Heuvel, P. van den e.a. (2004) H5

119-157

|119|

5 Het ambt

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.1

5.1 Algemeen

Zowel art. V-4 als ord. 3-1-1 heeft als inzet dat de roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege. Daarmee wordt onderstreept dat de ambtsdragers ten diepste niet in dienst van de gemeente staan om haar belangen te behartigen, maar dat ze in dienst genomen zijn door Christus zelf die Heer en Hoofd van de kerk is (art. 1-2 en VI-1).

Daarmee is niet gezegd dat de lijn van Christus naar de gemeente alleen via het ambt loopt, alsof het ambt het alleenrecht van de vertegenwoordiging van Christus op aarde heeft. Voorafgaande aan het artikel over het ambt spreekt art. IV-1 over de gemeente die, zelf begenadigd door de Geest, geroepen is tot de dienst aan het Woord van God. In die gemeente zijn niet alleen de ambtsdragers, maar alle leden geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden als het gaat om de vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft (art. IV-2). De taak van de kerkenraad wordt wel aangeduid als coördinatie en finalisatie: de kerkenraad draagt zorg voor de samenhang en waakt ervoor dat het uiteindelijke doel van het gemeente-zijn niet uit het oog wordt verloren, namelijk dat de gemeente er is om de lofzang gaande te houden en om dienstbaar te zijn aan de wereld (art. VI-3). Daarom heeft in het gemeente-zijn het ambt een eigen plaats en roeping. Het is er van Christuswege (art. V-1) om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren.

Om te voorkomen dat het ambt louter functioneel wordt opgevat, als een uitvoerende taak die namens de gemeente wordt verricht, wordt de gemeente bij de verkiezing van haar ambtsdragers herinnerd aan de plaats en het werk van het ambt (ord. 3-1-3). Dat kan doordat daaraan aandacht geschonken wordt in een leerdienst of door een artikel in het kerkblad, maar er zijn ook andere manieren denkbaar.

In ord. 3-1 en 2 worden nog enkele zaken van algemeen belang ten aanzien van de verkiezing van ambtsdragers vermeld. Allereerst dat de ambtsdragers die aan de plaatselijke gemeente worden verbonden, in principe door de gemeente zelf worden verkozen (art. V-4 en ord. 3-1-1 en 2). De verkiezing van haar eigen ambtsdragers behoort in een presbyteriale kerkorde tot het grondrecht van de gemeente. In bepaalde gevallen kan de gemeente deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk delegeren aan de kerkenraad. In een gemeente met wijkgemeenten is de verkiezing van ambtsdragers die met een bepaalde opdracht aan de gemeente als geheel verbonden zijn, rechtstreeks aan de algemene kerkenraad opgedragen (ord. 3-4-8 en 3-6-7).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.1.1

|120|

5.1.1 De verkiezingsregeling

De verkiezingsregeling maakt onderdeel uit van de plaatselijke regeling (zie § 6.2.1) en wordt vastgesteld door de kerkenraad. Vooraf wordt de gemeente daarin gekend en daarover gehoord (ord. 4-7-2).

In de verkiezingsregeling moeten in elk geval onderstaande zaken worden vastgelegd:
- er moet worden bepaald in welke maand de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt gehouden (ord. 3-7-6);
- er moet worden vastgelegd welke stemprocedure wordt gevolgd. Het ligt voor de hand te bepalen dat in een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden het bepaalde in ord. 4-5-2 en 3 van toepassing is. Daarmee wordt vastgelegd dat bij het nemen van besluiten over zaken en over personen de procedure die voor de kerkelijke lichamen geldt, wordt gevolgd (zie § 6.1.4). De kerkorde sluit de mogelijkheid om ter plaatse een andere regeling te treffen echter niet uit.

Er kunnen in de verkiezingsregeling ook andere zaken worden geregeld.
- De kerkorde gaat uit van een jaarlijkse verkiezing van ouderlingen en diakenen, waarbij telkens een kwart van hen aftreedt. Het is echter niet uitgesloten te bepalen dat de verkiezing eenmaal in de twee jaar plaatsvindt, waarbij telkens de helft aftreedt.
- In elk geval zijn de belijdende leden die in het register van de gemeente staan ingeschreven, stemgerechtigd. Daarnaast kan de kerkenraad in de verkiezingsregeling bepalen dat ook doopleden van 18 jaar en ouder (ord. 3-2-3) stemrecht hebben. Wie stemgerechtigd is, kan ook tot ambtsdrager gekozen worden, want in de kerkorde zijn actief en passief kiesrecht aan elkaar verbonden. Als men deze regeling wil treffen, moet eerst de gemeente worden geraadpleegd.
- In de verkiezingsregeling kan worden opgenomen dat gastleden actief en passief kiesrecht hebben (G.R. gastlidmaatschap, art. 6-4).
- Men kan er de wijze van verkiezen in vastleggen, waarbij te denken valt aan de mogelijkheid van stembusverkiezing. In dat geval is het gewenst ook te regelen op welke wijze erop wordt toegezien dat alleen door stemgerechtigde leden een stem wordt uitgebracht.
- In de verkiezingsregeling kan de mogelijkheid van stemmen bij volmacht worden opgenomen. Daaraan is verbonden de beperking dat men ten hoogste voor twee andere gemeenteleden een stem kan uitbrengen (ord. 3-2-4).
- Als de gemeente meer dan 200 stemgerechtigde leden telt, kan in de verkiezingsregeling worden bepaald dat de verkiezing van de predikanten niet plaatsvindt in een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden, maar geschiedt door de kerkenraad (ord. 3-4-7). In de Nederlandse Hervormde Kerk was dat in grotere gemeenten de gebruikelijke gang van zaken. In de Protestantse Kerk

|121|

in Nederland is voor het opnemen van deze uitzonderingsregel echter wel de toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Dat zal daarbij moeten beoordelen of de wens om de verkiezing van de predikanten over te laten aan de kerkenraad in het belang van de gemeente is. Alleen als dat het geval is, kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de gemeente zelf bij de verkiezing van haar ambtsdragers betrokken is.
- Als in een wijkgemeente voor deze mogelijkheid van ord. 3-4-7 wordt gekozen, geschiedt de kandidaatstelling door de algemene kerkenraad en de wijk-kerkenraad tezamen en wordt de predikant vervolgens door de wijkkerken-raad verkozen en beroepen. Het getal van 200 stemgerechtigde leden heeft in dit geval betrekking op de wijkgemeente. De keuze voor deze mogelijkheid moet in dit geval in de verkiezingsregeling van de wijkgemeente worden opgenomen. Ook nu is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist.

De mogelijkheid van verkiezing via dubbeltallen (ord. 3-6-6) kan niet in de vorm van een permanente regeling in de verkiezingsregeling worden opgenomen, omdat die slechts kan worden gevolgd als de gemeente de kerkenraad daartoe uitdrukkelijk heeft gemachtigd voor een periode van ten hoogste zes jaar.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.1.2

5.1.2 Vijf fasen

In de procedure naar het ambt toe — zowel van de predikanten als van de andere ambtsdragers — zijn vijf fasen aan te wijzen:
- de voorbereiding met de kandidaatstelling (ord. 3-3 en ord. 3-6-1 t/m 4);
- de verkiezing en goedkeuring (ord. 3-4 en ord. 3-6-5 t/m 10);
- de roeping (ord. 3-5-1 t/m 3);
- de aanvaarding (ord. 3-5-4 en 5) en
- de bevestiging (ord. 3-5-6 t/m 8 en ord. 3-6-11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2

5.2 Predikanten

Ord. 3-3 t/m 5 handelen over de verkiezing van predikanten voor gewone werkzaamheden. Voor de verkiezing van predikanten in algemene dienst en predikanten met een bijzondere opdracht zijn afzonderlijke regelingen getroffen (in ord. 3-22 en ord. 3-23, zie § 5.8 en 5.9).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.1

5.2.1 Voorbereiding en kandidaatstelling

De eerste stappen bij het vervullen van de vacature van een predikant worden door de kerkenraad van de gemeente gezet. Zie voor een schematisch overzicht van de procedure voor het beroepen van een predikant pagina 122.

|122|

|123|

Als het een wijkgemeente betreft, moet er allereerst toestemming van de algemene kerkenraad worden gevraagd, voordat met de voorbereidingen voor het beroepingswerk wordt gestart. Er moet immers worden vastgesteld of er in de begroting van de gemeente ruimte is om weer een predikant te beroepen. Het beroepen van de predikanten moet bovendien passen in het beleid van de gemeente als geheel.

Vervolgens moeten de onderstaande stappen genomen worden (ord. 3-3).
- De (algemene) kerkenraad vraagt aan het regionale college voor de behandeling van beheerszaken een verklaring dat de gemeente financieel voldoende draagkracht heeft om een beroep uit te brengen.
- De (wijk)kerkenraad vraagt advies aan de sectie beroepingswerk van het LDC. Het is gebruikelijk dat deze commissie de profielschets van de te beroepen predikant en het beleidsplan van de gemeente (als de gemeente daarover beschikt) toegezonden krijgt; op basis daarvan verstrekt de commissie een lijst met namen van predikanten die men zou kunnen beroepen.
- De (wijk)kerkenraad neemt contact op met de consulent die door de het breed moderamen van de classicale vergadering of door het ringverband is aangewezen. Alleen als de gemeente of de wijkgemeente zelf nog een predikant heeft, omdat er in de kerkenraad twee of meer predikanten zitting hebben, wordt er geen consulent aangewezen.
- De (wijk)kerkenraad stelt een beroepingscommissie in. Daarin zitten leden van de kerkenraad, bij een wijkgemeente in elk geval ook een lid van de algemene kerkenraad (door de algemene kerkenraad aangewezen uit zijn midden) en in de regel ook een aantal gemeenteleden. Al kan op deze regel een uitzondering worden gemaakt, het opnemen van een of meer gemeenteleden in de beroepingscommissie wordt door de kerk dus wel als de gewenste gang van zaken beschouwd.
- De (wijk)kerkenraad stelt de gemeenteleden in de gelegenheid tot het indienen van namen van predikanten of kandidaten die men voor de gemeente geschikt acht.

 

Ord. 3-4 begint met aan te geven wie als predikant beroepbaar zijn. De toelating tot het ambt van predikant is een verantwoordelijkheid van de kerk als geheel. Als predikant van de gemeente kunnen worden beroepen:
1. Wie na het colloquium door het generale college voor de toelating tot het ambt bevoegd verklaard is als proponent te staan naar het ambt van predikant (ord. 13-19-3). Deze bevoegdheid geldt voor een periode van telkens vier jaar (ord. 13-19-5).
2. Een dienstdoend predikant voor gewone werkzaamheden. Hierbij geldt een aantal beperkingen.
Men is beroepbaar als men ten minste vier jaar in de huidige gemeente heeft

|124|

gestaan (ord. 3-4-2). Om binnen vier jaar een beroep te aanvaarden heeft men toestemming nodig van het breed moderamen van de classicale vergadering van de gemeente die men dient. Voor een beginnend predikant die aan de eerste gemeente verbonden is, is bovendien vereist dat hij of zij beschikt over de verklaring van het Theologisch Seminarium, dat aan de verplichte nascholing is voldaan of dat men daarvan vrijstelling heeft verkregen (G.R. opleiding predikanten, art. 11-5 en 6).
3. Een predikant in algemene dienst of een predikant met een bijzondere opdracht (ord. 3-22 en 3-23). In dit geval geldt niet de beperking dat men vier jaar heeft dienst gedaan maar zijn de regels van het dienstverband van toepassing, met de daarbij behorende opzegtermijn.
4. Een voormalige predikant van de kerk die tot ‘beroepbaar predikant’ is verklaard (zie § 5.6).
5. Een predikant uit een kerk waarmee door de Protestantse Kerk in Nederland bijzondere betrekkingen worden onderhouden. De overkomst van predikanten uit deze of andere kerken is echter aan bijzondere voorwaarden gebonden (zie ord. 14-4-4).

De toevoeging bij de proponentsbelofte bij het colloquium ‘daarbij in het bijzonder verbonden te zijn met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde of de lutherse traditie’ (ord. 13-19-4 en ovb. 285) brengt geen beperking met zich mee ten aanzien van de beroepbaarheid. Elke proponent of predikant van de Protestantse Kerk in Nederland is in elke gemeente van de kerk beroepbaar. Het spreekt vanzelf dat de predikant de gemeente daarvan wel vooraf op de hoogte stelt en dat hij zich in zijn ambtsbediening voegt naar de confessionele positie van de gemeente waarin hij is bevestigd.

 

Over de wijze waarop de beroepingscommissie haar taak verricht, spreekt de kerkorde verder niet. De kerkenraad kan aan de beroepingscommissie de vrije hand geven, maar is ook bevoegd om aanwijzingen geven. Hij kan bepalen of men van een advertentie gebruik zal maken, of een groslijst van predikanten opstellen die door de commissie benaderd mogen worden.

Als de beroepingscommissie haar advies aan de kerkenraad heeft uitgebracht, is het de kerkenraad zelf die beslist over de kandidaatstelling. De kerkenraad legt aan de gemeente één of meer namen van predikanten voor en de stemgerechtigde leden zijn bij de verkiezing aan deze namen gebonden. In een gemeente met wijkgemeenten moet over de kandidaatstelling worden besloten in een gezamenlijke vergadering van de wijkkerkenraad met de algemene kerkenraad. Daarbij is voorgeschreven dat beide kerkenraden met de kandidaatstelling instemmen. Met andere woorden: de te beroepen predikant moet aanvaardbaar zijn zowel voor de wijkkerkenraad als voor de algemene kerkenraad (ord. 3-4-4).

