Heuvel, P. van den e.a. (2004)

(red.)
De toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
Zoetermeer
Uitgeverij Boekencentrum
2004

ISBN: 

90-239-1293-4

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Inh

|5|

Inhoud

 

 

Woord vooraf — 13

1 Theologische verantwoording — 14
1.1 Woord — 17
1.1.1 De naam van de kerk — 17
1.1.2 Levend uit Gods genade — 19
1.1.3 Gods toewending — 19
1.1.4 Het belijden — 20
1.1.5 Actueel belijden — 24
1.1.6 Bewegen in de weg van het belijden — 27
1.1.7 Continuïteit — 28
1.2 Dienst — 30
1.2.1  De gemeenten — 30
1.2.2 Gemeenteopbouw — 33
1.2.3 Het ambt — 35
1.2.4 De ambtelijke vergaderingen — 41
1.3 Gemeenschap — 47
1.3.1 De eredienst — 47
1.3.2 De heilige doop — 50
1.3.3 Het heilig avondmaal — 52
1.3.4 De missionaire, diaconale en pastorale arbeid — 54
1.3.5 De geestelijke vorming — 56
1.3.6 Het opzicht — 60
1.3.7 De financiën — 63
1.3.8 Bezwaren en geschillen — 64
1.3.9 De opleiding van de predikanten — 65
1.3.10 Oecumenisch perspectief — 67
1.4 De orde van de kerk — 69

2 Structuur en begripsomschrijving — 72
2.1 De kerkorde — 72
2.2 De structuur — 72
2.3 De gemeente — 73
2.4 De classis — 74
2.5 De kerk — 75
2.6 Zelfstandige onderdelen en stichtingen — 75
2.7 Verklarende woordenlijst — 76

|6|

3 Het belijden — 80
3.1 Het belijden van de kerk — 80
3.2 Het belijden van de gemeente — 80
3.3 Notitie ‘Verbonden met het gereformeerd belijden’ — 81
3.4 Het gesprek met Israël — 86
3.5 Het spreken van de kerk — 86
3.6 Uitdrukking van het belijden — 87
3.7 Gravamen — 88

4 De gemeente — 90
4.1 De leden van de gemeente — 90
4.1.1 Gastleden — 91
4.1.2 Verbonden met de gemeente — 92
4.1.3 Verhuizing — 92
4.1.4 Overschrijving — 94
4.2 De registers — 94
4.3 Vormen van gemeente-zijn — 96
4.3.1 Samenwerking en federatie — 96
4.3.2 De vorming van een protestantse gemeente — 98
4.3.3 De vorming van een nieuwe gemeente — 101
4.3.4 Een (wijk)gemeente van bijzondere aard — 101
4.3.5 Samenvoeging en combinatie — 102
4.3.6 Gemeente met wijkgemeenten — 104
4.3.7 Streekgemeente — 106
4.3.8 Gemeente in bijzondere omstandigheden — 107
4.4 Vermogensrechtelijke aspecten van gemeentevorming — 108
4.5 Bijzondere zorg — 110
4.6 Samenhang kerk en gemeenten — 112
4.7 Kerkelijke indeling — 117

5 Het ambt — 119
5.1 Algemeen — 119
5.1.1 De verkiezingsregeling — 120
5.1.2 Vijf fasen — 121
5.2 Predikanten — 121
5.2.1 Voorbereiding en kandidaatstelling — 121
5.2.2 Verkiezing, goedkeuring, bezwaren — 125
5.2.3 Het beroep — 126
5.2.4 Aanvaarding en bevestiging — 128
5.3 Ouderlingen en diakenen — 129
5.3.1 Voorbereiding en kandidaatstelling — 129
5.3.2 Verkiezing en goedkeuring — 130

|7|

5.3.3 Roeping, aanvaarding en bevestiging — 133
5.3.4 Ambtstermijn — 133
5.4 Het dienstwerk — 134
5.4.1 De predikanten — 136
5.4.2 De ouderlingen — 136
5.4.3 De diakenen — 137
5.5 Diensten, bedieningen en functies — 137
5.5.1 Diensten — 138
5.5.2 Bedieningen — 139
5.5.3 Kerkelijk werker in pastorale arbeid — 139
5.5.4 Preekconsent — 140
5.5.5 De geestelijk verzorger — 140
5.5.6 Overige functies — 141
5.6 De rechtspositie van predikanten — 141
5.6.1 Predikanten voor gewone werkzaamheden — 144
5.6.2 Generale regeling predikantstraktementen — 145
5.6.3 Generale regeling predikantspensioenen — 146
5.6.4 Parttime predikanten — 146
5.6.5 Predikanten in tijdelijke dienst — 147
5.7 Vrijstelling, ontheffing en losmaking — 147
5.8 Predikanten in algemene dienst — 150
5.9 Predikanten met een bijzondere opdracht — 151
5.10 Overige regels — 151
5.10.1 Emeritaat — 152
5.10.2 Ontheffing op eigen verzoek — 152
5.10.3 Bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten — 153
5.10.4 Terugkeer in het ambt — 155
5.11 De kerkelijke medewerkers — 156

6 De ambtelijke vergaderingen — 158
6.1 Algemeen — 158
6.1.1 Geheimhouding — 158
6.1.2 Meerdere vergaderingen — 159
6.1.3 Kerkelijk lichaam — 161
6.1.4 Besluitvorming — 162
6.2 De kerkenraad — 164
6.2.1 Arbeidsveld — 165
6.2.2 Werkwijze — 166
6.2.3 Wijkkerkenraden en algemene kerkenraad — 170
6.2.4 De kerkenraad met werkgroepen — 172
6.2.5 Gemeenschappelijke regeling — 173

|8|

6.2.6 Consulent en vervanging — 174
6.2.7 Kerkenraad met gedelegeerden — 175
6.3 De classicale vergadering — 176
6.3.1 Samenstelling — 176
6.3.2 Arbeidsveld — 177
6.3.3 Werkwijze — 179
6.3.4 Het breed moderamen — 180
6.3.5 Ringverbanden — 181
6.3.6 Werkgemeenschappen van predikanten — 182
6.3.7 De algemene classicale vergadering — 183
6.3.8 De Réunion Wallonne — 185
6.4 De evangelisch-lutherse synode — 185
6.5 De generale synode — 185
6.5.1 Wijzigingen in de kerkorde — 186
6.5.2 De organen van bijstand — 188
6.5.3 De dienstenorganisatie — 189
6.5.4 De generale colleges — 191

7 De eredienst — 192
7.1 Algemeen — 192
7.2 Diensten met een bijzonder karakter — 194
7.3 Het huwelijk — 195
7.4 Andere levensverbintenissen — 196
7.5 Wie mag voorgaan — 198
7.6 Preekconsenten — 198
7.7 De kerkmusicus — 201
7.8 De koster en het kerkgebouw — 202
7.9 Bijbelvertaling, liedboek en dienstboek — 202
7.10 Auteursrechten — 204

8 Doop en avondmaal — 206
8.1 Algemeen — 206
8.2 Opwekking en toelating tot de doop — 206
8.3 De bediening van de doop — 208
8.4 De doopregistratie — 209
8.5 Dooperkenning — 210
8.6 Nodiging tot, voorbereiding op en toelating tot het avondmaal — 210
8.7 De viering van het avondmaal — 212

|9|

9 De missionaire, diaconale en pastorale arbeid — 213
9.1 Algemeen — 213
9.2 Samenhang en eigenheid — 213
9.3 De missionaire arbeid — 214
9.4 De diaconale arbeid — 215
9.5 De pastorale arbeid — 215
9.6 Samenwerking met andere kerkelijke gemeenschappen — 216
9.7 Wederkerigheid — 216

10 De geestelijke vorming — 218
10.1 Algemeen — 218
10.2 Vorming en toerusting — 218
10.3 Catechese — 219
10.4 De openbare belijdenis van het geloof — 219
10.5 Het jeugdwerk — 222

11 Het opzicht en bezwaren en geschillen — 224
11.1 Het opzicht — 225
11.1.1 Algemeen — 225
11.2 Het opzicht over de gemeenten (de visitatie) — 226
11.2.1 De colleges voor de visitatie — 227
11.2.2 Taak en werkwijze — 228
11.3 Het opzicht over belijdenis en wandel — 230
11.4 Het opzicht over de verkondiging en de catechese alsmede over de opleiding en vorming van predikanten — 233
11.5 De kerkelijke rechtspraak: algemeen — 235
11.6 Het toepassen van de middelen van kerkelijke tucht — 236
11.6.1 De colleges voor het opzicht — 236
11.6.2 De procedure — 238
11.6.3 De middelen van kerkelijke tucht — 240
11.6.4 Beroep — 243
11.7 De behandeling van bezwaren en geschillen — 244
11.7.1 Algemeen — 244
11.7.2 De colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen — 245
11.7.3 Bezwaren — 247
11.7.4 Geschillen — 248
11.7.5 Bevoegdheid — 248
11.7.6 Indienen van een bezwaar of geschil — 249
11.7.7 De behandeling van een bezwaar of geschil — 250
11.7.8 De uitspraak — 251
11.7.9 Beroep — 252

|10|

11.7.10 Bindend karakter kerkelijke rechtspraak — 254
11.7.11 Revisie — 254
11.8 Ambtsontheffing — 255
11.9 Beroep bij beheerszaken — 257

12 Vermogensrechtelijke aangelegenheden — 258
12.1 Rechtspersoonlijkheid — 258
12.1.1 Rechtspersonen in de kerk — 258
12.1.2 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging — 259
12.2 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente — 260
12.2.1 Gemeente en diaconie — 260
12.2.2 Kerken raad en colleges — 261
12.2.3 Eenheid van beleid en beheer — 262
12.2.4 Beleidsplan, begroting en jaarrekening — 263
12.3 College van kerkrentmeesters — 265
12.3.1 Samenstelling — 265
12.3.2 Taken — 265
12.3.3 Gemeente met wijkgemeenten — 268
12.3.4 Inkomsten en uitgaven — 269
12.4 College van diakenen — 270
12.4.1 Samenstelling — 270
12.4.2 Taken — 270
12.4.3 Gemeente met wijkgemeenten — 271
12.5 Vertegenwoordiging van gemeente en diaconie — 271
12.6 Het toezien van de kerk op de gemeenten — 273
12.6.1 Betrokkenheid in bijzondere situaties — 275
12.6.2 Beroep op het regionale college — 276
12.7 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de classis — 276
12.7.1 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging — 276
12.7.2 Vergaderkosten — 277
12.7.3 Overige vermogensrechtelijke aangelegenheden — 277
12.7.4 Begroting en jaarrekening — 278
12.7.5 Archief — 278
12.7.6 Toezien van de kerk op de classis — 279
12.8 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse synode — 280
12.8.1 Omvang van de vermogensrechtelijke aangelegenheden — 280
12.8.2 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging — 280
12.8.3 Kosten van de evangelisch-lutherse synode — 280
12.8.4 Financiële commissie — 281
12.9 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk — 281

|11|

12.9.1 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging — 281
12.9.2 Begroting en jaarrekening — 281
12.9.3 Quotum — 282
12.9.4 Solidariteitskas — 283
12.9.5 Missionair-diaconaal aandeel — 283
12.9.6 Centrale kas en pensioenfonds — 283
12.9.7 Kerkelijke instellingen — 284
12.9.8 Dienstenorganisatie — 284
12.10 Het toezien op het beheer — 286
12.10.1 Het regionale college voor de behandeling van beheerszaken — 286
12.10.2 Het generale college voor onderzoek van beheerszaken — 287
12.11 Stichtingen — 287
12.12 Aansprakelijkheid van beheerders — 289

13 De opleiding en vorming van predikanten — 292
13.1 Opzet van dit hoofdstuk — 292
13.2 Bekwaamheid — de opleiding — 292
13.2.1 De Theologische Universiteit te Kampen — 293
13.2.2 Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut — 294
13.2.3 Het Evangelisch-Luthers Seminarium — 294
13.2.4 Het Theologisch Seminarium Hydepark — 295
13.3 Geschiktheid — het album van de kerk — 295
13.4 Preekconsent tijdens de opleiding — 297
13.5 Andere wegen tot het ambt van predikant — 298
13.5.1 Elders begonnen studie — 298
13.5.2 Bij een andere kerk toegelaten tot het ambt — 299
13.5.3 Singuliere gaven — 300
13.6 Roeping — het colloquium — 301
13.7 Voortgezette vorming van predikanten — 304
13.8 Het mentoraat — 305
13.9 De bestuurlijke aspecten van de predikantsopleiding op hoofdlijnen — 305
13.10 De raad van toezicht TWO — 306
13.11 De colleges van curatoren — 307
13.12 De Theologische Universiteit te Kampen — 309
13.13 Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut — 309
13.14 Het Evangelisch-Luthers Seminarium — 310
13.15 Het Theologisch Seminarium Hydepark — 311
13.16 Opleiding en vorming voor de missionaire arbeid — 312

|12|

14 De kerk in oecumenisch perspectief — 313
14.1 Algemeen — 313
14.2 Oecumene — algemeen — 314
14.3 Oecumenische samenwerking — 314
14.4 Gemeenschap, via nauwere betrekkingen — 315
14.5 Gemeenschap, via associatie — 317
14.6 Vereniging — 318
14.7 Missionaire en diaconale arbeid van de kerk — 318
14.8 De missionaire arbeid — 319
14.9 De diaconale arbeid — 320
14.10 De pastorale arbeid — 320

15 Lutheranen in de Protestantse Kerk in Nederland — 322
15.1 Plaats in de kerk — 322
15.2 Evangelisch-lutherse leden van de kerk — 322
15.3 Evangelisch-lutherse gemeenten — 323
15.3.1 Plaats in de kerk — 323
15.3.2 Beroepingswerk — 324
15.3.3 Spanningen in een evangelisch-lutherse gemeente — 325
15.3.4 Toezien op de vermogensrechtelijke aangelegenheden — 326
15.3.5 Visitatie — 326
15.3.6 Samengaan van gemeenten — 327
15.3.7 Protestantse gemeente — 327
15.3.8 Nieuwe gemeente — 328
15.4 Evangelisch-lutherse synode — 328
15.4.1 Plaats in de kerk — 328
15.4.2 Samenstelling en werkwijze — 329
15.4.3 Betrokkenheid bij andere kerkelijke lichamen — 330
15.4.4 Vermogensrechtelijke aangelegenheden — 331
15.4.5 Belijden van de kerk — 331
15.4.6 Zorg voor evangelisch-lutherse gemeenschappen — 332
15.4.7 Toerusting — 332
15.4.8 Contacten — 332
15.4.9 Evangelisch-Luthers Seminarium — 333

Bijlagen — 335

Register van kerkordeartikelen — 343

Register van trefwoorden — 356

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Wv

13

|13|

Woord vooraf

 

Op 12 december 2003 hebben de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland en de synode van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden het besluit genomen tot vereniging van de kerken.
Met ingang van 1 mei 2004 vormen zij gezamenlijk de Protestantse Kerk in Nederland.

Dat betekent dat voor alle kerkenraden en gemeenten en voor alle andere ambtelijke vergaderingen en organen van deze drie kerken in 2004 een nieuw kerkrecht van kracht wordt: de kerkorde, ordinanties, overgangsbepalingen en generale regelingen van de Protestantse Kerk in Nederland.

Om hen bij het hanteren van deze nieuwe bepalingen behulpzaam te zijn, is deze toelichting geschreven. De auteurs zijn allen bij het totstandkomen van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland betrokken geweest.

Drs. B. Wallet, voorzitter van de Werkgroep Kerkorde, schreef hoofdstuk 1, de theologische verantwoording.
De hoofdstukken 2 t/m 6 zijn van de hand van dr. P. van den Heuvel, die ook de eindredactie en de registers voor zijn rekening nam.
Prof. dr. L.J. Koffeman schreef de hoofdstukken 7 t/m 10, 13 en 14.
Het hoofdstuk over de kerkelijke rechtspraak, hoofdstuk 11, werd verzorgd door mevr. mr. T.M. Willemze.
Dr. F.T. Bos schreef de hoofdstukken 12 en 15 en tekende voor de organigrammen.

De auteurs zijn uiteraard zelf verantwoordelijk voor hun eigen bijdragen, maar ze hechten eraan te vermelden dat alle hoofdstukken door hen gezamenlijk zijn besproken, zodat er in hoge mate van gemeenschappelijkheid sprake is.

Ze spreken de hoop uit dat deze toelichting de gemeenten en de kerk zal dienen bij de ordening van het kerkelijke leven.

P. van den Heuvel
F.T. Bos
L.J. Koffeman
B. Wallet
T.M. Willemze

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H1

15-71

|15|

1 Theologische verantwoording

 

De kerkorde biedt de fundamentele regels voor het leven en werken van de kerk. Het bezig zijn met de kerkorde is een geestelijke zaak, omdat het in de kerkorde gaat over de leefregel van de Kerk van Christus. De apostel Paulus spreekt over de orde in de kerk bij zijn uiteenzetting over de gaven van de Geest. Zo is er in de smidse van de werkgroep die deze kerkorde voorbereidde over gesproken, met het gebed dat de Geest wegen in de tijd schrijft, die leiden tot vernieuwing.

Het gaat in een kerkorde om het leven en werken van de kerk. Kerk en gemeente moeten een inrichting hebben, die het mogelijk maakt om rondom Woord en sacrament gemeente van Christus te zijn. De kerkorde als grondwet van de kerk dient tegen deze achtergrond te worden gehoord en de ordinanties als concrete rechtsregels worden aan de grondidealen getoetst. In principe komt in de kerkorde alles op tafel. In sterk gecondenseerde vorm worden de grondlijnen getekend.

 

Wat is er de aanleiding toe geweest dat besloten is tot het concipiëren van een kerkorde? Op 14 maart 1986 verklaarden de synoden van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) zich in staat van hereniging. Dit gebeurde nadat er een raadpleging van de kerkelijke vergaderingen over de ‘Verklaring van Overeenstemming ten aanzien van het samen kerk-zijn’ had plaatsgevonden. In deze verklaring worden vier kernen van belijden genoemd waarover overeenstemming bestaat: de rechtvaardiging van de zondaar, de kerk is het lichaam van Christus, de waarheid is ondeelbaar en de gemeente die geroepen wordt om gezonden te worden. Er wordt ook een aantal gemeenschappelijke vragen benoemd die de spanningen in de visie op de kerk aanwijzen. De verklaring noemt als zodanig: de kerkelijke tucht, de pluraliteit, de geboorteleden, het spreken van de kerk en de verhouding van landelijke kerk en plaatselijke gemeente. Afgesproken werd dat de bezinning op deze punten voortgezet zou moeten worden.

Toen deze verklaring werd aanvaard, bestond er tussen de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland een proces van Samen op Weg in het toegroeien naar kerkelijke hereniging. In 1973 was er ten behoeve van de stimulering van dit proces een ‘Raad van Deputaten Samen op Weg’ in het leven geroepen. Deze raad werd als orgaan van bijstand aan de beide synoden verbonden. De Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK) besloot in 1985 te participeren in het Samen op Weg-proces. Eerst als waarnemer in de Raad van Deputaten en zijn werkgroepen. De theologische commissie van de lutherse synode schreef een commentaar op de Verklaring van Overeenstemming en gaf te kennen in te stemmen met de conclusie. In 1990 vond

|16|

de eerste vergadering plaats waarbij de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden volwaardig deelnemer werd in het proces van vereniging.

Geregeld kwam de vraag op hoe en wanneer over de openstaande punten uit de Verklaring van Overeenstemming duidelijkheid verkregen zou kunnen worden. De Raad van Deputaten Samen op Weg kende een werkgroep Toekomstige Vormgeving. De werkgroep kwam regelmatig in de vergadering van de synoden met schetsen voor de vormgeving van de toekomstige kerk. De bedoeling was dat de structuur van de zich verenigende kerken geleidelijk ingevuld zou worden. Deze weg van geleidelijkheid botste met de roep om duidelijkheid. De vrees groeide dat er met dit proces van discussie en besluiten op onderdelen een onoverzichtelijke lappendeken zou ontstaan. In 1990 besloten de synoden deze route te verlaten en de weg van het kerkrecht te gaan. Met een principiële benadering zou de grondstructuur van de toekomstige verenigde kerk in een keer helder op tafel komen. Dit totaalconcept zou dan via de geëigende weg van de ambtelijke vergaderingen in alle drie de kerken besproken kunnen worden. Er werd een werkgroep kerkorde benoemd voor het formuleren van grondleggende bepalingen die voor heel de verenigde kerk zouden gelden. In deze bepalingen zou een theologische visie op kerk-zijn worden neergelegd.

De opdracht die deze werkgroep kreeg, was uit te gaan van de structuur van de inleidende artikelen uit de hervormde kerkorde als beginpunt en hoofdlijn. Daarbij moest worden betrokken wat in Samen op Weg reeds gemeenschappelijk was verworven en bezien moest worden welke elementen uit de gereformeerde en lutherse kerkorde konden worden ingebracht. De hervormde kerkorde kreeg dit primaat omdat zij in een kerk met grote diversiteit draagster is geworden van eenheid in verscheidenheid.

 

Om in het onderling beraad op een lijn te komen ten aanzien van de gewichtigste punten is de werkgroep kerkorde begonnen met de vraag naar het confessioneel karakter van de kerkorde. Zou aan de opdracht van de synoden kunnen worden voldaan door een concentratie in een preambule of zou gedacht moeten worden aan een kerkorde waarin de confessionele grondslag verweven is? Gezien de grote pluriformiteit in de kerken is gekozen voor een samenbindend en verenigend document, waarin de identiteit van de kerk wordt gegeven. Er is gekozen voor een belijdende kerkorde. Direct in de ouverture moet klinken dat het in deze wetstekst gaat om een kerk. De markante inzet wijst het water aan waarover het schip van de kerk vaart en daarna volgt er een omschrijving van de bakens waarlangs het schip zich beweegt.

De kerkorde valt in twee delen uiteen. Deel I handelt over de roeping van kerk en gemeente (art. I-VI) en deel II over het leven van gemeente en kerk (art. VII-XIX). Het geheel (de kerk) gaat vooraf aan de delen (de gemeenten). Bij de roeping gaat de kerk voorop en bij het leven de gemeente. Er bestaat tussen beide

|17|

een organisch heen en weer. Wanneer er in de kerkorde over de kerk gesproken wordt, gaat het over de saamhorigheid van de gemeenten en wanneer er over de gemeenten gesproken wordt, kan dit niet zonder dat de samenhang met andere gemeenten en de meerdere vergaderingen in het oog gehouden wordt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1

1.1 Woord

De visie van de kerk kan niet worden losgemaakt van haar missie. De kerk ontleent haar identiteit aan haar missie. Art. I laat zien wie de kerk is, geeft aan waar zij uit leeft, wat haar beweegt en kan beschouwd worden als bepalend voor haar identiteit. Zo kernachtig mogelijk wordt de grondslag beschreven. Centraal staat in het eerste artikel het Woord dat vol is van de Geest en de kerk draagt.

 

Uit het eerste artikel is af te leiden dat we te maken hebben met een kerk die zichzelf verstaat als een eenheid. In de eenheid van de kerk gaat het ten diepste om de eenheid uit Johannes 17 waar Jezus bidt voor de eenheid van allen die geloven: ‘Opdat de wereld erkent dat Gij Mij gezonden hebt.’ De gemeente wordt betrokken in de eenheid van Jezus met God. Fundamenteel voor deze eenheid is het meegenomen worden in het gebed van de Heer. Het geheim van die eenheid is dat de liefde waarmee de Vader de Zoon liefheeft in de gelovigen is en de Heer zelf door zijn Geest in hen woont. Eenheid is een genade die wij ontvangen in verbondenheid met de drie-enige God.

Wanneer wij het begin van de eenheid zoeken in het gebed, is het vervolg dat we het begin van gemeenschappelijk geloven zoeken in het horen. Geloven is luisterend leven met het Woord van God. Het horen van het Woord is vol van de Geest. In het samen horen sticht de Geest saamhorigheid. In deze context schenkt Hij de gaven om de eenheid te bewaren en het welzijn van allen te dienen. Eenheid is geen doel in zichzelf. Het doel is dat de wereld erkent dat God Jezus heeft gezonden als redder. De verkondiging van Jezus Christus als de weg, de waarheid en het leven vraagt om eenheid. Het leven in eenheid is een aspect van het wandelen in de waarheid. Nu is eenheid met elkaar niet minder een wonder dan de eenheid met de Heer. Gemeente-zijn is samen horen, geestgenoten worden. Wij ontmoeten elkaar binnen de gemeente als gedoopten rond de Tafel van de Heer. Samen vormen de leden met hun verscheidenheid een lichaam dat in de wereld kan functioneren.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.1

1.1.1 De naam van de kerk

De Protestantse Kerk in Nederland is
overeenkomstig haar belijden
gestalte van
de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk

|18|

die zich, delend in de aan Israël geschonken verwachting, uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God (art. 1-1).

De naam is de eerste brug die geslagen wordt, waarover de identiteit van de kerk naar buiten komt. Deze naam is een weergave van de traditie waarin onze kerk staat. Met deze naam is zij verstaanbaar en open naar allen die in deze beweging willen staan. In de keuze voor deze naam heeft de oorspronkelijke betekenis van ‘getuigen’ en ‘publiek verklaren’ een rol gespeeld. De Protestantse Kerk in Nederland wil in de samenleving een getuigende kerk zijn vanuit een reformatorische traditie. Met deze naam, die een belijdend karakter heeft, wil zij aangeven waar zij voor staat en wat haar opdracht is. Zij is een getuigende kerk; in haar naam klinkt de roeping door zich steeds opnieuw te reformeren.

Daarom blijft het gesprek met andere kerkgemeenschappen principieel open. Wanneer er gesproken wordt over de Protestantse Kerk wordt daaraan toegevoegd ‘in Nederland’. Daarmee wordt het misverstand van een nationale kerk voorkomen, omdat een kerk immers niet kan samenvallen met een volk. Het gaat om een geografische aanduiding van het land waar de kerk haar plaats en roeping heeft.

... gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk ...

De kerk belijdt dat zij niet samenvalt met de Kerk van Christus. Zij is niet de onthulling en openbaring van de Kerk, maar deel van de Kerk van alle plaatsen en tijden. Zij is gestalte van de Kerk van Christus. Deze kwalificatie dient te worden betrokken op de oecumene. Met de eerste gemeente volhardt de kerk in het onderwijs van de apostelen. De formulering is ontleend aan de geloofsbelijdenis van Nicea met uitleg van ‘katholieke’ in ‘algemene christelijke Kerk’. De kerk mag weten dat zij katholiek is; op geen enkele wijze versmald tot een segment, maar deelhebbend aan het ene lichaam van Christus.

‘Kerk’ wordt in de kerkorde met een hoofdletter geschreven als de Kerk van Christus, de ‘una sancta’ wordt bedoeld. Als naar de Protestantse Kerk in Nederland wordt verwezen, wordt 'kerk' met een kleine letter geschreven, behalve wanneer de eigennaam wordt gebruikt.

... delend in de aan Israël geschonken verwachting ...

De kerk hangt aan twee draden, broos en kwetsbaar. Het belijden staat gespannen tussen afkomst en toekomst. De kerk wordt gekwalificeerd als een gemeenschap die, delend in de aan Israël geschonken verwachting, zich uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God. Daar ligt haar grens en eindigt haar gestalte. In deze verwachting leeft de kerk niet alleen, maar deelt zij in de verwachting van Israël. Dit geworteld zijn in Israël is beslissend voor haar identiteit. Hierdoor weet zij niet samen te vallen met het Koninkrijk van God. Zij ziet naar de komst

|19|

van het Koninkrijk Gods uit samen met Israël. De kerk is in beweging met het oog op de laatste dingen. Alleen in die verwachting kunnen wij kerk zijn. De naam Israël duidt op het Israël dat wij ontmoeten in de Heilige Schrift en van daaruit in de geschiedenis tot op vandaag. Daar liggen de wortels van het geloof van de Kerk. Dit uitgangspunt is van zo groot belang dat het in het lid over de naam is opgenomen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.2

1.1.2 Levend uit Gods genade

Levend uit Gods genade in Jezus Christus vervult de kerk de opdracht van haar Heer om het Woord te horen en te verkondigen (art. I-2).

Art. I-2 is een sterk preambulaire opening. Genade is wat God ons in Christus geeft. Daarvan leeft de kerk. Broos en kwetsbaar als zij is, heeft zij geen bestaan in zichzelf en kan geen eigen program aanbieden. Gods genade gaat aan alles vooraf. Alleen in deze stroom kan de kerk het Woord horen en verkondigen. Het leven hangt aan het toegesproken worden en daaraan beantwoordt het horen. Het horen van het Woord is het fundamenteel grondleggend uitgangspunt voor ons weten, vertrouwen en handelen. Dit Woord draagt de kerk. Zij staat onder het beslag van het Woord en wordt eraan gemeten. De kerk is schepping van het Woord. Dat haar steeds weer het oor gewekt wordt voor het Woord, is genade. Dit Woord vol van de Geest, vol daadkracht, geschiedt in ons midden en wekt op tot horen en verkondigen. Zoals aan horen het doen beantwoordt, roept de verkondiging de dienst op.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.3

1.1.3 Gods toewending

Betrokken in Gods toewending tot de wereld, belijdt de kerk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest (art. I-3).

In zijn genade wendt God zich tot de wereld; in liefde keert Hij zich tot de schepping. Hij doet zijn aangezicht lichten, zodat wij Hem kunnen leren kennen. De verkondiging van Gods toewending is heil voor mensen. De betuiging van Gods beloften en geboden is gegrond in zijn toewending. Mens en wereld mogen daarin delen. In deze toewending wordt de kerk betrokken om haar een speciale plaats en specifieke opdracht te geven. Op het horen van de toewending van God tot ons antwoordt de kerk door zich toe te wenden tot Hem. De belijdenis van de kerk is opgenomen in de beweging die van God uitgaat naar de wereld toe.

Het horen van Gods betrokkenheid op de wereld brengt de kerk tot belijden in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift. In zijn toewending wil God de kerk in dienst nemen met het oog op het Rijk dat komt. Vele malen heeft Hij op vele

|20|

wijzen door Mozes en de profeten gesproken en ten volle heeft Hij zijn toewending geopenbaard in Jezus Christus. Daarvan getuigt de Heilige Schrift, die de enige bron en norm is van de kerkelijke verkondiging en dienst. De Schrift zegt ons wat er te spreken valt en te doen staat. Bron en norm, zegt de kerkorde, want wat opwelt uit de Schrift is niet vrijblijvend, maar stelt de hoorder onder een verplichting: ‘Doe dit en gij zult leven.’ Het gaat daarbij om het belijden van de drie-enige God, die zich in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest steeds dieper toewendt.

 

Verkondiging en dienst verwoorden de brede, onuitputtelijke taak van de kerk die is opgenomen in de toewending van God. Apostolaat en diaconaat wortelen in de toewending van God en zijn nauw verbonden met het belijden van de kerk. Het derde lid van art. I is opmaat naar lid 4. De Heilige Schrift gaat vooraf aan het belijden en staat boven elk belijdenisgeschrift. Zij is de eerste bron en uiteindelijke norm voor het belijden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.4

1.1.4 Het belijden

Het belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht, zoals die is verwoord
in de Apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius — waardoor de kerk zich verbonden weet met de algemene christelijke Kerk —,
in de Onveranderde Augsburgse confessie en de catechismus van Luther — waardoor de kerk zich verbonden weet met de lutherse traditie —,
in de catechismus van Heidelberg, de catechismus van Genève en de Nederlandse geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels — waardoor de kerk zich verbonden weet met de gereformeerde traditie (art. I-4)
.

Na het Woord dat God in zijn toewending tot de wereld spreekt, kan het over het belijden van de kerk gaan. We horen de Schrift die getuigt van Jezus Christus. Dat is de grond waarin alle belijden wortelt. Het belijden is verwoord in verschillende perioden van de geschiedenis. Er waren kritieke momenten in de geschiedenis van de kerk, die vroegen om verantwoording; een situatie die vroeg om rekenschap (een ‘status confessionis’). Daarom hebben alle belijdenisgeschriften hun eigen verhaal. Zij nodigen latere geslachten uit in te stemmen. Het belijden van de kerk is traditievormend. Deze traditie is bepalend voor de weg die de kerk heeft afgelegd. Historisch gezien gaan de belijdenissen van het voorgeslacht mee om de continuïteit in de traditie aan te geven. Deze geschiedenis vormt de bedding waarin bij de spanning tussen traditie en vernieuwing het gesprek wordt gevoerd. De Geest heeft de kerk in crisismomenten tot spreken gebracht en latere generaties zijn ermee gediend deze achtergrond in het beraad te

|21|

betrekken. Levend in de kerk worden we uitgenodigd om in deze oude formuleringen het gemeenschappelijk geloof te herkennen.

Deze houding tegenover de belijdenisgeschriften verwoordt de kerkorde met de zinsnede ‘in gemeenschap met’. Wij staan in de traditie die geprofileerd is door de belijdenissen, maar leven in deze tijd. Iedere generatie staat voor de vraag van continuïteit en discontinuïteit ten aanzien van de traditie. Er worden op het aambeeld van de traditie nu eenmaal geen principes gesmeed die vrijwaren van roest. Met de term ‘in gemeenschap met’ wordt een zijnswijze aangegeven, een existentiële band met het beleefde geloof achter de woorden. De kennis over wat het voorgeslacht ten diepste bewoog in hun context, geeft richting aan het zoeken naar antwoorden op vragen die nu gesteld worden. De kerk herkent in deze geschriften het geloof in de drie-enige God en weet zich daarmee wezenlijk verbonden.

Drie geledingen

De kerkorde wijst voor de gemeenschap met het voorgeslacht op drie geledingen. Voor de verbondenheid met de algemene christelijke Kerk worden drie geschriften genoemd die uit de tijd van de concilies als ‘oecumenische symbolen’ zijn overgeleverd: de Apostolische geloofsbelijdenis (het Apostolicum), de geloofsbelijdenis van Nicea (het Credo) en de geloofsbelijdenis van Athanasius. In deze confessies werd de eenheid omtrent de drie-eenheid, de twee naturen van Christus en het werk van de Heilige Geest gevonden. Ten aanzien van deze geloofsgeheimen werd de Schrift samengevat om de prediking te onderbouwen en te stimuleren. Tot op deze dag erkennen we het gemeenschapstichtende karakter van dit spreken.

De geschiedenis ging voort en er kwamen nieuwe tijden met nieuwe vragen. Er ontstonden tientallen belijdenisgeschriften die de geestelijke identiteit wilden vastleggen. Enkele daarvan worden door hun grote Schriftnabijheid en vertolking als richtinggevend aanvaard. Overeenkomstig de ontwikkeling van de reformatie komen ze tot ons vanuit de lutherse en gereformeerde traditie.

Vanuit de stroom die onder invloed van Luther ontstond, wordt in de eerste plaats de Augsburgse confessie genoemd. De Confessio Augustana verklaarde voor de keizer hoe bij de lutheranen werd geleerd en bijbel gelezen. De Augsburgse confessie bevat 28 artikelen over het geloof en het leven van de kerk der eeuwen. Er wordt ook onderscheiden in zaken waarover men het met de rooms-katholieken eens was en oneens. Melanchton, een vriend en medewerker van Luther, heeft de eerste versie, die hij in 1530 samenstelde, tien jaar later gewijzigd ten dienste van het gesprek met de calvinisten. Beide bewegingen van de reformatie waren toen echter te zeer verzelfstandigd om nog op een lijn te komen. De lutherse gemeenten in de Nederlandse gewesten hielden zich aan de oorspronkelijke uitgave: de Onveranderde Augsburgse confessie. Daarnaast heeft de catechismus van Luther (1529) als leerboek grote betekenis gekregen. Aan de orde komen daarin de

|22|

Tien Geboden, de Apostolische geloofsbelijdenis, het Onze Vader, de sacramenten en de biecht. Op de weg die de Protestantse Kerk in Nederland gaat, weet zij zich door dit belijden verbonden met de lutherse traditie.

De verbondenheid met de gereformeerde traditie krijgt inhoud door de opname van vier belijdenisgeschriften. De catechismus van Heidelberg (1563) behandelt in dialoogvorm de geloofsleer. In drie hoofddelen van ellende, verlossing en dankbaarheid wordt deze in een praktische en persoonlijke stijl verdeeld over 52 zondagen. Inzet en basis is Jezus Christus als enige troost in leven en sterven.

Door het noemen van de catechismus van Genève, de oudste van de gereformeerde belijdenisgeschriften, wordt de bijzondere plaats van de Waalse gemeenten tot uitdrukking gebracht. Ook dit leerboek over het geloof, het gebod en het gebed gebruikt de vraag-en-antwoordvorm. De tekst is in 1541 door Calvijn geschreven en heeft invloed uitgeoefend op de Heidelbergse Catechismus.

De Nederlandse geloofsbelijdenis is uit de nood geboren. In de nacht van 1 op 2 november 1561 werd zij met een begeleidend schrijven aan koning Philips II over de muur van het kasteel van Doornik gegooid. Men neemt aan dat Guido de Brés, die daar predikant was, de schrijver is. In 37 artikelen wordt verantwoording afgelegd van de manier waarop de gereformeerden geloven. De artikelen willen duidelijk maken dat er geen reden is de gereformeerden te vervolgen. De belijdenis handelt over God, de schepping, het werk van Christus, de kerk, de sacramenten en de overheid. De kern zit in de vergeving, die voor alle gelovigen de toegang tot God opent.

De Dordtse leerregels geven een nadere verklaring van wat in de Nederlandse geloofsbelijdenis wordt beleden over de verkiezing. Het geschrift staat in de context van de strijd tussen de remonstranten en de contraremonstranten en werd vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht (1618/1619). Het accent ligt op het gered worden door genade en niet door prestatie. God heeft ons in zijn eeuwige liefde en grondeloze barmhartigheid gekozen. De grond van het heil ligt niet in de gelovige mens, maar in de vrije genade van God.

Het belijden behoort tot de levende traditie van de kerk. De belijdenisgeschriften dragen het stempel van de tijd waarin zij zijn ontstaan. Verdediging en verantwoording staan op de voorgrond. Dat gebeurt in een bepaald taal veld en denkkader. Wanneer de betekenis hiertoe beperkt was, zouden deze geschriften een plaats kunnen krijgen in de kerkhistorische bibliotheek. De belijdenisgeschriften vormen echter een wezenlijke schakel in de geschiedenis van onze kerk en markeren de weg waarop wij ons bewegen. Op verschillende momenten in de gemeenschappelijke geschiedenis van onze tradities zijn de woorden van de Schrift tot klinken gebracht. Wij voeren onze gesprekken tegen deze achtergrond in verbondenheid met de reformatorische traditie. Dit gesprek kan worden gevoerd, omdat geen enkel geschrift de pretentie voert de Heilige Schrift eens en vooral op noemer te hebben gebracht.

|23|

De kerk erkent de betekenis van de theologische verklaring van Barmen voor het belijden in het heden. De kerk erkent met de Konkordie van Leuenberg dat de lutherse en gereformeerde tradities door een gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie bijeenkomen (art. I-5).

De verklaring van Barmen en de Konkordie van Leuenberg zijn van een andere orde dan de klassieke belijdenisgeschriften en staan derhalve vermeld in een apart lid. Na het Woord volgen de belijdenissen van de oude kerk, dan worden de belijdenisgeschriften uit de lutherse en gereformeerde traditie genoemd en vervolgens twee meer eigentijdse documenten. Lid 5 plaatst deze documenten in twee zelfstandige zinnen om het verschil in karakter uit te laten komen. Beide geschriften zijn totstandgekomen door de inzet van gereformeerden en lutheranen. Zo geeft dit lid uitdrukking aan de consensus die de mogelijkheid tot het samengaan van de lutherse en gereformeerde tradities aangeeft.

De kerk erkent de betekenis van de theologische verklaring van Barmen in het heden. Deze verklaring laat zien hoe de kerk weert wat haar belijden weerspreekt. Toen Hitler in 1933 de macht in Duitsland overnam, wilde hij de principes van ras, bloed en bodem in de leiding en prediking van de kerk laten infiltreren. In 1934 werd in Barmen een synode van belijdende christenen uit de gereformeerde, lutherse en verenigde kerken belegd. Op deze bijeenkomst werden de Barmer Thesen aanvaard. In zes stellingen wordt getuigd van Jezus Christus als Heer over de machten. Een belijdende kerk kent geen andere bron voor de verkondiging van de verlossing dan de bevrijdende genade van God, heilbrengend verschenen in Christus. Deze plaats kan door geen mens, staat of ideologie worden overgenomen. Voor het belijden in het heden is deze verklaring uiterst actueel. In een multireligieuze cultuur kan de kerk het belijden van Christus als de weg, de waarheid en het leven niet relativeren naar allerlei vormen van religiositeit en tegenover steeds weer opkomend neonazisme, racisme en antisemitisme zal de kerk Christus als Heer op alle terreinen van het leven belijden.

 

Het samengaan van twee reformatorische tradities roept de vraag op hoe beide met elkaar in verband gebracht kunnen worden. In de zestiende eeuw gingen immers niet alleen Rome en reformatie uiteen, maar gingen ook lutheranen en calvinisten gescheiden wegen. Hoe kunnen deze samenvloeien in een bedding? In de twintigste eeuw kwam de oecumenische beweging op gang. Een van de resultaten waren de leergesprekken tussen lutheranen en calvinisten. Deze gesprekken leidden in 1973 tot de Konkordie van Leuenberg, zo genoemd naar een plaatsje in Zwitserland waar deze overeenkomst totstandkwam. De twee hoofdstromen van de protestantse kerken verklaren daarin dat wat hen bindt voldoende is om elkaar te erkennen, dat de verschillen in de belijdenis niet meer kerkscheidend zijn en dat de wederzijdse veroordelingen niet meer van toepassing zijn. De spanningen in de tradities behoeven niet ontkend te worden, maar hebben geen

|24|

kerkscheidende betekenis. De verklaring bespreekt het gemeenschappelijk verstaan van het evangelie, de boodschap van de rechtvaardiging, de christologie, verkondiging, doop, avondmaal, verkiezing, getuigenis en dienst. In Nederland werd deze verklaring ondertekend door de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden en de Remonstrantse Broederschap. De Verklaring van Overeenstemming uit 1984 sluit nauw aan bij de Konkordie van Leuenberg in de keuze van de rechtvaardiging van de zondaar als uitgangspunt. Daarmee werd ook voor de twintigste eeuw de actualiteit van het reformatorisch belijden inzake de rechtvaardiging en de heiliging onderstreept. Zo opende de Europese overeenkomst in ons land de mogelijkheid dat de Evangelisch-Lutherse Kerk ging participeren in het Samen op Weg-proces. De kerkorde laat dit gelden door de belijdenisgeschriften uit de beide tradities in lid 4 gezamenlijk te noemen. Dit is mogelijk op basis van de erkenning van de Konkordie van Leuenberg, dat het gemeenschappelijk verstaan van het evangelie zwaarder weegt dan de verschillen die in de zestiende en zeventiende eeuw aanleiding gaven tot controversen tussen lutheranen en gereformeerden.

De Nederlandse Hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden waren trouwens al eerder (in 1956) in hun ‘consensus over het avondmaal’ tot deze conclusie gekomen.

De Konkordie van Leuenberg is geen belijdenisgeschrift, maar een verwoording van wat gezamenlijk vanuit de belijdenissen op basis van het gemeenschappelijk verstaan van het evangelie gezegd kan worden. De kerk erkent met de Konkordie dat de tradities bijeenkomen en de afstand overwonnen is. In lid 4 worden de lutherse en gereformeerde belijdenissen apart vermeld, zodat het mogelijk is voor gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland zich bijzonder verbonden te weten met een van de beide tradities (ord. 1-1), maar zij gelden als belijdenis voor heel de kerk.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.5

1.1.5 Actueel belijden

De kerk belijdt telkens opnieuw in haar vieren, spreken en handelen Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld en roept daarmee op tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat. De kerk getuigt voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden en zoekt daarbij de samenspraak met andere kerken (art. I-6).

Op de lijn tussen de achterliggende tradities en de toekomst van het Koninkrijk van God belijdt de kerk telkens opnieuw. Als gemeenschap door de tijden heen leeft de kerk in deze tijd en wordt zij op de actualiteit gebonden. De lutherse en gereformeerde reformatie heeft diepe sporen getrokken in de ontwikkeling van de Europese cultuur. Met deze erfenis en de verwachting van Gods toekomst

|25|

verhoudt de kerk zich tot de samenleving. De context is in de loop van de tijd radicaal gewijzigd, maar het leven in een multireligieuze cultuur degradeert het belijden niet tot een van de vele uitwisselbare levensbeschouwingen. Als teken van Gods genadige toewending is er in onze samenleving de kerk. In haar vieren, spreken en handelen belijdt zij Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld.

Het spreken en handelen als benaming van wat er in de kerk gebeurt, is expressie van het leven in de omgang met God en als zodanig belijdend. Daarom gaat het vieren voorop, want het belijden staat niet los van de eredienst en de huisdienst. In kyrie en gloria, in missionair appèl en profetisch getuigenis, in priesterlijk gebed en diaconale daad heeft de kerk der eeuwen vaak meer zeggingskracht gehad dan in een geschrift kan worden verwoord. Met dit belijden wordt opgeroepen tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat. De term ‘vernieuwing’ herinnert aan nieuwtestamentische noties als de nieuwe mens, de vernieuwing in het denken en het nieuwe leven. Het begrip is zowel van toepassing op de persoon als op de gemeenschap. Juist om deze beide samen te houden, is voor het woord ‘vernieuwing’ gekozen. In deze zinsnede worden apostolaat en belijden op elkaar betrokken.

De kerk leeft te midden van mensen, machten en overheden. Het geloof dat God leven en liefde, recht en vrede is en wil, brengt de kerk tot het getuigenis dat zijn beloften en geboden de oriëntatie geven voor ons bezig zijn in de samenleving. In de actualisering van haar getuigenis zoekt zij daarbij de samenspraak met andere kerken. Het getuigenis heeft immers niet van doen met pretentie, maar met dienst. Wanneer de kerk het nodig acht een speciale oproep te doen uitgaan met het oog op bepaalde ontwikkelingen of gebeurtenissen, zoekt zij overleg met andere kerken. Het horen naar God en naar signalen uit de samenleving stelt ons onder de tucht van de oecumene om inzake het getuigenis naar elkaar te luisteren en zo mogelijk overeen te stemmen. Een getuigenis kan vorm krijgen op plaatselijk, regionaal, landelijk en internationaal niveau.

De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël. Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap zoekt zij het gesprek met Israël inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende de komst van het Koninkrijk van God (art. I-7).

In art. I-1 is aangegeven dat de kerk haar identiteit niet kan definiëren zonder Israël. Zij is immers als een wilde tak geënt op de stam Israël. Als kerk uit de volken kunnen wij zonder de aan Israël geschonken verwachting niet spreken van toekomst. Met het volk van Gods roeping mag de kerk weten van Gods onopgeefbare toewending tot de wereld. Voor de kerk die eeuwenlang Israël zag staan in de schaduw van de verwerping en daaraan heeft bijgedragen, houdt het uitspreken van verbondenheid een belijdenis in. Dit heeft van doen met de concrete situatie van dit volk te midden van de volken, maar ook met de ervaring die

|26|

Israël heeft opgedaan aan de kerk. De kerkorde plaatst de bijzondere verhouding tot Israël vóór de opdracht van het getuigenis tot alle volken. Tegenover Israël gaat het immers om een roeping: de blijvende opdracht gestalte te geven aan de onopgeefbare verbondenheid.

In lid 7 wordt niet exact aangegeven wat met het volk Israël wordt bedoeld. Het gaat in deze formulering om Israël zoals het zichzelf verstaat. Duidelijk is dat dit volk niet samenvalt met de staat, maar er ook niet van kan worden losgemaakt. Bovendien gaat het niet alleen over de joden die in de staat of daar buiten wonen, maar evenzeer om het Israël van de Schrift en de traditie. De veelkleurigheid van het volk dat wij uit de bijbel kennen en van het tegenwoordige jodendom klinkt er in mee.

Er kan geen andere weg zijn dan dat de onopgeefbare verbondenheid met Israël van de God die de kerk in Christus heeft leren kennen, leidt tot onopgeefbare verbondenheid van de kerk met dit volk. Dat impliceert geen kritiekloze goedkeuring van een kabinetsbeleid, maar verplicht ons onder de koepel van Gods trouw tot kritische solidariteit. De onopgeefbare verbondenheid en het zoeken van het gesprek gaan samen op.

De kerk zoekt het gesprek als Christus-belijdende geloofsgemeenschap. De Christus-belijdenis vormt de motivatie tot het zoeken van het gesprek. Met deze belijdenis geeft de kerk aan waar haar verbondenheid met Israël op berust en wat zij in dit gesprek op het hart draagt. Het is niet de bedoeling dat de kerk alleen de agenda bepaalt. Een gesprek veronderstelt wederkerigheid. De kerk dient zorgvuldig te luisteren naar wat Israël in het gesprek wil inbrengen. Van de zijde van de kerk ligt er het verlangen te spreken over het verstaan van de Heilige Schrift. In de kerkorde wordt met de Heilige Schrift steeds de eenheid van beide testamenten bedoeld. Het ligt voor de hand dat in het gesprek het verstaan ter sprake komt. In het bijzonder betreft dit de komst van het Koninkrijk van God. Dit thema werd al genoemd in art. I-1. De kerk deelt in de aan Israël geschonken verwachting. Gewekt door de belofte worden we samen als pelgrims op de weg naar Gods Koninkrijk gezet. De vraag hoe deze verwachting ons leven richt, zal indringend aan de kerk worden voorgelegd. De geschiedenis van Europa heeft Israël weinig reden gegeven om te kunnen geloven dat in Christus het Koninkrijk van God naderbij gekomen is. Voor het gesprek neemt de kerkorde het uitgangspunt in wat de Schrift zegt over de komst van het Koninkrijk van God. De verwachting wordt op verschillende manieren ingevuld. Het gesprek over hoe de hoop in deze wereld volgehouden kan worden door het geloof in de komst van het Koninkrijk van God hebben we echter gemeenschappelijk.

Gezonden in de wereld en geroepen tot de bediening van de verzoening, getuigt de kerk in verkondiging en dienst aan alle mensen en aan alle volken van het heil in Jezus Christus (art. I-8).

|27|

Na het lid over Israël gaat de kerkorde naar de volken. De toewending van God lol de wereld betrekt de kerk in Gods heilsbedoeling met de wereld. Het belijden iaat in een apostolaire beweging, waarin de kerk in dienst wordt genomen met hel oog op het Koninkrijk van God. De kerk komt voort uit zending en gaat voort door zending. De verkondiging van de kerk betuigt het heil in Christus en het hart daarvan is de bediening van de verzoening. De beweging van de Geest bewerkt eenheid tussen horen en verkondigen, tussen verkondiging en dienst en brengt de getuigen tot de verste landen van de wereld. Mensen en volken worden betrokken bij het heil in Christus. Het getuigenis krijgt gestalte in verkondiging en dienst, in zending en diaconaat. Hierbij is gedacht aan de eenheid van binnen- en buitenland. Het gaat hier niet om eenrichtingsverkeer, maar om wederzijdse betrekkingen. Een nadere uitwerking daarvan geven ord. 8 en 14.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.6

1.1.6 Bewegen in de weg van het belijden

De kerk is bij haar getuigenis in woord en daad gehouden om zich te bewegen in de weg van haar belijden (art. I-9).

Art. I buigt in dit lid terug naar het belijden. Het belijden is te zien als een weg lussen verleden en toekomst, tussen traditie en voortgang. Leven is altijd in beweging zijn. Er is ons het nodige meegegeven voor onderweg. Niet om te verklaren dat onze zekerheden berusten op tijdloze waarheden, maar om drinkend uit dezelfde bron van Gods trouw koers te houden. Gedragen door het voorgeslacht geven we door aan het nageslacht. We bewegen ons in de weg van het belijden: zoekend, vragend, horend. Want we weten hoe stuurloos we kunnen worden wanneer er geen richting gewezen wordt. En dat wil het belijden: ons met het getuigenis in woord en daad gidsen over de markt van geloofsvoorstellingen en wereldbeschouwingen.

De kerk en al haar leden zijn geroepen het belijden te toetsen bij het licht van de Heilige Schrift (art. I-10)

Het belijden van de kerk mag niet degraderen tot een museumstuk dat we als een vergeeld document bewaren. Wanneer wij ons in woord en daad bewegen in de weg van het belijden, kunnen er vragen ten aanzien van het belijden opkomen. De kerkorde opent de mogelijkheid het belijden kritisch tegen het licht van de Heilige Schrift te houden. Het Woord van God staat boven het belijden en als bron en norm verhindert het dat de belijdenisgeschriften verabsoluteerd worden. Alle leden zijn geroepen de intentie van het belijden te toetsen, maar omdat het heel de kerk raakt, gaan we er niet individualistisch mee om. De procedurele uitwerking voor het indienen van een gravamen (een bezwaar inzake het belijden) is te vinden in ord. 1-5.

|28|

De kerk weert wat haar belijden weerspreekt (art. I-11)

Art. I eindigt met enkele krachtige zinnen. Op de kruispunten van evangelie en cultuur zal de kerk getuigend weren wat haar belijden weerspreekt. De disciplinaire grens wordt hier eenvoudig en kort gesteld. In de eerste plaats zal de kerk zichzelf kritisch onder de loep hebben te nemen. Bewegen wij ons op de weg van hen die christen genoemd worden? Hoe ligt de relatie tot wat in het voorgaande van dit eerste artikel beleden wordt? Daarbij mag de confrontatie met meningen binnen de kerk of die van buiten op haar afkomen, niet uit de weg worden gegaan. Zoals het lichaam weert wat slecht is, weert de kerk wat haar wegtrekt uit de verbondenheid met Christus. Een lichaam kan veel verdragen, maar niet alles. De verdraagzaamheid heeft een grens waar de essentie van het belijden weersproken wordt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.1.7

1.1.7 Continuïteit

De Protestantse Kerk in Nederland is de voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (art. II-1).

Pas in art. II worden de kerken die zijn verenigd in de Protestantse Kerk in Nederland genoemd. Wanneer na lezing van art. I meerdere kerkgemeenschappen zich in deze weg van het belijden willen voegen en te kennen zouden geven te willen behoren tot de Protestantse Kerk in Nederland is het mogelijk tot vereniging te komen. Na lezing van art. I is immers duidelijk in welke traditie deze kerk staat en voort wil gaan. Zij verstaat zichzelf als voortzetting van de kerk van de reformatie. De continuïteit van de reformatie schuilt in wat gezegd wordt over de grond van de kerk in Gods openbaring. In beweging door de tijd heen is de Protestantse Kerk in Nederland verbonden met het voorgeslacht. Zij is geen nieuwe kerk, maar staat geplant in de grond van de confessie en is geworteld in een geschiedenis die het drie kerken mogelijk maakt samen verder te groeien. De reformatie is nooit bedoeld als een voltooide zaak. Steeds opnieuw is er de roeping te hervormen. In elke tijd wordt de kerk gevraagd de continuïteit met het evangelie van Jezus Christus in verkondiging en dienst aan te geven. Er is een voortgaande en doorgaande lijn in belijdenis en geschiedenis. De Protestantse Kerk in Nederland is de voortzetting van de in haar verenigde kerken met hun erfgoed. Dat impliceert confessionele integriteit en historische continuïteit. Drie kerken vervolgen hun weg, elk samen met de beide andere kerkgemeenschappen. Zij schrijven hun geschiedenis niet af, maar schrijven die gemeenschappelijk verder. Er is bij de vereniging geen kerk opgeheven, maar drie stromen vloeien samen in een bedding. In juridische zin is de Protestantse Kerk in Nederland de rechtsopvolger van de drie andere kerken. Met de vereniging van de drie kerken

|29|

en deze gemeenschappelijke kerkorde is het proces van Samen op Weg afgerond.

De Protestantse Kerk in Nederland bestaat uit al de gemeenten, te weten de protestantse gemeenten, de hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten (art. II-2).

De aard van het Samen op Weg-proces, zoals dat voorafging aan de vereniging, bracht een ongelijktijdige ontwikkeling met zich mee. Het besluit van de synoden, dat het proces gezien moest worden als een groeimodel dat vanaf het grondvlak moest doorwerken, had tot gevolg dat er samenwerkende gemeenten kwamen, maar ook gemeenten die geen toenadering zochten. Deze beleidsvisie met het accent op het plaatselijk vlak heeft doorgewerkt in de formulering van ‘de staat van hereniging’ uit 1986. Toen is vastgesteld dat deze geen verplichting tot vormen van federatieve samenwerking zou inhouden, wanneer gemeenten niet tot overeenstemming konden komen inzake beleid en belijden. Dit leidde tot de opgave wegen te zoeken die recht doen aan gemeenten die in het Samen op Wegproces alles samen doen en gemeenten die geen enkele vorm van samenwerking kennen. De eerste vertaling daarvan in de kerkorde is de formulering van vier soorten gemeenten in art. II-2. Op deze keuze voor het groeimodel ter plaatse wordt hier niet teruggekomen. Er zullen hervormde gemeenten, gereformeerde kerken en evangelisch-lutherse gemeenten blijven. Voor de vorming van protestantse gemeenten ziet men ord. 2-12 en voor de bijzondere verbondenheid met een van de traditiestromen ord. 1-1.

Dit lid geeft de eenheid van de kerk en de gemeenten aan. De kerk bestaat uit al de gemeenten. Kerk en gemeente bestaan niet zonder elkaar. Er is geen onderscheid in ‘hoger’ of ‘lager’. De kerk is geen overkoepelend orgaan en de gemeenten zijn geen onderafdeling van de kerk. Beide zijn volledige gestalten van kerk-zijn en hebben een eigen verantwoordelijkheid. De landelijke verschijningsvorm heet 'kerk' en de plaatselijke 'gemeente'. Er bestaat tussen de kerk en de gemeenten een voortdurende beweging en betrokkenheid. Over de kerk kan niet worden gesproken zonder de gemeenten en de gemeente kan niet worden geïsoleerd van de bredere verbanden. De kerk realiseert zich in de gemeenten waar mensen rond Woord en sacramenten vergaderd worden en de gemeenten zijn door de kerk verbonden met de apostolische en katholieke kerk.

Alle gemeenten behoren tot de Protestantse Kerk in Nederland. Om dit exact te verwoorden, heeft men de woorden ‘bestaat uit’ gebezigd. Daarmee wordt uitgedrukt hoe de verhouding van kerk en gemeenten wordt gezien. De kerk belichaamt de eenheid van de gemeenten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.2

|30|

1.2 Dienst

Om aan te geven waar de kerk voor leeft en wat haar opdracht is, komen nu de artikelen III, IV, V en VI aan de orde. In deze artikelen over de gemeente en het ambt staat de dienst centraal. In de gemeente worden wij van Godswege aangesproken. Zijn Woord is zichtbaar geworden in Jezus Christus, die gekomen is om te dienen. Men laat Christus dienen door naar Hem te horen. Het Woord dat vol is van de Geest vormt hoorders tot dienst in woord en daad en gemeenschap.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.2.1

1.2.1 De gemeenten

Vanwege Gods genade
en krachtens zijn verbond
worden gemeenten vergaderd
rondom Woord en sacramenten (art. III-1)
.

De beweging gaat nu van de kerk naar de gemeenten. Het wezen van de gemeente ten opzichte van de kerk moet worden aangegeven. De kerk wordt zichtbaar in de gemeenten. Als we spreken over de kerk (art. I) spreken we over de gemeenten (art. II) en gaan we vervolgens naar de leden van de gemeenten (art. III en IV). Zoals in art. I-2 Gods genade voorafgaat aan de kerk, gaat deze in art. III-1 ook vooraf aan de gemeente. In art. I-2 ligt het accent op Gods genade die eenzijdig tot ons komt en in art. III komt het tweezijdige van het verbond dat in de genade wortelt meer naar voren.

Het initiatief tot het bijeenbrengen van de gemeente ligt bij God en Hij doet dit uit genade. Hij gaat hiermee in zijn trouw nog steeds voort. De woorden ‘krachtens zijn verbond’ brengen tot uitdrukking dat het bestaan en voortduren van de gemeente hangt aan God en zijn trouw tot in eeuwigheid. De grond voor de gemeentevorming ligt in het vergaderd worden rond Woord en sacramenten. De gemeente is geen vereniging die op basis van een gemeenschappelijke religieuze gezindheid bijeenkomt, maar zij wordt vergaderd. Het principe voor de gemeentevorming is de nauwe samenhang van het Woord dat roept om de tekenen, en de sacramenten die als teken en zegel van Gods trouwbeloften niet kunnen zonder het Woord.

De kerkorde zet in met een theologische omschrijving van de gemeente. Deze omschrijving laat de verscheidenheid aan gemeenten onder art. II onverlet en houdt nieuwe mogelijkheden open. Naast geografisch bepaalde gemeenten voorzien de ordinanties in andere vormen van gemeente-zijn.

Tot een gemeente
— en daarmee tot de Protestantse Kerk in Nederland —
behoren zij van wie de inlijving in de gemeenschap van de Kerk

|31|

is bekrachtigd door de heilige doop
en die als zodanig zijn ingeschreven als lid van de gemeente (art. III-2)
.

Nu is gezegd waardoor een gemeente er is, moet worden gezegd waardoor men tot een gemeente behoort. Wanneer de gemeente wordt vergaderd rondom Woord en sacramenten kan worden verstaan, dat men door de doop tot de gemeente behoort en daarmee tot de Protestantse Kerk in Nederland. Met de kerk van de reformatie en met de oecumene beschouwt de kerk de doop als bepalend voor het lidmaatschap van de kerk. Door de doop wordt een mens opgenomen in de apostolische en katholieke kerk en door registratie wordt men ondergebracht in de plaatselijke gemeente. De gemeente is Gods werk en men komt haar tegen in wie gedoopt zijn. Praktisch betekent dit dat gedoopten worden ingeschreven. Zo wordt men zichtbaar ingevoegd onder de geslachten die in het verbond zijn opgenomen. Het aanwijsbaar zijn van de leden is een geestelijke zaak. Inschrijving in een register is nodig om als lid van de kerk en de gemeente kenbaar te zijn. Omdat de kerk geen verband van losse gemeenten is, wordt er van de leden van alle gemeenten een register bijgehouden. Voor de Gereformeerde Kerken in Nederland is dit nieuw, maar wel van belang met het oog op het vervallen van het attestatiesysteem.

Zij die de doop ontvangen,
worden geroepen tot belijden van Jezus Christus
en tot verantwoordelijkheid in de gemeente (art. III-3)
.

Aan het uitgangspunt dat de doop bepalend is voor het lidmaatschap van de gemeente wordt toegevoegd dat de doop vraagt om het belijden van Jezus Christus. Hier wordt niet gedoeld op de openbare geloofsbelijdenis — daarover spreekt art. XI-8 — maar aan het verband tussen geloof en doop, dat roept tot een herkenbare levenshouding. Belijden is een voortgaand gebeuren dat begint met de doop. Het krijgt vorm in het gebed, groeit in de kindernevendienst en de catechese, krijgt gestalte in gesprekken en het doen van keuzen. Het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis vormt daarin een moment.

Door de doop is men lid van de gemeente en wordt men geroepen tot verantwoordelijkheid in de gemeente. Dit krijgt vorm in lied en gebed, in woord en daad en in deelname aan activiteiten die door de gemeente worden aangeboden.

Gedachtig aan de trouw van de God van het verbond
rekent de gemeente voorts tot haar gemeenschap
de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden
alsmede degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente (art. III-4)
.

God sluit in zijn genade een verbond en houdt trouw. Dat gaat vooraf aan de

|32|

kerk. De kerk is een dienende gestalte in het genadeverbond. Dat betekent dat de roeping van Godswege op de voorgrond staat. Deze roeping geschiedt door Woord en sacramenten. Zo wordt er gedacht vanuit de kern. Wat het Woord uitwerkt en hoe de Geest waait, kan niet worden gemeten. Daarom kunnen de grenzen van de gemeente niet scherp getrokken worden. Binnen het verbond is men niet gericht op de grenzen, maar op het centrum. Dan kan de gemeente niet worden beperkt tot de leden, maar worden ook de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden tot haar gemeenschap gerekend. Het bekende hervormde begrip ‘geboorteleden’ wordt hier niet gebruikt, omdat zij geen lid van de kerk zijn door de doop en niet als lid van de gemeente staan ingeschreven. Wel worden zij door de gemeenten geregistreerd. Het past in de visie van deze kerkorde op de gemeente om de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente een plaats te geven en in het oog te houden. De kerk is geen gesloten gemeenschap. Het genadeverbond drukt uit hoe Gods trouw verder gaat dan de wel omschreven gemeente. Daarom weet de gemeente zich verbonden met allen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente. Er zal ruimte zijn voor een kring mensen om de gemeente heen, die op een of andere wijze betrokken zijn. De ruime formulering biedt alle gelegenheid deze dienst van de gemeente op passende wijze te realiseren.

De kerk kent doopleden en belijdende leden.
Doopleden, belijdende leden, gastleden, de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden alsmede zij die blijk geven van verbondenheid met de gemeente, worden als zodanig ingeschreven in het register van de gemeente.
De evangelisch-lutherse leden worden bovendien ingeschreven in een register dat bijgehouden wordt door de evangelisch-lutherse synode (art. III-5)
.

Uitgangspunt is dat alle gedoopten lid zijn van de gemeente. Men wordt lid door de doop en beaamt de doop door het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis. Naast de doopleden en belijdende leden worden de gastleden genoemd. Zij zijn voluit lid van een andere kerk. Wil er sprake zijn van bereikbaarheid, dan dienen ook de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden alsmede zij die blijk geven van verbondenheid met de gemeente te worden geregistreerd.

Een extra register is nodig voor de evangelisch-lutherse leden in verband met de samenstelling van de lutherse synode. Deze leden hoeven namelijk niet uitsluitend lid te zijn van een evangelisch-lutherse gemeente, maar kunnen ook lid zijn van een andere gemeente van de kerk. Vanwege het belang van de verschillende registers worden zij apart genoemd. Dit register wordt bijgehouden door de evangelisch-lutherse synode.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.2.2

|33|

1.2.2 Gemeenteopbouw

De gemeente, daartoe begenadigd door de Geest, is geroepen tot de dienst aan het Woord van God
in de prediking van het Evangelie en de viering van doop en avondmaal in de openbare eredienst,
in de dienst van de gebeden,
in de missionaire arbeid,
in het diaconaat,
in de herderlijke zorg,
in de geestelijke vorming en ook in alle andere arbeid
tot opbouw van het lichaam van Christus (art. IV-1)
.

Voordat de artikelen over het ambt en de ambtelijke vergaderingen volgen, spreekt de kerkorde eerst over de gemeente. Men heeft bewust gezocht om in de volgorde de locale gemeente een duidelijke plaats te geven. De kerk bestaat uit gemeenten en gebeurt in gemeenten. De opdracht wordt dan de bestaanwijze van de gemeente te omschrijven.

Wanneer dit lid aangeeft wat de gemeente doet, staat dat in de context van het geroepen zijn. Al wat zij doet, is antwoord en wanneer we vragen hoe dit antwoord gegeven kan worden, wordt erop gewezen dat de gemeente daartoe begenadigd wordt door de Geest. De gemeente kan haar roeping vervullen, omdat de Geest haar bezielt. Hij schenkt de gaven voor de opgaven. De gemeente wordt door de Geest vrijgemaakt tot de dienst aan het Woord van God. Alles wat de gemeente doet, is dienst aan het Woord van God. Het is God die spreekt en daarop wordt geantwoord. Bij de invulling van deze dienst wordt genoemd wat tot hel leven en werken van de gemeente behoort. Het gewicht van elke taak afzonderlijk wordt beklemtoond met ‘in’. De volgorde wijst vooruit naar volgende artikelen. De opsomming is niet uitputtend. Niet alles kan worden genoemd. Er zijn vele leden betrokken bij de gemeente en de verscheidenheid aan activiteiten is groot, maar alles is verenigd in Christus als het hoofd van zijn gemeente. De gemeente is in de plaats waar zij leeft geroepen en gezonden tot opbouw van het lichaam van Christus.

Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft (art. IV-2).

In dit lid komen we bij de leden van de gemeente. Voor er gesproken wordt over het ambt en de ambtelijke vergaderingen, noemt de kerkorde hen om aan te geven hoe mensen in de gemeente gezegend worden om een dienst op zich te nemen. De leden van de gemeente vormen samen een lichaam en allen hebben

|34|

gaven ontvangen voor de vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft. Omdat ieder lid verschillend is, krijgt ieder wat hij nodig heeft. Het charisma geeft de leden een eigen plaats om deel te kunnen nemen aan het leven van de gemeente. In deze verscheidenheid is liefde de norm voor het functioneren van de gaven en de bron voor de vruchten van de Geest. De gaven worden gegeven tot welzijn van allen. Begiftigd zijn met gaven voert dan ook tot overgave aan de gemeenschap. Door één Geest zijn we allen tot één lichaam gedoopt. Zo worden we op een menselijke manier ingeschakeld en kan ieder, zonder overvraagd te worden, meedoen en een plaats vinden. Leden die gaven hebben ontvangen, zijn geroepen en gerechtigd deze te gebruiken. Dit recht wordt uiteraard uitgeoefend binnen het raam van de afspraken die in deze kerkorde zijn vastgesteld op een wijze die past bij de gemeente waartoe men behoort.

De gemeente geeft gehoor aan haar roeping door onder leiding van de kerkenraad de samenhang in haar leven en werken te bevorderen en alles te richten op de lofprijzing van de Naam des Heren en de dienst in de wereld (art. IV-3).

Dit derde lid is het logische vervolg van het vorige lid. Wanneer er vele leden met gaven zijn en de gemeente een lichaam is, moet er sprake zijn van samenhang. Hiermee wordt de gemeenteopbouw gefundeerd. De kerkenraad integreert, coördineert en brengt eenheid aan. De gemeente zelf is het onderwerp van de gemeenteopbouw. Haar taak is ook haar zaak. De kerkenraad geeft de roeping aan en dient het besef waar het nu eigenlijk om gaat, wat het hart van de zaak is, levend te houden. Daarmee is dan tegelijk de stijl van leidinggeven getypeerd. Het ambt is er niet om de roeping van de gelovige over te nemen, maar om die aan te geven. Naast de samenhang is het andere brandpunt in de gemeenteopbouw de doelgerichtheid. Om de richting die de gemeente heeft te gaan in beeld te krijgen, kan men haar vergelijken met een ellips met twee brandpunten: de lofprijzing van de Naam van de Heer en de dienst in de wereld. Begenadigd door de Geest is er liefde tot God en de naaste. Dit plaatst ons voor de vragen in hoeverre de levensstijl van de gemeente daardoor gekenmerkt is en of in het leven en werken van de gemeente herkenbaar is wat in het Koninkrijk van God liefde en vrede en recht is. Is de gemeente een teken van de aanwezigheid van Christus onder de mensen? Hier ligt de grote uitdaging tot vernieuwing van de gemeente om toe te groeien naar Hem die ons Hoofd is.

Uit dit artikel blijkt dat gemeenteopbouw niet gezien wordt als een naar binnen gerichte aandacht. De belofte van de Geest werd gegeven opdat de gemeente als een helende gemeenschap een macht ten goede in de samenleving zou zijn. Missionaire arbeid en diaconale inzet zijn evenmin als pastorale aandacht activiteiten naast gemeenteopbouw, maar behoren wezenlijk tot de kwaliteit van het gemeente-zijn met de eredienst als centrum.

|35|

Door de plaatsing van de artikelen III en IV over de gemeenten voorafgaand aan de artikelen V en VI over het ambt en de ambtelijke vergaderingen wordt duidelijk zichtbaar dat binnen de presbyteriaal-synodale traditie een zwaar accent is gelegd op de gemeente. De gemeente en de gemeenteleden zijn het subject van de gemeenteopbouw. Dit betekent echter niet dat gekozen is voor een congregationalistisch model, waarbij het gemeenteberaad de leiding heeft. In art. IV-3 wordt deze verantwoordelijkheid met zoveel woorden bij de kerkenraad gelegd. De wijze waarop de verhouding van ambt en gemeente in art. V wordt getypeerd en de manier waarop in art. VI de leiding in de kerk wordt verwoord, laat zien dat de Protestantse Kerk in Nederland staat in de presbyteriaal-synodale traditie.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.2.3

1.2.3 Het ambt

Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en Sacrament gegeven.
Met het oog op deze dienst onderscheidt de kerk
het ambt van predikant,
het ambt van ouderling,
het ambt van diaken
alsmede andere diensten in kerk en gemeente (art. V-1)
.

Het ambt is gegeven om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren. Er gaat een Woord door de wereld. God wendt zich tot ons, zodat wij Hem kunnen horen. Het geloof is uit het gehoor. De kerk leeft van het Woord dat haar wordt toegesproken. Dit Woord draagt de kerk en de kerk draagt het ambt. De gemeente wordt vergaderd rondom Woord en sacramenten. Begenadigd door de Geest ontvangt zij gaven tot de opbouw van het lichaam van Christus. In art. V komen de opdracht die Christus aan de gemeente geeft en de gaven die zijn Geest schenkt bij elkaar. Er is sprake van een wisselwerking tussen ambt en gemeente. Het horen en verkondigen van het Woord schept de gemeente. De gemeente gaat vooraf aan het ambt en het ambt heeft de opdracht de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren. De continuïteit van de gemeente ligt in Woord en sacrament en haar identiteit ligt in de eenheid van opdracht en gaven. Het heil moet worden uitgeroepen in de wereld en de rechtvaardiging van de goddeloze aangezegd.

Ambt en charisma dienen bij elkaar gehouden te worden. Over het ambt wordt niet gedacht vanuit de kerk als instituut, zodat het ambt een hiërarchische lijn krijgt, en niet vanuit de gemeente, zodat het ambt een functionele lijn krijgt, maar vanuit de bediening van Woord en sacrament in opdracht van Christus. Hij schenkt de Geest met zijn gaven. Vanuit de gemeente kan een beroep worden gedaan op de leden om hun gaven te gebruiken door in dienst van Christus mee

|36|

leiding te geven aan de gemeente. In deze roeping tot het ambt wordt de gave die door Christus in de Geest geschonken is erkend. Zo krijgen de ambten hun eigen plaats binnen de charismata. Het ambt vormt het gebinte van de kerk en in vergaderingen waarin de ambten bijeen zijn, wordt aan de kerk leidinggegeven. Duidelijk wordt gesteld dat het ambt van Christuswege gegeven is. Het komt niet vanuit de geschiedenis of de geloofsgemeenschap naar ons toe, maar is instrument dat Christus als Hoofd van de kerk geeft. De kern van de zaak waar het om draait, is het Woord van heil voor de wereld, de eigenlijke dienst van de apostelen. In de overlevering van deze apostolische prediking staat het ambt. De kerk heeft zich voortdurend te legitimeren in continuïteit met de apostolische boodschap. Het ambt bedient het Woord naar de gemeente toe en komt door die dienst tegenover de gemeente te staan. Niet een persoon, niet een ambtsdrager, maar het Woord dat door de dienst van het ambt voortgaat, representeert Christus.

Men kan zich dit ambt heel breed voorstellen. De kerkorde noemt het ambt dat van Christuswege gegeven is ‘het openbare ambt van Woord en sacrament’. Deze benaming is ontleend aan de lutherse traditie. Het woord ‘openbaar’ heeft van doen met het algemeen priesterschap van de gelovigen. Door de doop worden gelovigen priesters, die zelf toegang hebben tot God en zijn Woord. Zij kunnen zelf in het gebed tot God gaan en de bijbel lezen. Op grond daarvan valt aan heel de gemeente het openbare ambt toe om het getuigenis door te geven. Later krijgt het begrip ook de betekenis van een openbaar gebeuren. De verkondiging is een publieke zaak, die bestemd is voor de wereld. De lutherse traditie verstaat er tenslotte het bijzondere ambt onder, het openbare ambt van predikant, zichtbaar voor de gemeente en publiek voor de wereld. Wanneer de gemeente na de zegen de straat opgaat, begint haar dienst in de wereld om in woord en daad getuige te zijn. Hier komt de wisselwerking tussen ambt en gemeente terug.

Met het oog op de dienst van het openbare ambt om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren, onderscheidt de kerk het ambt van predikant, het ambt van ouderling, het ambt van diaken, alsmede andere diensten in kerk en gemeente. Op het kruispunt van de beweging van het ene ambt uit de lutherse traditie naar de drie ambten uit de gereformeerde traditie staat het woord ‘dienst’. Deze dienst zal altijd gericht zijn op communicatie, coöperatie en participatie. De ambtelijke dienst van de kerk aan het Woord van God in het openbare ambt waaiert uit in de drie ambten, die elk het karakter van dienst hebben. Het Woord dat de kerk draagt, wil in de breedte van het leven tot gelding gebracht worden. De ambten lopen langs de lijnen van de wezenskenmerken van het gemeente-zijn. De gemeente verwijst in Woord (predikant), gemeenschap (ouderling) en dienst (diaken) naar Christus die haar Hoofd is. Het heil en de roeping liggen in de omgang met God, de gemeenschap met elkaar en de dienst in de wereld. Ook in de onderscheiding worden de ambten in het enkelvoud genoemd; daarmee wordt aangegeven dat het ambt niet wordt gedragen door individuele personen, maar door de kerk.

|37|

Aan het slot van dit lid worden ‘andere diensten in kerk en gemeente’ genoemd. In lid 6 volgt een nadere uitwerking. De andere diensten zijn geen ambten, maar staan ermee in verbinding.

De ambtsdragers zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor de opbouw van de gemeente in de wereld door zorg te dragen voor
de dienst van Woord en sacramenten,
de missionaire, diaconale en pastorale arbeid,
de geestelijke vorming,
het opzicht,
het rentmeesterschap over de vermogensrechtelijke aangelegenheden
en andere arbeid tot opbouw van de gemeenten (art. V-2)
.

Nu de onderscheiding bekend is, wordt voordat deze verder uitgewerkt wordt eerst de gemeenschappelijkheid onderstreept. Dat is een principiële keuze. In de presbyteriaal-synodale vorm van kerkinrichting ligt het accent op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. De ambten zijn gelijkwaardig en hun verantwoordelijkheid ten dienste van het leven en werken van de gemeente krijgt gehalte in gezamenlijkheid. De opsomming van de taken sluit aan bij art. IV-1 en bij de opschriften van de latere artikelen, waarin deze taken nader worden uitgewerkt. Zo wordt duidelijk gemaakt dat de kerkenraad als geheel verantwoordelijkheid draagt voor het geheel.

De predikanten zijn in het bijzonder geroepen tot
de bediening van Woord en sacramenten,
de verkondiging van het Woord in de wereld,
de herderlijke zorg en het opzicht
en het onderricht en de toerusting (art. V-3)
.

Wanneer de gelijkwaardigheid van de ambten gesteld is, komt de vraag op wat naast de gemeenschappelijke taken nu de specifieke taken zijn. Welke differentiatie kan er worden aangebracht? Wanneer elke vorm van hiërarchie wordt afgewezen, is het zaak de integriteit van het eigene zorgvuldig te omschrijven. Er is in het noemen van de drie ambten geen rangorde aangebracht. Er is een volgorde aangehouden overeenkomstig de eerder getrokken lijnen van Woord, gemeenschap en dienst. In korte aanduidingen worden de kenmerken aangegeven om het betreffende ambt te typeren.

De predikanten zijn in het bijzonder geroepen tot de bediening van Woord en sacramenten. De reformatorische traditie gaat uit van de eenheid van Woord en sacrament als ambtelijke handeling die is toevertrouwd aan de bevestigde predikant. In het oecumenisch verkeer blijkt deze eenheid een groot goed. Het apostolair aspect dat steeds meeklinkt in de bediening van Woord en sacramenten

|38|

wordt nu expliciet verwoord als taak. Het missionaire is wezenlijk in de ambtsuitoefening. Het opzicht staat in lid 2 onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, omdat predikant en ouderling niet op persoonlijke titel maatregelen kunnen nemen. Het gemeenschappelijke is essentieel. In lid 3 is het opzicht in samenhang met de herderlijke zorg zowel bij de predikant als bij de ouderling als bijzondere roeping toegevoegd. Het opzicht staat immers in het kader van het pastoraat (zie art. XII). Bij de predikant zijn ook het onderricht en de toerusting opgenomen. Men kan namelijk niet zeggen dat deze taken alleen typisch zijn voor ouderlingen en diakenen.

De ouderlingen zijn in het bijzonder geroepen tot
de zorg voor de gemeente als gemeenschap,
het dragen van medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord en sacramenten,
de herderlijke zorg en het opzicht
en de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en missionaire roeping
en zij die daartoe zijn aangewezen
bovendien tot de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van niet-diaconale aard (art. V-3)
.

De eerste notie in de bijzondere roeping van de ouderling is de zorg voor de gemeente als gemeenschap. Het antwoord op de genade die geschonken wordt, is het zoeken naar gemeenschap. Geestgenoten die door de Heer zijn aanvaard, aanvaarden elkaar. Het Woord wordt gesproken en uitgedeeld en het wil worden gehoord en ontvangen. De zorg van de ouderling gaat er naar uit hoe mensen ermee leven. De wereld om de gemeente heen moet iets kunnen merken van herderlijke handen, die vanuit de omgang met Christus worden toegestoken. Toegepast op het pastoraat krijgt dit gestalte in het bezoeken van de leden. De ambten kennen een zelfstandige invulling ten opzichte van elkaar en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid naar de gemeente toe. Zo dragen de ouderlingen medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord en sacramenten. De ouderling ‘zit ook altijd op de leer’ en is medeverantwoordelijk voor de inhoud, zoals zichtbaar wordt gemaakt in de handdruk aan het begin en einde van de kerkdienst.

Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren, is toerusting nodig, met het oog op zowel de missionaire als de pastorale roeping. De oorsprong van het ouderlingenambt bij Calvijn ligt in de heiliging. De verkondiging van het heil in Christus wil door de Geest vernieuwend doorwerken in het leven van de gelovigen en de gelovige gemeenschap, opdat de gemeente iets van de barmhartigheid van Christus uitstraalt. Vanwege deze roeping spreken de leden elkaar binnen de gemeente aan op het blijven in de weg van het

|39|

belijden van de kerk. Daarom wordt de medeverantwoordelijkheid voor het opzicht vermeld bij de ouderling, aan wie immers de zorg voor de gemeente als gemeenschap ter harte gaat. In de formulering van de roeping tot de zorg voor de gemeente als gemeenschap ligt ook de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de ouderling opgesloten.

Afsluitend wordt gesproken over ouderlingen die bovendien zijn aangewezen tot de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van niet-diaconale aard. In art. XIII en ord. 11 wordt deze taak uitgewerkt. De reden om het hier reeds te vermelden, ligt in het uitgangspunt dat bestuur en beheer in één hand liggen. De ambtelijke vergadering draagt hiervoor verantwoordelijkheid. Ook geld is in de kerk een geestelijke zaak.

De diakenen zijn in het bijzonder geroepen tot
de dienst aan de Tafel van de Heer en het inzamelen en uitdelen van de liefdegaven,
de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in gemeente en wereld,
de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar diaconale roeping
en de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van diaconale aard (art. V-3)
.

De grondtoon van het diaconaat is gezet in art. I-6. Het spreken en handelen, de verkondiging en de dienst zijn ingebed in het vieren. Het diaconaat als wezenskenmerk van de gemeente moet, ter wille van de eenheid, in een adem met het vieren en spreken worden genoemd. Aan deze intentie wordt vastgehouden in art. IV. Bij de roeping tot de dienst aan het Woord van God wordt in art. IV-1 het diaconaat genoemd. Zending, diaconaat en pastoraat zijn geen segmenten van de kerkelijke arbeid, maar behoren tot het wezen van de gemeente en dienen geïntegreerd te zijn in het totaal van de gemeenteopbouw. Hier wordt in lid 3 de specifieke verantwoordelijkheid ingevuld. De diakenen zijn in het bijzonder geroepen tot de dienst aan de Tafel van de Heer. Op deze wijze wordt de specifieke roeping ingeleid. Bewust is de Tafel van de Heer voorop gezet, want daar vindt de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid haar oorsprong. Geloven is nooit een uitsluitend innerlijk gebeuren. Het is ook altijd metterdaad. Hoorders worden daders die verlangen Christus na te volgen in de gemeente en in de wereld. In de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar diaconale roeping wordt pregnant geformuleerd wat nader is uitgewerkt in de artikelen X en XVI en de ordinanties 8 en 14.

