classicale vergadering bij de generale synode komt ook tot uitdrukking in het voorschrift om het verslag van de afgevaardigden naar de generale synode te behandelen.

Tenslotte moeten nog genoemd worden de taken die de classicale vergadering heeft bij de behandeling van een gravamen tegen het belijden van de kerk (ord. 1-5) en bij het opzicht over de verkondiging (ord. 10-14).

 

De gemeenschappelijke taken die in het verband van de algemene classicale vergadering worden uitgevoerd zijn:
- het adviseren en toerusten van de gemeenten; daarvoor maakt de algemene classicale vergadering gebruik van het regionaal dienstencentrum;
- de kerkvisitatie; daarvoor wijzen de classicale vergaderingen elk vier visitatoren aan, die samen het regionale college voor de visitatie vormen;
- het opzicht, de behandeling van beheerszaken en de behandeling van bezwaren en geschillen; daarvoor worden zelfstandige colleges ingesteld, waarvan de leden door de algemene classicale vergadering worden benoemd.

Zie daarover verder § 6.3.7.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.3

6.3.3 Werkwijze

De classicale vergadering vergadert ten minste drie keer per jaar (ord. 4-16-1). Een extra vergadering wordt belegd op verzoek van vijf of meer kerkenraden of van de generale synode. Ieder jaar wordt in de eerste vergadering van dat jaar uit de leden van de vergadering een moderamen gekozen. Deze verkiezing staat onder leiding van de oudste afgevaardigde predikant. Het moderamen bestaat uit

|180|

ten minste drie leden: een preses, een scriba en een assessor. Er moet in elk geval een predikant in het moderamen zitten. Ord. 4-16-3 maakt het mogelijk de preses en/of de scriba ‘van buiten’ de vergadering te kiezen. Ze moeten wel ambtsdrager binnen de classis zijn. Als ze geen afgevaardigd lid van de vergadering zijn, hebben ze alleen stemrecht in het moderamen. In het breed moderamen en de classicale vergadering hebben ze een adviserende stem.

De taken en bevoegdheden van een moderamen zijn beschreven in § 6.2.2. Bij het moderamen van de classicale vergadering moet daaraan worden toegevoegd dat het moderamen een verslag van de vergadering opmaakt en dat toezendt aan de kerkenraden. Het valt op dat dit moderamen zijn taken uitvoert onder verantwoording, niet aan de classicale vergadering, maar aan het breed moderamen. Aan dit breed moderamen brengt het moderamen ook regelmatig verslag uit. Hier wordt al duidelijk dat het breed moderamen van de classicale vergadering een belangrijke plaats inneemt (zie § 6.3.4).

Ord. 4-16-7 geeft nog aan dat de classicale vergadering en het breed moderamen organen van bijstand in het leven kunnen roepen: commissies die beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende taken verrichten en verantwoording schuldig zijn aan de vergadering. Ook de classicale vergadering heeft, aldus ord. 4-16-8, een eigen regeling voor haar wijze van werken, waarin een aantal praktische zaken geregeld wordt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.4

6.3.4 Het breed moderamen

In de eerste vergadering van het jaar worden, naast de leden die het moderamen vormen, uit de vergadering ook nog enkele andere ambtsdragers (met secundus, zie § 6.3.1) gekozen. Samen vormen ze voor dat jaar het breed moderamen van de classicale vergadering. De leden zijn, zolang ze afgevaardigd zijn, onbeperkt herkiesbaar. De omvang van het breed moderamen is niet voorgeschreven. In de regel zal een breed moderamen van zeven à tien leden toereikend zijn. De verdeling van de ambten wordt wel nauwkeurig bepaald: het breed moderamen dient ongeveer voor telkens 30% uit predikanten en diakenen te bestaan en voor telkens 20% uit ‘gewone’ ouderlingen en ouderlingen-kerkrentmeester. Bij een breed moderamen van zeven leden zijn dat 2 predikanten en 2 diakenen en afwisselend 1 of 2 ouderlingen en ouderlingen-kerkrentmeester.