Bij de kandidaatstelling kan de naam (of kunnen de namen) van de predikant(en) waarover een beslissing moet worden genomen, tevoren aan de gemeente worden

|125|

bekendgemaakt. De kerkenraad kan echter ook redenen hebben om de naam pas in de vergadering te noemen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de predikant met wie contact is geweest, daar zelf om heeft gevraagd omdat in diens gemeente nog niemand op de hoogte is. Het is ook denkbaar dat de kerkenraad eerst de overwegingen waarom hij juist deze predikant voordraagt met de gemeente wil bespreken, voordat diens naam wordt genoemd.

In elk geval worden de stemgerechtigde gemeenteleden tijdig uitgenodigd voor de vergadering waarin de verkiezing zal plaatsvinden. Met betrekking tot de termijnen en dergelijke worden geen nadere voorschriften gegeven, maar het is duidelijk dat de aankondiging van een dergelijke bijeenkomst ruimschoots te voren moet wordt gedaan (waarbij een week wel het minimum is).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.2

5.2.2 Verkiezing, goedkeuring, bezwaren

De verkiezing van een predikant vindt plaats in een vergadering van stemgerechtigde leden van de gemeente of de wijkgemeente (ord. 3-4-5). Deze vergadering van stemgerechtigde leden kan niet worden aangemerkt als een kerkelijk lichaam in de zin van ord. 4-4, zodat de quorumbepaling van ord. 4-5-4 op deze bijeenkomst niet van toepassing is (zie § 6.1.3). Men kan dus tot stemmen overgaan ook als minder dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is. In de plaatselijke verkiezingsregeling kan worden bepaald dat ord. 4-5-3 (stemming over personen) wordt toegepast bij de verkiezing van ambtsdragers (zie § 5.1.1). Meestal zal er één kandidaat aan de gemeente worden voorgesteld. In dat geval is een twee derde meerderheid van de uitgebrachte geldige stemmen vereist (ord. 3-4-6).

Voor de verkiezing van een predikant die met een bepaalde opdracht aan de gemeente als geheel is verbonden geldt een afwijkende regeling (ord. 3-4-8): in een gemeente met wijkgemeenten wordt deze predikant rechtstreeks door de algemene kerkenraad gekozen. Daarbij kan men denken aan een predikant voor het jeugdwerk van de gemeente als geheel, aan een missionair predikant of aan een predikant voor andere bijzondere taken in de gemeente.

 

Na de verkiezing maakt de kerkenraad de naam van de verkozen predikant aan de gemeente bekend om de (stilzwijgende) goedkeuring van de gemeente te verkrijgen. Deze bekendmaking zal in de regel door middel van een afkondiging in de kerkdienst en/of via het kerkblad geschieden. Als er bezwaren zijn, moeten die uiterlijk één week na de bekendmaking worden ingediend. Bezwaren die later binnenkomen, kunnen de beroepingsprocedure niet meer ophouden.

Deze bezwaren kunnen overigens alleen de gevolgde procedure betreffen. Bijvoorbeeld als de gemeente te laat of onvoldoende is ingelicht over de verkiezingsbijeenkomst, of als aan de stemming niet-stemgerechtigde gemeenteleden hebben deelgenomen. Als een bezwaar is ingediend, is de kerkenraad verplicht — binnen

|126|

twee weken — het bezwaar door te zenden aan het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Tegelijkertijd kan de kerkenraad ook zelf proberen de bezwaren uit de weg te ruimen. Als het bezwaarde gemeentelid daardoor van gedachten verandert en aangeeft dat het bezwaar niet meer behandeld hoeft te worden, kan het gemeentelid zelf alsnog zijn bezwaar schriftelijk intrekken. Het regionale college doet einduitspraak, dat wil zeggen dat er na deze uitspraak geen (hoger) beroep meer kan worden ingesteld (ord. 3-4-10 en 11).

 

Ord. 3-5 geeft niet de mogelijkheid om bezwaren tegen de persoon van de te beroepen predikant in te dienen. Het is voor gemeenteleden wel mogelijk om in de verkiezingsbijeenkomst aan te geven waarom men een bepaalde predikant niet geschikt acht voor de gemeente, maar een formeel bezwaar achteraf kan niet worden behandeld. Als iemand door de kerk beroepbaar is gesteld en door de gemeente verkozen is, is een ander orgaan van de kerk niet bevoegd om daarin in te grijpen omdat men de keuze niet verantwoord acht. Het is het recht van de gemeente om zelf haar ambtsdragers te verkiezen. Het ligt natuurlijk anders wanneer op iemand een middel van kerkelijke tucht is toegepast. In de regel zal een predikant die geschorst, losgemaakt of ontzet is (als bedoeld in ord. 10-9-7 sub b t/m d) ook geschorst worden in de bevoegdheid tot uitoefening van het actief en passief kiesrecht (ord. 10-9-6 sub c) en dus niet beroepbaar zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.3

5.2.3 Het beroep

Met het uitbrengen van het beroep wordt gewacht tot de termijn van bezwaar (een week na de bekendmaking) is verstreken. Als een bezwaar is ingediend, moet worden gewacht tot de behandeling daarvan is afgerond. Vervolgens wordt het beroep uitgebracht door de kerkenraad, in een gemeente met wijkgemeenten door de wijkkerkenraad, in een streekgemeente door de streekkerkenraad en bij een combinatie door de kerkenraden gezamenlijk (ord. 3-5-1). Dat het beroep in een gemeente met wijkgemeenten wordt uitgebracht door de wijkkerkenraad (op grond van de verkiezing door de wijkgemeente) brengt met zich dat een predikant door de algemene kerkenraad niet kan worden ‘overgeplaatst’ naar een andere wijkgemeente, zelfs niet met instemming van de betrokken predikant. In dat geval zou er door de nieuwe wijkgemeente — volgens de daarvoor geldende procedure — een nieuw beroep moeten worden uitgebracht.

De beroepsbrief wordt ondertekend door de preses en de scriba van de (wijk)ker-kenraad of kerkenraden. In de gereformeerde kerken was het van oudsher gebruikelijk dat ook de consulent de beroepsbrief ondertekende, om daarmee aan te geven dat de beroepingsprocedure volgens de regels van de kerkorde was verlopen. Hoewel dat in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland niet is voorgeschreven, is er geen enkel bezwaar tegen om aan deze (goede) gewoonte trouw te blijven.

|127|

Voor het opstellen van de beroepsbrief kan gebruik worden gemaakt van het model dat de kerk daarvoor aanbiedt. Ord. 3-5-2 bepaalt dat in de beroepsbrief in elk geval tot uitdrukking moet worden gebracht dat de predikant niet in een arbeidsrechtelijke verhouding tot de kerkenraad of de gemeente staat. De predikant draagt binnen de kerkenraad een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid, aangeduid als ‘de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords’.1 In de hervormde kerkorde was die vrijheid verankerd in de figuur van de predikantsplaats. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland keert de predikantsplaats als zodanig niet terug, maar de gedachte die daarin tot uitdrukking werd gebracht blijft onverminderd gelden.

In de positie van de predikant is een spanningsveld aanwezig:
- in het kader van zijn beroep heeft de predikant een rechtspositie en ontvangt hij of zij een traktement van de gemeente (ord. 3-16-4);
- als lid van de kerkenraad oefent de predikant het ambt uit in het kader van de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad (art. V-2); een predikant die zich van de kerkenraad niets aantrekt en het ambt uitoefent op solistische wijze komt in strijd met het presbyteriale karakter van de kerkorde;
- in dat alles heeft de predikant ook een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid die in geestelijke vrijheid wordt uitgeoefend. De predikant staat niet in dienst van de kerkenraad of van het college van kerkrentmeesters. Deze hebben dan ook niet de taak een beoordeling over het werk van de predikant uit te spreken.

Dat neemt niet weg dat het van belang is te bespreken hoe de predikant en de kerkenraad hun functioneren ten opzichte van elkaar en van de gemeente ervaren. Het werkverslag kan daarbij een rol spelen. Voor een dergelijke bespreking is de term ‘functioneringsgesprek’ minder geschikt omdat daarmee onbedoeld de suggestie dat de kerkenraad boven de predikant staat, kan worden gewekt.

Behalve een bespreking van het werkverslag van de predikant behoort ook een gezamenlijke bespreking van de verkondiging stellig tot de verantwoordelijkheid van de kerkenraad. Dat kan er echter niet toe leiden dat de inhoud van de prediking door de kerkenraad wordt bepaald of voorgeschreven (zie ook ord. 5-1-4).

 

Bij de beroepsbrief wordt een aanhangsel gevoegd — in de hervormde kerk vroeger als ‘de ligger’ aangeduid — waarin de rechtspositieregeling is neergelegd. Daarom moet dit aanhangsel niet alleen door de preses en scriba van de kerkenraad, maar ook door de voorzitter en de secretaris van het college van kerkrentmeesters worden ondertekend. Bij een gemeente met wijkgemeenten wordt dit aanhangsel niet ondertekend door de preses en scriba van de wijkkerkenraad, maar door die van de algemene kerkenraad (ord. 3-5-3).

Bij het aanvaarden van het beroep wordt geen arbeidsovereenkomst getekend.


[157] 1. Ord. 3-5-2 is de enige plaats in de kerkorde waar de klassieke aanduiding van de predikant als ‘dienaar des Woords’ voorkomt.

|128|

In lijn met het bovenstaande bepaalt ord. 3-16 in lid 4 dat voor de predikant genoemde rechtspositie zonder meer ‘geldt’ en in lid 5 dat de verplichting om het traktement en de overige vergoedingen uit te betalen rust op de kerkenraad of (in een gemeente met wijkgemeenten) op de algemene kerkenraad.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.4

5.2.4 Aanvaarding en bevestiging

Als de beroepsbrief is overhandigd (of toegezonden) heeft de beroepen predikant drie weken om te beslissen. Het antwoord moet schriftelijk worden meegedeeld: als er niet tijdig bericht komt, is het beroep niet aanvaard.

De beslissing op een beroep wordt uiterst serieus genomen. Daarbij geldt: ‘Uw ja zij ja en uw nee zij nee.’ Wie voor een beroep heeft bedankt, kan de eerstkomende twee jaar niet in diezelfde vacature worden beroepen (ord. 3-4-3). Wie een beroep heeft aanvaard, kan van de belofte om over te komen slechts worden ontslagen als daarvoor zwaarwegende argumenten zijn. In dat geval is nodig dat niet alleen de kerkenraad van de roepende gemeente akkoord gaat, maar ook de kerkenraad van de huidige gemeente (ord. 3-5-8).

Na het aanvaarden van het beroep moet er aan een aantal formaliteiten (die overigens bepaald wel van belang zijn!) worden voldaan.
- Er dient een dag van bevestiging te worden overeengekomen. Deze dag moet door de kerkenraad van de roepende gemeente schriftelijk ter kennis van de beroepen predikant en diens gemeente worden gebracht (G.R. predikantstraktementen, art. 20-1). De datum van bevestiging ligt als regel binnen drie maanden na het aanvaarden van het beroep (ord. 3-5-6). Het is niet goed als een gemeente eindeloos moet wachten omdat het de predikant beter uitkomt de overkomst naar de verre toekomst te verschuiven.
- Een dienstdoend predikant voor gewone werkzaamheden moet zelf een akte van losmaking aanvragen. Deze akte moet mee ondertekend worden door het breed moderamen van de classicale vergadering. Een predikant in algemene dienst moet de akte van losmaking vragen bij de ambtelijke vergadering die hem destijds als predikant in algemene dienst beroepen heeft (ord. 3-5-5). Deze akte van losmaking geeft de zekerheid dat er geen kwesties zijn die de overkomst verhinderen. Het ligt voor de hand dat geen akte van losmaking wordt afgegeven als er een tuchtprocedure loopt.
Op de akte van losmaking dient de einddatum te worden vermeld. De losmaking vindt plaats aan het einde van de dag vóór de overeengekomen datum van bevestiging (G.R. predikantstraktementen, art. 20-1).
- Door de roepende gemeente moet vervolgens bij het breed moderamen van de eigen classicale vergadering approbatie worden gevraagd. Die verklaring wordt afgegeven als aan alle kerkordelijke voorwaarden is voldaan (ord. 3-5-6).

|129|

De verbintenis met de (nieuwe) gemeente gaat in op de dag van de bevestiging zoals die was overeengekomen. Dat geldt ook als door bijzondere omstandigheden de bevestiging op die dag (of later) geen doorgang zou kunnen vinden.

De bevestiging vindt plaats in een kerkdienst van de gemeente, met gebruikmaking van een van de orden van dienst (zie § 7.9). De kerkorde spreekt van bevestiging, ook als iemand al eerder in het ambt van predikant was bevestigd. Het dienstboek spreekt in dat geval van ‘verbintenis’.2 De eerste bevestiging geschiedt met handoplegging.