Tenslotte wordt de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van diaconale aard genoemd. Een uitwerking daarvan geven art. XIII en ord. 11.

|40|

De roeping en bevestiging tot het ambt geschiedt van Christuswege, plaatselijk door de gemeente en overigens door de kerk bij monde van de daartoe bevoegde vergaderingen (art. V-4).

Tot het ambt dat van Christuswege gegeven is, wordt men geroepen. In dit geroepen worden gaat een dubbele betekenis schuil. Er klinkt in door hoe Christus mensen in zijn dienst roept en zegent met gaven om deze opdracht aan te kunnen. En de roeping van de gemeente en de kerk klinkt om deze gaven in dienst van Christus te stellen. Aan deze roeping wordt concreet gestalte gegeven in de verkiezing van ambtsdragers. Plaatselijk gebeurt dat door de gemeente en in breder verband door de meerdere vergaderingen. In ord. 3 worden de regels voor de verkiezing van ambtsdragers gegeven.

Een ambt in de kerk kan uitsluitend worden vervuld door hen die daartoe naar de orde van de kerk geroepen zijn, belijdenis van het geloof hebben afgelegd en in het ambt bevestigd zijn, onder aanroeping van de Geest.
De bevestiging in het ambt vindt plaats in het midden van de gemeente, met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk (art. V-5)
.

Het ambt hoort bij de kerk en de kerk hoort bij het ambt. De roeping van het ambt om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren, vraagt zorgvuldige aandacht voor de procedure van de verkiezing. Ord. 3, hoofdstuk I geeft de bepalingen die in acht genomen moeten worden. Iemand die een ambt bekleedt, zal als belijdend lid in de gemeente willen staan. De kerkorde vermeldt niet dat men belijdend lid dient te zijn om tot ambtsdrager verkozen te kunnen worden.

Hoezeer de hele procedure een geestelijk karakter heeft, wordt beklemtoond door de woorden ‘onder aanroeping van de Geest’. Kerk, gemeente en ambtsdrager kunnen hun roeping alleen vervullen als de Geest hen daarin bijstaat en leidt. De bevestiging in het ambt vindt plaats in het midden van de gemeente, met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk.

De andere diensten omvatten in de orde van de kerk als zodanig aan te duiden bedieningen en juncties, die in samenwerking met de ambtsdragers worden uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente (art. V-6).

Aan het slot van dit artikel over het ambt wordt gesproken over ‘andere diensten ter vervulling van de roeping van kerk en gemeente’. In een structuur met oog voor het charisma trekt het ambt niet alle kernfuncties naar zich toe, maar is er tussen ambt en gemeente ruimte voor diensten. Diensten zijn welomschreven functies met een concrete opdracht. Kerkleden die zijn toegerust tot een speciale bekwaamheid, kunnen voor de uitoefening van hun werkzaamheden worden ingeschakeld in een dienst. Men kan hierbij denken aan de missionair werker,

|41|

diaconaal toeruster, pastoraal werker, catecheet jeugdwerker of cantor-organist. Deze diensten behoren niet tot de ambten, maar zijn er nauw mee verbonden door de samenwerking met de ambtsdragers. Zij vallen onder de leiding van de ambtelijke vergadering die hen in een dienst stelde. De bedieningen zijn opgenomen omdat dit voor kerkelijke werkers de mogelijkheid biedt op een bijzondere wijze aan de gemeente te worden verbonden door ingeleid te worden in een kerkdienst.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.2.4

1.2.4 De ambtelijke vergaderingen

Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, noch de ene gemeente over de andere heerse, maar alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding in de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen (art. VI-1).

Na het artikel over het ambt volgt dat over de ambtelijke vergaderingen. De ambtelijke vergadering is de vergadering waarin de ambten en dus de ambtsdragers Innen zijn. In de presbyteriaal-synodale structuur worden de besluiten genomen door de ambtelijke vergaderingen. De kerkorde geeft daarvoor een motivatie die diep geworteld is in het gereformeerde kerkrecht: ‘Opdat alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen.’ Niemand heeft in de kerk alleenheerschappij. Geen enkele gemeente kan tucht uitoefenen over een andere gemeente en de ene ambtsdrager kan geen macht laten gelden tegenover een andere ambtsdrager. Allen zijn saamhorig aan Christus en daarbij past geen heersen, maar leidinggeven. Het woord ‘leiding’ is al gebruikt in art. IV-3 waar het wordt toegepast op gemeenteopbouw en het sluit aan bij art. V-1 dat de inhoud formuleert. Tegen deze achtergrond past de uitdrukking ‘leidinggeven’ beter dan ‘regeren’, dat dicht tegen ‘besturen’ aan ligt. Leidinggeven houdt besturen in, maar staat in de bredere context van de roeping. Dit leiding geven vindt plaats in een beraad op collegiale wijze. De drie ambten zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor het geheel.

Deze vergaderingen zijn
voor de gemeente de kerkenraad;
voor de tot een classis behorende gemeenten de classicale vergadering;
voor de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen bovendien de evangelisch-lutherse synode;
voor alle gemeenten tezamen en mitsdien voor de gehele kerk de generale synode (art. VI-2)
.

|42|

Tot dusverre is in de kerkorde gesproken over de kerk en de gemeente. ‘Gemeente’ is de aanduiding van de plaatselijke geloofsgemeenschap. In art. IV-3 is reeds vermeld dat hieraan leiding wordt gegeven door de kerkenraad. Aan alle gemeenten tezamen en mitsdien aan de hele kerk wordt leidinggegeven door de generale synode. Voor een kleine kerk zou met deze twee bestuurslagen kunnen worden volstaan. Voor een grote kerk als de Protestantse Kerk in Nederland is dat onvoldoende. Tussen de verschijningsvorm van de kerk in haar plaatselijke en landelijke gestalte is een regionale ambtelijke vergadering nodig. In de classicale vergadering komen de plaatselijke gemeenten uit een ressort bijeen en zien we het gezicht van het kerkverband in zijn grote verscheidenheid. De zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente wordt begrensd door de overtuiging dat gemeenten samen kerk zijn. Gemeenten hebben met elkaar te maken en worden samengebracht in classes. De classicale vergadering fungeert als de ontmoetingsplaats van de gemeenten en de kerk. De classicale vergadering vertegenwoordigt de plaatselijke gemeente naar de gehele kerkgemeenschap toe en andersom. Zij staat op de lijn die het grondvlak verbindt met de synode als landelijke kerkenraad.

In de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden bestond de figuur van de classis niet als ressort waar de gemeenten elkaar ontmoeten, maar vervulde de evangelisch-lutherse synode deze functie. In de Protestantse Kerk in Nederland ontmoeten de protestantse gemeenten, de hervormde gemeenten, de evangelisch-lutherse gemeenten en de gereformeerde kerken elkaar. Daarom krijgt de evangelisch-lutherse synode voor de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen enkele specifieke taken. Het bewaren en vruchtbaar maken van de lutherse traditie wordt van zo groot belang geacht, dat deze verantwoordelijkheid is toevertrouwd aan de ambtelijke vergadering.

De kerkenraad wordt gevormd door de bij de gemeente dienstdoende predikanten, de ouderlingen en de diakenen.
De classicale vergadering wordt gevormd door de afgevaardigde ambtsdragers van de kerkenraden van de tot de classis behorende gemeenten.
De samenstelling van de evangelisch-lutherse synode geschiedt volgens afzonderlijke, daarvoor gestelde regels.
De generale synode wordt gevormd door de ambtsdragers afgevaardigd door de classicale vergaderingen en de afgevaardigden van de evangelisch-lutherse synode (art. VI-3)
.

Als de kerkorde spreekt over de kerk, wordt er gesproken over de gemeenten en als er gesproken wordt over de gemeenten, dan komen de leden van de gemeente, die de ambtdragers kiezen, in zicht. De ambtsdragers die gekozen zijn door de gemeente vormen tezamen de kerkenraad. De classicale vergadering wordt gevormd door de afgevaardigde ambtsdragers van de kerkenraden van de tot de classis behorende gemeenten. De generale synode wordt gevormd door de ambtsdragers die door de classicale vergadering worden afgevaardigd en door de

|43|

‘afgevaardigden’ van de evangelisch-lutherse synode. Tot driemaal toe wordt gesproken over afgevaardigden. Afgevaardigden zijn ambtsdragers die bijeenkomen in een meerdere vergadering. Deze vergadering behandelt de zaken die aan deze ambtelijke vergadering zijn opgedragen. Afgevaardigden maken van deze vergadering deel uit als ambtsdrager en dat wil zeggen dat zij een eigen verantwoordelijkheid hebben en stemmen zonder last of ruggespraak.

De kerkenraad geeft leiding aan het leven en werken van de gemeente.
De classicale vergadering geeft leiding aan het leven en werken van de classis en geeft daarin gestalte aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor elkaar en voor de gehele kerk, alsmede aan de verantwoordelijkheid van de kerk voor de gemeenten.
De evangelisch-lutherse synode geeft leiding aan het leven en werken van de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en draagt zorg voor het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie.
De generale synode geeft leiding aan het leven en werken van de kerk in haar geheel (art. VI-4)
.

Niet elke ambtelijke vergadering kan alle verantwoordelijkheden zelfstandig opnemen. Er zijn taken die door de plaatselijke gemeente niet uitgevoerd kunnen worden, maar om een gezamenlijke inspanning vragen. Men denke aan de predikantsopleiding of de visitatie. In de kerkordelijke opzet kan daarvoor een instrumentarium worden gecreëerd, vanuit de gedachte dat gemeenten niet los van elkaar staan, maar regionaal en landelijk een eenheid vormen. De kerk is immers niet alleen de optelsom, maar vooral de innerlijke samenhang van de gemeenten. Wel heeft elke ambtelijke vergadering haar eigen taak. Op brede formule gebracht wordt deze samengevat in ‘leidinggeven aan het leven en werken’. Doordat deze taak bij elke ambtelijke vergadering genoemd wordt, wordt de onderlinge verantwoordelijkheid tot uitdrukking gebracht. Het bekleden van het ambt houdt in dat ieder die afgevaardigd is naar een ambtelijke vergadering in de agenda vanuit een eigen verantwoordelijkheid meespreekt en beslist.

De gebezigde formulering krijgt een uitbreiding bij de classicale vergadering. De classicale vergadering heeft (als grondvergadering, als ontmoetingsplaats van kerk en gemeenten) als taak zorg te dragen voor elkaar als gemeenten en voor de gehele kerk. Eveneens is het door de classicale vergadering de kerk mogelijk verantwoordelijkheid te dragen voor de gemeenten. De belangrijkste taak van de classicale vergadering is het gestalte geven aan de gemeenschap van de kerk in haar ressort.

Voor de evangelisch-lutherse synode wordt naast het leidinggeven aan het leven en werken van de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen de taak genoemd om zorg te dragen voor het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie. Het leidinggeven komt tot uitdrukking in zaken waar het eigene

|44|

van de evangelisch-lutherse gemeenten aan de orde is. Nauw daarmee verbonden is het bewaren van de lutherse traditie, die verder reikt dan de eigen gemeenten, maar dienstbaar is aan de hele kerk.

De kerkenraad neemt geen besluiten in aangelegenheden die voor het leven van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben (art. VI-5).

In deze bepaling wordt gesteld dat het ambt en de ambtelijke vergadering weliswaar een eigen verantwoordelijkheid hebben, maar deze dienen te communiceren met de gemeente. Deze stijl van leidinggeven is zo fundamenteel, dat men deze in de structuur van de kerk verankert door hem een plaats te geven in de Romeinse artikelen. In het licht van wat onder art. IV-2 is gezegd, is dit niet vreemd. Er is een heen en weer gaande beweging tussen het ambt en de gemeente. In zaken die van wezenlijk belang zijn voor het leven van de gemeente en die identiteitsbepalend zijn, worden de leden van de gemeente gekend en daarover gehoord (ord. 4-8-7). Het horen kan de kerkenraad helpen te komen tot een beslissing die breed gedragen wordt.

De kerkenraad kan, onder behoud van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid, de zorg voor de opbouw van de gemeente delen met door hem in te stellen werkgroepen (art. VI-6).

De kerkenraad krijgt de gelegenheid de zorg voor de opbouw van de gemeente te delen met daartoe ingestelde werkgroepen. Op deze manier is het mogelijk de gemeente meer te betrekken, niet alleen bij de uitvoering, maar ook in het beleid. De werkgroepen worden nadrukkelijk gelieerd aan de zorg voor de opbouw van de gemeente, waarvoor de kerkenraad zijn verantwoordelijkheid behoudt. Deze kan het beste worden vervuld wanneer de taken die in de verschillende werkvelden van de gemeente worden uitgevoerd in de kerkenraad verenigd zijn. De dienst van het leidinggeven zal van de kerkenraad een integrerende en coördinerende rol vergen. In ord. 4-10 wordt deze wijze van werken verder uitgewerkt.

De classicale vergaderingen werken voor gezamenlijk te verrichten arbeid ten dienste van de gemeenten samen in algemene classicale vergaderingen, volgens regels bij ordinantie gesteld.
Een algemene classicale vergadering wordt gevormd door leden van de in haar samenwerkende classicale vergaderingen (art. VI-7)
.

De kerk kent drie bestuurslagen, die leidinggeven op plaatselijk, regionaal en landelijk niveau. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wens om een heldere structuur. De ambtelijke vergadering op het tussenniveau is de classicale vergadering.

|45|

Voorheen bestond in de Nederlandse Hervormde Kerk als vierde bestuurslaag de provinciale kerkvergadering en in de Gereformeerde Kerken in Nederland de particuliere synode. Een deel van de werkzaamheden van deze provinciale vergaderingen was gericht op de ondersteuning van gemeenten. De vraag of er drie of vier bestuurslagen in de kerk moeten zijn, is geen theologische maar een organisatorische kwestie. Wanneer de structuur van de kerk doorzichtiger is met drie bestuurslagen, ligt er de opdracht om er zorg voor te dragen het werk dat vanuit het provinciaal niveau gebeurde in drie bestuurslagen op te vangen. Om in in de behoefte aan ondersteuning te voorzien, is gekozen voor een ressort dat groter is dan de classis. De classis is immers te klein om een professionele dienstverlening te kunnen leveren. Dit lid regelt dat voor gezamenlijk te verrichten arbeid ten dienste van de gemeenten een aantal classicale vergaderingen samenwerkt in een algemene classicale vergadering. Een algemene classicale vergadering is een samenwerkingsverband van classicale vergaderingen. Er is één classicale agenda met een groot aantal taken en een deel daarvan wordt door de algemene classicale vergadering uitgevoerd (ord. 4, hoofdstuk III). Er vindt dus een agendascheiding plaats. Daarvan is eveneens sprake tussen de wijkkerkenraad en de algemene kerkenraad. En zoals de wijkkerkenraad en de algemene kerkenraad beide gestalten van de kerkenraad zijn, is de algemene classicale vergadering dat van de classicale vergadering. De algemene classicale vergadering is een ambtelijke vergadering, maar ten opzichte van de classicale vergadering geen meerdere vergadering. De algemene classicale vergadering wordt gevormd door leden van de in haar samenwerkende classicale vergaderingen, zodat er ambtelijk verantwoordelijkheid gedragen wordt. Haar voornaamste taken zijn de dienstverlening ten behoeve van de opbouw van de gemeenten en de zorg voor het functioneren van de verschillende regionale colleges.

De ambtelijke vergaderingen laten zich met het oog op de vervulling van de roeping van de kerk en de gemeenten, bijstaan door organen van bijstand.
Een orgaan van bijstand wordt ingesteld door een ambtelijke vergadering en is, onder verantwoordelijkheid van die vergadering, belast met hetgeen dit orgaan op zijn arbeidsveld tot taak wordt gesteld (art. VI-8)
.

De kerk leeft en werkt door haar leden. Om hun dienst in de wereld te stimuleren en de gemeente toe te rusten, hebben ambtelijke vergaderingen een roeping. Dikwijls is het moeilijk adequaat te reageren en in te spelen op de veelheid van problemen die aan de orde zijn. Wanneer nu de zorg van de dienst van de kerk op verschillende terreinen dit vereist, laten ambtelijke vergaderingen zich bijstaan door organen van bijstand of commissies. Zij adviseren de ambtelijke vergaderingen met het oog op de vervulling van hun roeping en voeren de gemeenschappelijke taken die er zijn uit.

Op alle drie de niveaus kunnen organen van bijstand of commissies worden

|46|

ingesteld en daarmee behoren zij tot de ambtelijke structuur van de kerk. Dat wil zeggen dat het orgaan verantwoording schuldig is aan de vergadering die zij in een bepaalde taak bijstaat. Dit betekent niet dat alle kerkenraden en classicale vergaderingen verplicht zijn commissies in te stellen. Wel zullen alle ambtelijke vergaderingen zich op verschillende onderdelen van hun arbeidsveld laten bijstaan door organen van de kerk, die op dat onderdeel werkzaam zijn.

Een ambtelijke vergadering kan uit haar midden een aantal leden aanwijzen die tezamen een breed moderamen vormen waaraan de ambtelijke vergadering de uitoefening van bepaalde bevoegdheden kan delegeren, volgens regels bij ordinantie gesteld (art. VI-9).

Uit de leden van de ambtelijke vergadering kan een breed moderamen worden gevormd. Er is gezocht naar een titel die duidelijk maakt dat het een indikking, een contractus, is van de ambtelijke vergadering. Daarom wordt het breed moderamen van de generale synode kleine synode genoemd. Het gaat niet om een uitbreiding van het moderamen, maar om een samentrekking van de vergadering. Dit breed moderamen kan in naam van de ambtelijke vergadering besluiten nemen en heeft eigen taken die in de ordinantie worden aangeduid.

Voor het verrichten van werkzaamheden die voor een classis, voor de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen of voor de kerk in haar geheel van algemeen belang zijn, kunnen door de betreffende ambtelijke vergaderingen predikanten in algemene dienst worden beroepen dan wel functionarissen worden benoemd, die verbonden worden aan respectievelijk de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen of de kerk in haar geheel (art. VI-10).

Dit lid opent de mogelijkheid om predikanten in algemene dienst te beroepen of functionarissen te benoemen voor het verrichten van werkzaamheden die uitgaan van genoemde ambtelijke vergaderingen. Voor het vervullen van de taken op regionaal of landelijk niveau worden zij verbonden aan de vergadering die hen beroept of benoemt.

In de meerdere vergaderingen zullen alleen zaken worden behandeld die naar de orde van de kerk tot het werk van de meerdere vergaderingen behoren, dan wel die in de mindere vergaderingen niet kunnen worden afgedaan (art. VI-11).

Naast lid 1 is deze bepaling noodzakelijk om de taken die naar de orde van de kerk gegeven zijn te bepalen. Het gaat in dit lid om een klassiek en karakteristiek reformatorisch beginsel. Het is gericht tegen elke vorm van hiërarchie. Er wordt een gezagsbeperking aangegeven, die voorkomt dat de ene vergadering de andere overheerst. Er zijn zaken die typisch behoren bij de kerkenraad en er zijn

|47|

zaken die behoren tot de taak van de meerdere vergaderingen, omdat zij de kerk in regionaal verband of de gehele kerk betreffen. Ord. 4 geeft het arbeidsveld van de verschillende vergaderingen aan.

Men noemt de ambtelijke vergaderingen die voorkomen naast de kerkenraad de meerdere vergaderingen. Dit spraakgebruik duidt aan dat deze vergaderingen meerdere gemeenten omvatten en de reikwijdte van hun beslissingen een breder gebied betreft.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3

1.3 Gemeenschap

Om aan te geven hoe de kerk leeft en wat zij uitspreekt, is dit het tweede deel, over het leven van gemeente en kerk. Na de accenten van het Woord en de dienst staat hier de gemeenschap centraal.

In de presbyteriaal-synodale vorm van kerkinrichting is sprake van een nauwe samenhang tussen de verschillende gestalten van kerk-zijn en de ambtelijke vergaderingen. Deze verbondenheid is typerend voor de kerk als gemeenschap. Het accent ligt in het tweede deel meer op het leven en daarom gaat de gemeente voorop. De gemeente wordt vergaderd rond Woord en sacramenten die hoorbaar en zichtbaar het heil verkondigen. Deze gemeenschap met de Heer verbindt mensen met elkaar. Doordat Christus de leden van de gemeente aaneenvoegt tot zijn lichaam ontstaat er een gemeenschap die begiftigd wordt met gaven van de Geest lol opbouw van de gemeente. De dienst staat in de eenheid van Woord en gemeenschap en is met beide onafscheidelijk verbonden. Het horen van het Woord roept op het te doen en de gemeenschap heeft een sociale dimensie die leidt tot inzet voor anderen. De Geest laat de wereld niet los en schept een gemeenschap die in getuigenis en dienst het lichaam van Christus is in deze wereld. De gemeenschap die Christus in Woord en sacramenten schenkt, verbindt de kerk en de gemeenten met allen die Hem als Heer belijden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.1

1.3.1 De eredienst

Geroepen door haar Heer komt de gemeente samen tot de lezing van de Heilige Schrift en de prediking van het Evangelie, de bediening en viering van de doop en het avondmaal, de dienst van lofzang en gebed en de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid.
De gemeente komt samen tot boete-, dank- en gebedsdiensten, leerdiensten, trouwdiensten en diensten van rouwdragen en gedenken.
Daarnaast kent de kerk dagelijkse getijdendiensten met lofprijzing en gebeden (art. VII-1)
.

In het deel over het leven van gemeente en kerk gaat de eredienst voorop als het centrum van de gemeente. De inzet sluit aan bij art. IV-1. In de eerste plaats

|48|

wordt gesproken over de samenkomst van de gemeente in haar eredienst rond de lezing van de Heilige Schrift en de prediking van het evangelie. Het horen en verkondigen uit art. I-2 wordt in dit lid als eerste element van de eredienst genoemd. Er worden in de eredienst dingen gezegd die in geen mensenhart zijn opgekomen, maar die ons van Godswege worden toegesproken. De eredienst is ontmoeting met de daden van God in Christus. Het gedenken van deze daden is de grond voor het vieren van de gemeente. Dit leidt de gemeente tot het hart van de liturgie met lofzang en gebed. Zij worden in een adem genoemd, want loven en leven blijven in de gemeente als gebedsgemeenschap dicht bij elkaar. De zinsnede eindigt met de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid. Deze aanduiding is de staande uitdrukking van het diaconaat geworden. De grondtoon is gezet in art. I-3 en 6 en wordt hier verankerd in de eredienst. In de formulering van deze zin krijgen de vier elementen van de eredienst een gelijk accent.

Met de standaarduitdrukking ‘de gemeente komt samen’ worden boete-, dank- en gebedsdiensten genoemd. Onder deze diensten vallen de bid- en dankstond voor gewas en arbeid, diensten ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen in het leven van gemeenteleden of in de kerk en de wereld en diensten ter bezinning en verzoening (ord. 7-4-2). Vervolgens worden de leerdiensten genoemd, de trouwdiensten en de diensten van rouwdragen en gedenken.

In een aparte zin wordt vermeld dat de kerk dagelijkse getijdendiensten met lofprijzing en gebeden kent. Deze diensten worden niet voorgeschreven voor de gemeenten. Dat wordt tot uitdrukking gebracht met ‘de kerk kent’. Waar deze diensten worden gehouden, gaat het om de heiliging van het leven van elke dag in lofzang en gebed.

De eredienst wordt geleid door hen die daartoe in de orde van de kerk zijn aangewezen.
De inrichting van de eredienst wordt vastgesteld door de kerkenraad met inachtneming van de bijzondere verantwoordelijkheid van de voorgangers en hen die zorgdragen voor de kerkmuziek.
Ten behoeve van de eredienst worden, naar regels bij ordinantie gegeven, door de generale synode aangewezen, aangeboden of vastgesteld
de bijbelvertaling,
het psalm- en gezangboek
en het dienstboek met orden van dienst (art. VII-2)
.

De eredienst wordt geleid door hen die daartoe in de orde van de kerk zijn aangewezen. Niet iedereen is bevoegd om voor te gaan in een kerkdienst. Men moet ertoe worden geroepen, dient over de nodige gaven te beschikken en een daarop gerichte opleiding gevolgd te hebben.

De inrichting van de eredienst is een zaak van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Het is een algemene praktijk dat niet alleen de eigen predikant, maar

|49|

ook gastpredikanten in een gemeente voorgaan. Degene die de kerkdienst leidt, kan niet zomaar een eigen voorkeur volgen. De ambtsdragers zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor de dienst van Woord en sacramenten (art. V-2). De inrichting van de eredienst vraagt om een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en zorg. Het is de kerkenraad die de kerkdienst belegt en verantwoordelijk is voor de inrichting. De predikant en kerkmusicus zullen nauw bij het overleg worden betrokken, want wie de toon aangeven, moeten overeenstemmen, maar de kerkenraad stelt vast welke vaste onderdelen in de liturgie worden opgenomen en op welke wijze het avondmaal wordt gevierd.

Vanzelfsprekend zal de verscheidenheid aan gemeenten (art. II-2) herkenbaar zijn in de eredienst. Dit roept de vraag op in hoeverre er in kerkdiensten met een verschillende inrichting een gemeenschappelijke identiteit kan worden gevonden. De kerkorde geeft daarvoor drie aanwijzingen. Op bescheiden wijze wordt gesproken over ‘aangewezen, aangeboden of vastgesteld’. In de eerste plaats wordt de bijbelvertaling genoemd. De synode biedt geen bijbel aan, verzorgt geen vertaling en stelt geen tekst vast. Daarvoor zijn er in Nederland andere instanties. De synode beperkt zich tot het aanwijzen van de vertalingen voor het gebruik in de eredienst. In de spanning tussen samenhang en vrijheid zal de synode komen tot ‘aanwijzen’ om ook in dit opzicht de eenheid en gemeenschap in de kerk te bewaren.

Het psalm- en gezangboek wordt aangeboden. Dit is een open formulering die het gebruik van andere liederen niet uitsluit. De zingende gemeente krijgt geen beperkingen opgelegd. Aangeboden wordt het psalm- en gezangboek dat gemeenschappelijk als hoofdlijn geldt. Evenmin als dat nu het geval is, zal dat beperkt kunnen worden tot één uitgave.

Het dienstboek met orden van dienst wordt vastgesteld. Er is in het dienstboek een meervoud aan orden samengebracht, zodat er voldoende keuzemogelijkheden zijn en er bovendien ruimte is voor variatie op de vastgestelde orden. Variatie is niet mogelijk in de exacte bewoordingen die worden gebruikt bij de bediening van de sacramenten. De erkenning in het oecumenisch verkeer verdraagt zich niet met een eigen invulling van de doopformule of de inzettingswoorden bij het avondmaal.

De kerk viert de dag des Heren.
De kerk viert en gedenkt op bijzondere dagen
de komst, de geboorte en de verschijning van Christus,
zijn lijden, sterven en opstanding,
zijn hemelvaart en
de uitstorting van de Heilige Geest.
De kerk viert de zondag van de Drie-eenheid.
De kerk gedenkt de dag van de kerkhervorming (art. VII-3)
.

|50|

Tot nu toe is van de gemeente gezegd dat zij wordt vergaderd (art. III-1), is geroepen (art. IV-1), samenkomt (art. VII-1) en hier wordt gezegd dat de kerk viert. De gemeente ontmoet de Heer die haar samenroept om zijn daden te gedenken. Daartoe viert zij de zondag. In al de gemeenten viert de kerk als geheel, in gemeenschap met de Kerk van alle plaatsen en tijden, de dag des Heren en op bijzondere dagen de heilsfeiten.

De feesten bepalen ons leven. Wil men weten wie of wat een mens is, dan dient men primair naar zijn feesten te vragen. Wat men gedenkt, daar leeft men uit. De eerste vierdag is de zondag. De dag des Heren is kenmerkend voor de kerk. De dag waarop de Heer opstond, zet de geschiedenis in het licht van de verlossing in het Koninkrijk van God. In de formulering valt het accent op ‘de dag des Heren’.

Er zijn feesten die vallen op een zondag en er zijn er die op andere dagen vallen. Op de bijzondere dagen van de viering van de heilsfeiten rond Kerst en Pasen, op de dag van de hemelvaart en met Pinksteren is men vrij met het oog op de eredienst. Het feest van de verschijning, Epifanie, valt op 6 januari en wordt in de kerk gevierd op de zondag die valt op deze datum of tussen 2 en 8 januari. Jezus is niet alleen onder ons geboren, maar Hij is ook verschenen, openbaar geworden als de Heer in wie het Koninkrijk van God naderbij is gekomen.

In veel gemeenten volgt men de lutherse traditie door op de zondag na Pinksteren het feest van de Drie-eenheid te vieren als afsluiting van de feesttijd. Alles wat verkondigd wordt, komt samen in het belijden van de drie-enige God. Daarom is deze bijzondere dag kerkordelijk vastgelegd.

Tenslotte gedenkt de kerk de dag van de kerkhervorming. Voor een kerk die zich protestants noemt, ligt het in de lijn dat deze dag speciaal wordt genoemd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.2

1.3.2 De heilige doop

De heilige doop wordt bediend
in het midden van de gemeente
door een predikant,
met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk (art. VIII-1)
.

In art. III-2 en 3 is bepaald dat men door de doop tot de gemeente en mitsdien tot de Kerk behoort. In dit artikel wordt over de bediening van de doop gesproken. De titel spreekt van de ‘heilige doop’, zoals boven het volgende artikel wordt gesproken over het ‘heilig avondmaal’. In de eerste leden van beide artikelen wordt deze zegswijze nog eenmaal herhaald. Daarna zijn deze termen niet meer voor misverstand vatbaar en behoeft het bijvoeglijk naamwoord niet meer te worden gebruikt.

Ten aanzien van de doop wordt in art. IV-1 van de ‘viering’ gesproken, in art.

|51|

VII-1 is sprake van ‘bediening en viering’, terwijl hier wordt gezegd dat hij wordt bediend. ‘Bediening’ wordt gebruikt om te verwijzen naar de ambtshandeling van de predikant en in de viering geeft de gemeente gehoor aan haar roeping tot de dienst aan het Woord van God. De presbyteriaal-synodale traditie gaat uit van de eenheid van Woord en sacrament, waarvan de bediening als ambtelijke handeling is toevertrouwd aan de predikant. De bediening van de doop is een onderdeel van de viering, waarin de gemeente belijdend betrokken is en als doopgetuige medeverantwoordelijkheid draagt.

De gemeente wordt vergaderd rond Woord en sacramenten en dit betekent dat de doop in het midden van de gemeente wordt bediend. De doop is immers de deur waardoor een mens de gemeente van Christus binnenkomt. De bediening is toevertrouwd aan de predikant (art. V-3). Voor de bediening wordt gebruikgemaakt van een van de orden uit het dienstboek van de kerk. Dit is van belang met het oog op de eenheid van de gemeenschap van de kerk. De erkenning van de bediende doop door andere kerken vereist dat in alle gemeenten dezelfde doopformule wordt gebruikt.

De doop wordt bediend aan hen
voor wie of door wie de doop begeerd wordt,
nadat het geloof door en met de gemeente beleden is (art. VIII-2)
.

In het eerste deel van dit lid komen drie voorzetsels voor die elk hun eigen betekenis hebben. De doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt. De doop wordt niet willekeurig of aan allen bediend, maar er moet een relatie aanwezig zijn met de gemeente waarbinnen een mensenkind gedoopt wordt; de doop die een mens opneemt in de relatie met de drie-enige God moet worden begeerd. Dit begeren kan uitgaan van hen die naar de doop willen leiden of van hen die gedoopt willen worden. Het ‘voor wie’ gaat vooraf aan het ‘door wie’ omdat de Protestantse Kerk in Nederland staat in de traditie van de kinderdoop. Het voegwoord ‘of’ geeft aan dat de mondigendoop niet wordt gewaardeerd als een uitgestelde zuigelingendoop, maar als gelijkwaardig wordt beschouwd. Het is één doop als teken en zegel van Gods genade. Er is geen verschil in doopleer, maar in dooppraktijk.

In beide gevallen vindt de doop plaats na belijdenis van het geloof in het midden van de gemeente. Daarmee wordt niet bedoeld de belijdenis tot grond van de doop te maken. Het fundament is de doop van de Heer. Door de doop worden gelovigen verbonden met de weg van zijn dood en opstanding. De gemeente komt met dit gebeuren nooit klaar en staat telkens opnieuw belijdend rond de doopvont. De volgorde van belijdenis en doop is niet willekeurig. De gemeente belijdt met het Apostolicum en is geroepen als doopgetuige. De kerkorde spreekt hier niet over de openbare geloofsbelijdenis, maar over het samen met alle heiligen belijden van het geloof.

|52|

De doop wordt bediend onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad, met inachtneming van de richtlijnen die de kerk daarvoor stelt (art. VIII-3).

De verantwoordelijkheid van de kerkenraad voor de dienst van Woord en sacramenten is reeds verwoord in art. V-2 en wordt hier genoemd vanwege de zorgvuldige begeleiding van het gebeuren rond de doop en het toezien dat de doop heilig wordt gehouden.

Met ‘richtlijnen’ wordt gedoeld op besluiten van de generale synode, op liturgische handreikingen en pastorale adviezen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.3

1.3.3 Het heilig avondmaal

Het heilig avondmaal wordt door de gemeente gevierd
en door een predikant bediend,
met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk (art. IX-1)
.

Als teken en zegel van het Woord en versterking van het geloof behoren de sacramenten bijeen. Het eerste lid van het artikel over het avondmaal correspondeert met het eerste lid van het artikel over de doop. Het opvallende verschil is dat bij het avondmaal het vieren door de gemeente vooropgaat. Het is een gave van Christus aan de gemeente en wat het ambt doet, is dienst in de volmacht van zijn Geest. De Tafel van de Heer staat in de gemeente en Hij zelf is de gastheer die in de tekenen van brood en wijn aanwezig is. Het is de predikant die als dienaar van het Woord het Woord in hoorbare en zichtbare gestalte bedient (vgl. art. V-3 en VII-1).

Tot de Maaltijd van de Heer zijn genodigd
zij die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing
en door geloofsonderricht tot dit geheimenis zijn toegeleid (art. IX-2)
.

Dit lid zet in met een markante zin: ‘Tot de Maaltijd van de Heer zijn genodigd.’ De Heer richt zijn maaltijd aan en nodigt. Hij gebiedt de gelovigen tot zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van deze beker te drinken (Heidelbergse Catechismus, antwoord 75). In deze lijn wordt op de vraag wie zijn genodigd als antwoord gegeven: ‘Zij die Jezus Christus belijden.’ De nodiging geeft geen onbeperkte ruimte. De maaltijd wordt gevierd door de gemeente van Christus en zo gaat de nodiging uit tot hen die Jezus Christus belijden. De Heer komt tot allen en vraagt met mond en hart tot uitdrukking te brengen dat de leden van de gemeente bij Hem horen en van Hem zijn en niet leven kunnen zonder alles wat Hij schenkt. Wie belijdt van brood alleen niet te kunnen leven, zal Hem prijzen die het ene nodige geeft en nog zoveel bovendien. Jezus

|53|

Christus belijden en instemmen met de lofprijzing horen bijeen.

De betekenis van de deelname aan de Maaltijd van de Heer vraagt om toeleiding. Met alle verschil in verwerkingsmogelijkheden is er voor allen onderricht nodig. Dit onderricht zal nooit opgaan in begrijpen. De slotzin van dit lid formuleert dan ook: ‘tot dit geheimenis zijn toegeleid’. Hieruit spreekt diepe eerbied voor het wezen van het avondmaal. In het met het hart geloven en met de mond belijden zit een laag die het verstand te boven gaat. Geloofsonderricht moet dan ook niet alleen rationeel worden verstaan. Het raakt het weten, vertrouwen en handelen.

De kerkenraad bepaalt na beraad in de gemeente
op welke wijze de leden op de deelname aan het heilig avondmaal worden voorbereid
en tevens of de leden alleen na openbare geloofsbelijdenis aan de maaltijd kunnen deelnemen (art. IX-3)
.

In het artikel over de viering van het avondmaal stuit de kerkorde op een problematiek die al enkele tientallen jaren bestaat. De feitelijke situatie is dat er gemeenten zijn die zich houden aan de lijn dat alleen degenen die de openbare geloofsbelijdenis hebben afgelegd tot het avondmaal worden toegelaten, en dat zich daarnaast een brede praktijk heeft ontwikkeld dat ook degenen die geen openbare geloofsbelijdenis hebben afgelegd, worden toegelaten. In dit lid worden beide mogelijkheden opengehouden. Overeenkomstig art. III-2 is men door de doop lid van de gemeente. Belijdend lid is men door de openbare geloofsbelijdenis (art. XI-8). Wanneer de leden worden voorbereid op de viering vallen daar zowel de doopleden als de belijdende leden onder. Wie er in een gemeente deelnemen aan de viering, is verbonden met de voorbereiding. Deze voorbereiding kan plaatselijk verschillen, afhankelijk van de deelname van alle leden of alleen van de belijdende leden. Het wordt aan de gemeente overgelaten hoe men daarmee omgaat.

Wanneer er sprake is van een voornemen tot wijziging in het beleid zal daarover worden gesproken in een beraad met de gemeente. Het avondmaal behoort tot het hart van het gemeente-zijn en vraagt om grote zorgvuldigheid. De kerkenraad zal daarover in een gemeenschappelijke bezinning met de gemeente spreken en de gevoelens delen, zodat duidelijk wordt welke gevolgen de beslissing van de kerkenraad heeft voor de opbouw van de gemeente.

De maaltijd van de Heer wordt gevierd onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad, met inachtneming van de richtlijnen die de kerk daarvoor stelt (art. IX-4).

|54|

Het slotlid van het artikel over het avondmaal komt weer overeen met het slot-lid van het artikel over de doop (art. VIII-3). Evenals bij de bediening van de doop gaat het ook bij de viering van het avondmaal om een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad (art. V-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.4

1.3.4 De missionaire, diaconale en pastorale arbeid

De gemeente is vanwege haar missionaire opdracht, in heel haar bestaan gericht op getuigenis en dienst aan hen die het Evangelie niet kennen of daarvan vervreemd zijn, opdat ook zij delen in het heil in Jezus Christus (art. X-1).

Na de artikelen over het Woord en de sacramenten volgen de geledingen van de gemeenteopbouw overeenkomstig de volgorde die in art. IV-1 is aangegeven. Apostolaat, diaconaat en pastoraat vormen een eenheid en bestaan niet zonder elkaar. Het diaconaat is missionair en pastoraal en het missionaire is pastoraal en diaconaal. Onderscheiding is nodig voor de praktische uitvoering, de doordenking en begeleiding.

De missionaire opdracht die heel het bestaan van de gemeente raakt en omvat, gaat voorop (vgl. art. 1-8). Elk wezenskenmerk van de kerk geldt de gemeente geheel. De gemeente is een missionaire gemeenschap. Het missionaire aspect keert dan ook terug in de leden over het diaconaat en pastoraat. Alles in dit artikel is gericht op gemeenschappelijkheid en wederkerigheid. De gemeente heeft een opdracht, de gemeenteleden voeren die uit, de kerkenraad draagt ten aanzien hiervan een bijzondere verantwoordelijkheid en de grenzen tussen lokaal, regionaal en landelijk zijn vloeiend. Er is geen tweedeling waarbij de gemeente zich beperkt tot haar eigen omgeving en de kerk de wereldwijde zendingsopdracht behartigt. De kerkorde maakt ook geen verschil tussen de missionaire opdracht en de zendingsopdracht (vgl. art. XVI). Beide begrippen hebben dezelfde inhoud en betekenis. De woorden 'in heel haar bestaan' geven aan dat het aankomt op de eenheid van getuigenis en dienst, van verkondiging en levensstijl. De gemeente is het licht der wereld en het zout der aarde. Het doel is mensen te doen delen in het heil in Jezus Christus.

De gemeente vervult haar diaconale roeping in de kerk en in de wereld door in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid te delen wat haar aan gaven geschonken is, te helpen waar geen helper is en te getuigen van de gerechtigheid van God waar onrecht geschiedt (art. X-2).

De gemeente is een diaconale gemeenschap. In art. V-2 wordt ook het diaconale als wezenskenmerk van de gemeente onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de ambtsdragers genoemd. Zowel naar binnen als naar buiten, dichtbij en ver weg, in de kerk en in de wereld, is de gemeente geroepen tot

|55|

de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid (vgl. art. V-3). In deze staande uitdrukking worden barmhartigheid en gerechtigheid in een adem genoemd; hier-door komt tot uitdrukking hoe dicht in de diaconale roeping het geven van hulp en het opkomen voor wie hulp nodig hebben bij elkaar liggen. Zo leidt ook het omzien naar mensen die onrecht lijden naar aandacht voor de structuren die het onrecht instandhouden. Evenmin als de missionaire opdracht kan worden gedelegeerd aan een commissie is het diaconaat alleen een zaak van diakenen. Heel de gemeente is in al haar leden geroepen om te delen wat haar aan gaven geschonken is, te helpen waar geen helper is en te getuigen van de gerechtigheid van God waar onrecht geschiedt. De tekst gaat uit van degene die hulp nodig heeft en denkt niet vanuit de helper. Het onrecht en wie hulp nodig heeft, houdt de gemeente op de kruisweg in de navolging van Christus. Van het offer van Christus dat de gemeente gedenkt in de viering van het avondmaal gaan de diakenen voor naar een levenshouding in de orde van het offer. De dienst van de liturgie gaat de straat op in de dienst van de diaconie. De Geest dringt immers naar de concretisering en zoekt door de gemeente heen toegang tot de samenleving. Zo realiseert zich de gemeenschap in Woord en dienst.

De gemeente volbrengt haar pastorale taak in de herderlijke zorg aan de leden en anderen die deze zorg behoeven, opdat zij elkaar opbouwen in geloof, hoop en liefde (art. X-3).

Ook de pastorale taak is een zaak van heel de gemeente. De gemeente is een pastorale gemeenschap. Het woord ‘herderlijk’ heeft de warme klank van daadwerkelijke nabijheid en persoonlijke aandacht, die deze zorg kwalificeert. De goede herder heeft zijn schapen hoog. In het kader van de pastorale gemeente wordt onmiddellijk aangegeven dat dit volbracht wordt in de herderlijke zorg. De herderlijke zorg is dienst aan het Woord van God, waarin heel de gemeente betrokken is en waarvoor de ambtsdragers gemeenschappelijk verantwoordelijkheid dragen (art. V-2). De ouderling die de zorg heeft voor de gemeente als gemeenschap (art. V-3) gaat samen met de andere ambtsdragers leidinggevend voor in het omzien naar elkaar. Het onderlinge pastoraat dient de opbouw in geloof, hoop en liefde, waardoor gemeenschap gesticht wordt. Zonder geloof, hoop en liefde waaien woorden weg en missen daden draagvlak. In de herderlijke zorg, waarin gemeenteleden elkaar bijstaan, helpen en bemoedigen, komt de eenheid van de gemeente tot uitdrukking.

De pastorale taak is evenmin als de missionaire opdracht en de diaconale roeping beperkt tot de eigen leden van de gemeente, maar zij gaat ook uit naar anderen die deze zorg behoeven (ord. 8-4). De herderlijke zorg als een toespitsing van de pastorale taak strekt zich evenals de missionaire opdracht en de diaconale roeping uit over de grenzen van de gemeente. De omgeving waarin de gemeente leeft, moet iets kunnen merken van herderlijke handen die vanuit de

|56|

omgang met Christus worden toegestoken. Juist daar zal ook blijken hoezeer de herderlijke zorg onlosmakelijk verbonden is met de missionaire opdracht en de diaconale roeping.

De gemeente zoekt bij de vervulling van haar missionaire, diaconale en pastorale roeping samenwerking met andere kerkelijke gemeenschappen ter plaatse (art. X-4).

Ten onrechte zou de indruk gewekt kunnen worden dat er in de missionaire, diaconale en pastorale roeping van de gemeente sprake zou zijn van een visie die de gemeenten van de eigen kerk hebben. Waar deze arbeid over de grenzen van de gemeente heen gestalte krijgt in de locale situatie, stimuleert dit lid het contact met andere kerkelijke gemeenschappen ter plaatse te zoeken. De gemeente is opgenomen in het wereldomvattende werk van God naar de toekomst van zijn Koninkrijk. Het getuigenis daarvan zoekt de gemeenschap met andere kerkelijke gemeenschappen om samen te werken aan de opdracht die gegeven is. Gemeenten die contact onderhouden met gemeenten elders in de wereld ervaren hoe vruchtbaar deze wederkerigheid is voor het leven van de gemeente.

Met het oog op de vervulling van haar roeping maakt de gemeente in een relatie van wederkerigheid dankbaar gebruik van inzichten en ervaringen die haar worden aangereikt door gemeenten waarvan de leden uit andere culturen afkomstig zijn (art. X-5).

De kerkorde wijst er op dat er in de missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de gemeente geen sprake kan zijn van eenrichtingsverkeer, maar van wederkerigheid. De gemeente geeft niet alleen, maar ontvangt ook. De gemeente spreekt niet alleen tot anderen, maar hoort ook naar anderen. In het bijzonder zal zij een dankbare leerling zijn van die gemeenten waarvan de leden uit andere culturen afkomstig zijn. Er bestaan in Nederland vele van die gemeenten, maar de onderlinge contacten zijn gering. Toch valt er juist van die gemeenten veel te leren over het gemeente-zijn in Nederland. Zij ervaren niet alleen concreet wat het betekent om vreemdeling en bijwoner te zijn, maar hebben ook kennis opgedaan omtrent de specifieke problemen van de christelijke gemeente in de Nederlandse samenleving. In een relatie van wederkerigheid zal zich op basis van gelijkwaardigheid een leerproces voltrekken dat de gemeente verrijkt met inzichten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.5

1.3.5 De geestelijke vorming

De titel van art. XI correspondeert met de artikelen IV-1 en V-2 en past onder het kopje boven het tweede deel van de kerkorde: ‘Het leven van gemeente en kerk’. Eerst wordt aangegeven dat de gemeente in een voortdurend leerproces is

|57|

gewikkeld (lid 1). Daarna komen de vorming en toerusting van de leden van de gemeente aan de orde (lid 2), de geestelijke vorming van de jonge leden van de gemeente (lid 3) en vervolgens de opdracht van de gemeente in de dagelijkse leefsituatie van de jongeren (lid 4). De leden 5, 6 en 7 zijn gewijd aan de catechese en in lid 8 wordt vermeld wat de openbare geloofsbelijdenis inhoudt. Afsluitend wordt de zorg van de kerkenraad genoemd (lid 9).

De gemeente is geroepen blijvend een lerende gemeenschap te zijn (art. XI-1).

De principiële inzet bij het spreken over de geestelijke vorming is de permanente educatie van de gemeente. De gemeente is een lerende gemeenschap waarbij de leden bijdragen aan elkaars groei in geloof en leven. In deze wederkerigheid zijn alle generaties begrepen. De Geest werkt menselijk en dat opent de mogelijkheid van een leerproces. De gemeente wordt opgewekt te horen zoals leerlingen doen en God lief te hebben met hart en ziel, met heel het verstand en met alle kracht. In de gemeente als lerende gemeenschap horen leven en liefde bijeen. De gemeente komt samen in een horende en ontvangende houding, zoals blijkt uit de grondelementen van de eredienst (art. VII). Horen naar het Woord raakt hart, hoofd en handen, zodat alle verhoudingen erdoor worden bepaald. Verstand, wil en hart vormen in het geloof samen de ervaring en door deze te delen teren de leden van de gemeente aan en van elkaar.

De vorming en toerusting van haar leden krijgt gestalte in onderricht en bezinning, in meditatie en gebed, in beraad en daadwerkelijke inzet (art. XI-2).

Geestelijke vorming kan niet zonder oefening en begeleiding in de lerende gemeenschap. Op verschillende manieren kan aan de vorming en toerusting gestalte worden gegeven. De technische term ‘vorming en toerusting’ is een nadere specificatie van geestelijke vorming. Vorming richt zich vooral op de geestelijke houding als een blijvend leerproces, terwijl toerusting gericht is op de vervulling van bepaalde taken in gemeente of kerk. Vorming en toerusting kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. In beide zoekt men in de gemeenschap naar verheldering en verandering. Daarachter schuilt de gedachte dat bekering en heiliging nodig zijn, wil de gemeente worden wat zij naar de bedoeling van de Heer is. Daarom ook worden er vormen gezocht waarin gemeenteleden samen leren. De Geest van de gemeenschap die tot luisteren bereid maakt, heeft een sociale dimensie. Genoemd worden onderricht en bezinning, meditatie en gebed, beraad en daadwerkelijke inzet. In al deze elementen wordt spiritualiteit geleerd.

De geestelijke vorming van de jonge gemeenteleden vindt plaats
in de geloofsopvoeding thuis en in de gemeente,
en in het werk met en ten behoeve van de jeugd (art. XI-3)
.

|58|

Onder de gemeente als lerende gemeenschap valt ook de geestelijke vorming van de jonge gemeenteleden. Het ligt niet zomaar voor de hand dat in dit artikel het werk met en ten behoeve van de jeugd afzonderlijk genoemd wordt. Het gevaar van het apart noemen van één categorie is dat de schijn gewekt wordt dat deze categorie er niet echt bij hoort: aan de ene kant is er de gemeente en aan de andere kant zijn er de jongeren. Dat zou een volstrekt verkeerde interpretatie inhouden. Daarmee zouden jongeren apart worden gezet en meer als object dan als subject gezien. De reden waarom er toch voor gekozen is speciale aandacht te schenken aan het jeugdwerk is gelegen in de noodzaak om de problematiek van de integratie van jongeren in de gemeente onder de aandacht te brengen en te houden. Deze integratie is van groot belang in een tijd waarin de relatie tussen jongeren en gemeente allerminst vanzelfsprekend is.

Bij de formulering ‘werk met en ten behoeve van de jeugd’ is zowel gedacht aan specifiek kerkelijk jeugdwerk als aan zogenaamd vrij jeugdwerk, dat zich in de kring van de gemeente afspeelt.

De gemeente heeft de opdracht mee te werken aan de geestelijke vorming van de jongeren op school en in andere instellingen waar zij worden gevormd en onderwezen, en zij zoekt naar mogelijkheden om het geloof tot uitdrukking te brengen in de sociale en culturele verbanden waarin de jeugd zich oriënteert (art. XI-4).

Na het lid over geestelijke vorming thuis en in de gemeente volgt een bepaling die de opdracht van de gemeente in een bredere context aangeeft. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de geestelijke vorming van de jongeren in andere verbanden. Als eerste wordt de school genoemd. De gemeente draagt daar niet de eerste verantwoordelijkheid. Deze is voorbehouden aan de ouders of verzorgers en de leerkrachten. Er moet in dit lid zowel aan de christelijke als aan de openbare school worden gedacht.

In het tweede deel van dit lid wordt de gemeente gevraagd actief bij te dragen aan het vergroten van de zichtbaarheid van de christelijke traditie in de sociale en culturele verbanden waarin de jeugd zich oriënteert. In het geding is de presentie van geloof en kerk in de jongeren wereld. De gemeente behoort te zoeken naar vormen waarin God en geloven in de jeugdcultuur ter sprake kunnen komen en waarin het christelijke referentiekader verbonden wordt met ervaringen die jongeren in hun leefwereld opdoen.

Door catechese wordt kerkelijk onderricht gegeven aan de jonge leden van de gemeente en verder aan allen die dit onderricht verlangen (art. XI-5).

Catechese is de staande term voor het kerkelijk onderricht aan de jonge leden van de gemeente en aan allen die dit onderricht verlangen. In deze omschrijving

|59|

is de volwassenencatechese dus inbegrepen. Voor een goed verstaan van het woord ‘onderricht’ zie men art. IX-2.

Het doel van de catechese is
het leren leven uit Gods beloften en naar zijn geboden,
de toerusting tot het christelijk getuigenis in de wereld,
het ontdekken en leren aanwenden van de gaven voor de opbouw van de gemeente van Christus,
de toeleiding tot de viering van doop en avondmaal en
de voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof (art. XI-6)
.

Het doel van de catechese is zo geformuleerd dat zij ook in onderwijsleerprocessen kan worden uitgewerkt. Daarom wordt niet als doel opgenomen God te leren kennen. Dit behoort tot de geloofsopvoeding waarbij de catechese een ondersteunende functie vervult. Wel kan de betekenis van het leven uit Gods beloften en naar zijn geboden worden uitgelegd. Er kan worden gesproken over de manier waarop de omgang met God onze manier van leven richting geeft. Dat leidt tot de vraag van het leven als christen in de wereld. Vervolgens staat als doel genoteerd het ontdekken en leren aanwenden van de gaven voor de opbouw van de gemeente van Christus.

Het is van belang om te letten op de volgorde van de laatste beide zinsdelen. De voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof is een belangrijke doelstelling van de catechese. De band tussen catechese en openbare belijdenis is een sterk element in de gereformeerde traditie. Maar de deelname aan de viering van het avondmaal is op deze plaats niet verbonden met de openbare belijdenis van het geloof. Niettemin vervult de catechese een duidelijke functie in de uitnodiging om in het midden van de gemeente het geloof te belijden.

De catechese betreft
het lezen en verstaan van de Heilige Schrift,
de eredienst, de liederen en gebeden,
de belijdenis en de geschiedenis van de kerk,
het leven als christen in de wereld (art. XI-7)
.

De aandachtsvelden die in de catechese aan de orde komen, worden in dit lid genoemd. Didactisch gezien gaat het hier om leerstof die in de catechese wordt gebruikt om de doeleinden te bereiken. Daaronder valt in de eerste plaats het lezen en verstaan van de Heilige Schrift. Catechisanten bevinden zich in het leerhuis van de gemeente tussen gedenken en verwachten. In hun zoektocht naar zin en samenhang is participatie aan de eredienst waar de Schrift opengaat en wordt gebeden en gezongen van grote waarde. Dit is de plaats waar de leden van de gemeente met heel Gods volk onderweg door het Woord van God worden

|60|

aangesproken en Hij wordt beleden als de bron van alle leven. Tenslotte zullen in elke tijd jongeren in de voortgang van de traditie moeten zoeken hoe zij met hun manier van leven als christen in de wereld staan.

De openbare geloofsbelijdenis wordt afgelegd
om de doop te ontvangen of te beamen,
als blijk van de bereidheid om van de Heer te getuigen,
medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus
en te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.
De openbare geloofsbelijdenis vindt plaats in het midden van de gemeente, met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk.
De kerkenraad voert met hen die voornemens zijn belijdenis van het geloof af te leggen, een gesprek over hun motivatie en over de inhoud van hun geloof (art. XI-8).

De openbare geloofsbelijdenis wordt in direct verband gebracht met de doop. Zo wordt het verband tussen geloof en doop vastgehouden. Door de doop worden de leden van de gemeente verbonden met Christus en komen zij getuigend in de wereld te staan. Verder wordt met de openbare geloofsbelijdenis de bereidheid medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente en te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten uitgesproken. De eredienst als geheel draagt immers een belijdend karakter. Deelname aan de eredienst veronderstelt dat men zich voegt in de horende en vierende gemeente. In deze context ontvangt de openbare geloofsbelijdenis een eigen waardevolle plaats in het kerkelijk leven. De belijdenis vindt uiteraard plaats in het midden van de gemeente, met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk.

In de laatste zin van dit lid wordt aangegeven dat de kerkenraad een bijzondere taak heeft. Kerkenraad en betrokkenen voeren samen een gesprek over de motivatie om belijdenis van het geloof af te leggen en over de inhoud van hun geloof. Er wordt niet opengelaten waarover het gesprek gaat.

De zorg voor de vorming, de toerusting en de catechese berust bij de kerkenraad (art. XI-9).

Deze afsluitende tekst verwoordt de zorg, de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad. Dit laat onverlet dat gemeenteleden daarbij betrokken kunnen worden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.6

1.3.6 Het opzicht

Evenals bij het vorige artikel is het ook voor het verstaan van art. XII over het opzicht goed eerst de opbouw te zien. Lid 1 is de algemene bepaling. Lid 2

|61|

betreft het opzicht van gemeenteleden onderling. Lid 3 handelt over het opzicht van de ambtelijke vergaderingen en wordt verbijzonderd in drie vormen van opzicht: over de gemeenten (lid 4), over gemeenteleden en ambtsdragers (lid 5) en over de bediening van Woord en sacramenten (lid 6). Het slotlid gaat over de middelen van kerkelijke tucht (lid 7).

De gemeente is geroepen te blijven in de weg van het belijden van de kerk.
Het opzicht, gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus, geschiedt tot eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen (art. XII-1)
.

Art. XII over het opzicht sluit nauw aan bij art. I. Wat in art. I wordt gezegd over de kerk geldt in dit artikel ook voor de gemeenten: blijven in de weg van het in belijden van de kerk. De Protestantse Kerk in Nederland bestaat uit onderling zeer verschillende gemeenten. De eenheid ligt in de gemeenschappelijke weg van het belijden waardoor de gemeenten met elkaar zijn verbonden. Om deze eenheid te bewaren is er in gemeente en kerk een omzien naar elkaar om elkaar bij deze roeping te bepalen. Deze dienst aan de gemeenschap is gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus. Deze warme toon gaat voorop en is de sleutel voor het verstaan van de volgende bepalingen. De toonzetting van het opzicht heeft de bijbelse klank van het bewaren wie van de weg van het belijden afraken. Dat weerspiegelt zich ook in het doel van het opzicht: om mensen te bewaren bij de gemeenschap en zo met hen om te gaan dat het geschiedt tot eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen. God ontvangt eer waar mensen die Christus toebehoren Hem samen met de gemeente in woord en daad loven.

In de gemeente zijn de leden geroepen pastoraal en liefdevol naar elkaar om te zien en elkaar op te bouwen in geloof, hoop en liefde (art. XII-2).

Het tweede lid sluit nauw aan bij art. X-3 over de pastorale zorg. Het opzicht kan niet worden losgemaakt van pastorale zorg. De leden van de gemeente zijn geroepen naar elkaar om te zien, teneinde elkaar binnen de gemeente vast te houden. Dit krijgt gestalte in het onderling pastoraat. De basis daarvan is de persoonlijke ontmoeting en het doel is elkaar op te bouwen in geloof, hoop en liefde (vgl. art. X-3). De speciale taak van de ambtsdragers wordt in art. V-2 en 3 aangegeven en in ord. 10 uitgewerkt.

Het opzicht dat wordt uitgeoefend door of in opdracht van de ambtelijke vergaderingen, betreft
het geestelijk leven van de gemeenten, het gehoor geven aan haar roeping en
de vervulling van ambten en andere diensten;

|62|

de belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers en van hen, die een andere dienst vervullen; en
de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van predikanten (art. XII-3)
.

Lid 3 noemt waarop het opzicht dat door of in opdracht van de ambtelijke vergaderingen wordt uitgeoefend, betrekking heeft. In de grondleggende bepalingen van de kerkorde worden de kernzaken genoemd. Het opzicht is een verantwoordelijkheid van de ambtelijke vergadering, maar kan worden gedelegeerd aan colleges. Het opzicht in het algemeen betreft de drie niveaus die in dit lid worden aangegeven en in de leden 4, 5, en 6 worden ingevuld. Hoe een en ander concreet wordt uitgevoerd, is nader geregeld in ord. 10.

Het opzicht over de gemeenten geschiedt in de visitatie en betreft haar geestelijk leven, het gehoor geven aan haar roeping en de vervulling van ambten en andere diensten en heeft ten doel de opbouw van de gemeente (art. XII-4).

Het opzicht over de gemeenten wordt visitatie genoemd. Onder visitatie kan het regelmatig terugkerend bezoek aan de gemeenten in opdracht van de ambtelijke vergadering verstaan worden. Dit ‘huisbezoek’ van de meerdere vergadering houdt de eenheid van de kerk vast en bevordert haar saamhorigheid. Het gesprek zal vooral gaan over de kwaliteit van het gemeente-zijn. Als thema’s worden genoemd: het geestelijk leven van de gemeente, het gehoor geven aan haar roeping en de vervulling van ambten en andere diensten. De invalshoek is pastoraal en het doel is de opbouw van de gemeente. Deze gemeenteopbouw is niet alleen naar binnen gericht, maar betreft ook haar missionaire opdracht en diaconale roeping. In ord. 10, hoofdstuk II, wordt de visitatie nader uitgewerkt.

Het opzicht over belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers en van hen die een andere dienst vervullen, wordt uitgeoefend door pastorale samenspreking en vermaan (art. XII-5).

Ook het opzicht waarover dit lid spreekt, wordt uitgeoefend door of in opdracht van de ambtelijke vergaderingen. Welke dat zijn, wordt beschreven in ord. 10, hoofdstuk III. In sobere bewoordingen wordt gezegd op welke wijze dit opzicht wordt uitgeoefend, namelijk door ‘pastorale samenspreking en vermaan’. De predikant en ouderling hebben hier ook een taak in het bezoekwerk. Mochten zij stuiten op een kwestie waar vermaan aan de orde zou zijn, dan kan dat samen met andere ambtsdragers worden gedeeld. Het doel is het bewaren van de gemeenschap. Daarin wordt tot uitdrukking gebracht dat men binnen de gemeente elkaar wil vasthouden. De verantwoordelijkheid inzake beslissingen wordt gezamenlijk gedragen.

|63|

Met het oog op de rechte bediening van Woord en sacramenten houdt de kerk opzicht over de verkondiging en de catechese, alsmede over de opleiding en vorming van predikanten (art. XII-6).

De kerk houdt opzicht over de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van predikanten. Dit geschiedt met het oog op de rechte bediening van Woord en sacramenten, waarvoor de kerk in haar meerdere vergaderingen verantwoordelijkheid draagt (ord. 10, hoofdstuk IV). Dit opzicht over de ‘leer’ betreft ook het opzicht over de verkondiging en behoort bij de kerk als geheel, omdat het is gericht zowel op de rechte bediening van het Woord als op het weren uit prediking en onderricht van wat de fundamenten van de kerk aantast.

Indien nodig gaat de kerk over tot toepassing van de middelen die met kerkelijke tucht gegeven zijn, volgens de regels bij ordinantie gesteld (art. XII-7).

Het laatste lid van dit artikel spreekt over het vermaan met een uiteindelijk disciplinaire grens. Tucht is afgeleid van een werkwoord dat te maken heeft met trekken, want er moet worden behouden, geheeld en genezen. Wanneer iemand dit beslist afwijst, staan de kerk middelen ten dienste als beschreven in ord. 10-9-6 en 7.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.7

1.3.7 De financiën

De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden (art. XIII)
1. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente berust bij de kerkenraad, die de verzorging van deze zaken toevertrouwt aan
het college van diakenen, voor zover het betreft de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconale aard en
de daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen die — desgewenst aangevuld met andere leden van de gemeente — tezamen het college van kerk-rentmeesters vormen, voor zover het betreft de andere vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente.
2. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de classis berust bij de classicale vergadering.
3. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse synode, waaronder de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse gemeenten gemeenschappelijk, berust bij de evangelisch-lutherse synode.
4. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk berust bij de generale synode.
5. Op de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden wordt toegezien door de daartoe aangewezen organen van de kerk
.

|64|

Ten aanzien van de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente en de kerk is als uitgangspunt gekozen dat bestuur en beheer in een hand behoren te liggen. Geld is een geestelijke zaak. Het instandhouden van de eredienst en de voortgang van het kerkenwerk vraagt van de leden van de gemeente naast een bijdrage in tijd en capaciteiten ook financieel meeleven. Het onderhoud van gebouwen, het betalen van salarissen, de missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de kerk moeten gefinancierd worden. De zorg daarvoor berust bij de ambtelijke vergaderingen aan wie de leiding in de kerk is toevertrouwd. Plaatselijk berust deze zorg bij de kerkenraad. De kerkenraad houdt zich daar niet elke vergadering mee bezig. Hij vertrouwt de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden toe aan twee colleges: het college van diakenen en het college van kerkrentmeesters. In elke gemeente zullen deze beide colleges aanwezig dienen te zijn. Dat wil niet zeggen dat deze colleges in elke gemeente op dezelfde manier zijn samengesteld. Voor het college van diakenen geldt dat de omvang afhankelijk is van het aantal diakenen in een gemeente. Voor de kerkrentmeesters is er nog een variant. Het college van kerkrentmeesters bestaat uit daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen. Dit college kan desgewenst worden aangevuld met andere leden van de gemeente. De kerkorde laat open of alle kerkrentmeesters ouderling zijn en zitting hebben in de kerkenraad of slechts de meerderheid ambtsdrager is.

Het bruikbare instrument om inhoud te geven aan de zorg is de vaststelling van het beleidsplan, de begrotingen en de jaarrekeningen. Zo wordt aan de eindverantwoordelijkheid van de kerkenraad gestalte gegeven.

Over deze belangrijke zaak is hiermee nog niet alles gezegd. Waar gelden en goederen van de gemeenschap worden beheerd, moet verantwoording worden afgelegd. Er wordt op toegezien dat in de kerk verantwoord wordt omgegaan met de vermogensrechtelijke aangelegenheden. Veelal is door de vorige generatie bezit overgeleverd en zal dit ook weer worden doorgegeven aan het nageslacht. In het toezien helpen kerk en gemeente elkaar daar zorgvuldig mee om te gaan. Ord. 11 beschrijft hoe het toezien geregeld is en geeft een uitwerking van de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente, de classis, de evangelisch-lutherse synode en de kerk.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.8

1.3.8 Bezwaren en geschillen

Bezwaren en geschillen (art. XIV)
1. Bezwaren en geschillen voor de behandeling waarvan in de orde van de kerk niet een afzonderlijk orgaan of een bijzondere wijze van behandeling is aangegeven, worden voorgelegd aan de daartoe aangewezen colleges.
2. Onverminderd het in lid 1 bepaalde kan bij een kerkelijk lichaam een verzoek tot herziening van een door dit lichaam genomen besluit worden ingediend.

|65|

Om de rechtszekerheid in de kerk te waarborgen, kiest de kerkorde ten aanzien in bezwaren en geschillen voor een onafhankelijke rechtspraak. Rechtsbescherming is in de gemeenschap van de kerk een groot goed. Het woord ‘college’ wordt gebruikt om de zelfstandige beslissingsbevoegdheid ten opzichte van de ambtelijke vergaderingen te benadrukken. Deze colleges worden regionaal benoemd door de algemene classicale vergadering. Is men het met een beslissing in het regionale college niet eens, dan is er beroep mogelijk op het generale college, waarvan de leden worden benoemd door de kleine synode.

Bij een bezwaar tegen een besluit van een kerkelijk lichaam kan men zich wenden tot het college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Het is echter ook mogelijk aan het kerkelijk lichaam zelf te vragen om het genomen besluit te heroverwegen. Met dit revisieverzoek wordt het harmoniemodel gevolgd. Het tweede lid van dit artikel is gesteld als een kan-bepaling. Dikwijls zal de motivatie voor een dergelijk verzoek ontbreken en zal gebruik worden gemaakt van de eerste mogelijkheid.

Het gaat in dit artikel niet over klachten betreffende belijdenis of wandel, maar over beslissingen die aangevochten kunnen worden, waartegen een bezwaar kan worden ingediend. Over de aard van de bezwaren en geschillen en de wijze van behandeling zie men ord. 12.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.9

1.3.9 De opleiding van de predikanten

De opleiding en vorming van predikanten (art. XV)
1. De zorg voor de opleiding en vorming van predikanten berust bij de generale synode.
2. De opleiding en vorming van predikanten vindt plaats bij of aan universiteiten en seminaria die door de kerk zijn gesticht of aangewezen.
3. De generale synode kan, in geval van een opleiding elders of bij singuliere gaven, een andere weg tot het ambt van predikant openen.
4. Wie de toelating tot het ambt van predikant verlangen dienen mee te werken aan onderzoek naar geschiktheid, bekwaamheid en roeping tot het ambt.
5. Indien er geen bezwaren bestaan, verkrijgen zij na het afleggen van de daartoe bestemde belofte het recht om als proponent te staan naar het ambt van predikant
.

De kerken die voortkomen uit de reformatie hebben altijd groot belang gehecht aan een academische opleiding van hun predikanten. Het ambt van predikant is voor alles verbonden met het Woord. Van een predikant wordt gevraagd de Heilige Schrift te kunnen lezen in de grondtalen en zich te bekwamen in uitleg en vertolking. Er is kennis nodig van de geschiedenis en het belijden van de kerk in oecumenisch perspectief en in het bijzonder van de reformatorische traditie. Men dunt zich te verdiepen in de leer van de kerk en het leven van de mensen. De

|66|

opleiding tot het ambt vraagt dan ook om een gedegen scholing in de praktische vakken. Niet alleen aan de wetenschappelijke opleiding wordt veel waarde gehecht, maar ook aan de vorming van wie het ambt bekleedt. De kerk vindt opleiding en vorming zo belangrijk dat de zorg daarvoor berust bij de generale synode. Zij stelt de vereisten en de eindtermen vast.

De opleiding en vorming van predikanten vindt plaats bij of aan universiteiten en seminaria die door de kerk zijn gesticht of aangewezen. ‘Gesticht’ gaat voorop omdat het opleidingen betreft die de kerk zelf in het leven heeft geroepen. Daarna wordt gesproken over ‘aangewezen’, waarmee de opleiding tot het predikantschap aan openbare universiteiten is bedoeld. Met deze zinsnede wordt het vereiste niveau aangegeven.

De generale synode kan in bepaalde gevallen een andere weg tot het predikantschap openen. Dit is mogelijk wanneer iemand in het buitenland heeft gestudeerd. Een opleiding in het buitenland geeft niet automatisch toegang tot het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in Nederland. Om de leemte voor het werken in de Nederlandse situatie te vullen, kan er voor degenen die dit verlangen een speciale route worden uitgelegd. Uitgangspunt blijft een degelijke theologische opleiding van wetenschappelijk niveau. De kerkorde houdt de mogelijkheid open dat leden van de kerk singuliere gaven, een bijzonder charisma, hebben ontvangen voor het ambt van predikant. Toelating via deze weg behoort echter tot de uitzonderingen.

Allen die verlangen toegelaten te worden tot het ambt van predikant dienen mee te werken aan onderzoek naar geschiktheid, bekwaamheid en roeping tot het ambt. Voor de beoordeling van de geschiktheid wordt door de generale synode een procedure aangegeven. De bekwaamheid wordt aan de universiteiten getoetst door middel van tentamens en examens. Moeilijker dan het meten van studieresultaten of het beoordelen van de habitus is het om over roeping te spreken. Toch mag naast geschiktheid en bekwaamheid als vereiste het gesprek over roeping niet achterwege blijven. Er kan zeker zakelijk over het predikantschap worden gesproken, maar er zit ook een element in dat niet is te omschrijven in termen van vaardigheid of deskundigheid. Daarvoor wordt het woord ‘roeping’ gebruikt. Dit gesprek wordt gevoerd aan de hand van een ingezonden preek met orde van dienst, zodat in het horen naar het Woord de persoonlijke motivatie naar voren kan komen.

Indien er geen bezwaren bestaan, verkrijgen wie toegelaten willen worden tot het ambt van predikant na het afleggen van de daartoe bestemde belofte het recht om als proponent te staan naar het ambt. Een lid van de kerk, dat is toegelaten tot het ambt van predikant, maar nog niet als zodanig is beroepen en bevestigd, kan zich als beroepbaar voorstellen (‘proponeren’) aan de gemeenten van de kerk en is bevoegd als proponent in kerkdiensten voor te gaan.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.3.10

|67|

1.3.10 Oecumenisch perspectief

Leven en werken van de kerk in oecumenisch perspectief (art. XVI)
1. Als gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk, is de kerk geroepen om de eenheid, de gemeenschap en de samenwerking met andere kerken van Jezus Christus te zoeken en te bevorderen.
De kerk neemt deel aan en stimuleert de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld.
Zij zoekt en onderhoudt nauwere betrekkingen met kerken waarmee zij door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is.
Zij zoekt vereniging met de kerken waarmee eenheid of verwantschap bestaat in geloof en kerkorde.
2. In de missionaire arbeid, in Nederland en in de wereld, vervult de kerk haar zendingsopdracht, samen met kerken en gemeenten ter plaatse, in ondersteuning van elkaar.
3. In de diaconale arbeid, in Nederland en in de wereld, vervult de kerk haar opdracht om zich in te zetten voor wie lijden en hen bij te staan in het zoeken naar vertroosting en gerechtigheid, in samenwerking met kerken en gemeenten ter plaatse en met verwante instanties.
4. De kerk verricht haar arbeid van getuigenis en dienst in respectvolle omgang met andere godsdiensten
.

Achter de Protestantse Kerk in Nederland klinkt steeds de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk door. Dat is de inzet van art. I-1 en keert nu afsluitend terug. Alles wat in deze kerkorde geschreven is, wordt hierdoor gekleurd. Het bestaan van afzonderlijke kerken als de Protestantse Kerk in Nederland wordt gerelativeerd door de wereldwijde Kerk van Christus. Heel de kerk en de bewoonde wereld staan in het oecumenisch perspectief.

In lid 1 gaat het om eenheid, gemeenschap en samenwerking. Deze begrippen worden in drie delen in een opklimmende reeks verwoord.

Het eerste deel is multilateraal. ‘Oecumenische arbeid’ dient hier te worden gelezen als een totaal begrip voor wat er vanuit de oecumenische organen in Nederland, op Europees of op mondiaal niveau gebeurt. De taak van de kerk is niet alleen daaraan deel te nemen, maar ook deze arbeid te stimuleren.

Deel twee is bilateraal. De toon is minder afstandelijk dan ‘deelnemen’. Er wordt hier gesproken over zoeken en onderhouden. Er is reeds een relatie aangegaan met de deelname aan de oecumenische arbeid en deze relatie wordt nauwer met kerken waarmee de Protestantse Kerk in Nederland in de reformatorische traditie staat. Door bijzondere banden van belijdenis of geschiedenis gaat het om het zoeken en onderhouden van nauwere betrekkingen.

In het derde deel wordt nog een stap verder gezet met de zinsnede ‘zij zoekt

|68|

vereniging’. Het gaat dan om kerken waarmee eenheid of verwantschap in geloof en kerkorde bestaat. Onder ‘geloof’ moet hier de inhoud van het geloof, de belijdenis, verstaan worden. De term ‘geloof en kerkorde’ sluit aan bij het oecumenisch spraakgebruik van ‘Faith and Order’ als een van de werkvelden van de Wereldraad van Kerken.

De kerk heeft, evenals de gemeenten, bij het naar buiten treden met de openbare verkondiging van het evangelie vrijwel overal, in Nederland en in de wereld, te maken met daar reeds aanwezige kerken en gemeenten. De missionaire arbeid die in art. XVI-2 wordt genoemd (vgl. art. 1-8, IV-1, V-2 en 3, X-1), wordt dan niet op eigen gelegenheid verricht, maar samen met kerken en gemeenten ter plaatse. Het gaat in zending en evangelisatie om een relatie van wederkerigheid, waarin betrokkenen ten opzichte van elkaar gevende en ontvangende partij zijn. Zij zoeken elkaar te ondersteunen. Wanneer verschillen in geloofsbelijdenis, spiritualiteit of cultuur dit bemoeilijken, zal toch met de aanwezigheid van een kerk of gemeente ter plaatse gerekend worden.

Evenals in art. X wordt ook in oecumenisch perspectief de missionaire en diaconale arbeid dicht bij elkaar gehouden. Slechts de specifieke opdracht verschilt in de bewoordingen (vgl. art. 1-8, V-2 en 3, X-2). Toegevoegd wordt in art. XVI-3 de samenwerking met verwante instanties. Daarmee worden organisaties die werken op hetzelfde terrein van leniging van nood en het bevorderen van gerechtigheid bedoeld. Zo opent dit lid voor de kerk en de gemeenten de mogelijkheid tot samenwerking met bijvoorbeeld ICCO, Amnesty International, Vluchtelingenwerk en dergelijke organisaties.

De vervulling van de missionaire en diaconale arbeid is gericht op een bewoonbare aarde. Met het oog op een voor alle mensen en volken leefbare samenleving treedt de kerk andere godsdiensten met respect tegemoet (art. XVI-4). Kerken en gemeenten hebben in Nederland en daarbuiten te maken met andere godsdiensten. In de roeping tot getuigenis en dienst (art. 1-8) gaat de kerk daarmee respectvol om. Het woord ‘omgang’ behelst geen waardeoordeel, maar duidt op de houding die wordt ingenomen. De kerk acht het gedachtegoed van andere godsdiensten niet gelijkwaardig aan het heil in Jezus Christus, maar wijst minachting van het geloof van anderen af als niet passend bij het winnen van mensen en volken voor het evangelie. In een respectvolle omgang worden godsdiensten niet gelijkgeschakeld, maar wordt een weg begaanbaar waarop mensen samen kunnen spreken over vragen van gerechtigheid en vrede, van verzoening en liefde.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 1.4

|69|

1.4 De orde van de kerk

De ordinanties (art. XVII)
1. De orde van de kerk wordt nader geregeld bij of krachtens ordinantie.
2. Een ordinantie wordt vastgesteld of gewijzigd door de generale synode.
3. Een voorstel tot vaststelling van of wijziging in een ordinantie kan worden ingediend, hetzij door een classicale vergadering, door de evangelisch-lutherse synode of door een orgaan van bijstand van de generale synode, hetzij in de generale synode zelf.
Tot het indienen van een dergelijk voorstel kan door de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode of het orgaan van bijstand van de generale synode echter niet worden besloten in dezelfde bijeenkomst als die waarin het voorstel werd gedaan.
4. Nadat de generale synode een ordinantie of een wijziging in een ordinantie in eerste lezing heeft vastgesteld, legt zij deze voor aan de kerkenraden ter consideratie door de classicale vergaderingen en door de evangelisch-lutherse synode.
5. Daarna kan de generale synode de desbetreffende ordinantie of wijziging in een ordinantie definitief vaststellen.

Wijziging in de kerkorde (art. XVIII)
1. Wijzigingen in de kerkorde worden aangebracht door de generale synode.
2. Een voorstel tot een wijziging in de kerkorde kan worden ingediend, hetzij door een classicale vergadering of door de evangelisch-lutherse synode, hetzij in de generale synode zelf.
Tot het indienen van een dergelijk voorstel kan door de classicale vergadering of de evangelisch-lutherse synode echter niet worden besloten in dezelfde bijeenkomst als die waarin het voorstel werd gedaan.
3. Een wijziging in de kerkorde betreffende de evangelisch-lutherse gemeenten en de evangelisch-lutherse synode kan eerst in eerste lezing worden vastgesteld na instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode.
4. Nadat de generale synode een wijziging in de kerkorde in eerste lezing heeft vastgesteld, legt zij deze voor aan de kerkenraden ter consideratie door de classicale vergaderingen en door de evangelisch-lutherse synode.
5. Daarna kan de generale synode de wijziging in de kerkorde definitief vaststellen, waartoe een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen vereist is.

De orde van de kerk in tijden van nood (art. XIX)
1. Indien en voor zover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven van de kerk onmogelijk maken, treffen de daarvoor in aanmerking komende lichamen van de kerk of hun leden de door

|70|

de omstandigheden tijdelijk geboden, van de orde van de kerk afwijkende maatregelen.

De drie slotartikelen van de kerkorde handelen over de orde van de kerk. Elke vorm van samenleven vraagt om een zekere ordening. Voor de gemeenschap van de kerk is dat niet anders. Christus is het Hoofd van de Kerk en de gemeente wordt begenadigd door de Geest. Dit houdt in dat het er menselijk aan toe gaat. De vraag is dus hoe het leven en werken van gemeente en kerk met orde kan geschieden. Kerkorde en ordinanties zijn middelen die dienstbaar willen zijn aan een goed functioneren. De regelingen zijn in gezamenlijk overleg ontworpen voor de hele kerkgemeenschap, zodat we samen weten waarop wij aanspreekbaar zijn en waar wij elkaar aan kunnen houden.

Het woord ‘ordinanties’ is door de geschiedenis geijkt als een praktische uitwerking van zaken die in de kerkorde worden genoemd. De bepalingen waarin de in de kerkorde genoemde terreinen nader worden geregeld en geconcretiseerd, worden gerangschikt in hoofdstukken en deze hoofdstukken worden ‘ordinanties’ genoemd. Heel precies wordt gesteld dat de orde van de kerk nader wordt geregeld ‘bij of krachtens ordinantie’. ‘Bij’ houdt in dat bepalingen over de orde van de kerk in de ordinanties zijn opgenomen. ‘Krachtens’ wil zeggen dat regelingen kunnen worden ontworpen die uitwerking zijn van wat in de ordinanties is bepaald. Men kan hierbij denken aan de generale regelingen en overgangsbepalingen, maar ook aan de eigen regelingen die worden vastgesteld door de meerdere vergaderingen en aan de plaatselijke regelingen. Met de formulering ‘bij of krachtens ordinantie’ worden deze regelingen gebonden aan hetgeen in de kerkorde en de ordinanties is bepaald (ord. 4-4-2).

Bij de ambtelijke vergaderingen die een voorstel tot vaststelling of wijziging van de kerkorde of de ordinanties kunnen indienen, wordt de kerkenraad niet genoemd. Kerkenraden hebben de mogelijkheid via de door hen afgevaardigde ambtsdragers een voorstel in te dienen bij de classicale vergadering. Een dergelijk voorstel dient over voldoende draagvlak te beschikken. Wanneer dit het geval is, dient de classicale vergadering het voorstel in. Opgemerkt wordt dat over een voorstel dat wordt ingediend niet in dezelfde vergadering in besluitvormende zin kan worden gehandeld. Ten behoeve van een verantwoorde besluitvorming wordt een zekere vertraging ingebouwd.

Na de vaststelling of wijziging van een ordinantiebepaling in eerste lezing legt de generale synode deze voor aan de kerkenraden. De overwegingen van de kerkenraden worden ingebracht in de classicale vergadering, waarna de gemeenschappelijke consideraties van de classicale vergadering aan de generale synode worden aangeboden. De classicale vergadering en de evangelisch-lutherse synode zijn de considererende vergaderingen. In de tweede lezing vindt de definitieve vaststelling of wijziging plaats door de generale synode (zie § 6.5.1).

|71|

De eerste beide leden van art. XVIII lopen parallel aan art. XVII-2 en 3.

In lid 3 wordt een uitzondering gemaakt, wanneer een voorstel tot wijziging in de kerkorde de evangelisch-lutherse gemeenten en/of de evangelisch-lutherse synode betreft. De eerste lezing kan dan pas worden vastgesteld na instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode. Deze bepaling vloeit voort uit de noodzakelijk eigen positie van de lutheranen binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Het gaat daarin om het bewaren en vruchtbaar maken van de lutherse traditie die bij bepaalde zaken concreet in het geding kan zijn. Lid 4 loopt weer parallel aan art. XVII-4.

Een definitieve wijziging in de kerkorde vereist in de generale synode een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen. Daarmee wordt aangegeven hoe belangrijk het is dat voor wijziging in de kerkorde een breed draagvlak in de kerk bestaat.