De taken van het breed moderamen worden in ord. 4-16-6 tamelijk summier weergegeven. Het eerste dat daarin opvalt, is de uitdrukking ‘in naam van’. Die maakt duidelijk dat het breed moderamen een andere positie heeft dan een moderamen. Het kan in bepaalde gevallen de classicale vergadering voluit vertegenwoordigen en namens die vergadering handelen. De taken die hier worden aangeduid, omvatten het leidinggeven aan het werk van de organen van bijstand, de regeling van de consulentschappen (voor zover dat niet aan een ringverband is opgedragen) en het verrichten van de taken die de classicale vergadering aan het breed

|181|

moderamen delegeert. Net als bij de classicale vergadering had eraan toegevoegd kunnen worden: ‘het verrichten van alles wat verder naar de orde der kerk van hem wordt gevraagd’. Die kerkordelijke taken zijn niet gering; daarom geven we een overzicht van de belangrijkste taken.

 

Het breed moderamen vervult met name de taken die betrekking hebben op personen.

Onder deze noemer kunnen worden samengevat alle handelingen en besluiten met betrekking tot het verkiezen van de ambtsdragers (bijvoorbeeld ord. 3-4-2, ord. 3-4-7, ord. 3-6-1, ord. 3-7-1; ord. 3-16-3; ord. 3-17-2; ord. 3-18-3), bij het beroepen van predikanten (ord. 3-5-6, ord. 3-16-3, ord. 3-17-2, ord. 3-18-3, ord. 3-11-6) of bij hun vertrek (ord. 3-5-5), bij tijdelijke vrijstelling van werkzaamheden (ord. 3-19-1), ontheffing van werkzaamheden (ord. 3-20-1), ontheffing op eigen verzoek (ord. 3-26-3), het verlengen van ambtsbevoegdheden (ord. 3-27-3), het aanstellen van een emeritus of een beroepbaar predikant in een kleine gemeente (ord. 3-27-6), het aanstellen van een kerkelijk werker met bijzondere opdracht (ord. 3-13-4) of het verlenen van emeritaat (ord. 3-25-2). De predikanten leggen een plan voor de invulling van het studieverlof voor aan het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 13-20-4).

Eenmaal wordt het breed moderamen van de classicale vergadering aangewezen als beroepsinstantie (ord. 2-5-3 sub b, als het gaat om overschrijving naar een andere gemeente).

Een aantal keren heeft het breed moderamen een taak als er voorzieningen met betrekking tot een gemeente nodig zijn: bij het aanwijzen van een gemeente tot huisgemeente (ord. 2-17-4 sub c), als een gemeente niet langer een voltallige kerkenraad kan vormen (ord. 4-6-4), als door omstandigheden meer dan de helft van de kerkenraad ontbreekt (ord. 4-6-5), als er in de gemeente van ontwrichting sprake is (ord. 4-13-1). Het ontvangt de verslagen van de visitatiebezoeken aan de gemeenten (ord. 10-5-1), neemt kennis van de plaatselijke regelingen (ord. 4-7-2) en toetst de uitspraak van een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken, wanneer het college oordeelt dat er sprake is van een niet-verantwoorde begroting of jaarrekening (ord. 11-9-2).

Verder speelt het breed moderamen een bescheiden rol in de kerkelijke rechtspraak: het ontvangt afschriften van verschillende uitspraken (ord. 10-10-4 sub d, ord. 12-7-9 sub d en ord. 12-9-4 sub f) en het kan om opheldering vragen als een regionaal college voor het opzicht in gebreke blijft, in dat geval om een voorziening vragen of zelf in beroep gaan bij het generale college (ord. 10-11-3 en 4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.5

6.3.5 Ringverbanden

Een ringverband is een facultatief samenwerkingsverband van gemeenten binnen een classis, dat op hun eigen verzoek door de classicale vergadering is ingesteld

|182|

(ord. 4-17). Een ringverband als hier bedoeld is daarom van geheel andere orde dan een ring van gemeenten, zoals die van oudsher in de Nederlandse Hervormde Kerk functioneerde.

Het ringverband van ord. 4-17 is een mogelijkheid om aan gemeenten binnen de Protestantse Kerk in Nederland die daarom vragen, een plaats te verschaffen waar zij zich samen met verwante gemeenten op basis van onderlinge herkenning kunnen bezinnen op het kerk-zijn en gemeente-zijn. Als aan de classicale vergadering consideraties worden gevraagd over vragen van belijdenis en kerkorde, kan het ringverband overwegingen daarover ter bespreking voorleggen aan de classicale vergadering.