[157] 2. Commissie Dienstboek, Proeven voor de eredienst, aflevering 2. Bevestiging ambtsdragers, Leidschendam/Leusden 1989, 31 en 55-69.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3

5.3 Ouderlingen en diakenen

Ook bij de verkiezing van de ouderlingen (waarbij de ouderlingen-kerkrentmeester zijn inbegrepen) en de diakenen zijn de vijf fasen die in § 5.1.2 zijn genoemd van belang.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.1

5.3.1 Voorbereiding en kandidaatstelling

Ord. 3-6-1 geeft aan wie verkiesbaar is tot ouderling, ouderling-kerkrentmeester of diaken. Dat zijn in principe de stemgerechtigde leden van de gemeente of de wijkgemeente. In elk geval zijn dat de belijdende leden, maar als de plaatselijke regeling daarin voorziet zijn dat ook de doopleden van 18 jaar en ouder (ord. 3-2-3) en eventueel de gastleden (G.R. gastlidmaatschap, art. 6-4). Zij zijn stemgerechtigd tenzij hun het kiesrecht is ontnomen als middel van kerkelijke tucht (ord. 10-9-6 sub c). Als men iemand wil kandidaat stellen die tot een andere gemeente of wijkgemeente behoort, is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig.

In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zijn geen bepalingen opgenomen ten aanzien van leeftijdsgrenzen van ouderlingen of diakenen. Er zijn evenmin beperkingen aangebracht met betrekking tot bloedverwantschap of aanverwantschap. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om daar met wijsheid mee om te gaan. Voorkomen moet worden dat de bevoegdheden in een gemeente berusten bij (de leden van) slechts enkele families. Ook is een goede spreiding van de leeftijden van de ambtsdragers in het belang van de gemeente. De kerkenraad maakt tijdig bekend in welke vacatures zal moeten worden voorzien en nodigt de gemeente uit om aanbevelingen in te dienen (ord. 3-6-3). De bevoegdheid om namen in te dienen is niet beperkt tot de stemgerechtigde leden. De aanbevelingen worden niet per vacature, maar per ambt ingediend. In de bepalingen zijn geen termijnen opgenomen. Dat betekent dat de kerkenraad er zelf verantwoordelijk voor is dat de gemeente ruimschoots gelegenheid krijgt om met aanbevelingen te komen. Een week lijkt daarbij wel het minimum.

|130|

Vervolgens maakt de kerkenraad voor elk ambt waarin één of meer vacatures zijn, een verkiezingslijst op (ord. 3-6-4). Dat gaat als volgt. De namen van verkiesbare personen die door tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden voor een van de ambten zijn aanbevolen, komen zonder meer op de verkiezingslijst voor dat ambt. Het is aan de kerkenraad om te beslissen wat er gebeurt met de namen die door minder dan tien stemgerechtigde leden of door anderen zijn ingediend. De kerkenraad kan besluiten ze zelf toe te voegen aan de verkiezingslijst, maar is daartoe niet verplicht.

Die tien aanbevelingen kunnen tien afzonderlijke brieven zijn, maar één brief met tien geldige handtekeningen heeft dezelfde waarde. Wie op deze wijze door tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden is aanbevolen, moet door de kerkenraad zonder meer op de verkiezingslijst worden geplaatst. De kerkenraad kan daarvan alleen afwijken als de aanbeveling een dooplid betreft die niet of nog niet onder de belijdende leden kan worden opgenomen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij geen belijdend lid wil worden, of omdat de kerkenraad van oordeel is dat aan de toelating tot de openbare belijdenis van het geloof nog een bredere voorbereiding vooraf dient te gaan (ord. 9-4-1).

Als de kerkenraad kennis heeft genomen van de ingekomen namen, kan hij daarmee volstaan, maar een kerkenraad kan zelf ook een of meer namen aan de lijst toevoegen. Daartoe is elke kerkenraad bevoegd, ook als hij minder dan tien leden telt. Een besluit om een naam toe te voegen wordt genomen bij meerderheid van stemmen. Dus als in een kerkenraad van negen personen vijf van hen de naam van dhr. Jongeling op de verkiezingslijst voor ouderling willen plaatsen, kan daartoe met gewone meerderheid van stemmen worden besloten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.2

5.3.2 Verkiezing en goedkeuring

Het hangt van het aantal vacatures en van het aantal namen op de verkiezingslijst af, of een verkiezing moet worden gehouden (ord. 3-6-5). Als er niet meer namen dan vacatures zijn, kan de kerkenraad de aanbevolen personen zonder meer verkozen verklaren. Als er meer namen dan open plaatsen zijn, is een verkiezing noodzakelijk. Het meest voor de hand ligt dat deze verkiezing plaatsvindt in een vergadering van stemgerechtigde leden, maar dat is niet voorgeschreven. Een andere mogelijkheid is een zogenaamde stembusverkiezing. Daarbij hebben stemgerechtigde leden de gelegenheid om (bijvoorbeeld in aansluiting op een kerkdienst) hun stembriefjes in een stembus te deponeren (zie § 5.1.1). Het bezwaar bij de laatste methode is dat het niet mogelijk is om op diezelfde dag een herstemming te houden als bij de eerste stemronde niet alle vacatures zijn vervuld.

Welke stemprocedure bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt gevolgd, wordt in de plaatselijke regeling bepaald (zie eveneens § 5.1.1). Om de gang van zaken concreet te maken, een voorbeeld waarbij er vijf vacatures

|131|

zijn voor ouderling en drie voor diaken. Er wordt in dit voorbeeld van uitgegaan dat de stemprocedure van ord. 4-5-3 van toepassing is verklaard.

Voor ouderling zijn door de gemeente drie namen ingediend en de kerkenraad heeft zelf nog één naam toegevoegd. In dat geval telt de verkiezingslijst voor ouderling vier namen, dus minder dan de vijf vacatures die moeten worden vervuld, en kunnen deze vier personen zonder meer tot ouderling verkozen worden verklaard.

Voor diaken zijn vier namen binnengekomen, de kerkenraad stelt zelf ook een naam voor: de verkiezingslijst voor diaken telt dus vijf namen, terwijl er slechts drie vacatures zijn. In dit geval moet er dus een verkiezing worden uitgeschreven, waarbij de gemeente uit de vijf kandidaten er drie moet kiezen. Alle stemgerechtigden vullen dus drie namen op hun stembriefje in. In een vergadering van 35 lidmaten komen er dus 105 stemmen binnen. De drie kandidaten met het hoogste aantal stemmen zijn gekozen, als ze tenminste een meerderheid hebben behaald (in dit geval dus 18 van de 35 stemmen).

Bij de eerste stemming heeft A 35 stemmen, B 34 stemmen, C 17 stemmen, D 10 stemmen en E 9 stemmen. Daarmee zijn A en B direct verkozen (ze hebben elk tenminste 18 stemmen). Voor de derde vacature moet een herstemming plaatsvinden, omdat C, D en E geen 18 stemmen hadden verkregen. Bij de herstemming gaat het tussen de twee kandidaten die bij de laatste stemming de meeste stemmen hadden behaald, dus tussen C en D. Als C deze keer 17 stemmen krijgt en D 18, is de laatste gekozen tot diaken.

Als in hetzelfde voorbeeld de stemverhoudingen waren: A 23 stemmen, B 22 stemmen, C 21 stemmen, D 20 stemmen en E 19 stemmen, hadden alle vijf kandidaten een meerderheid. In dat geval zijn de drie kandidaten met het hoogste aantal stemmen (dus A, B en C) bij de eerste stemming verkozen. Als A en B achteraf zouden bedanken, zouden in dat geval door de kerkenraad D en E kunnen worden verkozen verklaard zonder dat daarvoor nieuwe stemming nodig is. Ook zij beiden hadden immers bij de eerste stemming een meerderheid verkregen.

 

Twee uitzonderingen op de regel.

1. Verkiezing via dubbeltallen.
De bepaling van ord. 3-6-6 maakt verkiezing via dubbeltallen mogelijk. In dat geval neemt de kerkenraad kennis van de aanbevelingen die zijn binnengekomen (er moeten altijd aanbevelingen worden gevraagd!) maar stelt hij zelf een dubbeltal op — voor elke vacature afzonderlijk — waaraan de gemeente bij de verkiezing gebonden is. De kerkenraad kan daarbij afwijken van de aanbevelingen die zijn ingediend. Van deze methode, waarbij de kerkenraad een duidelijk sturende bevoegdheid heeft verkregen, kan worden gebruikgemaakt als de stemgerechtigde leden van de gemeente de kerkenraad daartoe gemachtigd hebben. Deze machtiging geldt voor een periode van ten hoogste zes jaar. Daarna kan de gemeente desgewenst een nieuwe machtiging verstrekken.

|132|

Als er geen enkele aanbeveling binnenkomt, kan er van worden uitgegaan dat de gemeente geen geschikte kandidaten voor het ambt kan noemen. In dat geval zal de kerkenraad zelf — al dan niet door een verkiezing via dubbeltallen — in de vacature hebben te voorzien.
2. Ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht.
In een gemeente met wijkgemeenten worden ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente als geheel rechtstreeks gekozen door de algemene kerkenraad (ord. 3-6-7). Ook nu worden de gemeenteleden in de gelegenheid gesteld namen in te dienen. Van deze mogelijkheid kan gebruikgemaakt worden bijvoorbeeld om een evangelisatieouderling of een jeugddiaken voor de gemeente als geheel te verkiezen, maar ook voor de verkiezing van ambtsdragers ten dienste van een modalitaire minderheid in de gemeente.

 

Na elke verkiezing wordt (stilzwijgende) goedkeuring van de gemeente gevraagd (ord. 3-6-8). Daarvoor worden de namen van degenen die gekozen zijn aan de gemeente bekendgemaakt. Deze bekendmaking vindt in de regel plaats door middel van een afkondiging in de kerkdienst en/of via het kerkblad. Als er bezwaren zijn, moeten die uiterlijk één week na de bekendmaking worden ingediend. Anders dan bij de verkiezing van een predikant kunnen er nu bezwaren zijn tegen de procedure én bezwaren tegen de persoon (ord. 3-6-9).

De kerkenraad is verplicht een bezwaarschrift binnen twee weken door te zenden (ord. 3-6-10). Hij kan zelf proberen de bezwaren uit de weg te ruimen, maar het bezwaarschrift kan niet worden tegengehouden. Het bezwaarschrift wordt dus doorgezonden tenzij de kerkenraad de bezwaarde binnen deze twee weken heeft weten te overtuigen en de bezwaarde zelf schriftelijk de klacht heeft ingetrokken. Het is dus aan de ‘klager’ om te beoordelen of het bezwaar is weggenomen, niet aan de kerkenraad.

Een bezwaar tegen de gevolgde procedure kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het feit dat er aan de stemming personen hebben deelgenomen die niet stemgerechtigd waren, of dat er over personen mondeling werd gestemd ondanks bezwaar uit de vergadering. Het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen doet bij een dergelijk bezwaar einduitspraak, zodat daartegen geen beroep kan worden ingesteld.

Als de bezwaren de persoon van de gekozen ambtsdrager betreffen, moeten de bezwaren door de kerkenraad worden doorgezonden naar het regionale college voor het opzicht. Als het bezwaar door dit college ongegrond is verklaard, is daarmee de zaak afgedaan. In dat geval is geen beroep mogelijk. Als het bezwaar wel gegrond is verklaard, zodat de verkozene niet in het ambt mag worden bevestigd, kan er wel beroep worden ingesteld bij het generale college voor het opzicht (ord. 3-6-10, waarbij de regels van ord. 10-11 worden gevolgd).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.3

|133|

5.3.3 Roeping, aanvaarding en bevestiging

Merkwaardig genoeg wordt — anders dan bij de predikanten — over de roeping en aanvaarding bij de andere ambtsdragers vrijwel gezwegen. We moeten het hier doen met de algemene bepaling uit ord. 3-1-2 dat de roeping geschiedt op grond van de gehouden verkiezing. Hoe dan ook: na een verkiezing worden de gekozen ambtsdragers daarvan op de hoogte gesteld en wordt hun gevraagd of zij bereid zijn deze roeping te aanvaarden.

Als er geen bezwaren zijn ingebracht of de bezwaren zijn afgewezen, worden de nieuwe ambtsdragers bevestigd in een kerkdienst van de gemeente (ord. 3-6-11) met gebruikmaking van een van de orden van dienst (zie § 7.9). Wanneer het een dooplid van de gemeente betreft, moet deze vooraf onder de belijdende leden van de gemeente worden opgenomen. Dat kan in dezelfde kerkdienst gebeuren, door het beantwoorden van een belijdenisvraag (ord. 9-5-4). Maar het afleggen van deze openbare geloofsbelijdenis is geen formaliteit: ook in dit geval moet er van een serieuze voorbereiding sprake zijn (ord. 9-4-1).