 

De kerkorde sluit af met een bijzondere bepaling voor het geval buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van de kerk onmogelijk maken. Art. XIX is geformuleerd met het oog op tijden van nood in bijvoorbeeld een oorlogssituatie of bij een ingrijpende ramp. Deze buitengewone omstandigheden zijn niet te voorzien en kunnen dus niet in een artikel worden geregeld. Er wordt met dit artikel een opening gegeven, waardoor de kerk in evidente gevallen bevoegd is naar bevind van zaken te handelen. De bepaling maakt het zelfs mogelijk, wanneer de kerk door uitzonderlijke omstandigheden niet in haar ambtelijke vergaderingen kan bijeenkomen, dat ambtsdragers of gemeenteleden zelf hun verantwoordelijkheid nemen en handelend optreden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H2

72-79

|72|

2 Structuur en begripsomschrijving

 

In dit hoofdstuk wordt in de paragrafen 2.1 tot en met 2.6 een korte uiteenzetting gegeven van de opbouw van de kerkorde en van de structuur van de Protestantse Kerk in Nederland, met name voor juridisch gebruik. Paragraaf 2.7 geeft een verklarende woordenlijst; deze bevat een toelichting op een aantal kerkordelijke aanduidingen en uitdrukkingen die van belang zijn voor het op de juiste wijze hanteren van de kerkorde.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.1

2.1 De kerkorde

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland omvat (zoals ovb. 3 aangeeft):
- De kerkorde in engere zin, waarin de grondleggende bepalingen zijn opgenomen (art. XVIII). Deze kerkorde in engere zin telt 19 artikelen die met Romeinse cijfers worden genummerd.
- De ordinanties (art. XVII). De kerkorde in engere zin wordt uitgewerkt in 14 ordinanties, waarin nadere regelingen worden gegeven.
- De overgangsbepalingen. Met het oog op de inwerkingtreding van de kerkorde zijn er 297 overgangsbepalingen vastgesteld, waarin de overgang van het oude recht van de drie zich verenigende kerken naar de Protestantse Kerk in Nederland wordt geregeld. In de overgangsbepalingen wordt ten aanzien van sommige ordinantiebepalingen een voorlopige uitzondering mogelijk gemaakt.
- De generale regelingen. Deze regelingen bevatten bepalingen van meer technische aard en kunnen door de generale synode zelf worden vastgesteld en gewijzigd (ord. 4-26-1).

Ook de plaatselijke regelingen en regelingen van andere organen van de kerk maken deel uit van het kerkelijk recht (art. XVII-1 en ord. 4-4-2).

De kerkorde is niet in de eerste plaats een juridisch document, maar geeft regelingen voor het leven en werken van de kerk om het mogelijk te maken aan haar roeping te beantwoorden. De kerkorde is daarom (ook) sterk theologisch bepaald. In juridische zin geldt de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland als het statuut van de kerk als bedoeld in art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.2

2.2 De structuur

De Protestantse Kerk in Nederland is de voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (art. II-1).

|73|

Bepalend in de structuur van de kerk zijn:
- de kerk in haar geheel,
- de classis,
- de gemeente.

De kerk, de classis en de gemeente worden elk — als een gestalte van het kerk-zijn op een bepaald gebied — bestuurd door hun eigen ambtelijke vergadering. De kerkorde gebruikt voor deze bestuurlijke taak de uitdrukking ‘leiding geven aan’ (art. VI-1 en 4). Aan de kerk in haar geheel wordt leidinggegeven door de generale synode (art. VI-2 en 4, ord. 4-25 t/m 29), aan de classis door de classicale vergadering (art. VI-2 en 4, ord. 4-14 t/m 21) en aan de gemeente door de kerkenraad (art. VI-2 en 4, ord. 4-6 t/m 13) of de wijkkerkenraad (ord. 4-9-4).

Daarnaast (en daarvan afgeleid) zijn er andere ambtelijke vergaderingen die op een bepaald gebied verantwoordelijkheid dragen, zoals
- de algemene kerkenraad voor een gemeente die in wijkgemeenten is ingedeeld (ord. 4-9-1);
- de streekkerkenraad voor gemeenten die zijn samengebracht in een streekge-meente (ord. 2-17);
- de algemene classicale vergadering voor de classicale vergaderingen die in een regio samenwerken (art. VI-7, ord. 4-19-1);
- de evangelisch-lutherse synode voor de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen (art. VI-2 en 4, ord. 4-22 t/m 24).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.3

2.3 De gemeente

Een gemeente is een protestantse gemeente, een hervormde gemeente, een gereformeerde kerk of een evangelisch-lutherse gemeente (art. II-2, ord. 2-11-1). Binnen eenzelfde gebied kunnen deze gemeenten naast elkaar voorkomen. De gemeenten bezitten als zelfstandig onderdeel van de kerk rechtspersoonlijkheid.

De gewone (wijk)gemeenten zijn allereerst geografisch bepaald: als leden van de gemeenten worden ingeschreven de leden van de kerk die binnen haar gebied wonen (ord. 2-2-2). Daarnaast kunnen ook anderen op hun verzoek als lid worden ingeschreven. Tot een (wijk)gemeente van bijzondere aard (ord. 2-13-5 en 2-16-8) behoort men slechts op eigen verzoek.

 

Aan de gemeente wordt leidinggegeven door de kerkenraad (art. VI-2 en 4, ord. 4-6 t/m 13). Het dagelijks bestuur van de kerkenraad wordt gevormd door het moderamen.

De kerkenraad vertrouwt de verzorging van vermogensrechtelijke aangelegenheden die niet tot de taak van de diakenen behoren, toe aan het college van kerk-rentmeesters (ord. 11-1-2). De gemeente wordt terzake vertegenwoordigd door

|74|

de voorzitter en de secretaris of hun plaatsvervanger(s) tezamen (ord. 11-5-1).

De kerkenraad vertrouwt de verzorging van vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard toe aan het college van diakenen (ord. 11-1-2). Het college van diakenen oefent deze taak uit als bestuur van de diaconie die rechtspersoonlijkheid bezit en de gemeente vertegenwoordigt in vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard. De gemeente wordt terzake vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris of hun plaatsvervanger(s) tezamen (ord. 11-5-2).

In alle overige zaken wordt de gemeente vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de kerkenraad of hun plaatsvervanger(s) tezamen (ord. 11-5-3).

 

Een gemeente kan worden ingedeeld in twee of meer wijkgemeenten. In dat geval hebben alleen de gemeente in haar geheel en de diaconie van de gemeente in haar geheel rechtspersoonlijkheid. Een wijkgemeente heeft geen rechtspersoonlijkheid (ord. 11-5-1), behoudens toepassing van ovb. 82.

In een combinatie van gemeenten (ord. 2-15) behouden de gemeenten die de combinatie vormen elk hun rechtspersoonlijkheid en komt aan de combinatie geen rechtspersoonlijkheid toe.

In een streekgemeente (ord. 2-17) behouden de tot de streekgemeente behorende gemeenten elk hun rechtspersoonlijkheid, maar bezit ook de streekgemeente zelf rechtspersoonlijkheid (ord. 11-5-1). Een tot de streekgemeente behorende huis-gemeente (ord. 2-17-4) bezit geen rechtspersoonlijkheid (ord. 11-5-1). Voor andere vormen van samenwerking of samenwerkingsverbanden van gemeenten, zoals de gemeenschappelijke regeling (ord. 4-11) of het ringverband (ord. 4-17), geldt dat zij geen rechtspersoonlijkheid bezitten.

Bij vereniging (fusie), splitsing en samenvoeging van gemeenten en de vorming van een nieuwe gemeente vindt toepassing van de generale regeling fusie en splitsing plaats.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.4

2.4 De classis

De gemeenten binnen een bepaald geografisch gebied worden samengebracht in een classis (ord. 2-20-1). Aan de classis wordt leidinggegeven door de classicale vergadering (art. VI-4, ord. 4-14 t/m 16) met als dagelijks bestuur haar moderamen (ord. 4-16-2 t/m 4) en haar breed moderamen (ord. 4-16-5 en 6).

De Waalse gemeenten vormen een eigen classis en komen samen in een classicale vergadering, genaamd de Réunion Wallonne (ord. 4-21-1).

De classes bezitten rechtspersoonlijkheid en worden vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de classicale vergadering of hun plaatsvervanger(s) tezamen (ord. 11-13-1).

|75|

De classes binnen een bepaald geografisch gebied worden samengebracht in een regionaal verband (ord. 2-20-1). De ambtelijke vergadering voor dit regionaal verband van classes is de algemene classicale vergadering waarin de classicale vergaderingen een aantal gemeenschappelijke taken uitoefenen (ord. 4-15-1 en ord. 4-19 en 20).

Het regionale verband van de classes en de algemene classicale vergadering hebben geen rechtspersoonlijkheid.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.5

2.5 De kerk

De kerk bestaat uit al de gemeenten (art. II-2).

Aan de kerk als geheel wordt leidinggegeven door de generale synode (art. VI-2 en 4, ord. 4-25 t/m 29), met als dagelijks bestuur haar moderamen (ord. 4-27-2 en 3) en haar breed moderamen, genaamd de kleine synode (ord. 4-27-4 en 5).

De kerk heeft rechtspersoonlijkheid en wordt vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de generale synode of hun plaatsvervanger(s) tezamen (ord. 11-19-1).

 

De evangelisch-lutherse synode, gekozen uit en door de evangelisch-lutherse leden van de kerk, oefent als ambtelijke vergadering een aantal taken uit die de evangelisch-lutherse gemeenten gemeenschappelijk aangaan (art. VI-2 en 4, ord. 4-22 t/m 24).

De evangelisch-lutherse synode heeft rechtspersoonlijkheid en wordt vertegenwoordigd door haar president en haar eerste secretaris of hun plaatsvervanger(s) tezamen (ord. 11-16-1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.6

2.6 Zelfstandige onderdelen en stichtingen

De generale synode is bevoegd bij generale regeling kerkelijke instellingen in het leven te roepen die als zelfstandig onderdeel van de kerk rechtspersoonlijkheid bezitten (ord. 11-26-1 t/m 4). Een voorbeeld van een kerkelijke instelling is de dienstenorganisatie (G.R. dienstenorganisatie, art. 1-1).

Overdracht van taken en bevoegdheden, rechten en verplichtingen aan een andere rechtspersoon kan binnen de kerk slechts plaatsvinden aan een stichting als bedoeld in art. 2:285 bw en is gebonden aan de voorwaarden die in de generale regeling voor de stichtingen zijn gesteld (ord. 11-27). Deze generale regeling maakt onderscheid tussen een protestantse stichting (G.R. stichtingen, art. 2-5), een interkerkelijke stichting (G.R. stichtingen, art. 6) en een gemengde stichting (art. 7). Daarnaast is de kerk als geheel bevoegd tot het oprichten van of het deelnemen in een besloten vennootschap als bedoeld in art. 2:175 bw (ord. 11-27-1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 2.7

|76|

2.7 Verklarende woordenlijst

Aanbeveling en voordracht: zie bij voordracht

(Algemene) kerkenraad
De aanduiding (algemene) kerkenraad (bijv. ord. 3-23-2) heeft betrekking op
- de kerkenraad, waar een gemeente niet in wijkgemeenten is ingedeeld; en
- de algemene kerkenraad (en dus niet op de wijkkerkenraad), waar een gemeente in wijkgemeenten is ingedeeld.

Beraad
Na beraad in de gemeente (bijv. ord. 5-4-1) duidt op een bezinningsproces in de gemeente, waarbij de gemeenteleden uitgenodigd worden om daaraan zelf daadwerkelijk deel te nemen.

Bij of krachtens
Een regeling bij of krachtens ordinantie (art. XVII-1, ord. 2-6-5):
- een regeling bij ordinantie is in de ordinantie zelf neergelegd;
- een regeling krachtens ordinantie is neergelegd in een regeling die op een ordinantiebepaling is gebaseerd.
Een generale regeling geldt als een regeling krachtens ordinantie.

Dispensatie of ontheffing
Het verlenen van dispensatie is slechts mogelijk als de mogelijkheid daarvoor expliciet in de bepalingen is aangegeven.

Door of vanwege
De aanduiding door of vanwege geeft aan dat de werkzaamheid door de betreffende vergadering zelf kan worden uitgeoefend, maar ook door deze vergadering kan worden gedelegeerd, zodat ze vanwege de vergadering wordt verricht (ord. 2-7-1, ord. 3-12-10).

Eindbeslissing of einduitspraak
Beslissing of uitspraak waartegen geen beroep kan worden ingesteld bij enig kerkelijk college (g.r. kerkelijke rechtspraak, art. 1-1 sub g).

Gebruikmaking van
De aanduiding met gebruikmaking van (bijv. ord. 3-5-7) geeft aan dat de orde van dienst uit het dienstboek van de kerk benut moet worden, maar dat er geen slaafse navolging wordt voorgeschreven (zie § 7.9).

Gekend en gehoord
Als de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord moeten worden (bijv. ord. 4-8-7), worden zij van de plannen op de hoogte gesteld en krijgen ze gelegenheid om daarover hun mening kenbaar te maken. Op welke wijze ze gekend en gehoord worden, wordt in de plaatselijke regeling vastgelegd (ord. 4-8-6). Zie § 6.2.2.

Gemeente
De aanduiding gemeente heeft betrekking op alle gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland, dus zowel op de protestantse gemeenten, als op de

|77|

hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten.
In geval van een gemeente met wijkgemeenten hebben de kerkordelijke bepalingen ten aanzien van de gemeente allereerst betrekking op de wijkgemeente (ord. 2-11-8).
Soms is met de gemeente zowel de gemeente als geheel als de wijkgemeente bedoeld (zo bijv. in ord. 2-11-3). In andere gevallen blijkt uit het verband dat de bepaling uitsluitend betrekking kan hebben op de gemeente als geheel. Zo kan de bepaling in ord. 2-11-4 geen betrekking hebben op de wijkgemeente, omdat de grenzen van de wijkgemeente door de algemene kerkenraad worden vastgesteld (ord. 2-16-6).

Kerk
Met de Kerk (met een hoofdletter) wordt de algemene christelijke Kerk bedoeld. In de kerkorde duidt de aanduiding de kerk (met een kleine letter) op de Protestantse Kerk in Nederland (art. VI-1).

Kerkenraad
In geval van een gemeente met wijkgemeenten hebben de kerkordelijke bepalingen ten aanzien van de kerkenraad allereerst betrekking op de wijkkerkenraad (ord. 2-11-8). Soms is met de kerkenraad zowel de algemene kerkenraad als de wijkkerkenraad bedoeld (zo bijv. in ord. 2-11-3). In andere gevallen blijkt uit het verband dat alleen de algemene kerkenraad kan zijn bedoeld. Zo kunnen de bepalingen van ord. 2-13 t/m 15 niet worden toegepast op wijkgemeenten, zodat daar voor ‘de kerkenraad’ steeds ‘de algemene kerkenraad’ moet worden gelezen.

Krachtens, zie: bij of krachtens

Leden
De leden van de gemeente worden onderscheiden in doopleden en belijdende leden (art. III-5, ord. 2-2). Als er in de kerkorde sprake is van de leden van de kerk (bijv. in ord. 1-5-1) zijn daarin de doopleden én de belijdende leden begrepen. Daarnaast kunnen leden van andere kerken als gastlid in een gemeente worden ingeschreven (ord. 2-3).
Behalve de doopleden, de belijdende leden en de gastleden kent de kerk de categorie ‘niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden alsmede zij die blijk geven van verbondenheid met de gemeente’ (art. III-5, ord. 2-4 en 2-8).

Medewerking en goedvinden van, met
Een besluit kan pas worden genomen als de genoemde instantie bij de plannen betrokken is en daaraan uiteindelijk haar goedkeuring heeft gegeven (bijv. ord. 4-6-4).

Meerdere vergaderingen
De ambtelijke vergaderingen, met uitzondering van de kerkenraad (art. VI-11 en ord. 4-3-1).

|78|

Mindere vergaderingen
De ambtelijke vergaderingen, met uitzondering van de generale synode (art. VI-11).

Ontheffing, zie: dispensatie

Overleg, in of na
Bij een beslissing in overleg (bijv. ord. 2-11-4) moeten beide instanties met het besluit instemmen.
De aanduiding na overleg (bijv. ord. 2-16-10) geeft aan dat de beslissende instantie eerst overleg pleegt, de inbreng van de geraadpleegde instantie serieus overweegt, maar vervolgens een eigen beslissing neemt; ze is daarbij niet gebonden aan het advies van de geraadpleegde instantie.
De uitdrukkingen laten open op welke wijze het overleg plaatsvindt. Dat kan zowel in een gezamenlijk beraad als door middel van een schriftelijke raadpleging geschieden.

Regel, in de
De aanduiding in de regel geeft aan (bijv. in ord. 2-16-1) dat de daar beschreven handelwijze inderdaad de regel is waarnaar men behoort te handelen. Alleen als daarvoor een bijzondere reden is, kan — beargumenteerd — van deze voorgeschreven gang van zaken worden afgeweken.

Romeinse artikelen
De artikelen van de kerkorde worden genummerd met Romeinse cijfers en worden daarom wel — in onderscheiding van de ordinanties — als de Romeinse artikelen aangeduid.

Stemgerechtigd
Stemgerechtigd zijn de belijdende leden van de gemeente. In de plaatselijke regeling kan ook aan de doopleden van 18 jaar en ouder en desgewenst aan de gastleden van de gemeente stemrecht worden toegekend (resp. ord. 3-2-3 en G.R. gastlidmaatschap, art. 6-4).

Voordracht en aanbeveling
Bij een voordracht is de benoemende instantie aan de voordracht gebonden (bijv. ord. 13-6-1). Ze moet iemand kiezen uit de voorgedragen personen, of kan — als ze de voorgedragen personen voor de functie niet geschikt acht — de voordracht terugzenden en een nieuwe voordracht vragen.
Bij een aanbeveling is de benoemende instantie niet gebonden. Zij kan ook een persoon benoemen die niet is aanbevolen (ord. 13-17-2).
Een uitzondering op deze regel geeft ord. 3-6-4 (zie § 5.3.1).

(Wijk) gemeente
De aanduiding (wijk)gemeente (bijv. ord. 2-7-1) heeft
- waar een gemeente niet in wijkgemeenten is ingedeeld, betrekking op de gemeente als geheel; en
- waar een gemeente in wijkgemeenten is ingedeeld, uitsluitend betrekking op de wijkgemeente (en dus niet op de gemeente als geheel).

|79|

(Wijk)kerkenraad
Wanneer gesproken wordt van de (wijk)kerkenraad (bijv. ord. 10-7-1) heeft de bepaling
- waar een gemeente niet in wijkgemeenten is ingedeeld, betrekking op de kerkenraad als geheel; en
- waar een gemeente in wijkgemeenten is ingedeeld, uitsluitend betrekking op de wijkkerkenraad (en dus niet op de algemene kerkenraad).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H3

80-89

|80|

3 Het belijden

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.1

3.1 Het belijden van de kerk

De relatie van de kerk tot haar belijden wordt verwoord in art. I van de kerkorde. Voor de strekking en de theologische achtergronden van dit artikel verwijzen we naar hoofdstuk 1.

De kerk belijdt de drie-enige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift (art. I-3). In het belijden van de kerk is een voortgaande lijn aan te wijzen.

Er zijn allereerst de belijdenisgeschriften van het voorgeslacht (art. I-4):
- de oecumenische symbolen: de belijdenisgeschriften van de vroege kerk,
- twee belijdenisgeschriften uit de lutherse traditie, en
- vier belijdenisgeschriften uit de gereformeerde traditie.

Als documenten die van betekenis zijn voor het belijden in het heden worden in art. I-5 twee documenten genoemd: de theologische verklaring van Barmen (1934) en de Konkordie van Leuenberg (1973).

Belijden is niet iets van het verleden alleen. De kerk in haar actuele gestalte wil een belijdende kerk zijn: in vieren, spreken en handelen belijdt ze Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld (art. I-6).

Wat de levende relatie tot het belijden van de kerk inhoudt, wordt in art. I-9 aangeduid met de woorden dat de kerk bij haar getuigenis in woord en daad gehouden is zich te bewegen in de weg van haar belijden. De kerk neemt haar belijden serieus: in die weg van het geloof heeft ze te gaan. De uitdrukking heeft tegelijk iets beweeglijks: het belijden is geen gestolde waarheid uit vroeger tijden, maar een weg om voort te gaan in de tijd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.2

3.2 Het belijden van de gemeente

In ord. 1-1 staat voorop dat de kerk als geheel en dus alle gemeenten verbonden zijn met de belijdenis van het voorgeslacht zoals dat is benoemd in art. I-4 van de kerkorde.

Vervolgens wordt echter een zekere gelaagdheid in de confessionele betrokkenheid aangebracht. De kerkorde geeft daarmee te kennen dat ze er ernst mee maakt dat de Protestantse Kerk in Nederland ontstaan is uit een samengaan van twee tradities, de lutherse en de gereformeerde. De verworteling van gemeenten in verschillende tradities zal binnen de verenigde kerk herkenbaar (kunnen) blijven. In ord. 1-1-1 wordt daarom geformuleerd dat — binnen het gemeenschappelijk belijden van de kerk — hervormde gemeenten en gereformeerde kerken zich in het bijzonder verbonden weten met de gereformeerde belijdenisgeschriften, en evenzo

|81|

dat de evangelisch-lutherse gemeenten zich in het bijzonder verbonden weten met de lutherse traditie. Met de naam van de gemeente is dus ook de confessionele positie van de gemeente binnen de Protestantse Kerk in Nederland gegeven. De bepaling is ook van toepassing op afzonderlijke wijkgemeenten (ord. 1-1-4). In de praktijk zal dat kunnen betekenen dat in de catechese en de leerdiensten in een hervormde gemeente of een gereformeerde kerk bijzondere aandacht zal worden gegeven aan het gereformeerde belijden, terwijl men in een evangelisch-lutherse gemeente de catechismus van Luther als uitgangspunt neemt.

Maar ook in het beleid van de kerkenraad kan deze bijzondere verbondenheid doorwerken. De kerk erkent en respecteert deze bijzondere verbondenheid (ord. 1-1-2). Een voorbeeld daarvan vinden we in ord. 10-1-4: in het opzicht zal rekening worden gehouden met de bijzondere verbondenheid van de gemeente (zie verder § 3.3).

 

In ord. 1-1-3 wordt duidelijk dat de bijzondere verbondenheid met het gereformeerde of het lutherse belijden niet mag leiden tot een confessioneel isolement. Een voorstel waarin sprake was van het toekennen van een exclusieve binding van gemeenten aan een van de beide tradities, waarbij deze gemeenten de gelijkwaardige betekenis van de andere traditie binnen de kerk niet zouden behoeven te erkennen, is bij de totstandkoming van de kerkorde afgewezen. Al is er verschil in benadering, de gemeenten erkennen en respecteren elkaar in hun confessionele integriteit. Ze zijn geroepen samen te volharden in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en te komen tot een gemeenschappelijk verstaan van de Schrift. Het geloofsgesprek in de kerk en tussen de gemeenten moet voortgaan.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.3

3.3 Notitie ‘Verbonden met het gereformeerd belijden’

In de laatste fase voor de vereniging was er sprake van een diepgaand beraad over de betekenis van ord. 1-1. De aanleiding daartoe waren vragen die door bezwaarden binnen de Nederlandse Hervormde Kerk werden gesteld met betrekking tot de draagwijdte van deze bepaling. Worden door het opnemen van de evangelisch-lutherse belijdenisgeschriften en het noemen van de Konkordie van Leuenberg de gereformeerde belijdenisgeschriften niet van hun kerkelijk gezag beroofd en wordt mede daardoor niet wettige ruimte gecreëerd voor leringen en praktijken die, naar het oordeel van de bezwaarden, in strijd zijn met de Heilige Schrift?

Om daarover aan verontruste kerkenraden helderheid te verschaffen heeft het moderamen van de hervormde synode (met instemming van het triomoderamen) op 15 mei 2003 de ‘Notitie Verbonden met het gereformeerd belijden’ aan de kerkenraden toegezonden, waarin op deze vragen werd ingegaan. Uit deze notitie nemen we hier enkele passages over.

|82|

In 1953 heeft het moderamen van de generale synode [van de NHK, red.] onderstreept dat de uitdrukking in de hervormde kerkorde ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’ niet intellectualistisch dient te worden opgevat maar wil zeggen: ‘hartelijke instemming met het getuigenis des Geestes dat de vaderen in het woord der Schrift hoorden en waarop zij in hun getuigenis antwoordden’. Er wordt bedoeld ‘een binding door het getuigenis van de Heilige Geest aan de religie van de belijdenis’.
Deze binding aan de belijdenisgeschriften — opgevat in meer geestelijke zin als een binding aan de religie van de belijdenis — sluit het gebruik van andere bewoordingen in het belijden van de kerk en zelfs het stellen van kritische vragen aan de belijdenisgeschriften niet uit.

Zie daarover het herderlijk schrijven van de generale synode van de NHK (1961): Over de belijdenis der kerk en haar handhaving.

Al heeft de NHK haar relatie tot de belijdenisgeschriften ruimer geformuleerd dan de bezwaarden voorstaan, dat ontzegt hun niet het recht om zelf binnen deze kerk te leven vanuit een strikte binding aan het klassieke belijden van de kerk en om vanuit deze visie de kerk aan te spreken op haar belijden. Immers, de gehele kerk is geroepen tot gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en gehouden zich te bewegen in de weg van haar belijden. Zo heeft de hervormd-gereformeerde stroming haar roeping verstaan binnen de NHK.

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

Ook in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland wordt de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst vooropgesteld (art. I-3). Dit uitgangspunt maakt duidelijk dat deze kerkorde geen ruimte wil geven voor het invoeren van leringen en praktijken die in strijd zijn met de Heilige Schrift. In de kerkorde wordt ervan uitgegaan dat ook de lutherse belijdenisgeschriften de Schrift zoeken na te spreken, al is er tussen lutheranen en gereformeerden soms verschil van inzicht hoe de Schrift in bepaalde vragen moet worden verstaan. Wanneer binnen de reformatorische traditie verschillen in de leer worden vastgesteld, is het antwoord van de Protestantse Kerk in Nederland daarop niet dat deze opvattingen over en weer als onschriftuurlijk worden veroordeeld, maar veeleer dat de zoektocht naar het gemeenschappelijk verstaan van de Heilige Schrift verder moet worden verdiept.

In de binding aan de belijdenisgeschriften treedt binnen de Protestantse Kerk in Nederland evenmin een verandering op vergeleken met de situatie zoals die sinds 1951 binnen de NHK bestaat. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland wordt de relatie tot de belijdenisgeschriften aangeduid met dezelfde woorden als in de hervormde kerkorde het geval is: ‘in gemeenschap

|83|

met’ de belijdenis van het voorgeslacht. Dat naast de gereformeerde belijdenisgeschriften ook twee lutherse belijdenisgeschriften worden genoemd, wil allereerst zeggen dat het gemeenschappelijk reformatorische geloof dat in deze geschriften wordt beleden, voor haar het hart van de zaak uitmaakt. Daarmee wil echter niet gezegd zijn dat de Protestantse Kerk in Nederland de onderlinge verschillen in deze geschriften niet van belang vindt. Ze wil er veelmeer mee aangeven dat het godsdienstgesprek dat in de zestiende eeuw niet tot een afronding is gekomen, dient te worden voortgezet.

De Konkordie van Leuenberg

Dat de vragen die in de zestiende eeuw niet tot een oplossing konden worden gebracht, door de kerken ernstig worden genomen, blijkt uit de langdurige en intensieve gesprekken die in de twintigste eeuw zijn gevoerd om te komen tot eenparig gevoelen (consensus). Zo kwam het in 1956 tot een consensus over het avondmaal tussen de NHK en de ELK in Nederland. Later werden de gesprekken in Europees verband voortgezet in het kader van de Leuenberger leergesprekken. Het resultaat daarvan: de Konkordie van Leuenberg (1973) is destijds door de NHK aanvaard en wordt nu in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland genoemd. Deze verklaring wordt niet gerekend tot de belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland. Ze mag ook niet worden verstaan als een bindende leesregel van de belijdenisgeschriften. In artikel I-5 wordt terughoudend geformuleerd: ‘de kerk erkent met de Konkordie van Leuenberg dat de lutherse en gereformeerde tradities door een gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie bijeenkomen’. De Konkordie onderstreept wat de kerken der Reformatie, ondanks alle tegenstellingen, in hun getuigenis gemeenschappelijk hadden: zij gingen uit van een nieuwe evangelische ervaring, die bevrijding en zekerheid schonk. Al zijn er allerlei vragen overgebleven, die we aan elkaar moeten blijven stellen en waarop het antwoord nog openstaat, die verhinderen ons niet om samen kerk te zijn; we beschouwen ze niet langer als kerkscheidend. [---]

De Protestantse Kerk in Nederland verstaat zich zelf dan ook niet als een kerk die haar oorsprong en identiteit heeft prijsgegeven waardoor ze in plaats van gereformeerd nu pluraal zou zijn. Ze is een kerk met een gereformeerde én lutherse identiteit, zodat ze krachtens haar belijden een reformatorische kerk kan worden genoemd.

Bijzondere verbondenheid

Al heeft ook de Protestantse Kerk in Nederland haar relatie tot de belijdenisgeschriften dus ruimer geformuleerd dan de bezwaarden voorstaan, dat ontzegt hun niet het recht om zelf binnen de Protestantse Kerk in Nederland te leven vanuit een strikte binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften

|84|

en om vanuit deze visie de kerk aan te spreken op haar belijden.
Er zijn in het lutherse belijden veel zaken waarmee hervormde gemeenten van harte instemmen, in die zin zijn zij ook verbonden met het gemeenschappelijk belijden. Het zwaartepunt ligt voor hen echter bij het gereformeerde belijden. Daarom wordt in ord. 1-1-1 uitgesproken dat hervormde gemeenten ‘zich in het bijzonder verbonden weten met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde traditie’. Deze belijdenisgeschriften zijn expliciet genoemd in art. I-4 van de kerkorde: de catechismus van Heidelberg, de catechismus van Genève en de Nederlandse Geloofsbelijdenis met de Dordtse Leerregels. Deze bijzondere verbondenheid met de gereformeerde traditie kan tot uitdrukking worden gebracht in de volle breedte van het gemeenteleven: in de verkondiging en het opzicht, in de catechese en het pastoraat van de gemeente. Ook in de belofte die de aanstaande predikanten moeten afleggen (of vroeger hebben afgelegd) kan deze bijzondere verbondenheid worden verwoord (ord. 13-19-4 en ovb. 285).
De Protestantse Kerk in Nederland spreekt uit deze bijzondere verbondenheid van de gemeenten (en hun ambtsdragers en leden) te erkennen en te respecteren (ord. 1-1-2).
Dat is bedoeld om het gemeenten, ambtsdragers en gemeenteleden mogelijk te maken binnen de Protestantse Kerk in Nederland voluit naar gereformeerde overtuiging te leven, deze kerk aan te spreken op het gereformeerde belijden (dat immers onderdeel van haar belijden uitmaakt) en voor dit belijden op te komen. Dit alles op dezelfde wijze als nu binnen de NHK mogelijk is.

De commissie KOA (de commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden van de NHK) heeft in haar advies aan de generale synode (1999) uitgesproken ‘dat gemeenten in hun prediking, liturgie en gemeente-zijn kunnen leven naar de visie zoals die in de gereformeerde belijdenisgeschriften is verwoord’ en ‘dat er geen grond aanwezig is voor de gedachte dat aan het leven naar gereformeerde opvatting binnen het gemeenschappelijk kerk-zijn de ruimte zou worden ontzegd’.
Men kan voluit naar gereformeerde overtuiging leven binnen de verenigde kerk en dat wordt in genoemd advies met tal van voorbeelden geconcretiseerd. Er wordt echter afstand genomen van het begrip ‘exclusief’ als dat anderen buitensluit:
‘Wanneer het (gerechtvaardigd) verlangen naar identiteit en veiligheid echter leidt tot afzondering en isolement, wordt het onvruchtbaar. Het kan er in de kerk des Heren niet om gaan dat men ‘op zichzelf’ wil blijven. In de tijd van de reformatie is men voortdurend op zoek geweest naar het gemeenschappelijk verstaan van de waarheid Gods, ook waar op onderdelen verschil van inzicht was’. [---]
De verenigde kerk draagt in zich de gereformeerde confessie mee en zet met

|85|

de andere erfgenamen van de reformatie het geding voort om het rechte verstaan van het Woord van God in deze tijd.
‘Daarom kan de ruimte die men voor zichzelf vraagt, niet als exclusief worden verstaan. Deze ruimte komt ook aan de anderen toe die als erfgenamen van de reformatie in gemeenschap met de reformatorische belijdenisgeschriften willen leven.’ [---]

Erkennen en respecteren

De vraag wordt gesteld of ord. 1-1-3 niet in strijd komt met het voorgaande. Daarin wordt immers bepaald: ‘de gemeenten erkennen en respecteren de (bijzondere) verbondenheid van andere gemeenten ten aanzien van de belijdenisgeschriften en zijn geroepen om in gehoorzaamheid aan het Woord van God te volharden en te groeien in het gemeenschappelijk belijden van de kerk.’ In deze bepaling worden verschillende zaken tot uitdrukking gebracht:
- allereerst wordt daarmee de erkenning uitgesproken dat de evangelisch-lutherse gemeenten behoren tot de kerk van de Reformatie, waarmee de kerk als geheel vanwege de gemeenschap in het belijden geestelijk verbonden is;
- erkend wordt ook dat — zoals de hervormde gemeenten mogen leven vanuit de verworteling in de gereformeerde belijdenisgeschriften — de evangelisch-lutherse gemeenten mogen leven vanuit hun wortels in de lutherse confessie;
- in het bijzonder wordt uitgesproken dat in de Protestantse Kerk in Nederland alle gemeenten, hun ambtsdragers en leden geroepen zijn om te volharden in de gehoorzaamheid aan het Woord van God. Op deze roeping mag men anderen aanspreken en zelf aangesproken worden;
- tenslotte worden de gemeenten geroepen te groeien in het gemeenschappelijk belijden van de kerk. Er zijn immers bij alle toenadering en consensus tussen de kerken ook vragen overgebleven waarover nog geen overeenstemming kon worden bereikt. In de kerk mag niet de vrijblijvendheid het laatste woord hebben, waarbij ieder genoeg heeft aan zijn eigen waarheid. Het geding om de Waarheid zal moeten voortgaan, in een volhardend luisteren naar de Schrift en een geduldig luisteren naar elkaar.
De woorden van deze bepaling sluiten niet uit dat aan de belijdenisgeschriften ook kritische vragen kunnen worden gesteld. Dit geldt ook van de Lutherse belijdenisgeschriften. Dat zal in het kerkelijk gesprek soms zelfs noodzakelijk blijken te zijn.

In ord. 1-1-3 wordt dus niet gevraagd opvattingen te onderschrijven waarvan men oordeelt dat ze strijdig zijn met de Heilige Schrift. Immers, alleen de Schrift heeft het hoogste gezag in de kerk. Als daar wordt gezegd dat gemeenten geroepen zijn te groeien in het gemeenschappelijk belijden van de

|86|

kerk, betekent dat niet dat zaken die tegen Gods Woord zijn, geleidelijk aan zouden moeten worden aanvaard. Integendeel, de gemeenten worden juist opgeroepen om te volharden in de gehoorzaamheid aan het Woord van God. Het betekent alleen dat ieder bereid moet zijn zich door de ander te laten bevragen op de eigen gehoorzaamheid en om van de ander te willen leren.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.4

3.4 Het gesprek met Israël

In ord. 1-2 wordt nadere invulling gegeven aan art. I-7 van de kerkorde, dat de kerk geroepen is gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël. Afwisselend wordt in de teksten gesproken over Israël en het volk Israël. Deze uitdrukkingen moeten in brede zin worden verstaan. De aanduiding ‘Israël’ doelt op Israël zoals het zichzelf verstaat. Daarin spelen zowel de traditie als het joodse volk (waar ook ter wereld), de synagoge en de staat Israël mee. In de onopgeefbare verbondenheid gaat het niet om een kritiekloos aanvaarden van alles wat Israël gelooft of doet. Het gesprek met Israël is geen vrijblijvend gesprek: we zijn met Israël betrokken in een geding om de waarheid.

De roeping ten aanzien van Israël is niet alleen een zaak van de synode, ze rust ‘op alle geledingen van de kerk’ (ord. 1-2-1). Daarmee is niet gezegd dat elke gemeente of classis daarvoor een eigen orgaan in het leven moet roepen, wel dat ze — eventueel met gebruikmaking van regionale of landelijke organen — zich op haar relatie tot Israël bezint.

De bijzondere taak van de generale synode wordt verwoord in ord. 1-2-2. Naast bezinning en toerusting vallen daarbij twee taken in het bijzonder op. Allereerst die met betrekking tot het antisemitisme. De synode heeft ook als roeping het bevorderen van het inzicht in het hardnekkige kwaad van het antisemitisme en in de wijze waarop dat kan worden bestreden. Bovendien heeft de synode tot taak de aandacht voor de plaats van joodse leden van de kerk te bevorderen. De Messiasbelijdende joden zijn in het verleden dikwijls zowel door Israël als door de kerk genegeerd. Nu voor het eerst wordt in de kerkorde voor hun positie aandacht gevraagd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.5

3.5 Het spreken van de kerk

In art. I-6 is uitgesproken dat de kerk getuigt, in ord. 1-3 wordt uitgewerkt hoe ze dat doet. Het belijden van de kerk is geen zaak van het verleden alleen. Ze belijdt telkens opnieuw Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld. Ze doet dat in de samenkomsten van de gemeente in de openbare eredienst, in haar publieke spreken (het getuigen voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden) en in haar handelen naar buiten (de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in de gemeente en in de wereld, art. V-3).

Essentieel in art. 1-6 is het woordje ‘daarmee’. De oproep tot vernieuwing van

|87|

het leven in cultuur, maatschappij en staat is niet een apart programmapunt van de kerk, naast het openlijk belijden van Jezus Christus als Heer. Daarmee zou de opdracht tot vernieuwing een aparte taak van de kerk worden, waarvoor ze een eigen organisatie in het leven roept. In art. 1-6 wordt daarentegen uitgesproken dat het bestaan van de kerk zelf een oproep tot vernieuwing van het leven is.

Het spreken van de kerk wordt vervolgens in ord. 1-3-2 t/m 4 onderscheiden in drie lagen. Het gaat daarbij om mening, overtuiging en getuigenis.
- De kerk geeft allereerst haar bijdrage in de meningsvorming over maatschappelijke vragen. Het gaat hierbij om toerusting van de gemeenten, zodat haar leden zelf hun positie kunnen bepalen in de samenleving (ord. 1-3-2).
- Daarnaast zijn er situaties denkbaar waarin de kerk het niet slechts aan haar leden overlaat positie te kiezen, maar waarin ze ook zelf haar overtuiging uitspreekt in vragen die de samenleving beroeren. In dat geval levert ze — vanuit haar verstaan van het Evangelie — een bijdrage aan het maatschappelijk debat (ord. 1-3-3).
- De kerk kan echter ook tot getuigenis worden geroepen. In dat geval kan er eigenlijk geen sprake meer zijn van vrijblijvendheid: hier grenst het getuigenis aan het belijden van de kerk. Ze kan dat bijvoorbeeld doen als de humaniteit in het geding is, als de gerechtigheid geschonden wordt, als fundamentele waarden op het spel staan (ord. 1-3-4).

In ord. 1-3-1 is uitgesproken dat de kerk in al haar geledingen oproept tot vernieuwing van het leven. Als het spreken van de kerk de vorm van een bijdrage aan het maatschappelijk debat of van een openlijk getuigenis aanneemt, is daaraan wel de beperking verbonden dat de ambtelijke vergaderingen blijven op hun eigen terrein. Gaat het over landelijke aangelegenheden, dan is het niet een plaatselijke kerkenraad die zich daarover namens de kerk uitspreekt. In dat geval behoort het tot de taak van de generale synode zich uit te spreken. Als het over regionale of plaatselijke aangelegenheden gaat, is het juist de classicale vergadering of de kerkenraad die de eigen verantwoordelijkheid heeft te nemen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.6

3.6 Uitdrukking van het belijden

In ord. 1-4 (en in ord. 1-5-2) worden twee begrippen gebruikt die onderscheiden moeten worden. Er is allereerst sprake van uitingen van de kerk. Dit bredere begrip omvat
- de klassieke belijdenisgeschriften van de kerk (art. I-4),
- de twee geschriften die in art. I-5 worden genoemd (de theologische verklaring van Barmen en de Konkordie van Leuenberg), en
- getuigenissen van de kerk in het heden (art. I-6) waartoe immers ook uitingen met een belijdend karakter kunnen behoren.
Als voorbeeld van een belijdend getuigenis in het heden kan genoemd worden het synodaal geschrift ‘Jezus Christus, onze Heer en Verlosser’ (2000). Dit

|88|

geschrift heeft betekenis voor het belijden van de kerk, ook al is het geen belijdenisgeschrift.

Ord. 1-4 maakt het mogelijk dat ‘uitingen van de kerk’ worden aangemerkt als uitdrukking van het belijden van de kerk. Daarmee komen ze naast de belijdenisgeschriften van art. I-4 te staan en krijgen ze confessioneel hetzelfde gewicht.

Zoiets zal niet zomaar gebeuren: een zorgvuldige procedure is voorgeschreven. Daarvoor worden allereerst de ‘mindere vergaderingen’ van de kerk in de gelegenheid gesteld hun visie kenbaar te maken door middel van een consideratie. Omdat het belijden van de kerk geen geïsoleerd gebeuren is, zullen in de regel ook andere, verwante, kerken worden geraadpleegd. Tenslotte is voor een dergelijk besluit in de synode een gekwalificeerde meerderheid van twee derde van de geldige stemmen nodig.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 3.7

3.7 Gravamen

Een gravamen is een bezwaar inzake het belijden van de kerk. In art. I-3 is immers uitgesproken dat het belijden van de kerk geschiedt in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst. Het Woord van God heeft in de kerk het laatste woord. Daarom zijn de kerk en al haar leden geroepen het belijden te toetsen bij het licht van de Heilige Schrift (art. I-10).

Voor een dergelijke toetsing is in ord. 1-5 een zorgvuldige procedure gegeven. In ord. 1-5-2 wordt aangegeven op welke documenten een gravamen betrekking kan hebben. Dat is beperkt tot de officiële belijdenisgeschriften die in art. I-4 zijn genoemd en tot andere documenten of uitspraken die door de generale synode langs de weg van ord. 1-4 daarmee officieel op één lijn zijn gesteld (als uitdrukking van het belijden van de kerk zijn aangemerkt).

Een gravamen kan dus niet worden ingediend tegen allerlei andere geschriften, uitspraken of beslissingen van de generale synode, ook al hebben ze een belijdend karakter. Bezwaren daartegen kunnen slechts volgens de weg van ord. 12 worden behandeld.

 

De behandeling van een gravamen verloopt als volgt.

In de voorbereidende fase wordt allereerst advies gevraagd van de kerkenraad van de bezwaarde. Deze kent immers de bezwaarde en kan aangeven welk gewicht de vragen hebben. Een commissie van de classicale vergadering hoort daarna de bezwaarde persoonlijk. Deze kan zich laten bijstaan door een raadsman naar eigen keuze. Dat kan een bevriend gemeentelid of ambtsdrager zijn in de regel zal het een theologisch deskundige zijn.

Vervolgens vindt de eerste behandeling plaats in de voltallige classicale vergadering waarbij de vergadering wordt geadviseerd door een aantal theologisch deskundigen. De bezwaarde wordt daarbij als toehoorder uitgenodigd. Niet de

|89|

bezwaarde zelf staat centraal, maar het belijden waarover moet worden gesproken. De classicale vergadering moet komen tot een advies, waarna het gravamen (ook als dat advies negatief is) moet worden doorgezonden naar de generale synode, tenzij de bezwaarde zelf het gravamen intrekt.

Als de classicale vergadering van oordeel is dat het bezwaar niet kan gelden als een gravamen in de zin van ord. 1-5, kan ze daarvan mededeling doen aan de bezwaarde en de betrokkene in de gelegenheid stellen het bezwaar als gravamen in te trekken om het alsnog voor te leggen aan het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Als deze echter het bezwaar als een gravamen handhaaft, moet het worden doorgezonden naar de generale synode, waarbij de classicale vergadering de generale synode op de hoogte stelt van haar oordeel terzake.

Voor de synode herhaalt zich de procedure grotendeels: een commissie van voorbereiding hoort de bezwaarde opnieuw, deskundigen (en eventueel andere kerken) worden geraadpleegd. Als het een luthers belijdenisgeschrift betreft, wordt advies gevraagd van de evangelisch-lutherse synode, als het gaat over een gereformeerd belijdenisgeschrift van de raad van advies voor het gereformeerd belijden. Tenslotte vindt de behandeling plaats in de voltallige synode, die tot een eindoordeel moet komen. Een besluit dat het bezwaar tegen het belijden bijbels gegrond is, heeft twee derde meerderheid van de geldige stemmen nodig.

Het is denkbaar dat de generale synode — eventueel al in een eerder stadium — tot de conclusie komt dat het bezwaar niet als een gravamen kan worden aangemerkt. Bijvoorbeeld omdat het zich niet richt tegen de belijdenisgeschriften of tegen een uitspraak die daarmee op één lijn is gesteld. In dat geval stuurt ze het bezwaar door naar het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H4

90-118

|90|

4 De gemeente

 

De ordinantie over de gemeenten zet in met woorden die herinneren aan art. III: de gemeente is een gemeenschap rondom Woord en sacramenten. Het is te weinig om te zeggen dat de gemeente gevormd wordt door haar leden. Primair bepalend voor de gemeente is haar Hoofd Jezus Christus. Art. III onderstreepte het initiatief van God met de woorden ‘vanwege Gods genade en krachtens zijn verbond’. Ord. 2-1 duidt de gemeente aan als een geroepen gemeenschap, geroepen tot eenheid, getuigenis en dienst. Het samenkomen rondom Woord en sacramenten maakt het hart van het gemeente-zijn uit.

Bepalend voor het gemeente-zijn is niet onze (vrijwillige) keuze, maar dat we samen geroepen worden om gemeente van Christus te zijn, om het Woord te horen en de sacramenten te vieren. In de kerkorde is de geografische gemeente dan ook het uitgangspunt. We behoren in principe tot de gemeente van het gebied waarin we wonen (ord. 2-2-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.1

4.1 De leden van de gemeente

Om tot een bepaalde gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland te behoren, dient aan twee criteria te worden voldaan: men moet gedoopt zijn en men moet als lid in het register van deze gemeente ingeschreven zijn (ord. 2-2-1). Een dooplid kan ter plaatse of in een andere gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland gedoopt zijn. Maar het is ook mogelijk dat men in een andere kerk is gedoopt en als dooplid overgekomen is (zie ord. 6-5 en § 8.5). De inschrijving als dooplid in het register van de gemeente vindt plaats na de doop of de overkomst naar de gemeente.

Behalve als dooplid kan men ook als belijdend lid van de gemeente worden ingeschreven. Daarvoor is nodig dat men ter plaatse of in een andere gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland openbare belijdenis van het geloof heeft afgelegd. Wanneer iemand in een andere kerk is gedoopt en belijdenis van het geloof heeft afgelegd, is het mogelijk als belijdend lid over te komen (zie ord. 9-5-7 en § 10.4). Inschrijving als belijdend lid vindt plaats na de openbare geloofsbelijdenis of de overkomst naar de gemeente.

Het onderscheid tussen doopleden en belijdende leden is in de eerste plaats geestelijk van aard: belijdende leden hebben hun doop beaamd en zich bereid verklaard van de Heer te getuigen. Ze dragen als belijdende leden medeverantwoordelijkheid in de gemeente (art. XI-8). Voor alle gemeenten van de kerk geldt dat de belijdende leden van de gemeente mogen deelnemen aan het heilig avondmaal (ord. 7-2-2) en dat zij stemgerechtigd zijn (ord. 3-2-3). De kerkenraad kan deze beide bevoegdheden ook aan doopleden toekennen; in het beraad daarover dient echter eerst de gemeente te worden betrokken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.1.1

|91|

4.1.1 Gastleden

Een bijzondere categorie vormen de gastleden (ord. 2-3). Zij worden eveneens in het register van de gemeenteleden ingeschreven. In de generale regeling gastlid-maatschap worden nadere regels gegeven. Samengevat komen ze op het volgende neer.
- Ook van gastleden geldt in principe dat zij wonen binnen het grondgebied van de gemeente. Inschrijving als gastlid is mogelijk als de kerkenraad van de eigen gemeente daartegen geen bezwaar maakt (G.R. gastlidmaatschap, art. 3-1).
- Als men gastlid wil worden buiten de gemeente waar men woont, is expliciete instemming van de eigen kerk vereist (art. 3-2).
- Als gastlid kunnen worden ingeschreven leden van Nederlandse kerken waarmee de Protestantse Kerk in Nederland bijzondere betrekkingen onderhoudt. In de generale regeling worden genoemd de kerken die bij de Raad van Kerken in Nederland zijn aangesloten, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten, de (Vrijgemaakt) Gereformeerde Kerken, de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten en de Unie van Baptisten-gemeenten. Het breed moderamen van de generale synode kan het gastlidmaatschap ook openstellen voor leden van andere kerken. De regeling kan ook worden toegepast op leden van buitenlandse kerken (art. 1).
- Een gastlidmaatschap wordt in de regel alleen verleend als men op te grote afstand van de eigen kerk of gemeente woont of in geval van een gemengd huwelijk. Daarnaast kan men ook als gastlid worden ingeschreven als de eigen kerk en de plaatselijke gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland samenleven als één oecumenische kerkgemeenschap (art. 2).
- Het is de kerkenraad die beslist over de toelating nadat hij met de betrokkene over diens motieven en geloofsovertuiging heeft gesproken. Bij de inschrijving van een gastlid bepaalt de kerkenraad of deze de positie van dooplid of van belijdend lid heeft (art. 4-1).
- De gastleden maken volledig deel uit van de gemeente (pastorale en diaconale zorg, deelname aan de sacramenten, opzicht), ze kunnen lid zijn van commissies en organen van bijstand. Ze kunnen zelfs actief en passief kiesrecht ontvangen en dus tot ambtsdrager gekozen worden, maar dat kan alleen als de plaatselijke regeling dat heeft mogelijk gemaakt. Ze moeten bij dat alles voldoen aan dezelfde voorwaarden als de andere gemeenteleden. Als ambtsdrager kunnen ze overigens niet worden afgevaardigd naar een meerdere vergadering (art. 6).
- Gastleden blijven lid van hun eigen kerk. Bij alle belangrijke beslissingen betreffende een gastlid neemt de kerkenraad eerst contact op met de kerkenraad van de eigen kerk van het gastlid (of met degene die in die kerk verantwoordelijkheid draagt). Dat geldt in elk geval bij de aanvaarding als gastlid, bij

|92|

doop of huwelijksinzegening en bij het opzicht. Er worden met de eigen kerk afspraken gemaakt over de kerkelijke bijdrage (art. 7).
- Als een kind van een gastlid in de gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland wordt gedoopt, wordt het in de regel daar als dooplid ingeschreven (tenzij men samen anders beslist). In elk geval wordt de doop in het doopboek aangetekend en krijgt de eigen kerk van de doopouders bericht (art. 7-3). Zie ook § 8.2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.1.2

4.1.2 Verbonden met de gemeente

De doopleden en belijdende leden zijn de leden van de gemeente in strikte zin. De gastleden behoren eveneens tot de gemeente. Maar de grenzen van de gemeente worden niet scherp getrokken. Er zijn ook anderen die tot de gemeenschap van de gemeente gerekend worden. Dat zijn in de eerste plaats de niet-ge-doopte kinderen van gemeenteleden. In de Nederlandse Hervormde Kerk stonden zij vroeger als ‘geboorteleden’ geregistreerd. Ze zijn niet gedoopt omdat er bij de ouders van een geringe betrokkenheid bij het kerkelijk leven sprake is. Of omdat de ouders de persoonlijke geloofskeuze zo doorslaggevend achten dat ze met de doop liever wachten tot het kind daarvoor zelf verantwoording neemt (zie overigens ord. 6-1-1). Er is bewust aan deze verbondenheid geen leeftijdsgrens gesteld. Zolang zij zich niet zelf bewust van de gemeente losmaken, blijft de gemeente hen tot haar gemeenschap rekenen.

Daarnaast zijn er de belangstellenden, zij die op een of andere manier blijk geven van verbondenheid met de gemeente. Doordat ze in projecten van de gemeente participeren. Of doordat hun kinderen deelnemen aan jeugdwerk of catechese. Of doordat ze deelnemen aan een oriëntatiecursus over het christelijk geloof. De gemeente beperkt zich niet tot haar eigen leden, maar wil een gemeenschap zijn die openstaat voor anderen.

Zij die met de gemeente verbonden zijn, worden ook geregistreerd en bij verhuizing worden hun gegevens ook aan de gemeente van de nieuwe woonplaats doorgegeven, tenzij ze daartegen zelf bezwaar maken (zie verder bij ord. 2-8 en 9).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.1.3

4.1.3 Verhuizing

De gegevens van de doopleden, de belijdende leden, de gastleden en van hen die met de gemeente verbonden zijn, worden niet alleen plaatselijk geregistreerd, maar zijn ook in de landelijke ledenregistratie opgenomen. Bij verhuizing worden de gegevens door deze landelijke registratie doorgestuurd naar de gemeente van hun nieuwe woonplaats. Tot zover is de regeling eenvoudig.

De moeilijkheid is echter dat er op het grondgebied waar men woont of gaat wonen soms meer dan een gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland is. Om de mutatievoorziening bij de registratie goed te laten verlopen, zijn daarom in ord. 2-5 verfijnde bepalingen opgenomen.

|93|

Allereerst moet elke classicale vergadering een regeling maken waarin voor het ressort de ‘registratie ontvangst gemeenten’ worden aangewezen. De term als zodanig komt in de kerkorde niet voor. De aanduiding ‘registratie ontvangst gemeente’ wordt in deze toelichting gebruikt om aan te geven in welke gemeente men voorlopig wordt ingeschreven. Dat is nodig:
- als er geen protestantse gemeente is;
dan wordt één van de andere gemeenten ter plaatse (dus een hervormde gemeente, een gereformeerde kerk of een evangelisch-lutherse gemeente) aangewezen, bij wie de nieuw ingekomenen afkomstig uit een protestantse gemeente (voorlopig) worden ingeschreven (ord. 2-5-1 sub a).
- als er meer dan één protestantse gemeente ter plaatse is;
dan wordt één van deze gemeenten aangewezen bij wie de nieuw ingekomenen afkomstig uit een protestantse gemeente (voorlopig) worden ingeschreven (ord. 2-5-1 sub d).
- als er meer dan één hervormde gemeente of meer dan één gereformeerde kerk ter plaatse is;
dan wordt telkens één van deze hervormde gemeenten of gereformeerde kerken aangewezen bij wie nieuw ingekomenen afkomstig uit een hervormde gemeente of een gereformeerde kerk (voorlopig) worden ingeschreven (ord. 2-5-1 sub d). Hetzelfde zou gelden als er meer dan één evangelisch-lutherse gemeente ter plaatse zou zijn.

Vervolgens verloopt de procedure bij verhuizing als volgt. Zo mogelijk wordt men in een zelfde type gemeente ingeschreven als waartoe men behoorde.
- Wie afkomstig is uit een protestantse (wijk)gemeente, wordt ingeschreven in de protestantse (wijk)gemeente als het nieuwe woonadres tot die (wijk)gemeente behoort. Als daar geen protestantse (wijk)gemeente is, wordt men (voorlopig) ingeschreven in de (wijk)gemeente die is aangewezen als de ‘registratie ontvangst gemeente’.
- Wie afkomstig is uit een hervormde (wijk)gemeente, wordt ingeschreven in de hervormde (wijk)gemeente als het nieuwe woonadres tot die (wijk)gemeente behoort. Als de hervormde (wijk)gemeente zich verenigd heeft, wordt men ingeschreven in de protestantse (wijk)gemeente van het nieuwe woonadres. Als er op het nieuwe woonadres meer dan één hervormde (wijk)gemeente is, wordt men ingeschreven in de hervormde (wijk)gemeente die is aangewezen als de ‘registratie ontvangst gemeente’.
- Wie afkomstig is uit een gereformeerde kerk of wijkgemeente, wordt ingeschreven in de gereformeerde kerk of wijkgemeente als het nieuwe woonadres tot die kerk of wijkgemeente behoort. Als de gereformeerde kerk of wijkgemeente zich verenigd heeft, wordt men ingeschreven in de protestantse (wijk)gemeente van het nieuwe woonadres. Als er op het nieuwe woonadres meer dan één gereformeerde kerk of wijkgemeente is, wordt men ingeschreven in de gereformeerde kerk of wijkgemeente die is aangewezen als de ‘registratie ontvangst gemeente’.

|94|

- Wie als evangelisch-luthers gemeentelid is geregistreerd, wordt ingeschreven in de evangelisch-lutherse gemeente waartoe het nieuwe woonadres behoort, of — als de evangelisch-lutherse gemeente zich heeft verenigd — in de protestantse gemeente.

Wie voorlopig is ingeschreven in een ‘registratie ontvangst gemeente’ krijgt daarvan bericht, met vermelding van de andere gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland ter plaatse. Wie daarop niet binnen een maand reageert en de voorkeur voor een van deze andere gemeenten kenbaar maakt, wordt als lid ingeschreven in de ‘registratie ontvangst gemeente’.

Wie naar het buitenland verhuist, zal in de regel aansluiting zoeken bij een gemeente of kerk ter plaatse. Men kan daartoe van de kerkenraad een verklaring van lidmaatschap of een attestatie vragen, die in de nieuwe kerk kan worden overgelegd (ord. 2-5-4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.1.4

4.1.4 Overschrijving

Het is eenvoudig mogelijk zich te laten overschrijven naar een andere gemeente die zich op hetzelfde grondgebied bevindt. Daarvoor is een verzoek aan de kerkenraad van de nieuwe gemeente voldoende. Het ligt voor de hand dat een afschrift van dit verzoek aan de eigen kerkenraad wordt gezonden. Er is niet bepaald dat de kerkenraden daarover een beslissing moeten nemen (ord. 2-5-2); in principe wordt het verzoek dus zonder meer gehonoreerd.

Men kan zich ook op verzoek laten overschrijven naar een andere wijkgemeente die zich bevindt op het grondgebied waar men woont (ord. 2-16-9 sub e).

Anders ligt het wanneer iemand zich wil laten overschrijven naar een (wijk)gemeente die zich niet bevindt op het grondgebied waar men woont. In dat geval is een schriftelijk en gemotiveerd verzoek aan de kerkenraad van de nieuwe gemeente nodig. Omdat voor een dergelijke overschrijving ook instemming van de eigen kerkenraad vereist is, ligt het hier zeker voor de hand dat een afschrift van het verzoek aan de eigen kerkenraad wordt gezonden (ord. 2-5-3 sub a). Als een van de kerkenraden weigert, kan degene die de aanvraag heeft ingediend aan het breed moderamen van de classicale vergadering vragen daarover een beslissing te nemen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.2

4.2 De registers

De registratie zorgt ervoor dat de gemeente kan beschikken over de persoonsgegevens van haar leden en van hen die tot haar gemeenschap gerekend worden. Als doelstelling van de registratie wordt genoemd ‘het functioneren van het kerkelijk leven in de ruimste zin van het woord’ (ord. 2-6-2). Het is van belang bij het gebruikmaken van de geregistreerde gegevens deze doelstelling zorgvuldig in het oog te houden. Van de gegevens mag geen gebruik worden gemaakt voor

|95|

andere doeleinden. De registratie staat allereerst ten dienste van de plaatselijke gemeente en het is de kerkenraad die verantwoordelijk is voor een juist gebruik van de gegevens. In bepaalde nauwkeurig aangegeven gevallen mag de landelijke kerk van de gegevens gebruikmaken. Naast het verstrekken van de persoonsgegevens aan de nieuwe gemeente in geval van verhuizing (de hoofdtaak van de landelijke ledenregistratie) noemt de generale regeling expliciet het gebruik van de gegevens ten behoeve van de kerkelijke statistiek, het verstrekken van de ledentallen van de gemeenten met het oog op het vaststellen van quota en subsidies en het verrichten van (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het leven en werken van de kerk. Als de generale synode bij het uitoefenen van andere kerkordelijke taken van de gegevens gebruik zou willen maken, bijvoorbeeld om gemeenteleden rechtstreeks te benaderen, kan dat alleen als de plaatselijke kerkenraad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (G.R. ledenregistratie, art. 2-3).

 

In ord. 2-6 t/m 9 en met name in de generale regeling ledenregistratie worden voor de registratie gedetailleerde voorschriften gegeven.

In ord. 2-6-1 blijkt dat er in principe drie registers bestaan.
- Het register van de gemeente, dat uit twee onderdelen bestaat:
het register van gemeenteleden (doopleden, belijdende leden en gastleden) en het register van de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en van degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente. In een gemeente die in wijkgemeenten is ingedeeld, is er bovendien voor elke wijkgemeente een register van de leden van de wijkgemeente (ord. 2-7-1) met een bijbehorend register van de niet-gedoopte kinderen en belangstellenden (G.R. ledenregistratie, art. 6-4).
- De landelijke ledenregistratie, die de optelsom is van alle plaatselijke registers (ord. 2-9).
- Het register van de evangelisch-lutherse leden van de kerk (ord. 2-10).
Men blijft in het register van gemeenteleden ingeschreven staan zolang men niet is verhuisd of overgeschreven naar een andere gemeente, is overgegaan naar een andere kerk, of zich helemaal aan de gemeenschap der kerk heeft onttrokken. Dat laatste kan alleen door een uitdrukkelijke verklaring aan de kerkenraad (ord. 2-7-2). Als iemand uitdrukkelijk tegenover een ambtsdrager verklaart niet meer tot de kerk te (willen) behoren maar niet bereid is om een schriftelijke verklaring af te leggen, kan de kerkenraad zelf besluiten de registratie te beëindigen (G.R. ledenregistratie, art. 9-2). Om er zeker van te zijn dat de uitschrijving inderdaad de wens van betrokkene is, ontvangt deze daarvan schriftelijk bericht, met de mogelijkheid om de uitschrijving alsnog ongedaan te maken. De kerk gaat niet lichtvaardig tot uitschrijving over!

In de generale regeling wordt nauwkeurig aangegeven welke kerkelijke en burgerlijke gegevens geregistreerd (kunnen) worden en wat de rechten van de geregistreerde zijn. Men heeft recht op inzage van de geregistreerde gegevens en recht om onjuiste gegevens te laten corrigeren (G.R. art. 10).

|96|

Gemeenten die nog niet deelnemen aan de landelijke ledenregistratie moeten daar zo spoedig mogelijk toe overgaan en zijn in elk geval verplicht de mutaties door te geven (ovb. 58).

In het register van evangelisch-lutherse leden staan niet alleen de doopleden en belijdende leden die in een evangelisch-lutherse gemeente zijn ingeschreven, maar ook zij die tot een andere gemeente van de kerk behoren maar op hun verzoek in dit register worden opgenomen. Dat maakt het mogelijk om ook evangelisch-lutherse leden van de kerk die tot een andere dan een evangelisch-lutherse gemeente behoren, in te schakelen bij het verkiezen van de evangelisch-lutherse synode (zie § 15.4.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3

4.3 Vormen van gemeente-zijn

Elke gemeente is geografisch bepaald en heeft haar eigen gebied. Dat geldt voor een ‘gewone’ gemeente of wijkgemeente, maar ook voor een gemeente of wijk-gemeente van bijzondere aard. De grenzen van de gemeenten worden ‘door de kerk’ vastgesteld, zegt ord. 2-11-1. Nauwkeuriger gezegd is het de classicale vergadering die de grenzen van de gemeenten bepaalt (ord. 2-11-4) en de algemene kerkenraad die de grenzen van de wijkgemeenten vaststelt (ord. 2-16-6).

Iedere gemeente heeft ook een naam, waarin in elk geval twee elementen te onderscheiden zijn. Allereerst blijkt in de naam of we met een protestantse, een hervormde of een evangelisch-lutherse gemeente te doen hebben dan wel met een gereformeerde kerk. Dat zijn immers de vier ‘soorten' gemeenten waaruit de Protestantse Kerk in Nederland bestaat (art. II-2). Met de naam correspondeert de confessionele positie van de gemeente in de kerk (zie § 3.2 en 3.3). Als de aanduiding van de gemeente als ‘hervormde gemeente’, ‘gereformeerde kerk’ etc. wijzigt doordat de gemeente zich verenigt (of bij toepassing van ord. 2-12-6), verandert dus ook de confessionele positie (ord. 2-11-3, ovb. 60).

Vervolgens moet in de officiële naam van de gemeente ook een geografische bepaling opgenomen zijn. Dat hoeft niet altijd de naam van de burgerlijke gemeente te zijn. De naam kan ook verwijzen naar een stadsdeel (bijvoorbeeld Delfshaven) of naar de streek (streekgemeente Maas en Waal). Als er meer gemeenten van dezelfde ‘soort’ zijn, wordt er om verwarring te voorkomen een naam toegevoegd: bijvoorbeeld de protestantse gemeente De Bron te ....

Er wordt een lijst van alle gemeenten en wijkgemeenten bijgehouden, zodat het mogelijk is bij de samenstelling van de generale synode te bezien of die niet te sterk afwijkt van de aantallen van de onderscheiden gemeenten (ord. 4-25-5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.1

4.3.1 Samenwerking en federatie

Bij het totstandkomen van de vereniging zijn alle plaatselijke gemeenten en kerken van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland

|97|

en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland geworden. De vereniging van de kerken brengt met zich mee dat zich nu op hetzelfde grondgebied meerdere gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland kunnen bevinden. Zolang zij niet zelf tot vereniging besluiten, kunnen er in één dorp bijvoorbeeld een gereformeerde kerk en een hervormde gemeente naast elkaar blijven bestaan. Het is denkbaar dat er in een grotere plaats naast elkaar zelfs een protestantse gemeente met wijkgemeenten, een hervormde gemeente, een gereformeerde kerk, een evangelisch-lutherse gemeente en misschien ook nog een gemeente van bijzondere aard bestaan, terwijl het grondgebied van deze gemeenten geheel of gedeeltelijk samenvalt.

In het proces van Samen op Weg is steeds uitgangspunt geweest dat er geen dwang zou worden uitgeoefend om ook plaatselijk tot vereniging te komen. Dat is en blijft een beslissing van de plaatselijke kerkenraad zelf. Er is gekozen voor een ‘Vereniging als groeimodel’. Daarmee wordt wel aangegeven dat de kerk er in haar beleid op gericht is te bevorderen dat gemeenten — waar dat naar hun eigen overtuiging mogelijk is — samenwerken en zo mogelijk plaatselijk tot nauwe samenwerking of vereniging besluiten.

In ord. 2-11-5 wordt van deze intentie een eerste signaal gegeven. Kerkenraden van gemeenten in hetzelfde gebied houden elkaar op de hoogte, met name wanneer ze als gemeente naar buiten treden (missionair en diaconaal werk, jeugdwerk, soms ook pastorale arbeid). Zo mogelijk werken ze samen. Gemeenten van de kerk behoren niet langs elkaar heen te leven of elkaar zelfs tegen te werken. De bepaling voorkomt echter niet dat er situaties zijn waar een dergelijke samenwerking niet goed mogelijk is, door grote verschillen in doelstelling of werkwijze.

 

Om een groeiproces in plaatselijke toenadering mogelijk te maken, zijn de mogelijkheden van plaatselijke federatie van gemeenten binnen de Protestantse Kerk in Nederland blijven bestaan. De bepalingen die daarbij gelden, zijn opgenomen in de generale regeling voor samenwerking en federatie (kortweg: generale regeling federatie). In ord. 2-11-6 wordt slechts bepaald dat een besluit tot nauwe samenwerking (federatie) door de kerkenraden genomen kan worden, nadat de leden van de gemeenten daarin gekend en daarover gehoord zijn.

De bepalingen in de generale regeling federatie komen grotendeels overeen met die van de vroegere Tussenorde, ze zijn slechts aangepast aan de nieuwe situatie. Art. 2 geeft aanwijzingen voor gemeenten die gemeenschappelijke kerkdiensten willen houden. In de artikelen 3 t/m 10 wordt geregeld hoe een federatie totstandkomt of wordt gewijzigd en welke mogelijkheden daarbij bestaan. Een gefedereerde gemeente heet voortaan bij voorkeur ‘protestantse gemeente in wording’ of anders ‘gefedereerde gemeente’ (G.R. federatie, art. 4-1). De procedure bij de verkiezing van ambtsdragers in een gefedereerde gemeente is eenvoudiger

|98|

geworden, omdat ord. 3 voor beide (of alle betrokken) gemeenten geldt. Men kan besluiten de ambtsdragers door de afzonderlijke gemeenten te laten verkiezen of ook de verkiezing gezamenlijk te doen (G.R. federatie, art. 6). Men kan in een gefedereerde gemeente de afzonderlijke kerkenraden laten bestaan, maar men kan ook een gemeenschappelijke kerkenraad vormen (G.R. federatie, art. 7). Als men een echte federatie een stap te ver vindt, is ook een lichte vorm van federatie mogelijk, met een federatiekerkenraad. Daarbij blijven de hervormde gemeente en de gereformeerde kerk zelfstandig bestaan, elk met hun eigen kerkenraad, eigen leden en eigen bezittingen. Maar om de groei en samenwerking te bevorderen stelt men samen een federatiekerkenraad in, die fungeert als een soort algemene kerkenraad. De federatiekerkenraad heeft in elk geval een coördinerende taak. In de plaatselijke regeling kan men vastleggen welke andere taken men aan deze federatiekerkenraad wil toevertrouwen (G.R. federatie, art. 8). Het beheer kan apart worden gehouden, maar men kan ook besluiten dat geheel of gedeeltelijk samen te verzorgen. Dat wordt geregeld in art. 9. Art. 10 geeft aan hoe een federatie van gemeenten die zijn ingedeeld in wijkgemeenten totstandkomt. Wanneer zij besluiten tot federatie, brengt dat niet automatisch mee dat ook de wijkgemeenten moeten federeren. Voor de federatie van een wijkgemeente met een andere (wijk)gemeente is het besluit van de betrokken (wijk)kerkenraden nodig (G.R. federatie, art. 10-5).

Bestaande federaties kunnen ervoor kiezen als gefedereerde gemeenten nauw te blijven samenwerken. In dat geval dient de federatieovereenkomst te worden aangepast aan de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (ovb. 64). In het ‘Modellenboek’ is een model voor een plaatselijke regeling voor gefedereerde gemeenten opgenomen.1

Gefedereerde gemeenten kunnen ook besluiten tot vereniging; dan worden ze een protestantse gemeente. Daarbij wordt de procedure van ord. 2-12 gevolgd.


[118] 1. Te raadplegen via de website: www. sowkerken. nl.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.2

4.3.2 De vorming van een protestantse gemeente

Een protestantse gemeente ontstaat door de vereniging van twee of meer gemeenten van de kerk, die (min of meer) hetzelfde grondgebied bestrijken. Het betreft dan gemeenten van verschillende ‘soort’: bijvoorbeeld de vereniging van een hervormde en een evangelisch-lutherse gemeente, of van een evangelisch-lutherse gemeente met een gereformeerde kerk. Gemeenten die van dezelfde kerk afkomstig zijn, omvatten gewoonlijk niet hetzelfde gebied, maar grenzen aan elkaar. Als die samengebracht worden, spreken we van samenvoeging (zie ord. 2-14).

Er zijn nog twee andere mogelijkheden waardoor een protestantse gemeente kan ontstaan:
- door de vorming van een nieuwe protestantse gemeente naast een reeds bestaande protestantse gemeente (ord. 2-13), en
- door een hervormde gemeente, een gereformeerde kerk of een evangelisch-lutherse

|99|

gemeente die niet zich kan verenigen, aan te merken als protestantse gemeente (ord. 2-12-6).

Deze laatste situatie kan zich voordoen als er ter plaatse geen partnergemeente is, waardoor vereniging onmogelijk is, of als de partnergemeente te kennen heeft gegeven niet tot vereniging te willen komen.

 

Het besluit om te verenigen tot een protestantse gemeente wordt genomen door de kerkenraden van de betrokken gemeenten. Eerst worden de gemeenteleden over de plannen ingelicht en krijgen zij de gelegenheid daarop te reageren (‘daarin gekend en daarover gehoord’). Voor de vereniging is medewerking en goedvinden van de classicale vergadering vereist; dat wil zeggen: ze wordt bij de plannen betrokken en moet daaraan haar goedkeuring geven. Dat is van belang omdat in veel gevallen bij de vereniging ook de grenzen van de gemeenten moeten worden aangepast (ord. 2-12-2 t/m 5). Dat vaststellen van de grenzen kan nog knap ingewikkeld zijn, omdat zich daarin tussen de gemeenten die zich verenigen soms grote verschillen voordoen. In dat geval kunnen aanpassingen nodig zijn (ord. 2-12-8). In het modellenboek worden daarvoor aanwijzingen gegeven. Daarin is eveneens een stappenplan te vinden, voor de procedure die moet worden gevolgd om tot vereniging te komen. Bovendien wordt daar een model voor een plaatselijke regeling aangereikt.

Bij vereniging wordt de protestantse gemeente als zelfstandig onderdeel van de kerk een nieuwe rechtspersoon. De gemeenten die zich verenigen, gaan daarbij op in de protestantse gemeente en bestaan dus niet meer als zelfstandige rechtspersonen (ord. 2-19-3). Datzelfde geldt van de diaconieën van de verenigde gemeenten. Bij vereniging gaan de vermogensbestanddelen van de oorspronkelijke gemeenten over naar de protestantse gemeente. De generale regeling fusie en splitsing bepaalt dat in ieder geval een regeling dient te worden getroffen ten aanzien van de diaconale en andere vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeenten (waarbij ook een inventarisatie moet worden opgemaakt van hun rechten, verplichtingen en goederen) en ten aanzien van de wijze waarop de werkzaamheden van de onderscheiden organen van de gemeenten worden voortgezet dan wel beëindigd (G.R. fusie en splitsing, art. 2-4). Het is mogelijk dat het nieuw gevormde college van kerkrentmeesters of college van diakenen ook na de plaatselijke vereniging bepaalde vermogensbestanddelen in de vorm van bestemmingsfondsen afzonderlijk blijft administreren en behartigen.

De ledenregisters worden samengevoegd tot één register van de protestantse gemeente (G.R. fusie en splitsing, art. 2-6). Er wordt daarin geen onderscheid tussen de leden meer gemaakt (hervormd, gereformeerd en/of luthers).

Het is duidelijk dat de vorming van een protestantse gemeente de nodige rechtsgevolgen met zich meebrengt. Het is van belang dat de bepalingen die daarover in ord. 2-19 en in de G.R. fusie en splitsing, art. 1, 2 en 5 zijn gegeven, zorgvuldig in acht worden genomen.

|100|

Als de vereniging een gemeente met wijkgemeenten betreft, geldt nog een aantal aanvullende bepalingen. Het is allereerst van belang te onderstrepen dat wijkgemeenten pas kunnen besluiten tot vereniging als de gemeente als geheel verenigd is. Zolang de gemeente als geheel (de rechtspersoon) niet verenigd is, kunnen de wijkgemeenten in hun samenwerking dus niet verder gaan dan federatie. De bepalingen met betrekking tot vereniging zijn alleen op wijkgemeenten van een protestantse gemeente van toepassing, zegt ord. 2-12-7. De vereiste medewerking en goedkeuring moet in dat geval niet door de classicale vergadering worden verleend, maar door de algemene kerkenraad.

Als een gemeente met wijkgemeenten wil verenigen, moeten de wijkkerkenraden worden gehoord (ord. 2-12-3). Het ‘kennen en horen’ van de leden van de wijkgemeenten geschiedt in dit geval door de wijkkerkenraden. Een wijkkerkenraad of wijkgemeente heeft geen vetorecht, zoals dat voorheen in de Tussenorde wel het geval was.

Zoals de federatie van een gemeente met wijkgemeenten niet automatisch tot gevolg heeft dat ook alle wijkgemeenten gefedereerd zijn, zo brengt de vereniging van een gemeente met wijkgemeenten niet vanzelf met zich mee dat ook de wijkgemeenten gaan samenwerken of verenigen. Dat blijft een beslissing van de wijkkerkenraden zelf. De wijkgemeenten die zelf ‘redenen hebben’ om niet te verenigen, worden in dat geval op hun verzoek aangemerkt als hervormde, gereformeerde of evangelisch-lutherse wijkgemeente van de protestantse gemeente (ord. 2-12-9). Ze maken als zodanig deel uit van de protestantse gemeente, wijzen — net als de andere wijkgemeenten — leden van de algemene kerkenraad aan, delen volledig in het leven en werken van de gemeente als geheel. Zij staan daarin met hun eigen confessionele positie, zoals in ord. 1-1-1 beschreven (zie § 3.2 en 3.3). Maar voor het overige gelden ze als gewone — geografische — wijkgemeenten. Ze mogen niet bestempeld worden als wijkgemeenten van bijzondere aard.

De vereniging van gemeenten met wijkgemeenten kan ertoe leiden dat sommige wijkgemeenten van de nieuw gevormde protestantse gemeente elkaar overlappen. De regeling van de classicale vergadering waarin wordt vastgelegd welke de ‘registratie ontvangst gemeente’ is (zie § 4.1.3), moet zich ook uitstrekken over de wijkgemeenten. Het ligt voor de hand aan de algemene kerkenraad van de betreffende gemeente te vragen een voorstel terzake in te dienen.

Ord. 2-12-10 voorziet in de situatie dat een wijkgemeente tegen de vereniging van de gemeente als geheel bezwaren heeft die zo zwaarwegend zijn, dat men van die verenigde gemeente geen deel wil uitmaken. Dan bestaat de mogelijkheid voor de leden van die wijkgemeente een nieuwe (zelfstandige) gemeente naast de protestantse gemeente te vormen. Dat wordt dan een nieuwe hervormde gemeente, gereformeerde kerk of evangelisch-lutherse gemeente naast de protestantse gemeente. In dat geval zijn ord. 2-19 en art. 1-2 en art. 3-1 van de generale regeling fusie en splitsing van toepassing, waarin de vermogensrechtelijke gevolgen worden geregeld. In feite is er dan sprake van boedelscheiding (ord. 2-19-5). De

|101|

classicale vergadering volgt daarbij de procedure die in ord. 2-13-1 t/m 4 is voorgeschreven. De in ord. 2-13-6 bedoelde goedkeuring van de generale synode is in dit geval niet vereist.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.3

4.3.3 De vorming van een nieuwe gemeente

Er kunnen verschillende redenen zijn om tot de vorming van een nieuwe gemeente over te gaan. Het kan zijn dat de gemeente (bij monde van de kerkenraad) zelf vraagt om gesplitst te worden, bijvoorbeeld omdat de opbouw van het kerkelijk leven in een nieuwe woonlocatie beter door een zelfstandige gemeente kan worden behartigd. Het verzoek kan ook uitgaan van belanghebbende gemeenteleden die van mening zijn dat het gewenst is om tot gemeentevorming over te gaan, bijvoorbeeld om daardoor aan de missionaire roeping van de gemeente beter gestalte te kunnen geven. Uiteraard zal de classicale vergadering dan moeten overwegen of een dergelijke gemeente voldoende levensvatbaarheid heeft (ord. 2-13-4). Daarbij zullen in een groei- of ontwikkelingsfase aan de nieuwe gemeente geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, en daar geeft de kerkorde ook ruimte voor (ord. 4-6-4). In alle gevallen zullen de betrokken kerkenraden en gemeenteleden in de gelegenheid worden gesteld om hun mening kenbaar te maken. Het besluit tot de vorming van de nieuwe gemeente wordt uiteindelijk genomen door de classicale vergadering.

De vorming van een nieuwe gemeente brengt belangrijke rechtsgevolgen met zich mee. Voor de regeling daarvan zijn behalve in ord. 2-19 ook in de generale regeling fusie en splitsing (art. 3) de nodige voorschriften gegeven.

 

Als het gaat om het vormen van een nieuwe gemeente naast een bestaande gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland moet aan meer voorwaarden worden voldaan. Hierbij kan het gaan om het vormen van een nieuwe protestantse gemeente (naast bestaande gemeenten die niet verenigen willen) of een nieuwe hervormde, gereformeerde of evangelisch-lutherse gemeente (naast een bestaande hervormde, gereformeerde of evangelisch-lutherse gemeente die al dan niet verenigd is). In dat geval is advies van het regionale college voor de visitatie nodig. Dat gaat na wat er aan de hand is en of er geen andere mogelijkheden zijn voor de leden van de kerk die het verzoek hebben ingediend. Uiteindelijk is de goedkeuring van de generale synode nodig, waardoor tot uitdrukking wordt gebracht dat een dergelijk besluit zeker niet lichtvaardig kan worden genomen (ord. 2-13-6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.4

4.3.4 Een (wijk)gemeente van bijzondere aard

Een aantal malen is er in ord. 2 sprake van een gemeente of wijkgemeente ‘van bijzondere aard’ (resp. ord. 2-13-5 en ord. 2-16-8). Bij toepassing van ord. 2-12-9

|102|

of ord. 2-13-6 ontstaat een ‘gewone’ protestantse, hervormde, gereformeerde of evangelisch-lutherse (wijk)gemeente. Wie bij verhuizing uit een soortgelijke gemeente afkomstig is en op het grondgebied van een dergelijke (wijk)gemeente komt te wonen, wordt daar zonder meer als lid ingeschreven.

Bij een (wijk)gemeente van bijzondere aard staat veelmeer de eigen keuze voorop. In het register van deze (wijk)gemeente wordt men slechts op eigen verzoek ingeschreven. Ook deze (wijk)gemeenten hebben hun eigen gebied, maar ze omvatten uitsluitend de leden die zich bij hen aangesloten hebben. Ze zijn ingesteld als een categoriale gemeente (bijvoorbeeld een studentengemeente) of in het bijzonder gericht op leden van de kerk van een bepaalde modaliteit.2

Het is overigens niet altijd nodig om tot aparte gemeentevorming over te gaan als men een voorziening wil treffen voor een modalitaire groepering. Een kerkenraad kan voor hen een aparte kerkenraadscommissie instellen en voor hen kerkdiensten beleggen. In een gemeente met wijkgemeenten heeft de algemene kerkenraad onder meer tot taak ‘het treffen van voorzieningen ten behoeve van de gemeente in haar geheel, waar dat nodig is om recht te doen aan de binnen de gemeente voorkomende kerkelijke verscheidenheid’ (ord. 4-9-4). Daartoe kan onder meer behoren het beleggen van kerkdiensten voor een minderheidsgroepering. Bovendien kan de algemene kerkenraad zelf ambtsdragers met een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente in haar geheel verkiezen (ord. 3-6-7). Aan hen kan de pastorale verzorging en de geestelijke vorming van gemeenteleden die tot een bepaalde modaliteit behoren, worden opgedragen (zie § 5.3.2 en § 6.2.3).

Bij het vormen van een gemeente van bijzondere aard zijn de regels voor het vormen van een nieuwe gemeente van toepassing, met inbegrip van de voorschriften aangaande het regelen van de rechtsgevolgen (zie § 4.3.3). Dat laatste is niet het geval bij het vormen van een wijkgemeente van bijzondere aard, omdat een wijk-gemeente geen rechtspersoonlijkheid bezit (ord. 11-5-1). Dat geldt ook van een wijkgemeente van bijzondere aard (behalve wanneer ovb. 82 van toepassing is).


[118] 2. In de NHK werd het begrip ‘modaliteit’ omschreven als ‘een stroming in het kerkelijk leven respectievelijk in de theologische benadering, die zich beweegt binnen de grenzen van art. X van de kerkorde [dat wil zeggen: die zich beweegt in de weg van het belijden van de kerk, red.] en die zich heeft uitgewerkt in een bepaalde wijze van prediking, catechese en gemeente-zijn’. Het begrip ‘modaliteit’ komt in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zelf niet voor.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.5

4.3.5 Samenvoeging en combinatie

De kerkorde noemt in art. II-2 vier ‘soorten’ gemeenten: de protestantse gemeenten, de hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten.