Daarmee is al aangegeven waar in deze bepaling de spanning ligt. Het ringverband wil een legitieme plaats geven aan het beoefenen van de onderlinge verbondenheid van gemeenten die op een bepaalde wijze in de kerk staan. Er is in de Protestantse Kerk in Nederland ruimte voor deze verscheidenheid. Tegelijk mag dat niet leiden tot isolement en afzondering. De classicale vergadering heeft immers juist tot taak de saamhorigheid van alle gemeenten te bevorderen. Daarom worden de opvattingen die binnen het ringverband leven, ingebracht in de classicale vergadering (waartoe de gemeenten van het ringverband immers behoren en waarin zij ook hun bijdrage hebben te leveren).

 

Enkele nadere opmerkingen
- Het is ook mogelijk om als wijkgemeente tot een ringverband te behoren.
- In het ringverband kan eventueel een gemeente van een aangrenzende classis worden opgenomen (ord. 4-17-1).
- Als er een ringverband is ingesteld, heeft dit in elk geval tot taak de consulenten voor de aangesloten gemeenten aan te wijzen en de waarneming van het dienstwerk te regelen.
- Het ringverband brengt jaarlijks verslag uit aan de classicale vergadering, met een verantwoording van inkomsten en uitgaven (ord. 4-17-2).
- De kosten van het ringverband worden omgeslagen over de (wijk)gemeenten die in het ringverband zijn samengebracht (ord. 4-17-3).
- Een ringverband kan niet worden ingesteld zolang de gemeenten nog tot een afzonderlijke hervormde of een gereformeerde classis behoren (ovb. 195 sub e).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.6

6.3.6 Werkgemeenschappen van predikanten

De predikanten binnen de classis worden door de classicale vergadering samengebracht in een of meer werkgemeenschappen (ord. 4-18-1). Daartoe behoren niet alleen de predikanten voor gewone werkzaamheden die aan een gemeente verbonden zijn, maar ook de predikanten in algemene dienst en de predikanten met een bijzondere opdracht die in de classis wonen. Bovendien kunnen de kerkelijk

|183|

werkers in het pastoraat die in de bediening zijn gesteld, worden uitgenodigd (G.R. kerkelijk werkers, art. 7-3).

Ord. 4-18-1 noemt als voornaamste taken het bevorderen van de saamhorigheid en de gezamenlijke bezinning van de predikanten. Ord. 4-18-2 spreekt van de onderlinge opbouw van het geestelijk leven van de predikanten zelf, de zorg voor het pastoraat aan de predikanten (de werkgemeenschap hoeft die pastorale zorg niet altijd zelf te leveren, maar draagt er wel zorg voor dat er pastorale zorg voor de predikanten is) en gezamenlijke studie. Verder komt in de werkgemeenschap het gemeenteleven ter sprake in de vorm van bezinning en uitwisseling van ervaringen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.7

6.3.7 De algemene classicale vergadering

De algemene classicale vergadering is een ambtelijke vergadering (en kan als zodanig een predikant in algemene dienst beroepen, zie ord. 3-22). Zoals in § 6.3.2 is aangegeven is een deel van de classicale taken opgedragen aan de algemene classicale vergadering.

Zie voor de classicale vergadering en de algemene classicale vergadering met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 3.

De algemene classicale vergadering staat niet als meerdere vergadering ‘boven’ de classicale vergadering, maar staat ‘naast’ haar. Ze wordt niet gevormd door afgevaardigden van de classicale vergaderingen, maar door leden die door hen zijn aangewezen (zie § 6.1.2 en bijlage 1). Ten opzichte van de gemeenten kan de algemene classicale vergadering wel worden aangemerkt als meerdere vergadering, omdat zij ten opzichte van de gemeenten classicale verantwoordelijkheden uitoefent.

 

Vergeleken met de vroegere positie van de provinciale kerkvergadering in de Nederlandse Hervormde Kerk en de particuliere synode in de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft de algemene classicale vergadering slechts een beperkt aantal taken.

De algemene classicale vergadering kan dan ook niet zomaar (zoals de kerken-raad en de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode dat wel kunnen, zie ord. 4-8-4, ord. 4-16-7, ord. 4-24-6 en ord. 4-28-6) naar eigen goeddunken organen van bijstand instellen. De algemene classicale vergadering heeft één orgaan van bijstand: de regionale raad van advies (die op haar beurt zelf wel subcommissies kan instellen, zie ord. 4-19-7). Daarmee wordt nog eens onderstreept wat de centrale functie van de algemene classicale vergadering is: het gaat daarin om ‘arbeid ten dienst van de gemeenten’ (art. VI-7).