Nieuw is dat in ord. 3-6-11 uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt genoemd om ook bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen de handen op te leggen. De toelichting in de ‘Proeven voor de eredienst’ merkt daarbij op dat ook deze handoplegging eenmalig is: ‘Eens en voor altijd worden ook lidmaten als diaken of ouderling bevestigd met het oog op de tijd, waarin zij hun ambt uitoefenen in de gemeente waartoe zij behoren.’3


[157] 3. Commissie Dienstboek, Proeven voor de eredienst, aflevering 2. Bevestiging ambtsdragers, Leidschendam/Leusden 1989, 26. Het Dienstboek sluit dus — anders dan bij de predikanten — handoplegging bij een latere bevestiging tot ouderling of diaken in een andere gemeente niet uit.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.4

5.3.4 Ambtstermijn

De ambtstermijn van ouderlingen en diakenen is vier jaar, met de mogelijkheid om eenmaal voor een aansluitende periode als ambtsdrager herkozen te worden (ord. 3-7-1). Hier wijken de bepalingen af van de regelingen die voorheen in de afzonderlijke kerken gebruikelijk waren. Wie acht jaar als ouderling heeft gediend, kan niet terstond als ouderling worden herkozen (maar in dezelfde kerkenraad of wijkkerkenraad dus ook niet als diaken of ouderling-kerkrentmeester!). Men treedt aan het einde van de zittingstijd verplicht af, tenzij er nog geen opvolger is gevonden. In dat geval mag iemand nog ten hoogste zes maanden aanblijven om het mogelijk te maken de vacature te vervullen (ord. 3-7-5). Op zijn vroegst elf maanden na het verstrijken van de officiële zittingstermijn kan men opnieuw in dezelfde kerkenraad worden gekozen, zodat er altijd een periode van tenminste vijf maanden overblijft om enige afstand te nemen (ord. 3-7-2). De zittingsperiodes van de ambtsdragers worden op een rooster vastgelegd, om te waarborgen dat niet op enig moment alle diakenen tegelijk aftreden of een geheel nieuw college van kerkrentmeesters moet worden gekozen.

|134|

Uitzonderingen:
- Men is als ouderling of diaken slechts eenmaal terstond herkiesbaar. In bijzondere omstandigheden kan het breed moderamen van de classicale vergadering hiervan dispensatie verlenen zodat een derde ambtstermijn mogelijk wordt (ord. 3-7-1).
- Voor iemand die als ambtsdrager is afgevaardigd naar een meerdere vergadering (dus naar de classicale vergadering of de generale synode) of als ambtsdrager lid is van een regionaal of generaal college (bijvoorbeeld voor het opzicht of voor de behandeling van bezwaren en geschillen) kan de ambtstermijn worden verlengd tot het einde van de periode van dat lidmaatschap (ord. 3-7-3). Deze regeling is ook van toepassing op de preses en de scriba van de classicale vergadering en van de algemene classicale vergadering, als zij rechtstreeks uit de ambtsdragers van het ressort zijn gekozen (zie ord. 4-16-3 en 4-19-4). De verlenging van de ambtstermijn geschiedt overigens niet automatisch: het is de kerkenraad die daarover beslist.
- De zaak wordt enigszins ingewikkeld als er een tussentijdse verkiezing plaatsvindt. Daarvan zegt ord. 3-7-4 dat de kerkenraad handelt naar bevind van zaken. In dat geval zal de kerkenraad — om in de pas te blijven met het rooster van aftreden — de zittingstermijn enigszins verkorten of verlengen, naar wat het meest redelijk is. De bedoeling is dat de zittingsduur zo dicht mogelijk bij de beoogde ambtstermijn van 4 jaar blijft.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4

5.4 Het dienstwerk

In ord. 3-9 t/m 11 wordt uitgewerkt wat tot de roeping van de drie onderscheiden ambten behoort. Deze artikelen geven een nadere concretisering van art. V-3, maar zijn niet bedoeld als een uitputtende taakomschrijving. Evenmin kan worden gesteld dat de taken die worden genoemd tot de exclusieve bevoegdheid van deze ambtsdragers behoren. Als bijvoorbeeld bij de predikanten de catechese en de toerusting worden genoemd, is daarmee niet gezegd dat het een ouderling of een gemeentelid verboden zou zijn aan deze arbeid een bijdrage te leveren (zie ord. 9-3-5). Maar de predikant is wel de eerstverantwoordelijke voor deze arbeid en kan zich niet zomaar aan deze taak onttrekken.

Voordat de drie ambten afzonderlijk worden besproken, wordt in ord. 3-8-1 iets gezegd over de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad en de andere ambtelijke vergaderingen enerzijds en de eigen verantwoordelijkheid van de drie ambten anderzijds. In art. V-2 is de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voorop gezet. Een grondregel van het presbyteriaal-synodale kerkrecht is dat de leiding in de kerk is toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen, waarin men gezamenlijk beslist (art. VI-1).

Het accent op de gezamenlijkheid mag er echter niet toe leiden dat er voor de specifieke verantwoordelijkheid van elk ambt afzonderlijk geen plaats meer zou

|135|

zijn. Als in een kerkenraad diaconale vragen aan de orde zijn, behoort daarbij in het bijzonder aan de eigen inbreng van de diakenen gewicht te worden toegekend. Dat geldt precies zo als het gaat over de financiële deskundigheid van de kerk-rentmeesters of de theologische inbreng van de predikanten. Hun specifieke bijdrage in het beraad weegt zwaar mee, waarna de ambtelijke vergadering uiteindelijk met afweging van alle aspecten een gemeenschappelijk besluit kan nemen. Om de integriteit van elk ambt te benadrukken is bepaald dat niemand binnen de gemeente meer dan één ambt kan dragen (ord. 3-8-3). Men kan dus niet tegelijk diaken en ouderling-kerkrentmeester zijn (of kerkrentmeester zonder ambt, zie ord. 11-2-3). Het is evenmin mogelijk het ambt van predikant te combineren met bijvoorbeeld dat van ouderling. Een predikant in algemene dienst kan niet tegelijk ouderling of diaken zijn in de gemeente waartoe hij behoort. Voor de volledigheid: op grond van ord. 4-6-7 is het wel mogelijk dat zo iemand door de kerkenraad als predikant tot lid van de kerkenraad wordt benoemd. Een emeritus predikant kan wel door de gemeente waar hij als lid is ingeschreven, verkozen worden tot ouderling of diaken, omdat met het emeritaat de ambtsbediening als predikant is beëindigd.

Ord. 3-8-2 maakt de ambtsdrager met bepaalde taak mogelijk. Deze wordt op de gewone manier door de gemeente tot ambtsdrager verkozen (voor de ambtsdrager met bepaalde opdracht zie ord. 3-6-7 in § 5.3.2). De kerkenraad vertrouwt aan deze ambtsdrager vervolgens een bepaalde taak toe, bijvoorbeeld om als jeugdouderling of als werelddiaken werkzaam te zijn. Om zich geheel aan deze opdracht te kunnen wijden, kan deze ambtsdrager van een aantal van de gewone taken die tot dit ambt behoren, worden vrijgesteld. Van de verantwoordelijkheid die de ambtsdrager als lid van de kerkenraad heeft, kan men overigens niet worden vrijgesteld. De vrijstelling heeft dan ook geen betrekking op de kerken-raadsvergaderingen en op de ambtelijke tegenwoordigheid in de eredienst.

Een afzonderlijke vrijstellingsregeling voor ouderlingen-kerkrentmeester is opgenomen in ord. 11-2-7 (zie § 12.3.1).

 

Bij alle drie ambten luidt de aanhef dat het ambt ten dienste staat van de opbouw van de gemeente. Alleen bij de predikanten wordt het meervoud ‘gemeenten’ gebruikt, omdat zij ook bevoegd zijn — op verzoek — buiten de eigen gemeente ambtelijk werk te verrichten. In die zin kan van de predikanten worden gezegd dat ze ambtsdragers van de kerk zijn. Ze worden immers na hun opleiding bij het colloquium toegelaten ‘tot het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in Nederland’ (ord. 13-17-1). De andere ambtsdragers oefenen hun ambt uit in de eigen gemeente of in het kader van een (opdracht van een) meerdere vergadering. Het zou echter onjuist zijn de uitdrukking ‘tot opbouw van de gemeente’ uitsluitend binnenkerkelijk te verstaan. Het gaat er meer om dat de gemeente zo wordt toegerust dat ze haar roeping, die in art. IV-3 wordt aangeduid als ‘de lofprijzing van de Naam des Heren en de dienst in de wereld’, kan vervullen. In art.

|136|

V-2 wordt daarom gesproken van ‘de opbouw van de gemeente in de wereld’ (zie § 1.2.2). In ord. 3-9 t/m 11 zijn bij de verschillende ambten deze accenten ook terug te vinden.

Bij alle drie de ambten wordt gezegd dat deze ambtsdragers kunnen worden geroepen om de kerk te dienen in een meerdere vergadering als de classicale vergadering, de algemene classicale vergadering of de generale synode.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4.1

5.4.1 De predikanten

Bij de predikanten worden allereerst de taken met betrekking tot de eredienst genoemd, samengevat in de uitdrukking ‘de bediening van Woord en sacramenten’ (ord. 3-9-1). Daartoe behoren de verkondiging van het Woord, het leiden van de kerkdiensten en de bediening van de sacramenten. Verder worden genoemd het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis, het bevestigen van ambtsdragers, het inleiden in een bediening, het leiden van trouwdiensten en van kerkdiensten bij een begrafenis of crematie. De laatste diensten worden ‘diensten van rouwdragen en gedenken’ genoemd. Sommige van deze taken zijn uitsluitend aan de predikanten opgedragen, zoals valt op te maken uit ord. 5-5-2 (zie daarover § 7.6). Naast de primaire taak in de eredienst worden genoemd de catechese en de toerusting en — samen met de ouderlingen — de herderlijke zorg en het opzicht. Bij de herderlijke zorg, die meer omvat dan alleen huisbezoek, wordt het bezoeken van de gemeenteleden expliciet genoemd om het belang daarvan te onderstrepen als het gaat om de zorg voor de gemeente als gemeenschap.

Al is de predikant krachtens zijn ambt bevoegd buiten de eigen gemeente ambtswerkzaamheden te verrichten (zie de vorige paragraaf), dat wil nog niet zeggen dat hij of zij elders eigenmachtig kan optreden. Voor werk buiten de eigen gemeente moet er óf een verzoek zijn van de kerkenraad ter plaatse óf een opdracht van een meerdere vergadering óf in elk geval moet de plaatselijke kerkenraad daartegen geen bezwaar hebben (ord. 3-9-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4.2

5.4.2 De ouderlingen

Als eerste taak is aan de ouderlingen toevertrouwd de zorg voor de gemeente als gemeenschap. In deze woorden beoogt de kerkorde te bewaren de essentie van de klassieke aanduiding dat de ouderling tot taak heeft ‘het vergaderen van de gemeente’. Omdat deze woorden gemakkelijk kunnen worden misverstaan, alsof ermee slechts bedoeld zou zijn het aansporen van de gemeenteleden om de kerkdiensten te bezoeken, is nu gekozen voor een bredere omschrijving.

Dat de ouderlingen medeverantwoordelijkheid dragen voor de bediening van Woord en sacramenten komt allereerst tot uitdrukking in de ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdiensten van de gemeente en wordt vooral zichtbaar in de handdruk die de ouderling van dienst geeft aan het begin van de kerkdienst. Maar

|137|

minstens zo belangrijk is dat er in de kerkenraad ook aandacht wordt geschonken aan de inhoudelijke bezinning op de verkondiging en de sacramentsbediening.

Naast de herderlijke zorg en het opzicht als taken die ouderlingen samen met de predikanten uitoefenen (zie de vorige paragraaf), wordt bij de ouderlingen in het bijzonder de nadruk gelegd op de toerusting van de gemeente. Men zou dat kunnen beschouwen als een moderne variant van de klassieke taak van de ouderlingen om de gemeenteleden te begeleiden bij de heiliging van hun leven.

Van de ouderlingen-kerkrentmeester wordt hier alleen de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden genoemd en de verantwoordelijkheid voor het bijhouden van de registers (ord. 3-10-2). Uitvoeriger staan hun taken beschreven in ord. 11 (zie § 12.3.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4.3

5.4.3 De diakenen

Van de drie ambten is dat van de diakenen het meest naar buiten, op de wereld, gericht. Daarom wordt in de aanhef van ord. 3-11-1 dat aspect onderstreept: ‘tot opbouw van de gemeente met het oog op haar dienst in de wereld.’ Bij de aanduiding van de eigen verantwoordelijkheden valt vervolgens op hoezeer benadrukt wordt dat het diaconaat zijn bron vindt in de eredienst, in de samenkomst van de gemeente. Daar zijn de diakenen ambtelijk tegenwoordig, in het bijzonder met het oog op de dienst aan de avondmaalstafel. Zij dragen mede zorg voor de voorbeden, ook als zij niet overal zelf in de dienst van de voorbeden voorgaan. In de eredienst worden de liefdegaven ingezameld: de diaconale collecte is een essentieel onderdeel van de kerkdienst. Maar van daaruit waaiert het aandachtsterrein van de diakenen breed uit: de toerusting van de gemeente, daadwerkelijke ondersteuning en zorg, initiatieven voor maatschappelijk welzijn. Daarbij gaat het ook — maar niet alleen — om de inzet van financiële middelen. In de gemeente zijn het met name de diakenen die zich bezighouden met de sociale vragen en die de kerk wijzen op haar roeping terzake. De diakenen zetten zich niet alleen in voor de dienst van de barmhartigheid, maar willen dienstbaar zijn aan de gerechtigheid (art. V-3). Ze weten zich niet alleen geroepen de gevolgen van het onrecht te bestrijden, maar ook het onrecht zelf aan de kaak te stellen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5

5.5 Diensten, bedieningen en functies

Om de bepalingen van ord. 3-12 t/m 14 op de juiste wijze te hanteren, is het nodig dat we eerst de begrippen ‘diensten’, ‘bedieningen’ en ‘functies’ nadrukkelijk onderscheiden.

Voor hen die in een dienst zijn gesteld en voor hen die in een bediening zijn ingeleid wordt de aanduiding kerkelijk werkers gebruikt (ord. 3-12-1), degenen die

|138|

in andere functie zijn aangesteld worden medewerkers genoemd (ord. 3-14-1). Op zowel de kerkelijk werkers als de medewerkers is de rechtspositie voor de kerkelijke medewerkers van toepassing (ord. 3-28-1, zie § 5.11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.1

5.5.1 Diensten

Bij ‘diensten’ moet worden gedacht aan taken die in direct verband staan met de roeping van de gemeente. In ord. 3-12-2 worden met name genoemd:
- de kerkmuziek,
- de missionaire, pastorale en diaconale arbeid,
- het jeugd- en jongerenwerk,
- de vorming, toerusting en catechese, en
- de gemeenteopbouw.