Het verschil tussen vereniging (ord. 2-12) en samenvoeging (ord. 2-14) is dat bij vereniging altijd gemeenten van verschillende ‘soort’ betrokken zijn (dus protestants, hervormd, gereformeerd en/of evangelisch-luthers). Bij samenvoeging gaat het om gemeenten van ‘dezelfde soort’: dus de samenvoeging van (tenminste) twee protestantse gemeenten, twee hervormde gemeenten, twee evangelisch-lutherse gemeenten of twee gereformeerde kerken. Daarom spreekt ord. 2-14-1 van ‘twee of meer aangrenzende gemeenten’. Maar ook de samenvoeging van twee

|103|

hervormde gemeenten met hetzelfde grondgebied is mogelijk: een ‘gewone’ hervormde gemeente met een hervormde gemeente van bijzondere aard (die vroeger in de Nederlandse Hervormde Kerk een deelgemeente heette). In gewone omstandigheden vindt een dergelijke samenvoeging alleen plaats op verzoek van de betrokken kerkenraden, nadat de gemeenteleden gelegenheid hebben gekregen hun mening daarover kenbaar te maken.

In bijzondere omstandigheden kan de classicale vergadering besluiten tot een dergelijke samenvoeging, ook zonder dat de kerkenraden daarom hebben gevraagd. In dat geval moeten allerlei instanties worden gehoord. Daarbij moet duidelijk worden dat er — althans voor één van de betrokken gemeenten — geen mogelijkheden meer zijn om zelfstandig te blijven voortbestaan. Om te waarborgen dat er niet lichtvaardig wordt ingegrepen in de eigen bevoegdheden van de plaatselijke kerkenraden, is bepaald dat voor zo’n besluit instemming van de generale synode nodig is (ord. 2-14-2).

De regeling van de rechtsgevolgen van een samenvoeging is vergelijkbaar met die van een vereniging. Zie daarover § 4.3.2.

Een combinatie (ord. 2-15) kan worden gevormd zowel door gemeenten van dezelfde ‘soort’ als door gemeenten met een verschillende benaming. Dus zowel een combinatie ‘gereformeerd-gereformeerd’ als een combinatie ‘evangelisch-luthers-hervormd’ behoort tot de mogelijkheden.

Anders dan de formulering van ord. 2-15-4 doet vermoeden, behouden de gemeenten in de combinatie hun zelfstandigheid, elk met hun eigen kerkenraad en andere organen van de gemeente. Ze hebben alleen de predikant gemeenschappelijk, samen met de andere gemeente(n) van de combinatie. Daarom moeten er bij het aangaan van de combinatie afspraken gemaakt worden over de kerkdiensten, het pastoraat, het beroepen van de predikant, de verdeling van de kosten, kortom over alles wat de positie en het werk van de (gemeenschappelijke) predikant betreft (ord. 2-15-5). Tenminste eenmaal per jaar ontmoeten de kerkenraden van de gemeenten elkaar om de gezamenlijke aangelegenheden te bespreken.

Het besluit tot het vormen van de combinatie wordt genomen door de classicale vergadering, op verzoek van de betrokken kerkenraden. In bijzondere omstandigheden kan de classicale vergadering een gemeente ook ongevraagd in een combinatie opnemen, als gebleken is dat dit nodig is voor het voortbestaan van de gemeente. Nu wordt niet gesproken van een vereiste goedkeuring van de generale synode, omdat de gemeente toch als zelfstandige gemeente blijft voortbestaan.

Een combinatie kan op verzoek van een of meer van de betrokken kerkenraden worden beëindigd, op voorwaarde dat er een goede voorziening getroffen is voor het pastoraat en dat er goede afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de positie van de predikant (ord. 2-15-8).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.6

|104|

4.3.6 Gemeente met wijkgemeenten

Een gemeente met drie of meer predikanten voor gewone werkzaamheden wordt ingedeeld in wijkgemeenten. De gemeente wordt immers in de eerste plaats gezien als een geestelijke gemeenschap, vergaderd rondom Woord en sacramenten. Daarvoor is in een grotere gemeente de wijkgemeente de bij uitstek geschikte vorm. De wijkgemeente wordt in de kerkorde als de eigenlijke gemeente gezien (ord. 2-11-8). Ze heeft haar eigen ambtsdragers, meestal heeft de wijkgemeente haar eigen kerkdiensten en op deze wijze kan er nog sprake zijn van een goede wisselwerking tussen ambtsdragers en gemeenteleden. Zo wordt voorkomen dat de afstanden in het pastoraat en diaconaat te groot worden en blijft het mogelijk om in het verband van de wijkgemeente gestalte te geven aan ‘de roeping die op alle leden van de gemeente rust om naar elkaar om te zien, elkaar op te bouwen, elkaar de vergeving Gods aan te zeggen’ (ord. 10-1-2).

De indeling van een gemeente in wijkgemeenten maakt het tegelijk mogelijk de voorwaardenscheppende zaken gemeenschappelijk te behartigen. De vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente en van de diaconie worden altijd op ‘centraal niveau’ uitgeoefend (zie ord. 4-9-4 en § 6.2.3).

Als in een gemeente met een groter aantal predikanten geen wijkgemeenten met eigen wijkkerkenraden zouden worden gevormd, wordt de afstand tussen de kerkenraad en de gemeente te groot en bestaat de kans dat de kerkenraad niet meer toekomt aan zijn primaire roeping om geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Dan is het gevaar dat eenzijdig de nadruk gelegd wordt op zijn taak om het bestuursorgaan van de gemeente te zijn, niet denkbeeldig.

 

Het is de kerkenraad die tot indeling in wijkgemeenten besluit (ord. 2-16-3). Latere wijzigingen in de indeling worden aangebracht door de (inmiddels gevormde) algemene kerkenraad (ord. 2-16-4 t/m 7). De bepalingen geven aan dat steeds de betrokken wijkkerkenraden moeten worden gehoord en dat de betrokken gemeenteleden op de hoogte moeten worden gesteld, waardoor ze in de gelegenheid zijn hun oordeel kenbaar te maken. Die wijziging kan inhouden
- het vormen van een nieuwe wijkgemeente op verzoek (ord. 2-16-4);
- het vormen van een nieuwe wijkgemeente op eigen initiatief (ord. 2-16-5);
- het vormen van een combinatie van wijkgemeenten (ord. 2-16-7), vergelijkbaar met de combinatie van gemeenten (zie § 4.3.5);
- het samenvoegen van wijkgemeenten of het maken van een geheel nieuwe wijk-indeling (ord. 2-16-6).

De indeling van de gemeente en alles wat daarmee samenhangt, wordt vastgelegd in de plaatselijke regeling. Bij het vaststellen daarvan pleegt de algemene kerkenraad overleg met de wijkkerkenraden (ord. 2-16-10). De betrokkenheid van de classicale vergadering bij het vormen van een gemeente met wijkgemeenten is beperkt tot het medewerken en goedvinden bij het vaststellen en wijzigen van het

|105|

aantal wijkgemeenten (ord. 2-16-6). Daarnaast moet de plaatselijke regeling aan het breed moderamen van de classicale vergadering worden toegezonden (ord. 4-7-2).

 

De algemene kerkenraad is ook bevoegd tot het vormen van een wijkgemeente van bijzondere aard. Daarvoor is goedkeuring van de classicale vergadering nodig; deze laatste vraagt advies aan het regionale college voor de visitatie (ord. 2-16-8). Bij een wijkgemeente van bijzondere aard kan men alleen op eigen verzoek worden ingeschreven en niet door ‘automatische’ inschrijving bij verhuizing. Voor het overige gelden voor de wijkgemeente van bijzondere aard de regels voor een gewone wijkgemeente. De wijkkerkenraad van deze gemeente wijst dus op dezelfde wijze als de andere wijkgemeenten een of meer leden van de algemene kerkenraad aan, neemt deel aan de arbeid van de algemene kerkenraad, beroept samen met de algemene kerkenraad de predikant, participeert in de gemeenschappelijke beheersaangelegenheden, vaardigt af naar de classicale vergadering enzovoorts. Zie verder § 4.3.4.

 

Ord. 2-16-9 sub b onderstreept dat het geografisch uitgangspunt ook geldt voor de wijkgemeente. De leden van de gemeente worden ingeschreven in het register van de wijkgemeente waarbinnen ze wonen. Dit geldt ook voor gastleden, voor niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en anderen die met de gemeente verbonden zijn. Overschrijving naar een andere wijkgemeente is mogelijk, maar alleen op schriftelijk en gemotiveerd verzoek en als beide wijkkerkenraden ermee instemmen. Als een van beide wijkkerkenraden weigert, kan het verzoek worden voorgelegd aan de algemene kerkenraad, die een beslissing neemt (zie § 4.1.4).

Ord. 2-16-9 sub e laat zien dat bij verhuizing de inschrijving in een wijkgemeente verloopt volgens de procedure die vergelijkbaar is met die bij verhuizing uit een gewone gemeente (zie § 4.1.3). Wie uit een hervormde (wijk)gemeente afkomstig is, wordt dus ingeschreven in de hervormde wijkgemeente waarbinnen men is komen wonen of in de protestantse (wijk)gemeente waarin deze zich verenigd heeft. Datzelfde geldt voor wie uit een gereformeerde kerk of wijkgemeente afkomstig is: die wordt ingeschreven in de gereformeerde wijkgemeente waarbinnen men is komen wonen of in de protestantse (wijk)gemeente waarin deze zich verenigd heeft. Als er op het grondgebied waar men woont meer dan een wijkgemeente van de Protestantse Kerk in Nederland is, kan men zich zonder meer op verzoek naar die andere wijkgemeente laten overschrijven.

Dit alles laat onverlet dat men — op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek — ook kan worden overgeschreven naar een andere gemeente van de kerk, buiten de eigen woonplaats. Daarvoor gelden de bepalingen van ord. 2-5-3 (zie § 4.1.4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.7

|106|

4.3.7 Streekgemeente

Een streekgemeente (ord. 2-17) is een tussenvorm tussen combinatie en samenvoeging. Bij de vorming van een streekgemeente ontstaat een nieuwe gemeente (met een eigen streekkerkenraad, met een streekcollege van kerkrentmeesters en een streekcollege van diakenen), die ook rechtspersoonlijkheid bezit (ord. 11-5-1). Maar de gemeenten die in de streekgemeente zijn samengebracht, behouden hun eigen kerkenraad, hun colleges en hun rechtspersoonlijkheid. Deze gemeenten behouden, in de bewoordingen van ord. 2-17-3, ‘een beperkte zelfstandigheid’. Afhankelijk van de situatie kan er een sterker accent gelegd worden op de gezamenlijkheid (zodat men een groot aantal taken door de streekkerkenraad en de streekcolleges laat behartigen), of meer overgelaten worden aan de gemeenten die van de streekgemeente deel uitmaken. In elk geval heeft de streekkerkenraad als taak de coördinatie van het missionaire, diaconale en pastorale werk in de gemeenten.

In ord. 2-17-1 wordt bepaald dat de predikanten in elk geval verbonden zijn aan de streekgemeente als geheel. Dat brengt met zich mee dat de streekkerkenraad gehouden is tot uitbetaling van het traktement en de vergoedingen van de predikanten (vergelijk ord. 3-16-5). De streekkerkenraad vertrouwt de verzorging van deze taak toe aan het streekcollege van kerkrentmeesters. Het beroepen van de predikanten in de streekgemeente geschiedt dan ook door de streekkerkenraad (ord. 3-5-1). Het aanhangsel bij de beroepsbrief dient ondertekend te worden door de preses en de scriba van de streekkerkenraad en door de voorzitter en de secretaris van het streekcollege van kerkrentmeesters (vergelijk ord. 3-5-3).

Het is zaak dat over het verkiezen en beroepen van de predikanten in de plaatselijke regeling waarin de vorming van de streekgemeente wordt vastgelegd, duidelijke afspraken worden gemaakt. Daarbij valt te denken aan de inbreng van de afzonderlijke kerkenraden bij de kandidaatstelling (vergelijk ord. 3-4-4) en aan de wijze waarop de stemgerechtigde leden van de streekgemeente en/of de afzonderlijke gemeenten bij de verkiezing van de predikanten worden betrokken (vergelijk ord. 3-4-5 en 7). In die regeling moet in elk geval de verdeling van taken tussen de streekkerkenraad en de streekcolleges van kerkrentmeesters en diakenen enerzijds en de kerkenraden en de colleges van kerkrentmeesters en diakenen van de afzonderlijke gemeenten anderzijds worden vastgelegd (ord. 2-17-7). Daarnaast moet een regeling worden getroffen met betrekking tot de samenstelling en de bevoegdheden van de streekkerkenraad en de streekcolleges.

In de regel wordt een streekgemeente gevormd door de classicale vergadering op verzoek van de kerkenraden van de betrokken gemeenten. In bijzondere omstandigheden kan de classicale vergadering ook op eigen initiatief gemeenten samenbrengen in een streekgemeente, als een gemeente geen andere mogelijkheid meer heeft om zelfstandig te blijven functioneren. In dat geval is goedkeuring van de generale synode nodig.

|107|

Een bijzondere regeling is die van de huisgemeente (ord. 2-17-4). Soms is een gemeente zo klein geworden dat ze de taken die de kerkorde voorschrijft niet meer kan vervullen. Men kan bijvoorbeeld geen kerkenraad van de vereiste samenstelling meer vormen, zelfs niet met toepassing van ord. 4-6-4. Meestal zal dan de oplossing gezocht worden in het vormen van een combinatie of in een samenvoeging. Maar binnen een streekgemeente bestaat daarnaast ook de mogelijkheid de gemeente aan te merken als huisgemeente. De gemeente blijft als zodanig bestaan, zelfs als ze geen eigen kerkenraad of eigen colleges meer heeft. Er wordt een regeling opgesteld waarin wordt vastgelegd welke taken nog door (de leden of ambtsdragers van) de huisgemeente zelf kunnen worden uitgeoefend. Dat gebeurt dan steeds in overleg met en onder verantwoordelijkheid van de streekkerkenraad. Alle overige taken betreffende de huisgemeente worden door de streekkerkenraad en de streekcolleges uitgeoefend. De eigen rechtspersoonlijkheid van de (huis)gemeente vervalt, zodat de rechtshandelingen ten behoeve van de huisgemeente altijd door de streekcolleges moeten worden verricht (ord. 11-5-1). De streekkerkenraad wijst tenminste één ambtsdrager aan om het contact met de huisgemeente te onderhouden. Als de huisgemeente nog een eigen ambtsdrager heeft, ligt het voor de hand deze ambtsdrager met deze taak te belasten.

In de streekgemeente vaardigen de kerkenraden van de afzonderlijke gemeenten (en niet de streekkerkenraad) ambtsdragers af naar de classicale vergadering. Omdat er in een huisgemeente niet langer sprake is van een eigen kerkenraad, kan er ook geen sprake zijn van een reguliere afvaardiging naar de classicale vergadering.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.3.8

4.3.8 Gemeente in bijzondere omstandigheden

In ord. 2-18 zijn bepalingen opgenomen om gemeenteleven mogelijk te maken in bijzondere omstandigheden. Het gaat daarbij om een specifieke situatie waarin er zowel op missionair als op diaconaal en pastoraal gebied sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals die met name in grootstedelijke gebieden te vinden zijn. Daar vinden soms ontwikkelingen plaats die de kerkorde niet wil af-snoeren, maar waarvoor ruimte moet worden gemaakt. Te denken valt aan betrokkenheid bij drugspastoraat of AIDS-patiënten. Als voorbeeld kan ook worden genoemd een ‘buurtgemeente’ of ‘buurtkerk’ zoals die door dr. K.A. Schippers beschreven is.3

Juist omdat de situaties onderling sterk kunnen verschillen en men in de bijzondere omstandigheden waarin men verkeert, vaak een eigen weg moet zoeken, is er in ord. 2-18 niet al te veel geregeld. De enige concrete voorziening die met name wordt genoemd, is overigens een verstrekkende bepaling! Het betreft de mogelijkheid om aan een ouderling of diaken de bevoegdheid te verlenen om in deze gemeente in de dienst van Woord en sacramenten voor te gaan en andere


[118] 3. K.A. Schippers e.a., Kerkelijke presentie in een oude stadswijk: onderzoek naar buurtpastoraat vanuit behoeften en belangen van bewoners, Kampen 1990.

|108|

ambtswerkzaamheden van een predikant te verrichten. Voor het overige wordt slechts aangegeven dat andere maatregelen die wenselijk of noodzakelijk zijn, kunnen worden getroffen.

Deze bepalingen kunnen alleen worden toegepast wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan.
- Een gemeente kan niet zelf het besluit daartoe nemen; de beslissing is voorbehouden aan de classicale vergadering.
- Het regionale college voor de visitatie moet worden gehoord.
- Er moet sprake zijn van een gericht beleid dat op de specifieke missionaire, diaconale en pastorale situatie is afgestemd.
- De vraag of er inderdaad van bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden sprake is, wordt getoetst door een orgaan van bijstand van de generale synode.
- Dit orgaan van bijstand van de generale synode beslist tevens of er andere maatregelen wenselijk of noodzakelijk zijn.

Deze voorwaarden maken duidelijk dat ord. 2-18 niet bedoeld is als een mogelijkheid om van gewone kerkordelijke bepalingen af te wijken (bijvoorbeeld als het lastig blijkt om voorgangers te vinden), maar als een instrument om nieuw beleid mogelijk te maken in specifieke situaties. Deze situaties zullen zich met name in de grootstedelijke gebieden voordoen, maar lid 4 maakt het mogelijk de bepaling ook toe te passen in andere gebieden als zich daar een vergelijkbare situatie voordoet. In dat geval behoeft het besluit van de classicale vergadering goedkeuring van de generale synode, die daarbij het generale college voor de visitatie hoort.

Het verzoek zal in de regel uitgaan van de kerkenraad van de betreffende (wijk)ge-meente, maar ook een verzoek van leden van de kerk, die in die bijzondere situatie verkeren, kan in behandeling worden genomen. Opvallend is in dit verband de uitdrukking ‘de leden van de kerk’: er zal veelal sprake zijn van categoriaal werk, waarbij het niet noodzakelijk is dat de betrokkenen tot deze gemeente behoren. Als het verzoek niet van de kerkenraad zelf uitgaat, wordt de betrokken kerkenraad (evenals de algemene kerkenraad) uiteraard wel gehoord voordat de classicale vergadering een beslissing neemt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.4

4.4 Vermogensrechtelijke aspecten van gemeentevorming

In ord. 2-19-1 wordt een aantal besluiten genoemd met betrekking tot gemeentevorming, waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. In al deze gevallen moeten voor de rechtsgevolgen specifieke voorzieningen worden getroffen.

De tekst van ord. 2-19 is grotendeels ontleend aan het ‘Rapport van de commissie voor Civielrechtelijke vraagstukken betreffende de ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland’ (februari 2000). De commissie stelde in het hoofdstuk ‘Fusie, splitsing en

|109|

kerkgenootschappen’ voor in ord. 2-19 op te nemen de mogelijkheid van juridische fusie en splitsing met als rechtsgevolg overgang van vermogen onder algemene titel. De commissie achtte het nodig dat deze regeling gepaard zou gaan met waarborgen die ontleend zijn aan het algemene burgerlijke recht ter zake. Daarbij werden genoemd een procedure die de belangen van derden (met name crediteuren) beschermt en het opmaken van een notariële akte.

In ord. 2-19 is de fusie van rechtspersonen geregeld in lid 3, de overgang van vermogen onder algemene titel in lid 4. De regeling voor een splitsing van gemeenten is te vinden in lid 5, in lid 6 vindt men de procedure die de belangen van derden beschermt, terwijl in lid 7 de notariële akte wordt voorgeschreven.

Het gaat in ord. 2-19 om de volgende besluiten met betrekking tot gemeentevorming.
- Ze hebben allereerst betrekking op de vereniging en samenvoeging van gemeenten, waarbij telkens een nieuwe gemeente met rechtspersoonlijkheid ontstaat. De oorspronkelijke gemeenten die zich verenigd hebben of samengevoegd zijn, blijven daarbij als zodanig niet langer bestaan, waarmee ze ook als rechtspersonen ophouden te bestaan. De rechtsgevolgen die hierbij nader geregeld moeten worden, zijn te vinden in de G.R. fusie en splitsing, art. 2.
- Bij de vorming van een nieuwe gemeente of de splitsing van een gemeente bezit zowel de oorspronkelijke gemeente als de nieuw gevormde (of de afgesplitste) gemeente rechtspersoonlijkheid. Wat er in deze situatie ten aanzien van de rechtsgevolgen geregeld moet worden, is te vinden in de G.R. fusie en splitsing, art. 3.
- Daarnaast is er de vorming van een samenwerkingsverband als een combinatie en een streekgemeente. In dit geval blijven de oorspronkelijke gemeenten (en daarmee de rechtspersonen) bestaan; de streekgemeente bezit bovendien ook zelf rechtspersoonlijkheid. Ook bij het vormen van een federatie (zie § 4.3.1) is het van belang de rechtsgevolgen en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor het gemeentelijk leven te regelen, al wordt de federatie in ord. 2-19-1 niet met zoveel woorden genoemd.
- Bij het vormen van een gemeente met wijkgemeenten behoudt de gemeente als geheel haar rechtspersoonlijkheid. Toch zullen er voorzieningen moeten worden getroffen: de predikanten worden elk aan een wijkgemeente verbonden en zowel de algemene kerkenraad als de colleges van kerkrentmeesters en van diakenen moeten op een nieuwe wijze worden samengesteld.
- Bij de vorming van een huisgemeente verliest deze haar rechtspersoonlijkheid, waarbij het vermogen onder algemene titel overgaat op de streekgemeente.
- Tenslotte noemt ord. 2-19-1 het beëindigen van een combinatie of het opheffen van een streekgemeente.

Behalve bij het vormen van een gemeente met wijkgemeenten en bij de vorming van een huisgemeente op eigen verzoek is steeds de classicale vergadering bij deze besluitvorming betrokken. Op de classicale vergadering rust daarom bij deze

|110|

procedures een bijzondere verantwoordelijkheid. Voor de hulp die de classicale vergadering daarbij kan ontvangen, zie ovb. 199 en § 6.3.2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.5

4.5 Bijzondere zorg

In de overgangsbepalingen en in de generale regeling fusie en splitsing wordt beschreven hoe de kerk haar verantwoordelijkheid uitoefent ten aanzien van gemeenteleden en ambtsdragers als de band tussen hen en de Protestantse Kerk in Nederland verbroken is of dreigt te worden verbroken. De bedoelde overgangsbepalingen (ovb. 28 t/m 34) zijn van kracht tot 1 mei 2009. Op die datum neemt de generale regeling fusie en splitsing de functie van deze bepalingen over, doordat art. 4 in werking treedt.

In de Nederlandse Hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden was het niet mogelijk dat een gemeente zich als zodanig losmaakte van de kerk als geheel. Daar bestond slechts de mogelijkheid zich als persoon af te scheiden van de kerk (zie voor de NHK het rapport ‘Om de eenheid en de heelheid van de kerk’, maart 2001). Binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland bestond de mogelijkheid — zij het onder voorwaarden — dat een kerkenraad een besluit nam ten aanzien van de plaats van de gemeente in het kerkverband (zie voor de GKN het rapport ‘Kerken en Kerkverband’, augustus 2000). In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland is niet voorzien in de mogelijkheid voor een gemeente zich als zodanig los te maken van de kerk als geheel. Kerk en gemeenten kunnen niet zonder elkaar en zijn onafscheidelijk verbonden. De genoemde bepalingen zijn er dan ook in de eerste plaats op gericht de band tussen de gemeenteleden en de kerk te bewaren. Als er — vanwege de vereniging van de kerken of door andere oorzaken — zulke spanningen optreden dat het tot een scheuring dreigt te komen, behoort de kerk haar verantwoordelijkheid te nemen. Een speciale commissie stelt een onderzoek in naar de moeilijkheden en treedt in overleg met de kerkenraad, ambtsdragers en gemeenteleden ter plaatse. Ze wordt daarin eventueel bijgestaan door het regionale college voor de visitatie (ovb. 30 en G.R. fusie en splitsing, art. 4-2). De commissie treedt niet slechts op als de kerkenraad daarom verzoekt, maar is bevoegd ook op eigen initiatief in overleg te treden met de kerkenraad of de gemeente. Haar bevoegdheid is in dit opzicht vergelijkbaar met die van een college voor de visitatie (ord. 10-5-2). Ze probeert door bemiddeling en overleg de gerezen moeilijkheden uit de weg te ruimen (ovb. 31 en G.R. fusie en splitsing, art. 4-2). De procedure zoals die tot dusverre is beschreven, geldt voor alle gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland.

 

Als de commissie daarin onverhoopt niet slaagt, ontstaat een nieuwe situatie. Vanaf dit punt lopen de wegen voor de verschillende gemeenten van de kerk uiteen, althans tot 1 mei 2014.

|111|

Ten aanzien van een gereformeerde kerk geldt dat de kerkenraad tot die datum de bevoegdheid behoudt (zij het onder bepaalde voorwaarden, zie ovb. 34 en — vanaf 1 mei 2009 — ovb. 2 bij de G.R. fusie en splitsing) te besluiten over de plaats van de gemeente in de verenigde kerk. Met andere woorden: tot 1 mei 2014 kan een gereformeerde kerk door een besluit van de kerkenraad worden losgemaakt van de Protestantse Kerk in Nederland (zie ook § 4.6).

Dat geldt niet voor een hervormde en een evangelisch-lutherse gemeente. Als daar ondanks de bemiddelingspoging een aanzienlijk deel van de gemeente zich van de Protestantse Kerk in Nederland wil losmaken, krijgt de commissie de taak en bevoegdheid tot het nemen van gepaste maatregelen (ovb. 32 en 33).

Allereerst moet ervoor worden gezorgd dat de gemeente die tot de Protestantse Kerk in Nederland blijft behoren — ook na het verlies van een deel van haar leden — kan voortbestaan. Soms kan dat als zelfstandige gemeente, soms zullen er andere maatregelen nodig zijn (zoals vereniging, combinatie, samenvoeging en dergelijke).

Daarnaast heeft de commissie tot taak het treffen van een voorziening voor de gemeenteleden die zich van de kerk losmaken (of hebben losgemaakt) en die een nieuwe gemeente buiten de Protestantse Kerk in Nederland hebben gevormd. Daarbij gaat het om een voorziening ‘met het oog op het komen tot een nieuw kerkelijk leven ter plaatse’ (ovb. 33 sub a). Het gaat dus niet om een verdeling van de goederen op basis van de aantallen gemeenteleden, maar om — waar dat verantwoord en mogelijk is — een voorziening voor degenen die los van de Protestantse Kerk in Nederland verder willen gaan, om een nieuw begin te kunnen maken als kerkelijke gemeenschap. Bepaald is dat in ieder geval een afschrift van de gegevens in het register van gemeenteleden wordt verstrekt. Dat gebeurt overigens uitsluitend op verzoek van de betrokkenen zelf: men kan geen gegevens opvragen voor iemand anders. Maar ook vermogensrechtelijke aspecten worden bij het treffen van de voorziening in aanmerking genomen (ovb. 33 sub c). In bepaalde gevallen — bijvoorbeeld als een groot deel van de gemeenteleden zich heeft losgemaakt van de kerk — kan dus ook worden bepaald dat een deel van de bezittingen aan hen in gebruik wordt gegeven of wordt overgedragen. Daarbij kan ook worden gedacht aan kerkelijke gebouwen, zoals een pastorie, een kerk of een verenigingsgebouw. Bij het treffen van de voorziening moet de commissie de omstandigheden ter plaatse in acht nemen.

Een aantal nadere bepalingen is in dit verband van belang.
- De voorziening kan alleen worden getroffen als de betrokken leden van de gemeente een nieuwe kerkgemeenschap hebben gevormd. Overdracht aan individuele personen of aan een stichting is uitgesloten.
- De voorziening kan ook worden getroffen als het een aanzienlijk deel van de leden van een wijkgemeente betreft.
- Bij het treffen van de voorziening wordt allereerst overleg gepleegd met de kerkenraad en de colleges van de betrokken gemeente.

|112|

- De commissie hoort vervolgens de betreffende gemeenteleden die zich van de kerk willen losmaken (of hebben losgemaakt).
- Bovendien worden de visitatoren en de beheersinstanties gehoord, omdat er zowel pastorale als financiële aspecten aan een dergelijke voorziening verbonden zijn.
- De nieuwe kerkelijke gemeenschap mag niet de suggestie wekken de voortzetting te zijn van de hervormde gemeente of de evangelisch-lutherse gemeente: er moet dus een andere naam worden gekozen.
- Dat de nieuwe kerkelijke gemeenschap niet als een voortzetting van de hervormde gemeente of de evangelisch-lutherse gemeente kan worden beschouwd, wordt onderstreept door de bepaling dat het archief, de registers, het doop-, lidmaten-, en trouwboek en de financiële administratie en de andere bescheiden eigendom van de oorspronkelijke gemeente blijven.

 

Als de commissie een voorziening heeft getroffen, wordt deze eerst voorgelegd aan de kleine synode. Tenzij deze de voorziening (binnen 30 dagen) afwijst, is ze bindend voor alle partijen. Dus zowel voor de oorspronkelijke gemeente en haar organen, als voor de kerkelijke organen die toezien op het beheer, als voor de leden van de nieuwe kerkgemeenschap (ovb. 33 sub d). Alle betrokkenen zijn echter bevoegd om bezwaar in te dienen volgens de procedure van ord. 12, ook de betrokkenen als zij niet langer lid zijn van de kerk. Zo kan tot het uiterste de kerkelijke weg worden bewandeld, ook in de kerkelijke rechtspraak, en kan voorkomen worden dat dergelijke zaken aan de burgerlijke rechter zouden moeten worden voorgelegd.

Zoals gezegd: ovb. 32 t/m 34 blijven van kracht tot 1 mei 2009. Daarna treedt voor alle gemeenten art. 4 van de G.R. fusie en splitsing in werking, die dezelfde strekking heeft als de overgangsbepalingen 32 en 33. Tot 1 mei 2014 geldt voor gereformeerde kerken bij deze generale regeling nog een speciale overgangsbepaling.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.6

4.6 Samenhang kerk en gemeenten

Bij het totstandkomen van de kerkorde lag binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland een gevoelig punt in de wijze waarop aan de samenhang van kerk en gemeenten kerkordelijk vorm is gegeven. Door bezwaarden binnen deze kerken is betoogd dat de kerkenraden hun bevoegdheid om de plaatselijke kerk als zodanig en met behoud van haar eigendommen los te maken van het kerkverband, niet zouden mogen prijsgeven. De roeping of plicht tot afscheiding is een voluit geestelijke zaak, waarbij een kerkenraad zijn verantwoordelijkheid neemt voor Gods aangezicht. Deze verantwoordelijkheid mag een kerkenraad nimmer ontnomen worden, zo werd vanuit de kring van bezwaarden naar voren gebracht.4 In haar advies van juni 2003 is de Werkgroep Kerkorde op de vragen die hier leven uitvoerig ingegaan. We nemen uit dit advies enkele passages over.


[118] 4. Verg. C.B. Elsinga, Hoe gaan wij samen?, uitgave Confessioneel Gereformeerd Beraad 2002, 11.

|113|

Op de achtergrond van de discussie in de synode en in de kerken speelt het onderscheid tussen de valse en de ware kerk een grote rol, zoals dat in de artikelen 27 t/m 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) wordt gethematiseerd. De opbouw van dit deel van het genoemde belijdenisgeschrift is als volgt.
Artikel 27 begint met de woorden: Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene Kerk. Zij is een heilige vergadering van de waarlijk gelovige christenen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus (...). Over deze heilige kerk zegt artikel 27 vervolgens, dat zij er altijd geweest is en er altijd zijn zal, en vervolgens: Deze heilige Kerk is dan ook niet gelegen in, gebonden aan of beperkt tot een bepaalde plaats of gebonden aan bepaalde personen, maar zij is verbreid en verstrooid over de gehele wereld; en toch met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof.
Voordat nu de vraag aan de orde komt, hoe deze kerk te herkennen is, gaat art. 28 eerst in op de roeping voor de gelovige zich bij haar te voegen: allen behoren zich bij haar te voegen en zich met haar te verenigen om de eenheid van de Kerk te onderhouden. In die context komt dan ook de ‘plicht tot afscheiding’ in beeld die vandaag onder ons feitelijk in discussie is: Om dit alles des te beter te onderhouden behoren alle gelovigen, overeenkomstig Gods Woord, zich af te scheiden van hen, die niet tot de Kerk behoren en zich te voegen bij deze vergadering op iedere plaats, waar God haar gesteld heeft, zelfs al verzetten de overheden en de bevelen van de vorsten zich daartegen en stond er de dood of lijfstraf op. Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen in strijd met Gods verordening. Het is in dit verband zinvol erop te wijzen, dat de schrijver van deze confessie, Guido de Brès, inderdaad zes jaar later de hier door hem genoemde consequentie heeft ondergaan, toen hij de martelaarsdood stierf. Er staat hier veel op het spel!
De vraag is dan onontkoombaar, hoe men ‘hen, die niet tot de Kerk behoren’ — tot nu toe is de term ‘valse kerk’ nog niet gevallen! — kan herkennen ofwel: hoe kan men onderscheiden welke de ware Kerk is? Daarover gaat artikel 29, over de kenmerken van de ware Kerk. Iedereen kan zich wel kerk noemen. Het artikel zet voorzichtig in, door een inzicht naar voren te brengen, dat b.v. ook bij Augustinus een grote rol speelt: er zijn ook de huichelaars, die in de Kerk onder de goeden gemengd zijn en toch niet tot de Kerk behoren, hoewel zij uiterlijk in haar zijn. In dit verband zij opgemerkt, dat juist dit gegeven in de lutherse traditie altijd heel zwaar gewogen heeft, wat mede verklaart waarom lutherse kerken in de geschiedenis minder met scheuringen zijn geconfronteerd. In de gereformeerde traditie is de balans vaker — te vaak — doorgeslagen in de richting van de ‘plicht tot afscheiding’. Komen wij terug bij artikel 29 NGB, dan vinden we daar allereerst de oproep om bij het onderscheiden van de ware en de valse kerk zorgvuldig en met grote wijsheid te werk te gaan. Als kenmerken van de ware Kerk worden vervolgens genoemd: de

|114|

zuivere prediking van het Evangelie, de zuivere bediening van de sacramenten, en de uitoefening van de kerkelijke tucht. Nadat vervolgens aangegeven wordt, hoe men hen, die tot de Kerk behoren, in hun persoonlijk leven kan herkennen, wordt tenslotte de valse kerk getypeerd: deze schrijft aan zichzelf en haar verordeningen meer gezag toe dan aan Gods Woord en wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen; zij bedient de sacramenten niet zoals Christus in zijn Woord geboden heeft, maar voegt eraan toe en laat er uit weg naar het haar goeddunkt; zij grondt zich meer op de mensen dan op Christus; zij vervolgt hen, die heilig leven naar Gods Woord en die haar berispen om haar zonden, geldzucht en afgoderij. Hoewel het niet met zoveel woorden gezegd wordt, is het duidelijk, dat hier — in 1561! — gedoeld wordt op de Rooms-Katholieke Kerk. In dat licht is ook de slotzin van artikel 29 te begrijpen: Deze twee kerken (d.w.z. de ware en de valse kerk) zijn gemakkelijk te herkennen en van elkaar te onderscheiden.

Hoe makkelijk is dat vandaag? En hoe makkelijk zal het straks zijn, als de Protestantse Kerk in Nederland totstandgekomen is? Guido de Brés had inderdaad de keus uit twee kerken: de overmachtige Rooms-Katholieke Kerk en de vervolgde kerk van de reformatie. Van ‘tien maal gereformeerd’ was nog geen sprake.

Prof. dr. H.B. Weijland — tot zijn dood in 1996 lid van de werkgroep — heeft in een artikel in Kerk en Theologie zich ooit intensief bezig gehouden met de vraag: ’Is afscheiding geoorloofd?’ (K&Th 42 (1991), 4-17), waarbij het hem precies ging om de interpretatie van wat hierboven uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis naar voren is gebracht. De kernvraag is: kun je het waar/valsschema van art. 29 NGB ook toepassen in de verhouding tussen verschillende gereformeerde of protestantse kerken? Hij verwijst daarin onder meer naar de stelling van H. Bavinck, ‘dat scheiding nooit een geloofsartikel kan zijn’. Van belang is hier vooral de wijze waarop Weijland de consequenties tekent die voortvloeien uit de toepassing van het waar/vals-schema bij onderlinge meningsverschillen binnen de Reformatie. Zijn conclusie luidt: ‘... alleen in zeer extreme situaties kan de aanklacht van vals-zijn op een authentieke wijze gehanteerd worden: in de brutalisering van het evident evangelische én in de druk van harde vervolging in hun samenhang. Voor het overige zou wel eens kunnen gelden: Wat God door de doop heeft samengevoegd, dat scheide de mens niet ...’

Voor de werkgroep betekent dit, dat van een ‘recht van afscheiding’ alleen gesproken kan worden, wanneer het gaat om werkelijk extreme situaties. Het betreft situaties waarin een plicht tot reformatie wordt beleefd, aan welke plicht niet langer binnen het geheel van de kerk kan worden voldaan. In die

|115|

zin is de mogelijkheid niet geheel uit te sluiten, dat ooit gemeenteleden en/of ambtsdragers in geweten tot de conclusie komen, dat zij niet langer deel kunnen uitmaken van hun kerk. Het zal niemand verbazen, dat de werkgroep zich niet kan herkennen in de veronderstelling, dat het SoW-proces als zodanig, en de wijze waarop getracht wordt daaraan vorm en inhoud te geven, daarvoor reeds voldoende aanleiding zou kunnen geven.
Veelzeggend is in dit verband ook wat het Contactorgaan voor de Gereformeerde Gezindte over de toepasbaarheid van artikel 28 zegt: ‘... kerkelijke gebreken nopen op zichzelf niet tot afscheiding. Daartoe zijn wij wel geroepen wanneer verhinderd wordt het Woord zuiver te verkondigen en de sacramenten heilig te houden, zoals bij de Reformatie die sprak van valse en ware kerk’ (Wat zegt de Bijbel over de Kerk? Ecclesiologische consensus, nr. 8). Het is veelzeggend, dat dit gezamenlijk kon worden gezegd door vertegenwoordigers van 'gescheiden kerken' (zoals de GKN en de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland) én vertegenwoordigers van de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging binnen de NHK, ook al verschilden zij van mening over de vraag tot welke keuze dit beginsel in b.v. 1834 moest leiden.

De volgende vraag is dan, of het in het licht van de confessie dan ook principieel zo moet zijn, dat een kerkenraad bevoegd is, de gemeente uit de kerk los te maken. Gaat het hier in beginsel om een individueel recht (geworteld in een plicht), of gaat het om meer? In de gereformeerde kerkorde wordt in elk geval rekening gehouden met de mogelijkheid dat een kerkenraad tot een dergelijke stap komt, en wordt alleen vastgesteld, dat dit niet kan zonder de gemeente erin te kennen en erover te horen. Een ‘recht tot uittreden’ wordt als zodanig ook in de GKO niet geformuleerd. De geschiedenis leert, dat het feitelijk wel zo gefunctioneerd heeft — met alle gevolgen van dien. In de hervormde en de lutherse kerkorde vinden we een andere lijn. Er is ook op dit punt dus sprake van verschillende accenten in de visie op de verhouding tussen de landelijke kerk(en) en de plaatselijke kerk/gemeente. Hier komen we terug bij het SoW-traject dat achter ons ligt.

In de Verklaring van Overeenstemming (1986) werd gesteld:
‘In de NHK kreeg in de theologische bezinning en de praktische vormgeving de landelijke kerk een sterk accent. In de GKN werd, tegen de achtergrond van een afwijzing van een aan de kerk wezensvreemde centrale organisatie, de nadruk gelegd op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. (...) In de loop van de geschiedenis is in de NHK het besef nooit verdwenen, dat de landelijke kerk bestaat in haar plaatselijke gemeenten. In haar geschiedenis is de GKN tot het inzicht gekomen dat de huidige tijd ook een duidelijke overkoepelende organisatiestructuur vraagt. Het zou goed zijn als elk van de twee kerken iets van de organisatiestructuur van de andere kerk zou aanvaarden. Omdat

|116|

in beide kerken erkend wordt, dat het geheel en de delen elkaar voortdurend nodig hebben, mag een verschil in accentuering van de twee polen geen motief vormen om het gescheiden bestaan der kerken te continueren.’
In deze Verklaring wordt het samenzijn (samenspel) van het geheel en de delen, van kerk en gemeenten benadrukt. De één kan niet zonder de ander. Tegelijkertijd wordt centralisme (gemeenten zijn ondergeschikt) als ook independentisme (de kerk is een vrijblijvend samenwerkingsorgaan) afgewezen.
In de kerkorde voor de Protestantse Kerk in Nederland is dit nader uitgewerkt. De gedachte dat op dit punt de hervormde kerkorde volledig is gekopieerd is onjuist. Weliswaar is de onlosmakelijke samenhang verder uitgewerkt in een onlosmakelijke band, maar omgekeerd is de nadruk op de plaatselijke gemeente uitgewerkt in een eigen verantwoordelijkheid van deze gemeente en haar ambtelijke vergadering om het plaatselijk gemeentelijk leven gestalte te geven.

In de kerkorde is daarmee afgewezen wat vóór de invoering van de kerkorde (in 1951) in de NHK wel werd beweerd, dat gemeenten onderafdelingen zijn van de landelijke kerk en dat het hoogste gezag in alles ligt bij de landelijke kerk. Tegelijkertijd is ook afgewezen wat in de GKN wel is beweerd dat plaatselijke kerken volstrekt vrij zijn om zich los te maken van het kerkverband. In de Verklaring van Overeenstemming werd er overigens al op gewezen dat deze extremen aan beide zijden noch in de NHK noch in de GKN gemeengoed zijn.
Het SoW-proces kwam op gang tegen de achtergrond van de werkelijkheid dat ook in ons land de Kerk hopeloos verdeeld is. Juist daarom hebben de synoden in de Intentieverklaring (1984) uitgesproken dat gezocht moest worden naar eenheid: ‘We zouden onze schuld tegenover God en mensen groter maken indien wij in de gescheidenheid zouden berusten.’

Bij de opstelling van de kerkorde is uitgegaan van het zelfverstaan van de kerk als gestalte van de ene heilige, apostolische Kerk. Deze kerk bestaat uit de gemeenten, en tussen kerk en gemeenten bestaat een onlosmakelijke band. Een ambtelijke vergadering van een gemeente, een kerkenraad, heeft niet de ambtelijke bevoegdheid deze gemeente los te maken uit de kerk, die geleid wordt door de ambtelijke vergadering van de kerk, de generale synode.
De werkgroep heeft daarbij tevens overwogen dat, ook als de kerkenraad niet een formeel recht heeft om de gemeente buiten de kerk te plaatsen, de kerkorde de kerkenraad niet verhindert om gemeenteleden te wijzen op de roeping om zich te voegen bij de vergadering van de ware gelovigen in Christus.

De werkgroep onderstreept dat het bij de onlosmakelijke band tussen kerk en gemeente gaat om een confessionele keuze, waarbij de gemeenten alle ruimte krijgen

|117|

om, verenigd rondom Woord en sacramenten, antwoord te geven op de roepstem van de Heer.

Deze keuze heeft echter de juridische consequentie dat de rechtspersoon van de gemeente niet losgemaakt kan worden van die van de kerk. Bij de bezinning op de consequenties daarvan is door de Werkgroep overwogen dat er ruimte moet zijn binnen de kerkorde om zorg te hebben voor degenen die de kerk om des gewetens wille verlaten. Daarover wordt in het advies opgemerkt:

Op voorstel van de werkgroep Kerkorde hebben de synoden besloten om zonder aantasting van de principiële keus de zorg van de kerk om hen die haar willen verlaten nader te regelen. Daarmee gaat de Protestantse Kerk in Nederland op een belangrijk punt verder dan de NHK en de elk enerzijds en de GKN anderzijds tot nu toe gegaan zijn. Zowel het ‘absolute’ recht van wie zich in de kerk als geheel blijven voegen onder het ambtelijk gezag van de generale synode (NHK, ELK) als het ‘absolute’ recht van wie, onder het ambtelijk gezag van de kerkenraad, het kerkverband verlaten (GKN), wordt in de overgangsbepalingen 32-34, en in de daarop stoelende bepaling in de generale regeling, gerelativeerd. Men kan theologisch en kerkelijk voor honderd procent overtuigd zijn van het eigen recht, maar dat behoeft nog niet direct doorvertaald te worden naar een absoluut recht in de zin van het burgerlijk recht. Ook wie bij een uiteengaan van de wegen — onder de GKO (gereformeerde kerkorde) — om des gewetens wil achterblijft binnen het kerkverband, en ook wie in dat geval — onder de HKO (hervormde kerkorde), de LKO (evangelisch-lutherse ordeningen) en de PKO (protestantse kerkorde) — om des gewetens wil weggaat uit de landelijke kerk, moet er redelijkerwijs vanuit kunnen gaan, dat rekening gehouden wordt met de belangen die in het geding zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 4.7

4.7 Kerkelijke indeling

In het laatste artikel van ord. 2 wordt de kerkelijke indeling geregeld. Geen enkele kerkelijke vergadering bepaalt haar eigen ressort. Het is de algemene kerkenraad die de grenzen van de wijkgemeenten vaststelt (ord. 2-16-6), de classicale vergadering bepaalt de grenzen van de gemeenten (ord. 2-11-4). Het is vervolgens de kleine synode die de gemeenten samenbrengt in classes (ord. 2-20-1). Het is ook de kleine synode die de classes met het oog op de samenwerking in de algemene classicale vergadering samenbrengt in regionale verbanden.

Het spreekt vanzelf dat er overleg wordt gepleegd met de betrokken instanties bij een wijziging in de kerkelijke indeling (ord. 2-20-2). Omdat de classis rechtspersoonlijkheid bezit, moet bij een wijziging van de classicale indeling ook een regeling getroffen worden voor de rechtsgevolgen die daaraan verbonden kunnen zijn (G.R. fusie en splitsing, art. 6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H5

119-157

|119|

5 Het ambt

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.1

5.1 Algemeen

Zowel art. V-4 als ord. 3-1-1 heeft als inzet dat de roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege. Daarmee wordt onderstreept dat de ambtsdragers ten diepste niet in dienst van de gemeente staan om haar belangen te behartigen, maar dat ze in dienst genomen zijn door Christus zelf die Heer en Hoofd van de kerk is (art. 1-2 en VI-1).

Daarmee is niet gezegd dat de lijn van Christus naar de gemeente alleen via het ambt loopt, alsof het ambt het alleenrecht van de vertegenwoordiging van Christus op aarde heeft. Voorafgaande aan het artikel over het ambt spreekt art. IV-1 over de gemeente die, zelf begenadigd door de Geest, geroepen is tot de dienst aan het Woord van God. In die gemeente zijn niet alleen de ambtsdragers, maar alle leden geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden als het gaat om de vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft (art. IV-2). De taak van de kerkenraad wordt wel aangeduid als coördinatie en finalisatie: de kerkenraad draagt zorg voor de samenhang en waakt ervoor dat het uiteindelijke doel van het gemeente-zijn niet uit het oog wordt verloren, namelijk dat de gemeente er is om de lofzang gaande te houden en om dienstbaar te zijn aan de wereld (art. VI-3). Daarom heeft in het gemeente-zijn het ambt een eigen plaats en roeping. Het is er van Christuswege (art. V-1) om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren.

Om te voorkomen dat het ambt louter functioneel wordt opgevat, als een uitvoerende taak die namens de gemeente wordt verricht, wordt de gemeente bij de verkiezing van haar ambtsdragers herinnerd aan de plaats en het werk van het ambt (ord. 3-1-3). Dat kan doordat daaraan aandacht geschonken wordt in een leerdienst of door een artikel in het kerkblad, maar er zijn ook andere manieren denkbaar.

In ord. 3-1 en 2 worden nog enkele zaken van algemeen belang ten aanzien van de verkiezing van ambtsdragers vermeld. Allereerst dat de ambtsdragers die aan de plaatselijke gemeente worden verbonden, in principe door de gemeente zelf worden verkozen (art. V-4 en ord. 3-1-1 en 2). De verkiezing van haar eigen ambtsdragers behoort in een presbyteriale kerkorde tot het grondrecht van de gemeente. In bepaalde gevallen kan de gemeente deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk delegeren aan de kerkenraad. In een gemeente met wijkgemeenten is de verkiezing van ambtsdragers die met een bepaalde opdracht aan de gemeente als geheel verbonden zijn, rechtstreeks aan de algemene kerkenraad opgedragen (ord. 3-4-8 en 3-6-7).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.1.1

|120|

5.1.1 De verkiezingsregeling

De verkiezingsregeling maakt onderdeel uit van de plaatselijke regeling (zie § 6.2.1) en wordt vastgesteld door de kerkenraad. Vooraf wordt de gemeente daarin gekend en daarover gehoord (ord. 4-7-2).

In de verkiezingsregeling moeten in elk geval onderstaande zaken worden vastgelegd:
- er moet worden bepaald in welke maand de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt gehouden (ord. 3-7-6);
- er moet worden vastgelegd welke stemprocedure wordt gevolgd. Het ligt voor de hand te bepalen dat in een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden het bepaalde in ord. 4-5-2 en 3 van toepassing is. Daarmee wordt vastgelegd dat bij het nemen van besluiten over zaken en over personen de procedure die voor de kerkelijke lichamen geldt, wordt gevolgd (zie § 6.1.4). De kerkorde sluit de mogelijkheid om ter plaatse een andere regeling te treffen echter niet uit.

Er kunnen in de verkiezingsregeling ook andere zaken worden geregeld.
- De kerkorde gaat uit van een jaarlijkse verkiezing van ouderlingen en diakenen, waarbij telkens een kwart van hen aftreedt. Het is echter niet uitgesloten te bepalen dat de verkiezing eenmaal in de twee jaar plaatsvindt, waarbij telkens de helft aftreedt.
- In elk geval zijn de belijdende leden die in het register van de gemeente staan ingeschreven, stemgerechtigd. Daarnaast kan de kerkenraad in de verkiezingsregeling bepalen dat ook doopleden van 18 jaar en ouder (ord. 3-2-3) stemrecht hebben. Wie stemgerechtigd is, kan ook tot ambtsdrager gekozen worden, want in de kerkorde zijn actief en passief kiesrecht aan elkaar verbonden. Als men deze regeling wil treffen, moet eerst de gemeente worden geraadpleegd.
- In de verkiezingsregeling kan worden opgenomen dat gastleden actief en passief kiesrecht hebben (G.R. gastlidmaatschap, art. 6-4).
- Men kan er de wijze van verkiezen in vastleggen, waarbij te denken valt aan de mogelijkheid van stembusverkiezing. In dat geval is het gewenst ook te regelen op welke wijze erop wordt toegezien dat alleen door stemgerechtigde leden een stem wordt uitgebracht.
- In de verkiezingsregeling kan de mogelijkheid van stemmen bij volmacht worden opgenomen. Daaraan is verbonden de beperking dat men ten hoogste voor twee andere gemeenteleden een stem kan uitbrengen (ord. 3-2-4).
- Als de gemeente meer dan 200 stemgerechtigde leden telt, kan in de verkiezingsregeling worden bepaald dat de verkiezing van de predikanten niet plaatsvindt in een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden, maar geschiedt door de kerkenraad (ord. 3-4-7). In de Nederlandse Hervormde Kerk was dat in grotere gemeenten de gebruikelijke gang van zaken. In de Protestantse Kerk

|121|

in Nederland is voor het opnemen van deze uitzonderingsregel echter wel de toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Dat zal daarbij moeten beoordelen of de wens om de verkiezing van de predikanten over te laten aan de kerkenraad in het belang van de gemeente is. Alleen als dat het geval is, kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de gemeente zelf bij de verkiezing van haar ambtsdragers betrokken is.
- Als in een wijkgemeente voor deze mogelijkheid van ord. 3-4-7 wordt gekozen, geschiedt de kandidaatstelling door de algemene kerkenraad en de wijk-kerkenraad tezamen en wordt de predikant vervolgens door de wijkkerken-raad verkozen en beroepen. Het getal van 200 stemgerechtigde leden heeft in dit geval betrekking op de wijkgemeente. De keuze voor deze mogelijkheid moet in dit geval in de verkiezingsregeling van de wijkgemeente worden opgenomen. Ook nu is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist.

De mogelijkheid van verkiezing via dubbeltallen (ord. 3-6-6) kan niet in de vorm van een permanente regeling in de verkiezingsregeling worden opgenomen, omdat die slechts kan worden gevolgd als de gemeente de kerkenraad daartoe uitdrukkelijk heeft gemachtigd voor een periode van ten hoogste zes jaar.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.1.2

5.1.2 Vijf fasen

In de procedure naar het ambt toe — zowel van de predikanten als van de andere ambtsdragers — zijn vijf fasen aan te wijzen:
- de voorbereiding met de kandidaatstelling (ord. 3-3 en ord. 3-6-1 t/m 4);
- de verkiezing en goedkeuring (ord. 3-4 en ord. 3-6-5 t/m 10);
- de roeping (ord. 3-5-1 t/m 3);
- de aanvaarding (ord. 3-5-4 en 5) en
- de bevestiging (ord. 3-5-6 t/m 8 en ord. 3-6-11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2

5.2 Predikanten

Ord. 3-3 t/m 5 handelen over de verkiezing van predikanten voor gewone werkzaamheden. Voor de verkiezing van predikanten in algemene dienst en predikanten met een bijzondere opdracht zijn afzonderlijke regelingen getroffen (in ord. 3-22 en ord. 3-23, zie § 5.8 en 5.9).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.1

5.2.1 Voorbereiding en kandidaatstelling

De eerste stappen bij het vervullen van de vacature van een predikant worden door de kerkenraad van de gemeente gezet. Zie voor een schematisch overzicht van de procedure voor het beroepen van een predikant pagina 122.

|122|

|123|

Als het een wijkgemeente betreft, moet er allereerst toestemming van de algemene kerkenraad worden gevraagd, voordat met de voorbereidingen voor het beroepingswerk wordt gestart. Er moet immers worden vastgesteld of er in de begroting van de gemeente ruimte is om weer een predikant te beroepen. Het beroepen van de predikanten moet bovendien passen in het beleid van de gemeente als geheel.

Vervolgens moeten de onderstaande stappen genomen worden (ord. 3-3).
- De (algemene) kerkenraad vraagt aan het regionale college voor de behandeling van beheerszaken een verklaring dat de gemeente financieel voldoende draagkracht heeft om een beroep uit te brengen.
- De (wijk)kerkenraad vraagt advies aan de sectie beroepingswerk van het LDC. Het is gebruikelijk dat deze commissie de profielschets van de te beroepen predikant en het beleidsplan van de gemeente (als de gemeente daarover beschikt) toegezonden krijgt; op basis daarvan verstrekt de commissie een lijst met namen van predikanten die men zou kunnen beroepen.
- De (wijk)kerkenraad neemt contact op met de consulent die door de het breed moderamen van de classicale vergadering of door het ringverband is aangewezen. Alleen als de gemeente of de wijkgemeente zelf nog een predikant heeft, omdat er in de kerkenraad twee of meer predikanten zitting hebben, wordt er geen consulent aangewezen.
- De (wijk)kerkenraad stelt een beroepingscommissie in. Daarin zitten leden van de kerkenraad, bij een wijkgemeente in elk geval ook een lid van de algemene kerkenraad (door de algemene kerkenraad aangewezen uit zijn midden) en in de regel ook een aantal gemeenteleden. Al kan op deze regel een uitzondering worden gemaakt, het opnemen van een of meer gemeenteleden in de beroepingscommissie wordt door de kerk dus wel als de gewenste gang van zaken beschouwd.
- De (wijk)kerkenraad stelt de gemeenteleden in de gelegenheid tot het indienen van namen van predikanten of kandidaten die men voor de gemeente geschikt acht.

 

Ord. 3-4 begint met aan te geven wie als predikant beroepbaar zijn. De toelating tot het ambt van predikant is een verantwoordelijkheid van de kerk als geheel. Als predikant van de gemeente kunnen worden beroepen:
1. Wie na het colloquium door het generale college voor de toelating tot het ambt bevoegd verklaard is als proponent te staan naar het ambt van predikant (ord. 13-19-3). Deze bevoegdheid geldt voor een periode van telkens vier jaar (ord. 13-19-5).
2. Een dienstdoend predikant voor gewone werkzaamheden. Hierbij geldt een aantal beperkingen.
Men is beroepbaar als men ten minste vier jaar in de huidige gemeente heeft

|124|

gestaan (ord. 3-4-2). Om binnen vier jaar een beroep te aanvaarden heeft men toestemming nodig van het breed moderamen van de classicale vergadering van de gemeente die men dient. Voor een beginnend predikant die aan de eerste gemeente verbonden is, is bovendien vereist dat hij of zij beschikt over de verklaring van het Theologisch Seminarium, dat aan de verplichte nascholing is voldaan of dat men daarvan vrijstelling heeft verkregen (G.R. opleiding predikanten, art. 11-5 en 6).
3. Een predikant in algemene dienst of een predikant met een bijzondere opdracht (ord. 3-22 en 3-23). In dit geval geldt niet de beperking dat men vier jaar heeft dienst gedaan maar zijn de regels van het dienstverband van toepassing, met de daarbij behorende opzegtermijn.
4. Een voormalige predikant van de kerk die tot ‘beroepbaar predikant’ is verklaard (zie § 5.6).
5. Een predikant uit een kerk waarmee door de Protestantse Kerk in Nederland bijzondere betrekkingen worden onderhouden. De overkomst van predikanten uit deze of andere kerken is echter aan bijzondere voorwaarden gebonden (zie ord. 14-4-4).

De toevoeging bij de proponentsbelofte bij het colloquium ‘daarbij in het bijzonder verbonden te zijn met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde of de lutherse traditie’ (ord. 13-19-4 en ovb. 285) brengt geen beperking met zich mee ten aanzien van de beroepbaarheid. Elke proponent of predikant van de Protestantse Kerk in Nederland is in elke gemeente van de kerk beroepbaar. Het spreekt vanzelf dat de predikant de gemeente daarvan wel vooraf op de hoogte stelt en dat hij zich in zijn ambtsbediening voegt naar de confessionele positie van de gemeente waarin hij is bevestigd.

 

Over de wijze waarop de beroepingscommissie haar taak verricht, spreekt de kerkorde verder niet. De kerkenraad kan aan de beroepingscommissie de vrije hand geven, maar is ook bevoegd om aanwijzingen geven. Hij kan bepalen of men van een advertentie gebruik zal maken, of een groslijst van predikanten opstellen die door de commissie benaderd mogen worden.

Als de beroepingscommissie haar advies aan de kerkenraad heeft uitgebracht, is het de kerkenraad zelf die beslist over de kandidaatstelling. De kerkenraad legt aan de gemeente één of meer namen van predikanten voor en de stemgerechtigde leden zijn bij de verkiezing aan deze namen gebonden. In een gemeente met wijkgemeenten moet over de kandidaatstelling worden besloten in een gezamenlijke vergadering van de wijkkerkenraad met de algemene kerkenraad. Daarbij is voorgeschreven dat beide kerkenraden met de kandidaatstelling instemmen. Met andere woorden: de te beroepen predikant moet aanvaardbaar zijn zowel voor de wijkkerkenraad als voor de algemene kerkenraad (ord. 3-4-4).

Bij de kandidaatstelling kan de naam (of kunnen de namen) van de predikant(en) waarover een beslissing moet worden genomen, tevoren aan de gemeente worden

|125|

bekendgemaakt. De kerkenraad kan echter ook redenen hebben om de naam pas in de vergadering te noemen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de predikant met wie contact is geweest, daar zelf om heeft gevraagd omdat in diens gemeente nog niemand op de hoogte is. Het is ook denkbaar dat de kerkenraad eerst de overwegingen waarom hij juist deze predikant voordraagt met de gemeente wil bespreken, voordat diens naam wordt genoemd.

In elk geval worden de stemgerechtigde gemeenteleden tijdig uitgenodigd voor de vergadering waarin de verkiezing zal plaatsvinden. Met betrekking tot de termijnen en dergelijke worden geen nadere voorschriften gegeven, maar het is duidelijk dat de aankondiging van een dergelijke bijeenkomst ruimschoots te voren moet wordt gedaan (waarbij een week wel het minimum is).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.2

5.2.2 Verkiezing, goedkeuring, bezwaren

De verkiezing van een predikant vindt plaats in een vergadering van stemgerechtigde leden van de gemeente of de wijkgemeente (ord. 3-4-5). Deze vergadering van stemgerechtigde leden kan niet worden aangemerkt als een kerkelijk lichaam in de zin van ord. 4-4, zodat de quorumbepaling van ord. 4-5-4 op deze bijeenkomst niet van toepassing is (zie § 6.1.3). Men kan dus tot stemmen overgaan ook als minder dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is. In de plaatselijke verkiezingsregeling kan worden bepaald dat ord. 4-5-3 (stemming over personen) wordt toegepast bij de verkiezing van ambtsdragers (zie § 5.1.1). Meestal zal er één kandidaat aan de gemeente worden voorgesteld. In dat geval is een twee derde meerderheid van de uitgebrachte geldige stemmen vereist (ord. 3-4-6).

Voor de verkiezing van een predikant die met een bepaalde opdracht aan de gemeente als geheel is verbonden geldt een afwijkende regeling (ord. 3-4-8): in een gemeente met wijkgemeenten wordt deze predikant rechtstreeks door de algemene kerkenraad gekozen. Daarbij kan men denken aan een predikant voor het jeugdwerk van de gemeente als geheel, aan een missionair predikant of aan een predikant voor andere bijzondere taken in de gemeente.

 

Na de verkiezing maakt de kerkenraad de naam van de verkozen predikant aan de gemeente bekend om de (stilzwijgende) goedkeuring van de gemeente te verkrijgen. Deze bekendmaking zal in de regel door middel van een afkondiging in de kerkdienst en/of via het kerkblad geschieden. Als er bezwaren zijn, moeten die uiterlijk één week na de bekendmaking worden ingediend. Bezwaren die later binnenkomen, kunnen de beroepingsprocedure niet meer ophouden.

Deze bezwaren kunnen overigens alleen de gevolgde procedure betreffen. Bijvoorbeeld als de gemeente te laat of onvoldoende is ingelicht over de verkiezingsbijeenkomst, of als aan de stemming niet-stemgerechtigde gemeenteleden hebben deelgenomen. Als een bezwaar is ingediend, is de kerkenraad verplicht — binnen

|126|

twee weken — het bezwaar door te zenden aan het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Tegelijkertijd kan de kerkenraad ook zelf proberen de bezwaren uit de weg te ruimen. Als het bezwaarde gemeentelid daardoor van gedachten verandert en aangeeft dat het bezwaar niet meer behandeld hoeft te worden, kan het gemeentelid zelf alsnog zijn bezwaar schriftelijk intrekken. Het regionale college doet einduitspraak, dat wil zeggen dat er na deze uitspraak geen (hoger) beroep meer kan worden ingesteld (ord. 3-4-10 en 11).

 

Ord. 3-5 geeft niet de mogelijkheid om bezwaren tegen de persoon van de te beroepen predikant in te dienen. Het is voor gemeenteleden wel mogelijk om in de verkiezingsbijeenkomst aan te geven waarom men een bepaalde predikant niet geschikt acht voor de gemeente, maar een formeel bezwaar achteraf kan niet worden behandeld. Als iemand door de kerk beroepbaar is gesteld en door de gemeente verkozen is, is een ander orgaan van de kerk niet bevoegd om daarin in te grijpen omdat men de keuze niet verantwoord acht. Het is het recht van de gemeente om zelf haar ambtsdragers te verkiezen. Het ligt natuurlijk anders wanneer op iemand een middel van kerkelijke tucht is toegepast. In de regel zal een predikant die geschorst, losgemaakt of ontzet is (als bedoeld in ord. 10-9-7 sub b t/m d) ook geschorst worden in de bevoegdheid tot uitoefening van het actief en passief kiesrecht (ord. 10-9-6 sub c) en dus niet beroepbaar zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.3

5.2.3 Het beroep

Met het uitbrengen van het beroep wordt gewacht tot de termijn van bezwaar (een week na de bekendmaking) is verstreken. Als een bezwaar is ingediend, moet worden gewacht tot de behandeling daarvan is afgerond. Vervolgens wordt het beroep uitgebracht door de kerkenraad, in een gemeente met wijkgemeenten door de wijkkerkenraad, in een streekgemeente door de streekkerkenraad en bij een combinatie door de kerkenraden gezamenlijk (ord. 3-5-1). Dat het beroep in een gemeente met wijkgemeenten wordt uitgebracht door de wijkkerkenraad (op grond van de verkiezing door de wijkgemeente) brengt met zich dat een predikant door de algemene kerkenraad niet kan worden ‘overgeplaatst’ naar een andere wijkgemeente, zelfs niet met instemming van de betrokken predikant. In dat geval zou er door de nieuwe wijkgemeente — volgens de daarvoor geldende procedure — een nieuw beroep moeten worden uitgebracht.

De beroepsbrief wordt ondertekend door de preses en de scriba van de (wijk)ker-kenraad of kerkenraden. In de gereformeerde kerken was het van oudsher gebruikelijk dat ook de consulent de beroepsbrief ondertekende, om daarmee aan te geven dat de beroepingsprocedure volgens de regels van de kerkorde was verlopen. Hoewel dat in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland niet is voorgeschreven, is er geen enkel bezwaar tegen om aan deze (goede) gewoonte trouw te blijven.

|127|

Voor het opstellen van de beroepsbrief kan gebruik worden gemaakt van het model dat de kerk daarvoor aanbiedt. Ord. 3-5-2 bepaalt dat in de beroepsbrief in elk geval tot uitdrukking moet worden gebracht dat de predikant niet in een arbeidsrechtelijke verhouding tot de kerkenraad of de gemeente staat. De predikant draagt binnen de kerkenraad een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid, aangeduid als ‘de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords’.1 In de hervormde kerkorde was die vrijheid verankerd in de figuur van de predikantsplaats. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland keert de predikantsplaats als zodanig niet terug, maar de gedachte die daarin tot uitdrukking werd gebracht blijft onverminderd gelden.

In de positie van de predikant is een spanningsveld aanwezig:
- in het kader van zijn beroep heeft de predikant een rechtspositie en ontvangt hij of zij een traktement van de gemeente (ord. 3-16-4);
- als lid van de kerkenraad oefent de predikant het ambt uit in het kader van de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad (art. V-2); een predikant die zich van de kerkenraad niets aantrekt en het ambt uitoefent op solistische wijze komt in strijd met het presbyteriale karakter van de kerkorde;
- in dat alles heeft de predikant ook een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid die in geestelijke vrijheid wordt uitgeoefend. De predikant staat niet in dienst van de kerkenraad of van het college van kerkrentmeesters. Deze hebben dan ook niet de taak een beoordeling over het werk van de predikant uit te spreken.

Dat neemt niet weg dat het van belang is te bespreken hoe de predikant en de kerkenraad hun functioneren ten opzichte van elkaar en van de gemeente ervaren. Het werkverslag kan daarbij een rol spelen. Voor een dergelijke bespreking is de term ‘functioneringsgesprek’ minder geschikt omdat daarmee onbedoeld de suggestie dat de kerkenraad boven de predikant staat, kan worden gewekt.

Behalve een bespreking van het werkverslag van de predikant behoort ook een gezamenlijke bespreking van de verkondiging stellig tot de verantwoordelijkheid van de kerkenraad. Dat kan er echter niet toe leiden dat de inhoud van de prediking door de kerkenraad wordt bepaald of voorgeschreven (zie ook ord. 5-1-4).

 

Bij de beroepsbrief wordt een aanhangsel gevoegd — in de hervormde kerk vroeger als ‘de ligger’ aangeduid — waarin de rechtspositieregeling is neergelegd. Daarom moet dit aanhangsel niet alleen door de preses en scriba van de kerkenraad, maar ook door de voorzitter en de secretaris van het college van kerkrentmeesters worden ondertekend. Bij een gemeente met wijkgemeenten wordt dit aanhangsel niet ondertekend door de preses en scriba van de wijkkerkenraad, maar door die van de algemene kerkenraad (ord. 3-5-3).

Bij het aanvaarden van het beroep wordt geen arbeidsovereenkomst getekend.


[157] 1. Ord. 3-5-2 is de enige plaats in de kerkorde waar de klassieke aanduiding van de predikant als ‘dienaar des Woords’ voorkomt.

|128|

In lijn met het bovenstaande bepaalt ord. 3-16 in lid 4 dat voor de predikant genoemde rechtspositie zonder meer ‘geldt’ en in lid 5 dat de verplichting om het traktement en de overige vergoedingen uit te betalen rust op de kerkenraad of (in een gemeente met wijkgemeenten) op de algemene kerkenraad.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.2.4

5.2.4 Aanvaarding en bevestiging

Als de beroepsbrief is overhandigd (of toegezonden) heeft de beroepen predikant drie weken om te beslissen. Het antwoord moet schriftelijk worden meegedeeld: als er niet tijdig bericht komt, is het beroep niet aanvaard.

De beslissing op een beroep wordt uiterst serieus genomen. Daarbij geldt: ‘Uw ja zij ja en uw nee zij nee.’ Wie voor een beroep heeft bedankt, kan de eerstkomende twee jaar niet in diezelfde vacature worden beroepen (ord. 3-4-3). Wie een beroep heeft aanvaard, kan van de belofte om over te komen slechts worden ontslagen als daarvoor zwaarwegende argumenten zijn. In dat geval is nodig dat niet alleen de kerkenraad van de roepende gemeente akkoord gaat, maar ook de kerkenraad van de huidige gemeente (ord. 3-5-8).

Na het aanvaarden van het beroep moet er aan een aantal formaliteiten (die overigens bepaald wel van belang zijn!) worden voldaan.
- Er dient een dag van bevestiging te worden overeengekomen. Deze dag moet door de kerkenraad van de roepende gemeente schriftelijk ter kennis van de beroepen predikant en diens gemeente worden gebracht (G.R. predikantstraktementen, art. 20-1). De datum van bevestiging ligt als regel binnen drie maanden na het aanvaarden van het beroep (ord. 3-5-6). Het is niet goed als een gemeente eindeloos moet wachten omdat het de predikant beter uitkomt de overkomst naar de verre toekomst te verschuiven.
- Een dienstdoend predikant voor gewone werkzaamheden moet zelf een akte van losmaking aanvragen. Deze akte moet mee ondertekend worden door het breed moderamen van de classicale vergadering. Een predikant in algemene dienst moet de akte van losmaking vragen bij de ambtelijke vergadering die hem destijds als predikant in algemene dienst beroepen heeft (ord. 3-5-5). Deze akte van losmaking geeft de zekerheid dat er geen kwesties zijn die de overkomst verhinderen. Het ligt voor de hand dat geen akte van losmaking wordt afgegeven als er een tuchtprocedure loopt.
Op de akte van losmaking dient de einddatum te worden vermeld. De losmaking vindt plaats aan het einde van de dag vóór de overeengekomen datum van bevestiging (G.R. predikantstraktementen, art. 20-1).
- Door de roepende gemeente moet vervolgens bij het breed moderamen van de eigen classicale vergadering approbatie worden gevraagd. Die verklaring wordt afgegeven als aan alle kerkordelijke voorwaarden is voldaan (ord. 3-5-6).

|129|

De verbintenis met de (nieuwe) gemeente gaat in op de dag van de bevestiging zoals die was overeengekomen. Dat geldt ook als door bijzondere omstandigheden de bevestiging op die dag (of later) geen doorgang zou kunnen vinden.

De bevestiging vindt plaats in een kerkdienst van de gemeente, met gebruikmaking van een van de orden van dienst (zie § 7.9). De kerkorde spreekt van bevestiging, ook als iemand al eerder in het ambt van predikant was bevestigd. Het dienstboek spreekt in dat geval van ‘verbintenis’.2 De eerste bevestiging geschiedt met handoplegging.


[157] 2. Commissie Dienstboek, Proeven voor de eredienst, aflevering 2. Bevestiging ambtsdragers, Leidschendam/Leusden 1989, 31 en 55-69.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3

5.3 Ouderlingen en diakenen

Ook bij de verkiezing van de ouderlingen (waarbij de ouderlingen-kerkrentmeester zijn inbegrepen) en de diakenen zijn de vijf fasen die in § 5.1.2 zijn genoemd van belang.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.1

5.3.1 Voorbereiding en kandidaatstelling

Ord. 3-6-1 geeft aan wie verkiesbaar is tot ouderling, ouderling-kerkrentmeester of diaken. Dat zijn in principe de stemgerechtigde leden van de gemeente of de wijkgemeente. In elk geval zijn dat de belijdende leden, maar als de plaatselijke regeling daarin voorziet zijn dat ook de doopleden van 18 jaar en ouder (ord. 3-2-3) en eventueel de gastleden (G.R. gastlidmaatschap, art. 6-4). Zij zijn stemgerechtigd tenzij hun het kiesrecht is ontnomen als middel van kerkelijke tucht (ord. 10-9-6 sub c). Als men iemand wil kandidaat stellen die tot een andere gemeente of wijkgemeente behoort, is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig.

In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zijn geen bepalingen opgenomen ten aanzien van leeftijdsgrenzen van ouderlingen of diakenen. Er zijn evenmin beperkingen aangebracht met betrekking tot bloedverwantschap of aanverwantschap. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om daar met wijsheid mee om te gaan. Voorkomen moet worden dat de bevoegdheden in een gemeente berusten bij (de leden van) slechts enkele families. Ook is een goede spreiding van de leeftijden van de ambtsdragers in het belang van de gemeente. De kerkenraad maakt tijdig bekend in welke vacatures zal moeten worden voorzien en nodigt de gemeente uit om aanbevelingen in te dienen (ord. 3-6-3). De bevoegdheid om namen in te dienen is niet beperkt tot de stemgerechtigde leden. De aanbevelingen worden niet per vacature, maar per ambt ingediend. In de bepalingen zijn geen termijnen opgenomen. Dat betekent dat de kerkenraad er zelf verantwoordelijk voor is dat de gemeente ruimschoots gelegenheid krijgt om met aanbevelingen te komen. Een week lijkt daarbij wel het minimum.

|130|

Vervolgens maakt de kerkenraad voor elk ambt waarin één of meer vacatures zijn, een verkiezingslijst op (ord. 3-6-4). Dat gaat als volgt. De namen van verkiesbare personen die door tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden voor een van de ambten zijn aanbevolen, komen zonder meer op de verkiezingslijst voor dat ambt. Het is aan de kerkenraad om te beslissen wat er gebeurt met de namen die door minder dan tien stemgerechtigde leden of door anderen zijn ingediend. De kerkenraad kan besluiten ze zelf toe te voegen aan de verkiezingslijst, maar is daartoe niet verplicht.

Die tien aanbevelingen kunnen tien afzonderlijke brieven zijn, maar één brief met tien geldige handtekeningen heeft dezelfde waarde. Wie op deze wijze door tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden is aanbevolen, moet door de kerkenraad zonder meer op de verkiezingslijst worden geplaatst. De kerkenraad kan daarvan alleen afwijken als de aanbeveling een dooplid betreft die niet of nog niet onder de belijdende leden kan worden opgenomen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij geen belijdend lid wil worden, of omdat de kerkenraad van oordeel is dat aan de toelating tot de openbare belijdenis van het geloof nog een bredere voorbereiding vooraf dient te gaan (ord. 9-4-1).

Als de kerkenraad kennis heeft genomen van de ingekomen namen, kan hij daarmee volstaan, maar een kerkenraad kan zelf ook een of meer namen aan de lijst toevoegen. Daartoe is elke kerkenraad bevoegd, ook als hij minder dan tien leden telt. Een besluit om een naam toe te voegen wordt genomen bij meerderheid van stemmen. Dus als in een kerkenraad van negen personen vijf van hen de naam van dhr. Jongeling op de verkiezingslijst voor ouderling willen plaatsen, kan daartoe met gewone meerderheid van stemmen worden besloten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.2

5.3.2 Verkiezing en goedkeuring

Het hangt van het aantal vacatures en van het aantal namen op de verkiezingslijst af, of een verkiezing moet worden gehouden (ord. 3-6-5). Als er niet meer namen dan vacatures zijn, kan de kerkenraad de aanbevolen personen zonder meer verkozen verklaren. Als er meer namen dan open plaatsen zijn, is een verkiezing noodzakelijk. Het meest voor de hand ligt dat deze verkiezing plaatsvindt in een vergadering van stemgerechtigde leden, maar dat is niet voorgeschreven. Een andere mogelijkheid is een zogenaamde stembusverkiezing. Daarbij hebben stemgerechtigde leden de gelegenheid om (bijvoorbeeld in aansluiting op een kerkdienst) hun stembriefjes in een stembus te deponeren (zie § 5.1.1). Het bezwaar bij de laatste methode is dat het niet mogelijk is om op diezelfde dag een herstemming te houden als bij de eerste stemronde niet alle vacatures zijn vervuld.

Welke stemprocedure bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt gevolgd, wordt in de plaatselijke regeling bepaald (zie eveneens § 5.1.1). Om de gang van zaken concreet te maken, een voorbeeld waarbij er vijf vacatures

|131|

zijn voor ouderling en drie voor diaken. Er wordt in dit voorbeeld van uitgegaan dat de stemprocedure van ord. 4-5-3 van toepassing is verklaard.

Voor ouderling zijn door de gemeente drie namen ingediend en de kerkenraad heeft zelf nog één naam toegevoegd. In dat geval telt de verkiezingslijst voor ouderling vier namen, dus minder dan de vijf vacatures die moeten worden vervuld, en kunnen deze vier personen zonder meer tot ouderling verkozen worden verklaard.

Voor diaken zijn vier namen binnengekomen, de kerkenraad stelt zelf ook een naam voor: de verkiezingslijst voor diaken telt dus vijf namen, terwijl er slechts drie vacatures zijn. In dit geval moet er dus een verkiezing worden uitgeschreven, waarbij de gemeente uit de vijf kandidaten er drie moet kiezen. Alle stemgerechtigden vullen dus drie namen op hun stembriefje in. In een vergadering van 35 lidmaten komen er dus 105 stemmen binnen. De drie kandidaten met het hoogste aantal stemmen zijn gekozen, als ze tenminste een meerderheid hebben behaald (in dit geval dus 18 van de 35 stemmen).

Bij de eerste stemming heeft A 35 stemmen, B 34 stemmen, C 17 stemmen, D 10 stemmen en E 9 stemmen. Daarmee zijn A en B direct verkozen (ze hebben elk tenminste 18 stemmen). Voor de derde vacature moet een herstemming plaatsvinden, omdat C, D en E geen 18 stemmen hadden verkregen. Bij de herstemming gaat het tussen de twee kandidaten die bij de laatste stemming de meeste stemmen hadden behaald, dus tussen C en D. Als C deze keer 17 stemmen krijgt en D 18, is de laatste gekozen tot diaken.

Als in hetzelfde voorbeeld de stemverhoudingen waren: A 23 stemmen, B 22 stemmen, C 21 stemmen, D 20 stemmen en E 19 stemmen, hadden alle vijf kandidaten een meerderheid. In dat geval zijn de drie kandidaten met het hoogste aantal stemmen (dus A, B en C) bij de eerste stemming verkozen. Als A en B achteraf zouden bedanken, zouden in dat geval door de kerkenraad D en E kunnen worden verkozen verklaard zonder dat daarvoor nieuwe stemming nodig is. Ook zij beiden hadden immers bij de eerste stemming een meerderheid verkregen.

 

Twee uitzonderingen op de regel.

1. Verkiezing via dubbeltallen.
De bepaling van ord. 3-6-6 maakt verkiezing via dubbeltallen mogelijk. In dat geval neemt de kerkenraad kennis van de aanbevelingen die zijn binnengekomen (er moeten altijd aanbevelingen worden gevraagd!) maar stelt hij zelf een dubbeltal op — voor elke vacature afzonderlijk — waaraan de gemeente bij de verkiezing gebonden is. De kerkenraad kan daarbij afwijken van de aanbevelingen die zijn ingediend. Van deze methode, waarbij de kerkenraad een duidelijk sturende bevoegdheid heeft verkregen, kan worden gebruikgemaakt als de stemgerechtigde leden van de gemeente de kerkenraad daartoe gemachtigd hebben. Deze machtiging geldt voor een periode van ten hoogste zes jaar. Daarna kan de gemeente desgewenst een nieuwe machtiging verstrekken.

|132|

Als er geen enkele aanbeveling binnenkomt, kan er van worden uitgegaan dat de gemeente geen geschikte kandidaten voor het ambt kan noemen. In dat geval zal de kerkenraad zelf — al dan niet door een verkiezing via dubbeltallen — in de vacature hebben te voorzien.
2. Ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht.
In een gemeente met wijkgemeenten worden ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente als geheel rechtstreeks gekozen door de algemene kerkenraad (ord. 3-6-7). Ook nu worden de gemeenteleden in de gelegenheid gesteld namen in te dienen. Van deze mogelijkheid kan gebruikgemaakt worden bijvoorbeeld om een evangelisatieouderling of een jeugddiaken voor de gemeente als geheel te verkiezen, maar ook voor de verkiezing van ambtsdragers ten dienste van een modalitaire minderheid in de gemeente.

 

Na elke verkiezing wordt (stilzwijgende) goedkeuring van de gemeente gevraagd (ord. 3-6-8). Daarvoor worden de namen van degenen die gekozen zijn aan de gemeente bekendgemaakt. Deze bekendmaking vindt in de regel plaats door middel van een afkondiging in de kerkdienst en/of via het kerkblad. Als er bezwaren zijn, moeten die uiterlijk één week na de bekendmaking worden ingediend. Anders dan bij de verkiezing van een predikant kunnen er nu bezwaren zijn tegen de procedure én bezwaren tegen de persoon (ord. 3-6-9).

De kerkenraad is verplicht een bezwaarschrift binnen twee weken door te zenden (ord. 3-6-10). Hij kan zelf proberen de bezwaren uit de weg te ruimen, maar het bezwaarschrift kan niet worden tegengehouden. Het bezwaarschrift wordt dus doorgezonden tenzij de kerkenraad de bezwaarde binnen deze twee weken heeft weten te overtuigen en de bezwaarde zelf schriftelijk de klacht heeft ingetrokken. Het is dus aan de ‘klager’ om te beoordelen of het bezwaar is weggenomen, niet aan de kerkenraad.

Een bezwaar tegen de gevolgde procedure kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het feit dat er aan de stemming personen hebben deelgenomen die niet stemgerechtigd waren, of dat er over personen mondeling werd gestemd ondanks bezwaar uit de vergadering. Het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen doet bij een dergelijk bezwaar einduitspraak, zodat daartegen geen beroep kan worden ingesteld.

Als de bezwaren de persoon van de gekozen ambtsdrager betreffen, moeten de bezwaren door de kerkenraad worden doorgezonden naar het regionale college voor het opzicht. Als het bezwaar door dit college ongegrond is verklaard, is daarmee de zaak afgedaan. In dat geval is geen beroep mogelijk. Als het bezwaar wel gegrond is verklaard, zodat de verkozene niet in het ambt mag worden bevestigd, kan er wel beroep worden ingesteld bij het generale college voor het opzicht (ord. 3-6-10, waarbij de regels van ord. 10-11 worden gevolgd).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.3

|133|

5.3.3 Roeping, aanvaarding en bevestiging

Merkwaardig genoeg wordt — anders dan bij de predikanten — over de roeping en aanvaarding bij de andere ambtsdragers vrijwel gezwegen. We moeten het hier doen met de algemene bepaling uit ord. 3-1-2 dat de roeping geschiedt op grond van de gehouden verkiezing. Hoe dan ook: na een verkiezing worden de gekozen ambtsdragers daarvan op de hoogte gesteld en wordt hun gevraagd of zij bereid zijn deze roeping te aanvaarden.

Als er geen bezwaren zijn ingebracht of de bezwaren zijn afgewezen, worden de nieuwe ambtsdragers bevestigd in een kerkdienst van de gemeente (ord. 3-6-11) met gebruikmaking van een van de orden van dienst (zie § 7.9). Wanneer het een dooplid van de gemeente betreft, moet deze vooraf onder de belijdende leden van de gemeente worden opgenomen. Dat kan in dezelfde kerkdienst gebeuren, door het beantwoorden van een belijdenisvraag (ord. 9-5-4). Maar het afleggen van deze openbare geloofsbelijdenis is geen formaliteit: ook in dit geval moet er van een serieuze voorbereiding sprake zijn (ord. 9-4-1).