 

De bepalingen met betrekking tot de samenstelling van de algemene classicale vergadering, van het moderamen en het breed moderamen en de regeling voor

|184|

de wijze van werken zijn vrijwel gelijkluidend aan die voor de classicale vergadering (zie daarvoor § 6.3.1 en § 6.3.3). Een bijzonderheid is hier alleen dat de evangelisch-lutherse synode een of twee leden van de algemene classicale vergadering kan aanwijzen.

 

Als de belangrijkste taak wordt in ord. 4-19-1 genoemd het zorg dragen voor ‘de dienstverlening ten behoeve van de opbouw van de gemeenten’. De algemene classicale vergadering maakt daarvoor gebruik van en is ten nauwste betrokken bij het regionaal dienstencentrum (het RDC).

Dit regionaal dienstencentrum maakt deel uit van de dienstenorganisatie als geheel, waartoe dus zowel het landelijk dienstencentrum (het LDC) als de regionale dienstencentra behoren. Deze dienstenorganisatie als geheel heeft een bestuur dat als orgaan van bijstand van de generale synode aan deze vergadering verantwoording verschuldigd is (ord. 4-28-1 en 2; zie § 6.5.3).

Zie voor bestuur en beleid van de dienstenorganisatie het organigram in bijlage 5.

Daarmee is echter niet gezegd dat de regionale dienstverlening ook inhoudelijk door de generale synode wordt bepaald. Wanneer het gaat om de uitvoering van het werk is met name het beleidsplan inzake de dienstenorganisatie van belang. Bij het opstellen daarvan zijn de algemene classicale vergaderingen betrokken (ord. 4-19-1). Zij leveren voor het beleidsplan hun bijdragen met betrekking tot de regionale dienstverlening in (ord. 4-28-8). De algemene classicale vergaderingen worden daarin weer bijgestaan door hun eigen regionale raad van advies (G.R. dienstenorganisatie, art. 10-2).

In het kader van dat beleidsplan is er voor elke regio (dus voor ieder regionaal dienstencentrum) een activiteitenplan, dat jaarlijks door de algemene classicale vergadering zelf wordt vastgesteld (ord. 4-19-1). De regionale raad voor advies dient daarvoor een voorstel in (G.R. dienstenorganisatie, art. 10-4), terwijl ook de classicale vergaderingen bij het totstandkomen van het activiteitenplan betrokken zijn (ord. 4-15-1). Ze ‘worden gehoord’, aldus de G.R. dienstenorganisatie (art. 10-4). De algemene classicale vergadering moet bij het opstellen van het activiteitenplan blijven binnen het beleid dat voor de dienstenorganisatie is vastgesteld (ord. 4-19-1). Op deze wijze is de regionale dienstverlening vooral een zaak van de regio zelf, zij het binnen de financiële en beleidsmatige kaders die door de generale synode worden aangegeven.

 

De algemene classicale vergadering heeft maar één orgaan van bijstand, maar kent wel een aantal regionale colleges. Zij zijn geen organen van bijstand in de strikte zin van het woord: zij nemen in meerdere of mindere mate een zelfstandige positie in. Het betreft de regionale colleges voor de visitatie (ord. 10-3-2), de behandeling van beheerszaken (ord. 11-21) en de beide colleges voor de kerkelijke rechtspraak: het regionale college voor het opzicht (ord. 10-8-3 en 4) en het

|185|

regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-2-3). De algemene classicale vergadering benoemt de voorzitter van het regionale college voor de visitatie en de leden van de overige regionale colleges.

Zie voor de organen van bijstand en colleges van de algemene classicale vergadering het organigram in bijlage 3.

De taken van deze colleges worden elders beschreven. Hier stellen we slechts vast dat ze periodiek aan de algemene classicale vergadering verslag van hun werkzaamheden uitbrengen (ord. 4-20-2). Deze aanduiding wil duidelijk maken dat ten opzichte van de algemene classicale vergadering een zelfstandige positie innemen: ‘verslag uitbrengen’ is iets anders dan ‘verantwoording afleggen’. Met name voor de rechtsprekende colleges is de onafhankelijkheid van de ambtelijke vergadering een belangrijk gegeven.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.8

6.3.8 De Réunion Wallonne

De Protestantse Kerk in Nederland kent een aantal Franstalige gemeenten, ‘les Eglises Wallonnes’ genaamd. Deze hervormde gemeenten (ord. 2-11-2) worden samengebracht in een afzonderlijke classicale vergadering, de Réunion Wallonne genaamd (ord. 4-21). Het breed moderamen heet in dit geval de Commission Wallonne. De Waalse classicale vergadering benoemt zelf visitatoren voor de visitatie van de Waalse gemeenten. Ook ten behoeve van de eredienst kan ze eigen voorzieningen treffen. Voor de behandeling van beheerszaken kan ze met medewerking van de algemene classicale vergadering een eigen college instellen. Voor het overige wordt ze met een aantal andere classicale vergaderingen ingedeeld bij een van de algemene classicale vergaderingen.