Deze diensten staan dicht bij het ambt, al worden ze daarvan wel onderscheiden (art. V-1). Ze zijn mede betrokken op het openbare ambt van Woord en sacrament. Ze worden, aldus art. V-6, in samenwerking met de ambtsdragers uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeenten. Als het over de benoeming gaat, zegt ord. 3-12-3 dan ook dat mensen in een dienst geroepen worden. De benoeming geschiedt door de kerkenraad of een andere ambtelijke vergadering, en ze verrichten hun werk onder verantwoordelijkheid van die ambtelijke vergadering (en daar ligt weer een verschil met het ambt). Daarom kunnen zij geen lid van de kerkenraad of van het college van kerkrentmeesters zijn, want dan zouden ze hun eigen opdrachtgever zijn.

Het is niet mogelijk als vrijwilliger in een dienst gesteld te worden.4 Bij de aanstelling tot kerkelijk werker ontvangt deze een arbeidsovereenkomst met bijbehorende instructie (G.R. kerkelijk werkers, art. 5-4). Bij een aanstelling tot kerkelijk werker gaat het altijd om leden van de kerk, die de daarvoor vereiste opleiding hebben voltooid (ord. 3-12-7). Daarbij moet worden gedacht aan een door de generale synode erkende HBO-opleiding op het gebied van de kerkmuziek, pastoraat et cetera. Wie de vereiste opleiding met goed gevolg heeft voltooid, kan in een landelijk register kerkelijk werkers worden opgenomen. Het Theologisch Seminarium is betrokken bij de opleiding en nascholing van kerkelijk werkers (G.R. kerkelijk werkers, art. 9-6). Voor de benoeming van iemand die geen lid is van de Protestantse Kerk in Nederland, is instemming van of vanwege de kleine synode vereist (G.R. kerkelijk werkers, art. 5-3).

Het is goed om op deze plaats te herinneren aan de verplichting tot geheimhouding die ook geldt voor degenen die in een dienst zijn gesteld (ord. 4-2). Ook al is niet voorgeschreven dat er bij de aanstelling in een dienst een belofte tot geheimhouding wordt afgelegd, de verplichting om zaken met een vertrouwelijk karakter geheim te houden is er niet minder om.

Wie in een dienst gesteld is, heeft geen preekbevoegdheid.


[157] 4. Alleen bij de kerkmusicus is een aanstelling op basis van vrijwilligheid mogelijk (G.R. kerkmusici, art. 9-3 t/m 5). Zie daarover § 7.7.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.2

|139|

5.5.2 Bedieningen

Bij ‘bedieningen’ gaat het om dezelfde taken en om dezelfde personen die aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen. Men wordt in de bediening ingeleid om in de dienst werkzaam te kunnen zijn! Er zijn slechts enkele — zij het niet onbelangrijke — verschillen.
- In een bediening kunnen slechts worden gesteld zij die belijdend lid van de kerk zijn, de benoeming in een dienst is ook mogelijk voor doopleden van de kerk.
- Bij een bediening wordt men ingeleid in een kerkdienst.
- In deze kerkdienst wordt een belofte afgelegd, waarin men verklaart bereid te zijn te getuigen van het heil in Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden van de kerk, ijverig en getrouw de arbeid te verrichten en zich aan de kerkelijke regels te zullen onderwerpen.
- Al staat dat niet uitdrukkelijk voorgeschreven in ord. 3-12 ligt het voor de hand dat in deze dienst tevens de belofte van geheimhouding wordt afgelegd. In de orde voor de inleiding in een bediening is een dergelijke belofte opgenomen.
- Wie in de bediening is gesteld, ontvangt werkbegeleiding door een mentor. Als men op arbeidsovereenkomst is aangesteld, zorgt de kleine synode voor deze begeleiding. Als een kerkenraad een vrijwilliger als kerkmusicus in de bediening heeft gesteld, moet de kerkenraad zelf voor werkbegeleiding zorgen. De kerkelijk werker is verplicht deze werkbegeleiding te aanvaarden en moet dat zelfs vooraf uitdrukkelijk verklaren (G.R. kerkelijk werkers, art. 5-5).
- In bijzondere situaties kan een preekconsent worden verleend (zie § 5.5.4).
- Een kerkelijk werker in het pastoraat, die in de bediening is gesteld, kan worden uitgenodigd aan de bijeenkomsten van de werkgemeenschappen van predikanten deel te nemen (G.R.. kerkelijk werkers, art. 7-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.3

5.5.3 Kerkelijk werker in pastorale arbeid

In de generale regeling kerkelijk werkers worden in art. 7 de mogelijkheden voor een kerkelijk werker in pastorale arbeid aangegeven. Men kan worden aangesteld om naast de predikant werkzaam te zijn in het pastoraat, de catechese en de toerusting. De kerkelijk werker staat niet in het ambt en is dus geen lid van de kerkenraad, maar kan wel worden uitgenodigd om als adviseur aan de vergaderingen deel te nemen. Wie in de bediening is gesteld, kan worden uitgenodigd voor de bijeenkomsten van de predikanten.

Terwijl de regel is dat de kerkelijk werker naast de predikant wordt aangesteld, geeft art. 7-4 de uitzondering. Als een gemeente niet zelf een predikant kan beroepen en als er naar het oordeel van het breed moderamen van de classicale vergadering geen andere mogelijkheden zijn om te komen tot het beroepen van een

|140|

predikant (bijvoorbeeld door het vormen van een combinatie, door samenvoeging, door het samenbrengen in een streekgemeente, door federatie of vereniging), kan een kerkelijk werker worden aangesteld die — in dat geval — niet naast een predikant, maar meer zelfstandig werkzaam is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.4

5.5.4 Preekconsent

Aan de bediening als zodanig is geen preekbevoegdheid verbonden. Alleen in uitzonderingsgevallen en onder bepaalde voorwaarden kan aan iemand die in de bediening is gesteld een preekconsent worden verleend. De kerkordelijke bepalingen die daarop betrekking hebben, zijn te vinden in de generale regeling preekconsent.

Het preekconsent kan alleen verleend worden als men als kerkelijk werker in de bediening werkzaam is (G.R.. preekconsent, art. 6)
- in een combinatie van gemeenten of een streekgemeente,
- in een gemeente die niet kan beroepen en waar op grond daarvan een kerkelijk werker is aangesteld (zie G.R.. kerkelijk werkers, art. 7-4), of
- in een gemeente die een gemeenschappelijke regeling heeft getroffen (bijvoorbeeld gemeenten die in een regionaal verband samenwerken, zie § 6.2.5).

Het preekconsent geldt alleen in de betreffende gemeente(n) en eventueel andere door het breed moderamen van de classicale vergadering aangewezen gemeenten van de classis. Het wordt alleen verstrekt als gebleken is dat men niet op een andere wijze voldoende kan voorzien in het voorgaan in de kerkdiensten.

Het consent is ook beperkt in tijd: de bevoegdheid om kerkdiensten te leiden wordt verleend voor de duur van de aanstelling met een maximum van vier jaar, maar kan — zolang de aanstelling duurt — worden verlengd. De eerste keer wordt het preekconsent afgegeven voor de duur van één jaar (G.R. preekconsent, art. 6-5). Zie voor de toekenning van een preekconsent verder § 7.6.

Wie een preekconsent heeft ontvangen, is verplicht supervisie of begeleiding te aanvaarden (G.R.. preekconsent, art. 2). Er moet binnen de classis voorzien zijn in de supervisie door een predikant of een andere vorm van begeleiding (G.R.. preekconsent, art. 6-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.5

5.5.5 De geestelijk verzorger

In ord. 3-13 wordt een regeling getroffen voor degene die als geestelijk verzorger in een instelling werkzaam is. Deze kan als kerkelijk werker met bijzondere opdracht worden aangesteld en wordt daarbij in de bediening ingeleid. Het spreekt vanzelf dat hij of zij daarbij moet voldoen aan de voorwaarden die in ord. 3-12-8 t/m 10 zijn genoemd om in een bediening gesteld te worden.

In dit geval is het de instelling die de arbeidsovereenkomst afsluit. De rol van de kerk is beperkt tot het verlenen van een 'kerkelijke zending'. Ze draagt

|141|

verantwoordelijkheid voor het werk dat de geestelijk verzorger uit hoofde van zijn bediening verricht en daarom wordt een begeleidingscommissie ingesteld. De bijzondere opdracht wordt verleend door een kerkenraad of classicale vergadering in het gebied waarin iemand werkzaam is. De regeling is vergelijkbaar met die van de predikanten met een bijzondere opdracht (ord. 3-23). De bijzondere opdracht en de bediening gelden voor de duur van de aanstelling. Als iemand wordt ontslagen of een andere functie aanvaardt, vervallen daarmee ook de opdracht en de bediening (ord. 3-13-5). De generale regeling preekconsent schept de mogelijkheid voor een geestelijk verzorger preekconsent aan te vragen. Daarbij gelden vergelijkbare voorwaarden als voor de kerkelijk werkers in het pastoraat (G.R. preekconsent, art. 7; zie ook § 5.5.4). Het Theologisch Seminarium is bij de opleiding en nascholing van deze geestelijk verzorgers betrokken (G.R. opleiding predikanten, art. 9-6). Enkele nadere bepalingen met betrekking tot de aanstelling zijn te vinden in de G.R. kerkelijk werkers, art. 8.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.6

5.5.6 Overige functies

Bij de overige functies kan worden gedacht aan allerlei andere betaalde en onbetaalde arbeid in de gemeente en de kerk. De bepaling in ord. 3-14 is met name van belang voor facilitaire en ondersteunende taken die door kerkelijke medewerkers op arbeidsovereenkomst worden verricht. Daarbij valt te denken aan het werk van medewerkers op het kerkelijk bureau, aan kosters en grafdelvers en aan allerlei andere vormen van ondersteunende arbeid.

Als er van een arbeidsovereenkomst sprake is, valt die onder de rechtspositieregeling voor de kerkelijke medewerkers (ord. 3-28).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6

5.6 De rechtspositie van predikanten

De kerkorde onderscheidt bij de dienstdoende predikanten drie categorieën (ord. 3-15-3).
- Allereerst de predikanten voor gewone werkzaamheden (ord. 3-16- t/m 18). Zo worden de predikanten die werkzaam zijn in een gemeente aangeduid. Dat kan ook een wijkgemeente zijn of een streekgemeente (ord. 3-5-1) of twee of meer gemeenten gezamenlijk als er sprake is van een combinatie van gemeenten (ord. 2-15-1). Wat betreft de rechtspositie vallen deze predikanten onder de generale regeling voor de predikantstraktementen en de generale regeling voor de predikantspensioenen (ord. 3-16-4).
- Daarnaast kent de kerk predikanten in algemene dienst (ord. 3-22). Zij zijn verbonden aan een classis, aan de in de algemene classicale vergadering samenwerkende classes, aan de evangelisch-lutherse synode of aan de kerk. Wat betreft de rechtspositie vallen zij onder de generale regeling voor de rechtspositie van de kerkelijke medewerkers (ord. 3-28-5).

|142|

|143|

- Tenslotte zijn er de predikanten met een bijzondere opdracht (ord. 3-23). Zij worden wel door een ambtelijke vergadering van de kerk beroepen, maar zijn in dienst van een instelling die hen heeft aangesteld. Zij hebben hun rechtspositie dus buiten de kerk.

 

Behalve de dienstdoende predikanten kent de kerk ook beroepbare predikanten en emeritus predikanten (ord. 3-15-2).

De emeritus predikant is een predikant die het ambt niet langer uitoefent vanwege de bereikte leeftijd of om gezondheidsredenen (ord. 3-25-1). De emeritus predikant behoudt de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten.

Een beroepbaar predikant oefent het ambt niet langer uit door andere oorzaken. Door verschillende omstandigheden kan men beroepbaar predikant worden:
- als bij een predikant die voor een beperkt aantal jaren werd beroepen, het verband niet wordt verlengd (ord. 3-18-4),
- als een predikant voor gewone werkzaamheden wordt ontheven van de werkzaamheden en losgemaakt van de gemeente (ord. 3-20-3),
- als bij een predikant in algemene dienst het dienstverband eindigt (onder meer na aanstelling in tijdelijke dienst: G.R. rechtspositie medewerkers, art. 25-3),
- als een predikant van de gemeente wordt losgemaakt, omdat de gemeente het traktement niet langer kan betalen (G.R. predikantstraktementen, art. 20-5),
- als bij een predikant met een bijzondere opdracht het dienstverband eindigt, door ontslag of door andere oorzaken (ord. 3-23-4),
- als een predikant op eigen verzoek eervol is ontheven, maar deze wel bereid is een beroep in overweging te nemen (ord. 3-26-1).

Daarnaast is het mogelijk dat iemand voor een bepaalde periode het ambt heeft neergelegd, bijvoorbeeld om een aantal jaren voor de opgroeiende kinderen beschikbaar te zijn of voor bejaarde ouders te zorgen, maar zich na afloop van die periode weer beroepbaar zou willen stellen. Ord. 3-27-4 zegt dat men — als men in de tussentijd de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacrament heeft behouden — door de kleine synode op zijn verzoek weer beroepbaar kan worden gesteld. In dat geval kan men eveneens als ‘beroepbaar predikant’ worden beschouwd.