Nieuw is dat in ord. 3-6-11 uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt genoemd om ook bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen de handen op te leggen. De toelichting in de ‘Proeven voor de eredienst’ merkt daarbij op dat ook deze handoplegging eenmalig is: ‘Eens en voor altijd worden ook lidmaten als diaken of ouderling bevestigd met het oog op de tijd, waarin zij hun ambt uitoefenen in de gemeente waartoe zij behoren.’3


[157] 3. Commissie Dienstboek, Proeven voor de eredienst, aflevering 2. Bevestiging ambtsdragers, Leidschendam/Leusden 1989, 26. Het Dienstboek sluit dus — anders dan bij de predikanten — handoplegging bij een latere bevestiging tot ouderling of diaken in een andere gemeente niet uit.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.3.4

5.3.4 Ambtstermijn

De ambtstermijn van ouderlingen en diakenen is vier jaar, met de mogelijkheid om eenmaal voor een aansluitende periode als ambtsdrager herkozen te worden (ord. 3-7-1). Hier wijken de bepalingen af van de regelingen die voorheen in de afzonderlijke kerken gebruikelijk waren. Wie acht jaar als ouderling heeft gediend, kan niet terstond als ouderling worden herkozen (maar in dezelfde kerkenraad of wijkkerkenraad dus ook niet als diaken of ouderling-kerkrentmeester!). Men treedt aan het einde van de zittingstijd verplicht af, tenzij er nog geen opvolger is gevonden. In dat geval mag iemand nog ten hoogste zes maanden aanblijven om het mogelijk te maken de vacature te vervullen (ord. 3-7-5). Op zijn vroegst elf maanden na het verstrijken van de officiële zittingstermijn kan men opnieuw in dezelfde kerkenraad worden gekozen, zodat er altijd een periode van tenminste vijf maanden overblijft om enige afstand te nemen (ord. 3-7-2). De zittingsperiodes van de ambtsdragers worden op een rooster vastgelegd, om te waarborgen dat niet op enig moment alle diakenen tegelijk aftreden of een geheel nieuw college van kerkrentmeesters moet worden gekozen.

|134|

Uitzonderingen:
- Men is als ouderling of diaken slechts eenmaal terstond herkiesbaar. In bijzondere omstandigheden kan het breed moderamen van de classicale vergadering hiervan dispensatie verlenen zodat een derde ambtstermijn mogelijk wordt (ord. 3-7-1).
- Voor iemand die als ambtsdrager is afgevaardigd naar een meerdere vergadering (dus naar de classicale vergadering of de generale synode) of als ambtsdrager lid is van een regionaal of generaal college (bijvoorbeeld voor het opzicht of voor de behandeling van bezwaren en geschillen) kan de ambtstermijn worden verlengd tot het einde van de periode van dat lidmaatschap (ord. 3-7-3). Deze regeling is ook van toepassing op de preses en de scriba van de classicale vergadering en van de algemene classicale vergadering, als zij rechtstreeks uit de ambtsdragers van het ressort zijn gekozen (zie ord. 4-16-3 en 4-19-4). De verlenging van de ambtstermijn geschiedt overigens niet automatisch: het is de kerkenraad die daarover beslist.
- De zaak wordt enigszins ingewikkeld als er een tussentijdse verkiezing plaatsvindt. Daarvan zegt ord. 3-7-4 dat de kerkenraad handelt naar bevind van zaken. In dat geval zal de kerkenraad — om in de pas te blijven met het rooster van aftreden — de zittingstermijn enigszins verkorten of verlengen, naar wat het meest redelijk is. De bedoeling is dat de zittingsduur zo dicht mogelijk bij de beoogde ambtstermijn van 4 jaar blijft.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4

5.4 Het dienstwerk

In ord. 3-9 t/m 11 wordt uitgewerkt wat tot de roeping van de drie onderscheiden ambten behoort. Deze artikelen geven een nadere concretisering van art. V-3, maar zijn niet bedoeld als een uitputtende taakomschrijving. Evenmin kan worden gesteld dat de taken die worden genoemd tot de exclusieve bevoegdheid van deze ambtsdragers behoren. Als bijvoorbeeld bij de predikanten de catechese en de toerusting worden genoemd, is daarmee niet gezegd dat het een ouderling of een gemeentelid verboden zou zijn aan deze arbeid een bijdrage te leveren (zie ord. 9-3-5). Maar de predikant is wel de eerstverantwoordelijke voor deze arbeid en kan zich niet zomaar aan deze taak onttrekken.

Voordat de drie ambten afzonderlijk worden besproken, wordt in ord. 3-8-1 iets gezegd over de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad en de andere ambtelijke vergaderingen enerzijds en de eigen verantwoordelijkheid van de drie ambten anderzijds. In art. V-2 is de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voorop gezet. Een grondregel van het presbyteriaal-synodale kerkrecht is dat de leiding in de kerk is toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen, waarin men gezamenlijk beslist (art. VI-1).

Het accent op de gezamenlijkheid mag er echter niet toe leiden dat er voor de specifieke verantwoordelijkheid van elk ambt afzonderlijk geen plaats meer zou

|135|

zijn. Als in een kerkenraad diaconale vragen aan de orde zijn, behoort daarbij in het bijzonder aan de eigen inbreng van de diakenen gewicht te worden toegekend. Dat geldt precies zo als het gaat over de financiële deskundigheid van de kerk-rentmeesters of de theologische inbreng van de predikanten. Hun specifieke bijdrage in het beraad weegt zwaar mee, waarna de ambtelijke vergadering uiteindelijk met afweging van alle aspecten een gemeenschappelijk besluit kan nemen. Om de integriteit van elk ambt te benadrukken is bepaald dat niemand binnen de gemeente meer dan één ambt kan dragen (ord. 3-8-3). Men kan dus niet tegelijk diaken en ouderling-kerkrentmeester zijn (of kerkrentmeester zonder ambt, zie ord. 11-2-3). Het is evenmin mogelijk het ambt van predikant te combineren met bijvoorbeeld dat van ouderling. Een predikant in algemene dienst kan niet tegelijk ouderling of diaken zijn in de gemeente waartoe hij behoort. Voor de volledigheid: op grond van ord. 4-6-7 is het wel mogelijk dat zo iemand door de kerkenraad als predikant tot lid van de kerkenraad wordt benoemd. Een emeritus predikant kan wel door de gemeente waar hij als lid is ingeschreven, verkozen worden tot ouderling of diaken, omdat met het emeritaat de ambtsbediening als predikant is beëindigd.

Ord. 3-8-2 maakt de ambtsdrager met bepaalde taak mogelijk. Deze wordt op de gewone manier door de gemeente tot ambtsdrager verkozen (voor de ambtsdrager met bepaalde opdracht zie ord. 3-6-7 in § 5.3.2). De kerkenraad vertrouwt aan deze ambtsdrager vervolgens een bepaalde taak toe, bijvoorbeeld om als jeugdouderling of als werelddiaken werkzaam te zijn. Om zich geheel aan deze opdracht te kunnen wijden, kan deze ambtsdrager van een aantal van de gewone taken die tot dit ambt behoren, worden vrijgesteld. Van de verantwoordelijkheid die de ambtsdrager als lid van de kerkenraad heeft, kan men overigens niet worden vrijgesteld. De vrijstelling heeft dan ook geen betrekking op de kerken-raadsvergaderingen en op de ambtelijke tegenwoordigheid in de eredienst.

Een afzonderlijke vrijstellingsregeling voor ouderlingen-kerkrentmeester is opgenomen in ord. 11-2-7 (zie § 12.3.1).

 

Bij alle drie ambten luidt de aanhef dat het ambt ten dienste staat van de opbouw van de gemeente. Alleen bij de predikanten wordt het meervoud ‘gemeenten’ gebruikt, omdat zij ook bevoegd zijn — op verzoek — buiten de eigen gemeente ambtelijk werk te verrichten. In die zin kan van de predikanten worden gezegd dat ze ambtsdragers van de kerk zijn. Ze worden immers na hun opleiding bij het colloquium toegelaten ‘tot het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in Nederland’ (ord. 13-17-1). De andere ambtsdragers oefenen hun ambt uit in de eigen gemeente of in het kader van een (opdracht van een) meerdere vergadering. Het zou echter onjuist zijn de uitdrukking ‘tot opbouw van de gemeente’ uitsluitend binnenkerkelijk te verstaan. Het gaat er meer om dat de gemeente zo wordt toegerust dat ze haar roeping, die in art. IV-3 wordt aangeduid als ‘de lofprijzing van de Naam des Heren en de dienst in de wereld’, kan vervullen. In art.

|136|

V-2 wordt daarom gesproken van ‘de opbouw van de gemeente in de wereld’ (zie § 1.2.2). In ord. 3-9 t/m 11 zijn bij de verschillende ambten deze accenten ook terug te vinden.

Bij alle drie de ambten wordt gezegd dat deze ambtsdragers kunnen worden geroepen om de kerk te dienen in een meerdere vergadering als de classicale vergadering, de algemene classicale vergadering of de generale synode.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4.1

5.4.1 De predikanten

Bij de predikanten worden allereerst de taken met betrekking tot de eredienst genoemd, samengevat in de uitdrukking ‘de bediening van Woord en sacramenten’ (ord. 3-9-1). Daartoe behoren de verkondiging van het Woord, het leiden van de kerkdiensten en de bediening van de sacramenten. Verder worden genoemd het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis, het bevestigen van ambtsdragers, het inleiden in een bediening, het leiden van trouwdiensten en van kerkdiensten bij een begrafenis of crematie. De laatste diensten worden ‘diensten van rouwdragen en gedenken’ genoemd. Sommige van deze taken zijn uitsluitend aan de predikanten opgedragen, zoals valt op te maken uit ord. 5-5-2 (zie daarover § 7.6). Naast de primaire taak in de eredienst worden genoemd de catechese en de toerusting en — samen met de ouderlingen — de herderlijke zorg en het opzicht. Bij de herderlijke zorg, die meer omvat dan alleen huisbezoek, wordt het bezoeken van de gemeenteleden expliciet genoemd om het belang daarvan te onderstrepen als het gaat om de zorg voor de gemeente als gemeenschap.

Al is de predikant krachtens zijn ambt bevoegd buiten de eigen gemeente ambtswerkzaamheden te verrichten (zie de vorige paragraaf), dat wil nog niet zeggen dat hij of zij elders eigenmachtig kan optreden. Voor werk buiten de eigen gemeente moet er óf een verzoek zijn van de kerkenraad ter plaatse óf een opdracht van een meerdere vergadering óf in elk geval moet de plaatselijke kerkenraad daartegen geen bezwaar hebben (ord. 3-9-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4.2

5.4.2 De ouderlingen

Als eerste taak is aan de ouderlingen toevertrouwd de zorg voor de gemeente als gemeenschap. In deze woorden beoogt de kerkorde te bewaren de essentie van de klassieke aanduiding dat de ouderling tot taak heeft ‘het vergaderen van de gemeente’. Omdat deze woorden gemakkelijk kunnen worden misverstaan, alsof ermee slechts bedoeld zou zijn het aansporen van de gemeenteleden om de kerkdiensten te bezoeken, is nu gekozen voor een bredere omschrijving.

Dat de ouderlingen medeverantwoordelijkheid dragen voor de bediening van Woord en sacramenten komt allereerst tot uitdrukking in de ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdiensten van de gemeente en wordt vooral zichtbaar in de handdruk die de ouderling van dienst geeft aan het begin van de kerkdienst. Maar

|137|

minstens zo belangrijk is dat er in de kerkenraad ook aandacht wordt geschonken aan de inhoudelijke bezinning op de verkondiging en de sacramentsbediening.

Naast de herderlijke zorg en het opzicht als taken die ouderlingen samen met de predikanten uitoefenen (zie de vorige paragraaf), wordt bij de ouderlingen in het bijzonder de nadruk gelegd op de toerusting van de gemeente. Men zou dat kunnen beschouwen als een moderne variant van de klassieke taak van de ouderlingen om de gemeenteleden te begeleiden bij de heiliging van hun leven.

Van de ouderlingen-kerkrentmeester wordt hier alleen de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden genoemd en de verantwoordelijkheid voor het bijhouden van de registers (ord. 3-10-2). Uitvoeriger staan hun taken beschreven in ord. 11 (zie § 12.3.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.4.3

5.4.3 De diakenen

Van de drie ambten is dat van de diakenen het meest naar buiten, op de wereld, gericht. Daarom wordt in de aanhef van ord. 3-11-1 dat aspect onderstreept: ‘tot opbouw van de gemeente met het oog op haar dienst in de wereld.’ Bij de aanduiding van de eigen verantwoordelijkheden valt vervolgens op hoezeer benadrukt wordt dat het diaconaat zijn bron vindt in de eredienst, in de samenkomst van de gemeente. Daar zijn de diakenen ambtelijk tegenwoordig, in het bijzonder met het oog op de dienst aan de avondmaalstafel. Zij dragen mede zorg voor de voorbeden, ook als zij niet overal zelf in de dienst van de voorbeden voorgaan. In de eredienst worden de liefdegaven ingezameld: de diaconale collecte is een essentieel onderdeel van de kerkdienst. Maar van daaruit waaiert het aandachtsterrein van de diakenen breed uit: de toerusting van de gemeente, daadwerkelijke ondersteuning en zorg, initiatieven voor maatschappelijk welzijn. Daarbij gaat het ook — maar niet alleen — om de inzet van financiële middelen. In de gemeente zijn het met name de diakenen die zich bezighouden met de sociale vragen en die de kerk wijzen op haar roeping terzake. De diakenen zetten zich niet alleen in voor de dienst van de barmhartigheid, maar willen dienstbaar zijn aan de gerechtigheid (art. V-3). Ze weten zich niet alleen geroepen de gevolgen van het onrecht te bestrijden, maar ook het onrecht zelf aan de kaak te stellen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5

5.5 Diensten, bedieningen en functies

Om de bepalingen van ord. 3-12 t/m 14 op de juiste wijze te hanteren, is het nodig dat we eerst de begrippen ‘diensten’, ‘bedieningen’ en ‘functies’ nadrukkelijk onderscheiden.

Voor hen die in een dienst zijn gesteld en voor hen die in een bediening zijn ingeleid wordt de aanduiding kerkelijk werkers gebruikt (ord. 3-12-1), degenen die

|138|

in andere functie zijn aangesteld worden medewerkers genoemd (ord. 3-14-1). Op zowel de kerkelijk werkers als de medewerkers is de rechtspositie voor de kerkelijke medewerkers van toepassing (ord. 3-28-1, zie § 5.11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.1

5.5.1 Diensten

Bij ‘diensten’ moet worden gedacht aan taken die in direct verband staan met de roeping van de gemeente. In ord. 3-12-2 worden met name genoemd:
- de kerkmuziek,
- de missionaire, pastorale en diaconale arbeid,
- het jeugd- en jongerenwerk,
- de vorming, toerusting en catechese, en
- de gemeenteopbouw.

Deze diensten staan dicht bij het ambt, al worden ze daarvan wel onderscheiden (art. V-1). Ze zijn mede betrokken op het openbare ambt van Woord en sacrament. Ze worden, aldus art. V-6, in samenwerking met de ambtsdragers uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeenten. Als het over de benoeming gaat, zegt ord. 3-12-3 dan ook dat mensen in een dienst geroepen worden. De benoeming geschiedt door de kerkenraad of een andere ambtelijke vergadering, en ze verrichten hun werk onder verantwoordelijkheid van die ambtelijke vergadering (en daar ligt weer een verschil met het ambt). Daarom kunnen zij geen lid van de kerkenraad of van het college van kerkrentmeesters zijn, want dan zouden ze hun eigen opdrachtgever zijn.

Het is niet mogelijk als vrijwilliger in een dienst gesteld te worden.4 Bij de aanstelling tot kerkelijk werker ontvangt deze een arbeidsovereenkomst met bijbehorende instructie (G.R. kerkelijk werkers, art. 5-4). Bij een aanstelling tot kerkelijk werker gaat het altijd om leden van de kerk, die de daarvoor vereiste opleiding hebben voltooid (ord. 3-12-7). Daarbij moet worden gedacht aan een door de generale synode erkende HBO-opleiding op het gebied van de kerkmuziek, pastoraat et cetera. Wie de vereiste opleiding met goed gevolg heeft voltooid, kan in een landelijk register kerkelijk werkers worden opgenomen. Het Theologisch Seminarium is betrokken bij de opleiding en nascholing van kerkelijk werkers (G.R. kerkelijk werkers, art. 9-6). Voor de benoeming van iemand die geen lid is van de Protestantse Kerk in Nederland, is instemming van of vanwege de kleine synode vereist (G.R. kerkelijk werkers, art. 5-3).

Het is goed om op deze plaats te herinneren aan de verplichting tot geheimhouding die ook geldt voor degenen die in een dienst zijn gesteld (ord. 4-2). Ook al is niet voorgeschreven dat er bij de aanstelling in een dienst een belofte tot geheimhouding wordt afgelegd, de verplichting om zaken met een vertrouwelijk karakter geheim te houden is er niet minder om.

Wie in een dienst gesteld is, heeft geen preekbevoegdheid.


[157] 4. Alleen bij de kerkmusicus is een aanstelling op basis van vrijwilligheid mogelijk (G.R. kerkmusici, art. 9-3 t/m 5). Zie daarover § 7.7.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.2

|139|

5.5.2 Bedieningen

Bij ‘bedieningen’ gaat het om dezelfde taken en om dezelfde personen die aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen. Men wordt in de bediening ingeleid om in de dienst werkzaam te kunnen zijn! Er zijn slechts enkele — zij het niet onbelangrijke — verschillen.
- In een bediening kunnen slechts worden gesteld zij die belijdend lid van de kerk zijn, de benoeming in een dienst is ook mogelijk voor doopleden van de kerk.
- Bij een bediening wordt men ingeleid in een kerkdienst.
- In deze kerkdienst wordt een belofte afgelegd, waarin men verklaart bereid te zijn te getuigen van het heil in Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden van de kerk, ijverig en getrouw de arbeid te verrichten en zich aan de kerkelijke regels te zullen onderwerpen.
- Al staat dat niet uitdrukkelijk voorgeschreven in ord. 3-12 ligt het voor de hand dat in deze dienst tevens de belofte van geheimhouding wordt afgelegd. In de orde voor de inleiding in een bediening is een dergelijke belofte opgenomen.
- Wie in de bediening is gesteld, ontvangt werkbegeleiding door een mentor. Als men op arbeidsovereenkomst is aangesteld, zorgt de kleine synode voor deze begeleiding. Als een kerkenraad een vrijwilliger als kerkmusicus in de bediening heeft gesteld, moet de kerkenraad zelf voor werkbegeleiding zorgen. De kerkelijk werker is verplicht deze werkbegeleiding te aanvaarden en moet dat zelfs vooraf uitdrukkelijk verklaren (G.R. kerkelijk werkers, art. 5-5).
- In bijzondere situaties kan een preekconsent worden verleend (zie § 5.5.4).
- Een kerkelijk werker in het pastoraat, die in de bediening is gesteld, kan worden uitgenodigd aan de bijeenkomsten van de werkgemeenschappen van predikanten deel te nemen (G.R.. kerkelijk werkers, art. 7-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.3

5.5.3 Kerkelijk werker in pastorale arbeid

In de generale regeling kerkelijk werkers worden in art. 7 de mogelijkheden voor een kerkelijk werker in pastorale arbeid aangegeven. Men kan worden aangesteld om naast de predikant werkzaam te zijn in het pastoraat, de catechese en de toerusting. De kerkelijk werker staat niet in het ambt en is dus geen lid van de kerkenraad, maar kan wel worden uitgenodigd om als adviseur aan de vergaderingen deel te nemen. Wie in de bediening is gesteld, kan worden uitgenodigd voor de bijeenkomsten van de predikanten.

Terwijl de regel is dat de kerkelijk werker naast de predikant wordt aangesteld, geeft art. 7-4 de uitzondering. Als een gemeente niet zelf een predikant kan beroepen en als er naar het oordeel van het breed moderamen van de classicale vergadering geen andere mogelijkheden zijn om te komen tot het beroepen van een

|140|

predikant (bijvoorbeeld door het vormen van een combinatie, door samenvoeging, door het samenbrengen in een streekgemeente, door federatie of vereniging), kan een kerkelijk werker worden aangesteld die — in dat geval — niet naast een predikant, maar meer zelfstandig werkzaam is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.4

5.5.4 Preekconsent

Aan de bediening als zodanig is geen preekbevoegdheid verbonden. Alleen in uitzonderingsgevallen en onder bepaalde voorwaarden kan aan iemand die in de bediening is gesteld een preekconsent worden verleend. De kerkordelijke bepalingen die daarop betrekking hebben, zijn te vinden in de generale regeling preekconsent.

Het preekconsent kan alleen verleend worden als men als kerkelijk werker in de bediening werkzaam is (G.R.. preekconsent, art. 6)
- in een combinatie van gemeenten of een streekgemeente,
- in een gemeente die niet kan beroepen en waar op grond daarvan een kerkelijk werker is aangesteld (zie G.R.. kerkelijk werkers, art. 7-4), of
- in een gemeente die een gemeenschappelijke regeling heeft getroffen (bijvoorbeeld gemeenten die in een regionaal verband samenwerken, zie § 6.2.5).

Het preekconsent geldt alleen in de betreffende gemeente(n) en eventueel andere door het breed moderamen van de classicale vergadering aangewezen gemeenten van de classis. Het wordt alleen verstrekt als gebleken is dat men niet op een andere wijze voldoende kan voorzien in het voorgaan in de kerkdiensten.

Het consent is ook beperkt in tijd: de bevoegdheid om kerkdiensten te leiden wordt verleend voor de duur van de aanstelling met een maximum van vier jaar, maar kan — zolang de aanstelling duurt — worden verlengd. De eerste keer wordt het preekconsent afgegeven voor de duur van één jaar (G.R. preekconsent, art. 6-5). Zie voor de toekenning van een preekconsent verder § 7.6.

Wie een preekconsent heeft ontvangen, is verplicht supervisie of begeleiding te aanvaarden (G.R.. preekconsent, art. 2). Er moet binnen de classis voorzien zijn in de supervisie door een predikant of een andere vorm van begeleiding (G.R.. preekconsent, art. 6-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.5

5.5.5 De geestelijk verzorger

In ord. 3-13 wordt een regeling getroffen voor degene die als geestelijk verzorger in een instelling werkzaam is. Deze kan als kerkelijk werker met bijzondere opdracht worden aangesteld en wordt daarbij in de bediening ingeleid. Het spreekt vanzelf dat hij of zij daarbij moet voldoen aan de voorwaarden die in ord. 3-12-8 t/m 10 zijn genoemd om in een bediening gesteld te worden.

In dit geval is het de instelling die de arbeidsovereenkomst afsluit. De rol van de kerk is beperkt tot het verlenen van een 'kerkelijke zending'. Ze draagt

|141|

verantwoordelijkheid voor het werk dat de geestelijk verzorger uit hoofde van zijn bediening verricht en daarom wordt een begeleidingscommissie ingesteld. De bijzondere opdracht wordt verleend door een kerkenraad of classicale vergadering in het gebied waarin iemand werkzaam is. De regeling is vergelijkbaar met die van de predikanten met een bijzondere opdracht (ord. 3-23). De bijzondere opdracht en de bediening gelden voor de duur van de aanstelling. Als iemand wordt ontslagen of een andere functie aanvaardt, vervallen daarmee ook de opdracht en de bediening (ord. 3-13-5). De generale regeling preekconsent schept de mogelijkheid voor een geestelijk verzorger preekconsent aan te vragen. Daarbij gelden vergelijkbare voorwaarden als voor de kerkelijk werkers in het pastoraat (G.R. preekconsent, art. 7; zie ook § 5.5.4). Het Theologisch Seminarium is bij de opleiding en nascholing van deze geestelijk verzorgers betrokken (G.R. opleiding predikanten, art. 9-6). Enkele nadere bepalingen met betrekking tot de aanstelling zijn te vinden in de G.R. kerkelijk werkers, art. 8.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.5.6

5.5.6 Overige functies

Bij de overige functies kan worden gedacht aan allerlei andere betaalde en onbetaalde arbeid in de gemeente en de kerk. De bepaling in ord. 3-14 is met name van belang voor facilitaire en ondersteunende taken die door kerkelijke medewerkers op arbeidsovereenkomst worden verricht. Daarbij valt te denken aan het werk van medewerkers op het kerkelijk bureau, aan kosters en grafdelvers en aan allerlei andere vormen van ondersteunende arbeid.

Als er van een arbeidsovereenkomst sprake is, valt die onder de rechtspositieregeling voor de kerkelijke medewerkers (ord. 3-28).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6

5.6 De rechtspositie van predikanten

De kerkorde onderscheidt bij de dienstdoende predikanten drie categorieën (ord. 3-15-3).
- Allereerst de predikanten voor gewone werkzaamheden (ord. 3-16- t/m 18). Zo worden de predikanten die werkzaam zijn in een gemeente aangeduid. Dat kan ook een wijkgemeente zijn of een streekgemeente (ord. 3-5-1) of twee of meer gemeenten gezamenlijk als er sprake is van een combinatie van gemeenten (ord. 2-15-1). Wat betreft de rechtspositie vallen deze predikanten onder de generale regeling voor de predikantstraktementen en de generale regeling voor de predikantspensioenen (ord. 3-16-4).
- Daarnaast kent de kerk predikanten in algemene dienst (ord. 3-22). Zij zijn verbonden aan een classis, aan de in de algemene classicale vergadering samenwerkende classes, aan de evangelisch-lutherse synode of aan de kerk. Wat betreft de rechtspositie vallen zij onder de generale regeling voor de rechtspositie van de kerkelijke medewerkers (ord. 3-28-5).

|142|

|143|

- Tenslotte zijn er de predikanten met een bijzondere opdracht (ord. 3-23). Zij worden wel door een ambtelijke vergadering van de kerk beroepen, maar zijn in dienst van een instelling die hen heeft aangesteld. Zij hebben hun rechtspositie dus buiten de kerk.

 

Behalve de dienstdoende predikanten kent de kerk ook beroepbare predikanten en emeritus predikanten (ord. 3-15-2).

De emeritus predikant is een predikant die het ambt niet langer uitoefent vanwege de bereikte leeftijd of om gezondheidsredenen (ord. 3-25-1). De emeritus predikant behoudt de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten.

Een beroepbaar predikant oefent het ambt niet langer uit door andere oorzaken. Door verschillende omstandigheden kan men beroepbaar predikant worden:
- als bij een predikant die voor een beperkt aantal jaren werd beroepen, het verband niet wordt verlengd (ord. 3-18-4),
- als een predikant voor gewone werkzaamheden wordt ontheven van de werkzaamheden en losgemaakt van de gemeente (ord. 3-20-3),
- als bij een predikant in algemene dienst het dienstverband eindigt (onder meer na aanstelling in tijdelijke dienst: G.R. rechtspositie medewerkers, art. 25-3),
- als een predikant van de gemeente wordt losgemaakt, omdat de gemeente het traktement niet langer kan betalen (G.R. predikantstraktementen, art. 20-5),
- als bij een predikant met een bijzondere opdracht het dienstverband eindigt, door ontslag of door andere oorzaken (ord. 3-23-4),
- als een predikant op eigen verzoek eervol is ontheven, maar deze wel bereid is een beroep in overweging te nemen (ord. 3-26-1).

Daarnaast is het mogelijk dat iemand voor een bepaalde periode het ambt heeft neergelegd, bijvoorbeeld om een aantal jaren voor de opgroeiende kinderen beschikbaar te zijn of voor bejaarde ouders te zorgen, maar zich na afloop van die periode weer beroepbaar zou willen stellen. Ord. 3-27-4 zegt dat men — als men in de tussentijd de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacrament heeft behouden — door de kleine synode op zijn verzoek weer beroepbaar kan worden gesteld. In dat geval kan men eveneens als ‘beroepbaar predikant’ worden beschouwd.

Zoals de naam al aangeeft, hebben beroepbare predikanten niet alleen de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten behouden, maar zijn ze ook — voor een periode van vier jaar — beroepbaar als predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Deze termijn kan telkens met een periode van vier jaar verlengd worden. Hun rechtspositie kan overigens heel verschillend zijn: op sommigen van hen is een wachtgeldregeling van toepassing, bij anderen is dat niet het geval.

 

De kerkorde laat in het midden of de emeritus predikant en de beroepbare predikant nog ambtsdrager zijn. Zij hebben in elk geval de bevoegdheden die destijds

|144|

bij de bevestiging zijn ontvangen, behouden. Zij die als predikant van de gemeente werden losgemaakt en niet elders zijn bevestigd, behouden toch ‘iets van het ambt’. Niemand zal van mening zijn dat kinderen die door hen zijn gedoopt, het sacrament van een ‘ambteloos’ lid van de kerk hebben ontvangen. Er is dus verschil tussen ontheffing van de werkzaamheden (ord. 3-20) en ontheffing van het ambt (ord. 3-21).

Bij ontheffing van het ambt (ord. 3-21) en bij ontzetting uit het ambt (ord. 10-9-7 sub d) is er op geen enkele manier nog sprake van een ambt of van ambtelijke bevoegdheden.

Bij emeritaat of ontheffing van de werkzaamheden (ord. 3-20) is de reguliere ambtelijke taak (de ambtsbediening) beëindigd, maar is er aan de bevoegdheid om op verzoek van een ambtelijke vergadering ambtelijke werkzaamheden uit te oefenen geen einde gekomen.

Deze bevoegdheid wordt verleend door de kerk en kan ook in bijzondere gevallen door de kleine synode worden ingetrokken (ord. 3-27-7). In die zin zou men kunnen zeggen dat de emeritus predikanten, de beroepbare predikanten en zij die de bevoegdheden van een predikant hebben behouden, verbonden zijn aan de kerk als geheel.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.1

5.6.1 Predikanten voor gewone werkzaamheden

Over de taken die tot de verantwoordelijkheid van de ‘gemeentepredikanten’, de predikanten voor gewone werkzaamheden behoren, is al geschreven in § 5.4.1. In ord. 3-16-1 wordt voor deze predikanten nog eens herhaald, wat al in ord. 3-8-2 voor de ambtsdragers in het algemeen was geregeld, dat de kerkenraad hun een bepaalde taak kan toevertrouwen (en met het oog daarop vrijstellen van een aantal andere taken). Zie daarover ook § 5.4. Dit ‘toevertrouwen’ kan niet worden verstaan als ‘opdragen’: het is dus nodig dat daarover met de betrokken predikant overeenstemming wordt bereikt.

Het verkiezen, beroepen en bevestigen van de predikant voor gewone werkzaamheden is beschreven in § 5.2.1 t/m 5.2.4.

Over de rechtspositie van de predikanten voor gewone werkzaamheden wordt in ord. 3-16 slechts in algemene bewoordingen geschreven. Ord. 3-16-3 maakt duidelijk dat de fulltime predikant hoort te wonen in de gemeente die hij of zij dient. Voor een wijkpredikant geldt dat deze in elk geval woont binnen de gemeente als geheel. Van deze regel kan slechts worden afgeweken als het breed moderamen van de classicale vergadering daarmee instemt.

Voor het overige wordt verwezen naar de generale regelingen voor de predikantstraktementen en voor de predikantspensioenen (ord. 3-16-5) en wordt bepaald dat de verplichting om de predikant te geven waar hij recht op heeft, berust bij kerkenraad of — in een gemeente met wijkgemeenten — bij de algemene kerkenraad (ord. 3-16-5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.2

|145|

5.6.2 Generale regeling predikantstraktementen

Van de G.R. predikantstraktementen, die uit 45 artikelen bestaat, duiden we hier slechts de hoofdzaken aan.5 Een belangrijke taak met betrekking tot de rechtspositie van de predikanten berust bij de beleidscommissie Predikanten, die een besturende en adviserende taak heeft (art. 2). Deze commissie bestaat uit in totaal tien leden: naast de vijf gedelegeerden vanwege de kerk in het georganiseerd overleg worden door de kleine synode vier andere leden benoemd (van wie er twee worden voorgedragen door de Bond van Nederlandse Predikanten). De voorzitter heeft geen stemrecht en wordt door de kleine synode benoemd nadat ze daarover de beleidscommissie heeft gehoord.

Daarnaast is er het georganiseerd overleg, waarin de uitvoeringsbepalingen (zeg maar: de arbeidsvoorwaarden) worden vastgesteld. Dit georganiseerd overleg wordt gevormd door een delegatie van vijf leden vanwege de kerk (van wie drie leden op voordracht van de kerkrentmeesters worden benoemd) en een delegatie van vijf leden vanwege de predikanten (art. 3 en 4).

De bestanddelen van het traktement worden beschreven in de artikelen 5 t/m 9. Het omvat een basistraktement, dat voor alle predikanten gelijk is en wordt uitbetaald door de gemeente. Daarnaast zijn er periodieke verhogingen, een vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering, die worden uitbetaald door de centrale kas (waarvan de kosten worden omgeslagen over alle gemeenten). Voor pensioenpremie en ambtswoning worden inhoudingen toegepast.

Onder het opschrift ‘secundaire arbeidsvoorwaarden’ (art. 10 t/m 19) komen behalve de ambtswoning allerlei tegemoetkomingen en vergoedingen ter sprake. Daaronder valt de regeling van het studieverlof (art. 19). Na een volbrachte ambtsperiode van vijfjaar heeft de predikant recht op drie maanden studieverlof, dat eventueel in twee gedeelten kan worden opgenomen. Daarbij geldt ook een gedeeltelijke studiekostenvergoeding (art. 13). Het eerste studieverlof kan worden opgenomen vijfjaar na het beëindigen van de verplichte nascholing van predikanten.

Art. 26 geeft een regeling voor nevenwerkzaamheden. Als die meer dan zes uur per week vragen, is toestemming van de kerkenraad nodig (ook als het onbetaalde nevenwerkzaamheden betreft). Vanaf een bepaald bedrag worden er inkomsten verrekend.

In art. 28 t/m 31 wordt voor allerlei situaties een wachtgeldregeling uitgewerkt. Die kan variëren van 60% voor ten hoogste zes maanden (in geval van ontzetting uit het ambt) tot 100% — 80% — 60% gedurende driejaar (bij ontheffing van de werkzaamheden). In sommige gevallen, bijvoorbeeld als de predikant wordt losgemaakt volgens de procedure van ord. 3-20 (zie § 5.7), komen de kosten van de wachtgeldregeling (geheel of gedeeltelijk) voor rekening van de gemeente. In andere gevallen wordt het wachtgeld betaald uit de centrale kas.

De generale regeling kent verder bepalingen voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid


[157] 5. De generale regeling predikantstraktementen treedt op een later tijdstip dan 1 mei 2004 in werking (ovb. 115).

|146|

(art. 32 en 33), voor de werkzaamheden van de consulent (zie § 6.2.6) en een regeling voor de behandeling van bezwaren en van meningsverschillen inzake uitleg en toepassing van de regeling (art. 41 en 42).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.3

5.6.3 Generale regeling predikantspensioenen

In de pensioenregeling6 worden de gebruikelijke zaken geregeld, zoals het ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen. Nieuw in de kerkelijke pensioenregelingen is wat de ‘flexibele modus’ wordt genoemd. De pensioendatum wordt niet meer gefixeerd op het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Zie daarover verder § 5.10.1. Verder bevat deze generale regeling voer voor fijnproevers die zich willen verdiepen in de geheimenissen van de hoog/laagconstructie (art. 11), van de uitruil partner- en ouderdomspensioen (art. 10) of van het vereveningspensioen (art. 16) . De generale regeling maakt ook een vrijwillig aanvullend pensioen mogelijk (art. 13) en geeft gedetailleerde bepalingen met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidspensioen (art. 14 en 15). In het geheel telt de regeling 28 artikelen.


[157] 6. De generale regeling predikantspensioenen treedt op een later tijdstip dan 1 mei 2004 in werking (ovb. 115).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.4

5.6.4 Parttime predikanten

Ord. 3-17 geeft enkele nadere bepalingen voor een predikant voor gewone werkzaamheden die in deeltijdfunctie wordt beroepen: de parttime predikant. Aan het beroepen van een parttime predikant gaat het nodige vooraf. Daarvoor is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Dat beoordeelt of de beperking van de werktijd wel nodig is, of er goede afspraken zijn gemaakt over wat van de parttime predikant wel en niet verwacht mag worden en welke voorzieningen zijn getroffen voor de taken die door de eigen predikant niet kunnen worden vervuld (ord. 3-17-3). De afspraken moeten worden vastgelegd in een beschrijving bij de beroepsbrief. Dat alles om de parttime predikant er tegen te beschermen dat in de beperkte werktijd in feite alles van hem of haar wordt verwacht. Daarom mag het deel van de werktijd niet op minder dan een derde of meer dan viervijfde worden gesteld. Bij een lager percentage dan 33% blijft er te weinig tijd over om te kunnen volhouden dat iemand werkelijk predikant van de gemeente is, bij een hoger percentage dan 80% wordt het gevaar dat men voor een lager traktement in feite een predikant voor volledige werktijd aanstelt te groot. Een bestaande aanstelling die buiten deze marges valt, blijft overigens van kracht (ovb. 122). De generale regeling predikantstraktementen geeft in art. 25 enkele aanvullende bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de predikanten in deeltijdfunctie.

Ord. 3-17-4 tenslotte spreekt voor de parttime predikant de wenselijkheid uit dat deze binnen de gemeente woont uit. In lang niet alle gevallen zal dat mogelijk zijn en daarom is er hier geen sprake van een bindend voorschrift.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.6.5

|147|

5.6.5 Predikanten in tijdelijke dienst

Het artikel over de predikanten in tijdelijke dienst begint — opvallend genoeg — met de bepaling dat een predikant voor gewone werkzaamheden beroepen wordt voor onbepaalde tijd (ord. 3-18-1). Dat is kerkordelijk de hoofdregel. Die regel is niet alleen van belang vanuit rechtspositioneel oogpunt. Iedereen wil graag wat zekerheid op langere termijn.

De achtergrond van de bepaling is veelmeer dat voorkomen moet worden dat de predikant beperkt zou worden in de uitoefening van zijn of haar ambt als dienaar des Woords. Als een predikant bij zijn werk gehinderd zou worden door de gedachte dat hij straks herkozen moet worden voor een nieuwe termijn, zou dat een ernstige bedreiging kunnen zijn voor zijn geestelijke en ambtelijke vrijheid. Daarom kan van de regel dat men beroepen wordt voor onbepaalde tijd, alleen in bijzondere omstandigheden worden afgeweken. In de praktijk zal dat vooral zijn als er een predikant wordt gezocht voor een duidelijk afgebakend project van tijdelijke aard. Als er beperkte financiële middelen zijn, geeft deze bepaling geen soelaas. Na afloop van de tijdelijke dienst heeft de predikant namelijk recht op een wachtgelduitkering (G.R. predikantstraktementen, art. 28-1) die voor rekening komt van de gemeente die deze predikant heeft beroepen.

Voor het uitbrengen van een beroep voor een beperkt aantal jaren is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig. Deze toestemming kan slechts eenmaal worden verleend: het verband tussen de predikant en de gemeente kan slechts worden verlengd voor onbepaalde tijd. Als er geen verlenging plaatsvindt, eindigt de overeenkomst en verkrijgt de predikant de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie § 5.6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.7

5.7 Vrijstelling, ontheffing en losmaking

In ord. 3-19 wordt de mogelijkheid van vrijstelling van werkzaamheden besproken. Dat kan gevraagd en ongevraagd worden verleend door het breed moderamen van de classicale vergadering, als de situatie in de gemeente dat noodzakelijk maakt. Met opzet zijn de formuleringen ruim gehouden: er wordt gesproken over spanningen 'in verband met ontwikkelingen in de gemeente of het functioneren van de predikant'. Er wordt geen schuldige aangewezen, er wordt niet vastgesteld waar de oorzaak ligt. Er wordt alleen geconstateerd: zo kan het niet langer. Er moet een afkoelingsperiode in acht worden genomen. Een dergelijk ingrijpend besluit wordt niet zomaar genomen. Vooraf wordt overleg gepleegd met het regionale college voor de visitatie, dat doorgaans al bij de situatie betrokken zal zijn. Vanzelfsprekend moet ook overleg worden gepleegd met de betrokken kerkenraad en de predikant. Maar het is het breed moderamen dat de beslissing neemt. Dat bepaalt tevens voor welke periode de vrijstelling geldt en voor welke werkzaamheden. Die periode kan niet te lang zijn (een beperkte

|148|

periode, zegt ord. 3-19-2). In de hervormde kerkorde gold een periode van ten hoogste dertig dagen en dat lijkt een redelijke termijn. Het is mogelijk vrijstelling te geven van bepaalde nauwkeurig omschreven werkzaamheden, bijvoorbeeld van het voorgaan in de kerkdiensten ter plaatse. In dat geval mag de predikant wel elders voorgaan en ook zijn pastorale werkzaamheden voortzetten.

Als de periode van vrijstelling verstreken is, hervat de predikant de werkzaamheden. Al spreekt de bepaling daar niet expliciet over, moet het niet uitgesloten worden geacht dat de maatregel zo nodig verlengd wordt. Het moet echter wel duidelijk blijven dat het een tijdelijke maatregel betreft.

Op welke vergoedingen de predikant tijdens de vrijstelling van werkzaamheden recht heeft, is te vinden in de G.R. predikantstraktementen, art. 12-5 en art. 16-3.

 

In ord. 3-20 zijn de spanningen chronisch geworden en lijkt het niet mogelijk dat men er samen nog uitkomt. Dat kan er toe leiden dat de predikant wordt losgemaakt van zijn gemeente. Ook hier geldt weer: er wordt geen schuldige aangewezen. Het staat niet bij voorbaat vast dat de oorzaak van de opgelopen spanningen ligt bij de predikant. Het zou ook kunnen zijn dat door interne geschillen binnen de kerkenraad onwerkbare verhoudingen zijn ontstaan. De vraag is wel eens gesteld of het in dat geval wel juist is de predikant van zijn werkzaamheden te ontheffen. Zou er in dat geval geen aanleiding zijn om aan de andere kerkenraadsleden ontheffing van het ambt te verlenen? De gereformeerde kerkorde kende de mogelijkheid van schorsing en afzetting van een (deel van de) kerkenraad in geval van wanbestuur. Ord. 4-13 geeft aan het breed moderamen van de classicale vergadering een instrument in handen om in een dergelijke situatie een aantal taken van de kerkenraad tijdelijk aan anderen op te dragen (zie § 6.2.7).

Hoe het ook zij: ord. 3-20 wordt toegepast als de verhoudingen zo verstoord zijn dat de predikant deze gemeente niet langer met stichting kan dienen (ord. 3-20-2). Omdat de maatregel van ontheffing en losmaking voor de betrokken predikant ingrijpend is, is de regeling van de nodige waarborgen voorzien.

De eerste beslissing ligt bij het breed moderamen van de classicale vergadering. Deze vergadering moet vaststellen of de situatie van dien aard is dat de zaak aan het generale college voor de ambtsontheffing moet worden voorgelegd. Het breed moderamen kan daartoe besluiten op verzoek van de kerkenraad of op eigen initiatief. In elk geval moet vooraf het oordeel van het regionale college voor de visitatie worden gevraagd.

De uiteindelijke beslissing of de predikant wordt ontheven en losgemaakt ligt bij het generale college voor de ambtsontheffing, een orgaan van de kerk dat speciaal voor de behandeling van deze aangelegenheden is ingesteld. Dit generale college hoort de predikant, de kerkenraad (bij een wijkpredikant zowel diens wijk-kerkenraad als de algemene kerkenraad) en het regionale college voor de visitatie

|149|

(ord. 3-20-1). De procedure bij het generale college voor de ambtsontheffing wordt beschreven in de generale regeling kerkelijke rechtspraak (art. 8 t/m 11). Op deze wijze wil de kerk een zorgvuldige rechtsgang waarborgen.

 

De maatregel gaat niet direct in. Als de predikant wordt ontheven, krijgt hij of zij eerst gedurende een periode van drie maanden tot maximaal een jaar de tijd om zelf om te zien naar een andere gemeente of werkkring (ord. 3-20-2) en zolang blijft hij aan de gemeente verbonden. Als dat niet gelukt is of als de predikant daartoe niet bereid was, wordt hij na afloop van de gestelde periode van de werkzaamheden ontheven en losgemaakt van de gemeente. In de generale regeling voor de predikantstraktementen is een wachtgeldregeling voorzien. Gedurende drie jaar wordt het traktement doorbetaald, in een aflopende schaal van 100%, 80% en 60% van het laatstgenoten traktement. Het generale college voor de ambtsontheffing bepaalt welk gedeelte van de wachtgeldregeling komt voor rekening van de gemeente waaraan de predikant verbonden was (G.R. predikantstraktementen, art. 29-4).

Tegen de beslissing van het generale college voor de ambtsontheffing kan zowel door de betreffende predikant als door de kerkenraad beroep worden ingesteld bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 11-1 en 2).

De predikant die is losgemaakt van de gemeente verkrijgt de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie daarover § 5.6).

 

Ord. 3-21 spreekt van de mogelijkheid van ontheffing van het ambt. Als het generale college voor de ambtsontheffing bij de behandeling van een zaak tot de conclusie komt dat het niet verantwoord zou zijn dat de betrokken predikant door een andere gemeente beroepen zou worden of dat hij ergens anders als predikant werkzaam zou zijn, kan het college hem van het ambt ontheffen. Ook nu betreft het geen zaak van kerkelijke tucht, maar is de conclusie dat iemand vanwege karakter of eigenschappen geheel ongeschikt is voor het predikantschap, of daarvoor — wellicht door de omstandigheden — ongeschikt is geworden. Voor een dergelijke zware beslissing is in het college een twee derde meerderheid vereist. De wachtgeldregeling is ook hier van toepassing, maar de predikant wordt geen ‘beroepbaar predikant’ en verliest de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten.

 

Een bijzondere situatie van losmaking is te vinden in de generale regeling predikantstraktementen (art. 20-5). Die kan plaatsvinden op grond van insolvabiliteit van de gemeente, dus als de gemeente de predikant niet langer kan betalen. Daarvoor is toestemming van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nodig. De gemeente zal in elk geval nog twee jaar verantwoordelijk zijn voor het traktement. Eventueel kan de kerk aan de gemeente een lening

|150|

verstrekken, maar de gemeente verbindt zich dan wel om mee te werken aan een structurele oplossing.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.8

5.8 Predikanten in algemene dienst

Een predikant in algemene dienst staat in dienst van een meerdere vergadering voor het verrichten van werkzaamheden die van deze vergadering uitgaan (ord. 3-22-1). Hij of zij wordt door deze vergadering beroepen als de werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de vervulling van het ambt van predikant. Om te voorkomen dat er grote ongelijkheid ontstaat doordat men in de ene regio veel terughoudender is om een kerkelijke medewerker tot predikant te beroepen dan in de andere, moet de vraag of voor het vervullen van deze functie de bevestiging in het ambt wenselijk of noodzakelijk is, worden beoordeeld door de kleine synode. Volgens art. VI-10 kunnen predikanten in algemene dienst worden beroepen (en functionarissen worden benoemd) door de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode. Ord. 3-22-2 maakt ook het beroepen door de algemene classicale vergadering mogelijk.

Men kan zowel fulltime als parttime tot predikant in algemene dienst beroepen worden (ord. 3-22-7). Ook een aanstelling in tijdelijke dienst is mogelijk (G.R. rechtspositie medewerkers, art. 25-3).

De proponent of predikant ontvangt een beroepsbrief, een dienstdoend predikant vraagt na aanvaarding van het beroep een akte van losmaking (ord. 3-5-5) en de bevestiging vindt plaats in een kerkdienst van een gemeente binnen het werkgebied. Als deze predikant in het ambt bevestigd is, is ook op hem of haar van toepassing de ‘vrijheid van het ambt als dienaar des Woords’ waar ord. 3-5-2 van spreekt. Maar omdat de predikant in algemene dienst staat in een arbeidsverhouding tot de vergadering die hem beriep, is er tegelijk sprake van een dienstverband, waarin aan deze predikant — anders dan bij de predikant voor gewone werkzaamheden — taakopdrachten kunnen worden verstrekt. Op deze predikant is de rechtspositieregeling van de kerkelijke medewerkers (ord. 3-28-1) van toepassing.

Een predikant in algemene dienst wordt beroepen voor de duur van de werkzaamheden (ord. 3-22-2). Als — bijvoorbeeld door een reorganisatie — aan de werkzaamheden waarvoor de predikant beroepen werd een einde komt of als aan een tijdelijke aanstelling een einde is gekomen, verkrijgt de betrokken predikant de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie § 5.6).

De predikanten in algemene dienst maken geen deel uit van een ambtelijke vergadering, maar worden begeleid door een daartoe ingestelde commissie (ord. 3-22-5). De kerkenraad van hun woonplaats heeft wel de mogelijkheid hen te benoemen tot lid van de kerkenraad (ord. 4-6-7). Ord. 4-14-1 opent de mogelijkheid om aangewezen te worden tot lid van de classicale vergadering.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.9

|151|

5.9 Predikanten met een bijzondere opdracht

Ook de predikanten met een bijzondere opdracht verrichten werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de vervulling van het ambt van predikant (ord. 3-23-1). Ook nu moet de vraag of voor het vervullen van hun functie de bevestiging in het ambt wenselijk of noodzakelijk is, worden beoordeeld door de kleine synode. Een verschil met de predikanten in algemene dienst is dat zij — behalve door de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode — ook door een kerkenraad of algemene kerkenraad kunnen worden beroepen, maar niet door een algemene classicale vergadering. Er zijn nauwelijks situaties voorstelbaar waarin aan dat laatste behoefte zal zijn.

Het belangrijkste verschil is echter dat zij in dienst zijn van een instelling en dat hun rechtspositie dus buiten de kerk ligt. Om een paar voorbeelden te noemen: te denken valt aan een ziekenhuispredikant, een legerpredikant of justitiepredikant, een radiopastor of schooldecaan.

Zij worden beroepen ‘voor de duur van de werkzaamheden’ (ord. 3-23-3). Met andere woorden: als aan het dienstverband bij de instelling een einde komt, komt daarmee vanzelf een einde aan de ambtsbediening en wordt de predikant beroepbaar predikant (zie § 5.6).

Nog sterker dan bij de predikanten in algemene dienst, die in dienst zijn van (een onderdeel van) de kerk, geldt van de predikanten voor bijzondere werkzaamheden dat zij in een dubbele loyaliteit staan. De ambtelijke vergadering is verantwoordelijk wat betreft het ambtelijke werk en de instelling waar deze predikant in dienst is, treedt op als werkgever. Om te voorkomen dat daarover spanningen ontstaan, moeten er met de instelling afspraken worden gemaakt waarin de verantwoordelijkheid van zowel de kerk als de instelling wordt geregeld (ord. 3-23-4). Als het beroep door een (algemene) kerkenraad wordt uitgebracht, moet het breed moderamen van de classicale vergadering erop toezien dat er inderdaad goede afspraken zijn gemaakt (ord. 3-23-6).

Voor het overige zijn de bepalingen dezelfde als die voor de predikanten in algemene dienst (zie § 5.8).

De kerkorde sluit de mogelijkheid niet uit dat een predikant voor gewone werkzaamheden, die in deeltijdfunctie is beroepen, daarnaast beroepen wordt als predikant in algemene dienst of als predikant met bijzondere opdracht. In dat geval oefent men het (ene) ambt van predikant op twee verschillende plaatsen uit.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10

5.10 Overige regels

In de slotbepalingen worden regelingen getroffen voor uiteenlopende aangelegenheden. Allereerst met betrekking tot nevenwerkzaamheden. Daarover wordt in ord. 3-24-1 bepaald dat een ambtelijke vergadering erop heeft toe te zien dat de arbeid die een predikant naast de ambtelijke werkzaamheden verricht, niet

|152|

onverenigbaar met het ambt van predikant is of strijdig met het belang van de gemeente en de kerk. Dat geldt ook voor parttime predikanten. Het zou bijvoorbeeld onwenselijk zijn als een predikant tegelijk uitvaartleider is, omdat daardoor de pastorale en commerciële belangen door elkaar kunnen gaan lopen.

Over het verrekenen van nevenwerkzaamheden die een fulltime predikant verricht, zijn regelingen getroffen in de generale regeling voor de predikantstraktementen (art. 26-3, zie § 5.6.2). Vergelijkbare bepalingen over nevenwerkzaamheden van kerkelijk werkers zijn te vinden in de G.R. rechtspositie medewerkers, art. 11.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.1

5.10.1 Emeritaat

Een predikant kan op verschillende gronden emeritaat ontvangen (ord. 3-25-1). De meest voorkomende is dat hij of zij de leeftijd heeft bereikt die daarvoor in de generale regeling voor de predikantspensioenen is gesteld. Daar wordt als pensioenrichtdatum genoemd de eerste dag van de maand waarin de predikant 65 jaar wordt. Om tegemoet te komen aan de trend in de samenleving om te komen tot flexibele pensionering wordt in de regeling gesproken van een ‘flexibele modus’, waardoor het mogelijk wordt de pensioendatum te vervroegen of uit te stellen. Men kan op zijn vroegst op de 60e verjaardag met emeritaat gaan en op zijn laatst bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd (G.R. predikantspensioenen, art. 9-4). Uiteraard heeft een vroegere of latere pensioendatum invloed op de hoogte van de pensioenuitkering. In ord. 3-25-1 is echter wel vastgelegd dat het bereiken van de 65-jarige leeftijd verplicht tot emeritaat leidt, tenzij de predikant en de kerkenraad samen een ander tijdstip afspreken. De predikant heeft dus niet zonder meer een recht om na de 65e verjaardag als predikant aan de gemeente verbonden te blijven.

Daarnaast wordt de mogelijkheid van invaliditeitspensioen genoemd. Ook daarvoor zijn de nodige regelingen getroffen in de generale regeling. Het is het breed moderamen van de classicale vergadering of de kleine synode die de emeritusverklaring afgeeft.

Alle overige aangelegenheden, met name die het pensioen betreffen, worden geregeld in de generale regeling (zie § 5.6.3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.2

5.10.2 Ontheffing op eigen verzoek

Zoals het artikel over de predikanten in tijdelijke dienst begon met de stelling dat predikanten voor gewone werkzaamheden beroepen worden voor onbepaalde tijd (ord. 3-18-1), zo verwoordt het artikel over ‘ontheffing op eigen verzoek’ het uitgangspunt dat het een predikant niet vrij staat het ambt neer te leggen (ord. 3-26-2). Dat men predikant is geworden, was ten diepste geen eigen beslissing (men wordt geroepen), daarom is het ook niet aan de predikant zelf om het ambt neer

|153|

te leggen. Men kan wel een verzoek indienen om eervol van het ambt ontheven te worden. Het is de kerk die dat eervol ontslag kan verlenen.

 

Ord. 3-26 houdt er rekening mee dat er verschillende situaties zijn die tot een verzoek om ontheffing kunnen leiden.

Het verzoek kan zijn ingegeven doordat de predikant overgaat ‘tot een andere staat des levens’, zoals dat vroeger werd genoemd. Met andere woorden: doordat de predikant een taak of opdracht buiten de kerk aanvaardt of een dienstverband aangaat waaraan geen predikantschap met bijzondere opdracht (ord. 3-23) kan worden verbonden.

Denkbaar is ook dat iemand het ambt voor een aantal jaren neerlegt, om voor het gezin te kunnen zorgen of een andere taak te vervullen. In dat geval is hij of zij niet in staat (op dit moment) een beroep in overweging te nemen en wordt de predikant dus ook niet ‘beroepbaar predikant’. Men behoudt in dat geval wel de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten (ord. 3-27-2).

Een andere mogelijkheid is dat iemand verzoekt van het ambt ontheven te worden omdat de partner werk elders heeft gevonden en verhuizing noodzakelijk is of omdat het werk in de huidige gemeente te zwaar is geworden of te veel spanningen oplevert (ord. 3-20-2). In dat geval legt de betrokkene het ambt ter plaatse neer, om uit te zien naar een andere standplaats. In dat geval verkrijgt men voor een periode van vier jaar de status van ‘beroepbaar predikant’ (zie § 5.6), uiteraard met de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.3

5.10.3 Bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten

De bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten moet onderscheiden worden van de bevoegdheid om voor te gaan in een kerkdienst of om een kerkdienst te leiden, waarvan ord. 5-5 spreekt (zie § 7.6). In ord. 3-27 gaat het uitsluitend over de bevoegdheid van voormalige predikanten van de Protestantse Kerk in Nederland. Als ze emeritus predikant zijn geworden, ontvangen ze daarbij de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten zonder meer, zonder tijdsbeperking. Wie ‘beroepbaar predikant’ is geworden houdt deze bevoegdheid zolang men deze status bezit.

Wie eervol van het ambt ontheven is en geen beroep in overweging kan nemen (dus geen ‘beroepbaar predikant’ is), behoudt de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten voor een periode van vier jaar (ord. 3-27-2).

Iedereen die de bevoegdheid heeft ontvangen voor een bepaalde periode, of voor wie de bevoegdheid verloopt (bijvoorbeeld van een ‘beroepbaar predikant’ bij wie na vier jaar deze status niet wordt verlengd), kan het breed moderamen van de classicale vergadering vragen de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten te verlengen, telkens voor een periode van vier jaar (ord. 3-27-3).

|154|

In alle gevallen is de kleine synode bevoegd de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten in te trekken of te beperken als het belang van de kerk daarmee gediend is (ord. 3-27-7). Dat voor een dergelijke maatregel instemming van het generale college voor de ambtsontheffing vereist is, maakt duidelijk dat deze bepaling ligt in het verlengde van ord. 3-21 en dat gedacht moet worden aan ongeschiktheid om de kerk langer met stichting te dienen.

 

Ord. 3-27-5 maakt duidelijk dat dienstdoende predikanten, beroepbare predikanten en zij die de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten hebben behouden, niet alleen bevoegd zijn ambtelijke taken in de eredienst uit te oefenen. Ze kunnen door een kerkenraad ook worden aangesteld om andere taken in de gemeente (hier aangeduid als ‘hulpdiensten’) te verrichten. De G.R. predikantstraktementen stelt daaraan wel een beperking: de omvang van de aanstelling mag niet meer zijn dan een derde van de volledige werktijd, behalve als de predikant tijdelijk afwezig is (art. 37-2).

In ord. 3-27-6 worden de mogelijkheden voor een kleine gemeente (met minder dan 300 leden) nog wat uitgebreid. Daar mag een emeritus predikant of een be-roepbaar predikant worden aangesteld, waarbij de beperking tot een derde van de volledige werktijd niet geldt (G.R. predikantstraktementen, art. 37-2). Er wordt nu ook niet gesproken van hulpdiensten maar van een bevoegdheid om 'het dienstwerk van een predikant te verrichten'. Men wordt weliswaar niet als de plaatselijke predikant beroepen en bevestigd, maar men is wel bevoegd de taken van de predikant uit te oefenen. Al wordt in de bepaling verwezen naar ord. 3-9-1, toch moeten we ervan uitgaan dat de emeritus of beroepbaar predikant niet kan worden afgevaardigd naar een meerdere vergadering. Wie het dienstwerk waarneemt, is immers strikt genomen geen lid van de kerkenraad, maar woont de vergaderingen bij als adviseur. Bij een dergelijke aanstelling zijn de volgende bepalingen van belang.
- De bepaling kan niet worden toegepast op iemand die (uitsluitend) de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten heeft behouden. Zo iemand kan wel de opdracht krijgen tot het verrichten van hulpdiensten, als bedoeld in ord. 3-27-5.
- Om te mogen komen tot een aanstelling om het dienstwerk van een predikant te verrichten, is instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist. Dat zal beoordelen of een dergelijke benoeming noodzakelijk en in het belang van de gemeente is. De regel blijft immers dat elke gemeente zo mogelijk haar eigen predikant beroept.
- Een dergelijke benoeming is getermineerd: ze geldt voor een periode van tenminste twee en ten hoogste vier jaar. Daarna kan worden bezien of opnieuw een dergelijke benoeming nodig is, of dat wellicht andere kerkordelijke mogelijkheden moeten worden overwogen.
- Het breed moderamen van de classicale vergadering kan ook een gemeente

|155|

met meer dan 300 leden toestemming geven om van deze bepaling gebruik te maken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.10.4

5.10.4 Terugkeer in het ambt

Wie op eigen verzoek ontheffing van het ambt heeft aangevraagd en eervol ontheven is (ord. 3-26-1) en daarbij de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten heeft behouden (ord. 3-27-2), kan bij de kleine synode een verzoek indienen om weer beroepbaar te worden gesteld (ord. 3-27-4). De kleine synode is bevoegd om aan de beroepbaarstelling voorwaarden te verbinden. Wanneer het langere tijd geleden is dat men als predikant een gemeente heeft gediend, zou bijvoorbeeld een periode van werkbegeleiding zinvol kunnen zijn.

Niet geregeld is hoe gehandeld moet worden als iemand eervol van het ambt ontheven is maar niet langer de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten bezit. Het breed moderamen van de classicale vergadering kan deze bevoegdheid wel verlengen maar niet verlenen (ord. 3-27-3). Als alle bevoegdheden vervallen zijn, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat het opnieuw toekennen van deze bevoegdheid niet mogelijk is. Als iemand daarvoor toch een verzoek zou indienen, zou het breed moderamen van de classicale vergadering allereerst moeten nagaan waarom de bevoegdheid niet was verleend of verlengd en moeten overwegen of naar zijn oordeel het belang van de kerk gediend is met het (opnieuw) toekennen van deze bevoegdheid. Vervolgens zou het verzoek, met advies van het breed moderamen, aan de kleine synode kunnen worden voorgelegd; dat kan desgewenst het generale college voor de toelating tot het ambt van predikant (ord. 13-17) inschakelen.

Wanneer het ambt is neergelegd zonder dat ontheffing op eigen verzoek is aangevraagd, staat alleen de weg van het colloquium open (ord. 13-19). Dan heeft iemand het ambt neergelegd tegen alle kerkelijke regels in en is een nieuw 'gesprek over de roeping van betrokkene en over het ambt van predikant in het geheel van het leven en werken van de kerk' (ord. 13-19-2) op zijn plaats. Datzelfde geldt als een verzoek tot het verlenen of verlengen van de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten is geweigerd, omdat het breed moderamen van de classicale vergadering blijkbaar van oordeel was dat het belang van de kerk met het verlenen van deze bevoegdheid niet was gediend.

Na ontzetting uit het ambt (ord. 10-9-7 sub d) is terugkeer in het ambt slechts mogelijk als dit middel van kerkelijke tucht wordt opgeheven door het college van het opzicht dat het middel van ontzetting uit het ambt had toegepast. Het kan daar pas toe overgaan als berouw gebleken is en verzoening met de gemeente totstandgekomen is (ord. 10-9-9). Als het middel van kerkelijke tucht is opgeheven, staat de weg naar het ambt van predikant voor de betrokkene dus weer open. Het ligt voor de hand dat daarbij in de lijn van ord. 3-27-4 wordt gehandeld en dat betrokkene op diens verzoek door de kleine synode, al dan niet onder voorwaarden, beroepbaar wordt gesteld.

|156|

Wie na een leertuchtprocedure van het ambt ontheven is, kan door de generale synode beroepbaar worden gesteld als betrokkene verklaard heeft het oordeel van de kerk alsnog te aanvaarden en belooft zich te zullen bewegen in de weg van het belijden van de kerk (ord. 10-15-8).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 5.11

5.11 De kerkelijke medewerkers

Ord. 3-28 handelt uitsluitend over de rechtspositie van de kerkelijke medewerkers. De inhoudelijke beschrijving van hun taken en hun positie in de gemeenten en in de kerk is te vinden in ord. 3-12 t/m 14 (zie § 5.5 t/m 5.5.5).

De rechtspositieregeling van de kerkelijke medewerkers wordt kortheidshalve aangeduid als de G.R. rechtspositie medewerkers en is van toepassing op drie categorieën:
- op de predikanten in algemene dienst (daarmee worden ze overigens niet gelijk gesteld met de kerkelijke medewerkers, zie § 5.8);
- op hen die als kerkelijk werker in een dienst zijn gesteld, waarbij een arbeidsovereenkomst is gesloten (daar vallen dus ook onder degenen die in een bediening zijn gesteld, zie § 5.5.1 en 5.5.2);
- op hen die in een andere functie aangesteld zijn als kerkelijke medewerker (zie § 5.5.6).

 

In ord. 3-28-2 moet het onderscheid tussen de benoeming en de aanstelling in het oog worden gehouden.

De benoemende instantie bepaalt wie straks deze taak als kerkelijke medewerker gaat vervullen. Als vuistregel geldt dat het recht van benoeming toekomt aan de instantie waarvoor de medewerker zijn of haar werkzaamheden gaat verrichten en onder wiens verantwoordelijkheid deze valt. Zo wordt een medewerker op het kerkelijk bureau benoemd door het college van kerkrentmeesters (ord. 11-2-7 sub c) en een medewerker op het bureau van de diaconie door het college van diakenen (ord. 11-3-4 sub c). Van de kerkmusicus (ord. 5-6-2) en de koster (ord. 5-7-2) wordt nadrukkelijk bepaald dat ze worden benoemd door de kerkenraad. Wie als kerkelijk werker (ord. 3-12-3) in een dienst wordt gesteld, wordt geroepen en benoemd door de kerkenraad. Dat geldt dus ook van een kerkelijk werker in diaconale dienst.

De benoemende instantie valt niet in alle gevallen samen met de instantie die de aanstelling verricht. Voor de aanstelling is namelijk een (kerkelijke) rechtspersoon vereist die de arbeidsovereenkomst afsluit. De kerk kent vijf rechtspersonen: op het plaatselijke vlak de gemeente en de diaconie, op het bovenplaatselijke vlak de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en de kerk. Bovendien bezit de dienstenorganisatie, als kerkelijke instelling overeenkomstig ord. 11-26, rechtspersoonlijkheid.

De instanties die de rechtspersonen vertegenwoordigen, verrichten de aanstelling

|157|

en fungeren als werkgever in arbeidsrechtelijke zin (ord. 3-28-3). Plaatselijk zijn het college van kerkrentmeesters (ord. 11-2-7 sub e) en het college van diakenen (ord. 11-3-4 sub e) aangewezen om voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden zorg te dragen en dus de aanstelling te verrichten en als werkgever op te treden. 

Voor de medewerkers van de dienstenorganisatie (het LDC, de RDC’s en Centrum Hydepark) geschiedt de aanstelling door het bestuur van de dienstenorganisatie, dat zorg draagt voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de dienstenorganisatie en fungeert als opdrachtgever voor de medewerkers (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2).

 

De rechtspositieregeling wordt in ord. 3-28 slechts globaal aangegeven. De uitwerking is te vinden in de generale regeling voor de rechtspositie van kerkelijke medewerkers. In ord. 3-28-5 wordt aangegeven hoe deze regeling en de uitvoeringsbepalingen totstandkomen of gewijzigd worden.

In de generale regeling worden de samenstelling en bevoegdheid van het georganiseerd overleg geregeld (art. 2 en 3). Er zijn bepalingen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst opgenomen (art. 4 t/m 8). Nadat een groot aantal bepalingen aangaande de arbeidsvoorwaarden die voor alle medewerkers gelden, zijn besproken (art. 9 t/m 26), zijn vooral de artikelen over het individueel klachtrecht en de geschillenregeling van belang (art. 27 en 28). De generale regeling telt in totaal 33 artikelen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H6

158-191

|158|

6 De ambtelijke vergaderingen

 

Ord. 4 over de ambtelijke vergaderingen moet worden gelezen tegen de achtergrond van art. VI (zie daarover § 1.2.4). Ze geeft allereerst een aantal algemene bepalingen. In de volgende hoofdstukken van ord. 4 worden achtereenvolgens de kerkenraad (hoofdstuk II), de classicale vergadering (hoofdstuk III), de evangelisch-lutherse synode (hoofdstuk IV) en de generale synode (hoofdstuk V) besproken. Zie voor een overzicht van de ambtelijke vergaderingen en hun samenstelling het organigram in de bijlagen (bijlage 1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1

6.1 Algemeen

In het eerste hoofdstuk heeft een aantal van de algemene bepalingen speciaal betrekking op de ambtelijke vergaderingen, terwijl andere een bredere werking hebben. Zo gelden de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming ook voor andere kerkelijke lichamen, terwijl de plicht tot geheimhouding niet tot de ambtsdragers beperkt is.

In ord. 4-1-1 wordt er aan herinnerd dat aan de ambtelijke vergaderingen de leiding in de kerk is toevertrouwd, maar wordt met name onderstreept dat ze zich daarbij niet als ‘machtsorganen’ behoren te gedragen. Er wordt iets gezegd over de stijl van werken in de ambtelijke vergaderingen. Er wordt geluisterd naar de Schrift en naar elkaar. We proberen elkaar niet te overtroeven, maar de eenheid en de vrede te dienen.

In ord. 4-1-2 wordt opnieuw benadrukt dat in de ambtelijke vergaderingen een goede balans bewaard moet worden tussen de verantwoordelijkheid die men in de vergaderingen gemeenschappelijk draagt en de bijzondere verantwoordelijkheid die aan elk van de drie ambten is toevertrouwd (zie daarover ook ord. 3-8-1 en § 5.4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.1

6.1.1 Geheimhouding

In de kerk moet men elkaar kunnen vertrouwen. Dat is van essentieel belang voor het pastoraat, voor diaconale hulpverlening, voor alle situaties waarin vertrouwelijke zaken aan de orde komen. Daarom is de bepaling over de geheimhouding breed geformuleerd.

Het gaat om zaken die een vertrouwelijk karakter dragen. Het is niet mogelijk in een regeling nauwkeuriger aan te geven welke zaken dat zijn. Dat vraagt fijngevoeligheid. Maar het is van groot belang dat we in de kerk zorgvuldig omgaan met persoonlijke gegevens. Men moet zich veilig kunnen voelen in wat men aan anderen toevertrouwt.

|159|

De geheimhoudingsplicht geldt niet alleen dienstdoende ambtsdragers, maar blijft ook van kracht nadat ze hun ambt hebben neergelegd. Ze geldt bovendien voor alle anderen die binnen kerk of gemeente een dienst of functie vervullen, een opdracht uitoefenen of een taak waarnemen (zie § 5.5.2).

Als in ord. 4-2-1 de uitdrukking ‘ter kennis komen’ wordt gebruikt, wordt daarmee aangegeven dat de plicht tot geheimhouding niet alleen betrekking heeft op wetenschap die men onder de belofte van geheimhouding heeft verkregen, maar zich ook uitstrekt over iets dat men ‘toevallig’ heeft gehoord of over informatie die door anderen is verstrekt. Als het daarin gaat over zaken die kennelijk een vertrouwelijk karakter dragen, is geheimhouding geboden.

Specifieke bepalingen met betrekking tot de bescherming van geregistreerde gegevens zijn te vinden in de generale regeling ledenregistratie (art. 3-5 t/m 7). De registratie moet uit het oogpunt van de bescherming van de privacy voldoen aan de Wet bescherming persoonsgegevens. In de registers van de gemeente mogen kerkelijke gegevens dan ook alleen worden opgenomen voorzover daarmee de geheimhouding niet wordt geschonden (G.R. ledenregistratie, art. 7-1). Zie over deze regeling ook § 4.2.

De vraag of en in hoeverre het ambtsgeheim ‘gedeeld’ kan worden — bijvoorbeeld in een pastoraal beraad binnen de kerkenraad — wordt door de kerkordelijke regels niet beantwoord. In het algemeen zal daarvoor eerst van de betrokkene toestemming verkregen moeten worden. Er wordt in de bepalingen evenmin aangegeven of er in sommige situaties ook sprake zou kunnen zijn van een meldingsplicht, bijvoorbeeld bij vermoeden van kindermishandeling. Het is duidelijk dat de plicht tot geheimhouding zwaar moet wegen, maar er kan niet zonder meer van een absolute geheimhoudingsplicht worden gesproken. In sommige situaties zal men een beslissing moeten nemen waarbij men belangen tegen elkaar afweegt: enerzijds het belang van geheimhouding en anderzijds het belang van de bescherming van een slachtoffer dat zich niet verweren kan.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.2

6.1.2 Meerdere vergaderingen

Hoewel ze al in art. VI-11 worden genoemd, wordt hier pas aangegeven wat onder het begrip ‘meerdere vergaderingen’ moet worden verstaan: het zijn alle ambtelijke vergaderingen behalve de kerkenraad of algemene kerkenraad.

De meerdere vergaderingen in de Protestantse Kerk in Nederland zijn dus:
- de classicale vergadering en de algemene classicale vergadering,
- de evangelisch-lutherse synode en
- de generale synode.

Een kenmerk van de ambtelijke vergaderingen is dat daarin de drie ambten bijeen zijn: predikanten, ouderlingen en diakenen. Daarin onderscheiden ambtelijke vergaderingen zich van andere vergaderingen waarin ambtsdragers bijeenkomen, zoals bijvoorbeeld de werkgemeenschappen van predikanten en de colleges

|160|

van diakenen en van kerkrentmeesters. Een kenmerk van de meerdere ambtelijke vergaderingen is bovendien dat ze worden gevormd door afgevaardigde ambtsdragers. Omdat ze afgevaardigd zijn, vertegenwoordigen ze in zekere zin de vergadering die hen gezonden heeft. Als in de classicale vergadering de afgevaardigden van de kerkenraden aanwezig zijn, zijn als het ware de kerkenraden zelf samengekomen voor onderling beraad en besluitvorming.

Toch zijn de leden van de meerdere vergaderingen niet in de eerste plaats vertegenwoordigers. Ze komen als ambtsdragers bijeen. Daarom handelen ze ‘zonder last of ruggespraak’ (ord. 4-3-2). Ze nemen beslissingen zonder eerst de ‘achterban’ te moeten raadplegen. Ze hebben een eigen ambtelijke verantwoordelijkheid. Een ambtelijke vergadering kan de afgevaardigden die door haar worden gekozen niet opleggen hoe ze stemmen moeten.

 

Er wordt wel gevraagd of de algemene classicale vergadering tot de meerdere vergaderingen moet worden gerekend. Ze wordt immers niet met zoveel woorden genoemd in art. VI-2, waar de ambtelijke vergaderingen worden opgesomd. Deze vraag is steeds als volgt beantwoord: de algemene kerkenraad en de wijk-kerkenraden worden niet afzonderlijk als ambtelijke vergadering genoemd in art. VI-2, omdat ze beide worden beschouwd als een verschijningsvorm van het ‘verzamelbegrip’ kerkenraad.

Zo is de algemene kerkenraad in een gemeente met wijkgemeenten een eigen gestalte van de kerkenraad: een kerkenraad voor de gemeente als geheel, met eigen — zij het beperkte — ambtelijke verantwoordelijkheden, gevormd door leden die uit hun midden door de wijkkerkenraden zijn aangewezen. Op dezelfde wijze is de algemene classicale vergadering voor een grotere regio een eigen gestalte van de classicale vergadering: met eigen — zij het beperkte — ambtelijke verantwoordelijkheden die het gehele gebied betreffen, gevormd door leden die uit haar midden door de classicale vergaderingen zijn aangewezen.

Maar zoals de algemene kerkenraad niet de meerdere vergadering is van de wijkkerkenraden (hij bestaat niet uit ‘afgevaardigden’ van de wijkkerkenraden, de leden van de algemene kerkenraad worden aangewezen door de wijkkerkenraden, aldus ord. 4-9-2), zo is ook de algemene classicale vergadering niet de meerdere vergadering van de classicale vergadering (de leden worden aangewezen door de classicale vergadering, aldus ord. 4-19-2). Ten opzichte van de kerkenraden is de algemene classicale vergadering echter wel een meerdere vergadering. De kleine kerkenraad en de kleine synode worden aangeduid en zijn te beschouwen als een breed moderamen (resp. ord. 4-10-1 en ord. 4-27-4) en oefenen net als de overige brede moderamina ambtelijke taken uit omdat de leden deel uitmaken van de ambtelijke vergadering die hen heeft gekozen. Zij hebben als breed moderamen eigen beslissingsbevoegdheden ontvangen.

 

De bijeenkomsten van de meerdere vergaderingen zijn in principe openbaar (ord.

|161|

4-3-3). Als daar aanleiding toe is, kan men ‘in comité’ (dus achter gesloten deuren) vergaderen, bijvoorbeeld als er vertrouwelijke zaken aan de orde zijn of als er gesproken moet worden over personen. Bij de brede moderamina is het tegenovergestelde het geval: daar zijn de vergaderingen in principe niet openbaar. Zij kunnen echter besluiten leden van de kerk tot de vergadering toe te laten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.3

6.1.3 Kerkelijk lichaam

In de ordinanties is veelvuldig sprake van een kerkelijk lichaam (zie ook art. XIV-2). Onder kerkelijke lichamen worden niet alleen de ambtelijke vergaderingen verstaan, maar ook alle andere organen en colleges die in de kerkorde worden genoemd en alle vaste en tijdelijke commissies die door de kerkelijke organen en colleges zijn ingesteld.

Een (tijdelijke) restauratiecommissie die door het college van kerkrentmeesters is ingesteld, is dus evenzeer een kerkelijk lichaam als de generale synode. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs valt er net zo goed onder als de taakgroep eredienst van een gereformeerde kerk of de commissie jeugdwerk van een hervormde gemeente.

Het belang van deze bepaling is dat daarmee de regelingen van al deze kerkelijke organen en instanties onder de werkingssfeer van het kerkrecht worden gebracht (ord. 4-4-2): zij hebben zich bijvoorbeeld te houden aan de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming (ord. 4-5) en zijn onderworpen aan de kerkelijke rechtspraak (ord. 12-3-1).

Ord. 4-4-3 geeft aan dat het lidmaatschap van een kerkelijk lichaam automatisch eindigt als niet langer wordt voldaan aan de kerkordelijke voorwaarden die aan dat lidmaatschap worden gesteld. Een voorbeeld: de leden van een regionaal college voor het opzicht worden benoemd uit de predikanten en ouderlingen van de betreffende regio. Als een predikant-lid verhuist naar de andere kant van het land, of als de ambtstermijn van een ouderling-lid is verstreken, vervalt daarmee automatisch hun lidmaatschap van het college (behalve natuurlijk wanneer op de ouderling ord. 3-7-3 wordt toegepast).

 

Ord. 4-4 geeft een brede omschrijving van kerkelijke lichamen, zodat vrijwel alle organen of bijeenkomsten waarin kerkelijke bevoegdheden worden uitgeoefend, daaronder vallen. Er zijn twee uitzonderingen:
- een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden geldt niet als kerkelijk lichaam; de gemeentevergadering moet veelmeer worden beschouwd als een incidentele bijeenkomst onder leiding van de kerkenraad;
- een stichting wordt niet als een kerkelijk lichaam beschouwd: ze wordt geregeerd door haar eigen statuten en niet door de kerkorde. Overigens worden aan een protestantse stichting in de generale regeling stichtingen, art. 3, voorwaarden gesteld waardoor een aantal kerkordelijke bepalingen op een protestantse stichting wel van toepassing is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.1.4

|162|

6.1.4 Besluitvorming

In ord. 4-5 is een aantal voorschriften met betrekking tot besluitvorming in kerkelijke lichamen opgenomen. Omdat een gemeentevergadering niet wordt beschouwd als kerkelijk lichaam (zie boven) gelden deze voorschriften dus niet (zonder meer) voor bijeenkomsten waarin de verkiezing van ambtsdragers plaatsvindt. In de plaatselijke verkiezingsregeling kunnen overigens ord. 4-5-2 en 3 wel van toepassing worden verklaard (zie § 5.1.1).

In ord. 4-5 is de eerste zin misschien wel de belangrijkste: om een besluit te kunnen nemen wordt er eerst overlegd en gezocht naar overeenstemming. Dat hangt samen met het kerkelijk karakter waarover bij ord. 4-1 is gesproken. De beste besluitvorming is die waarbij niet gestemd hoeft te worden omdat er overeenstemming is bereikt.

In de praktijk zal dat niet altijd mogelijk zijn: in de kerk moeten we dan op een ordelijke manier met verschillen van inzicht omgaan. De meerderheid heeft zoveel mogelijk rekening te houden met de gevoelens van de minderheid, maar op een gegeven moment zal een besluit moeten vallen, waarbij met meerderheid van stemmen wordt beslist. Daarbij is een gewone of enkelvoudige meerderheid voldoende, dus elk percentage boven de 50 (de kerkorde kent niet de regel dat een meerderheid van ‘de helft plus één’ vereist is).

In enkele gevallen is er sprake van een dermate zwaarwegend besluit dat de kerkorde uitdrukkelijk een gekwalificeerde meerderheid van twee derde van de uitgebrachte (geldige) stemmen voorschrijft (art. XVIII-5, ord. 1-4-2, ord. 1-5-7, ord. 3-21-1 en ord. 10-10-2). In ord. 3-4-6 wordt een twee derde meerderheid voorgeschreven om een voldoende draagvlak voor het beroepen van een predikant te waarborgen.

Blanco stemmen tellen bij het bepalen van de uitslag niet mee, zodat er geen feitelijk verschil is met ‘zich onthouden van stemming’. Bij een gewone stemming door 18 aanwezigen geldt bij de uitslag ‘7 voor, 6 tegen, 5 blanco’ het besluit dus als wettig genomen. In de kerk hoort overigens het uitgangspunt te zijn dat alle leden hun stem uitbrengen. Er moeten zwaarwegende redenen zijn om zich van stemming te onthouden: door het uitbrengen van een stem delen we in de verantwoordelijkheid voor de besluitvorming.

 

In principe wordt over zaken mondeling gestemd en over personen schriftelijk. Maar bij stemming over zaken kan om schriftelijke stemming worden gevraagd, bijvoorbeeld als de zaken erg gevoelig liggen. Over personen kan niet mondeling worden gestemd, behalve als er geen tegenkandidaten zijn en niemand bezwaar heeft tegen een benoeming ‘bij acclamatie’. Als de stemmen twee keer staken, is het besluit verworpen of is (als de vergadering slechts de keuze uit één kandidaat heeft) de kandidaat niet benoemd. Als er keuze is tussen twee of meer kandidaten en — na eventuele tussenstemmingen — de stemmen blijven staken, beslist het

|163|

lot. Vroeger gaf in een dergelijke situatie meestal de leeftijd de doorslag en werd de oudste verkozen verklaard. Maar ook de verkiezing door het lot heeft goede bijbelse papieren (Hand. 1: 26).

Een voorbeeld hoe een verkiezing kan plaatsvinden als er meer kandidaten zijn dan er verkozen moeten worden, is te vinden in § 5.3.2.

 

Ord. 4-5-4 regelt het quorum. Er kan pas een wettig besluit genomen worden als in de vergadering van een kerkelijk lichaam het vereiste quorum aanwezig is. Tenminste de helft van het aantal leden, zoals dat is vastgesteld, moet ter vergadering aanwezig zijn. Het aantal leden van een (wijk)kerkenraad wordt vastgesteld bij besluit van de (wijk)kerkenraad zelf (ord. 4-6-3). Het is voor het vaststellen van het aantal leden van de (wijk)kerkenraad van belang dat er rekening gehouden wordt met het feit dat dit aantal consequenties heeft voor het vaststellen van het quorum. Bij het vaststellen van het aantal worden de boventallige leden steeds meegeteld. Zij hebben immers ook stemrecht.

Het vastgestelde aantal leden van de overige ambtelijke vergaderingen blijkt in de regel uit het rooster waarin wordt vastgelegd welk ‘type’ ambtsdrager moet worden aangewezen of afgevaardigd.

Zie voor het rooster
- van de algemene kerkenraad: ord. 4-9-2;
- van de classicale vergadering: ord. 4-14-3;
- van de algemene classicale vergadering: ord. 4-19-2;
- van de generale synode: ord. 4-25-3.

De evangelisch-lutherse synode telt 36 leden (ord. 4-22-2).