Tenslotte: de Réunion Wallonne vaardigt één synodelid af. De kerk telt (volgens de gegevens van het jaarboek Nederlandse Hervormde Kerk 2002) 13 Waalse gemeenten, die in omvang variëren van 13 tot 155 belijdende leden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.4

6.4 De evangelisch-lutherse synode

Over de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-22 t/m 24) wordt uitvoeriger geschreven in hoofdstuk 15, zodat we op deze plaats daarnaar kunnen verwijzen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5

6.5 De generale synode

Over de bepalingen met betrekking tot de samenstelling, het arbeidsveld en de werkwijze van de generale synode (ord. 4-25 t/m 27) kunnen we kort zijn. De meeste bepalingen komen sterk overeen met die voor de classicale vergadering (zie daarvoor § 6.3.1 t/m § 6.3.4). We wijzen hier slechts op enkele bijzonderheden.

Bij de samenstelling van de generale synode (ord. 4-25) valt op dat deze niet slechts

|186|

bestaat uit de afgevaardigden van de classicale vergaderingen, maar ook uit vijf ambtsdragers die afgevaardigd worden door de evangelisch-lutherse synode. Deze lutherse synodeleden zijn dus lid van zowel de evangelisch-lutherse als de generale synode. De afgevaardigden van de classicale vergadering kunnen worden gekozen uit de ambtsdragers van het ressort (ze hoeven dus geen lid van de classicale vergadering te zijn).

Zie voor de evangelisch-lutherse synode en de generale synode met organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 4.

Een opmerkelijke bepaling is te vinden in ord. 4-25-5. De generale synode houdt een register bij van alle gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland (ord. 2-11-2). Als een bepaald ‘soort’ gemeenten sterk ondervertegenwoordigd zou blijken te zijn, heeft de kleine synode de mogelijkheid door een aantal classicale vergaderingen een extra synodelid te laten afvaardigen. Als op een gegeven moment de synode bijvoorbeeld vrijwel geen ambtsdragers zou tellen die afkomstig zijn uit een protestantse gemeente of een gereformeerde kerk, kan de kleine synode (ten hoogste tien) classicale vergaderingen aanwijzen om een extra synodelid af te vaardigen die ambtsdrager is (in dit voorbeeld) in een protestantse gemeente of een gereformeerde kerk.

De regeling voor de samenstelling van het moderamen van de generale synode wijkt af van wat bij de andere ambtelijke vergaderingen gebruikelijk is (ord. 4-27-2, zie ook ovb. 202). De preses en de eerste assessor worden voor vier jaar benoemd uit de leden van de vergadering. Ze mogen hun termijn als moderamenlid uitdienen, ook als ze niet langer afgevaardigde van de classicale vergadering zijn (als ze niet langer ambtsdrager zijn, treden ze wel af). De scriba hoeft geen synodelid te zijn; deze wordt voor vier jaar gekozen uit de predikanten van de kerk (en is eenmaal herkiesbaar). Al deze bepalingen zijn erop gericht continuïteit in de leiding van de generale synode mogelijk te maken.

Het breed moderamen van de generale synode telt 30 leden en wordt in de kerkorde aangeduid als de kleine synode (ord. 4-27-4 en 5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.1

6.5.1 Wijzigingen in de kerkorde

Eén bijzondere taak van de generale synode moet hier uitvoeriger worden besproken, namelijk het vaststellen en wijzingen van de kerkorde (art. XVIII-1), de ordinanties (art. XVII-2), de generale regelingen (ord. 4-26-1) en de overgangsbepalingen (ovb. 296 en 297).

Daarvoor zijn in de kerkorde zorgvuldige procedures vastgesteld.