Zoals de naam al aangeeft, hebben beroepbare predikanten niet alleen de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten behouden, maar zijn ze ook — voor een periode van vier jaar — beroepbaar als predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Deze termijn kan telkens met een periode van vier jaar verlengd worden. Hun rechtspositie kan overigens heel verschillend zijn: op sommigen van hen is een wachtgeldregeling van toepassing, bij anderen is dat niet het geval.

 

De kerkorde laat in het midden of de emeritus predikant en de beroepbare predikant nog ambtsdrager zijn. Zij hebben in elk geval de bevoegdheden die destijds

|144|

bij de bevestiging zijn ontvangen, behouden. Zij die als predikant van de gemeente werden losgemaakt en niet elders zijn bevestigd, behouden toch ‘iets van het ambt’. Niemand zal van mening zijn dat kinderen die door hen zijn gedoopt, het sacrament van een ‘ambteloos’ lid van de kerk hebben ontvangen. Er is dus verschil tussen ontheffing van de werkzaamheden (ord. 3-20) en ontheffing van het ambt (ord. 3-21).

Bij ontheffing van het ambt (ord. 3-21) en bij ontzetting uit het ambt (ord. 10-9-7 sub d) is er op geen enkele manier nog sprake van een ambt of van ambtelijke bevoegdheden.

Bij emeritaat of ontheffing van de werkzaamheden (ord. 3-20) is de reguliere ambtelijke taak (de ambtsbediening) beëindigd, maar is er aan de bevoegdheid om op verzoek van een ambtelijke vergadering ambtelijke werkzaamheden uit te oefenen geen einde gekomen.

Deze bevoegdheid wordt verleend door de kerk en kan ook in bijzondere gevallen door de kleine synode worden ingetrokken (ord. 3-27-7). In die zin zou men kunnen zeggen dat de emeritus predikanten, de beroepbare predikanten en zij die de bevoegdheden van een predikant hebben behouden, verbonden zijn aan de kerk als geheel.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.1

5.6.1 Predikanten voor gewone werkzaamheden

Over de taken die tot de verantwoordelijkheid van de ‘gemeentepredikanten’, de predikanten voor gewone werkzaamheden behoren, is al geschreven in § 5.4.1. In ord. 3-16-1 wordt voor deze predikanten nog eens herhaald, wat al in ord. 3-8-2 voor de ambtsdragers in het algemeen was geregeld, dat de kerkenraad hun een bepaalde taak kan toevertrouwen (en met het oog daarop vrijstellen van een aantal andere taken). Zie daarover ook § 5.4. Dit ‘toevertrouwen’ kan niet worden verstaan als ‘opdragen’: het is dus nodig dat daarover met de betrokken predikant overeenstemming wordt bereikt.

Het verkiezen, beroepen en bevestigen van de predikant voor gewone werkzaamheden is beschreven in § 5.2.1 t/m 5.2.4.

Over de rechtspositie van de predikanten voor gewone werkzaamheden wordt in ord. 3-16 slechts in algemene bewoordingen geschreven. Ord. 3-16-3 maakt duidelijk dat de fulltime predikant hoort te wonen in de gemeente die hij of zij dient. Voor een wijkpredikant geldt dat deze in elk geval woont binnen de gemeente als geheel. Van deze regel kan slechts worden afgeweken als het breed moderamen van de classicale vergadering daarmee instemt.

Voor het overige wordt verwezen naar de generale regelingen voor de predikantstraktementen en voor de predikantspensioenen (ord. 3-16-5) en wordt bepaald dat de verplichting om de predikant te geven waar hij recht op heeft, berust bij kerkenraad of — in een gemeente met wijkgemeenten — bij de algemene kerkenraad (ord. 3-16-5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.2

|145|

5.6.2 Generale regeling predikantstraktementen

Van de G.R. predikantstraktementen, die uit 45 artikelen bestaat, duiden we hier slechts de hoofdzaken aan.5 Een belangrijke taak met betrekking tot de rechtspositie van de predikanten berust bij de beleidscommissie Predikanten, die een besturende en adviserende taak heeft (art. 2). Deze commissie bestaat uit in totaal tien leden: naast de vijf gedelegeerden vanwege de kerk in het georganiseerd overleg worden door de kleine synode vier andere leden benoemd (van wie er twee worden voorgedragen door de Bond van Nederlandse Predikanten). De voorzitter heeft geen stemrecht en wordt door de kleine synode benoemd nadat ze daarover de beleidscommissie heeft gehoord.

Daarnaast is er het georganiseerd overleg, waarin de uitvoeringsbepalingen (zeg maar: de arbeidsvoorwaarden) worden vastgesteld. Dit georganiseerd overleg wordt gevormd door een delegatie van vijf leden vanwege de kerk (van wie drie leden op voordracht van de kerkrentmeesters worden benoemd) en een delegatie van vijf leden vanwege de predikanten (art. 3 en 4).

De bestanddelen van het traktement worden beschreven in de artikelen 5 t/m 9. Het omvat een basistraktement, dat voor alle predikanten gelijk is en wordt uitbetaald door de gemeente. Daarnaast zijn er periodieke verhogingen, een vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering, die worden uitbetaald door de centrale kas (waarvan de kosten worden omgeslagen over alle gemeenten). Voor pensioenpremie en ambtswoning worden inhoudingen toegepast.

Onder het opschrift ‘secundaire arbeidsvoorwaarden’ (art. 10 t/m 19) komen behalve de ambtswoning allerlei tegemoetkomingen en vergoedingen ter sprake. Daaronder valt de regeling van het studieverlof (art. 19). Na een volbrachte ambtsperiode van vijfjaar heeft de predikant recht op drie maanden studieverlof, dat eventueel in twee gedeelten kan worden opgenomen. Daarbij geldt ook een gedeeltelijke studiekostenvergoeding (art. 13). Het eerste studieverlof kan worden opgenomen vijfjaar na het beëindigen van de verplichte nascholing van predikanten.

Art. 26 geeft een regeling voor nevenwerkzaamheden. Als die meer dan zes uur per week vragen, is toestemming van de kerkenraad nodig (ook als het onbetaalde nevenwerkzaamheden betreft). Vanaf een bepaald bedrag worden er inkomsten verrekend.

In art. 28 t/m 31 wordt voor allerlei situaties een wachtgeldregeling uitgewerkt. Die kan variëren van 60% voor ten hoogste zes maanden (in geval van ontzetting uit het ambt) tot 100% — 80% — 60% gedurende driejaar (bij ontheffing van de werkzaamheden). In sommige gevallen, bijvoorbeeld als de predikant wordt losgemaakt volgens de procedure van ord. 3-20 (zie § 5.7), komen de kosten van de wachtgeldregeling (geheel of gedeeltelijk) voor rekening van de gemeente. In andere gevallen wordt het wachtgeld betaald uit de centrale kas.

De generale regeling kent verder bepalingen voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid


[157] 5. De generale regeling predikantstraktementen treedt op een later tijdstip dan 1 mei 2004 in werking (ovb. 115).

|146|

(art. 32 en 33), voor de werkzaamheden van de consulent (zie § 6.2.6) en een regeling voor de behandeling van bezwaren en van meningsverschillen inzake uitleg en toepassing van de regeling (art. 41 en 42).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.3

5.6.3 Generale regeling predikantspensioenen

In de pensioenregeling6 worden de gebruikelijke zaken geregeld, zoals het ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen. Nieuw in de kerkelijke pensioenregelingen is wat de ‘flexibele modus’ wordt genoemd. De pensioendatum wordt niet meer gefixeerd op het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Zie daarover verder § 5.10.1. Verder bevat deze generale regeling voer voor fijnproevers die zich willen verdiepen in de geheimenissen van de hoog/laagconstructie (art. 11), van de uitruil partner- en ouderdomspensioen (art. 10) of van het vereveningspensioen (art. 16) . De generale regeling maakt ook een vrijwillig aanvullend pensioen mogelijk (art. 13) en geeft gedetailleerde bepalingen met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidspensioen (art. 14 en 15). In het geheel telt de regeling 28 artikelen.


[157] 6. De generale regeling predikantspensioenen treedt op een later tijdstip dan 1 mei 2004 in werking (ovb. 115).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.4

5.6.4 Parttime predikanten

Ord. 3-17 geeft enkele nadere bepalingen voor een predikant voor gewone werkzaamheden die in deeltijdfunctie wordt beroepen: de parttime predikant. Aan het beroepen van een parttime predikant gaat het nodige vooraf. Daarvoor is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Dat beoordeelt of de beperking van de werktijd wel nodig is, of er goede afspraken zijn gemaakt over wat van de parttime predikant wel en niet verwacht mag worden en welke voorzieningen zijn getroffen voor de taken die door de eigen predikant niet kunnen worden vervuld (ord. 3-17-3). De afspraken moeten worden vastgelegd in een beschrijving bij de beroepsbrief. Dat alles om de parttime predikant er tegen te beschermen dat in de beperkte werktijd in feite alles van hem of haar wordt verwacht. Daarom mag het deel van de werktijd niet op minder dan een derde of meer dan viervijfde worden gesteld. Bij een lager percentage dan 33% blijft er te weinig tijd over om te kunnen volhouden dat iemand werkelijk predikant van de gemeente is, bij een hoger percentage dan 80% wordt het gevaar dat men voor een lager traktement in feite een predikant voor volledige werktijd aanstelt te groot. Een bestaande aanstelling die buiten deze marges valt, blijft overigens van kracht (ovb. 122). De generale regeling predikantstraktementen geeft in art. 25 enkele aanvullende bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de predikanten in deeltijdfunctie.

Ord. 3-17-4 tenslotte spreekt voor de parttime predikant de wenselijkheid uit dat deze binnen de gemeente woont uit. In lang niet alle gevallen zal dat mogelijk zijn en daarom is er hier geen sprake van een bindend voorschrift.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.5

|147|

5.6.5 Predikanten in tijdelijke dienst

Het artikel over de predikanten in tijdelijke dienst begint — opvallend genoeg — met de bepaling dat een predikant voor gewone werkzaamheden beroepen wordt voor onbepaalde tijd (ord. 3-18-1). Dat is kerkordelijk de hoofdregel. Die regel is niet alleen van belang vanuit rechtspositioneel oogpunt. Iedereen wil graag wat zekerheid op langere termijn.

De achtergrond van de bepaling is veelmeer dat voorkomen moet worden dat de predikant beperkt zou worden in de uitoefening van zijn of haar ambt als dienaar des Woords. Als een predikant bij zijn werk gehinderd zou worden door de gedachte dat hij straks herkozen moet worden voor een nieuwe termijn, zou dat een ernstige bedreiging kunnen zijn voor zijn geestelijke en ambtelijke vrijheid. Daarom kan van de regel dat men beroepen wordt voor onbepaalde tijd, alleen in bijzondere omstandigheden worden afgeweken. In de praktijk zal dat vooral zijn als er een predikant wordt gezocht voor een duidelijk afgebakend project van tijdelijke aard. Als er beperkte financiële middelen zijn, geeft deze bepaling geen soelaas. Na afloop van de tijdelijke dienst heeft de predikant namelijk recht op een wachtgelduitkering (G.R. predikantstraktementen, art. 28-1) die voor rekening komt van de gemeente die deze predikant heeft beroepen.

Voor het uitbrengen van een beroep voor een beperkt aantal jaren is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Deze toestemming kan slechts eenmaal worden verleend: het verband tussen de predikant en de gemeente kan slechts worden verlengd voor onbepaalde tijd. Als er geen verlenging plaatsvindt, eindigt de overeenkomst en verkrijgt de predikant de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie § 5.6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.7

5.7 Vrijstelling, ontheffing en losmaking

In ord. 3-19 wordt de mogelijkheid van vrijstelling van werkzaamheden besproken. Dat kan gevraagd en ongevraagd worden verleend door het breed moderamen van de classicale vergadering, als de situatie in de gemeente dat noodzakelijk maakt. Met opzet zijn de formuleringen ruim gehouden: er wordt gesproken over spanningen 'in verband met ontwikkelingen in de gemeente of het functioneren van de predikant'. Er wordt geen schuldige aangewezen, er wordt niet vastgesteld waar de oorzaak ligt. Er wordt alleen geconstateerd: zo kan het niet langer. Er moet een afkoelingsperiode in acht worden genomen. Een dergelijk ingrijpend besluit wordt niet zomaar genomen. Vooraf wordt overleg gepleegd met het regionale college voor de visitatie, dat doorgaans al bij de situatie betrokken zal zijn. Vanzelfsprekend moet ook overleg worden gepleegd met de betrokken kerkenraad en de predikant. Maar het is het breed moderamen dat de beslissing neemt. Dat bepaalt tevens voor welke periode de vrijstelling geldt en voor welke werkzaamheden. Die periode kan niet te lang zijn (een beperkte

|148|

periode, zegt ord. 3-19-2). In de hervormde kerkorde gold een periode van ten hoogste dertig dagen en dat lijkt een redelijke termijn. Het is mogelijk vrijstelling te geven van bepaalde nauwkeurig omschreven werkzaamheden, bijvoorbeeld van het voorgaan in de kerkdiensten ter plaatse. In dat geval mag de predikant wel elders voorgaan en ook zijn pastorale werkzaamheden voortzetten.