Door toepassing van aanvullende bepalingen kan het vastgestelde aantal leden overigens soms groter zijn dan het rooster van afvaardiging aangeeft. Ord. 3-4-8 en ord. 3-6-7 geven aan de algemene kerkenraad de mogelijkheid om boventallige leden te verkiezen. Ord. 4-14-1 maakt het de classicale vergadering mogelijk zelf enkele predikanten tot lid te benoemen; door toepassing van ord. 4-25-5 kan het aantal synodeleden met ten hoogste tien toenemen.

In een algemene kerkenraad die volgens de plaatselijke regeling uit 18 ambtsdragers moet bestaan, moeten dus tenminste 9 leden aanwezig zijn, ook als men met een flink aantal hardnekkige vacatures te kampen heeft.

Op een vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden met het oog op de verkiezing van een predikant is de quorumbepaling niet van toepassing, omdat deze vergadering niet geldt als een kerkelijk lichaam (zie § 5.2.2 en § 6.1.3).

Als het quorum niet aanwezig is, kan een besluit over het voorstel pas op zijn vroegst twee weken later worden genomen, in een volgende vergadering die afzonderlijk wordt geagendeerd. In die volgende vergadering kan een besluit worden genomen zelfs als minder dan de helft van het aantal leden aanwezig is. Op deze wijze wordt voorkomen dat een aanzienlijk deel van de vergadering zou worden overrompeld met een besluitvorming die door dat deel ongewenst wordt

|164|

geacht, maar wordt het ook mogelijk gemaakt uiteindelijk tot besluitvorming te komen ook als er van hardnekkig absenteïsme sprake is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2

6.2 De kerkenraad

Ord. 4-6 zet in met een aantal fundamentele uitgangspunten:
- elke gemeente heeft een kerkenraad; binnen de Protestantse Kerk in Nederland is geen gemeente denkbaar zonder kerkenraad, al hoeven ze niet allemaal dezelfde omvang te hebben en aan dezelfde vereisten te voldoen;
- de kerkenraad wordt gevormd door de ambtsdragers van de gemeente; daarmee wordt gezegd dat alle ambtsdragers van de gemeente deel uitmaken van de kerkenraad; het is niet mogelijk om als ambtsdrager bevestigd te worden onder de voorwaarde dat men vrijgesteld wordt van het lidmaatschap van de kerkenraad;
- in de kerkenraad zijn de drie ambten aanwezig: van predikant, ouderling en diaken.

Zie voor de kerkenraad en zijn organen van bijstand het organigram in bijlage 2.

 

De hoofdregel voor de samenstelling van de kerkenraad wordt gegeven in ord. 4-6-3.

Regel is dat aan een gemeente een predikant is verbonden. Bij een gewone vacature wordt een consulent ingeschakeld die door het breed moderamen van de classicale vergadering of door het ringverband wordt aangewezen. Er zijn echter omstandigheden waardoor een gemeente voor langere tijd geen predikant kan beroepen. In dat geval zijn er ook andere voorzieningen mogelijk (bijv. ord. 3-27-5 en 6 en G.R. kerkelijk werkers, art. 7-4).

Naast de predikant telt de kerkenraad in elk geval twee ‘gewone’ ouderlingen, twee beheersouderlingen en drie diakenen. Wat de diakenen betreft: er zijn drie diakenen nodig om een college van diakenen te kunnen vormen (zoals in ord. 11-3-1 is voorgeschreven). Het college van kerkrentmeesters bestaat ook uit drie leden (ord. 11-2-2), maar één van hen kan niet-ambtsdrager zijn. Daarom volstaat ord. 4-6-3 met tenminste twee ouderlingen-kerkrentmeester. In totaal bestaat een kerkenraad dus uit minimaal 8 ambtsdragers.

Voor kleine gemeenten wordt een uitweg geboden in ord. 4-6-4. Voor hen blijkt het soms onmogelijk om zeven gemeenteleden bereid te vinden een ambt in de gemeente te vervullen. In een gemeente met minder dan 300 leden (doopleden en belijdende leden samen) kan een regeling worden getroffen waarbij met een kleiner aantal ambtsdragers wordt volstaan. In de regeling moet dan wel worden aangegeven hoe de noodzakelijke taken worden vervuld. Soms kan dat door een andere onderlinge taakverdeling (bijvoorbeeld doordat een ouderling-kerkrentmeester ook voluit een pastorale taak op zich neemt, of doordat een diaken wordt

|165|

ingeschakeld bij het huisbezoek), soms moet er voor bepaalde taken hulp van buiten worden gezocht. Er kan worden afgesproken dat er slechts één ambtsdrager naar de classicale vergadering wordt afgevaardigd, in plaats van het gebruikelijke aantal van twee (ord. 4-14-2). Voor deze regeling is medewerking en goedvinden van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist. Het breed moderamen moet dus bij de plannen worden betrokken en goedkeuring verlenen.

 

In ord. 4-6-5 is een andere situatie aan de orde. Hier is sprake van een bestuurlijk vacuüm: minder dan de helft van het reguliere aantal ambtsdragers is nog aanwezig of in functie. Iets dergelijks kan zich voordoen als (een groot deel van) de kerkenraad het ambt heeft neergelegd vanwege hevige conflicten, als van een aantal ambtsdragers de ambtsvervulling tijdelijk is opgeschort (ord. 10-9-4), als op hen een middel van kerkelijke tucht is toegepast (ord. 10-9-7 sub b t/m d), al dan niet na een procedure voor het college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-6-3).

In dat geval rust op het breed moderamen van de classicale vergadering de taak om te bepalen hoe de werkzaamheden voortgang kunnen vinden. Het pleegt daarbij overleg met de overgebleven kerkenraadsleden en het zal hen daarbij als regel zoveel mogelijk inschakelen. Maar als dat voor het herstel van de normale verhoudingen dienstig is, kan het breed moderamen ook bepalen dat bepaalde taken tijdelijk door anderen worden waargenomen.

 

Ord. 4-6 sluit af met twee praktische bepalingen: de kerkenraad kan besluiten de kerkelijk werkers die in een bediening zijn gesteld, zijn vergaderingen geheel of gedeeltelijk te laten bijwonen als adviseur. Hij kan bovendien predikanten met bijzondere opdracht die aan de gemeente verbonden zijn (bijvoorbeeld een ziekenhuispredikant die door de kerkenraad beroepen is) en andere dienstdoende predikanten die lid zijn van de gemeente (bijvoorbeeld een predikant in algemene dienst) tot lid van de kerkenraad benoemen. Deze is dan als predikant lid van de kerkenraad en heeft daarin volledig stemrecht. Het is verstandig dat de kerkenraad bij de benoeming ook de termijn en de mogelijkheid van herbenoeming vastlegt, waarbij het voor de hand ligt daarbij de gebruikelijke regelingen te volgen (dus: benoeming voor vier jaar met voor eenmaal de mogelijkheid van aansluitende herbenoeming).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.1

6.2.1 Arbeidsveld

De aanduiding van de taken van de kerkenraad in ord. 4-7-1 is niet bedoeld als een uitputtend overzicht. Dat blijkt al uit de slotwoorden van de bepaling: ‘het verrichten van alles wat verder naar de orde van de kerk van hem wordt gevraagd’. Bij die andere taken zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan de

|166|

verkiezing van de ambtsdragers, waarbij de kerkenraad een leidinggevende taak heeft. Bij sommige taken worden andere instanties ingeschakeld, zoals bij het totstandkomen van het beleidsplan waarbij het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen zijn betrokken (zie ord. 11-2-7 sub a en ord. 11-3-4 sub a). De meeste genoemde taken komen elders afzonderlijk aan de orde.

Eén van de taken wordt in ord. 4-7-2 verder uitgewerkt: het vaststellen van de plaatselijke regeling. Daarin dienen in elk geval drie regelingen te worden opgenomen:
- de regeling voor de verkiezing van ambtsdragers (zie ord. 3-2-2, besproken in §5.1.1);
- de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad (ord. 4-8-6, zie § 6.2.2);
- de beheersregeling (zie § 12.3.3). Merkwaardig genoeg zwijgen de ordinanties verder over deze regeling; zelfs in ord. 11 wordt er niet over gerept, terwijl daar wel naar de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad wordt verwezen: in ord. 11-6-4 en ord. 11-7-2.

In het ‘modellenboek’ zijn voor deze regelingen voorbeelden te vinden, voorzien van een toelichting.

De regelingen worden bij eerste vaststelling of latere wijziging opgestuurd naar het breed moderamen van de classicale vergadering. Er hoeft geen goedkeuring voor de regelingen te worden gevraagd, maar het breed moderamen kan natuurlijk wel met de kerkenraad contact opnemen als het constateert dat een regeling bepalingen bevat die in strijd zijn met de kerkorde. Zoals we al eerder zagen, hebben dergelijke bepalingen geen rechtskracht (ord. 4-4-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.2

6.2.2 Werkwijze

Een kerkenraad vergadert minstens zes maal per jaar. Een kerkenraad is niet alleen een bestuursorgaan, ook al is hem opgedragen leiding te geven aan het leven en werken van de gemeente (art. VI-4). Hij is ook een werkgemeenschap waar de gemeenschappelijke vreugden en zorgen worden besproken, waar de lijnen worden uitgezet en de taken verdeeld, waar we als ambtsdragers bemoedigd en toegerust worden.

De dagelijkse leiding berust bij het moderamen van de kerkenraad. Het moderamen wordt jaarlijks gekozen en telt tenminste drie leden: een preses (voorzitter), een scriba (secretaris) en een assessor (toegevoegd lid). Bij een grotere kerkenraad (van 12 leden of meer) een predikant, een diaken, een ouderling én een ouderling-kerkrentmeester. Bij een kleine kerkenraad zitten in het moderamen in elk geval: een predikant, een diaken en een ouderling óf een ouderling-kerkrentmeester (ord. 4-8-2).

Het is belangrijk duidelijk zicht te hebben op de bevoegdheden van een moderamen. In principe neemt een moderamen geen beleidsbeslissingen, die komen aan

|167|

de kerkenraad als ambtelijke vergadering zelf toe. Het moderamen heeft tot taak:
- het voorbereiden en leiden van de vergaderingen van de kerkenraad; daarbij valt te denken aan het opstellen van een agenda, het zorgen dat de agendapunten zo zijn voorbereid dat de vergadering daarover op een verantwoorde wijze een beslissing kan nemen, het doen van voorstellen en het doen van aanbevelingen;
- het uitvoeren van kerkenraadsbesluiten (voorzover die taak niet aan anderen is opgedragen);
- het afdoen van zaken van formele en administratieve aard; als een kerkenraad op een bepaald gebied een duidelijke beleidslijn heeft uitgezet, kan het moderamen een niet-omstreden aangelegenheid afhandelen conform het vastgestelde beleid van de kerkenraad;
- tenslotte noemt ord. 4-8-3 het afdoen van zaken die geen uitstel gedogen. Wanneer een bezwaar moet worden ingediend binnen een bepaalde termijn en de kerkenraad voor die tijd niet vergadert, is het moderamen bevoegd om namens de vergadering te handelen.

Bij de taken die bij de twee laatste gedachtestreepjes worden genoemd voegt de bepaling uitdrukkelijk toe: ‘onder verantwoording aan de kerkenraad’. Met andere woorden: in deze gevallen moet het moderamen zich achteraf wel verantwoorden ten opzichte van de kerkenraad, door verslaglegging en eventueel door aan te geven waarom een door het moderamen genomen beslissing niet kon worden uitgesteld.

 

De kerkenraad kan zich voor de taken die moeten worden verricht, laten bijstaan door commissies voor verschillende arbeidsterreinen (ord. 4-8-4). De kerkenraad stelt de commissies in en benoemt de leden. Op deze manier worden de gemeenteleden ingeschakeld om de taken waarvoor de gemeente staat te vervullen. De verantwoordelijkheid voor de arbeid blijft echter geheel bij de kerkenraad berusten. De commissies werken namelijk in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad; ze zijn ook verplicht aan de kerkenraad verantwoording af te leggen (bijvoorbeeld door een periodiek verslag van de werkzaamheden).

In ord. 4-10 wordt een bijzondere vorm van participatie van gemeenteleden mogelijk gemaakt, waarbij de kerkenraad zijn verantwoordelijkheid ten dele overdraagt aan door hem ingestelde werkgroepen (zie in § 6.2.4).

 

Het beleidsplan komt aan de orde in ord. 4-8-5. Het wordt vastgesteld voor een periode van vier jaar, maar ieder jaar wordt bekeken of het beleidsplan bijgesteld moet worden. Na vier jaar wordt een nieuw beleidsplan voorbereid. Bij het opstellen van het beleidsplan zijn niet alleen het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen betrokken. Er wordt ook overleg gepleegd ‘met alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente’. De

|168|

kerkenraad moet dus zelf bepalen welke instanties hij erbij wil betrekken. Dat zullen in de regel in elk geval de organen van bijstand (kerkenraadscommissies) zijn die bij de uitvoering van het beleid betrokken zijn, zoals een evangelisatiecommissie, een jeugdraad, een catechesecommissie, een werkgroep pastoraat en dergelijke. Het is goed als zij hun inbreng hebben bij de bezinning over de vraag op welke terreinen de gemeente de komende jaren haar prioriteiten legt.

In het beleidsplan moet in elk geval het in de gemeente gewenste beleid ten aanzien van de kerkmuziek worden vastgesteld (G.R. kerkmusici, art. 2-2).

Als het beleidsplan aan de gemeente is voorgelegd (via een publicatie) en de eventuele reacties vanuit de gemeente zijn overwogen en verwerkt, kan de kerkenraad het plan vaststellen. Als het beleidsplan tussentijds wordt gewijzigd, wordt dezelfde procedure gevolgd.

 

De kerkenraad heeft een eigen regeling voor zijn wijze van werken (ord. 4-8-6). Een aantal zaken moet daarin in elk geval worden opgenomen.
- Het convoceren en agenderen van de kerkenraadsvergaderingen. Daarin kan worden vastgelegd hoeveel dagen tevoren de leden voor de vergadering moeten worden uitgenodigd en wie de agenda vaststelt. Men kan er ook in vastleggen in welke vergadering de jaarlijkse verkiezing van het moderamen wordt gehouden.
- De wijze waarop de gemeente wordt gekend en gehoord wanneer dat volgens de kerkorde is voorgeschreven. Het ligt voor de hand in de regeling vast te leggen dat in dergelijke gevallen een gemeenteavond moet worden gehouden: op deze wijze zijn de gemeenteleden in de gelegenheid over de voorstellen die aan de orde zijn met de kerkenraad en met elkaar van gedachten te wisselen. De kerkorde sluit echter niet uit te bepalen dat het kennen en horen plaatsvindt door middel van een publicatie in het kerkblad met de mogelijkheid van schriftelijk reageren. Een schriftelijke raadpleging van de gemeente is overigens niet toegestaan als de kerkorde met zoveel woorden een beraad in de gemeente voorschrijft (zoals bijvoorbeeld in ord. 7-2-2 en ord. 5-4-1). Dan moet de gemeente direct in het bezinningsproces betrokken worden (ord. 4-8-7 slotzin).
- De wijze waarop de gemeenteleden hun mening over de begrotingen en jaarrekeningen kunnen kenbaar maken (ord. 11-6-4 en ord. 11-7-2). Zie daarover § 12.2.4.
- Tenslotte moet in elk geval in de regeling worden vastgelegd of de vergaderingen van de kerkenraad al dan niet openbaar zijn. Uiteraard blijft het altijd mogelijk als de regeling bepaalt dat de vergadering in principe openbaar is, bepaalde agendapunten achter gesloten deuren te behandelen (zie ook § 6.1.2).

In de regeling van een algemene kerkenraad moet in elk geval ook worden opgenomen een rooster voor de wijkkerkenraden voor het aanwijzen van de leden van de algemene kerkenraad (ord. 4-9-2, zie § 6.2.3). Daarbij dient tevens te worden

|169|

bepaald voor welke periode de leden worden aangewezen. Ook de regeling waarin de vorming en inrichting van de gemeente wordt neergelegd, vindt een plaats in de regeling van de algemene kerkenraad (ord. 2-16-10).

In deze regeling kan ook een nadere verdeling van taken en bevoegdheden tussen de algemene kerkenraad en de wijkkerkenraden worden opgenomen (ord. 4-9-4, zie § 6.2.3). Uit ord. 11-4-2 en ord. 11-4-4 kan worden afgeleid dat de algemene kerkenraad het aantal leden van het college van kerkrentmeesters en van liet college van diakenen bepaalt (zie § 12.3.3). Het is aan te bevelen deze aantallen vast te leggen in de regeling van de algemene kerkenraad.

 

Dat de kerkenraad de gemeente voluit serieus heeft te nemen, blijkt nog eens uit ord. 4-8-7. Bij een groot aantal ingrijpende beslissingen is de kerkenraad verplicht de gemeente daarin te kennen en daarover te horen. Die zaken gaan zozeer de gemeente als geheel aan, dat de kerkenraad daar niet over kan beslissen zonder dat de gemeente in de gelegenheid is geweest haar mening kenbaar te maken. Het blijft altijd de kerkenraad als de ambtelijke vergadering van de gemeente die beslist. Aan de gemeentevergadering wordt hier geen doorslaggevende bevoegdheid verleend. Maar de opvattingen die in de gemeente leven, wegen wel mee als de kerkenraad zijn beslissing neemt.

Concreet worden als beslismomenten waarbij de gemeente moet worden betrokken, genoemd:
- het beantwoorden van de doopvragen door doopleden (zie daarover § 8.2);
- het toelaten van doopleden tot het avondmaal (zie § 8.6);
- het verlenen van actief en passief kiesrecht aan doopleden (zie § 5.1.1);
- de wijze van verkiezing van ambtsdragers (zie eveneens § 5.1.1);
- het zegenen van andere levensverbintenissen (zie § 7.4);
- het veranderen van de aanduiding en de naam van de gemeente (bijvoorbeeld als een hervormde gemeente of een gereformeerde kerk een verzoek wil indienen om als protestantse gemeente te worden aangemerkt, zie ord. 2-12-6 en § 4.3.2);
- het voortbestaan van de gemeente, als de gemeente zich wil verenigen (ord. 2-12-1), samengevoegd wil worden (ord. 2-14) of samengebracht in een streek-gemeente (ord. 2-17);
- het aangaan van een samenwerkingsverband, zoals een federatie (ord. 2-11-6 en ord. 14-4-5) of een combinatie (ord. 2-15);
- als het kerkgebouw van de gemeente in het geding is.

Dat bij deze opsomming het aanvaarden van de ‘kinderzegening’ niet wordt genoemd, is omdat deze mogelijkheid in de kerkorde niet expliciet ter sprake komt (zie verder §7.1). Wanneer een kerkenraad daartoe zou willen overgaan, als daarvoor in het Dienstboek een orde wordt aangereikt, ligt het echter voor de hand daarbij de procedure van ord. 4-8-7 te volgen.

Op welke wijze de gemeente in bepaalde beslissingen ‘gekend en gehoord’ wordt,

|170|

is in de plaatselijke regeling vastgelegd (zie eerder in deze paragraaf). In bepaalde gevallen is uitdrukkelijk een ‘beraad in de gemeente’ voorgeschreven. Dat is het geval in ord. 7-2-2 (over de deelname aan het avondmaal) en in ord. 5-4 (zegening van andere levensverbintenissen).

Overigens is de kerkenraad alleen verplicht de gemeente op deze punten te raadplegen als hij van plan is om in de bestaande gang van zaken wijziging te brengen. Wanneer men vasthoudt aan de wijze van doen zoals die in de gemeente gebruikelijk is, hoeft de kerkenraad deze zaken niet in een gemeenteberaad ter sprake te brengen. Gemeenteleden kunnen zich niet beroepen op deze bepaling om de kerkenraad te dwingen mogelijke veranderingen in de gemeente aan de orde te stellen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.3

6.2.3 Wijkkerkenraden en algemene kerkenraad

Een gemeente met meer dan twee predikanten is in de regel ingedeeld in wijkgemeenten (ord. 2-16-1, zie § 4.3.6). Wanneer dat het geval is, heeft elke wijkgemeente haar eigen wijkkerkenraad. Daarnaast is er een algemene kerkenraad die een aantal taken die voor de gemeente als geheel van belang zijn, behartigt. Zie voor de wijkkerkenraad en de algemene kerkenraad met hun organen van bijstand het organigram in bijlage 2.

Ord. 4-9-1 zegt dat zowel op de wijkkerkenraden als op de algemene kerkenraad de bepalingen van ord. 4-6 t/m 8 van overeenkomstige toepassing zijn. Dat wil zeggen — om enkele voorbeelden te noemen — dat elk van hen een moderamen met de aangegeven taken heeft, dat zowel de wijkkerkenraad als de algemene kerkenraad een beleidsplan opstelt, dat ze elk hun eigen plaatselijke regeling hebben, dat ze kerkenraadscommissies kunnen instellen, enzovoort.

Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Ord. 4-9-4 geeft aan dat de wijkkerkenraad als de eigenlijke kerkenraad moet worden beschouwd, zoals de wijkgemeente de eigenlijke gemeente is. In principe komen alle taken en bevoegdheden van een kerkenraad, zoals die zijn aangeduid in ord. 4-7-1, aan de wijkkerkenraad toe. Daarvan zijn slechts uitgezonderd de taken die in ord. 4-9-4 uitdrukkelijk aan de algemene kerkenraad worden opgedragen.

Aan de wijkkerkenraad is dus opgedragen de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten, voor catechese en geestelijke vorming, voor diaconaat en het missionaire werk, voor pastoraat en opzicht, voor de oecumene en de zaken die in de classicale vergadering zijn behandeld.

Overigens zijn ook aan de algemene kerkenraad belangrijke taken opgedragen. Het meest in het oog springt de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden, zoals de financiën, de gebouwen en de andere bezittingen. De beheerstaken worden gezamenlijk behartigd door één college van kerkrentmeesters, zoals er ook één college van diakenen is voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconie. De begrotingen en rekeningen worden door de algemene

|171|

kerkenraad vastgesteld. De algemene kerkenraad draagt de verantwoordelijkheid voor de traktementen en vergoedingen van de predikanten (ord. 3-16-5).

Daarnaast heeft de algemene kerkenraad een coördinerende taak. In een grotere gemeente is het van belang dat er samenhang is in het beleid van de wijkkerkenraden. Maar de algemene kerkenraad kan deze taak slechts in overleg met de wijkkerkenraden uitoefenen. De algemene kerkenraad kan daarin dus alleen bindende besluiten nemen als er met de wijkkerkenraden overeenstemming is bereikt.

Als het gaat om zaken die voor de gemeente als geheel van belang zijn, heeft de algemene kerkenraad verstrekkender bevoegdheden: dan kan hij zelf voorzieningen treffen. Daarbij moet vooral gedacht worden aan voorzieningen ten behoeve van minderheden in de gemeente. Een algemene kerkenraad is bevoegd om bijvoorbeeld voor een modaliteitsgroepering een kerkenraadscommissie in te stellen met daarin een aantal ambtsdragers en kan met het oog daarop ook ambtsdragers met ‘een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente in haar geheel’ benoemen (ord. 3-6-7, zie § 5.3.2). Zo kan worden recht gedaan aan de binnen de gemeente voorkomende kerkelijke verscheidenheid.

Binnen het kader van de algemene taakverdeling zoals die in ord. 4-9-4 is aangegeven, kan in de regeling voor de wijze van werken van de algemene kerkenraad een nadere verdeling van taken en bevoegdheden worden opgenomen (zie § 6.2.2). Bij de woorden ‘voor zover in de orde van de kerk niet anders is bepaald’ kan worden gedacht aan ord. 11-4-3 en 5 waar de mogelijkheid wordt geopend dat het college van kerkrentmeesters bepaalde taken delegeert aan de wijkraden van kerkrentmeesters en van diakenen. Zie voor de regeling van de algemene kerkenraad ook § 6.2.2.

 

De algemene kerkenraad wordt gevormd door ambtsdragers die zijn aangewezen (niet: afgevaardigd, zie § 6.1.2) door de wijkkerkenraden. Een algemene kerkenraad bestaat uit minimaal tien leden: 2 predikanten, 3 ouderlingen, 2 kerkrentmeesters en 3 diakenen. Bij een grotere algemene kerkenraad worden dezelfde verhoudingen aangehouden.

De bepalingen laten open voor welke periode de leden worden aangewezen. Men kan dus in de regeling voor de wijze van werken van de algemene kerkenraad zelf bepalen of men de leden voor een periode van één of twee jaar (of langer) aanwijst. Enkele voorbeelden van een rooster voor de samenstelling van de algemene kerkenraad zijn te vinden in bijlage 6.

 

Nog twee bepalingen in ord. 4-9 vragen onze aandacht.
- De algemene kerkenraad is bevoegd ambtsdragers met een bepaalde opdracht aan te wijzen (omdat ze al ambtsdrager zijn) of zelf tot ambtsdrager te verkiezen en hen als boventallige leden aan de algemene kerkenraad toe te voegen. Deze rechtstreeks door de algemene kerkenraad aangewezen leden

|172|

mogen ten hoogste een derde van de algemene kerkenraad uitmaken. Van deze regeling in ord. 4-9-2 kan bijvoorbeeld gebruikgemaakt worden om — met het oog op een goede communicatie — de voorzitters van het college van kerkrentmeesters en van het college van diakenen aan de algemene kerkenraad toe te voegen. Deze bepaling maakt het met name mogelijk rechtstreeks een preses en/of scriba te verkiezen ofte benoemen. In dat geval worden zij niet voor de periode van één jaar gekozen tot preses of scriba, maar voor de periode tot hun ambtstermijn verstreken is.
- Als de algemene kerkenraad daartoe aanleiding ziet, kan hij een vergadering van de ambtsdragers van alle wijkgemeenten samenroepen voor informatie of beraad (ord. 4-9-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.4

6.2.4 De kerkenraad met werkgroepen

In ord. 4-10 komt de werkgroepenkerkenraad aan de orde. De bepaling maakt een andere wijze van werken in de gemeente mogelijk, waarbij de kerkenraad zijn verantwoordelijkheden deelt met gemeenteleden. Deze werkwijze werd in de vorige eeuw ontwikkeld binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland.1 Wanneer gekozen wordt voor een andere gemeentestructuur kunnen de taken en verantwoordelijkheden van de kerkenraad voor een belangrijk deel worden gedelegeerd aan werkgroepen waarin naast een of meer kerkenraadsleden ook andere gemeenteleden worden benoemd. Deze werkgroepen worden nader aangeduid als sectieteams en taakgroepen.
- Een sectieteam draagt verantwoordelijkheid voor een sectie (een geografisch onderdeel) van de gemeente. Het is mogelijk aan zo'n team niet alleen de pastorale verantwoordelijkheid voor de betreffende gemeenteleden, maar bijvoorbeeld ook de diaconale zorg toe te vertrouwen. In dat geval is het natuurlijk gewenst aan het team ook een diaken te verbinden.
- Een taakgroep draagt specifieke verantwoordelijkheid voor een taak van de gemeente. Daarbij kan worden gedacht aan de catechese of aan het vormingswerk van de gemeente. Er bestaan ook taakgroepen eredienst, werelddiakonaat, pastoraat en kindernevendienst.

Ord. 4-10-1 spreekt (evenals art. VI-6) overigens nadrukkelijk uit dat de kerkenraad zijn bevoegdheden niet definitief uit handen geeft: dat ligt besloten in de formulering 'onder behoud van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid'. Het is denkbaar dat de kerkenraad tot de uitspraak komt dat hij een besluit van een werkgroep niet aanvaardbaar vindt. In dat geval mag van de werkgroep worden verwacht dat ze het besluit in heroverweging neemt. Omdat er sprake is van delegatie van de bevoegdheid aan de werkgroep kan de kerkenraad in dat geval echter niet zelf een ander besluit nemen. Als goed overleg niet tot een oplossing leidt, zou de kerkenraad in het uiterste geval alleen de delegatie ongedaan kunnen maken. Daarom is het van belang in de regeling zorgvuldig op te nemen


[191] 1. Kerk in Perspectief (commissie gemeentestructuur GKN, 1969) en Gemeentestructuur in Perspectief (deputaatschap Gemeenteopbouw, 1982).

|173|

welke bevoegdheden de kerkenraad aan de werkgroepen delegeert.

Wanneer voor dit werkmodel wordt gekozen, wordt er onderscheid gemaakt tussen de (wijk)kerkenraad als geheel, waarvan alle ambtsdragers van de gemeente of wijkgemeente deel uitmaken, en de kleine kerkenraad. Tot de kleine kerkenraad behoren de leden van het moderamen, de predikanten van de (wijk)gemeente en een aantal ouderlingen en diakenen. Er moet voor worden gezorgd dat in elk sectieteam en elke taakgroep een lid van de kleine kerkenraad zitting heeft. Deze kleine kerkenraad wordt in ord. 4-10-1 als een breed moderamen aangeduid (zie § 6.1.2).

 

In ord. 4-10-7 wordt de verdeling van taken tussen de kerkenraad als geheel en de kleine kerkenraad (met de sectieteams en de taakgroepen) nader uitgewerkt.

De algehele leiding blijft berusten bij de kerkenraad als geheel. Daarom is aan deze kerkenraad onder meer opgedragen de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten, het raadplegen van de gemeente bij belangrijke beslissingen, het vaststellen van het beleidsplan, de zorg voor de financiën (begroting en rekening), het verkiezen van de ambtsdragers, het opzicht over de gemeenteleden. Hij vergadert daartoe tenminste vier maal per jaar. De kerkenraad mag eventueel zijn taak bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen opdragen aan de kleine kerkenraad. Dit kan overigens slechts ‘van geval tot geval’ en kan dus niet in de plaatselijke regeling worden vastgelegd.

De verantwoordelijkheden van de kleine kerkenraad zijn vooral gericht op de sectieteams en de taakgroepen. De kleine kerkenraad stelt deze werkgroepen in, benoemt de leden, geeft hun een instructie mee en toetst hun werk aan het beleidsplan.

De kleine kerkenraad, de sectieteams en de taakgroepen zijn alle gebonden aan het beleid zoals dat door de kerkenraad als geheel is vastgesteld. Maar binnen dat kader hebben zij ruimte om aan dit beleid zelf nadere invulling te geven.

 

Volgens ord. 4-10-8 kan de werkwijze van de kerkenraad met werkgroepen niet alleen worden toegepast op een (enkelvoudige) kerkenraad of een wijkkerken-raad, maar kan ook een algemene kerkenraad op deze wijze worden gestructureerd. In de praktijk ligt dat niet erg voor de hand, omdat de leden van een algemene kerkenraad veel minder met de uitvoerende taken van deze kerkenraad zijn belast.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.5

6.2.5 Gemeenschappelijke regeling

Tenzij daarvoor in een kerkordelijke bepaling met zoveel woorden ruimte wordt gemaakt, mag een ambtelijke vergadering of een kerkelijk college haar of zijn bevoegdheden niet zomaar aan anderen overdragen. In ord. 4-11 wordt — onder bepaalde voorwaarden — deze mogelijkheid geopend: kerkenraden, colleges van

|174|

kerkrentmeesters of colleges van diakenen kunnen bepaalde taken overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen commissie. De leden van deze commissie worden uit hun midden benoemd: ze dragen het werk dus niet aan anderen over, maar verrichten dat samen met anderen.

Zo wordt het mogelijk dat colleges van kerkrentmeesters gezamenlijk een kerkelijk bureau instellen, of dat kerkenraden gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de gemeenteopbouw in een VINEX-locatie dragen. Gemeenten kunnen door toepassing van deze bepaling samenwerken in een regionaal verband, om gemeenschappelijk taken die afzonderlijk hun draagkracht te boven gaan, uit te voeren. De G.R. preekconsent (art. 6-1) geeft aan dat het in een dergelijke situatie mogelijk is voor een kerkelijk werker die in de bediening is gesteld, preekconsent aan te vragen. Om er op toe te zien dat kerkenraden en colleges hun taken niet lichtvaardig uit handen geven, is bepaald dat medewerking en goedvinden van de classicale vergadering is vereist.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.6

6.2.6 Consulent en vervanging

In de kerkenraad zijn alle ambten aanwezig, stelt ord. 4-6-3. Toch kunnen er zich omstandigheden voordoen dat er geen predikant aan de gemeente of aan de wijk-gemeente verbonden is (vanwege een vacature) of dat deze niet beschikbaar is (vanwege langdurige ziekte, als de predikant op non-actief is gesteld of als er een tuchtmaatregel getroffen is).

In dat geval wordt de gemeente bijgestaan door een consulent (ord. 4-12-1). Deze wordt aangewezen door het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 4-16-6) of het ringverband (ord. 4-17-2).

Als er om andere dan de zojuist genoemde redenen behoefte is aan de begeleiding door een consulent, moet het breed moderamen of het ringverband het verzoek daartoe beoordelen.

Over de taken die door de consulent worden verricht, moeten onderling afspraken worden gemaakt. In elk geval behoren het adviseren van de kerkenraad en het begeleiden van het beroepingswerk tot diens taak. Het zal niet altijd noodzakelijk zijn dat de consulent alle vergaderingen van de kerkenraad en het moderamen bijwoont. Om te kunnen beoordelen wanneer zijn of haar aanwezigheid gewenst is, wordt de consulent wel als adviseur voor alle vergaderingen uitgenodigd en ontvangt hij of zij alle stukken.

De G.R. predikantstraktementen geeft aan dat deze werkzaamheden niet meer zullen omvatten dan gemiddeld zes uur per week (art. 36-1) en dat de consulent deze taken niet in zijn vrije tijd verricht: ze komen in mindering op de arbeidstijd in de eigen gemeente. De consulent ontvangt daarom uitsluitend een onkostenvergoeding voor zijn werkzaamheden in de vacante gemeente.

Alleen als er — in onderling overleg — meer tijd wordt besteed aan het consulentschap, krijgt de consulent daarvoor behalve de onkostenvergoeding ook een

|175|

consulentvergoeding. Als dit meer omvattende consulentschap vanwege ziekte (niet bij een langdurige vacature!) langer dan zes maanden duurt, ontvangt de gemeente van de consulent eveneens een vergoeding (G.R. predikantstraktementen, art. 36-2 en 3).

In een vacante gemeente is het de verantwoordelijkheid van de kerkenraad zelf om (bevoegde) voorgangers te zoeken voor de kerkdiensten (zie § 7.5 en 7.6). De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland kent geen regeling voor vacaturebeurten, zoals voorheen in de Nederlandse Hervormde Kerk het geval was.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.2.7

6.2.7 Kerkenraad met gedelegeerden

Zoals in § 5.7 is beschreven, kennen ord. 3-19 en 3-20 de mogelijkheid dat een predikant op non-actief wordt gesteld of zelfs wordt losgemaakt van de gemeente. Tot een dergelijke maatregel kan worden besloten als de spanningen in de gemeente het niet goed mogelijk maken verder te functioneren. Er kan zich echter ook een situatie voordoen dat het vrijstellen van de werkzaamheden of het losmaken van de predikant geen oplossing biedt. Het functioneren van de kerkenraad is zodanig verstoord dat het leven en werken van de gemeente daardoor worden ontwricht. Natuurlijk worden eerst alle andere mogelijkheden, zoals visitatie en dergelijke, beproefd. Als er niets anders overblijft, kan de generale synode op basis van ord. 4-13 uit de ambtsdragers of voormalige ambtsdragers van de kerk enkele gedelegeerden aanwijzen en verstrekkende bevoegdheden verlenen. Zij krijgen als opdracht die taken van de kerkenraad geheel of gedeeltelijk uit te voeren, die niet achterwege kunnen blijven. De gedelegeerden handelen na overleg met de kerkenraad. Zoveel mogelijk moeten de zittende ambtsdragers worden ingeschakeld om de taken die hun zijn opgedragen zelf uit te voeren. De gedelegeerden nemen pas taken over als de kerkenraad of zijn leden niet bij machte zijn die zelf naar behoren te vervullen.

 

In feite wordt met de toepassing van deze bepaling plaatselijk de noodtoestand uitgeroepen. Dat is de reden waarom alleen de generale synode tot deze uiterste maatregel kan besluiten.

Een aantal nadere bepalingen is daarbij van belang:
- de generale synode kan deze maatregel slechts nemen op verzoek van het breed moderamen van de classicale vergadering;
- dit breed moderamen legt een verzoek slechts aan de generale synode voor als er vanuit de kerkenraad of vanuit de gemeente een beroep op hem is gedaan;
- voordat de generale synode het besluit neemt, worden de kerkenraad en de gemeente door het regionale college voor de visitatie gehoord;
- de maatregel is getermineerd en geldt voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar. Mocht de situatie van ontwrichting voortduren, dan kan de generale synode eventueel besluiten tot een nieuwe periode.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3

|176|

6.3 De classicale vergadering

De classicale vergadering neemt een centrale plaats in binnen de kerk. Ze legt de verbinding tussen de plaatselijke gemeente en de landelijke kerk. Daarom is ze dikwijls aangeduid als de ‘grondvergadering der kerk’. In deze uitdrukking ligt de nadruk op de ‘kerk’: in de classicale vergaderingen komt de kerk in haar bredere verbanden tot uitdrukking.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.1

6.3.1 Samenstelling

De samenstelling van de classicale vergadering wordt geregeld in ord. 4-14. Elke kerkenraad of wijkkerkenraad vaardigt — voor vier jaar — twee leden af. Een gemeente die toestemming heeft gekregen voor een kleinere kerkenraad (ord. 4-6-4), kan volstaan met één afgevaardigde. Een rooster moet er voor zorgen dat ieder jaar een vierde deel van de afgevaardigden aftreedt en dat de samenstelling van de vergadering ongeveer uitkomt op een verhouding van 30% predikanten, 20% ouderlingen, 30% diakenen en 20% ouderlingen-kerkrentmeester. Als een predikant moet worden afgevaardigd en aan de (wijk)gemeente geen predikant voor gewone werkzaamheden verbonden is, kan in plaats van een eigen predikant of een ouderling of de consulent worden afgevaardigd (tenzij de consulent al door de eigen gemeente is afgevaardigd). Met de mogelijkheid dat ook een predikant in algemene dienst of een predikant met een bijzondere opdracht tot lid van de kerkenraad kan worden benoemd (ord. 4-6-7), was bij het opstellen van ord. 4-14-3 en 4 nog geen rekening gehouden. Aan een kerkenraad kan moeilijk het recht ontzegd worden een dergelijke predikant die lid is van zijn vergadering, als predikant af te vaardigen naar de classicale vergadering.

Een voorbeeld voor een rooster van afvaardiging naar de classicale vergadering met tien (wijk)gemeenten is te vinden in bijlage 7.

 

Voor elke afgevaardigde wordt een secundus (letterlijk: ‘tweede’) aangewezen. Deze moet aan dezelfde vereisten voldoen: de secundus van een diaken is dus ook diaken, de secundus van een ouderling-kerkrentmeester moet ouderling-kerk-rentmeester zijn. Uitzondering op deze regel is: als er in de (wijk)gemeente maar één predikant is, wordt in zijn plaats een ouderling als secundus aangewezen. De secundus vervangt de primus (letterlijk: ‘de eerste’) afgevaardigde als die verhinderd is of als er geen eerste afgevaardigde voorhanden is (‘bij ontstentenis’).

 

Behalve de gewone afgevaardigden kunnen ook anderen aan de vergadering deelnemen.
- De classicale vergadering benoemt van de predikanten met bijzondere opdracht en de predikanten in algemene dienst die binnen het ressort van de classis wonen of aan een ambtelijke vergadering binnen de classis verbonden zijn,

|177|

er twee tot lid van de classicale vergadering. Op deze manier kunnen ook deze predikanten (bij toerbeurt) deel uitmaken van een ambtelijke vergadering en kan de vergadering van hun ervaring en deskundigheid gebruikmaken (ord. 4-14-1).
- De ambtsdragers die niet zijn afgevaardigd, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden (ord. 4-14-5). De andere ambtsdragers van de tot de classis behorende gemeenten zijn niet alleen welkom als gasten, maar kunnen uitgenodigd worden als adviseurs aan de beraadslagingen deel te nemen.
- Vaste adviseurs van de vergadering zijn de afgevaardigden naar de generale synode. Die kunnen namelijk worden benoemd uit de ambtsdragers van het ressort en zijn niet altijd lid van de classicale vergadering.
- In de eigen regeling kan de classicale vergadering bepalen welke andere adviseurs aan de vergaderingen deelnemen (ord. 4-14-6).
- Omdat de vergaderingen in principe openbaar zijn, kan de vergadering door anderen als gast worden bijgewoond (ord. 4-3-3, zie § 6.1.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.2

6.3.2 Arbeidsveld

Ord. 4-15-1 laat zien dat er in de opsomming van taken van de classicale vergadering agendascheiding wordt toegepast. Een deel van de taken wordt uitgevoerd door de classicale vergaderingen zelf, een ander deel van de classicale taken voert men gezamenlijk uit in de algemene classicale vergadering.

Ook tussen de classicale vergadering en haar breed moderamen kan er van agendascheiding worden gesproken. Een deel van haar taken — vooral als die betrekking hebben op personen — oefent de classicale vergadering uit door het breed moderamen. Het is niet altijd wenselijk dergelijke aangelegenheden in de voltallige vergadering te behandelen (zie verder § 6.3.4). Aangelegenheden die vooral de gemeenten als geheel betreffen, zijn in het algemeen aan de classicale vergadering zelf opgedragen.

 

In ord. 4-15-1 worden de taken van de classicale vergadering in globale zin aangeduid. Er wordt niet alleen gewezen op het leidinggeven aan het leven en werken van de classis, het vaststellen van een beleidsplan voor het eigen werk van de classicale vergadering, het meewerken aan het activiteitenplan van het regionaal dienstencentrum (RDC) en het samenbrengen van de predikanten in werkgemeenschappen, maar ook op de taken die gericht zijn op de gemeenten enerzijds en op de kerk anderzijds.

 

De verantwoordelijkheid ten aanzien van de gemeenten krijgt op verschillende manieren gestalte. Zonder volledig te zijn, noemen we hier een aantal aandachtsvelden.

|178|

Een belangrijke taak van de classicale vergadering is het bevorderen van de saamhorigheid van de gemeenten. In de classicale vergadering ontmoeten de gemeenten elkaar en worden ze ervan doordrongen dat ze tot het bredere verband van de kerk behoren. Als gemeenten zijn we samen kerk. De classicale vergadering legt zich erop toe dat zich tussen de gemeenten, die soms zo van elkaar verschillen, een onderling besef van verantwoordelijkheid ontwikkelt. Binnen de classicale vergadering moet daarom het kerkelijk gesprek gevoerd en gestimuleerd worden.

De classicale vergadering ziet er ook op toe dat de gemeenten ‘bij de les’ blijven, dat ze hun roeping en taak nakomen en biedt hun daarbij zo nodig advies en hulp. Om de betrokkenheid van classicale vergadering en gemeenten op elkaar te versterken, behoren de afgevaardigden naar de classicale vergadering in de kerkenraad verslag uit de brengen van wat er op de vergadering is besproken en besloten.

 

Naast deze meer algemene aanduidingen zijn er in de ordinanties nog tal van bepalingen te vinden waar sprake is van een verantwoordelijkheid van de classicale vergadering voor de gemeenten. Ze zijn met name te vinden hoofdstuk III van ord. 2, waar de classicale vergadering betrokken blijkt te zijn bij de vorming van een protestantse of een nieuwe gemeente, van gemeenten van bijzondere aard en van streekgemeenten, bij het totstandkomen van een combinatie of een samenvoeging van gemeenten, bij het vaststellen van de grenzen van de gemeenten en bij het vaststellen van het aantal wijkgemeenten. De classicale vergadering speelt verder een rol bij het totstandkomen van een gemeenschappelijke regeling (ord. 4-11) en van een ringverband (ord. 4-17). Bij een groot aantal van deze besluiten moeten ook voorzieningen worden getroffen met betrekking tot de rechtsgevolgen (zie daarover § 4.4).

Om — zeker gedurende de eerste jaren na de vereniging — de classicale vergaderingen hulp te bieden bij al deze taken, is ovb. 199 opgenomen. Die maakt het een algemene classicale vergadering mogelijk een predikant van de kerk of een andere ambtsdrager uit het ressort te beroepen of te benoemen om de classicale vergaderingen en de brede moderamina de nodige ambtelijke ondersteuning te bieden. Het behoort overigens tot de reguliere taak van de dienstenorganisatie om de classicale vergaderingen bij de uitvoering van deze taken te ondersteunen (G.R. dienstenorganisatie, art. 2-1).

 

De classicale vergadering werkt met een aantal andere classicale vergaderingen samen in de algemene classicale vergadering, in het werk op het regionale niveau ten dienste van de gemeenten. Ze wijst leden voor de algemene classicale vergadering aan (ord. 4-19-2), wordt gehoord over het activiteitenplan van het RDC (ord. 4-19-1), benoemt een aantal visitatoren (ord. 10-3-1) en kan aanbevelingen doen voor regionale colleges (ord. 4-19-6, ord. 10-8-3, ord. 11-21-2, ord. 12-2-3).

|179|

Zie voor de classicale vergadering en de algemene classicale vergadering met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 3.

 

Daarnaast is de classicale vergadering gericht op de kerk in haar bredere verbanden.

Er is daarbij sprake van een wederkerige relatie met de generale synode. De classicale vergadering kan op eigen initiatief zaken die binnen de classis en de gemeenten leven, aan de synode voorleggen. De classicale vergadering is ook bevoegd tot het indienen van wijzigingsvoorstellen voor de kerkorde en de ordinanties (art. XVII-3 en XVIII-2).

Omgekeerd is de generale synode verplicht bij belangrijke vragen die betrekking hebben tot het belijden (ord. 1-4-2), het kerkboek (ord. 5-9-3), de kerkorde (art. XVI1-4 en art. XVIII-4) en de oecumene (ord. 14-4-4, ord. 14-5-1 en ord. 14-6-2) de classicale vergaderingen te raadplegen. Pas nadat de classicale vergaderingen hun consideraties (beschouwingen) hebben gegeven, kan de generale synode daarover een definitieve beslissing nemen. Op deze wijze zijn de classicale vergaderingen betrokken bij de taken van de kerk met betrekking tot confessie en kerkorde. De betrokkenheid van de classicale vergadering bij de generale synode komt ook tot uitdrukking in het voorschrift om het verslag van de afgevaardigden naar de generale synode te behandelen.

Tenslotte moeten nog genoemd worden de taken die de classicale vergadering heeft bij de behandeling van een gravamen tegen het belijden van de kerk (ord. 1-5) en bij het opzicht over de verkondiging (ord. 10-14).

 

De gemeenschappelijke taken die in het verband van de algemene classicale vergadering worden uitgevoerd zijn:
- het adviseren en toerusten van de gemeenten; daarvoor maakt de algemene classicale vergadering gebruik van het regionaal dienstencentrum;
- de kerkvisitatie; daarvoor wijzen de classicale vergaderingen elk vier visitatoren aan, die samen het regionale college voor de visitatie vormen;
- het opzicht, de behandeling van beheerszaken en de behandeling van bezwaren en geschillen; daarvoor worden zelfstandige colleges ingesteld, waarvan de leden door de algemene classicale vergadering worden benoemd.

Zie daarover verder § 6.3.7.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.3

6.3.3 Werkwijze

De classicale vergadering vergadert ten minste drie keer per jaar (ord. 4-16-1). Een extra vergadering wordt belegd op verzoek van vijf of meer kerkenraden of van de generale synode. Ieder jaar wordt in de eerste vergadering van dat jaar uit de leden van de vergadering een moderamen gekozen. Deze verkiezing staat onder leiding van de oudste afgevaardigde predikant. Het moderamen bestaat uit

|180|

ten minste drie leden: een preses, een scriba en een assessor. Er moet in elk geval een predikant in het moderamen zitten. Ord. 4-16-3 maakt het mogelijk de preses en/of de scriba ‘van buiten’ de vergadering te kiezen. Ze moeten wel ambtsdrager binnen de classis zijn. Als ze geen afgevaardigd lid van de vergadering zijn, hebben ze alleen stemrecht in het moderamen. In het breed moderamen en de classicale vergadering hebben ze een adviserende stem.

De taken en bevoegdheden van een moderamen zijn beschreven in § 6.2.2. Bij het moderamen van de classicale vergadering moet daaraan worden toegevoegd dat het moderamen een verslag van de vergadering opmaakt en dat toezendt aan de kerkenraden. Het valt op dat dit moderamen zijn taken uitvoert onder verantwoording, niet aan de classicale vergadering, maar aan het breed moderamen. Aan dit breed moderamen brengt het moderamen ook regelmatig verslag uit. Hier wordt al duidelijk dat het breed moderamen van de classicale vergadering een belangrijke plaats inneemt (zie § 6.3.4).

Ord. 4-16-7 geeft nog aan dat de classicale vergadering en het breed moderamen organen van bijstand in het leven kunnen roepen: commissies die beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende taken verrichten en verantwoording schuldig zijn aan de vergadering. Ook de classicale vergadering heeft, aldus ord. 4-16-8, een eigen regeling voor haar wijze van werken, waarin een aantal praktische zaken geregeld wordt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.4

6.3.4 Het breed moderamen

In de eerste vergadering van het jaar worden, naast de leden die het moderamen vormen, uit de vergadering ook nog enkele andere ambtsdragers (met secundus, zie § 6.3.1) gekozen. Samen vormen ze voor dat jaar het breed moderamen van de classicale vergadering. De leden zijn, zolang ze afgevaardigd zijn, onbeperkt herkiesbaar. De omvang van het breed moderamen is niet voorgeschreven. In de regel zal een breed moderamen van zeven à tien leden toereikend zijn. De verdeling van de ambten wordt wel nauwkeurig bepaald: het breed moderamen dient ongeveer voor telkens 30% uit predikanten en diakenen te bestaan en voor telkens 20% uit ‘gewone’ ouderlingen en ouderlingen-kerkrentmeester. Bij een breed moderamen van zeven leden zijn dat 2 predikanten en 2 diakenen en afwisselend 1 of 2 ouderlingen en ouderlingen-kerkrentmeester.

De taken van het breed moderamen worden in ord. 4-16-6 tamelijk summier weergegeven. Het eerste dat daarin opvalt, is de uitdrukking ‘in naam van’. Die maakt duidelijk dat het breed moderamen een andere positie heeft dan een moderamen. Het kan in bepaalde gevallen de classicale vergadering voluit vertegenwoordigen en namens die vergadering handelen. De taken die hier worden aangeduid, omvatten het leidinggeven aan het werk van de organen van bijstand, de regeling van de consulentschappen (voor zover dat niet aan een ringverband is opgedragen) en het verrichten van de taken die de classicale vergadering aan het breed

|181|

moderamen delegeert. Net als bij de classicale vergadering had eraan toegevoegd kunnen worden: ‘het verrichten van alles wat verder naar de orde der kerk van hem wordt gevraagd’. Die kerkordelijke taken zijn niet gering; daarom geven we een overzicht van de belangrijkste taken.

 

Het breed moderamen vervult met name de taken die betrekking hebben op personen.

Onder deze noemer kunnen worden samengevat alle handelingen en besluiten met betrekking tot het verkiezen van de ambtsdragers (bijvoorbeeld ord. 3-4-2, ord. 3-4-7, ord. 3-6-1, ord. 3-7-1; ord. 3-16-3; ord. 3-17-2; ord. 3-18-3), bij het beroepen van predikanten (ord. 3-5-6, ord. 3-16-3, ord. 3-17-2, ord. 3-18-3, ord. 3-11-6) of bij hun vertrek (ord. 3-5-5), bij tijdelijke vrijstelling van werkzaamheden (ord. 3-19-1), ontheffing van werkzaamheden (ord. 3-20-1), ontheffing op eigen verzoek (ord. 3-26-3), het verlengen van ambtsbevoegdheden (ord. 3-27-3), het aanstellen van een emeritus of een beroepbaar predikant in een kleine gemeente (ord. 3-27-6), het aanstellen van een kerkelijk werker met bijzondere opdracht (ord. 3-13-4) of het verlenen van emeritaat (ord. 3-25-2). De predikanten leggen een plan voor de invulling van het studieverlof voor aan het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 13-20-4).

Eenmaal wordt het breed moderamen van de classicale vergadering aangewezen als beroepsinstantie (ord. 2-5-3 sub b, als het gaat om overschrijving naar een andere gemeente).

Een aantal keren heeft het breed moderamen een taak als er voorzieningen met betrekking tot een gemeente nodig zijn: bij het aanwijzen van een gemeente tot huisgemeente (ord. 2-17-4 sub c), als een gemeente niet langer een voltallige kerkenraad kan vormen (ord. 4-6-4), als door omstandigheden meer dan de helft van de kerkenraad ontbreekt (ord. 4-6-5), als er in de gemeente van ontwrichting sprake is (ord. 4-13-1). Het ontvangt de verslagen van de visitatiebezoeken aan de gemeenten (ord. 10-5-1), neemt kennis van de plaatselijke regelingen (ord. 4-7-2) en toetst de uitspraak van een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken, wanneer het college oordeelt dat er sprake is van een niet-verantwoorde begroting of jaarrekening (ord. 11-9-2).

Verder speelt het breed moderamen een bescheiden rol in de kerkelijke rechtspraak: het ontvangt afschriften van verschillende uitspraken (ord. 10-10-4 sub d, ord. 12-7-9 sub d en ord. 12-9-4 sub f) en het kan om opheldering vragen als een regionaal college voor het opzicht in gebreke blijft, in dat geval om een voorziening vragen of zelf in beroep gaan bij het generale college (ord. 10-11-3 en 4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.5

6.3.5 Ringverbanden

Een ringverband is een facultatief samenwerkingsverband van gemeenten binnen een classis, dat op hun eigen verzoek door de classicale vergadering is ingesteld

|182|

(ord. 4-17). Een ringverband als hier bedoeld is daarom van geheel andere orde dan een ring van gemeenten, zoals die van oudsher in de Nederlandse Hervormde Kerk functioneerde.

Het ringverband van ord. 4-17 is een mogelijkheid om aan gemeenten binnen de Protestantse Kerk in Nederland die daarom vragen, een plaats te verschaffen waar zij zich samen met verwante gemeenten op basis van onderlinge herkenning kunnen bezinnen op het kerk-zijn en gemeente-zijn. Als aan de classicale vergadering consideraties worden gevraagd over vragen van belijdenis en kerkorde, kan het ringverband overwegingen daarover ter bespreking voorleggen aan de classicale vergadering.

Daarmee is al aangegeven waar in deze bepaling de spanning ligt. Het ringverband wil een legitieme plaats geven aan het beoefenen van de onderlinge verbondenheid van gemeenten die op een bepaalde wijze in de kerk staan. Er is in de Protestantse Kerk in Nederland ruimte voor deze verscheidenheid. Tegelijk mag dat niet leiden tot isolement en afzondering. De classicale vergadering heeft immers juist tot taak de saamhorigheid van alle gemeenten te bevorderen. Daarom worden de opvattingen die binnen het ringverband leven, ingebracht in de classicale vergadering (waartoe de gemeenten van het ringverband immers behoren en waarin zij ook hun bijdrage hebben te leveren).

 

Enkele nadere opmerkingen
- Het is ook mogelijk om als wijkgemeente tot een ringverband te behoren.
- In het ringverband kan eventueel een gemeente van een aangrenzende classis worden opgenomen (ord. 4-17-1).
- Als er een ringverband is ingesteld, heeft dit in elk geval tot taak de consulenten voor de aangesloten gemeenten aan te wijzen en de waarneming van het dienstwerk te regelen.
- Het ringverband brengt jaarlijks verslag uit aan de classicale vergadering, met een verantwoording van inkomsten en uitgaven (ord. 4-17-2).
- De kosten van het ringverband worden omgeslagen over de (wijk)gemeenten die in het ringverband zijn samengebracht (ord. 4-17-3).
- Een ringverband kan niet worden ingesteld zolang de gemeenten nog tot een afzonderlijke hervormde of een gereformeerde classis behoren (ovb. 195 sub e).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.6

6.3.6 Werkgemeenschappen van predikanten

De predikanten binnen de classis worden door de classicale vergadering samengebracht in een of meer werkgemeenschappen (ord. 4-18-1). Daartoe behoren niet alleen de predikanten voor gewone werkzaamheden die aan een gemeente verbonden zijn, maar ook de predikanten in algemene dienst en de predikanten met een bijzondere opdracht die in de classis wonen. Bovendien kunnen de kerkelijk

|183|

werkers in het pastoraat die in de bediening zijn gesteld, worden uitgenodigd (G.R. kerkelijk werkers, art. 7-3).

Ord. 4-18-1 noemt als voornaamste taken het bevorderen van de saamhorigheid en de gezamenlijke bezinning van de predikanten. Ord. 4-18-2 spreekt van de onderlinge opbouw van het geestelijk leven van de predikanten zelf, de zorg voor het pastoraat aan de predikanten (de werkgemeenschap hoeft die pastorale zorg niet altijd zelf te leveren, maar draagt er wel zorg voor dat er pastorale zorg voor de predikanten is) en gezamenlijke studie. Verder komt in de werkgemeenschap het gemeenteleven ter sprake in de vorm van bezinning en uitwisseling van ervaringen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.7

6.3.7 De algemene classicale vergadering

De algemene classicale vergadering is een ambtelijke vergadering (en kan als zodanig een predikant in algemene dienst beroepen, zie ord. 3-22). Zoals in § 6.3.2 is aangegeven is een deel van de classicale taken opgedragen aan de algemene classicale vergadering.

Zie voor de classicale vergadering en de algemene classicale vergadering met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 3.

De algemene classicale vergadering staat niet als meerdere vergadering ‘boven’ de classicale vergadering, maar staat ‘naast’ haar. Ze wordt niet gevormd door afgevaardigden van de classicale vergaderingen, maar door leden die door hen zijn aangewezen (zie § 6.1.2 en bijlage 1). Ten opzichte van de gemeenten kan de algemene classicale vergadering wel worden aangemerkt als meerdere vergadering, omdat zij ten opzichte van de gemeenten classicale verantwoordelijkheden uitoefent.

 

Vergeleken met de vroegere positie van de provinciale kerkvergadering in de Nederlandse Hervormde Kerk en de particuliere synode in de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft de algemene classicale vergadering slechts een beperkt aantal taken.

De algemene classicale vergadering kan dan ook niet zomaar (zoals de kerken-raad en de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode dat wel kunnen, zie ord. 4-8-4, ord. 4-16-7, ord. 4-24-6 en ord. 4-28-6) naar eigen goeddunken organen van bijstand instellen. De algemene classicale vergadering heeft één orgaan van bijstand: de regionale raad van advies (die op haar beurt zelf wel subcommissies kan instellen, zie ord. 4-19-7). Daarmee wordt nog eens onderstreept wat de centrale functie van de algemene classicale vergadering is: het gaat daarin om ‘arbeid ten dienst van de gemeenten’ (art. VI-7).

 

De bepalingen met betrekking tot de samenstelling van de algemene classicale vergadering, van het moderamen en het breed moderamen en de regeling voor

|184|

de wijze van werken zijn vrijwel gelijkluidend aan die voor de classicale vergadering (zie daarvoor § 6.3.1 en § 6.3.3). Een bijzonderheid is hier alleen dat de evangelisch-lutherse synode een of twee leden van de algemene classicale vergadering kan aanwijzen.

 

Als de belangrijkste taak wordt in ord. 4-19-1 genoemd het zorg dragen voor ‘de dienstverlening ten behoeve van de opbouw van de gemeenten’. De algemene classicale vergadering maakt daarvoor gebruik van en is ten nauwste betrokken bij het regionaal dienstencentrum (het RDC).

Dit regionaal dienstencentrum maakt deel uit van de dienstenorganisatie als geheel, waartoe dus zowel het landelijk dienstencentrum (het LDC) als de regionale dienstencentra behoren. Deze dienstenorganisatie als geheel heeft een bestuur dat als orgaan van bijstand van de generale synode aan deze vergadering verantwoording verschuldigd is (ord. 4-28-1 en 2; zie § 6.5.3).

Zie voor bestuur en beleid van de dienstenorganisatie het organigram in bijlage 5.

Daarmee is echter niet gezegd dat de regionale dienstverlening ook inhoudelijk door de generale synode wordt bepaald. Wanneer het gaat om de uitvoering van het werk is met name het beleidsplan inzake de dienstenorganisatie van belang. Bij het opstellen daarvan zijn de algemene classicale vergaderingen betrokken (ord. 4-19-1). Zij leveren voor het beleidsplan hun bijdragen met betrekking tot de regionale dienstverlening in (ord. 4-28-8). De algemene classicale vergaderingen worden daarin weer bijgestaan door hun eigen regionale raad van advies (G.R. dienstenorganisatie, art. 10-2).

In het kader van dat beleidsplan is er voor elke regio (dus voor ieder regionaal dienstencentrum) een activiteitenplan, dat jaarlijks door de algemene classicale vergadering zelf wordt vastgesteld (ord. 4-19-1). De regionale raad voor advies dient daarvoor een voorstel in (G.R. dienstenorganisatie, art. 10-4), terwijl ook de classicale vergaderingen bij het totstandkomen van het activiteitenplan betrokken zijn (ord. 4-15-1). Ze ‘worden gehoord’, aldus de G.R. dienstenorganisatie (art. 10-4). De algemene classicale vergadering moet bij het opstellen van het activiteitenplan blijven binnen het beleid dat voor de dienstenorganisatie is vastgesteld (ord. 4-19-1). Op deze wijze is de regionale dienstverlening vooral een zaak van de regio zelf, zij het binnen de financiële en beleidsmatige kaders die door de generale synode worden aangegeven.

 

De algemene classicale vergadering heeft maar één orgaan van bijstand, maar kent wel een aantal regionale colleges. Zij zijn geen organen van bijstand in de strikte zin van het woord: zij nemen in meerdere of mindere mate een zelfstandige positie in. Het betreft de regionale colleges voor de visitatie (ord. 10-3-2), de behandeling van beheerszaken (ord. 11-21) en de beide colleges voor de kerkelijke rechtspraak: het regionale college voor het opzicht (ord. 10-8-3 en 4) en het

|185|

regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-2-3). De algemene classicale vergadering benoemt de voorzitter van het regionale college voor de visitatie en de leden van de overige regionale colleges.

Zie voor de organen van bijstand en colleges van de algemene classicale vergadering het organigram in bijlage 3.

De taken van deze colleges worden elders beschreven. Hier stellen we slechts vast dat ze periodiek aan de algemene classicale vergadering verslag van hun werkzaamheden uitbrengen (ord. 4-20-2). Deze aanduiding wil duidelijk maken dat ten opzichte van de algemene classicale vergadering een zelfstandige positie innemen: ‘verslag uitbrengen’ is iets anders dan ‘verantwoording afleggen’. Met name voor de rechtsprekende colleges is de onafhankelijkheid van de ambtelijke vergadering een belangrijk gegeven.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.3.8

6.3.8 De Réunion Wallonne

De Protestantse Kerk in Nederland kent een aantal Franstalige gemeenten, ‘les Eglises Wallonnes’ genaamd. Deze hervormde gemeenten (ord. 2-11-2) worden samengebracht in een afzonderlijke classicale vergadering, de Réunion Wallonne genaamd (ord. 4-21). Het breed moderamen heet in dit geval de Commission Wallonne. De Waalse classicale vergadering benoemt zelf visitatoren voor de visitatie van de Waalse gemeenten. Ook ten behoeve van de eredienst kan ze eigen voorzieningen treffen. Voor de behandeling van beheerszaken kan ze met medewerking van de algemene classicale vergadering een eigen college instellen. Voor het overige wordt ze met een aantal andere classicale vergaderingen ingedeeld bij een van de algemene classicale vergaderingen.

Tenslotte: de Réunion Wallonne vaardigt één synodelid af. De kerk telt (volgens de gegevens van het jaarboek Nederlandse Hervormde Kerk 2002) 13 Waalse gemeenten, die in omvang variëren van 13 tot 155 belijdende leden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.4

6.4 De evangelisch-lutherse synode

Over de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-22 t/m 24) wordt uitvoeriger geschreven in hoofdstuk 15, zodat we op deze plaats daarnaar kunnen verwijzen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5

6.5 De generale synode

Over de bepalingen met betrekking tot de samenstelling, het arbeidsveld en de werkwijze van de generale synode (ord. 4-25 t/m 27) kunnen we kort zijn. De meeste bepalingen komen sterk overeen met die voor de classicale vergadering (zie daarvoor § 6.3.1 t/m § 6.3.4). We wijzen hier slechts op enkele bijzonderheden.

Bij de samenstelling van de generale synode (ord. 4-25) valt op dat deze niet slechts

|186|

bestaat uit de afgevaardigden van de classicale vergaderingen, maar ook uit vijf ambtsdragers die afgevaardigd worden door de evangelisch-lutherse synode. Deze lutherse synodeleden zijn dus lid van zowel de evangelisch-lutherse als de generale synode. De afgevaardigden van de classicale vergadering kunnen worden gekozen uit de ambtsdragers van het ressort (ze hoeven dus geen lid van de classicale vergadering te zijn).

Zie voor de evangelisch-lutherse synode en de generale synode met organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 4.

Een opmerkelijke bepaling is te vinden in ord. 4-25-5. De generale synode houdt een register bij van alle gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland (ord. 2-11-2). Als een bepaald ‘soort’ gemeenten sterk ondervertegenwoordigd zou blijken te zijn, heeft de kleine synode de mogelijkheid door een aantal classicale vergaderingen een extra synodelid te laten afvaardigen. Als op een gegeven moment de synode bijvoorbeeld vrijwel geen ambtsdragers zou tellen die afkomstig zijn uit een protestantse gemeente of een gereformeerde kerk, kan de kleine synode (ten hoogste tien) classicale vergaderingen aanwijzen om een extra synodelid af te vaardigen die ambtsdrager is (in dit voorbeeld) in een protestantse gemeente of een gereformeerde kerk.

De regeling voor de samenstelling van het moderamen van de generale synode wijkt af van wat bij de andere ambtelijke vergaderingen gebruikelijk is (ord. 4-27-2, zie ook ovb. 202). De preses en de eerste assessor worden voor vier jaar benoemd uit de leden van de vergadering. Ze mogen hun termijn als moderamenlid uitdienen, ook als ze niet langer afgevaardigde van de classicale vergadering zijn (als ze niet langer ambtsdrager zijn, treden ze wel af). De scriba hoeft geen synodelid te zijn; deze wordt voor vier jaar gekozen uit de predikanten van de kerk (en is eenmaal herkiesbaar). Al deze bepalingen zijn erop gericht continuïteit in de leiding van de generale synode mogelijk te maken.

Het breed moderamen van de generale synode telt 30 leden en wordt in de kerkorde aangeduid als de kleine synode (ord. 4-27-4 en 5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.1

6.5.1 Wijzigingen in de kerkorde

Eén bijzondere taak van de generale synode moet hier uitvoeriger worden besproken, namelijk het vaststellen en wijzingen van de kerkorde (art. XVIII-1), de ordinanties (art. XVII-2), de generale regelingen (ord. 4-26-1) en de overgangsbepalingen (ovb. 296 en 297).

Daarvoor zijn in de kerkorde zorgvuldige procedures vastgesteld.

 

Een wijziging in de kerkorde zelf kan worden voorgesteld door een classicale vergadering of door de evangelisch-lutherse synode (dan wordt het voorstel door de betreffende vergadering aan de generale synode voorgelegd) of in de generale synode zelf. In het laatste geval kan dat voorstel worden gedaan door het (breed)

|187|

moderamen of door synodeleden. Altijd geldt dat een ingediend voorstel in twee vergaderingen wordt behandeld, zodat overhaaste besluitvorming wordt voorkomen. Als de synode een voorstel tot wijziging van de kerkorde voorlopig heeft vastgesteld (de kerkorde gebruikt daarvoor de uitdrukking ‘in eerste lezing’, art. XVIII-4), wordt deze wijziging aan alle kerkenraden voorgelegd. De bedoeling is dat de kerkordewijziging in de kerkenraden besproken wordt en dat eventuele reacties schriftelijk of mondeling (via de afgevaardigden) in de classicale vergadering worden ingebracht. Vervolgens wordt de voorgenomen wijziging in de classicale vergadering besproken en stuurt deze vergadering haar consideraties in. Deze consideraties zijn meer dan een stemming: het is niet voldoende te vermelden hoeveel voor en hoeveel tegen waren. Het gaat er eerder om dat de opvattingen worden doorgegeven: hoe de vergadering over de voorstellen denkt, maar ook welke vragen en kanttekeningen er zijn. Wensen, amendementen en bezwaren kunnen eveneens worden vermeld. Om het de synode mogelijk te maken tot verantwoorde besluitvorming te komen, kan het gewenst zijn ook opvattingen van minderheden in de consideraties te verwoorden.

De gedachte dat de classicale vergadering een doorgeefluik is van brieven die de kerkenraden hebben ingezonden, moet worden afgewezen: de vergadering behoort haar eigen afweging te maken en haar eigen beschouwingen te geven. Ook de overwegingen ten aanzien van vragen van belijdenis en kerkorde die door een ringverband worden ingebracht, worden niet zonder meer doorgestuurd, maar eerst in de classicale vergadering besproken (ord. 4-17-2). Daarna kunnen ze — desgewenst met een begeleidend commentaar van de classicale vergadering zelf — aan de generale synode worden doorgegeven.

Als de generale synode de consideraties van de classicale vergaderingen heeft gewogen en besproken, kan zij overgaan tot de definitieve vaststelling (‘in tweede lezing’) van de kerkordewijziging. Daarbij is een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen vereist.

 

Een wijziging in de ordinanties verloopt grotendeels volgens dezelfde procedure (art. XVII). Een wijziging in de ordinanties kan echter ook worden ingediend door een orgaan van bijstand van de generale synode. Bij de definitieve vaststelling is een gewone meerderheid voldoende.

 

De generale regelingen worden vastgesteld door de generale synode zelf. Daarbij is niet voorgeschreven dat er consideraties worden gevraagd en ook een behandeling in twee vergaderingen is daarbij niet vereist. Soms is voor de wijziging van een generale regeling een nadere procedure voorgeschreven. Dat geldt in elk geval voor de generale regelingen waarin de rechtspositie aan de orde is (G.R. predikantstraktementen: ord. 3-16-4; G.R. predikantspensioenen: ord. 3-16-4; G.R. rechtspositie medewerkers: ord. 3-28-5).

|188|

Een deel van de overgangsbepalingen vervalt automatisch als de datum die daarin wordt genoemd verstreken is of als ze betrekking hebben op het moment van de vereniging van de kerken. Andere overgangsbepalingen kunnen worden gewijzigd of buiten werking gesteld. Daarbij moet de procedure van art. XVII worden gevolgd, dus die voor de wijziging van de ordinanties, zoals die hierboven is beschreven.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.2

6.5.2 De organen van bijstand

De generale synode heeft vier met name genoemde organen van bijstand (ord. 4-28-1). Daarnaast kunnen er andere commissies worden benoemd voor beperkte of tijdelijke taken (ord. 4-28-6). Verder gelden voor de generale synode als orgaan van bijstand alleen commissies die op grond van kerkordelijke regelgeving bepaalde taken namens de generale synode verrichten. Daarvoor moeten dus in de kerkorde zelf aanknopingspunten te vinden zijn.

Zie voor de generale synode met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 4.

Als eerste orgaan van bijstand van de generale synode wordt de generale raad van advies genoemd (ord. 4-28-3). Deze raad heeft allereerst tot taak de generale synode te adviseren ter zake van het leven en werken van de kerk, in het bijzonder met betrekking tot het werk van de dienstenorganisatie. Het is goed als deskundige leden van de kerk, die niet betrokken zijn bij de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het werk en die zich daarvan dus geheel onafhankelijk kunnen opstellen, de arbeid van de dienstenorganisatie van advies en zonodig van commentaar voorzien. Zij kunnen ook signalen in de kerk en de samenleving opvangen en doorgeven, waarop de kerk zou moeten reageren of inspelen. De synode kan zich door de raad ook laten adviseren bij de vaststelling van het synodale beleid en bij het beoordelen van zaken die vanuit de dienstenorganisatie aan de synode worden voorgelegd.

 

Vervolgens wordt in ord. 4-28-4 de taak van de raad van advies voor het gereformeerd belijden aangeduid. Dit orgaan van bijstand adviseert de generale synode in aangelegenheden die het gereformeerd belijden raken. Concreet valt daarbij te denken aan de behandeling van een gravamen tegen een van de gereformeerde belijdenisgeschriften (ord. 1-5-6) of aan het opzicht over de verkondiging en de catechese (ord. 10-15-2). Maar ook bij de voorbereiding van bijvoorbeeld een herderlijk schrijven zou het advies van dit orgaan kunnen worden gevraagd.

Andere ambtelijke vergaderingen en organen van de kerk kunnen een beroep doen op de raad van advies voor het gereformeerd belijden als ze advies nodig hebben bij de bezinning op vragen van geloof en kerk of bij het kerkelijk gesprek. De generale synode kan deze raad verzoeken namens de kerk het contact met

|189|

andere kerken van gereformeerd belijden en daarmee verwante organisaties te onderhouden. In de regel zal de kerk deze relaties zelf onderhouden. Wellicht zal voor sommige kerken de raad van advies voor het gereformeerd belijden gemakkelijker als gesprekspartner aanvaardbaar zijn.

 

De genoemde organen van bijstand zijn bevoegd als zij daar aanleiding toe zien de synode een ongevraagd advies aan te bieden. Het staat de synode dan uiteraard vrij om zelf te bepalen of ze een dergelijk advies in behandeling neemt of het voor kennisgeving aanneemt.

 

Voor de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs, die als derde wordt genoemd, verwijzen we verder naar § 13.10.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.3

6.5.3 De dienstenorganisatie

Met bestuur van de dienstenorganisatie wordt als vierde orgaan van bijstand aangemerkt. In ord. 4-28-5 worden de taken van het bestuur omschreven. Het heeft allereerst een bestuurlijke taak: het besturen van de dienstenorganisatie waartoe zowel het landelijk dienstencentrum, het LDC, als de regionale dienstencentra, de RDC’s, behoren (zie § 6.3.7). Maar ook het centrum Hydepark maakt onderdeel uit van de dienstenorganisatie. Daarin werken samen het Theologisch Seminarium Hydepark (dat een taak heeft bij de opleiding en vorming van predikanten en kerkelijk werkers), het Hendrik Kraemer Instituut (dat een rol vervult bij de opleiding van missionaire werkers) en het bezinningscentrum voor Godsdienst, Ethiek en Zingeving.

Het bestuur van de dienstenorganisatie is als orgaan van bijstand van de synode gebonden aan het beleidsplan en de begroting zoals die door de generale synode zijn vastgesteld. Het bestuur verricht zijn taak onder verantwoordelijkheid van de generale synode en legt aan haar periodiek verantwoording van zijn werkzaamheden af.

Zie voor bestuur en beleid van de dienstenorganisatie het organigram in bijlage 5.

Maar zoals de dienstenorganisatie zich niet alleen uitstrekt over het dienstencentrum, heeft ook het bestuur een bredere taak. Het is betrokken bij het voorbereiden van het beleid van de generale synode op verschillende terreinen. Naast de dienstverlening worden genoemd de zorg voor de opleiding van de predikanten en kerkelijk werkers, de theologische arbeid van de kerk, de missionaire, diaconale en oecumenische arbeid van de kerk en de ondersteuning van het werk van en ten behoeve van de meerdere vergaderingen. Bij dat laatste kan zeker ook gedacht worden aan de facilitaire zaken, waarvan de financiële en organisatorische aangelegenheden onderdeel uitmaken. In feite valt vrijwel het gehele arbeidsveld van de generale synode onder deze brede taakomschrijving met betrekking tot de beleidsvoorbereiding (uitgezonderd de wetgevende arbeid).

|190|

Als derde hoofdtaak van het bestuur kan worden genoemd de beleidsuitvoering. Daartoe kan worden gerekend dat door de generale synode aan het bestuur de uitvoering van kerkordelijke regelingen kan worden opgedragen (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2 sub g). Meer specifiek kan worden genoemd het vertegenwoordigen van de kerk ter zake van het werkgeverschap (ord. 4-28-5 en G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2 sub e). Alle aangelegenheden die verband houden met de rechtspositie van predikanten in algemene dienst, maar ook van kerkelijk werkers en kerkelijk medewerkers die door de kerk zijn aangesteld, worden behartigd door het bestuur van de dienstenorganisatie. De generale regeling noemt ook als taak van de dienstenorganisatie de opdracht om zorg te dragen voor de fondsenwerving binnen en buiten de kerk (G.R. dienstenorganisatie, art. 2-2). Tenslotte heeft het bestuur als taak het beheer van het vermogen van de Protestantse Kerk in Nederland en van de evangelisch-lutherse synode (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-3).

 

In de G.R. dienstenorganisatie worden samenstelling en werkwijze van het bestuur nader uiteengezet (art. 3 t/m 9). In art. 10 wordt de procedure ten aanzien van de beleidsplanning en de relatie tot het regionale activiteitenplan beschreven (zie daarover § 6.3.7). In art. 11 wordt aangegeven op welke wijze de werkzaamheden van de dienstenorganisatie ten uitvoer worden gelegd. Dat gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van projecten, die in programma’s van projecten worden vastgelegd. Zo wordt voorkomen dat bepaalde takken van werk automatisch worden gecontinueerd ‘omdat ze nu eenmaal bestaan’. Telkens moet worden bezien of bepaalde taken nog nodig zijn, of wellicht andere taken een hogere graad van urgentie hebben en op welke wijze de beschikbare middelen het beste kunnen worden ingezet. Er kan dus sprake zijn zowel van kortlopende projecten als van programma’s die in feite niet weg te denken zijn uit de kerkelijke arbeid. Welke projecten in de programma’s zullen worden opgenomen, wordt beslist in de programma-overleg-vergaderingen (die in het kerkelijk jargon al zijn afgekort tot POV’s). Daarin wordt samengewerkt door medewerkers van de dienstenorganisatie en door ‘deskundige leden van de kerk’, waarbij gedacht moet worden aan ambtsdragers en gemeenteleden die als geïnteresseerde en betrokken vrijwilligers willen meedenken over de vragen die op een bepaald terrein aan de orde zijn. Bij de uitvoering van de projecten worden werk- en beraadsgroepen ingeschakeld (G.R. dienstenorganisatie, art. 11-4) die respectievelijk meer op het uitvoerende vlak of meer in de bezinnende sfeer werkzaam zijn. Ook in deze werk- en beraadsgroepen worden de ‘deskundige kerkleden’ betrokken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 6.5.4

|191|

6.5.4 De generale colleges

De generale colleges die in ord. 4-29 worden genoemd, zijn geen organen van bij-tand in de strikte zin van het woord. Een orgaan van bijstand moet immers verantwoording afleggen aan de ambtelijke vergadering (ord. 4-28-2). De colleges nemen een meer zelfstandige positie in. Het betreft de generale colleges voor de visitatie (ord. 10-3), voor onderzoek van beheerszaken (ord. 11-24 en 25), voor de toelating tot het ambt van predikant (ord. 13-17) en voor de ambtsontheffing (ord. 3-20 en ord. 3-21). Met het oog op de consistentie van de regelgeving is een zelfstandig college voor de kerkorde ingesteld. Over dit college is, buiten ord. 4-19, in de kerkorde overigens niets te vinden.

Zie voor de generale synode met de organen van bijstand en colleges het organigram in bijlage 4.

De beide colleges voor de kerkelijke rechtspraak — het generale college voor het opzicht (ord. 10-8-6 en 7) — en het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-2-7) worden in ord. 4-29-1 afzonderlijk genoemd (‘alsmede’) om daarmee tot uitdrukking te brengen dat deze colleges nog meer dan de andere een onafhankelijke positie innemen ten opzichte van de ambtelijke vergadering die de leden benoemt. Deze onafhankelijkheid blijkt ook uit de benoeming van de leden voor een periode van acht jaar (zie verder § 11.6.1 en 11.7.2).

 

Tenslotte blijkt ook in de aanduiding dat ze periodiek ‘verslag uitbrengen’ van hun werkzaamheden aan de generale synode hun zelfstandige positie ten opzichte van de ambtelijke vergadering: ‘verslag uitbrengen’ kan niet op één lijn worden gesteld met ‘verantwoording afleggen’.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H7

192-205

|192|

7 De eredienst

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.1

7.1 Algemeen

In de nu volgende hoofdstukken gaat het, naar de indeling van de kerkorde, om het leven van gemeente en kerk. Tegen de achtergrond van wat eerder over de roeping van kerk en gemeente is gezegd, komt nu het gemeenteleven zelf zo concreet mogelijk in beeld. In de opbouw van de kerkorde ligt hier een heldere structuur. Ingezet wordt bij de eredienst, bij Woord en sacramenten. Daar wordt de gemeente steeds weer wat zij moet zijn: horende gemeente, en daarom vierende gemeente. Dat vormt de opmaat voor wat daarna aan de orde komt: eerst de missionaire, diaconale en pastorale arbeid — de taken naar de wereld toe gaan daarbij voorop! —  en dan, mede met het oog daarop, de geestelijke vorming. Alleen als dat aan de orde is geweest, wordt verstaanbaar waarom over opzicht, vermogensrechtelijke aangelegenheden, bezwaren en geschillen, en predikantsopleiding gesproken moet worden. Door leven en werken van de kerk in een oecumenisch perspectief te zetten, buigt de kerkorde uiteindelijk weer terug naar het begin.

Ord. 5, over de eredienst, zet dus in bij het hart van de zaak: de gemeente komt samen, op zondagen en kerkelijke feest- en gedenkdagen. Daar vindt men ‘de lezing van de Heilige Schrift en de prediking van het evangelie, de bediening en viering van de doop en het avondmaal, de dienst van lofzang en gebed en de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid’ (art. VII-1). Daar ligt het basso continuo van het kerkelijk leven, elke zondag opnieuw, en op de kerkelijke feestdagen, waarbij in art. VII-3 ook gezinspeeld wordt op Epifanie als een feest, terwijl de zondag van de Drie-eenheid er met zoveel woorden wordt genoemd. Een belangrijke gedenkdag is de dag van de kerkhervorming.

Maar bij zon- en feestdagen blijft het niet wat de samenkomsten betreft. Ord. 5-1-2 noemt daarnaast verschillende andere mogelijkheden, waaronder leerdiensten, bid- en dankstonden, de kerkdiensten op oudejaarsavond en nieuwjaarsmorgen en kerkdiensten ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen in het leven van de gemeenteleden dan wel naar aanleiding van belangrijke gebeurtenissen in de kerk en in de wereld.

Bij de gebeurtenissen in het leven van gemeenteleden is ook sprake van ‘zegenvieringen’. Daarbij zal menigeen primair denken aan de alternatieve levensverbintenissen waarover in ord. 5-4 verder wordt gesproken, maar daar gaat het hier zeker niet uitsluitend om. Ook bij andere kruispunten in het leven is het denkbaar dat iemand in de kring van de gemeente een zegen vraagt en krijgt. Men kan denken aan een situatie van ziekte, aan de vooravond van een lange reis, aan huwelijksjubilea en dergelijke.

Hier kan ook gedacht worden aan een zegen die soms wordt gegeven bij het

|193|

‘opdragen’ van een pasgeboren kind, wanneer de ouders onoverkomelijke bezwaren hebben tegen de kinderdoop. Daarover wordt in de ordinantie over de doop, ord. 6, met geen woord gerept. Kerkordelijk én in de kerkelijke praktijk moet immers elke schijn dat een dergelijk opdragen toch ongeveer hetzelfde zou inhouden als een doopbediening, vermeden worden.

Bij gebeurtenissen in de kerk kan men denken aan het zoveeljarig bestaan van de gemeente of aan een landelijke kerkendag. Gaat het om wat in de wereld geschiedt, dan denke men bijvoorbeeld aan rampen en oorlogsdreigingen, of aan de gedenkdagen van gebeurtenissen die het samenleven, nationaal of plaatselijk, sterk hebben beïnvloed.