 

Een wijziging in de kerkorde zelf kan worden voorgesteld door een classicale vergadering of door de evangelisch-lutherse synode (dan wordt het voorstel door de betreffende vergadering aan de generale synode voorgelegd) of in de generale synode zelf. In het laatste geval kan dat voorstel worden gedaan door het (breed)

|187|

moderamen of door synodeleden. Altijd geldt dat een ingediend voorstel in twee vergaderingen wordt behandeld, zodat overhaaste besluitvorming wordt voorkomen. Als de synode een voorstel tot wijziging van de kerkorde voorlopig heeft vastgesteld (de kerkorde gebruikt daarvoor de uitdrukking ‘in eerste lezing’, art. XVIII-4), wordt deze wijziging aan alle kerkenraden voorgelegd. De bedoeling is dat de kerkordewijziging in de kerkenraden besproken wordt en dat eventuele reacties schriftelijk of mondeling (via de afgevaardigden) in de classicale vergadering worden ingebracht. Vervolgens wordt de voorgenomen wijziging in de classicale vergadering besproken en stuurt deze vergadering haar consideraties in. Deze consideraties zijn meer dan een stemming: het is niet voldoende te vermelden hoeveel voor en hoeveel tegen waren. Het gaat er eerder om dat de opvattingen worden doorgegeven: hoe de vergadering over de voorstellen denkt, maar ook welke vragen en kanttekeningen er zijn. Wensen, amendementen en bezwaren kunnen eveneens worden vermeld. Om het de synode mogelijk te maken tot verantwoorde besluitvorming te komen, kan het gewenst zijn ook opvattingen van minderheden in de consideraties te verwoorden.

De gedachte dat de classicale vergadering een doorgeefluik is van brieven die de kerkenraden hebben ingezonden, moet worden afgewezen: de vergadering behoort haar eigen afweging te maken en haar eigen beschouwingen te geven. Ook de overwegingen ten aanzien van vragen van belijdenis en kerkorde die door een ringverband worden ingebracht, worden niet zonder meer doorgestuurd, maar eerst in de classicale vergadering besproken (ord. 4-17-2). Daarna kunnen ze — desgewenst met een begeleidend commentaar van de classicale vergadering zelf — aan de generale synode worden doorgegeven.

Als de generale synode de consideraties van de classicale vergaderingen heeft gewogen en besproken, kan zij overgaan tot de definitieve vaststelling (‘in tweede lezing’) van de kerkordewijziging. Daarbij is een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen vereist.

 

Een wijziging in de ordinanties verloopt grotendeels volgens dezelfde procedure (art. XVII). Een wijziging in de ordinanties kan echter ook worden ingediend door een orgaan van bijstand van de generale synode. Bij de definitieve vaststelling is een gewone meerderheid voldoende.

 

De generale regelingen worden vastgesteld door de generale synode zelf. Daarbij is niet voorgeschreven dat er consideraties worden gevraagd en ook een behandeling in twee vergaderingen is daarbij niet vereist. Soms is voor de wijziging van een generale regeling een nadere procedure voorgeschreven. Dat geldt in elk geval voor de generale regelingen waarin de rechtspositie aan de orde is (G.R. predikantstraktementen: ord. 3-16-4; G.R. predikantspensioenen: ord. 3-16-4; G.R. rechtspositie medewerkers: ord. 3-28-5).

|188|

Een deel van de overgangsbepalingen vervalt automatisch als de datum die daarin wordt genoemd verstreken is of als ze betrekking hebben op het moment van de vereniging van de kerken. Andere overgangsbepalingen kunnen worden gewijzigd of buiten werking gesteld. Daarbij moet de procedure van art. XVII worden gevolgd, dus die voor de wijziging van de ordinanties, zoals die hierboven is beschreven.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.2

6.5.2 De organen van bijstand

De generale synode heeft vier met name genoemde organen van bijstand (ord. 4-28-1). Daarnaast kunnen er andere commissies worden benoemd voor beperkte of tijdelijke taken (ord. 4-28-6). Verder gelden voor de generale synode als orgaan van bijstand alleen commissies die op grond van kerkordelijke regelgeving bepaalde taken namens de generale synode verrichten. Daarvoor moeten dus in de kerkorde zelf aanknopingspunten te vinden zijn.

Zie voor de generale synode met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 4.