Als de periode van vrijstelling verstreken is, hervat de predikant de werkzaamheden. Al spreekt de bepaling daar niet expliciet over, moet het niet uitgesloten worden geacht dat de maatregel zo nodig verlengd wordt. Het moet echter wel duidelijk blijven dat het een tijdelijke maatregel betreft.

Op welke vergoedingen de predikant tijdens de vrijstelling van werkzaamheden recht heeft, is te vinden in de G.R. predikantstraktementen, art. 12-5 en art. 16-3.

 

In ord. 3-20 zijn de spanningen chronisch geworden en lijkt het niet mogelijk dat men er samen nog uitkomt. Dat kan er toe leiden dat de predikant wordt losgemaakt van zijn gemeente. Ook hier geldt weer: er wordt geen schuldige aangewezen. Het staat niet bij voorbaat vast dat de oorzaak van de opgelopen spanningen ligt bij de predikant. Het zou ook kunnen zijn dat door interne geschillen binnen de kerkenraad onwerkbare verhoudingen zijn ontstaan. De vraag is wel eens gesteld of het in dat geval wel juist is de predikant van zijn werkzaamheden te ontheffen. Zou er in dat geval geen aanleiding zijn om aan de andere kerkenraadsleden ontheffing van het ambt te verlenen? De gereformeerde kerkorde kende de mogelijkheid van schorsing en afzetting van een (deel van de) kerkenraad in geval van wanbestuur. Ord. 4-13 geeft aan het breed moderamen van de classicale vergadering een instrument in handen om in een dergelijke situatie een aantal taken van de kerkenraad tijdelijk aan anderen op te dragen (zie § 6.2.7).

Hoe het ook zij: ord. 3-20 wordt toegepast als de verhoudingen zo verstoord zijn dat de predikant deze gemeente niet langer met stichting kan dienen (ord. 3-20-2). Omdat de maatregel van ontheffing en losmaking voor de betrokken predikant ingrijpend is, is de regeling van de nodige waarborgen voorzien.

De eerste beslissing ligt bij het breed moderamen van de classicale vergadering. Deze vergadering moet vaststellen of de situatie van dien aard is dat de zaak aan het generale college voor de ambtsontheffing moet worden voorgelegd. Het breed moderamen kan daartoe besluiten op verzoek van de kerkenraad of op eigen initiatief. In elk geval moet vooraf het oordeel van het regionale college voor de visitatie worden gevraagd.

De uiteindelijke beslissing of de predikant wordt ontheven en losgemaakt ligt bij het generale college voor de ambtsontheffing, een orgaan van de kerk dat speciaal voor de behandeling van deze aangelegenheden is ingesteld. Dit generale college hoort de predikant, de kerkenraad (bij een wijkpredikant zowel diens wijk-kerkenraad als de algemene kerkenraad) en het regionale college voor de visitatie

|149|

(ord. 3-20-1). De procedure bij het generale college voor de ambtsontheffing wordt beschreven in de generale regeling kerkelijke rechtspraak (art. 8 t/m 11). Op deze wijze wil de kerk een zorgvuldige rechtsgang waarborgen.

 

De maatregel gaat niet direct in. Als de predikant wordt ontheven, krijgt hij of zij eerst gedurende een periode van drie maanden tot maximaal een jaar de tijd om zelf om te zien naar een andere gemeente of werkkring (ord. 3-20-2) en zolang blijft hij aan de gemeente verbonden. Als dat niet gelukt is of als de predikant daartoe niet bereid was, wordt hij na afloop van de gestelde periode van de werkzaamheden ontheven en losgemaakt van de gemeente. In de generale regeling voor de predikantstraktementen is een wachtgeldregeling voorzien. Gedurende drie jaar wordt het traktement doorbetaald, in een aflopende schaal van 100%, 80% en 60% van het laatstgenoten traktement. Het generale college voor de ambtsontheffing bepaalt welk gedeelte van de wachtgeldregeling komt voor rekening van de gemeente waaraan de predikant verbonden was (G.R. predikantstraktementen, art. 29-4).

Tegen de beslissing van het generale college voor de ambtsontheffing kan zowel door de betreffende predikant als door de kerkenraad beroep worden ingesteld bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 11-1 en 2).

De predikant die is losgemaakt van de gemeente verkrijgt de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie daarover § 5.6).

 

Ord. 3-21 spreekt van de mogelijkheid van ontheffing van het ambt. Als het generale college voor de ambtsontheffing bij de behandeling van een zaak tot de conclusie komt dat het niet verantwoord zou zijn dat de betrokken predikant door een andere gemeente beroepen zou worden of dat hij ergens anders als predikant werkzaam zou zijn, kan het college hem van het ambt ontheffen. Ook nu betreft het geen zaak van kerkelijke tucht, maar is de conclusie dat iemand vanwege karakter of eigenschappen geheel ongeschikt is voor het predikantschap, of daarvoor — wellicht door de omstandigheden — ongeschikt is geworden. Voor een dergelijke zware beslissing is in het college een twee derde meerderheid vereist. De wachtgeldregeling is ook hier van toepassing, maar de predikant wordt geen ‘beroepbaar predikant’ en verliest de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten.

 

Een bijzondere situatie van losmaking is te vinden in de generale regeling predikantstraktementen (art. 20-5). Die kan plaatsvinden op grond van insolvabiliteit van de gemeente, dus als de gemeente de predikant niet langer kan betalen. Daarvoor is toestemming van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nodig. De gemeente zal in elk geval nog twee jaar verantwoordelijk zijn voor het traktement. Eventueel kan de kerk aan de gemeente een lening

|150|

verstrekken, maar de gemeente verbindt zich dan wel om mee te werken aan een structurele oplossing.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.8

5.8 Predikanten in algemene dienst

Een predikant in algemene dienst staat in dienst van een meerdere vergadering voor het verrichten van werkzaamheden die van deze vergadering uitgaan (ord. 3-22-1). Hij of zij wordt door deze vergadering beroepen als de werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de vervulling van het ambt van predikant. Om te voorkomen dat er grote ongelijkheid ontstaat doordat men in de ene regio veel terughoudender is om een kerkelijke medewerker tot predikant te beroepen dan in de andere, moet de vraag of voor het vervullen van deze functie de bevestiging in het ambt wenselijk of noodzakelijk is, worden beoordeeld door de kleine synode. Volgens art. VI-10 kunnen predikanten in algemene dienst worden beroepen (en functionarissen worden benoemd) door de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode. Ord. 3-22-2 maakt ook het beroepen door de algemene classicale vergadering mogelijk.

Men kan zowel fulltime als parttime tot predikant in algemene dienst beroepen worden (ord. 3-22-7). Ook een aanstelling in tijdelijke dienst is mogelijk (G.R. rechtspositie medewerkers, art. 25-3).

De proponent of predikant ontvangt een beroepsbrief, een dienstdoend predikant vraagt na aanvaarding van het beroep een akte van losmaking (ord. 3-5-5) en de bevestiging vindt plaats in een kerkdienst van een gemeente binnen het werkgebied. Als deze predikant in het ambt bevestigd is, is ook op hem of haar van toepassing de ‘vrijheid van het ambt als dienaar des Woords’ waar ord. 3-5-2 van spreekt. Maar omdat de predikant in algemene dienst staat in een arbeidsverhouding tot de vergadering die hem beriep, is er tegelijk sprake van een dienstverband, waarin aan deze predikant — anders dan bij de predikant voor gewone werkzaamheden — taakopdrachten kunnen worden verstrekt. Op deze predikant is de rechtspositieregeling van de kerkelijke medewerkers (ord. 3-28-1) van toepassing.

Een predikant in algemene dienst wordt beroepen voor de duur van de werkzaamheden (ord. 3-22-2). Als — bijvoorbeeld door een reorganisatie — aan de werkzaamheden waarvoor de predikant beroepen werd een einde komt of als aan een tijdelijke aanstelling een einde is gekomen, verkrijgt de betrokken predikant de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie § 5.6).

De predikanten in algemene dienst maken geen deel uit van een ambtelijke vergadering, maar worden begeleid door een daartoe ingestelde commissie (ord. 3-22-5). De kerkenraad van hun woonplaats heeft wel de mogelijkheid hen te benoemen tot lid van de kerkenraad (ord. 4-6-7). Ord. 4-14-1 opent de mogelijkheid om aangewezen te worden tot lid van de classicale vergadering.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.9

|151|

5.9 Predikanten met een bijzondere opdracht

Ook de predikanten met een bijzondere opdracht verrichten werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de vervulling van het ambt van predikant (ord. 3-23-1). Ook nu moet de vraag of voor het vervullen van hun functie de bevestiging in het ambt wenselijk of noodzakelijk is, worden beoordeeld door de kleine synode. Een verschil met de predikanten in algemene dienst is dat zij — behalve door de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode — ook door een kerkenraad of algemene kerkenraad kunnen worden beroepen, maar niet door een algemene classicale vergadering. Er zijn nauwelijks situaties voorstelbaar waarin aan dat laatste behoefte zal zijn.

Het belangrijkste verschil is echter dat zij in dienst zijn van een instelling en dat hun rechtspositie dus buiten de kerk ligt. Om een paar voorbeelden te noemen: te denken valt aan een ziekenhuispredikant, een legerpredikant of justitiepredikant, een radiopastor of schooldecaan.

Zij worden beroepen ‘voor de duur van de werkzaamheden’ (ord. 3-23-3). Met andere woorden: als aan het dienstverband bij de instelling een einde komt, komt daarmee vanzelf een einde aan de ambtsbediening en wordt de predikant beroepbaar predikant (zie § 5.6).

Nog sterker dan bij de predikanten in algemene dienst, die in dienst zijn van (een onderdeel van) de kerk, geldt van de predikanten voor bijzondere werkzaamheden dat zij in een dubbele loyaliteit staan. De ambtelijke vergadering is verantwoordelijk wat betreft het ambtelijke werk en de instelling waar deze predikant in dienst is, treedt op als werkgever. Om te voorkomen dat daarover spanningen ontstaan, moeten er met de instelling afspraken worden gemaakt waarin de verantwoordelijkheid van zowel de kerk als de instelling wordt geregeld (ord. 3-23-4). Als het beroep door een (algemene) kerkenraad wordt uitgebracht, moet het breed moderamen van de classicale vergadering erop toezien dat er inderdaad goede afspraken zijn gemaakt (ord. 3-23-6).

Voor het overige zijn de bepalingen dezelfde als die voor de predikanten in algemene dienst (zie § 5.8).

De kerkorde sluit de mogelijkheid niet uit dat een predikant voor gewone werkzaamheden, die in deeltijdfunctie is beroepen, daarnaast beroepen wordt als predikant in algemene dienst of als predikant met bijzondere opdracht. In dat geval oefent men het (ene) ambt van predikant op twee verschillende plaatsen uit.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10

5.10 Overige regels

In de slotbepalingen worden regelingen getroffen voor uiteenlopende aangelegenheden. Allereerst met betrekking tot nevenwerkzaamheden. Daarover wordt in ord. 3-24-1 bepaald dat een ambtelijke vergadering erop heeft toe te zien dat de arbeid die een predikant naast de ambtelijke werkzaamheden verricht, niet

|152|

onverenigbaar met het ambt van predikant is of strijdig met het belang van de gemeente en de kerk. Dat geldt ook voor parttime predikanten. Het zou bijvoorbeeld onwenselijk zijn als een predikant tegelijk uitvaartleider is, omdat daardoor de pastorale en commerciële belangen door elkaar kunnen gaan lopen.

Over het verrekenen van nevenwerkzaamheden die een fulltime predikant verricht, zijn regelingen getroffen in de generale regeling voor de predikantstraktementen (art. 26-3, zie § 5.6.2). Vergelijkbare bepalingen over nevenwerkzaamheden van kerkelijk werkers zijn te vinden in de G.R. rechtspositie medewerkers, art. 11.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.1

5.10.1 Emeritaat

Een predikant kan op verschillende gronden emeritaat ontvangen (ord. 3-25-1). De meest voorkomende is dat hij of zij de leeftijd heeft bereikt die daarvoor in de generale regeling voor de predikantspensioenen is gesteld. Daar wordt als pensioenrichtdatum genoemd de eerste dag van de maand waarin de predikant 65 jaar wordt. Om tegemoet te komen aan de trend in de samenleving om te komen tot flexibele pensionering wordt in de regeling gesproken van een ‘flexibele modus’, waardoor het mogelijk wordt de pensioendatum te vervroegen of uit te stellen. Men kan op zijn vroegst op de 60e verjaardag met emeritaat gaan en op zijn laatst bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd (G.R. predikantspensioenen, art. 9-4). Uiteraard heeft een vroegere of latere pensioendatum invloed op de hoogte van de pensioenuitkering. In ord. 3-25-1 is echter wel vastgelegd dat het bereiken van de 65-jarige leeftijd verplicht tot emeritaat leidt, tenzij de predikant en de kerkenraad samen een ander tijdstip afspreken. De predikant heeft dus niet zonder meer een recht om na de 65e verjaardag als predikant aan de gemeente verbonden te blijven.

Daarnaast wordt de mogelijkheid van invaliditeitspensioen genoemd. Ook daarvoor zijn de nodige regelingen getroffen in de generale regeling. Het is het breed moderamen van de classicale vergadering of de kleine synode die de emeritusverklaring afgeeft.