 

Art. 1 wijst primair op de verdeling van de verantwoordelijkheden. Het gaat op dit terrein steeds om kerkenraadsbeleid: tijd, plaats en aantal van de kerkdiensten worden door de (wijk)kerkenraad vastgesteld, waarbij deze zorg draagt voor publieke aankondiging. De eredienst is immers openbaar. Een kerkenraad kan in beginsel niemand de toegang tot een kerkdienst weigeren. Alleen als er op grond van duidelijke ervaringen of aankondigingen reden is te verwachten dat iemand de bedoeling heeft de kerkdienst te verstoren, is een uitzondering op deze regel denkbaar. In het recente verleden is dat ook wel eens gebeurd. Daarbij dient men te bedenken dat het verstoren van een kerkdienst naar het Nederlandse strafrecht een misdrijf is (vgl. art. 146 wetboek van strafrecht). In een dergelijk geval kan het dienstig zijn contact met de politie op te nemen.

Ook de in de kerkdiensten te volgen orde van dienst wordt door de (wijk)kerkenraad vastgesteld. Uiteraard gaat het daarbij om de grote lijnen, waarbinnen de specifieke verantwoordelijkheid van predikant, kerkmusicus en anderen gestalte kan krijgen (ord. 5-1-4). Het dienstboek biedt het kader waarbinnen de keuzes van de kerkenraad zich kunnen bewegen. Zie voor het dienstboek en de uitdrukking ‘gebruik maken van’ verder § 7.9. De (gast)predikanten en kerkmusici dienen zich in dezen aan het kerkenraadsbeleid te houden. Bij de concrete uitwerking kan alleen een goed samenspel tussen alle betrokkenen — waaronder bijvoorbeeld ook de leiding van de kindernevendienst — tot een verantwoorde vormgeving van de eredienst leiden. Onderling respect dient daarbij het uitgangspunt te zijn. Zo is de predikant wel eindverantwoordelijk voor de keuze van de in de dienst te zingen liederen, maar daarbij kan hij veel baat hebben bij wat de kerkmusicus vanuit een eigen deskundigheid inbrengt. Deze laatste beslist als het gaat om de verdere muzikale vormgeving, maar zal daarbij naar vermogen rekening hebben te houden met de in een gemeente bestaande muziekcultuur. De leiding van de kindernevendienst heeft alle recht te vragen om een goede aansluiting tussen hoofddienst en nevendiensten en daarvoor suggesties te doen, maar men kan de predikant op dit punt niets voorschrijven, tenzij terzake sprake is van kerkenraadsbeleid (dat dan ook met gastpredikanten bij het maken van afspraken moet zijn gecommuniceerd).

|194|

Ook in de ambtelijke aanwezigheid van kerken raadsleden tijdens de kerkdiensten komt de verantwoordelijkheid van de kerkenraad tot uitdrukking. In de regel dienen naast de predikanten zowel ouderlingen als diakenen herkenbaar aanwezig te zijn. De kerkorde spreekt niet over het gebruik dat een ouderling van dienst de predikant met een handdruk ‘opleidt’. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de kerkenraad de leiding van de dienst aan deze predikant toevertrouwt. De handdruk achteraf maakt duidelijk dat de kerkenraad mét de predikant aanspreekbaar wil zijn op de gang van zaken in de zojuist afgesloten dienst. Het gaat dus om meer dan een teken van instemming met — of zelfs goedkeuring van — de preek. Zelfs als de ouderling van dienst zich oprecht afvraagt of de verkondiging wel werkelijk gestoeld was op het evangelie, kan deze de handdruk aan het einde van de dienst slechts in het uiterste geval weigeren. Daarmee zou te veel het accent worden gelegd op het individuele oordeel van de ouderling van dienst. Wel is het in dat geval zaak na de dienst een afspraak te maken voor een nader gesprek, liefst in de kring van de kerkenraad. Aan een dergelijk gesprek mag de predikant zich niet onttrekken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.2

7.2 Diensten met een bijzonder karakter

In ord. 5-1 en 5-2 vindt men enkele bepalingen die betrekking hebben op specifieke diensten. Genoemd worden (a) de getijdendiensten1, (b) de diensten binnen de sfeer van persoonlijke omstandigheden en familieleven, en (c) de oecumenische kerkdiensten.

Wat de dagelijkse getijdendiensten betreft: ze worden in ord. 5-1-7 al genoemd, en gespecificeerd in met name het morgen-, middag- en avondgebed. Ord. 5-2-1 noemt ze opnieuw, om vast te stellen dat, zelfs als deze diensten onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad staan, ambtelijke aanwezigheid niet steeds vereist is en dat elk gemeentelid kan worden gevraagd erin voor te gaan. Daarmee is overigens niet uitgesloten dat getijdendiensten soms een plaats krijgen binnen het leven de gemeente zonder dat de kerkenraad ertoe besloten heeft. In een groothuisbezoek of een conferentie kan deze vorm van samenkomst grote betekenis hebben.

Het leven van de gemeente als geheel en van bepaalde gemeenteleden in het bijzonder geeft soms reden voor bijzondere diensten. Men denkt dan natuurlijk aan rouwdiensten — in art. VII-1 en hier in ord. 5-1-2 ‘diensten van rouwdragen en gedenken’ genoemd — en aan trouwdiensten. Op de trouwdiensten komt de ordinantie in het volgende artikel nog uitvoeriger terug. Voor deze en dergelijke diensten geldt dat men ze soms elders wil houden. Dit geldt met name voor trouwdiensten, waarbij nogal eens voor een ‘mooi kerkje’ wordt gekozen; dan is het echter niet voldoende een en ander met de koster ter plaatse te regelen. Aan de kerkenraad van de betrokken gemeente dient in dat geval gevraagd te worden om schriftelijke instemming met het feit dat op ‘zijn terrein’ een kerkdienst wordt


[205] 1. Zie voor de getijdendiensten: Dienstboek. Een Proeve — Schrift, Maaltijd, Gebed, Zoetermeer 1998, 1152-1185.

|195|

gehouden onder verantwoordelijkheid van een andere kerkenraad (ord. 5-2-2). Als die instemming niet wordt gegeven, zijn er twee mogelijkheden. Het kan zijn dat de kerkenraad van de plaats waar men de huwelijksinzegening wil laten plaatsvinden wél bereid is zelfde verantwoordelijkheid voor de trouwdienst over te nemen. Als dat niet het geval is, zal de dienst elders gehouden moeten worden.

Strikt genomen zou die instemming ook gevraagd moeten worden wanneer een rouwdienst wordt gehouden in het crematorium van een buurgemeente. Het ligt voor de hand in zulke steeds terugkerende gevallen uit te gaan van een doorlopende instemming.

Oecumenische kerkdiensten worden in ord. 5-2-3 genoemd. Omdat de verantwoordelijkheid gedeeld wordt met andere kerkelijke gemeenschappen dient hun mogelijke inbreng op liturgisch gebied voluit te worden gehonoreerd. Wie niet in de Protestantse Kerk in Nederland, maar wel in de eigen kerk bevoegd is voor te gaan, is dat ook in deze diensten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.3

7.3 Het huwelijk

In de eigenlijke kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland is geen afzonderlijk artikel over het huwelijk opgenomen. Bij de totstandkoming van de kerkorde liepen de meningen hierover ver uiteen. Uiteindelijk werd er in meerderheid voor gekozen in de kerkorde zelf over het huwelijk alleen te spreken in het kader van de eredienst, door de aanduiding ‘trouwdiensten’ in art. VII-1. Daarvan wordt een uitwerking gegeven in deze ordinantie.

De ordinantietekst zet in met een typering van het huwelijk; het gaat daarin om ‘een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht’, aldus ord. 5-3-1. De bepaling spreekt alleen over het huwelijk ‘van man en vrouw’. Ord. 5-3-8 beperkt de mogelijkheid van de inzegening al tot ‘een naar burgerlijke wet tot stand gekomen’ huwelijk, maar waar het burgerlijk recht ook spreekt van huwelijken tussen mensen van gelijk geslacht, rekent de kerk deze toch onder de ‘andere levensverbintenissen’ (zie ord. 5-4).

De kerkorde regelt hier uitsluitend één aspect van de wijze waarop de gemeente betrokken is bij het huwelijksleven van haar leden, namelijk de trouwdienst. Geestelijke vorming met het oog op het leven in huwelijk en gezin komt elders in de kerkorde expliciet in beeld (ord. 9-3-4).

Ord. 5-3 geeft een soort routebeschrijving, met bijbehorende termijnen. Een verzoek tot inzegening van het huwelijk moet tijdig worden ingediend bij de kerkenraad die gevraagd wordt de verantwoordelijkheid te nemen voor de trouwdienst. Is dat de kerkenraad van de gemeente waartoe bruid en bruidegom beiden behoren, dan dient het verzoek ten minste zes weken van tevoren te worden ingediend (ord. 5-3-2). Behoort één van beiden tot een andere gemeente binnen de kerk — of geldt dat voor beiden — of vindt de trouwdienst onder verantwoordelijkheid van een andere kerkenraad plaats, dan geldt een termijn van tien weken

|196|

(ord. 5-3-3). Dan moeten immers eventuele andere betrokken kerkenraden op de hoogte gesteld worden, en daarmee de mogelijkheid hebben bezwaar te maken (waarvoor zij twee weken de tijd krijgen). Bezwaren kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op bij de kerkenraad bekende feiten ten aanzien van de levenswijze van (één van) de partners, die de kerkenraad strijdig acht met de heiligheid van het huwelijk. Uiteraard kan een kerkenraad niet om een andere, oneigenlijke reden — bijvoorbeeld omdat men een zakelijk geschil heeft met de betrokkene — deze toestemming weigeren.

De kerkenraad waarbij de trouwdienst is aangevraagd kan het bezwaar zelf al dan niet honoreren. Het bezwaar wordt in elk geval zodanig snel in behandeling genomen, dat de beoordeling uiterlijk vier weken voor de trouwdienst wordt toegezonden aan de andere kerkenraad. Die heeft bij afwijzen van het bezwaar dan alsnog de mogelijkheid naar het betrokken regionale college voor bezwaren en geschillen te gaan.

Tenminste twee weken voor de trouwdienst wordt ook de gemeente geïnformeerd. Het zou immers kunnen zijn dat in de gemeente zaken bekend zijn waar de kerkenraad niet van weet en die toch een beletsel voor een trouwdienst zouden kunnen vormen. De kerkenraad is ervoor verantwoordelijk dat een predikant wordt uitgenodigd; daarbij wordt overlegd met het bruidspaar. De orde van dienst is te vinden in het dienstboek van de kerk (zie voor de uitdrukking ‘met gebruikmaking van’ § 7.9). Tenslotte wordt in ord. 5-3-6 gewezen op het klassieke gebruik om in de trouwdienst een huisbijbel te schenken. Een registratie van hen van wie het huwelijk werd ingezegend in een afzonderlijk trouwboek is niet noodzakelijk, maar wel mogelijk. Overigens geeft de generale regeling ledenregistratie in art. 7-2 wel aan dat burgerlijke staat en kerkelijke inzegening van het huwelijk in de registers van gemeenteleden dienen te worden opgenomen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.4

7.4 Andere levensverbintenissen

Ord. 5-4 is uiterst beknopt als het gaat om andere levensverbintenissen dan een huwelijk in de zin van ord. 5-3: ‘De kerkenraad kan — na beraad in de gemeente — besluiten dat ook andere levensverbintenissen van twee personen als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht kunnen worden gezegend.’ Wie de geschiedenis van de kerkordelijke totstandkoming van de Protestantse Kerk in Nederland kent, weet dat hier één van de moeilijkste vraagstukken op die weg aan de orde was. Een deel van de kerk deed er alles aan om de kerkelijke gelijkwaardigheid van een ‘gewoon’ huwelijk en bijvoorbeeld een huwelijk van twee homoseksuele gemeenteleden of een geregistreerd partnerschap in de zin van boek 1:80a BW e.v. in de kerkorde tot uitdrukking te brengen. Een ander deel van de kerk kon dat voor het eigen geweten niet verantwoorden en wilde zich kerkordelijk beperken tot het klassieke huwelijk, waarbij velen ook graag een artikel over het huwelijk als ‘instelling Gods’ in de eigenlijke kerkorde hadden gezien.

|197|

Het heeft er uiteindelijk toe geleid dat die laatste wens niet werd gehonoreerd, maar dat anderzijds op verschillende punten sprake is van een niet geheel gelijke kerkordelijke positie van een huwelijk van man en vrouw en een ‘andere levensverbintenis’. Wel wordt in beide gevallen gesproken van ‘een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht’!

Waar zitten de verschillen? Allereerst valt op dat ord. 5-4 verwijst naar de noodzaak van beraad in de gemeente, zoals nader aan de orde in ord. 4-8-7. Een kerkenraad kan op dit punt geen koerswijziging — in welke richting dan ook — doorvoeren zonder zulk beraad. Voorts wordt hier niet van ‘inzegenen’ gesproken, maar van ‘zegenen’. Ten aanzien van het huwelijk werd bij de vaststelling van de kerkorde bewust vastgehouden aan de term ‘inzegenen’: de synode wilde niet door hier een ander woord in te voeren de suggestie wekken dat de waardering van het huwelijk zou zijn veranderd. Het woord ‘inzegenen’ heeft wellicht een wat meer ‘institutionele’ klank dan ‘zegenen’: het roept iets meer op van het huwelijk als een instelling met oude papieren in onze samenleving. ‘Zegenen’ is misschien wat opener en wat speelser. Vergelijk de ‘zegenvieringen’ die in ord. 5-1-2 genoemd worden.

Het derde verschil tussen ord. 5-3 en 5-4 is het meest ingrijpend. Uiteindelijk is er niet voor gekozen datgene wat in ord. 5-3-2 t/m 8 gesteld is, op overeenkomstige wijze te laten gelden voor andere levensverbintenissen. In die zin liggen hier voor een kerkenraad en het betrokken paar geen verplichtingen en moet men zijn eigen weg vinden. Het ligt voor de hand zich in veel opzichten toch wel te oriënteren op wat over de trouwdienst is gezegd, bijvoorbeeld als het gaat om termijnen, om afkondiging in de gemeente of om de keuze van een predikant. Maar het hoeft niet pertinent. Zo zou bijvoorbeeld — als tenminste de plaatselijke regeling naar ord. 4-8-7 dat niet uitsluit — een kerkenraad formeel kunnen instemmen met de zegening van een andere levensverbintenis in haar midden zonder de eigen kerkenraad van (één van) de partners daarover in te lichten. Men kan zich afvragen of dat kerkelijk correct zou mogen heten. Als men daarvoor in arren moede toch maar kiest omdat men in het andere geval alleen maar veel problemen zou verwachten, dan zou het wellicht de voorkeur verdienen als de betrokkenen zich door toepassing van ord. 2-5-3 (‘perforatie’) ruim tevoren laten inschrijven bij een andere gemeente.

In de generale regeling ledenregistratie is aan de gewetensbezwaren van een deel van de kerk tegemoetgekomen, doordat de verplichting een kerkelijke zegening van een andere levensverbintenis te registreren is beperkt tot die gemeenten waar van de in ord. 5-4 geboden mogelijkheid gebruik is gemaakt. Zou een paar dat een dergelijke zegening heeft ontvangen, dus lid willen worden van een gemeente die de mogelijkheid van zegening zelf niet kent, dan blijft de hun gegeven zegening uitsluitend vermeld in de landelijke registratie. Zou een paar dat een dergelijke zegening heeft ontvangen dus lid zijn van een gemeente die de mogelijkheid van zegening zelf niet kent, dan wordt de hun gegeven zegening niet in het

|198|

ledenregister en daarmee in de landelijke registratie opgenomen. Er zal dan dus hooguit sprake zijn van vermelding in het trouwboek van de gemeente waar de zegening plaatsvond.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.5

7.5 Wie mag voorgaan

Op het eerste gezicht ligt hier alles voor de hand. Bevoegd om voor te gaan zijn natuurlijk de predikanten van de Protestantse Kerk in Nederland, inclusief de emeritus predikanten, de beroepbare predikanten (ord. 3-18-4, ord. 3-20-3, ord. 3-23-4, ord. 3-26-1; zie § 5.6) en anderen die conform ord. 3-27 de ‘bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten’ hebben behouden. Ze worden allen genoemd in ord. 5-5-1. En er zijn meer mogelijkheden. Hetzelfde lid noemt nog voorgangers die bevoegd zijn in kerkgemeenschappen waarmee de Protestantse Kerk in Nederland bijzondere betrekkingen onderhoudt, voor zover dat althans bij overeenkomst is geregeld (zie hiervoor ord. 14-4).

Ord. 5-5-3 maakt overigens duidelijk dat een kerkenraad zich dient in te spannen om een bevoegde voorganger uit te nodigen. Alleen in noodgevallen — aldus lid 4 — kan die verantwoordelijkheid incidenteel worden opgedragen aan een andere ambtsdrager of aan een of meer gemeenteleden. Maar er zijn veelal meer bevoegden beschikbaar dan alleen de predikanten; daarop betrekking heeft ord. 5-5-2 waaraan de volgende paragraaf is gewijd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.6

7.6 Preekconsenten

Naast de in het ambt bevestigde predikanten noemt ord. 5-5-2 anderen die bevoegd zijn in een kerkdienst voor te gaan. Vroeger werd dan gezegd dat men ‘een stichtelijk woord’ mocht spreken; nu zal men eerder het woord ‘preekbevoegdheid’ gebruiken. De bepaling maakt duidelijk dat het daarbij niet gaat om de ambtelijke ‘bediening van Woord en sacramenten’. De bevoegdheid omvat niet ‘de bediening van doop en avondmaal, het afnemen van de belijdenis van het geloof, de bevestiging van ambtsdragers en het leiden van trouwdiensten en het uitspreken van de zegen’. Deze worden daarmee aangemerkt als specifieke ambtelijke handelingen waartoe het preekconsent geen bevoegdheid verleent.

Enigszins buiten deze categorie vallen de proponenten, dat wil zeggen de theologische studenten die het colloquium hebben afgelegd en die bijvoorbeeld ‘op beroep preken’ (vgl. ord. 13-19-6). Feitelijk hebben zij wel een preekconsent; zij worden echter in de generale regeling preekconsent — in ord. 5-5-2 omschreven als de ‘generale regeling voor het verlenen van consent tot het leiden van kerkdiensten’ — niet nader genoemd, omdat zij hun bevoegdheid om een kerkdienst te leiden ontlenen aan het afgelegde colloquium en langs andere weg ontvangen. In alle overige gevallen is echter deze generale regeling wel van toepassing. Daarin is de gang van zaken uitgewerkt voor anderen die ook in ord. 5-5-2 worden

|199|

genoemd, namelijk studenten die nog in opleiding zijn en andere houders van een preekconsent. Hier worden alleen de hoofdlijnen van deze generale regeling nader bezien.

Art. 1 van de generale regeling maakt duidelijk dat preekconsenten centraal worden verleend, namelijk door de kleine synode, die zich daarvoor laat bijstaan door een speciale commissie. Preekconsenten worden in opdracht van de kleine synode in een register bijgehouden. Wat nodig is om een preekconsent te krijgen, wordt hier op overzichtelijke wijze aangegeven. Een preekconsent is altijd beperkt in geldigheidsduur (al is in een procedure voor verlenging voorzien) en in een aantal gevallen ook wat betreft de gemeenten waarvoor het geldt. Verlenging moet worden aangevraagd en wordt dus niet automatisch verleend. Daarentegen kan een consent wel tussentijds vervallen, bijvoorbeeld als men zich niet aan de regels houdt (art. 3-2). Immers, wie een preekconsent krijgt, legt een belofte af, niet alleen inzake trouw aan het belijden van de kerk — al is dat het belangrijkste — maar ook inzake het zich houden aan de kerkordelijke regels. Degene die de belofte aflegt, antwoordt bevestigend op de volgende vraag:

‘Bent u bereid in uw werk te getuigen van het heil in Jezus Christus? Belooft u daarbij te blijven in de weg van het belijden van de kerk? Belooft u zich te houden aan de regels, gesteld in de orde van de kerk?’ (G.R. preekconsent, art. 1-7)

Ook krijgt men veelal een vorm van supervisie of begeleiding (art. 2). Op de vraag van een kerkenraad die betrokkene uitnodigt om voor te gaan, moet men het consent kunnen tonen. Een kerkenraad die op dit punt twijfels heeft, doet er derhalve goed aan de betrokkene tijdig daarnaar te vragen en niet te wachten tot de laatste minuten voor de dienst!

In beginsel kent de generale regeling twee groepen mogelijke preekconsenthouders, namelijk degenen die de predikantsopleiding volgen of hebben gevolgd (art. 4 en 5), en kerkelijk werkers (art. 6 en 7). Voor geen van beide categorieën geldt dat het preekconsent automatisch bestaat: het moet altijd worden aangevraagd. Studenten krijgen in het kader van hun opleiding, op verklaring van de betrokken hoogleraren en docenten, namens de kleine synode van de genoemde commissie een preekconsent voor telkens ten hoogste één jaar (ord. 13-12-1; zie voor de uitdrukking ‘met gebruikmaking van’, § 7.9), maar geldig voor alle gemeenten. Wie de predikantsopleiding volledig en met goed gevolg heeft afgerond maar besloten heeft (nog) geen predikant te worden, kan eveneens een preekconsent krijgen. Daarvoor is echter een aanbeveling van het breed moderamen van de eigen classicale vergadering nodig, terwijl de commissie voor de preekconsenten eerst met betrokkene in gesprek gaat. Zulke preekconsenten gelden voor vier jaar en eveneens voor heel de kerk.

Preekconsenten voor kerkelijk werkers (ord. 3-12 en 13, zie § 5.5.4) gelden altijd voor een beperkt gebied. Gaat het om een kerkelijk werker in een gemeente, dan kan het worden verleend voor die gemeente(n) en eventueel voor door het breed

|200|

moderamen van de classicale vergadering aangegeven andere gemeenten in de classis. Gaat het om een kerkelijk werker die als geestelijk verzorger werkzaam is in een instelling, dan geldt het nooit buiten die instelling.

Preekconsenten voor kerkelijk werkers worden niet aangevraagd door henzelf, maar door de betrokken kerkenraad. De kerkenraad én het breed moderamen van de classicale vergadering (dat als eerste kennis neemt van de aanvraag) moeten nagaan of en tegenover de commissie van de kleine synode aannemelijk maken dat een preekconsent nodig is om ter plaatse in het voorgaan in de kerkdiensten te kunnen voorzien. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn omdat het gaat om een streekgemeente met meerdere preekplaatsen of om een langdurig vacante gemeente (zie § 5.5.4). Het breed moderamen van de classicale vergadering dient de aanvraag alleen in als het kan voorzien in een vorm van supervisie door een predikant en als het tot het (voorlopig) oordeel is gekomen dat de kerkelijk werker voldoende bekwaamheid bezit voor deze verantwoordelijkheid. Of daarvan inderdaad sprake is, wordt uiteindelijk beoordeeld door de genoemde commissie voor de preekconsenten van de kleine synode. Bij de aanvraag moet daartoe dan ook een preek met bijbehorende orde van dienst worden ingezonden (G.R. preekconsent, art. 1-4).

Is dit alles in orde, dan wordt een consent verleend, eerst voor één jaar en vervolgens steeds voor vier jaar. Het wordt aan betrokkene uitgereikt door het breed moderamen van de classicale vergadering.

Het bovenstaande geldt grosso modo ook voor kerkelijk werkers in instellingen. Als het gaat om een bijzondere opdracht die verleend is door een meerdere vergadering dan wordt de aanvraag niet ingediend bij het breed moderamen van de classicale vergadering, maar bij de kleine synode.

Tenslotte moet nog gewezen worden op twee overgangsbepalingen. De eerste is te vinden bij de ordinanties, als ovb. 40. Deze bepaalt dat alle consenten die voor de vereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden tot de Protestantse Kerk in Nederland waren verleend, van kracht blijven voor de termijn waarvoor en onder de voorwaarden waaronder zij zijn verleend. In vele gevallen gaat het daarbij niét om studenten, theologen of kerkelijk werkers. Zij behouden dus voorshands hun bevoegdheid. Verder is er nog een belangrijke overgangsbepaling opgenomen in de generale regeling preekconsent zelf: de kleine synode kan dergelijke preekconsenten ‘oude stijl’ verlengen, maar dat alleen op verzoek van het breed moderamen van de classicale vergadering en indien het naar het oordeel van de kleine synode in het belang van de kerk is. Daarbij geldt de procedure die in art. 1 van de generale regeling is aangegeven: er wordt dus in elk geval een nieuw onderzoek naar de bekwaamheid ingesteld.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.7

|201|

7.7 De kerkmusicus

Ord. 5-6 maakt in zoverre een wat merkwaardige indruk, dat het hier vooral over rechtspositionele zaken gaat. Alleen de eerste zin van lid 1 maakt duidelijk, waar het om gaat in het perspectief van een ordinantie op de eredienst: ‘Aan de gemeentezang en de verdere muzikale vormgeving van de eredienst wordt leiding gegeven door een kerkmusicus.’

Voor het overige wordt hier alleen geregeld dat een kerkmusicus in een bediening kan worden gesteld, wordt benoemd door de kerkenraad na overleg met het college van kerkrentmeesters, en aangesteld door het college van kerkrentmeesters, hetzij op arbeidsovereenkomst hetzij op basis van vrijwilligheid. Details zijn geregeld in de generale regeling kerkmusici. Men moet bij deze regeling denken aan organisten, cantor-organisten en cantores. De voor het dagelijks leven van de gemeente belangrijkste bepalingen zijn de volgende. De (wijk)kerkenraad — aldus G.R. kerkmusici, art. 2-5 — stelt in het beleidsplan (zie ord. 4-8-5) onder meer het beleid inzake de kerkmuziek vast. Op basis daarvan bepaalt de (wijk)kerkenraad vervolgens op welk functieniveau de kerkmuziek dient te worden beoefend (art. 2). Dat gebeurt in overleg met de afdeling binnenland, werkveld kerkmuziek, van het Landelijk Dienstencentrum. Komt men er samen niet uit, dan wordt een commissie van advies ingesteld, die een beslissing neemt. De generale regeling kent drie functieniveaus, en dat zowel bij de cantor als bij de organist. Niveau I is het hoogste, niveau III het laagste. In art. 4 en 5 wordt nauwkeurig aangegeven wat bepalend is voor uitvoering van de kerkmuziek op een bepaald niveau. Is bijvoorbeeld sprake van een monumentaal orgel, vermeld op de lijst die wordt bijgehouden door het regionale college voor de (behandeling van) beheerszaken, dan is functieniveau I verplicht.

Kerkmusici kunnen een met de functieniveaus corresponderende bevoegdheidsverklaring I, II of III krijgen als zij voldoen aan de betreffende opleidingseisen (G.R. kerkmusici, art. 7-3). Ook hier is tot in detail geregeld hoe de procedures daarvoor zijn, inclusief advisering en de mogelijkheid bezwaar tegen weigering aan te tekenen. Alleen op functieniveau III is benoeming ‘op basis van vrijwilligheid’ (art. 9-4), dus zonder een arbeidsovereenkomst, mogelijk; bij functieniveau I of II kan de betrokkene zelf schriftelijk aangeven geen arbeidsovereenkomst te wensen. Op functieniveau III is het voorts, indien benoeming van een bevoegde kerkmusicus niet mogelijk blijkt, toegestaan een niet-bevoegde te benoemen (G.R. kerkmusici, art. 11-2 t/m 5). Na drie benoemingen telkens voor één jaar kan een benoeming voor onbepaalde tijd volgen, indien een andere oplossing niet voorhanden is.

Ook de procedures en voorwaarden rond de benoeming en de aanstelling zijn zeer uitvoerig geregeld. Men zie voor dit alles in voorkomende gevallen de generale regeling.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.8

|202|

7.8 De koster en het kerkgebouw

De zorg voor het kerkgebouw en de goede gang van zaken daarin tijdens de kerkdiensten berust bij het college van kerkrentmeesters, zegt ord. 5-8-1. De omschrijving van de functie van de koster in ord. 5-7-1 is even simpel als herkenbaar: hij of zij staat het college van kerkrentmeesters daarin bij. Kosters worden benoemd door de (wijk)kerkenraad. Betreft het een kerkgebouw waarvan twee of meer wijkgemeenten gebruikmaken, dan zullen dus de betrokken kerkenraden het over de benoeming eens moeten worden. Benoeming vindt plaats op voordracht van het (algemeen) college van kerkrentmeesters (dus niet van een wijk-raad van kerkrentmeesters, vgl. ord. 11-2-7 sub d en e), bij voorkeur uit de leden van de kerk, en men wordt vervolgens aangesteld door het college van kerkrentmeesters. Gaat het om een aanstelling op arbeidsovereenkomst, dan is de generale regeling voor de rechtspositie van de kerkelijk medewerkers van toepassing (zie § 5.11). In de praktijk zal het college van kerkrentmeesters de zorg goeddeels in handen van de koster laten, ook als het erom gaat ervoor te zorgen dat het kerkgebouw bij voorrang beschikbaar blijft voor gemeentelijke en kerkelijke doeleinden (ord. 5-8-3). Uiteindelijk is echter niet de koster, maar de kerkenraad samen met het college van kerkrentmeesters daarvoor verantwoordelijk, en dus bevoegd te besluiten. Belangrijke beslissingen rond de inrichting van het kerkgebouw blijven voorbehouden aan de kerkenraad, die zich daarvoor laat adviseren door ‘het orgaan van de kerk dat op dit terrein werkzaam is’ (ord. 5-8-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.9

7.9 Bijbelvertaling, liedboek en dienstboek

In de eredienst gaat het om ‘de lezing van de Heilige Schrift en de prediking van het evangelie, de bediening en viering van de doop en het avondmaal, de dienst van lofzang en gebed en de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid’ (art. VII-1). Daarvoor zijn bijbelvertalingen nodig en liedbundels, orden van dienst en wellicht gebedsteksten. Er is voor de kerk op dat gebied veel beschikbaar. De generale synode heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid — waarbij als motief genoemd wordt het bevorderen van de eenheid in de kerk —, maar de woordkeus in ord. 5-9 maakt direct duidelijk dat het er niet om kan gaan alles ‘van bovenaf’ in de grootst mogelijke uniformiteit te regelen.

Opvallend zijn de nuances in de gebruikte werkwoorden. Bijbelvertalingen worden door de synode aangewezen, psalm- en gezangboeken aangeboden, en ze worden in de eredienst ‘bij voorkeur’ gebruikt. Orden van dienst (samengebracht in het dienstboek van de kerk) worden echter vastgesteld, en hier geldt een sterkere verplichting er gebruik van te maken — waarbij overigens het dienstboek een grote afwisseling aan mogelijke teksten laat zien op praktisch alle terreinen. Steeds weer komt men in kerkorde en ordinanties de uitdrukking ‘met gebruikmaking

|203|

van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’ of woorden van gelijke strekking tegen. In ord. 5-9-2 wordt het haast ten overvloede nogmaals gezegd: ‘De eredienst, de bediening en viering van de doop en van het avondmaal, de openbare geloofsbelijdenis, de bevestiging van ambtsdragers, de inleiding van hen die in een bediening worden gesteld, de trouwdiensten en de diensten van rouwdragen en gedenken geschieden met gebruikmaking van door de generale synode vastgestelde orden.’ Men vindt een zelfde bepaling ook bij de kerkordelijke regeling van elk van de hier genoemde elementen van de eredienst. Menigeen zal zich de vraag stellen of en in hoeverre het hier mogelijk is van het dienstboek af te wijken. Wordt bij bijbelvertalingen en liedbundels nog gezegd dat daarvan in de eredienst ‘bij voorkeur’ gebruikgemaakt wordt, ten aanzien van de orden van dienst is de kerkorde strikter. Dat ligt om twee redenen voor de hand. Allereerst zijn er elementen in de eredienst waar het van groot belang is zich letterlijk te houden aan de door de traditie geijkte en/of door de kerk vastgestelde formuleringen. Het hanteren van een andere dan de bekende trinitarische doopformule is ontoelaatbaar, al was het maar omwille van goede oecumenische verhoudingen. De wederzijdse dooperkenning tussen de Protestantse Kerk in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk is bijvoorbeeld gebaseerd op een consequent vasthouden aan de klassieke doopformule. Maar bovenal dient van dergelijke formuleringen — te denken is hier ook aan de avondmaalswoorden — niet te worden afgeweken omwille van de zaak zelf. Iets dergelijks geldt voor beloften die worden afgelegd bij de aanvaarding van een ambt of de inleiding in een bediening. Er mag achteraf geen twijfel kunnen bestaan over de vraag wat iemand in dat kader heeft toegezegd (in de kerkelijke rechtspraak zal men er altijd vanuit gaan, dat hierbij het dienstboek is gevolgd).

Een tweede reden ligt in de grote schat aan materiaal die in het dienstboek wordt aangereikt. Bij alle ambtshandelingen waar het hier vooral om gaat, biedt het dienstboek voor de niet direct geijkte onderdelen van een orde zoveel keuzemogelijkheden, dat elke gemeente daarin wel kan vinden wat bij de eigen spiritualiteit past. Het is dan ook niet meer dan een kwestie van een zekere bescheidenheid zich daaraan zoveel mogelijk te houden, zonder dat daarmee van een ‘slaafs volgen’ sprake behoeft te zijn. Er zijn immers nog altijd vele mogelijkheden om, bijvoorbeeld met het oog op degenen die een kind ten doop houden of die in het ambt bevestigd worden, in verkondiging, gebeden en anderszins aan de dienst een heel persoonlijke invulling te geven.

Wat wordt nu precies verstaan onder het dienstboek van de kerk, waarin de orden worden samengebracht? Het Dienstboek. Een Proeve — Schrift, Maaltijd, Gebed (1998) is in kerkordelijke zin slechts een onderdeel daarvan en vormt in feite de afleveringen 4 en 5 van een serie. Er zijn ook de reeds eerder verschenen Proeven voor de diensten van rouwdragen en gedenken, voor de bevestiging van ambtsdragers en voor doop en belijdenis.2 Bij dit alles gaat het dus om ‘proeven’, waarover de synode nog een definitief besluit moet nemen (ord. 5-9-3, zie onder).


[205] 2. Commissie Dienstboek, Proeven voor de Eredienst, aflevering 1: Liturgie in dagen van rouw, Leidschendam/Leusden (1987), aflevering 2: Bevestiging van ambtsdragers, Leidschendam/Leusden (1989), aflevering 3: Doop en belijdenis, Zoetermeer (1993).

|204|

Maar onder dat voorbehoud maken zij wel deel uit van het dienstboek. Van belang is voorts ovb. 206. Deze bepaling geeft aan dat hier ook de orden van de kerken die zijn samengegaan in de Protestantse Kerk in Nederland bij worden gerekend. Onder de te gebruiken orden van dienst vallen dus ook de klassieke formulieren die voor de vereniging in de kerken in gebruik waren. Tenslotte zij opgemerkt dat de Waalse gemeenten, verenigd in de Réunion Wallonne, krachtens ord. 4-21-5 de ruimte hebben voor een eigen beleid op dit terrein.

De eigen verantwoordelijkheid van de gemeenten blijkt ook uit ord. 5-9-3. De generale synode geeft nieuwe uitgaven in deze sfeer steeds eerst gedurende enige tijd vrij ter beproeving door de gemeenten. Dan worden de classicale vergaderingen en de desbetreffende adviesorganen gehoord, voordat de synode een definitief besluit neemt.

Moet men bij het dienstboek al niet denken aan één boekwerk, dat geldt nog veel méér voor het in ord. 5-9-4 genoemde ‘kerkboek’. Alleen al vanwege de dan noodzakelijke omvang zal een dergelijke bundel met psalmen, gezangen, orden van dienst én belijdenisgeschriften nooit in één uitgave kunnen worden gebundeld.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 7.10

7.10 Auteursrechten

Een onderwerp dat met het gebruik van liederen en teksten te maken heeft, is het auteursrecht. De Auteurswet onderscheidt in twee velden: ‘openbaar maken’ en ‘verveelvoudigen’.

 

Bij ‘openbaar maken’ moet in de kerk allereerst gedacht worden aan gemeentezang en de instrumentale begeleiding daarvan tijdens de eredienst. Hiervoor geeft art. 17c Auteurswet een vrijstelling van auteursrecht. Dat betekent dat hiervoor geen auteursrecht betaald behoeft te worden.

Verder kan gedacht worden aan zang tijdens andere gemeentesamenkomsten, of bijvoorbeeld het ten gehore brengen (afspelen) van muziek tijdens gemeenteactiviteiten zoals jeugdwerk. Voor dit overige gebruik door de gemeenten hebben de landelijke kerken met BUMA/STEMRA een regeling getroffen. Per gemeente wordt voor deze regeling door de landelijke kerk jaarlijks een bepaald bedrag betaald. Niet specifieke gemeenteactiviteiten, zoals bruiloften en partijen in het verenigingsgebouw of een volledig ‘open’ jeugdsociëteit, vallen buiten deze regeling. Hiervoor dienen de gewone auteursrechtelijke vergoedingen te worden voldaan.

 

Onder ‘verveelvoudigen’ vallen zaken als: drukken en kopiëren, zoals bij het vervaardigen van liturgieën, maar ook meer eigentijdse vormen als opnemen in computerbestanden of op transparanten en vervolgens projecteren. Ook het opnemen van auteursrechtelijk beschermd materiaal op geluidsdragers is een vorm van verveelvoudiging.

Alleen het maken van enkele kopieën voor eigen persoonlijk gebruik is toegestaan.

|205|

Voor het overige is toestemming nodig. Daarvoor kan men zich wenden tot de uitgever van het desbetreffende werk. Voor het Liedboek berusten de auteursrechten inzake het ‘verveelvoudigen’ bij de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied.3


3. Zie voor uitvoerige informatie over dit onderwerp ook: www. sowkerken. nl, vervolgens inhoudsopgave, K, kerkmuziek, rubriek diversen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H8

206-212

|206|

8 Doop en avondmaal

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.1

8.1 Algemeen

De ordinanties over de heilige doop en over het heilig avondmaal (ord. 6 en 7) zijn de kortste ordinanties van de kerkorde, en terecht. De bediening van de sacramenten dient immers niet primair vorm te krijgen via kerkordelijke regelgeving, maar veeleer door middel van wat in liedboek, orden van dienst en dergelijke wordt aangereikt. Toch moet er wel iets geregeld worden. Daarbij is een zekere parallellie in de opzet van beide ordinanties aanwijsbaar: het gaat eerst om de opwekking tot de doop respectievelijk de nodiging tot de Maaltijd van de Heer (ord. 6-1 en 7-1), dan om de toelating tot elk van beide sacramenten (ord. 6-2 en 7-2), en daarna om de bediening respectievelijk viering ervan (ord. 6-3 en 7-3). In alle gevallen geldt de primaire verantwoordelijkheid van de kerkenraad (zie art. VIII-3 en IX-4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.2

8.2 Opwekking en toelating tot de doop

De Protestantse Kerk in Nederland kent — evenals de kerken die erin opgingen — een dubbele dooppraktijk, namelijk zowel de kinderdoop als de doop op belijdenis. In de kerkorde zelf komt dat tot uitdrukking in art. VIII-2: ‘De doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt, nadat het geloof door en met de gemeente beleden is.’ (cursief van L.J.K.). De eigen plaats van de doop op belijdenis wordt dus nadrukkelijk erkend, maar zonder dat het goed recht van de kinderdoop daardoor in twijfel wordt getrokken. Dat laatste blijkt ook uit het accent in de laatste woorden van ord. 6-1-1, waar de gemeente wordt opgewekt tot de viering van de doop, ‘in het bijzonder van de doop van de kinderen van de gemeente’.

De verantwoordelijkheid van de kerkenraad komt in het bijzonder tot uitdrukking bij de toelating tot de doop. Vooral daarin mag duidelijk worden dat ‘de doop in de gemeente heilig wordt gehouden’ (ord. 6-1-2). De toelating krijgt met name vorm in een gesprek met doopouders of dopelingen, waarin de betekenis van de doop én het verlangen van de doopouders — en uiteraard in voorkomende gevallen ook van de dopelingen — aan de orde komen.

In sommige gemeenten zullen alleen belijdende leden de doopvragen mogen beantwoorden — zoals vanouds in de Gereformeerde Kerken in Nederland de regel was —, terwijl in andere gemeenten ook doopleden daartoe gerechtigd zijn. De beslissing daarover dient niet van geval tot geval genomen te worden, maar vindt plaats binnen een beleid, waarbij de kerkenraad bij een voorgenomen beleidswijziging de gemeente betrekt via ‘kennen en horen’ (ord. 6-2-4), dus naar het in ord. 4-8-7 bepaalde.

|207|

Wanneer ouders hun kind willen laten dopen in een andere dan de eigen gemeente, moet de eigen kerkenraad door de kerkenraad waar de aanvraag is ingediend, geïnformeerd worden. Vanwege de termijnen die in acht genomen moeten worden, is het van belang dat een doopbediening ‘elders’ vroegtijdig wordt aangevraagd. De procedure vergt minimaal zeven weken; in de praktijk zal het wel eens langer duren, als kerkenraadsvergaderingen noodzakelijk zijn. De eigen kerkenraad heeft gelegenheid om — binnen drie weken — bezwaar aan te tekenen. De kerkenraad waarbij de doop is aangevraagd, neemt een beslissing over een dergelijk bezwaar en stelt daarvan vervolgens de eigen kerkenraad op de hoogte. Deze heeft dan nog vier weken de tijd om de zaak eventueel aanhangig te maken bij het regionale college voor bezwaren en geschillen (ord. 12-3-1). Ord. 6-4-4 wijst er overigens op dat achteraf aan de eigen gemeente bericht moet worden gezonden als de doop is bediend; dit met het oog op de inschrijving in het ledenregister als dooplid.

Een bijzondere situatie kan zich voordoen als beide doopouders lid zijn van een andere kerk. Is één van hen lid van de Protestantse Kerk in Nederland, dan geldt het volgende natuurlijk niet.

Wanneer de doopouders als gastleden zijn ingeschreven in het register van gemeenteleden (ord. 2-7-4) regelt de generale regeling gastlidmaatschap de gang van zaken. In art. 6 wordt geregeld dat de kerkenraad alvorens over de doopaanvraag te besluiten overlegt met het bevoegde orgaan van de eigen kerk van de betrokkenen. In het algemeen zal de doopaanvraag niet worden gehonoreerd als de eigen kerk er niet mee kan instemmen. Ook wordt overlegd in welke gemeente inschrijving als dooplid zal plaatsvinden. In elk geval wordt achteraf bericht gezonden dat de doop is bediend (G.R. gastlidmaatschap, art. 7).

Wordt de doop aangevraagd door ouders die noch als lid noch als gastlid bij de gemeente betrokken zijn, dan stelt ord. 6-2-6 dat ‘zo mogelijk’ overleg met het bevoegde orgaan van die andere kerk verplicht is. Men moet hier in de regel niet denken aan ouders uit een Nederlandse kerk. Het valt immers nauwelijks in te zien waarom dan de doop niet in die kerk bediend zou worden; en als daar een doopbediening niet wordt toegestaan, zou ook een kerkenraad van de Protestantse Kerk in Nederland daartoe niet moeten besluiten, tenzij de betrokkenen overkomen naar een gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland. De regel is vooral van belang wanneer bijvoorbeeld asielzoekers de doop voor hun kind aanvragen, of wanneer Nederlanders die in buitenland wonen met verlof in Nederland zijn en hier een kind willen laten dopen. Zeker in het eerste geval is overleg met de eigen kerk vaak niet mogelijk, maar kan dat wel, dan moet het ook gebeuren. In dat geval is feitelijk instemming van de eigen kerk vereist, gezien het belang van een correcte oecumenische omgang.

De kerkenraad heeft bij dat alles wel te maken met richtlijnen van de generale synode (ord. 6-2-1). Welke richtlijnen dat precies zijn, is echter nog niet bekend. Men mag aannemen dat die nauw zullen aansluiten bij wat tevoren gold in de

|208|

drie kerken die de Protestantse Kerk in Nederland zijn gaan vormen. Onder een zeker voorbehoud kan daarom hier wel iets gezegd worden.

Voor zover de plaatselijke regelingen al niet in een dergelijke bepaling voorzien, zullen de richtlijnen vermoedelijk een termijn noemen voor de doopaanvraag. Ouders die in de gemeente waarin zij als lid zijn ingeschreven de bediening van de doop voor hun kind aanvragen, dienen dit tenminste acht dagen tevoren mede te delen aan de kerkenraad, al kan in bijzondere gevallen van de genoemde termijn worden afgeweken.

Belangrijker is de kwestie van de doop van geadopteerde kinderen en pleegkinderen. Gemeenteleden die het gezag hebben over andere dan hun eigen kinderen, dan wel die kinderen geadopteerd hebben, kunnen voor deze kinderen de doop aanvragen. Hier wordt staand beleid van de kerken geformaliseerd. Het is binnen het burgerlijk recht ondenkbaar pleegkinderen te laten dopen zonder toestemming van de natuurlijke ouders, als die het gezag nog hebben. Bij de doop van voogdijkinderen in een instelling geldt dat evenzeer. Wanneer de natuurlijke ouders toestemming geven, is het in ord. 6 gestelde van overeenkomstige toepassing.

Een laatste punt dat in de richtlijnen vermoedelijk wel zal worden geëxpliciteerd, is het feit dat toelating tot de doop niet kan worden geweigerd bij wijze van middel van kerkelijke tucht. Dat is feitelijk de consequentie van ord. 10-9-6. Deze bepaling kent immers als tuchtmaatregel wel de afhouding van het heilig avondmaal — zij het in de vorm van een ernstige vermaning — maar niet het weigeren van de doop.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.3

8.3 De bediening van de doop

De kerkorde zelf zegt: ‘De heilige doop wordt bediend in het midden van de gemeente door een predikant, met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’ (art. VIII-1). Ord. 6-3 werkt dit uit. ‘In het midden van de gemeente’ wil zeggen: in een kerkdienst van de gemeente (ord. 6-3-2). Daarvoor moet minstens eenmaal per maand de gelegenheid geboden worden (ord. 6-3-1). Kan het dan niet op een ander tijdstip en wellicht ook elders, thuis of in een ziekenhuis? Daartoe kunnen bijzondere omstandigheden aanleiding geven, zegt lid 3. Te denken valt aan ernstige ziekte van de moeder of van het kind. Maar ook dan moet het een zaak van de kerkenraad en zo veel mogelijk ook van de gemeente blijven. Principieel is de bediening van de doop immers geen familiegebeuren, maar een zaak van de gemeente.

Voor de reikwijdte van de uitdrukking ‘met gebruikmaking van’ (ord. 6-3-2) zie § 7.9.

In de geschiedenis van de kerken die de Protestantse Kerk in Nederland zijn gaan vormen, is op verschillende manieren sprake geweest van doopgetuigen. Zo kent de gereformeerde traditie vanouds de mogelijkheid dat anderen in de plaats van

|209|

de ouders of verzorgers treden: ook ord. 6-3-4 spreekt daarom van ‘anderen die bereid zijn (mede)verantwoordelijkheid te dragen voor de geestelijke vorming van het kind’. Ook wanneer de ouders of verzorgers van een kind niet in staat of gerechtigd zijn de doopvragen te beantwoorden, moet het niet op voorhand onmogelijk zijn dat dat kind gedoopt wordt. Anderen nemen in dit geval de eerste verantwoordelijkheid voor de geestelijke vorming; door de term ‘(mede)verantwoordelijkheid’ blijft open of ook de ouders zelf daarin een zekere verantwoordelijkheid willen nemen. In de gereformeerde traditie werd in dit geval van ‘doopgetuigen’ gesproken, maar ord. 6 gebruikt deze term niet in deze zin.

In de tweede volzin van ord. 6-3-4 wordt de term doopgetuigen wel in een andere betekenis gebruikt. Daarbij is gedacht aan een gebruik dat men sterker in andere tradities vindt: de peter en meter. Zulke doopgetuigen treden niet in de plaats van de ouders, maar spelen aanvullend een rol. Zo iemand is ‘een vertrouwensfiguur, bij wie het kind weet te allen tijde te kunnen aankloppen’.1 Ook die mogelijkheid bestaat dus in de Protestantse Kerk in Nederland.

Soms is er een situatie waarin men zich kan afvragen of nog sprake kan zijn van een kinderdoop, of dat het betrokken kind eigenlijk al als mondig beschouwd moet worden. Die grens kan niet in een leeftijd worden vastgelegd: als de kerkenraad van oordeel is dat de doop op belijdenis kan worden bediend, dan heeft hij het recht dat zo te doen plaatsvinden. Kiest men daarvoor niet, maar is het kind in kwestie toch al wel in staat zelf mee te spreken, dan dient eerst dooponderricht plaats te vinden en beantwoordt het kind in kwestie zelf de doopvragen, eventueel samen met de ouders (ord. 6-3-5). In dat geval is dus nog steeds sprake van een kinderdoop!


[212] 1. P. Oskamp, Doopborgen: profiel en profijt, Zoetermeer 1998, 128. Oskamp spreekt in dit geval bij voorkeur van ‘doopborgen’.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.4

8.4 De doopregistratie

Het kan nodig zijn dat iemand kan aantonen gedoopt te zijn. Alleen daarom al is het nodig dat de kerkenraad zorgt voor een zorgvuldige en toegankelijke registratie (ord. 6-4-1). Daartoe dient het doopboek, waarvoor het college van kerkrentmeesters de verantwoordelijkheid draagt (ord. 11-2-7 sub f). De generale synode kan hiervoor nog richtlijnen geven. De dopeling (of de doopouders) krijgt (krijgen) een schriftelijke verklaring; veelal zal dat vorm krijgen via een fraai uitgevoerde doopkaart. Heeft iemand later een officieel doopbewijs nodig, dan kan dat alleen als duidelijk is dat de bedoeling niet strijdig is met het belijden van de kerk. Het mag dus wel — en is aan te bevelen — wanneer iemand voor een kerkelijk huwelijk in een Grieks-Orthodoxe Kerk zo’n bewijs nodig heeft, maar het is niet toegestaan wanneer een vreemde overheid het bewijs wil hebben dat iemand niet-jood of niet-moslim is.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.5

|210|

8.5 Dooperkenning

De kerkenraad kan komen te staan voor de vraag of iemand die vanuit een andere geloofsgemeenschap over wil komen naar de gemeente, naar het inzicht van de Protestantse Kerk in Nederland wel of niet gedoopt is. Vier inhoudelijke criteria zijn hier van belang: (1) heeft de doop plaatsgevonden in of vanwege een christelijke kerk of een gemeenschap van christenen, (2) door een aldaar tot de doopbediening bevoegd persoon, (3) met water en (4) in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest? Ord. 6-5-1 noemt deze criteria.

In een aantal gevallen behoeft de kerkenraad dit niet verder na te gaan, omdat sprake is van wederzijdse dooperkenning. Dat geldt bijvoorbeeld voor de doop in de Rooms-Katholieke Kerk: de drie kerken die in de Protestantse Kerk in Nederland verenigd zijn, kwamen hierover al rond 1967 tot een duidelijke afspraak met deze kerk. Men mag er ook van uitgaan dat dit geldt voor kerken waarmee naar ord. 14-4 bijzondere betrekkingen zijn aangegaan. Maar het kan ook nodig zijn dat de kerkenraad zich zelf — al dan niet geadviseerd door de dienstenorganisatie van de kerk — ervan vergewist hoe het ligt. Ord. 6-5-2 maakt duidelijk dat daarmee voor een elders gedoopte nog geen automatisch recht ontstaat om als lid van de gemeente en de kerk te worden ingeschreven: ook als de doop kan worden erkend, dient de kerkenraad zich een oordeel te vormen over de beweegredenen die iemand heeft om lid te willen worden van de gemeente. Dat zou dus ook geweigerd kunnen worden — al lijkt het niet erg waarschijnlijk dat iemand inschrijving in de gemeente zonder goede motieven zou aanvragen.

Zie voor de overkomst als belijdend lid ord. 9-5-7 en § 10.4.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.6

8.6 Nodiging tot, voorbereiding op en toelating tot het avondmaal

In ord. 7 vindt men wat geregeld moet worden rond het avondmaal. De verantwoordelijkheid van de kerkenraad staat hier binnen een fundamentele uitspraak van de kerkorde zelf: ‘Tot de Maaltijd van de Heer zijn genodigd zij die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing en door geloofsonderricht tot dit geheimenis zijn toegeleid’ (art. IX-2). De kerkenraad beschikt niet over de Tafel van de Heer; zij nodigt, in eredienst en pastoraat (ord. 7-1-1), en draagt zorg voor de toeleiding of voorbereiding. Bij dat laatste is te denken zowel aan catechese als aan de ‘voorbereiding op het heilig avondmaal’ op een voorafgaande zondag, waarop ord. 7-4 dieper ingaat. Als de kerkenraad dat wenselijk acht, kunnen de voorbereiding op de viering van het avondmaal, waarin de gemeente wordt opgewekt tot verootmoediging en vertrouwen, en de dankzegging na het avondmaal plaatsvinden in een kerkdienst voorafgaand aan respectievelijk volgend op de viering van het avondmaal.

In ord. 7-4-2 wordt daarnaast gewezen op de mogelijkheid dat de kerkenraad een samenkomst belegt ter bezinning en verzoening, met het oog op de waardige

|211|

viering van het avondmaal. Men kan hier denken aan de censura morum in de gereformeerde traditie: in de laatste kerkenraadsvergadering voorafgaande aan de viering van het avondmaal wordt aan de leden van de kerkenraad gevraagd of iemand zodanige moeite heeft met de ambtsvervulling van één van de andere leden, dat dit eerst dient te worden uitgepraat. Maar ord. 7-4-2 gaat verder: soms kan door conflicten in een gemeente een situatie zijn ontstaan dat de kerkenraad er goed aan doet een samenkomst ter verzoening, van kerkenraad en/of gemeente, te beleggen. Het avondmaal is tenslotte het heilig avondmaal, en — niet minder belangrijk — de gemeente is geroepen een heilige gemeente te zijn!

Er is niet alleen de nodiging en toeleiding, maar daarnaast ook de toelating, waarover ord. 7-2 spreekt. Een heel belangrijk punt betreft daarbij de vraag of alleen de belijdende leden van de gemeente kunnen deelnemen (art. IX-3, ord. 7-2-2). De Protestantse Kerk in Nederland kent in dat opzicht een dubbele praktijk: in een deel van de kerk wordt de klassieke volgorde aangehouden dat men door de openbare belijdenis van het geloof toegang verkrijgt tot het avondmaal. In dat geval gaat de nodiging in de gemeente alleen uit naar de belijdende leden van de gemeente. In een ander deel van de kerk wordt de nodiging gericht tot alle gedoopten die ‘Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing’ (art. IX-2) en kan het geloofsonderricht waardoor men tot dit geheimenis wordt toegeleid ook op een andere wijze dan in de belijdeniscatechese plaatsvinden.

De vraag wie in de gemeente aan het avondmaal worden genodigd, is een zaak die voor de identiteit van een gemeente van zodanig gewicht is, dat de kerkenraad op dat punt niet tot een wijziging in het beleid kan besluiten zonder dat daarover een bezinningsproces in de gemeente heeft plaatsgevonden (ord. 4-8-7). Leden van andere gemeenten binnen de kerk worden in beginsel toegelaten tot de viering (ord. 7-2-3): een kerkenraad kan geen leden van de kerk buitensluiten, alleen omdat ze tot een andere gemeente behoren. Indien in een gemeente alleen belijdende leden worden toegelaten tot de viering, zijn ook doopleden uit andere gemeenten uiteraard niet gerechtigd deel te nemen aan de avondmaalsviering. In het algemeen mag hier om geduld en wijsheid worden gevraagd. Men moet geen aanstoot willen geven en niet overvragen. Als in een bepaalde gemeente geen sprake is van een ‘open’ avondmaalsviering, verdient het oude gebruik dat men zich als gast voor de dienst meldt bij de kerkenraad, nog altijd aanbeveling.

Als het gaat om leden van andere kerken is toelating mogelijk, wanneer betrokkenen ook in eigen kring toegang hebben tot de viering, al heeft de kerkenraad de mogelijkheid gasten niet toe te laten. In ord. 7-2-4 ligt de kerkordelijke basis voor een kerkenraadsbeleid waarbij in het kader van de viering een open uitnodiging uitgaat: ‘Wie gedoopt is en in eigen kerk kan deelnemen aan de Maaltijd van de Heer, mag zich welkom weten in de kring rond de Tafel om dankbaar en gelovig in te stemmen met de lofzegging en de zegening van God, onze hemelse Vader.’2


[212] 2. Commissie voor het Dienstboek, Dienstboek. Een Proeve. Schrift, Maaltijd, Gebed, Zoetermeer 1998, 807.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 8.7

|212|

8.7 De viering van het avondmaal

Ord. 7-3-1 benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie ambten rond de Tafel van de Heer. Een predikant bedient, maar diakenen dienen aan de Tafel van de Heer en ouderlingen dragen medeverantwoordelijkheid. De kerkenraad als geheel bepaalt ook het beleid inzake de wijze van vieren: zittende rond de tafel of in de banken, dan wel staande in een kring, lopend of misschien wel knielende voor in de kerk. Dat geldt ook voor de frequentie, al bepaalt ord. 7-3-2 wel een minimum: het avondmaal wordt in elke gemeente ten minste vier maal per jaar gevierd.

 

In art. IX-1 en opnieuw in ord. 7-3-1 wordt gesteld dat de bediening plaatsvindt ‘met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’. Zie hiervoor § 7.9.

In de regel vindt de viering plaats in een kerkdienst, maar viering in bijvoorbeeld de huiselijke kring met wie aan huis gebonden is, is mogelijk. De gedachte daarachter is dat zo’n viering zeer wel kan zijn ‘verbonden met de viering in de kerkdienst’ (ord. 7-3-3). Men kan zich daarbij de vorm voorstellen, waarin een vertegenwoordiger van de kerkenraad tijdens de dienst bij iemand thuis is, terwijl de dienst via de kerktelefoon wordt meebeleefd. Ook kan men denken aan de mogelijkheid om onmiddellijk na de dienst de viering bij iemand thuis voort te zetten. Hier is wel enige ruimte voor eigen vormgeving, maar de relatie met de viering in de kerkdienst blijft van belang, juist omdat in het avondmaal de onderlinge gemeenschap van de gemeente in de Heer mag worden vormgegeven en beleefd.

Vieringen in instellingen worden apart genoemd (ord. 7-3-4): hier gaat het in de regel wel om gewone kerkdiensten, die alleen niet in het kerkgebouw van de gemeente worden belegd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H9

213-217

|213|

9 De missionaire, diaconale en pastorale arbeid

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.1

9.1 Algemeen

De gemeente is een horende en daarom vierende gemeente. Dat vormt de opmaat voor wat nu aan de orde komt: de missionaire, diaconale en pastorale arbeid. De taken van de gemeente naar de wereld toe gaan voorop. Dat ziet men al in de opbouw van art. X van de kerkorde: de missionaire opdracht en de diaconale roeping worden eerst genoemd (lid 1 en 2), en pas daarna de pastorale taak, die overigens evenmin beperkt wordt tot de eigen gemeenteleden.

Toch dient men zich hier te hoeden voor elke neiging aspecten van de opdracht van de gemeente tegen elkaar uit te spelen. Eenzijdige modellen van missionair of apostolair gemeente-zijn worden hier niet voorgeschreven. Juist daarom begint ord. 8 met een artikel over samenhang en eigenheid van de verschillende taken. In het vervolg van de ordinantie worden zij afzonderlijk besproken; de artikelen 2 tot en met 6 lopen parallel met de vijf leden van art. X van de kerkorde.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.2

9.2 Samenhang en eigenheid

De missionaire, diaconale en pastorale roeping en de daaruit voortvloeiende taken rusten primair op de gemeente als geheel, waarbij de kerkenraad niettemin een eigen verantwoordelijkheid heeft. Ook de aandacht voor enerzijds de onderlinge samenhang van de taken en anderzijds de eigenheid van elk daarvan afzonderlijk is een zaak van de gemeente; de kerkenraad zorgt voor de feitelijke afstemming en ziet erop toe dat de gemeente in de vervulling van haar taken gericht is op het gemeente-zijn in de wereld. Ook hier is het dus van belang ‘roeping en recht’ van de gemeenteleden enerzijds (art. IV-2) en de leidende rol van de kerkenraad anderzijds (art. IV-3) beide in een goed evenwicht tot hun recht te laten komen.

Binnen deze balans worden in ord. 8-1-3 specifieke kerkenraadstaken genoemd, zoals het stimuleren van de gemeente en de zorg voor passende toerusting en vorming. Dat laatste komt in ord. 9 meer in het algemeen aan de orde; hier in ord. 8-1-4 wordt — specifieker dan in ord. 9 — gewezen op de rol die bijvoorbeeld kerkdiensten, onderricht en publicaties kunnen spelen bij de toerusting. De kerkenraad moet daarbij zorgen voor een adequate structuur en voor de nodige middelen, en bij dit alles de oecumenische contacten onderhouden. Ook de lokale oecumene staat hiermee onder het voorteken van de roeping van de gemeente. In ord. 8-1 klinkt het besef door dat de gemeente in een multireligieuze context leeft, al zal dat plaatselijk sterk verschillen. De vraag naar de relatie tot mensen

|214|

van andere godsdiensten is niet meer een zaak die alleen zendingsarbeiders in verre landen bezighoudt: het is ook een vraag voor menige gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland. Bewust wordt in ord. 8-1-5 gezegd dat de gemeente in haar getuigenis en dienst ‘andere godsdiensten’ ontmoet. Het gaat niet alleen om mensen, maar ook om gebruiken, waardesystemen en andere uitingen. Daar gaat de gemeente respectvol mee om, open voor gesprek en voor concrete samenwerking. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan een gezamenlijke hulpactie met moslimorganisaties bij een grote ramp in een in meerderheid islamitisch land, maar ook aan meer structurele vormen van gezamenlijke verantwoordelijkheid in het kader van samenlevingsopbouw in een stadswijk.

De tekst maakt volstrekt duidelijk dat in de respectvolle ontmoeting getuigenis en dienst niet overbodig of onmogelijk zijn, integendeel. Maar ze worden wel op een bepaalde wijze gekleurd.

Een laatste algemene bepaling (ord. 8-1-6) betreft een heel eigen aspect van de samenhang. Het missionaire, diaconale en pastorale werk van de gemeenten staat ook in de samenhang van wat de kerk als geheel doet. Daarom laat de kerkenraad zich voorlichten en bijstaan door de organen van de kerk, die op deze terreinen werkzaam zijn. Dat is niet een mogelijkheid, maar een vanzelfsprekendheid. Dat sluit als zodanig niet uit dat een kerkenraad materiaal zou gebruiken, dat niet via RDC en LDC beschikbaar wordt gesteld. Waar een kerkenraad, goed geïnformeerd over wat de kerk als geheel op deze terreinen te bieden heeft, kiest voor een andere weg, behoort dat de dienstenorganisatie van de kerk aan het denken te zetten! Ook dat maakt deel uit van de onlosmakelijke band van kerk en gemeenten. Maar de gemeente kan niet doen alsof zij met de kerk op dit gebied niets te maken heeft. Daar ligt meteen de verbinding met wat in ord. 14 aan de orde komt (ord. 8-2-4 en 8-3-4). Ord. 8 denkt allereerst vanuit de gemeente, maar in de laatste ordinantie komen missionaire, diaconale en pastorale arbeid (ord. 14-8 t/m 10) opnieuw in beeld, nu in de taken die daaromtrent liggen bij de kerk als geheel.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.3

9.3 De missionaire arbeid

De missionaire opdracht van de gemeente wordt in enkele grote lijnen uitgetekend, nauw aansluitend bij art. X-1. Het gaat in wat vanouds veelal wordt aangeduid als zending en evangelisatie om getuigenis én dienst: ook het doen kan immers veelzeggend en zo missionair zijn. Het betreft mensen die het evangelie niet kennen of daarvan vervreemd zijn: ook in eigen land zijn intussen veel mensen die nooit binnen de lichtkring van het evangelie hebben geleefd. En het doel is dat mensen ‘delen in het heil in Jezus Christus’ (zo art. X-1). Mensen winnen voor het evangelie en voor de kerk wordt daarmee niet minder belangrijk, maar het accent ligt op het delen in het heil. Dat veronderstelt een gemeente die weet heeft van delen.

|215|

Ord. 8-2-2 houdt de opdracht in eigen omgeving en de wereldomvattende opdracht bijeen. Voor de opdracht in eigen omgeving is (aldus ord. 8-2-3) niet alleen het werk van organen van bijstand — van kerk én gemeente! — van belang, maar ook en allereerst een leven van de gemeente en haar leden, dat spreekt van het heil. Voor de wereldomvattende opdracht zal de gemeente veelal gebruikmaken van een eigen orgaan, een zendingscommissie of ZWO-groep, maar opnieuw wordt gewezen op het belang van de samenwerking met de kerk als geheel.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.4

9.4 De diaconale arbeid

De parallellie tussen ord. 8-2 (missionaire arbeid) en ord. 8-3 (diaconale arbeid) zal niemand ontgaan. Men treft er dezelfde accenten aan. De leden 2 en 4, over de opdracht dichtbij en ver weg en over de samenwerking van gemeente en kerk, zijn zelfs bijna gelijkluidend. Het verschil ligt natuurlijk vooral in de aard van de arbeid. Bij diaconale arbeid gaat het, in de woorden van art. X-2, om de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid, die resulteert in delen, helpen en getuigen van de gerechtigheid van God. Ook hier sluit de daad het woord niet uit. Ord. 8-3-1 ziet verschillende kringen: onderling dienstbetoon, bijstand, verzorging en bescherming aan wie dat nodig hebben (ook buiten eigen kring), deelnemen in arbeid ten behoeve van het algemeen maatschappelijk welzijn, signaleren van knelsituaties in de samenleving en — de wijdste kring — het bevorderen van de zorg voor het behoud van de schepping. Ord. 8-3-3 zet ook hier het leven van de leden der gemeente voorop: hun onderling dienstbetoon, hun voorbeden en hun dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in de wereld zijn bepalend, al gaat het nauwelijks zonder de plaatsvervangende en coördinerende inzet van de diakenen (ord. 3-11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.5

9.5 De pastorale arbeid

Ook de pastorale arbeid is kerkordelijk geen puur intern-kerkelijke zaak. Er kunnen anderen zijn die deze zorg behoeven. Een kerkenraad kan daarom niet zo maar stellen dat de predikant zich in de pastorale zorg dient te beperken tot de eigen kring. Ord. 8-4-4 wijst nog op een ander aspect: waar in instellingen (ziekenhuizen, gevangenissen, kazernes) in de eigen omgeving bijzonder pastoraal werk geschiedt, daar wordt van de gemeente gevraagd ‘uitdrukking te geven aan haar verbondenheid daarmee’. Dat kan men doen door verantwoordelijkheid te nemen voor het beroepen van een predikant met bijzondere opdracht (ord. 3-23) of door een daar werkende predikant in algemene dienst die in de gemeente woont te betrekken bij het kerkenraadswerk (ord. 4-6-7). Maar ook door de inzet van gemeenteleden als vrijwilligers ter ondersteuning van deze pastorale zorg of door andere vormen van betrokkenheid.

In dat alles gaat het om vormen van herderlijke zorg, gericht op de onderlinge

|216|

opbouw in geloof, hoop en liefde (art. X-3). En net als bij missionair en diaconaal werk staat het leven van (de leden van) de gemeente in dit werk voorop: zij hebben de roeping om te zien naar elkaar en naar anderen. Daarnaast behoort de herderlijke zorg tot de centrale verantwoordelijkheid van de predikanten en de ouderlingen (ord. 3-9 en 10).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.6

9.6 Samenwerking met andere kerkelijke gemeenschappen

De oecumenische opdracht van de kerk als geheel komt in ord. 14 breed aan de orde. Maar ook oecumene begint aan de basis, in de gemeente. Daarbij zet art. X-4 de oecumenische samenwerking onder het voorteken van het bovenstaande: het gaat om doelgerichte samenwerking, waarin de missionaire, diaconale en pastorale roeping van de gemeente des te beter tot uitdrukking kan komen.

Ord. 8-5 zet dat eveneens voorop, door te spreken van ‘oecumenische arbeid ter plaatse’, die vorm kan krijgen in medewerking aan organisaties waarin plaatselijke kerkelijke gemeenschappen samenwerken, bijvoorbeeld op missionair of diaconaal terrein. Maar ord. 8-5-2 geeft de oecumenische samenwerking vervolgens een eigen kleur, door te stellen dat de gemeente deelneemt aan de plaatselijke raad van kerken. Die zal niet overal te vinden zijn of zelfs maar mogelijk zijn, en zeker niet altijd onder de naam ‘raad van kerken’. Tot het onmogelijke is niemand gehouden, maar kerkordelijk wordt van de gemeenten wel gevraagd zich hiervoor in te zetten.

In ord. 8-5-3 wordt tenslotte gewezen op een ontwikkeling die de laatste decennia voor veel gemeenten van grote betekenis is geweest: de oecumenische samenwerking met gemeenten in andere landen, zoals die vorm gekregen heeft in honderden gemeentecontacten, met name binnen Europa, maar ook daarbuiten. Dat de kerkorde er aandacht aan geeft, geeft aan dat het hier moet gaan om meer dan om een hobby van een klein groepje gemeenteleden. Als het goed is, krijgen zulke contacten in het beleid — en beleidsplan — van de kerkenraad een plaats.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 9.7

9.7 Wederkerigheid

Art. X-5 van de kerkorde werd ooit via een amendement in de synodevergadering zelf in de kerkorde opgenomen: ‘Met het oog op de vervulling van haar roeping maakt de gemeente in een relatie van wederkerigheid dankbaar gebruik van inzichten en ervaringen die haar worden aangereikt door gemeenten waarvan de leden uit andere culturen afkomstig zijn.’ Het vraagt de aandacht van de gemeente voor de christenen die in ons midden zijn komen wonen, afkomstig uit andere culturen. Men spreekt daar veelal van migrantengemeenten. Het is zeker niet eenvoudig om daarmee een volwassen relatie op te bouwen: taal, cultuur en spiritualiteit zullen vaak zo anders zijn, dat veel tijd moet worden geïnvesteerd. Het kan heel belangrijk zijn als de gemeente voor zulke gemeenschappen openstaat,

|217|

bijvoorbeeld door een kerkgebouw — liefst gratis! — ter beschikking te stellen voor regelmatige kerkdiensten. Maar minstens zo belangrijk is het wanneer een communicatie op gang komt in wederkerigheid: de gemeente kan waar het gaat om het verstaan van haar eigen missionaire, diaconale en pastorale roeping veel leren van inzichten en ervaringen van deze mensen. Zij kijken met andere ogen naar ons, naar onze manier van kerk-zijn en naar onze samenleving. Men zal daar wellicht niet onmiddellijk uiting aan geven, maar als dat in vertrouwen wel gebeurt, valt er veel te winnen. Ook hier heeft de kerkenraad een eigen rol (ord. 8-6-2 en 3). Overigens zou hier op enig moment ook de mogelijkheid van ord. 14-5-1 — een verdergaande geloofs- en kerkgemeenschap via een associatieovereenkomst met de Protestantse Kerk in Nederland — aan de orde kunnen komen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H10

218-223

|218|

10 De geestelijke vorming

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 10.1

10.1 Algemeen

De kerkorde geeft in art. XI de kaders voor de geestelijke vorming, als aspect van het leven van de gemeente. Het artikel begint met de fundamentele uitspraak dat de gemeente geroepen is blijvend een lerende gemeenschap te zijn en het eindigt met de stelling (in lid 9) dat de zorg voor de daaruit voortvloeiende activiteiten berust bij de kerkenraad. In ord. 9-1 wordt hieraan in zoverre nog iets toegevoegd, dat lid 1 het geheel omschrijft en typeert als een ‘blijvend proces van geestelijke vorming waarin alle generaties betrokken zijn’, terwijl lid 2 de kerkenraad wijst op de rol van de organen van de kerk, waarbij met name gedacht kan worden aan de voorlichting en bijstand die regionaal en landelijk door de dienstenorganisatie worden verleend. Zie hiervoor ook § 9.2.

Bij de invulling in meer concrete regelgeving besteedt ord. 9 achtereenvolgens aandacht aan vorming en toerusting, aan de catechese, aan de openbare geloofsbelijdenis en aan het jeugdwerk.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 10.2

10.2 Vorming en toerusting

Vorming is primair gericht op persoonlijke geestelijke groei; toerusting heeft vooral betrekking op het vervullen van taken van gemeente en kerk (ord. 9-2-1). Beide zijn breder dan wat gewoonlijk in een winterprogramma van de desbetreffende werkgroep of commissie wordt samengebracht. Zeker is dit in het kader van de roeping van de gemeente van belang, maar het heeft ook te maken met meditatie en gebed, met beraad en daadwerkelijke inzet, zegt art. XI-2. Zo is de geestelijke vorming van de jonge gemeenteleden breder dan het catecheseprogramma en het jeugdwerk: de geloofsopvoeding — niet alleen thuis, maar ook in de gemeente — is hier evenzeer van belang (art. XI-3). De gemeente is immers ook betrokken bij de doop (ord. 9-2-2 en ord. 6-1-1). Overigens blijven de hier gestelde regels betrekkelijk vaag.

Ook het in ord. 9-2-3 bepaalde klinkt nogal algemeen. Daar wordt de gemeente kerkordelijk ‘verplicht’ tot onderlinge aanmoediging om aan leeractiviteiten deel te nemen. Veel concreets valt daarbij echter niet te regelen. Het maakt wellicht duidelijk dat het hier gaat om een manier van gemeente-zijn, die nog bezig is haar vormen te vinden en waarin plaatselijke omstandigheden, mogelijkheden en behoeften terecht van doorslaggevend belang zijn.

Blijft in art. XI van de eigenlijke kerkorde de betrokkenheid op mensen buiten de kerk in de geestelijke vorming enigszins buiten beeld, in ord. 9-2-4 ligt hier een opdracht besloten, die dan wel bij voorkeur in oecumenisch verband gestalte zou moeten krijgen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 10.3

|219|

10.3 Catechese

Voor de kerk vormt de catechese van oudsher veel meer bekend terrein. Kerkorde en ord. 9 zijn hier dan ook veel uitvoeriger. De art. XI-5 t/m 7 omschrijven achtereenvolgens de doelgroep — niet alleen de jongeren, en niet alleen binnen de gemeente! —, het doel en de thematiek van de catechese. Het doel van de catechese ligt niet alleen in de toeleiding tot de viering van doop en avondmaal en de voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof. Catechese betreft heel het leven uit Gods beloften en naar zijn geboden. Daaraan zit een missionair aspect: de toerusting tot het christelijk getuigenis in de wereld. Maar het gaat er evenzeer om dat jong en oud hun gaven ontdekken en leren inzetten voor de opbouw van de gemeente van Christus.

Ook hier vult de ordinantie (ord. 9-3) het nader in. De onderwerpen voor de catechese worden wel letterlijk overgenomen uit het kerkordeartikel: het lezen en verstaan van de Heilige Schrift; de eredienst, de liederen en gebeden, de belijdenis en de geschiedenis van de kerk, en het leven als christen in de wereld. Uiteraard is daarmee nog niet alles gezegd over de keuze van leermiddelen en methoden; in elk geval dienen die afgestemd te zijn op leefwereld en ontwikkeling van de catechisanten.

Ord. 9-3-4 noemt dan verschillende bijzondere vormen van catechese. Daarbij komen ook anderen dan de jongeren in beeld. De belijdeniscatechese is een vertrouwd gegeven. Introductiecatechese betreft bijvoorbeeld catechese aan mensen die niet tot een kerk behoren, maar door een gemengd huwelijk met de gemeente in aanraking komen. Men kan hier ook denken aan de Alpha-cursussen. Bij doopcatechese wordt onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad met doopouders, individueel of groepsgewijs, nagedacht over de betekenis van de doop in het licht van de Schrift en de traditie van de kerk. Huwelijkscatechese zal zich veelal richten op aanstaande echtparen en/of jonggehuwden.

In goed overleg zal bepaald worden wie de catechese geven. Duidelijk moet blijven dat de kerkenraad het beleid daarin uiteindelijk bepaalt en dat de predikant zich in elk geval niet zonder instemming van de kerkenraad aan een uitvoerende verantwoordelijkheid kan onttrekken; vooral de belijdeniscatechese blijft in de regel aan de predikant opgedragen (ord. 9-4-1). Ook als gelukkig andere gemeenteleden bij de catechese een waardevolle en deskundige rol spelen, dient een predikant of kerkelijk werker een en ander te begeleiden (ord. 9-3-5 en 6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 10.4

10.4 De openbare belijdenis van het geloof

Relatief veel aandacht besteedt de kerkorde aan de openbare geloofsbelijdenis die vanouds, als doel en afsluiting, in het verlengde van de catechese ligt. Art. XI-8 tekent de grondlijnen en weer is sprake van een bredere benadering: het gaat niet alleen om toegang tot de sacramenten (voor zover daarvoor het afleggen van

|220|

de openbare geloofsbelijdenis al nodig is, zie ord. 6-2-4 en ord. 7-2-2), maar om een leven dat gekenmerkt wordt door persoonlijk getuigenis, (mede)verantwoordelijkheid en betrokkenheid op de gemeente, in het bijzonder waar zij samenkomt in de gemeenschap van Woord en sacramenten.

In die kring wordt de geloofsbelijdenis dan ook afgelegd: in een kerkdienst van de gemeente. Daarbij wordt uiteraard gebruikgemaakt van wat het Dienstboek op dit punt te bieden heeft (art. XI-8 en ord. 9-5-2; zie § 7.9). Wel kent ord. 9-5-5 de mogelijkheid dat ‘in bijzondere omstandigheden’ — dit ter beoordeling en dus ook met instemming van de kerkenraad — de belijdenis in kleinere kring, voor (een vertegenwoordiging van) de kerkenraad, wordt afgelegd. De reden daarvoor kan niet liggen in het feit dat iemand tegen het openbare karakter van de geloofsbelijdenis is. Wel kan men denken aan situaties waarin bijvoorbeeld iemands lichamelijke toestand kerkgang niet toelaat, of waarin een psychische gesteldheid zoals claustrofobie een grote belemmering vormt. Ook wanneer iemand overkomt uit andere kerkelijke kring (ord. 9-5-7), kan er reden zijn om de betrokkene in de gelegenheid te stellen de belijdenis voor de kerkenraad af te leggen. In dat geval heeft de kerkenraad immers ook een zekere vrijheid om te bepalen op welke wijze de betrokkene onder de belijdende leden van de gemeente wordt opgenomen.

 

Art. XI-8 geeft aan dat het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis voorafgegaan wordt door een gesprek met (vertegenwoordigers van) de kerkenraad (zo ook ord. 9-4-2), waarin de motivatie van de betrokkenen aan de orde komt en zo ook de inhoud van hun geloof. Maar de ordinantie wordt hier veel gedetailleerder. Allereerst wordt gewezen op de belijdeniscatechese. Deze vormt de gebruikelijke voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof. Ord. 9-4-1 geeft aan dat de belijdeniscatechese bij voorkeur door de predikant van de gemeente wordt gegeven.

In een aantal gevallen vindt de opneming onder de belijdende leden echter in een andere setting plaats (zie onder, ord. 9-5-3 en 4). Dat heeft consequenties voor de voorbereiding — die echter zeker niet eenvoudigweg achterwege kan blijven. Laat de kerkenraad gemeenteleden toe tot de belijdenis, dan wordt de gemeente op de hoogte gebracht. De kerkorde zegt niet met zoveel woorden dat bezwaar kan worden aangetekend, maar sluit dat evenmin uit. In beginsel is het uiteraard mogelijk dat iemand in geweten meent te moeten zeggen dat een gemeentelid niet zonder meer belijdenis zou mogen afleggen.

Over mogelijke bezwaren wordt wel gesproken wanneer degene die toelating vraagt als lid in een andere gemeente staat ingeschreven (ord. 9-4-4). De kerkenraad van de eigen gemeente moet dan ruim tevoren geïnformeerd worden en kan bezwaar aantekenen. Het is niet zinvol hier veel te zeggen over de aard van mogelijke bezwaren; wellicht is dit te brengen onder de algemene formule dat het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis in het licht van wat de eigen kerkenraad

|221|

meent te weten over leer en leven van de betrokkene ongeloofwaardig geacht zou moeten worden. De beslissing over de toelating tot de openbare belijdenis van het geloof ligt uiteindelijk bij de kerkenraad waar de betrokkene zich heeft aangemeld, die ook het gesprek voert over de motivatie en de inhoud van het geloof. In uiterste instantie zou de eigen kerkenraad tegen deze beslissing bezwaar kunnen indienen bij het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Vandaar dat de eigen kerkenraad uiterlijk vier weken voor de belijdenisdienst van deze beslissing op de hoogte moet worden gesteld.

De openbare geloofsbelijdenis heeft als gevolg dat de betrokkenen worden opgenomen onder de belijdende leden van de gemeente (ord. 9-5-1). Wanneer de geloofsbelijdenis heeft plaatsgevonden buiten de eigen gemeente, moet de eigen kerkenraad daarvan achteraf in kennis worden gesteld, met het oog op de inschrijving als belijdend lid (ord. 9-5-9).

In bepaalde gevallen kan de openbare geloofsbelijdenis verbonden zijn met een andere belangrijke gebeurtenis in het leven van de betrokken gemeenteleden en van de gemeente. Daarop gaan ord. 9-5-3 en 4 nader in. Zo kunnen doopouders in het kader van de doopdienst antwoorden op een specifieke vraag, waarmee zij belijdend lid worden. Datzelfde kan ook gebeuren, wanneer doopleden worden gekozen tot ambtsdrager en hun verkiezing willen aanvaarden. De kerkenraad beoordeelt overigens wel voor de kandidaatstelling of degene die als mogelijk toekomstig ambtsdrager wordt gezien, inderdaad kan worden opgenomen onder de belijdende leden (ord. 3-6-4). Is dat het geval, dan gaat na de verkiezing het beantwoorden van die specifieke vraag vooraf aan de bevestiging in het ambt. Ord. 9-4-1 wijst er op dat ook in deze uitzonderingsgevallen door de kerkenraad zorg gedragen moet worden voor een aan de situatie aangepaste voorbereiding op de geloofsbelijdenis.

De laatste leden van ord. 9-5 geven aanwijzingen voor enkele andere bijzondere situaties. Iemand die zich aan de gemeenschap van de kerk onttrokken heeft, kan niet via een louter administratieve handeling weer opgenomen worden in de gemeente. Hier heeft de kerkenraad een pastorale verantwoordelijkheid en heeft hij tevens een zekere vrijheid om een passende vorm te vinden (ord. 9-5-6).

Iets dergelijks geldt als iemand als belijdend lid overkomt uit een andere kerk (voor de overkomst als dooplid, zie ord. 6-5-2 en § 8.5). Aan het gegeven dat in ord. 9-5-7 de term ‘kerk’ — en niet zoals in ord. 6-5-1 de term ‘kerkgemeenschap’ — wordt gebruikt, moet geen bijzondere waarde toegekend worden. In ord. 7-2-4 worden de uitdrukkingen naast elkaar gebruikt. De kerk kan voor de overkomst uit andere kerken nadere richtlijnen geven. Zolang die niet beschikbaar zijn, kan men zich in elk geval oriënteren op de regelgeving in de generale regeling gastlidmaatschap. Wat in art. 1-3 van deze generale regeling ten aanzien van een aantal kerken en kerkgemeenschappen gezegd wordt, kan hier van overeenkomstige toepassing worden geacht (zie § 4.1.1). Niet altijd zal gevraagd moeten worden om het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis: de persoonlijke

|222|

geschiedenis in de andere kerk(gemeenschap) en de wijze waarop men die heeft beleefd, kunnen voor de kerkenraad aanknopingspunten bieden om hier een verantwoorde beslissing te nemen. Zo is het denkbaar dat een rooms-katholiek die overkomt naar de Protestantse Kerk in Nederland door de kerkenraad zonder (openbare) geloofsbelijdenis onder de belijdende leden wordt opgenomen omdat deze persoon het vormsel persoonlijk sterk als een belijden van het geloof heeft ervaren. Voor andere rooms-katholieken ligt dat wellicht heel anders en dat kan reden zijn om hen juist wel openbare geloofsbelijdenis af te doen leggen.