Als eerste orgaan van bijstand van de generale synode wordt de generale raad van advies genoemd (ord. 4-28-3). Deze raad heeft allereerst tot taak de generale synode te adviseren ter zake van het leven en werken van de kerk, in het bijzonder met betrekking tot het werk van de dienstenorganisatie. Het is goed als deskundige leden van de kerk, die niet betrokken zijn bij de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het werk en die zich daarvan dus geheel onafhankelijk kunnen opstellen, de arbeid van de dienstenorganisatie van advies en zonodig van commentaar voorzien. Zij kunnen ook signalen in de kerk en de samenleving opvangen en doorgeven, waarop de kerk zou moeten reageren of inspelen. De synode kan zich door de raad ook laten adviseren bij de vaststelling van het synodale beleid en bij het beoordelen van zaken die vanuit de dienstenorganisatie aan de synode worden voorgelegd.

 

Vervolgens wordt in ord. 4-28-4 de taak van de raad van advies voor het gereformeerd belijden aangeduid. Dit orgaan van bijstand adviseert de generale synode in aangelegenheden die het gereformeerd belijden raken. Concreet valt daarbij te denken aan de behandeling van een gravamen tegen een van de gereformeerde belijdenisgeschriften (ord. 1-5-6) of aan het opzicht over de verkondiging en de catechese (ord. 10-15-2). Maar ook bij de voorbereiding van bijvoorbeeld een herderlijk schrijven zou het advies van dit orgaan kunnen worden gevraagd.

Andere ambtelijke vergaderingen en organen van de kerk kunnen een beroep doen op de raad van advies voor het gereformeerd belijden als ze advies nodig hebben bij de bezinning op vragen van geloof en kerk of bij het kerkelijk gesprek. De generale synode kan deze raad verzoeken namens de kerk het contact met

|189|

andere kerken van gereformeerd belijden en daarmee verwante organisaties te onderhouden. In de regel zal de kerk deze relaties zelf onderhouden. Wellicht zal voor sommige kerken de raad van advies voor het gereformeerd belijden gemakkelijker als gesprekspartner aanvaardbaar zijn.

 

De genoemde organen van bijstand zijn bevoegd als zij daar aanleiding toe zien de synode een ongevraagd advies aan te bieden. Het staat de synode dan uiteraard vrij om zelf te bepalen of ze een dergelijk advies in behandeling neemt of het voor kennisgeving aanneemt.

 

Voor de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs, die als derde wordt genoemd, verwijzen we verder naar § 13.10.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.3

6.5.3 De dienstenorganisatie

Met bestuur van de dienstenorganisatie wordt als vierde orgaan van bijstand aangemerkt. In ord. 4-28-5 worden de taken van het bestuur omschreven. Het heeft allereerst een bestuurlijke taak: het besturen van de dienstenorganisatie waartoe zowel het landelijk dienstencentrum, het LDC, als de regionale dienstencentra, de RDC’s, behoren (zie § 6.3.7). Maar ook het centrum Hydepark maakt onderdeel uit van de dienstenorganisatie. Daarin werken samen het Theologisch Seminarium Hydepark (dat een taak heeft bij de opleiding en vorming van predikanten en kerkelijk werkers), het Hendrik Kraemer Instituut (dat een rol vervult bij de opleiding van missionaire werkers) en het bezinningscentrum voor Godsdienst, Ethiek en Zingeving.

Het bestuur van de dienstenorganisatie is als orgaan van bijstand van de synode gebonden aan het beleidsplan en de begroting zoals die door de generale synode zijn vastgesteld. Het bestuur verricht zijn taak onder verantwoordelijkheid van de generale synode en legt aan haar periodiek verantwoording van zijn werkzaamheden af.

Zie voor bestuur en beleid van de dienstenorganisatie het organigram in bijlage 5.

Maar zoals de dienstenorganisatie zich niet alleen uitstrekt over het dienstencentrum, heeft ook het bestuur een bredere taak. Het is betrokken bij het voorbereiden van het beleid van de generale synode op verschillende terreinen. Naast de dienstverlening worden genoemd de zorg voor de opleiding van de predikanten en kerkelijk werkers, de theologische arbeid van de kerk, de missionaire, diaconale en oecumenische arbeid van de kerk en de ondersteuning van het werk van en ten behoeve van de meerdere vergaderingen. Bij dat laatste kan zeker ook gedacht worden aan de facilitaire zaken, waarvan de financiële en organisatorische aangelegenheden onderdeel uitmaken. In feite valt vrijwel het gehele arbeidsveld van de generale synode onder deze brede taakomschrijving met betrekking tot de beleidsvoorbereiding (uitgezonderd de wetgevende arbeid).