Alle overige aangelegenheden, met name die het pensioen betreffen, worden geregeld in de generale regeling (zie § 5.6.3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.2

5.10.2 Ontheffing op eigen verzoek

Zoals het artikel over de predikanten in tijdelijke dienst begon met de stelling dat predikanten voor gewone werkzaamheden beroepen worden voor onbepaalde tijd (ord. 3-18-1), zo verwoordt het artikel over ‘ontheffing op eigen verzoek’ het uitgangspunt dat het een predikant niet vrij staat het ambt neer te leggen (ord. 3-26-2). Dat men predikant is geworden, was ten diepste geen eigen beslissing (men wordt geroepen), daarom is het ook niet aan de predikant zelf om het ambt neer

|153|

te leggen. Men kan wel een verzoek indienen om eervol van het ambt ontheven te worden. Het is de kerk die dat eervol ontslag kan verlenen.

 

Ord. 3-26 houdt er rekening mee dat er verschillende situaties zijn die tot een verzoek om ontheffing kunnen leiden.

Het verzoek kan zijn ingegeven doordat de predikant overgaat ‘tot een andere staat des levens’, zoals dat vroeger werd genoemd. Met andere woorden: doordat de predikant een taak of opdracht buiten de kerk aanvaardt of een dienstverband aangaat waaraan geen predikantschap met bijzondere opdracht (ord. 3-23) kan worden verbonden.

Denkbaar is ook dat iemand het ambt voor een aantal jaren neerlegt, om voor het gezin te kunnen zorgen of een andere taak te vervullen. In dat geval is hij of zij niet in staat (op dit moment) een beroep in overweging te nemen en wordt de predikant dus ook niet ‘beroepbaar predikant’. Men behoudt in dat geval wel de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten (ord. 3-27-2).

Een andere mogelijkheid is dat iemand verzoekt van het ambt ontheven te worden omdat de partner werk elders heeft gevonden en verhuizing noodzakelijk is of omdat het werk in de huidige gemeente te zwaar is geworden of te veel spanningen oplevert (ord. 3-20-2). In dat geval legt de betrokkene het ambt ter plaatse neer, om uit te zien naar een andere standplaats. In dat geval verkrijgt men voor een periode van vier jaar de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie § 5.6), uiteraard met de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.3

5.10.3 Bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten

De bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten moet onderscheiden worden van de bevoegdheid om voor te gaan in een kerkdienst of om een kerkdienst te leiden, waarvan ord. 5-5 spreekt (zie § 7.6). In ord. 3-27 gaat het uitsluitend over de bevoegdheid van voormalige predikanten van de Protestantse Kerk in Nederland. Als ze emeritus predikant zijn geworden, ontvangen ze daarbij de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten zonder meer, zonder tijdsbeperking. Wie ‘beroepbaar predikant’ is geworden houdt deze bevoegdheid zolang men deze status bezit.

Wie eervol van het ambt ontheven is en geen beroep in overweging kan nemen (dus geen ‘beroepbaar predikant’ is), behoudt de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten voor een periode van vier jaar (ord. 3-27-2).

Iedereen die de bevoegdheid heeft ontvangen voor een bepaalde periode, of voor wie de bevoegdheid verloopt (bijvoorbeeld van een ‘beroepbaar predikant’ bij wie na vier jaar deze status niet wordt verlengd), kan het breed moderamen van de classicale vergadering vragen de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten te verlengen, telkens voor een periode van vier jaar (ord. 3-27-3).

|154|

In alle gevallen is de kleine synode bevoegd de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten in te trekken of te beperken als het belang van de kerk daarmee gediend is (ord. 3-27-7). Dat voor een dergelijke maatregel instemming van het generale college voor de ambtsontheffing vereist is, maakt duidelijk dat deze bepaling ligt in het verlengde van ord. 3-21 en dat gedacht moet worden aan ongeschiktheid om de kerk langer met stichting te dienen.

 

Ord. 3-27-5 maakt duidelijk dat dienstdoende predikanten, beroepbare predikanten en zij die de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten hebben behouden, niet alleen bevoegd zijn ambtelijke taken in de eredienst uit te oefenen. Ze kunnen door een kerkenraad ook worden aangesteld om andere taken in de gemeente (hier aangeduid als ‘hulpdiensten’) te verrichten. De G.R. predikantstraktementen stelt daaraan wel een beperking: de omvang van de aanstelling mag niet meer zijn dan een derde van de volledige werktijd, behalve als de predikant tijdelijk afwezig is (art. 37-2).

In ord. 3-27-6 worden de mogelijkheden voor een kleine gemeente (met minder dan 300 leden) nog wat uitgebreid. Daar mag een emeritus predikant of een be-roepbaar predikant worden aangesteld, waarbij de beperking tot een derde van de volledige werktijd niet geldt (G.R. predikantstraktementen, art. 37-2). Er wordt nu ook niet gesproken van hulpdiensten maar van een bevoegdheid om 'het dienstwerk van een predikant te verrichten'. Men wordt weliswaar niet als de plaatselijke predikant beroepen en bevestigd, maar men is wel bevoegd de taken van de predikant uit te oefenen. Al wordt in de bepaling verwezen naar ord. 3-9-1, toch moeten we ervan uitgaan dat de emeritus of beroepbaar predikant niet kan worden afgevaardigd naar een meerdere vergadering. Wie het dienstwerk waarneemt, is immers strikt genomen geen lid van de kerkenraad, maar woont de vergaderingen bij als adviseur. Bij een dergelijke aanstelling zijn de volgende bepalingen van belang.
- De bepaling kan niet worden toegepast op iemand die (uitsluitend) de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten heeft behouden. Zo iemand kan wel de opdracht krijgen tot het verrichten van hulpdiensten, als bedoeld in ord. 3-27-5.
- Om te mogen komen tot een aanstelling om het dienstwerk van een predikant te verrichten, is instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist. Dat zal beoordelen of een dergelijke benoeming noodzakelijk en in het belang van de gemeente is. De regel blijft immers dat elke gemeente zo mogelijk haar eigen predikant beroept.
- Een dergelijke benoeming is getermineerd: ze geldt voor een periode van tenminste twee en ten hoogste vier jaar. Daarna kan worden bezien of opnieuw een dergelijke benoeming nodig is, of dat wellicht andere kerkordelijke mogelijkheden moeten worden overwogen.
- Het breed moderamen van de classicale vergadering kan ook een gemeente

|155|

met meer dan 300 leden toestemming geven om van deze bepaling gebruik te maken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.4

5.10.4 Terugkeer in het ambt

Wie op eigen verzoek ontheffing van het ambt heeft aangevraagd en eervol ontheven is (ord. 3-26-1) en daarbij de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten heeft behouden (ord. 3-27-2), kan bij de kleine synode een verzoek indienen om weer beroepbaar te worden gesteld (ord. 3-27-4). De kleine synode is bevoegd om aan de beroepbaarstelling voorwaarden te verbinden. Wanneer het langere tijd geleden is dat men als predikant een gemeente heeft gediend, zou bijvoorbeeld een periode van werkbegeleiding zinvol kunnen zijn.

Niet geregeld is hoe gehandeld moet worden als iemand eervol van het ambt ontheven is maar niet langer de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten bezit. Het breed moderamen van de classicale vergadering kan deze bevoegdheid wel verlengen maar niet verlenen (ord. 3-27-3). Als alle bevoegdheden vervallen zijn, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat het opnieuw toekennen van deze bevoegdheid niet mogelijk is. Als iemand daarvoor toch een verzoek zou indienen, zou het breed moderamen van de classicale vergadering allereerst moeten nagaan waarom de bevoegdheid niet was verleend of verlengd en moeten overwegen of naar zijn oordeel het belang van de kerk gediend is met het (opnieuw) toekennen van deze bevoegdheid. Vervolgens zou het verzoek, met advies van het breed moderamen, aan de kleine synode kunnen worden voorgelegd; dat kan desgewenst het generale college voor de toelating tot het ambt van predikant (ord. 13-17) inschakelen.

Wanneer het ambt is neergelegd zonder dat ontheffing op eigen verzoek is aangevraagd, staat alleen de weg van het colloquium open (ord. 13-19). Dan heeft iemand het ambt neergelegd tegen alle kerkelijke regels in en is een nieuw 'gesprek over de roeping van betrokkene en over het ambt van predikant in het geheel van het leven en werken van de kerk' (ord. 13-19-2) op zijn plaats. Datzelfde geldt als een verzoek tot het verlenen of verlengen van de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten is geweigerd, omdat het breed moderamen van de classicale vergadering blijkbaar van oordeel was dat het belang van de kerk met het verlenen van deze bevoegdheid niet was gediend.

Na ontzetting uit het ambt (ord. 10-9-7 sub d) is terugkeer in het ambt slechts mogelijk als dit middel van kerkelijke tucht wordt opgeheven door het college van het opzicht dat het middel van ontzetting uit het ambt had toegepast. Het kan daar pas toe overgaan als berouw gebleken is en verzoening met de gemeente totstandgekomen is (ord. 10-9-9). Als het middel van kerkelijke tucht is opgeheven, staat de weg naar het ambt van predikant voor de betrokkene dus weer open. Het ligt voor de hand dat daarbij in de lijn van ord. 3-27-4 wordt gehandeld en dat betrokkene op diens verzoek door de kleine synode, al dan niet onder voorwaarden, beroepbaar wordt gesteld.

|156|

Wie na een leertuchtprocedure van het ambt ontheven is, kan door de generale synode beroepbaar worden gesteld als betrokkene verklaard heeft het oordeel van de kerk alsnog te aanvaarden en belooft zich te zullen bewegen in de weg van het belijden van de kerk (ord. 10-15-8).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.11

5.11 De kerkelijke medewerkers

Ord. 3-28 handelt uitsluitend over de rechtspositie van de kerkelijke medewerkers. De inhoudelijke beschrijving van hun taken en hun positie in de gemeenten en in de kerk is te vinden in ord. 3-12 t/m 14 (zie § 5.5 t/m 5.5.5).

De rechtspositieregeling van de kerkelijke medewerkers wordt kortheidshalve aangeduid als de G.R. rechtspositie medewerkers en is van toepassing op drie categorieën:
- op de predikanten in algemene dienst (daarmee worden ze overigens niet gelijk gesteld met de kerkelijke medewerkers, zie § 5.8);
- op hen die als kerkelijk werker in een dienst zijn gesteld, waarbij een arbeidsovereenkomst is gesloten (daar vallen dus ook onder degenen die in een bediening zijn gesteld, zie § 5.5.1 en 5.5.2);
- op hen die in een andere functie aangesteld zijn als kerkelijke medewerker (zie § 5.5.6).

 

In ord. 3-28-2 moet het onderscheid tussen de benoeming en de aanstelling in het oog worden gehouden.

De benoemende instantie bepaalt wie straks deze taak als kerkelijke medewerker gaat vervullen. Als vuistregel geldt dat het recht van benoeming toekomt aan de instantie waarvoor de medewerker zijn of haar werkzaamheden gaat verrichten en onder wiens verantwoordelijkheid deze valt. Zo wordt een medewerker op het kerkelijk bureau benoemd door het college van kerkrentmeesters (ord. 11-2-7 sub c) en een medewerker op het bureau van de diaconie door het college van diakenen (ord. 11-3-4 sub c). Van de kerkmusicus (ord. 5-6-2) en de koster (ord. 5-7-2) wordt nadrukkelijk bepaald dat ze worden benoemd door de kerkenraad. Wie als kerkelijk werker (ord. 3-12-3) in een dienst wordt gesteld, wordt geroepen en benoemd door de kerkenraad. Dat geldt dus ook van een kerkelijk werker in diaconale dienst.

De benoemende instantie valt niet in alle gevallen samen met de instantie die de aanstelling verricht. Voor de aanstelling is namelijk een (kerkelijke) rechtspersoon vereist die de arbeidsovereenkomst afsluit. De kerk kent vijf rechtspersonen: op het plaatselijke vlak de gemeente en de diaconie, op het bovenplaatselijke vlak de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en de kerk. Bovendien bezit de dienstenorganisatie, als kerkelijke instelling overeenkomstig ord. 11-26, rechtspersoonlijkheid.

De instanties die de rechtspersonen vertegenwoordigen, verrichten de aanstelling

|157|

en fungeren als werkgever in arbeidsrechtelijke zin (ord. 3-28-3). Plaatselijk zijn het college van kerkrentmeesters (ord. 11-2-7 sub e) en het college van diakenen (ord. 11-3-4 sub e) aangewezen om voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden zorg te dragen en dus de aanstelling te verrichten en als werkgever op te treden. 

Voor de medewerkers van de dienstenorganisatie (het LDC, de RDC’s en Centrum Hydepark) geschiedt de aanstelling door het bestuur van de dienstenorganisatie, dat zorg draagt voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de dienstenorganisatie en fungeert als opdrachtgever voor de medewerkers (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2).

 

De rechtspositieregeling wordt in ord. 3-28 slechts globaal aangegeven. De uitwerking is te vinden in de generale regeling voor de rechtspositie van kerkelijke medewerkers. In ord. 3-28-5 wordt aangegeven hoe deze regeling en de uitvoeringsbepalingen totstandkomen of gewijzigd worden.

In de generale regeling worden de samenstelling en bevoegdheid van het georganiseerd overleg geregeld (art. 2 en 3). Er zijn bepalingen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst opgenomen (art. 4 t/m 8). Nadat een groot aantal bepalingen aangaande de arbeidsvoorwaarden die voor alle medewerkers gelden, zijn besproken (art. 9 t/m 26), zijn vooral de artikelen over het individueel klachtrecht en de geschillenregeling van belang (art. 27 en 28). De generale regeling telt in totaal 33 artikelen.