Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.11

5.11 De kerkelijke medewerkers

Ord. 3-28 handelt uitsluitend over de rechtspositie van de kerkelijke medewerkers. De inhoudelijke beschrijving van hun taken en hun positie in de gemeenten en in de kerk is te vinden in ord. 3-12 t/m 14 (zie § 5.5 t/m 5.5.5).

De rechtspositieregeling van de kerkelijke medewerkers wordt kortheidshalve aangeduid als de G.R. rechtspositie medewerkers en is van toepassing op drie categorieën:
- op de predikanten in algemene dienst (daarmee worden ze overigens niet gelijk gesteld met de kerkelijke medewerkers, zie § 5.8);
- op hen die als kerkelijk werker in een dienst zijn gesteld, waarbij een arbeidsovereenkomst is gesloten (daar vallen dus ook onder degenen die in een bediening zijn gesteld, zie § 5.5.1 en 5.5.2);
- op hen die in een andere functie aangesteld zijn als kerkelijke medewerker (zie § 5.5.6).

 

In ord. 3-28-2 moet het onderscheid tussen de benoeming en de aanstelling in het oog worden gehouden.

De benoemende instantie bepaalt wie straks deze taak als kerkelijke medewerker gaat vervullen. Als vuistregel geldt dat het recht van benoeming toekomt aan de instantie waarvoor de medewerker zijn of haar werkzaamheden gaat verrichten en onder wiens verantwoordelijkheid deze valt. Zo wordt een medewerker op het kerkelijk bureau benoemd door het college van kerkrentmeesters (ord. 11-2-7 sub c) en een medewerker op het bureau van de diaconie door het college van diakenen (ord. 11-3-4 sub c). Van de kerkmusicus (ord. 5-6-2) en de koster (ord. 5-7-2) wordt nadrukkelijk bepaald dat ze worden benoemd door de kerkenraad. Wie als kerkelijk werker (ord. 3-12-3) in een dienst wordt gesteld, wordt geroepen en benoemd door de kerkenraad. Dat geldt dus ook van een kerkelijk werker in diaconale dienst.

De benoemende instantie valt niet in alle gevallen samen met de instantie die de aanstelling verricht. Voor de aanstelling is namelijk een (kerkelijke) rechtspersoon vereist die de arbeidsovereenkomst afsluit. De kerk kent vijf rechtspersonen: op het plaatselijke vlak de gemeente en de diaconie, op het bovenplaatselijke vlak de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en de kerk. Bovendien bezit de dienstenorganisatie, als kerkelijke instelling overeenkomstig ord. 11-26, rechtspersoonlijkheid.

De instanties die de rechtspersonen vertegenwoordigen, verrichten de aanstelling

|157|

en fungeren als werkgever in arbeidsrechtelijke zin (ord. 3-28-3). Plaatselijk zijn het college van kerkrentmeesters (ord. 11-2-7 sub e) en het college van diakenen (ord. 11-3-4 sub e) aangewezen om voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden zorg te dragen en dus de aanstelling te verrichten en als werkgever op te treden. 

Voor de medewerkers van de dienstenorganisatie (het LDC, de RDC’s en Centrum Hydepark) geschiedt de aanstelling door het bestuur van de dienstenorganisatie, dat zorg draagt voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de dienstenorganisatie en fungeert als opdrachtgever voor de medewerkers (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2).

 

De rechtspositieregeling wordt in ord. 3-28 slechts globaal aangegeven. De uitwerking is te vinden in de generale regeling voor de rechtspositie van kerkelijke medewerkers. In ord. 3-28-5 wordt aangegeven hoe deze regeling en de uitvoeringsbepalingen totstandkomen of gewijzigd worden.

In de generale regeling worden de samenstelling en bevoegdheid van het georganiseerd overleg geregeld (art. 2 en 3). Er zijn bepalingen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst opgenomen (art. 4 t/m 8). Nadat een groot aantal bepalingen aangaande de arbeidsvoorwaarden die voor alle medewerkers gelden, zijn besproken (art. 9 t/m 26), zijn vooral de artikelen over het individueel klachtrecht en de geschillenregeling van belang (art. 27 en 28). De generale regeling telt in totaal 33 artikelen.