|190|

Als derde hoofdtaak van het bestuur kan worden genoemd de beleidsuitvoering. Daartoe kan worden gerekend dat door de generale synode aan het bestuur de uitvoering van kerkordelijke regelingen kan worden opgedragen (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2 sub g). Meer specifiek kan worden genoemd het vertegenwoordigen van de kerk ter zake van het werkgeverschap (ord. 4-28-5 en G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2 sub e). Alle aangelegenheden die verband houden met de rechtspositie van predikanten in algemene dienst, maar ook van kerkelijk werkers en kerkelijk medewerkers die door de kerk zijn aangesteld, worden behartigd door het bestuur van de dienstenorganisatie. De generale regeling noemt ook als taak van de dienstenorganisatie de opdracht om zorg te dragen voor de fondsenwerving binnen en buiten de kerk (G.R. dienstenorganisatie, art. 2-2). Tenslotte heeft het bestuur als taak het beheer van het vermogen van de Protestantse Kerk in Nederland en van de evangelisch-lutherse synode (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-3).

 

In de G.R. dienstenorganisatie worden samenstelling en werkwijze van het bestuur nader uiteengezet (art. 3 t/m 9). In art. 10 wordt de procedure ten aanzien van de beleidsplanning en de relatie tot het regionale activiteitenplan beschreven (zie daarover § 6.3.7). In art. 11 wordt aangegeven op welke wijze de werkzaamheden van de dienstenorganisatie ten uitvoer worden gelegd. Dat gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van projecten, die in programma’s van projecten worden vastgelegd. Zo wordt voorkomen dat bepaalde takken van werk automatisch worden gecontinueerd ‘omdat ze nu eenmaal bestaan’. Telkens moet worden bezien of bepaalde taken nog nodig zijn, of wellicht andere taken een hogere graad van urgentie hebben en op welke wijze de beschikbare middelen het beste kunnen worden ingezet. Er kan dus sprake zijn zowel van kortlopende projecten als van programma’s die in feite niet weg te denken zijn uit de kerkelijke arbeid. Welke projecten in de programma’s zullen worden opgenomen, wordt beslist in de programma-overleg-vergaderingen (die in het kerkelijk jargon al zijn afgekort tot POV’s). Daarin wordt samengewerkt door medewerkers van de dienstenorganisatie en door ‘deskundige leden van de kerk’, waarbij gedacht moet worden aan ambtsdragers en gemeenteleden die als geïnteresseerde en betrokken vrijwilligers willen meedenken over de vragen die op een bepaald terrein aan de orde zijn. Bij de uitvoering van de projecten worden werk- en beraadsgroepen ingeschakeld (G.R. dienstenorganisatie, art. 11-4) die respectievelijk meer op het uitvoerende vlak of meer in de bezinnende sfeer werkzaam zijn. Ook in deze werk- en beraadsgroepen worden de ‘deskundige kerkleden’ betrokken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.4

|191|

6.5.4 De generale colleges

De generale colleges die in ord. 4-29 worden genoemd, zijn geen organen van bij-tand in de strikte zin van het woord. Een orgaan van bijstand moet immers verantwoording afleggen aan de ambtelijke vergadering (ord. 4-28-2). De colleges nemen een meer zelfstandige positie in. Het betreft de generale colleges voor de visitatie (ord. 10-3), voor onderzoek van beheerszaken (ord. 11-24 en 25), voor de toelating tot het ambt van predikant (ord. 13-17) en voor de ambtsontheffing (ord. 3-20 en ord. 3-21). Met het oog op de consistentie van de regelgeving is een zelfstandig college voor de kerkorde ingesteld. Over dit college is, buiten ord. 4-19, in de kerkorde overigens niets te vinden.

Zie voor de generale synode met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 4.

De beide colleges voor de kerkelijke rechtspraak — het generale college voor het opzicht (ord. 10-8-6 en 7) — en het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-2-7) worden in ord. 4-29-1 afzonderlijk genoemd (‘alsmede’) om daarmee tot uitdrukking te brengen dat deze colleges nog meer dan de andere een onafhankelijke positie innemen ten opzichte van de ambtelijke vergadering die de leden benoemt. Deze onafhankelijkheid blijkt ook uit de benoeming van de leden voor een periode van acht jaar (zie verder § 11.6.1 en 11.7.2).

 

Tenslotte blijkt ook in de aanduiding dat ze periodiek ‘verslag uitbrengen’ van hun werkzaamheden aan de generale synode hun zelfstandige positie ten opzichte van de ambtelijke vergadering: ‘verslag uitbrengen’ kan niet op één lijn worden gesteld met ‘verantwoording afleggen’.