Als men voor het eerst in de Protestantse Kerk in Nederland onder de belijdende leden opgenomen wordt — hetzij doordat men geloofsbelijdenis aflegt in een gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland, hetzij doordat men als belijdend lid naar een gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland overkomt — worden de namen opgetekend in het belijdenisboek van de gemeente. Dat geldt dus ook als iemand zonder een bijzonder liturgisch moment als belijdend lid wordt opgenomen — al zal het pastoraal wijs en heilzaam voor de gemeente zijn wanneer men toch zo veel mogelijk wel een vorm vindt om in het midden van de gemeente aan de opneming onder de belijdende leden aandacht te schenken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 10.5

10.5 Het jeugdwerk

Ord. 9 gaat tenslotte nader in op het jeugdwerk en maakt daarbij onderscheid tussen het jeugdwerk dat gericht is op de jongeren in de gemeente (ord. 9-6) en een meer naar buiten gerichte medewerking aan de geestelijke vorming van de jeugd in onze samenleving (ord. 9-7). Uiteraard is het niet mogelijk en ook niet nodig hier een scherpe grens te trekken.

Wat het kerkelijk jeugdwerk betreft, berust de verantwoordelijkheid bij de kerkenraad, zo wordt gesteld (ord. 9-6-5). Opvallend is de open wijze waarop dit artikel inzet: voorop staat het willen luisteren naar de jonge leden van de gemeente; hun situatie vormt een belangrijk uitgangspunt voor het beleid van kerkenraad én gemeente. Alleen hier in ord. 9-6-1 is overigens in de kerkorde sprake van 'beleid van de gemeente'; uiteraard wordt ook hier de eigen rol van de kerkenraad in het vaststellen van het beleid wel verondersteld. Dat betreft méér dan alleen het beleid ten aanzien van het jeugdwerk in engere zin, zoals blijkt uit de aandachtspunten in de volgende regels. Het gaat zowel om participatie in de eredienst als om missionaire, diaconale en pastorale activiteiten van en voor jongeren. Voorts wordt het eigen kerkelijk jeugdwerk genoemd in gelijkwaardigheid met het jeugdwerk dat uitgaat van jeugdorganisaties; daarbij kan men aan organisaties als LCGJ en CJV denken. Waar zulke organisaties een rol spelen, blijven echter ook gemeente en kerkenraad betrokken (ord. 9-6-4 en 5). De positie van de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond (HGJB) als modalitaire jeugdorganisatie is een wat andere en is in de overgangsbepalingen nader omschreven: ‘De zorg voor het jeugdwerk zoals deze in en vanuit de Protestantse Kerk in Nederland

|223|

gedragen wordt door de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond (HGJB), blijft bij deze bond totdat hij deze overdraagt aan de generale synode. De generale synode draagt medeverantwoordelijkheid voor de arbeid van de HGJB met inachtneming van de samenwerkingsovereenkomst ter zake’ (ovb. 207). Van een dergelijke medeverantwoordelijkheid van de synode is bij bijvoorbeeld het LCGJ geen sprake.

 

Een apart lid (lid 4) wordt in art. XI van de kerkorde gewijd aan de betrokkenheid van de gemeente bij de leefwereld van de jongeren. Daarbij zal men primair denken aan allerlei onderwijsinstellingen, maar de kerkorde wijst ook op de andere sociale en culturele verbanden waarmee de jeugd te maken heeft. Deze betrokkenheid krijgt een uitwerking in ord. 9-7, over de medewerking aan de geestelijke vorming van de jeugd. Al met al wordt hier een breed perspectief getekend.

Als eerste komt in ord. 9-7-1 de thuissituatie even in beeld. Verder gaat het om de wereld van het onderwijs en om de andere ‘sociale en culturele verbanden waarin de jeugd zich oriënteert’. Daar zal de gemeente trachten uitdrukkingsvormen voor het geloof te vinden. Een belangrijke toegang daartoe is in beginsel te vinden in de wereld van de media. Ord. 9-7-4 wijst op de mogelijkheid en noodzaak juist daar vragen van geloof en leven aan de orde te stellen. Men kan zich afvragen welke mogelijkheden een lokale gemeente hier eigenlijk heeft. Men zal moeten denken aan de lokale omroep of krant (waarbij de gemeente zich overigens niet hoeft te beperken tot de leefwereld van de jongeren!); het ligt voor de hand — en dat stelt ord. 9-7-4 dan ook — dat op dit terrein oecumenische samenwerking wordt nagestreefd. Waar het gaat om gemeenten met wijkgemeenten, zal de verantwoordelijkheid op dit terrein in dezelfde denklijn in beginsel eerder bij de algemene kerkenraad dan bij een wijkkerkenraad liggen (al wordt dat hier niet expliciet gezegd).

Daarnaast betreft een belangrijk deel van die leefwereld uiteraard de scholen en andere onderwijsinstellingen. Samenwerking tussen kerk en school is daarom van belang, waarbij het met name zal gaan om medewerking aan godsdienstonderwijs en andere vormen van geestelijke vorming op openbare scholen — eventueel door daar directe verantwoordelijkheid voor te nemen — als ook om bredere contacten tussen de gemeente en het christelijk onderwijs. Maar ook in het ‘gewone’ pastorale en diaconale werk zal men trachten deuren te openen naar jongeren. Opnieuw is daarbij van een principiële beperking tot de ‘eigen kring’ geen sprake (ord. 9-7-5, zie ook ord. 8-4-4 en § 9.5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H11

224-257

|224|

11 Het opzicht en bezwaren en geschillen

 

De gemeenten staan in de Protestantse Kerk in Nederland niet op zichzelf, maar zijn ‘kerk’ samen met andere gemeenten. Dit is in de structuur van de kerk tot uitdrukking gebracht: de gemeenten hebben een verantwoordelijkheid, niet alleen voor hun ‘eigen’ gemeente, maar ook voor elkaar en voor de gehele kerk, zoals omgekeerd de kerk een verantwoordelijkheid heeft voor de gemeenten. In de taak van de bovenplaatselijke verbanden van de Protestantse Kerk in Nederland ligt dan ook een groot accent op de zorg voor de onderlinge samenhang in de kerk en op het bewaren van de eenheid. De kerk heeft zorg voor de gemeenten; in de kerkorde is die zorg concreet vertaald onder meer in het opzicht van de kerk en de betrokkenheid van de kerk bij de beslechting van geschillen. In dit hoofdstuk komen de twee ordinanties aan de orde, die daarop betrekking hebben: ordinantie 10 (opzicht) en ordinantie 12 (bezwaren en geschillen).

 

In de Protestantse Kerk in Nederland is ervoor gekozen de beslissing in geschillen — en dat kunnen verschillende ‘soorten’ geschillen zijn — niet neer te leggen bij ambtelijke vergaderingen, maar bij instanties die onafhankelijk daarvan vaststellen wat in een concrete situatie recht is. In de kerk is — evenals bij de burgerlijke overheid — onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vergaderingen en organen waaraan de wetgevende en bestuurlijke taken zijn opgedragen en anderzijds colleges die specifiek voor de (kerkelijke) rechtspraak zijn ingesteld.

De reden voor de instelling van deze onafhankelijke ‘kerkelijke rechters’ is dat daarmee de rechtsbescherming van degenen die bij een geschil betrokken zijn, is gediend. Op deze wijze kan namelijk beter worden gewaarborgd dat de rechtspraak objectief geschiedt dan wanneer het beslissen van geschillen is opgedragen aan een bestuursorgaan zelf. Het kerkelijk karakter van de rechtspraak is verzekerd doordat de geschillenbeslechting is neergelegd bij kerkelijke colleges, dat wil zeggen: colleges die door de kerk zijn ingesteld en waarvan de leden worden benoemd door de ambtelijke vergaderingen uit de belijdende leden van de kerk.

Zowel in ord. 10 (opzicht) als in ord. 12 (bezwaren en geschillen) is voorzien in een behandeling van geschillen door onafhankelijke rechtsprekende colleges: in ord. 10 betreft dit de behandeling van bezwaren inzake belijdenis en wandel van personen (tuchtrechtspraak); in ord. 12 gaat het om bezwaren betreffende besluiten (en gedragingen) van kerkelijke lichamen. Voor deze en andere vormen van kerkelijke rechtspraak zijn — behalve in de desbetreffende ordinanties — nadere regels gegeven in een generale regeling voor de kerkelijke rechtspraak (zie verder § 11.5 en volgende).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.1

|225|

11.1 Het opzicht

Het opzicht van de kerk is nauw verbonden met het belijdend karakter van de kerk. In hoofdstuk 1 is al gewezen op het nauwe verband tussen art. 1-9 en art. XII-1: voor de gemeenten geldt — evenals voor de kerk — dat deze geroepen zijn te blijven ‘in de weg van het belijden van de kerk’. Om de eenheid die in het gemeenschappelijke belijden ligt te bewaren, is het nodig naar elkaar om te zien en opzicht over elkaar uit te oefenen.

 

Het opzicht, zoals dat in art. XII is verwoord, wordt in ord. 10 — na een eerste hoofdstuk dat een aantal algemene bepalingen bevat — in drie hoofdstukken nader uitgewerkt. Deze drie hoofdstukken corresponderen met de drie vormen van het opzicht die in art. XII-3 zijn genoemd:
- het opzicht over de gemeenten (de visitatie),
- het opzicht over belijdenis en wandel en
- het opzicht over de verkondiging en de catechese alsmede over de opleiding en vorming van predikanten.

In het spraakgebruik in de kerk worden deze beide laatste vormen van opzicht wel aangeduid als ‘levenstucht’ respectievelijk ‘leertucht’, maar de onderscheiding tussen ‘leven’ en ‘leer’ is toch iets te simpel. In het opzicht over belijdenis en wandel gaat het om personen, om ‘gewone’ gemeenteleden én ambtsdragers die dreigen van de rechte weg af te geraken. Bij het opzicht over de verkondiging is de leer van de kerk in het geding; dit opzicht is primair gericht op de prediking en het onderricht: daaruit moet worden geweerd al wat de fundamenten van de kerk aantast.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.1.1

11.1.1 Algemeen

In ord. 10 wordt nader uitgewerkt welke vorm van opzicht door welke kerkelijke instantie en op welke wijze wordt gehouden; dit brengt mee dat ord. 10 nogal wat formele bepalingen en regels van procedurele aard bevat. Dat is ook nodig omdat — zeker in het opzicht — zorgvuldig omgegaan dient te worden met mensen en gemeenten.

Maar voordat deze procedureregels aan de orde komen, wordt — met de letterlijke herhaling van de tekst van art. XII-1 — in ord. 10-1-1 nog eens onderstreept waar het in het opzicht om gaat: het opzicht is gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus en geschiedt tot eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen. Het opzicht heeft tot doel mensen te bewaren bij de gemeenschap. Dat mag bij de uitoefening van het opzicht — en bij het volgen van de procedureregels — nooit uit het oog worden verloren. De regeling dat het opzicht een taak is die door of in opdracht van de ambtelijke vergaderingen wordt uitgeoefend, komt niet in mindering op de roeping van

|226|

de leden van de gemeente om naar elkaar om te zien. In ord. 10-1-2 wordt er —evenals in art. XII — op gewezen dat het eerste niveau waarop het opzicht plaatsvindt en behoort plaats te vinden dat van de onderlinge pastorale zorg in de gemeente is; in deze bepaling is verwoord dat gemeenteleden daarbij niet alleen de roeping hebben elkaar te vermanen en het vermaan ter harte te nemen, maar ook — en eerst — te spreken van vergeving.

 

Het uitoefenen van de verschillende vormen van het opzicht is verder opgedragen aan verschillende kerkelijke instanties:
- voor het houden van het opzicht over de gemeenten (visitatie) zijn er de colleges voor de visitatie,
- het opzicht over belijdenis en wandel is opgedragen aan de colleges voor het opzicht,
- het opzicht over de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van de predikanten wordt door de meerdere ambtelijke vergaderingen zelf gehouden (ord. 10-1-3).

Bij de uitoefening van het opzicht wordt rekening gehouden met de bijzondere verbondenheid van een gemeente ten aanzien van belijdenisgeschriften, als bedoeld in ord. 1-1-1. In § 3.2 en 3.3 hebben we al gezien dat de kerk deze bijzondere verbondenheid erkent en respecteert (ord. 1-1-2). De bepaling dat de kerk ook in het opzicht deze bijzondere verbondenheid in acht neemt, was dan ook strikt genomen niet nodig, maar ord. 10-1-4 is toch opgenomen om alle twijfel daaromtrent weg te nemen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.2

11.2 Het opzicht over de gemeenten (de visitatie)

Het opzicht over de gemeente vindt plaats in de visitatie (ord. 10-2-1). Voordat daarvoor nadere regels worden gegeven, herinnert ord. 10-2-2 aan het doel van de visitatie: de opbouw van de gemeenten. De visitatie richt zich op het geestelijk leven van de gemeente, het gehoor geven aan de roeping van de gemeente en de vervulling van de ambten en de diensten. De formulering ‘het gehoor geven aan de roeping van de gemeente’ moet niet alleen binnenkerkelijk worden gelezen. Gemeenten hebben naast een pastorale, ook een missionaire en diaconale roeping; de kerkorde is daarover volstrekt duidelijk (zie ord. 8). In de visitatie kunnen dus in feite alle elementen van het gemeente-zijn aan de orde komen. De visitatie wordt dikwijls het ‘huisbezoek’ van de kerk aan de gemeenten genoemd. De visitatie gaat dan ook uit van de meerdere ambtelijke vergaderingen; deze wijzen daartoe een aantal ‘visitatoren’ aan (ord. 10-2-3).

 

De visitatie is — in de reformatorische kerken — vanouds een taak van de classicale vergaderingen. Met de bepaling dat de visitatoren worden benoemd door de classicale vergaderingen is daarbij aangesloten (ord. 10-3-1).

|227|

Maar de visitatie is — zoals we al in § 6.3.2 hebben gezien — niet een taak die elke classis afzonderlijk uitvoert: de classicale vergaderingen werken bij de kerkvisitatie met andere classicale vergaderingen samen in een algemene classicale vergadering (ord. 4-19-1). In het verlengde daarvan is in ord. 10-3-2 bepaald dat de door de classicale vergaderingen benoemde visitatoren samenwerken in een regionaal college voor de visitatie. Deze bepalingen hebben als achtergrond dat het wenselijk is dat er enige distantie is tussen de visitatoren en de betrokken gemeenten. Door te bepalen dat de visitatoren functioneren in het bredere verband van het regionale college kan voorkomen worden dat bij de visitatie onvoldoende afstand wordt bewaard.

Deze bepalingen betekenen overigens niet dat de classicale vergaderingen bij de visitatie helemaal geen rol hebben. Daarop komen we hieronder terug.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.2.1

11.2.1 De colleges voor de visitatie

Er zijn evenveel regionale colleges voor de visitatie als er algemene classicale vergaderingen zijn. Zoals gezegd worden de leden van deze regionale colleges benoemd door de classicale vergaderingen. Elke classicale vergadering benoemt vier visitatoren: twee predikanten of emeritus predikanten en — volgens een door de algemene classicale vergadering vastgesteld rooster — twee andere ambtsdragers of voormalige ambtsdragers (ord. 10-3-1).

De benoeming van visitatoren uit de ambtsdragers onderstreept dat het bij de visitatie gaat om een ‘ambtelijke’ taak. Achtergrond van de bepaling dat ook voormalige ambtsdragers kunnen worden benoemd, is dat ook zij daadwerkelijk het ambt in de gemeente hebben vervuld en vanuit die ervaring de gemeenten met raad kunnen bijstaan. De aanduiding ‘andere ambtsdragers’ van ord. 10-3-1 betreft alle ambtsdragers, niet alleen ouderlingen (zoals vroeger het geval was), maar ook diakenen. Daarvoor is ook alle reden; het gaat in de visitatie immers over het geestelijk leven van de gemeente en het gehoor geven aan haar roeping in de wereld, en daarbij behoort ook de missionaire en diaconale arbeid van de gemeente.

Een regionaal college bestaat uit de visitatoren die door de classicale vergaderingen zijn benoemd en een voorzitter, die op aanbeveling van deze visitatoren door de algemene classicale vergadering — uit de ambtsdragers of voormalige ambtsdragers — wordt benoemd (ord. 10-3-2). De voorzitter van het regionale college vervult als visitator een zekere vertrouwenspositie. Omdat daarbij continuïteit van groot belang is, kan de voorzitter tweemaal terstond herbenoemd worden, in tegenstelling tot de andere visitatoren die — na een eerste zittingsperiode van vier jaar — aansluitend nog eenmaal kunnen worden herbenoemd (ord. 10-3-5).

Voor elk lid van het college moet een secundus worden benoemd. Deze treedt op als vervanger van de eerst aangewezen visitator en kan ook als adviserend lid van

|228|

het college betrokken worden bij de werkzaamheden van de visitatie. Op deze wijze is mogelijk gemaakt dat — als dat in de praktijk nodig blijkt — op hen een beroep gedaan kan worden voor bijvoorbeeld het afleggen van de visitatiebezoeken (ord. 10-3-6).

Voor de samenstelling van het generale college voor de visitatie zijn vergelijkbare voorschriften gegeven (ord. 10-3-3; zie ook ord. 10-3-5 en 6).

Bij de benoeming van visitatoren dient erop gelet te worden dat ambtsdragers of voormalige ambtsdragers die functioneren als lid van een college voor het opzicht of een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen niet voor benoeming in aanmerking komen: de visitatie is onderscheiden — en dient dat ook te blijven — van de colleges die zijn belast met de kerkelijke rechtspraak.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.2.2

11.2.2 Taak en werkwijze

De taak van de colleges voor de visitatie is drieledig (ord. 10-4-1):
- ze moeten zich informeren over het geestelijk leven van de gemeente,
- ze moeten onderzoek doen naar de wijze waarop de gemeente gehoor geeft aan haar roeping en waarop de ambten en bedieningen worden vervuld en
- tenslotte is het hun taak om — als er moeilijkheden zijn — te bemiddelen.

De colleges hebben bij deze bemiddeling niet de beschikking over ‘machtsmiddelen’: de bemiddeling vindt uitsluitend plaats door het voeren van overleg en het geven van gevraagd en ongevraagd advies. Bemiddeling bij verschil van inzicht over vermogensrechtelijke aangelegenheden tussen de kerkenraad en de betrokken colleges van de gemeente behoort niet tot de taak van de regionale colleges voor de visitatie (dat is de betekenis van de woorden ‘behoudens het bepaalde in ord. 11’); daarvoor zijn de regionale colleges voor de behandeling van beheerszaken aangewezen (zie § 12.6.2).

De visitatie heeft ook betrekking op de predikanten die niet aan een gemeente verbonden zijn, maar op bovenplaatselijk niveau werken; ook deze predikanten in algemene dienst krijgen ‘huisbezoek’ van de kerk (ord. 10-4-2).

 

Elke gemeente krijgt ten minste eenmaal in de vier jaar visitatie, dat wil zeggen bezoek van twee visitatoren. Dit is de ‘gewone’, periodieke visitatie (ord. 10-5-1). In een gemeente met wijkgemeenten krijgt in ieder geval elke wijkgemeente visitatie; het kan heel zinvol zijn eveneens een visitatiebezoek te brengen aan de algemene kerkenraad.

Daarnaast kan er ook tussentijds een ‘buitengewone’ visitatie worden gehouden, als feiten of omstandigheden het college daartoe aanleiding geven of als de kerkenraad of het breed moderamen van een meerdere ambtelijke vergadering daartoe een verzoek doet. Een dergelijke buitengewone visitatie kan dus worden gehouden op verzoek van het breed moderamen van de classicale vergadering. Een kerkenraad kan ook in een dergelijke situatie de visitatie niet weigeren.

|229|

Voor zo’n extra tussentijds bezoek van de visitatoren kunnen verschillende redenen zijn. Soms is in de kerkordelijke bepalingen voorgeschreven dat het regionale college voor de visitatie gehoord moet worden voordat een bepaald besluit genomen kan worden. Daarbij kan het gaan om zaken die de gemeenten betreffen, zoals samenvoeging van gemeenten (ord. 2-14-2) of de vorming van een combinatie (ord. 2-15-4). Ook bij sommige zaken die de predikanten betreffen, is een dergelijk voorschrift te vinden, zoals bij het verlenen van vrijstelling van werkzaamheden (ord. 3-19-1) of ontheffing van werkzaamheden (ord. 3-20-1). Een andere reden voor het houden van buitengewone visitatie is dat er in een gemeente moeilijkheden zijn of dreigen te ontstaan.

De visitatoren kunnen zich bij een buitengewone visitatie niet alleen door het brengen van een bezoek op de hoogte stellen van de situatie ter plaatse; ze hebben ook de bevoegdheid om mondeling of schriftelijk in contact te treden met de kerkenraad én met (individuele) ambtsdragers en gemeenteleden (ord. 10-5-2). Bij een visitatiebezoek aan een evangelisch-lutherse gemeente — ongeacht of dat een gewone of een buitengewone visitatie is — worden altijd ook visitatoren die zijn benoemd door de evangelisch-lutherse synode, betrokken (ord. 10-3-4). Op deze wijze is gewaarborgd dat aan de visitatie in deze gemeenten ook wordt deelgenomen door visitatoren die de lutherse traditie van binnenuit kennen. Ook voor de Waalse gemeenten is een specifieke regeling getroffen (ord. 4-21-4).

Het generale college voor de visitatie, dat als samenbindend orgaan voor de visitatie belast is met de algemene leiding, gaat alleen in overleg met het desbetreffende regionale college voor de visitatie in een gemeente op visitatiebezoek (ord. 10-5-3).

 

In ord. 10-5 wordt beschreven hoe een visitatie in de gemeente verloopt.
- Er wordt een vergadering van de kerkenraad belegd, die plaatsvindt onder leiding van een van de visitatoren; alle leden van de kerkenraad — en anderen die worden opgeroepen — zijn verplicht aanwezig te zijn (ord. 10-5-4 en 5). Het bezoek aan de predikant voorafgaand aan deze kerkenraadsvergadering, dat in de visitatiepraktijk wordt aanbevolen, is in de kerkorde niet voorgeschreven.
- Ook de leden van de gemeente kunnen een gesprek hebben met de visitatoren. Deze gelegenheid is er altijd bij de periodieke visitatie, maar ook bij een buitengewone visitatie kan daartoe gelegenheid geboden worden. Tenslotte kunnen visitatoren de gemeenteleden ook horen door een gemeenteavond te beleggen (ord. 10-5-6 en 7).

Dat de visitatie niet vrijblijvend is, blijkt onder meer uit ord. 10-5-9: alle ambtsdragers en organen van de kerk zijn verplicht de visitatoren de informatie te geven die deze voor hun werk nodig hebben.

Visitatoren hebben de mogelijkheid — als zij dat nodig achten — ook een beroep te doen op deskundigen. Ord. 10-5-8 vult dat niet verder in, maar hierbij kan

|230|

bijvoorbeeld gedacht worden aan mensen met een specifieke deskundigheid op het terrein van conflictbemiddeling.

 

De visitatoren doen schriftelijk verslag van een visitatie aan het regionale college. Een afschrift van dit verslag wordt ook toegezonden aan het breed moderamen van de betrokken classicale vergadering en aan de kerkenraad (ord. 10-5-10).

De colleges geven jaarlijks ook een overzicht van het kerkelijk leven in de door hen gevisiteerde gemeenten. Om de vier jaar wordt ten behoeve van de classicale vergadering een overzicht gegeven van het kerkelijk leven van alle gemeenten in het ressort van de classis. Een vergelijkbaar vierjaarlijks overzicht wordt door het generale college voor de visitatie opgesteld ten behoeve van de generale synode (ord. 10-5-12).

Deze overzichten dragen eraan bij dat de betrokken brede moderamina geïnformeerd blijven over het reilen en zeilen in de kerk en maken het mogelijk dat daarmee rekening gehouden wordt in het door de desbetreffende ambtelijke vergaderingen te voeren beleid.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.3

11.3 Het opzicht over belijdenis en wandel

Het opzicht over belijdenis en wandel heeft betrekking op personen: de leden en ambtsdragers van de kerk en degenen die in een dienst zijn gesteld (ord. 10-6-1; zie ook ord. 10-7-1 en 2). Ook dit opzicht over belijdenis en wandel is nauw verweven met en vloeit voort uit het pastoraat. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat de herderlijke zorg en het opzicht in bijvoorbeeld art. V-3 in één adem worden genoemd, maar ook uit de tekst van art. XII-5: het opzicht wordt uitgeoefend door pastorale samenspreking en vermaan.

Het doel van dit opzicht is het bewaren van de gemeenschap. Zo is dan ook in ord. 10-6-1 te lezen dat het opzicht over belijdenis en wandel strekt tot opbouw van het geestelijk leven van de gemeente, tot behoud van hen die dwalen, tot verzoening van dezen met de gemeente en hun naasten en tot bewaring van de orde in het leven en werken van de kerk. De invalshoek is positief: opbouw, behoud, verzoening en bewaring. Als er voor de desbetreffende ambtelijke vergadering in het kader van het opzicht reden is voor een bijzondere bemoeienis met een gemeentelid of ambtsdrager, dient er eerst een pastoraal gesprek gevoerd te worden. Overigens is het niet onwaarschijnlijk dat — voordat vanwege de betrokken ambtelijke vergadering een zodanige ‘pastorale samenspreking en vermaan’ plaatsvindt — er reeds een huisbezoek is geweest waarin de dingen bij hun naam zijn genoemd. Pas in het uiterste geval komt het toepassen van een middel van kerkelijke tucht aan de orde (ord. 10-6-2 en 3).

|231|

In ord. 10-7-1 en 2 is onderscheid gemaakt tussen het opzicht over de leden van de gemeente enerzijds en ambtsdragers en anderen die een bijzondere positie vervullen anderzijds:
- het opzicht over de leden van de gemeente berust bij de (wijk)kerkenraad,
- dat over de ambtsdragers, over hen die in een dienst zijn gesteld en over degenen die de bevoegdheid hebben voor te gaan in de eredienst (ord. 5-5, zie § 7.6) alsmede over de kerkrentmeesters die geen ouderling zijn (ord. 11-2-4), is opgedragen aan de classicale vergadering.

Met deze regeling is gewaarborgd dat er altijd enige afstand is tussen degenen die het opzicht oefenen en degene die het betreft. Zo is voorkomen dat een kerkenraad opzicht zou moeten oefenen over de eigen predikant of één van de andere leden van de eigen kerkenraad.

Dat neemt overigens niet weg dat de kerkenraad de bevoegdheid heeft als daartoe aanleiding is, een kerkenraadslid wel aan te spreken op eventueel ‘laakbaar gedrag’. Het is de taak van alle gemeenteleden, en dus ook van de leden van de kerkenraad, om in het kader van het onderlinge pastoraat ‘naar elkaar om te zien (...) en zonodig elkaar te vermanen en dit vermaan ter harte te nemen’ (ord. 10-1-2).

Dit is niet de ‘pastorale samenspreking en vermaan’ waarover het in ord. 10-6-2 gaat. In deze laatste bepaling gaat het om het opzicht, dat bij ambtsdragers en degenen die in een dienst staan, wordt gehouden door de classicale vergaderingen: deze samenspreking wordt dus gehouden door de classicale vergadering en niet door kerkenraadsleden onderling.

Is de betreffende ambtsdrager een predikant in algemene dienst of gaat het om iemand die een opdracht heeft van de kerk ten aanzien van de opleiding en vorming van de predikanten, dan valt deze onder het opzicht van de classicale vergadering waartoe de gemeente waar betrokkene als lid in ingeschreven behoort (ord. 10-7-2). Deze regeling is nodig omdat het mogelijk is dat een predikant in algemene dienst werkt in het gebied van een andere classis dan waar hij woont. Om geen onhelderheid te laten bestaan over de vraag welke classicale vergadering betrokkene zonodig op zijn of haar belijdenis en wandel moet aanspreken, is deze bepaling opgenomen.

 

Het opzicht berust bij de kerkenraad of de classicale vergadering, maar blijft daar beperkt tot ‘pastorale samenspreking en vermaan’. Als er een beslissing genomen moet worden over de vraag of er al dan niet een middel van kerkelijke tucht dient te worden opgelegd, is het opzicht opgedragen aan daartoe aangewezen ‘colleges’.

Bij het opzicht over de leden van de gemeente is dat het college van predikant(en) en ouderlingen (ord. 10-7-1). Deze bepaling sluit aan bij art. V-2 en 3: de ambtsdragers zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor het opzicht, maar de predikanten en ouderlingen zijn daartoe in het bijzonder geroepen. In de discussies over deze tekst is dit onderscheid wel gezien als het ‘uitsluiten’ of ‘achterstellen’

|232|

van een van de ambten. Dat is echter niet juist: zoals de predikant wel deelt in de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de diaconale arbeid maar daarin geen directe eigen taak heeft, zo delen de diakenen wel in de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het opzicht, maar hebben ze geen directe taak bij het opzicht over belijdenis en wandel.

Voor de aanduiding ‘het college van predikant(en) en ouderlingen’ is gekozen naar analogie van de beide andere colleges die ter plaatse functioneren: het college van diakenen en het college van kerkrentmeesters. Tot de ouderlingen in het college van predikant(en) en ouderlingen behoren ook de ouderlingen-kerkrentmeester; deze functioneren dus in twee plaatselijke colleges. Het college van predikanten) en ouderlingen heeft overigens een beperkte opdracht: de enige taak van dit college is die in het kader van het opzicht over belijdenis en wandel van gemeenteleden, namelijk de beslissing over toepassing van een van de middelen van de kerkelijke tucht.

Aan deze beslissing wordt in ord. 10-7-1 een voorwaarde gesteld: als het in een gemeente tot de toepassing van een middel van de kerkelijke tucht moet komen, kan daartoe door het college van predikant(en) en ouderlingen alleen worden besloten nadat het regionale college voor het opzicht is gehoord. Bij de toepassing van een middel van kerkelijke tucht zijn we echter al aangekomen op het terrein van de kerkelijke rechtspraak. Zie daarover verder § 11.6.

 

Bij het opzicht over belijdenis en wandel van ambtsdragers, van degenen die in een dienst zijn gesteld alsmede van hen die een preekbevoegdheid hebben, is dit opzicht — als het moet leiden tot een beslissing over de toepassing van een middel van kerkelijke tucht — opgedragen aan het regionale college voor het opzicht (ord. 10-7-2).

Deze regionale colleges zijn speciaal met het oog op de kerkelijke ‘tuchtrechtspraak’ in het leven geroepen; ze komen dan ook verder aan de orde in het hoofdstuk over de kerkelijke rechtspraak (§ 11.6.1).

 

Er is nog één bepaling die in deze paragraaf moet worden behandeld, omdat deze geldt zowel voor het opzicht van de ambtelijke vergaderingen (de kerkenraad en de classicale vergadering) als voor het opzicht dat is opgedragen aan de colleges (het college van predikant(en) en ouderlingen en de colleges voor het opzicht), namelijk ord. 10-7-6. In dit artikel is vastgelegd dat men niet aan de behandeling van een opzichtzaak kan deelnemen als men daarbij persoonlijk al op een andere wijze betrokken is (geweest). Zo kan bijvoorbeeld een ouderling niet aan de behandeling deelnemen — noch in de kerkenraad noch in het college van predikant(en) en ouderlingen — als er tegen een van zijn of haar kinderen een beschuldiging is ingebracht. Het behoeft geen betoog dat deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat persoonlijke belangen een opzichtzaak gaan beïnvloeden, waardoor een objectieve beoordeling van een zaak in gevaar komt.

|233|

Deze bepaling is in de generale regeling kerkelijke rechtspraak overigens nog wat aangescherpt (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 7; zie § 11.5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.4

11.4 Het opzicht over de verkondiging en de catechese alsmede over de opleiding en vorming van predikanten

Het opzicht over de verkondiging en de catechese alsmede over de opleiding en vorming van predikanten betreft — zoals aangegeven in § 11.1 — de ‘leer’ van de kerk: dit opzicht is gericht op de ‘rechte bediening van het Woord’ en op wering uit de verkondiging en het onderricht van datgene ‘wat de fundamenten van de kerk aantast’ (ord. 10-13-1). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan wat is bepaald in art. I-11, namelijk dat de kerk weert al wat haar belijden weerspreekt.

De bepaling geeft aan dat de fundamenten van de kerk worden aangetast door een prediking en onderricht die de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift uitsluiten en de gemeenschap met de belijdenis met het voorgeslacht verbreken. Bij leertucht gaat het niet over zaken van ondergeschikt belang of over de interpretatie van enkele Schriftgegevens: het gaat om zaken waarbij de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als zodanig op het spel staat (‘de gehoorzaamheid uitsluit’) of waarbij de relatie tot het belijden als geheel wordt ‘verbroken’.

In ord. 10-13-3 is vastgelegd op wie hoofdstuk IV van ord. 10 van toepassing kan zijn: het betreft niet alleen predikanten, maar allen die de bevoegdheid hebben voor te gaan in de eredienst, zij die op grond van een kerkelijke bevoegdheid een taak hebben in de catechese en degenen die door de kerk zijn aangesteld voor de opleiding en vorming van de predikanten.

 

Dit opzicht wordt gehouden door de classicale vergaderingen en de generale synode (ord. 10-13-2). Uitvoerig is vastgelegd hoe de procedure bij de classicale vergadering (ord. 10-14) en bij de generale synoden (ord. 10-15) verloopt.

Als een classicale vergadering signalen krijgt dat er aanleiding is voor een ‘leer-tuchtprocedure’ wordt eerst de kerkenraad van de desbetreffende predikant gehoord (of een ander op wie hoofdstuk IV van toepassing is, maar gemakshalve wordt hier steeds over de predikant gesproken). Vervolgens krijgt het regionale college voor de visitatie de opdracht een onderzoek in te stellen (ord. 10-14-1). Visitatoren moeten eerst — als inderdaad sprake lijkt te zijn van een leer die de fundamenten van de kerk aantast — betrokkene door pastorale samenspreking en vermaan op andere gedachten zien te brengen. Vervolgens brengen ze verslag uit aan de classicale vergadering (ord. 10-14-2 en 3).

Ziet de classicale vergadering in het verslag geen aanleiding om de procedure voort te zetten, bijvoorbeeld als aan de visitatoren is gebleken dat de zaak van onvoldoende gewicht is of dat er geen sprake is van een leer die de fundamenten van de kerk aantast, dan wel als de betrokken predikant is teruggekomen op deze leer, dan worden de predikant, de kerkenraad en het regionale college voor de

|234|

visitatie daarvan op de hoogte gesteld. Daarmee is de procedure tot een eind gekomen (ord. 10-14-4).

Is er wel aanleiding om de procedure voort te zetten, dan voert de classicale vergadering een gesprek met de predikant, in aanwezigheid van een aantal deskundigen op het terrein van kerk en theologie. Deze deskundigen brengen daarop schriftelijk advies uit. De predikant krijgt vervolgens nogmaals de gelegenheid om zich in een vergadering van de classis ‘te rechtvaardigen’ en de adviseurs worden nogmaals gehoord, voordat de classicale vergadering een beslissing neemt (ord. 10-14-5 en 6). Ook dan zijn er twee mogelijkheden.

Als de classicale vergadering tot de conclusie komt dat er geen sprake is van een aantasting van de fundamenten van de kerk, wordt daarvan mededeling gedaan aan de predikant, de kerkenraad en theologische adviseurs, waarmee de procedure afgelopen is.

Komt de classicale vergadering tot het oordeel dat de predikant zich niet meer beweegt in de weg van het belijden van de kerk en ‘daarmee de fundamenten van de kerk aantast’, dan worden de predikant, de kerkenraad en de generale synode daarvan op de hoogte gesteld. Het is dan aan de generale synode om de zaak verder te behandelen (ord. 10-14-7).

 

Deze behandeling door de generale synode wordt voorbereid door een bijzondere commissie, die bestaat uit een aantal leden van de generale synode. Deze commissie geeft de predikant de gelegenheid om schriftelijk bezwaren in te dienen tegen het oordeel van de classicale vergadering. Ook wordt advies gevraagd aan het orgaan van bijstand, dat werkzaam is op het terrein van kerk en theologie, en als daarvoor aanleiding is — aan de raad van advies voor het gereformeerd belijden of aan de evangelisch-lutherse synode. Daarmee is de voorbereiding afgerond (ord. 10-15-1 en 2).

Bij de behandeling in de synode zelf krijgt de predikant, die zich nu mag laten bijstaan door één of twee belijdende leden van de kerk, nog een keer de mogelijkheid om zijn of haar standpunt te verdedigen (ord. 10-15-3). Dan volgt het eindoordeel van de generale synode. Met de term ‘eindoordeel’ wordt aangegeven dat dit oordeel niet meer elders in de kerk kan worden aangevochten (ord. 10-15-4).

Komt ook de generale synode tot het oordeel dat de predikant het belijden weerspreekt, dan wordt een termijn vastgesteld waarbinnen de predikant de gelegenheid heeft terug te komen op het eerder door hem of haar ingenomen standpunt. In die periode mag deze geen ambtswerkzaamheden verrichten. Als de predikant zich niet voegt naar het oordeel van de synode, wordt deze van het ambt ontheven, onder toekenning van een wachtgeld voor een periode van 18 maanden (ord. 10-15-5 t/m 7, G.R. predikantstraktementen, art. 30-1).

Als de (voormalige) predikant in een later stadium toch het oordeel van de kerk aanvaardt, kan de generale synode hem of haar weer de bevoegdheid geven om ‘te staan naar het ambt van predikant’ (ord. 10-15-8).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.5

|235|

11.5 De kerkelijke rechtspraak: algemeen

De Protestantse Kerk in Nederland kent verschillende vormen van kerkelijke rechtspraak. Deze verschillende vormen hangen samen met de verschillende ‘soorten’ geschillen, die moeten worden beslecht.

Allereerst is er de rechtspraak in het kader van het opzicht over personen (belijdenis en wandel): dat is de rechtspraak die betrekking heeft op de kerkelijke tucht (ord. 10). Daarnaast kennen we de rechtspraak die het ‘bestuurlijk functioneren’ van de kerkelijke lichamen betreft en die aangeduid wordt als de behandeling van ‘bezwaren en geschillen’ (ord. 12).

Naast het ‘opzicht’ en ‘bezwaren en geschillen’ zijn er nog twee andere vormen van geschillenbeslechting, die we tot kerkelijke rechtspraak rekenen, namelijk
- bij spanningen in een gemeente tussen predikant en kerkenraad of gemeente (ord. 3-20 en ord. 3-21) en
- in geval van een niet te overbruggen verschil van inzicht over vermogensrechtelijke aangelegenheden tussen de betrokken organen van een gemeente (ord. 11-10 en ord. 11-22-4).

Voor deze vier vormen van kerkelijke rechtspraak worden — behalve in de genoemde ordinantiebepalingen — ook regels gegeven in de generale regeling kerkelijke rechtspraak.

Al met al bevat de kerkorde nogal wat regels die betrekking hebben op de kerkelijke rechtspraak. Daaraan is helaas niet te ontkomen. Het is nu eenmaal zo dat ook in de kerk geschillen soms niet anders dan door een rechterlijke uitspraak kunnen worden beslecht. Helder moet dan zijn wie waartegen, waar en wanneer een bezwaar of klacht kan indienen en op welke wijze de wederpartij zich daartegen kan verdedigen. Als er dan toch zo'n rechterlijke uitspraak moet komen, moet deze wel op een zodanige wijze totstandkomen dat ook inderdaad recht wordt gedaan.

 

In de kerkorde is ervoor gekozen om in de onderscheiden ordinantiebepalingen een aantal basisregels vast te leggen en in de generale regeling een nadere uitwerking te geven voor de behandeling van de verschillende soorten van kerkelijke rechtspraak. Deze nadere uitwerking wordt voorafgegaan door enkele algemene bepalingen die voor alle vormen van kerkelijke rechtspraak gelden. Zo is allereerst bepaald dat een bezwaar dat onder welke benaming ook is toegezonden aan een college of een ander kerkelijk lichaam dat niet bevoegd is dit te behandelen, zo snel mogelijk moet worden doorgezonden naar het juiste college (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 2).

Voorts is bepaald dat een college een binnengekomen zaak ‘onverwijld’ in behandeling moet nemen en de indiener daarvan moet informeren over de verdere gang van zaken en de termijnen die daarbij in acht genomen zullen worden. Deze termijnen kunnen worden verlengd als dit voor een zorgvuldige behandeling

|236|

nodig is, maar daarvan moeten de betrokkenen wel op de hoogte gesteld worden (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 3).

Een ingediend bezwaar of beroep heeft geen schorsende werking, behalve als dit expliciet in de desbetreffende bepalingen is vastgelegd (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 4).

Voorgeschreven is voorts dat er een schriftelijke uitspraak gegeven wordt, die de overwegingen bevat ten aanzien van de feiten en de gronden waarop deze berust. Als het mogelijk is beroep in te stellen tegen de uitspraak, moet dit eveneens vermeld worden. De uitspraak wordt aangetekend verzonden, zodat er zekerheid is dat deze ook is aangekomen. In spoedeisende zaken kan alvast een mondelinge beslissing gegeven worden, maar deze moet altijd gevolgd worden door de schriftelijke uitspraak (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 5 en 6).

Hiervoor is al aangegeven dat — met de instelling van rechtsprekende kerkelijke colleges — gekozen is voor een onafhankelijke kerkelijke rechtspraak. Art. 7 van de generale regeling bevat een aantal bepalingen die deze onafhankelijkheid onderstrepen (art. 7-1) en waarborgen (art. 7-2 t/m 5): allereerst is bepaald dat aan de behandeling van een zaak niet deelgenomen kan worden door iemand die reeds op een andere wijze daarbij betrokken is (geweest). Voorts moet ertegen gewaakt worden dat iemand die een persoonlijk belang bij een zaak heeft, de besluitvorming kan beïnvloeden. Ook is de mogelijkheid geopend een lid of adviseur te ‘wraken’, als verwacht wordt dat deze niet onpartijdig is. Als een kerkelijk college een dergelijk verzoek honoreert, wordt het desbetreffende lid of de adviseur vervangen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.6

11.6 Het toepassen van de middelen van kerkelijke tucht

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.6.1

11.6.1 De colleges voor het opzicht

Er zijn — zo hebben we in § 11.3 gezien — verschillende ‘colleges die belast zijn met de beslissing over het toepassen van een middel van kerkelijke tucht’. Naast het college van predikant(en) en ouderlingen, dat in dat hoofdstuk al aan de orde is geweest, zijn dat de regionale colleges voor het opzicht en het generale college voor het opzicht.

 

In beginsel zijn er evenveel regionale colleges als er algemene classicale vergaderingen zijn. Twee of meer algemene classicale vergaderingen kunnen echter ook vragen om voor de desbetreffende regio’s één regionaal college in te stellen (ord. 10-8-1 en 2). Dit kan van belang zijn als er weinig zaken te behandelen zijn. Door in dat geval een gezamenlijk college in te stellen voor meer dan een regio kan ervaring en deskundigheid worden gebundeld en — doordat er meer zaken te behandelen zijn — worden opgedaan.

In dit artikel wordt voor het eerst de term ‘rechtsgebied’ gebruikt. In de generale

|237|

regeling kerkelijke rechtspraak wordt dit begrip omschreven als ‘het geografisch gebied waarbinnen het desbetreffende kerkelijke college bevoegd is recht te spreken ten aanzien van de aan dit college opgedragen aangelegenheden’ (art. 1 sub d).

Het rechtsgebied van een regionaal college voor het opzicht is het gebied van de classes die in de betrokken algemene classicale vergadering(en) samenwerken (ord. 10-8-1). Bepalend voor de vraag naar de bevoegdheid van een regionaal college is of degene tegen wie een onderzoek wordt ingesteld (of tegen wie een beschuldiging is ingebracht) in dit gebied ambtsdrager is. Als dat het geval is, kan het college de zaak behandelen. Is dat niet het geval, dan is het college niet bevoegd, ook niet als een klacht is ingediend door iemand die wel in het rechtsgebied van het college woont. In een dergelijk geval moet de klacht dus door het college waaraan deze ten onrechte is toegezonden, worden doorgestuurd naar het college dat wel bevoegd is de zaak te behandelen. Moet een onderzoek worden ingesteld naar een predikant in algemene dienst of iemand die vanwege de kerk betrokken is bij de opleiding en vorming van predikanten, dan is bepalend in welke gemeente betrokkene in het register van gemeenteleden is ingeschreven (ord. 10-7-2).

 

Een regionaal college bestaat uit vijf leden, die door de algemene classicale vergadering worden benoemd. De leden — deels predikanten, deels ouderlingen — worden benoemd voor een periode van acht jaar en kunnen niet worden herbenoemd. Deze bepaling wijkt van af de gebruikelijke regel betreffende de benoeming van leden van organen van bijstand en colleges: zij worden benoemd voor een periode van vier jaar, met de mogelijkheid van een herbenoeming voor nog eens vier jaar (ord. 4-19-6, ord. 4-20-2, ord. 4-28-2 en ord. 4-29-2). Met deze afwijkende regeling voor de colleges voor het opzicht (en die voor de behandeling van bezwaren en geschillen) wordt nog eens de onafhankelijkheid van deze kerkelijke rechters onderstreept: de leden van het college spreken recht, zonder dat de vraag naar herbenoeming enige rol kan spelen bij de overwegingen van het college. Aan elk college wordt — nu wel weer voor de gebruikelijke periode van (telkens) vier jaar — een adviserend lid toegevoegd, die meester in de rechten is. Deze hoeft geen ambtsdrager te zijn, maar moet wel belijdend lid van de kerk zijn (ord. 10-8-4). De voorzitter van het college wordt aangewezen door de algemene classicale vergadering; de secretaris door het college zelf (ord. 10-8-5).

Voor de samenstelling van het generale college voor het opzicht gelden vergelijkbare voorschriften (ord. 10-8-6, 7 en 8). Dit college treedt op als tegen een beslissing over het (al dan niet) toepassen van een middel van kerkelijke tucht beroep wordt ingesteld.

Voor elk lid en adviserend lid moet een secundus en een tertius worden aangewezen, waardoor het college een zaak zonder vertraging tot een afronding kan brengen, ook als een aantal van de eerst aangewezen leden afwezig is (ord. 10-8-9, G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 3-3).

|238|

Ook hier is de bepaling betreffende de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de colleges voor de visitatie, voor het opzicht en voor de behandeling van bezwaren en geschillen opgenomen (ord. 10-8-10).

 

Over de onafhankelijkheid van de regionale colleges moet nog wat meer worden gezegd. In de bepalingen van ord. 10 en de generale regeling kerkelijke rechtspraak is gewaarborgd dat de colleges voor het opzicht rechtspreken, onafhankelijk van de ambtelijke vergaderingen. Deze vergaderingen kunnen de colleges niet voorschrijven wat voor beslissing in een concrete zaak gegeven moet worden, maar dat betekent niet dat de colleges met de ambtelijke vergaderingen niets te maken zouden hebben.

Zoals we hiervoor gezien hebben, worden de leden van een regionaal college benoemd door de algemene classicale vergadering. Een voorstel om ook te bepalen dat leden van het college door deze vergadering ontslagen kunnen worden, is afgewezen omdat dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak aantast. Wel opgenomen is een bepaling dat de algemene classicale vergadering een regionaal college kan aanspreken op een eventueel disfunctioneren van het college als zodanig. Als een algemene classicale vergadering vindt dat een regionaal college in gebreke blijft bij de uitvoering van zijn taak, kan het opheldering vragen en eventueel de kleine synode verzoeken de zaak voor te leggen aan het generale college voor het opzicht (ord. 10-7-5). In deze lijn ligt ook de bepaling dat een kerkenraad of een breed moderamen van de classicale vergadering, als men vindt dat een regionaal college in een concreet geval in gebreke is gebleven bij de behandeling van een ingebrachte beschuldiging, inlichtingen kan vragen en eventueel het generale college kan vragen een voorziening te treffen (ord. 10-11-3). Het generale college zou in dat geval de zaak naar een ander regionaal college kunnen verwijzen of zou de ingebrachte beschuldiging zelf in behandeling kunnen nemen. Deze voorziening kan niet inhouden dat de leden van een regionaal college door het generale college uit hun functie worden ontheven.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.6.2

11.6.2 De procedure

Zij die belast zijn met de beslissing over het toepassen van een middel van kerkelijke tucht, dus een college van predikant(en) en ouderlingen en een regionaal college voor het opzicht, zijn bevoegd een onderzoek in te stellen. Dit is mogelijk naar aanleiding van ‘feiten en omstandigheden die hun ter kennis komen’ (bijv. naar aanleiding van gesprekken in de gemeente, een artikel in een kerkblad of als er een beschuldiging is ingebracht), maar ook op verzoek van een kerkenraad of een meerdere ambtelijke vergadering (ord. 10-9-1). In dat geval wordt een zaak onverwijld — in ieder geval binnen twee maanden — in behandeling genomen (ord. 10-10-6).

In de ordinantiebepalingen worden voor het verloop van een opzichtprocedure

|239|

enkele voorschriften gegeven (ord. 10-10-1), die in de generale regeling kerkelijke rechtspraak worden uitgewerkt in een artikel betreffende de voorbereiding van de behandeling (art. 12) en betreffende de behandeling tijdens de zitting (art. 13). Wordt er een onderzoek ingesteld, dan wordt daarvan mededeling gedaan aan degene die dit onderzoek betreft (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 12-1). Is de aanleiding van het onderzoek een beschuldiging of een verzoek, dan wordt een afschrift daarvan toegezonden aan degene tegen wie de beschuldiging is ingebracht of op wie het verzoek betrekking heeft. Deze krijgt de gelegenheid daarop schriftelijk te reageren binnen een door het college gestelde termijn (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 12-2 en 3). De wederpartij krijgt vervolgens weer de gelegenheid van deze reactie kennis te nemen en daarop schriftelijk te reageren. Tot slot is nog eens bepaald dat de betrokkenen, dat wil zeggen: de beschuldigde, degene die een beschuldiging heeft ingebracht en/of de vergadering die een verzoek heeft gedaan, de — dat wil zeggen alle — stukken en verklaringen die bij de behandeling ter tafel komen, mogen inzien. Het kan niet zo zijn dat er verklaringen en dergelijke een rol spelen, waarvan betrokkenen geen kennis hebben kunnen nemen of waartegen ze zich niet hebben kunnen verdedigen.

De synodale commissie van de evangelisch-lutherse synode wordt gehoord in daarvoor in aanmerking komende gevallen, bijvoorbeeld als de opzichtprocedure een lid van een evangelisch-lutherse gemeente betreft (ord. 10-7-4). Zaken die met elkaar samenhangen, kunnen samen behandeld worden; zijn tegen meer personen beschuldigingen ingebracht, dan kunnen deze apart behandeld worden (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 13).

 

Betrokkenen worden uitgenodigd om tijdens een zitting van het college mondeling naar voren te brengen al wat dienstig is voor de behandeling van de aan de orde zijnde zaak. Ze mogen zich laten bijstaan door een raadsman of-vrouw (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 14-1 en 2). Dit kan iemand uit de gemeente zijn of een collega-ambtsdrager; een raadsman of -vrouw hoeft dus geen advocaat of meester in de rechten te zijn.

Uitgangspunt is dat men in eikaars aanwezigheid wordt gehoord. Zijn er bijzondere redenen om daarvan af te wijken, dan bestaat daartoe de mogelijkheid, maar in dat geval krijgen betrokkenen — over en weer — een samenvatting van hetgeen tijdens hun afwezigheid is verklaard (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 14-3 en 4). Tenslotte is er de mogelijkheid om getuigen en deskundigen te laten horen; de kosten daarvan zijn voor rekening van degene die hen heeft meegebracht (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 14-5).

 

Voor de behandeling van bezwaren inzake misbruik van pastorale relaties of gezagsrelaties is — binnen het bredere kader van het opzicht — een bijzondere procedure voorgeschreven, omdat het onderzoek in dezen een specifieke deskundigheid vereist (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 15).

|240|

Het begrip ‘misbruik van een pastorale relatie of gezagsrelatie’ is ruimer dan de definities die in de hervormde en gereformeerde kerkorden waren opgenomen. Onder ‘misbruik van een pastorale relatie of gezagsrelatie’ wordt verstaan: ‘misbruik van macht en vertrouwen door degene die in een ambt of een dienst staat, een kerkelijke functie vervult of kerkelijke bevoegdheden uitoefent, in een pastorale relatie of in een relatie die betrokkene uit hoofde van dit ambt, deze dienst, functie of bevoegdheden onderhoudt, in de vorm van seksuele handelingen of toespelingen op of uitnodigingen tot seksueel contact dan wel van ander intimiderend gedrag, alles al dan niet onder druk van geheimhouding’ (art. 15-1).

De behandeling van deze zaken vindt plaats door de regionale colleges voor het opzicht, maar deze worden hierbij wel uitgebreid met twee deskundigen. Deze deskundigen nemen deel zowel aan de voorbereiding als aan de behandeling tijdens de zitting en de besluitvorming. Nauwkeurig is aangegeven wanneer een klacht al dan niet kan worden behandeld (art. 15-6, 7 en 8).

Een bijzondere regeling is voorts gegeven voor het ‘horen’ van betrokkenen. Dit horen kan — op verzoek — plaatsvinden door een van de deskundigen tezamen met een ander collegelid in plaats van door het voltallige college (art. 15-9); een verzoek om afzonderlijk gehoord te worden wordt altijd gehonoreerd (art. 15-10), een en ander met dien verstande dat de wederpartij altijd in kennis moet worden gesteld van hetgeen buiten diens aanwezigheid is verklaard.

Indien een bepaalde zaak in handen van politie of justitie is, kan het college de behandeling opschorten en zich eventueel voorlopig beperken tot toepassing van ord. 10-9-4, de niet als een tuchtmaatregel te beschouwen opschorting van de vervulling van ambt of dienst (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 15-11), in afwachting van de uitkomst van de strafrechtelijke behandeling.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.6.3

11.6.3 De middelen van kerkelijke tucht

Zij die belast zijn met de beslissing over het toepassen van een middel van kerkelijke tucht, dus een college van predikant(en) en ouderlingen en een regionaal college voor het opzicht, hebben — naast de bevoegdheid om een onderzoek in te stellen — een aantal specifieke bevoegdheden gekregen. De genoemde opzichtcolleges hebben — evenals de colleges voor de visitatie — de mogelijkheid zich te laten bijstaan door deskundigen (ord. 10-9-2).

Als daarvoor aanleiding is, kan iemand tegen wie een beschuldiging is ingebracht ernstig geadviseerd worden om zich tijdens de lopende procedure terughoudend op te stellen wat betreft de betrokkenheid bij het gemeentelijk leven. Dit dringende advies kan bijvoorbeeld gegeven worden als er grote onrust in een gemeente is ontstaan en nog niet duidelijk is of dat al dan niet terecht is. Gaat het om een ambtsdrager of iemand die in een dienst is gesteld, dan kan — bij wijze van voorlopige maatregel — worden bepaald dat deze de vervulling van ambt of dienst dient op te schorten tot er een definitieve uitspraak is. Is in de procedure een

|241|

predikant betrokken, dan bestaat de mogelijkheid te bepalen dat er een medisch onderzoek moet plaatsvinden. De onjuiste handelwijze kan namelijk een medische oorzaak hebben en dan zou het niet terecht zijn om een tuchtmaatregel op te leggen (ord. 10-9-3 t/m 5).

Is uit het onderzoek gebleken dat sprake is van ‘tuchtwaardig gedrag’, dan kan gebruikgemaakt worden van de middelen van kerkelijke tucht. In de ordinantie-bepaling is sprake van een limitatieve opsomming. Dat wil zeggen dat een college geen andere maatregelen mag opleggen dan de maatregelen die in ord. 10-9-6 t/m 8 zijn vermeld.

 

De middelen genoemd in ord. 10-9-6 kunnen betrekking hebben zowel op ‘gewone’ gemeenteleden als op degenen die een ambt of dienst vervullen.
- De eerste tuchtmaatregel is de vermaning (sub a).
- Daarna volgt de ernstige vermaning dat betrokkene de gemeenschap verstoort, dat deze bezig is de gemeenschap te verbreken. Deze ernstige vermaning raakt niet alleen de gemeenschap rondom het avondmaal, maar evenzeer de persoonlijke verhouding van betrokkene ten opzichte van Christus. De kennelijke verharding vormt een verhindering: men kan niet met zegen het avondmaal ontvangen zolang men in die staat van verharding blijft (sub b).
- Als derde middel wordt genoemd de schorsing voor bepaalde of onbepaalde tijd in het uitoefenen van het actief en passief kiesrecht (sub c).

Hierbij kan worden opgemerkt dat het sub c genoemde middel van de kerkelijke tucht kan worden opgelegd zonder dat de onder b genoemde maatregel is opgelegd. Toepassing van het derde middel brengt niet zonder meer mee dat ook het tweede middel is of moet worden opgelegd.

 

De in ord. 10-9-7 genoemde middelen van kerkelijke tucht hebben alleen betrekking op degenen die een ambt of dienst vervullen. Genoemd worden:
- De ambtelijke vermaning (sub a).
- De schorsing in de vervulling van ambt, dienst of kerkelijke bevoegdheden voor bepaalde tijd (sub b).
- Een dergelijke schorsing voor onbepaalde tijd, met — als het een predikant betreft — losmaking van de gemeente (sub c). Het college voor het opzicht moet binnen drie jaar beoordelen of de maatregel kan worden opgeheven of moet worden gehandhaafd dan wel dat het volgende middel moet worden toegepast.
- Een ontzetting uit het ambt of de dienst of het ontnemen van de kerkelijke bevoegdheden (sub d).

Als een van deze middelen van kerkelijke tucht die betrekking hebben op het vervullen van een ambt, een dienst of een kerkelijke bevoegdheid, wordt toegepast, moet altijd overwogen worden, of daarbij tegelijkertijd ook een van de middelen van kerkelijke tucht die in ord. 10-9-6 zijn genoemd, toepassing verdient.

|242|

In het uiterste geval kan het, zowel bij ‘gewone’ gemeenteleden als bij diegenen die een ambt of dienst vervullen, nodig zijn om uit te spreken dat door het optreden van betrokkene (‘bij ergerniswekkende hardnekkigheid in een onchristelijke belijdenis of levenswandel op grond waarvan reeds één of meer middelen van kerkelijke tucht zijn toegepast’) de gemeenschap met gemeente en kerk verbroken wordt geacht (ord. 10-9-8). Op plaatselijk niveau kan deze maatregel alleen worden genomen ‘in overleg met’ — dat wil zeggen: met instemming — van het regionale college voor het opzicht. Hier wordt dus afgeweken van de bepaling dat dit college over een tuchtmaatregel ‘gehoord’ dient te worden en is voorzien in een nauwere betrokkenheid van het regionale college (ord. 10-9-8 en ord. 10-7-1).

Tenslotte wordt in ord. 10-9-9 geregeld dat, in welk geval en door wie een — voor onbepaalde tijd opgelegde — maatregel kan worden opgeheven.

 

Toen bij het totstandkomen van de ordinantie voor het opzicht de middelen van kerkelijke tucht omschreven moesten worden, bleek hoezeer daarbij in de lutherse en de gereformeerde traditie verschillende accenten werden gelegd.

In de lutherse traditie ligt de nadruk op het Woord: het wordt de zondaar aangezegd dat hij zich op een dwaalweg bevindt. Verder mag de kerk niet gaan: het is aan het betrokken gemeentelid zelf te bepalen wat hij met de waarschuwing doet. Dat kan er toe leiden dat hij beseft zo niet te kunnen deelnemen aan het avondmaal. Daarover kan de kerk echter niet beslissen.

In de gereformeerde traditie behoort naast Woord en sacramenten ook de tucht tot de notae ecclesiae (de kenmerken van het kerk-zijn). Soms kan de kerk met een vermaning niet volstaan en moet een maatregel van kerkelijke tucht worden genomen. Dan wordt de zondaar niet alleen vermaand, maar wordt hem (voor een tijd) bijvoorbeeld de toegang tot het avondmaal ontzegd.

In de formuleringen van ord. 10-9-6 en 8 zijn de accenten uit beide tradities zo dicht mogelijk bij elkaar gehouden. Daarin wordt onderstreept dat het in feite de zondaar zelf is die zich buiten de (avondmaals)gemeenschap plaatst. Het is ‘de kennelijke verharding tegen het Woord (die) het op waardige wijze eten van het brood en drinken van de beker des Heren voor de betrokkene verhindert, waardoor de gemeenschap wordt geschaad’ (ord. 10-9-6 sub b). Het is ‘de ergerniswekkende hardnekkigheid in een onchristelijke belijdenis of levenswandel op grond waarvan reeds één of meer middelen van kerkelijke tucht zijn toegepast’ waardoor de gemeenschap van betrokkene met gemeente en kerk verbroken wordt geacht (ord. 10-9-8).

Toch is het de kerk die bij monde van haar opzichtcolleges deze constateringen doet en daaraan consequenties verbindt. Ze worden dan ook aangeduid als ‘middelen van kerkelijke tucht’. Als de kerk uitspreekt dat de kennelijke verharding het deelnemen aan het avondmaal verhindert, wordt daarmee de toegang tot het avondmaal ontzegd.

|243|

Een besluit tot toepassing van een middel van kerkelijke tucht kan niet met een gewone meerderheid van stemmen genomen worden. Daarvoor is een gekwalificeerde meerderheid voorgeschreven: ten minste twee derde van het aantal leden waaruit het voltallige college bestaat — dat betekent: inclusief de afwezigen en eventuele vacatures — moet voor toepassing van een middel van kerkelijke tucht zijn (ord. 10-10-2).

Het besluit dat gemotiveerd dient te zijn (zie § 11.5), wordt binnen dertig dagen toegezonden aan
- de betrokkenen: degene ten aanzien van wie de maatregel wordt toegepast en degene die een beschuldiging heeft ingebracht,
- de betrokken ambtelijke vergaderingen: de kerkenraad en het breed modera-men van de classicale vergadering,
- de beroepsinstantie: het generale college voor het opzicht,
- het betrokken college voor de visitatie, dat wellicht nog moet bemiddelen, en
- in voorkomende gevallen de synodale commissie van de evangelisch-lutherse synode.

Een besluit om geen middel van kerkelijke tucht op te leggen wordt alleen toegezonden aan de betrokkenen, de kerkenraad en het generale college voor het opzicht (ord. 10-10-4 en 5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.6.4

11.6.4 Beroep

Tegen een beslissing van een opzichtcollege — of dit nu een beslissing is van een plaatselijk college van predikant(en) en ouderlingen of van een regionaal college voor het opzicht — kan beroep worden ingesteld bij het generale college voor het opzicht.

Degene tegen wie de beschuldiging is ingebracht en degene die de beschuldiging heeft ingebracht, kunnen beroep aantekenen zowel tegen een beslissing om wel als tegen een beslissing om geen middel van kerkelijke tucht toe te passen (ord. 10-11-1 en 2). Een kerkenraad of het breed moderamen van een classicale vergadering kan — behalve als dit kerkelijk lichaam de beschuldiging heeft ingebracht — alleen beroep instellen als overgegaan is tot toepassing van een tuchtmaatregel (ord. 10-11-4).

Voor het instellen van beroep — dat altijd schriftelijk en gemotiveerd moet zijn — is een termijn van dertig dagen gesteld. De behandeling van een beroep verloopt op dezelfde wijze als de behandeling in eerste aanleg (ord. 10-11-5 en 7).

Het instellen van beroep heeft ‘schorsende werking’: als in eerste aanleg besloten was tot toepassing van een middel van kerkelijke tucht, dan treedt deze maatregel niet in werking voordat de procedure bij het generale college is afgerond en er in de zaak een definitieve beslissing is gegeven (ord. 10-11-6). Het generale college geeft deze beslissing — zo mogelijk — binnen dertig dagen nadat het beroep is ingesteld, maar de voorzitter kan deze termijn verlengen. In de praktijk zal dat

|244|

veelal het geval zijn, omdat betrokkenen altijd gelegenheid moeten krijgen op de overgelegde stukken te reageren, gehoord moeten worden, enzovoort. Als dit bedacht wordt, moet gezegd worden dat deze termijn van dertig dagen niet realistisch is; aan overschrijding van deze termijn zijn dan ook terecht geen consequenties verbonden (ord. 10-11-8).

Het generale college kan een besluit van een college van predikant(en) en ouderlingen of van een regionaal college vernietigen, niet alleen als beroep is ingesteld, maar ook zonder dat in beroep een voorziening is gevraagd. Dit laatste, een besluit tot ‘ambtshalve’ vernietiging, kan alleen worden genomen in het belang van de eenheid van de behandeling van bezwaren inzake belijdenis en wandel én binnen zestig dagen na de dag waarop het besluit aan het generale college is verzonden (ord. 10-11-9 en G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 16).

Het generale college kan de zaak zelf afdoen dan wel terugsturen naar het college dat in eerste aanleg de beslissing had genomen, of verwijzen naar een (ander) regionaal college om een nieuwe beslissing te geven (ord. 10-11-10). Tegen zo’n nieuwe beslissing kan eventueel weer beroep worden aangetekend. Aan wie het besluit van het generale college moet worden toegezonden, is vastgelegd in ord. 10-11-11.

 

Het generale college kan overgaan tot herziening. Als er in een bepaalde zaak een beslissing is genomen, maar er later nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden die voor de eerdere behandeling van belang zouden zijn geweest, kan het generale college de zaak opnieuw in behandeling nemen en eventueel een andere beslissing geven (ord. 10-12).

Voor het vragen van herziening is in de kerkorde geen termijn gesteld; criterium voor het in behandeling nemen van een zodanig verzoek is het bekend worden van nieuwe feiten en omstandigheden die voor de behandeling in eerdere instantie relevant zouden zijn geweest; voor dit bekend worden, kan uit de aard der zaak geen termijn gelden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7

11.7 De behandeling van bezwaren en geschillen

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.1

11.7.1 Algemeen

De kerkelijke rechtspraak, voorzover die niet betreft het opzicht of enkele andere bijzondere aangelegenheden (zie § 11.8 en 11.9), is opgedragen — zo is reeds bepaald in art. XIV-1 — aan specifiek daartoe aangewezen colleges, te weten de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Dit zijn — evenals de eerdergenoemde colleges voor het opzicht — onafhankelijk rechtsprekende colleges.

In § 11.5 is aangegeven dat de behandeling van deze ‘bezwaren en geschillen’ het bestuurlijk functioneren van kerkelijke vergaderingen en organen betreft. Hiermee

|245|

is bedoeld dat het bij bezwaren en geschillen gaat over vragen die op dit bestuurlijk functioneren betrekking hebben, zoals de vraag of de kerkordelijke voorschriften in acht genomen zijn, of de vereiste zorgvuldigheid is betracht, of bevoegdheden overeenkomstig hun bedoelingen zijn gebruikt, of alle betrokken belangen zijn afgewogen, en dergelijke. In het niet-kerkelijke bestuursrecht zou men zeggen dat bij de behandeling van bezwaren en geschillen getoetst wordt of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen zijn (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 23). Hierbij wordt het beleid van kerkelijke lichamen dus niet inhoudelijk beoordeeld: het bepalen van de inhoud van het beleid behoort tot de beleidsvrijheid van de betreffende vergaderingen.

 

Voordat in ord. 12 regelingen worden gegeven voor de samenstelling, bevoegdheid en werkwijze van de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen, wordt gewezen op het kerkelijk karakter van deze vorm van kerkelijke rechtspraak: de behandeling van bezwaren en geschillen geschiedt ter onderhouding van het recht, en wel met inachtneming van de rechtvaardigheid en de liefde in de gemeenschap van de kerk (ord. 12-1-1).

Ook bij deze vorm van kerkelijke rechtspraak is de systematiek aangehouden dat de basisregels in ord. 12 zijn neergelegd en de nadere uitwerking is gegeven in de generale regeling kerkelijke rechtspraak, en wel in hoofdstuk I (de algemene bepalingen, die in § 11.5 al aan de orde zijn geweest) en hoofdstuk V, betreffende de procedure bij de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen. In ord. 12-1-2 wordt naar deze generale regeling verwezen.

In de kerk heeft men het recht bezwaren tegen besluiten van een kerkelijk lichaam in te dienen bij de kerkelijke rechter (zie voor kerkelijk lichaam § 6.1.3), maar er is ook de mogelijkheid bij de vergadering die het desbetreffende besluit heeft genomen revisie te vragen. Ord. 12-1-3 volstaat met het vermelden van deze mogelijkheid; regels daarvoor en voor de relatie tot de procedure bij bezwaren en geschillen worden gegeven in ord. 12-12 (zie § 11.7.11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.2

11.7.2 De colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen

Veel bepalingen die ten aanzien van de colleges voor het opzicht gelden, zijn — in vrijwel gelijke bewoordingen — eveneens opgenomen voor de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

Zo geldt ook voor deze colleges dat er evenveel regionale colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen zijn als er algemene classicale vergaderingen zijn, tenzij twee of meer algemene classicale vergaderingen vragen om voor de desbetreffende regio’s één gezamenlijk college in te stellen. Het rechtsgebied van een regionaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen is het gebied van de classes die in de betrokken algemene classicale vergadering(en) samenwerken (ord. 12-2-1 en 2; G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 1 sub d).

|246|

De regeling voor de samenstelling van de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen wijkt enigszins af van die voor de colleges voor het opzicht. Dit hangt samen met het karakter van de behandeling van bezwaren en geschillen (zie § 11.7.1).

Deze vorm van kerkelijke rechtspraak heeft een minder ‘ambtelijk’ karakter dan het opzicht. Zo is dan ook niet bepaald dat deze kerkelijke rechtspraak geschiedt in opdracht van de meerdere ambtelijke vergaderingen en zo is ook de samenstelling van de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen minder ‘ambtelijk’ dan die van de colleges voor het opzicht.

Een regionaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen bestaat uit vijf leden die door de algemene classicale vergadering worden benoemd uit de belijdende leden van de kerk. Van deze vijf leden moeten er drie ambtsdrager zijn, waarbij — zo mogelijk — de drie ambten vertegenwoordigd zijn. Daaraan is overigens toegevoegd: als de ambtsperiode van een lid van het college is afgelopen, kan deze in beginsel de zittingstijd als lid van het college vol maken. De situatie is dus denkbaar dat een college in meerderheid of zelfs geheel uit voormalig ambtsdragers bestaat (ord. 12-2-13).

Ook ten aanzien van de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen is bepaald dat de benoeming van de leden plaatsvindt voor een periode van acht jaar, zonder de mogelijkheid van herbenoeming. De reden daarvoor is dezelfde als in § 11.6.1 is genoemd bij de samenstelling van de colleges voor het opzicht, namelijk dat rechtgesproken wordt zonder dat de vraag naar herbenoeming enige rol kan spelen (ord. 12-2-3).

De regionale colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen worden eveneens bijgestaan door een adviserend lid, dat de hoedanigheid van meester in de rechten heeft (ord. 12-2-5). De voorzitter van het college wordt aangewezen door de algemene classicale vergadering, de secretaris door het college zelf (ord. 12-4 en 6). Ook hier geldt dat voor elk lid en adviserend lid een secundus en een tertius moeten worden aangewezen, zodat het college — ook bij afwezigheid van een of meer van de eerst aangewezen leden — kan blijven functioneren (ord. 12-2-11).

Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen is op vergelijkbare wijze samengesteld (ord. 12-2-7 t/m 10).

De bepaling betreffende de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de colleges voor de visitatie, het opzicht en de behandeling van bezwaren en geschillen ontbreekt ook in deze ordinantie niet (ord. 12-2-12), terwijl tevens is vastgelegd dat een lid van een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen niet kan deelnemen aan de behandeling van een zaak waarbij deze direct of indirect betrokken is (geweest) of enig belang heeft (ord. 12-7-6)

 

Ord. 12 maakt onderscheid tussen ‘bezwaren’, die in ord. 12-3 zijn omschreven, en ‘geschillen’, waarover het in ord. 12-4 gaat.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.3

|247|

11.7.3 Bezwaren

Een bezwaar kan worden ingediend tegen een besluit van een kerkelijk lichaam. Onder een besluit wordt in dit geval mede verstaan een handeling of een verzuim. Zo kan bijvoorbeeld bezwaar gemaakt worden tegen een besluit van een classicale vergadering om gemeenten samen te voegen. Maar een bezwaar kan ook worden ingediend als er een verzoek van de kerkenraden tot samenvoeging ligt en de classicale vergadering neemt daarover geen besluit en weigert overleg te voeren. Wat een ‘verzuim’ is waartegen op grond van ord. 12 bezwaar gemaakt kan worden, zal in de praktijk blijken: het ligt niet voor de hand dat deze bepaling gebruikt kan worden om ambtelijke vergaderingen te dwingen voor een door een wederpartij gestelde datum te reageren of bepaalde besluiten te nemen.

Hoewel in de bepalingen geen beperking is opgenomen, zal niet elk besluit, elke handeling of elk verzuim van een kerkelijk lichaam bij ‘bezwaren en geschillen’ kunnen worden aangevochten: het zal toch moeten gaan om besluiten of handelingen die een zeker (rechts)gevolg hebben. Zo zal geen bezwaar gemaakt kunnen worden tegen een brief waarin op verzoek informatie wordt gegeven over het gevoerde beleid of uitleg wordt gegeven over een genomen besluit of een kerk-ordelijke bepaling. Ook zal geen bezwaar kunnen worden ingediend tegen een besluit dat nog niet definitief is, zoals een besluit van de generale synode om in eerste lezing een ordinantiewijziging vast te stellen.

 

Het moet gaan om een besluit, handeling of verzuim van een kerkelijk lichaam, dat wil zeggen van een ambtelijke vergadering, kerkelijk orgaan, college of commissie (ord. 4-4-1, zie § 6.1.3). Er moet sprake zijn van een besluit van een kerkelijk lichaam als zodanig, niet van een besluit van een bepaalde ambtsdrager of van een lid van een kerkelijke vergadering. Geen bezwaar kan bijvoorbeeld worden gemaakt tegen de wijze waarop de voorzitter van een kerkelijke commissie in een bepaalde zaak optreedt.

 

Bezwaren kunnen alleen worden ingediend door bezwaarden binnen de kerk: een kerkelijk lichaam, een ambtsdrager, iemand die in een dienst is gesteld, een functie vervult of is ingeschreven in een register van de gemeente (ord. 12-3-1). Het gaat bij ‘bezwaren en geschillen’ immers om een rechtsgang binnen de kerk.

Als bezwaarde kan alleen worden aangemerkt een kerkelijk lichaam, ambtsdrager of gemeentelid dat belang heeft bij een uitspraak: de bezwaarde moet (zelf) ‘menen in zijn werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid’ getroffen te zijn. Deze bepaling betekent dat bijvoorbeeld geen bezwaar kan worden ingediend tegen een besluit van een kerkenraad van een andere gemeente, waarbij men in het geheel niet betrokken is. Men kan ook geen bezwaar indienen omdat men meent dat aan iemand anders onrecht is aangedaan (behalve als men als wettelijk vertegenwoordiger voor deze andere persoon optreedt). Dat er een

|248|

‘werkelijk belang’ moet zijn, kan ook meebrengen dat bezwaren tegen besluiten inzake aangelegenheden die reeds op een andere wijze geregeld zijn niet meer behandeld worden, omdat daaraan inmiddels het belang is komen te ontvallen.

Als het college voor de behandeling van bezwaren en geschillen tot het oordeel komt dat een bezwaarde — die zelf meent in zijn werkelijk belang of kerkelijke verantwoordelijkheid te zijn getroffen — objectief gezien geen daadwerkelijk belang of verantwoordelijkheid in de desbetreffende zaak heeft, wordt een bezwaar ‘niet-ontvankelijk’ verklaard.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.4

11.7.4 Geschillen

Een geschil in de zin van ord. 12 betreft de onderlinge verhouding tussen kerkelijke lichamen, ambtsdragers of anderen die een dienst of functie vervullen. Het gaat daarbij over de vervulling van hun taak, de begrenzing van hun arbeidsvelden of de omvang van hun bevoegdheden (ord. 12-4).

Een geschil over de vervulling van de taak kan bijvoorbeeld ontstaan als een college van diakenen zich uitsluitend zou willen richten op het lenigen van de noden in de eigen gemeente. Bij een geschil over begrenzing van arbeidsvelden en omvang van bevoegdheden kan het gaan om de vraag of een bepaalde zaak behoort tot de taak van een wijkkerkenraad of een algemene kerkenraad. Ook een verschil van inzicht over de verdeling van de taken tussen een kerkenraad en een college van kerkrentmeesters en/of een college van diakenen is een geschil, dat zich leent voor behandeling in het kader van ord. 12. Een geschil van een college met een gemeentelid, bijvoorbeeld over de pacht van landbouwgronden, is geen geschil als bedoeld in ord. 12.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.5

11.7.5 Bevoegdheid

De colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen zijn alleen bevoegd bezwaren en geschillen te behandelen, als daarvoor in de orde van de kerk niet een ander afzonderlijk orgaan of een bijzondere wijze van behandeling is aangegeven (art. XIV-1 en ord. 12-6-1).

De behandeling van bezwaren inzake belijdenis en wandel is — zoals we hebben gezien — opgedragen aan de daartoe aangewezen colleges voor het opzicht. Als een zodanig bezwaar binnenkomt bij een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen dient dit doorgestuurd te worden naar het bevoegde college voor het opzicht (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 2-1). Is niet duidelijk welk kerkelijk lichaam bevoegd is van een zaak kennis te nemen en daarover een oordeel te geven, of is daarvoor in de kerkorde geen kerkelijk lichaam aangewezen, dan bepaalt het generale college voor de behandeling van bezwaren welk lichaam in de desbetreffende zaak uitspraak moet doen (ord. 12-6-2). In deze bepaling wordt over ‘kerkelijk lichaam’ gesproken, maar het gaat

|249|

hierin niet over de taakverdeling tussen kerkelijke lichamen in het algemeen, maar over de vraag welk college dat belast is met de kerkelijke rechtspraak in een concrete zaak bevoegd is.

 

Bij een regionaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen kunnen bezwaren ingediend worden tegen besluiten van een kerkenraad, een classicale vergadering en elk ander kerkelijk lichaam ‘binnen het rechtsgebied’ van het regionale college (ord. 12-3-1). Bepalend voor de vraag naar de bevoegdheid van een regionaal college is of het bestreden besluit is genomen door een kerkelijk lichaam dat zijn arbeidsveld heeft uitsluitend binnen het gebied van het regionale college. Zo kunnen bij een regionaal college bezwaren ingediend worden tegen een besluit van een plaatselijk college van kerkrentmeesters, van een algemene classicale vergadering, enzovoort. Ook geschillen tussen kerkelijke lichamen of personen die hun arbeidsveld hebben binnen het rechtsgebied van één regionaal college worden door dit college behandeld (ord. 12-4-1).

Alle andere bezwaren en geschillen worden behandeld door het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Dus een bezwaar tegen een besluit van de generale synode of een geschil met een orgaan van bijstand van de synode moet worden ingediend bij het generale college.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.6

11.7.6 Indienen van een bezwaar of geschil

Een bezwaar of geschil moet worden ingediend door middel van een bezwaarschrift (ord. 12-3-4 en ord. 12-4-2). Ord. 12-5-1 geeft enkele vormvoorschriften voor zo’n bezwaarschrift; de meeste daarvan liggen overigens voor de hand. Zo is voorgeschreven dat in het bezwaarschrift wordt vermeld: de naam, kerkelijke kwaliteit (dat wil zeggen: gemeentelid, ambtsdrager, lid van een commissie en dergelijke) en woonplaats van de bezwaarde. Ook moet worden aangegeven tegen welk besluit bezwaar wordt gemaakt of waarin het geschil bestaat, argumenten en feiten moeten worden aangevoerd, enzovoort. Kortom, het bezwaarschrift moet gemotiveerd, gedateerd en ondertekend zijn.

Is niet aan alle vormvereisten voldaan, dan wordt de bezwaarde in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift binnen een daarvoor te stellen termijn aan te vullen. Wordt van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, dan kan besloten worden het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dat wil zeggen: niet in behandeling te nemen (ord. 12-5-2 en G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 18).

 

Een van de belangrijkste voorschriften is dat een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen de voorgeschreven termijn van dertig dagen na de dagtekening van het bestreden besluit, dan wel dertig dagen na de dag waarop men redelijkerwijze kennis heeft kunnen nemen van dat besluit (ord. 12-3-4). Rechters, en dat geldt ook voor kerkelijke rechters, houden in het algemeen strikt

|250|

de hand aan deze termijn. De bedoeling van het stellen van een dergelijke termijn is immers zekerheid te bieden over het moment waarop besluiten bindend zijn en niet meer aangevochten kunnen worden. Een beroep op onbekendheid met dit voorschrift zal veelal niet gehonoreerd worden. De termijn wordt ook niet verlengd door het inroepen van een bemiddeling door derden, bijvoorbeeld door visitatoren.

Voor het voorleggen van een geschil is geen termijn gesteld; een geschil ontstaat veelal niet op een bepaald moment, maar gaandeweg het functioneren van de betrokken personen en kerkelijke lichamen.

 

Het indienen van een bezwaarschrift heeft niet tot gevolg dat het bestreden besluit niet zou kunnen worden uitgevoerd, het heeft geen schorsende werking. Wel is het mogelijk aan de voorzitter van een college te vragen de tenuitvoerlegging of werking van het aangevochten besluit op te schorten of een andere spoedvoorziening te treffen (ord. 12-3-5). Voor deze kerkelijke ‘kort-gedingprocedure’ zijn regels gegeven in art. 22 van de generale regeling kerkelijke rechtspraak. In beginsel wordt een verzoek om opschorting of om een andere spoedvoorziening op dezelfde wijze behandeld als een ingediend bezwaar zelf. Maar als een zaak zo spoedeisend is dat er geen tijd is partijen mondeling te horen, kan de voorzitter daarvan afzien; ook is het mogelijk in dat geval te volstaan met het telefonisch horen van partijen.

Voor een opschorting kan aanleiding zijn als door de uitvoering van een bestreden besluit een onomkeerbare situatie ontstaat. Dit is bijvoorbeeld het geval als de verkoop van een kerkgebouw zou worden doorgezet, terwijl tegen het besluit tot verkoop bezwaren zijn ingediend.

Tegen een beslissing van de voorzitter op een verzoek om opschorting kan geen bezwaar worden ingediend.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.7

11.7.7 De behandeling van een bezwaar of geschil

Voor de procedure bij de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen zijn regels gegeven in ord. 12-7 en hoofdstuk V van de generale regeling kerkelijke rechtspraak.

Een college neemt een ingediend bezwaarschrift in behandeling, tenzij al meteen duidelijk is dat het bezwaarschrift niet ontvankelijk is. Dat is bijvoorbeeld het geval als het bezwaarschrift niet voldoet aan de vereisten die aan een bezwaarschrift zijn gesteld in ord. 12-5 en 12-8 (in G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 18, wordt ten onrechte verwezen naar ord. 12-9). Degene die het bezwaar heeft ingediend krijgt overigens nog wel de gelegenheid om het bezwaarschrift aan te vullen; blijft deze aanvulling achterwege, dan kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard en wordt het dus niet in behandeling genomen. Als een bezwaarschrift bij een college is ingediend, wordt dit toegezonden aan

|251|

het kerkelijk lichaam dat het bestreden besluit heeft genomen of waarmee het geschil bestaat. Deze wederpartij krijgt de gelegenheid om binnen een bepaalde termijn op het bezwaarschrift te reageren (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 20-1 en 2). Beide partijen kunnen op hun verzoek inzage of een afschrift van de stukken die bij de behandeling ter tafel liggen krijgen.

Het college is bevoegd om — voordat een bezwaarschrift in behandeling wordt genomen — te bepalen dat een bepaald bedrag moet worden betaald ter voorziening in de kosten van de behandeling van de zaak. Een college heeft ook de bevoegdheid om bij kerkelijke lichamen inlichtingen en gegevens op te vragen (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 20-4 en 5).

Ook hier geldt dat zaken die met elkaar samenhangen gezamenlijk behandeld kunnen worden en dat bezwaren die in één bezwaarschrift zijn ingediend, maar op meer dan één aangelegenheid betrekking hebben apart kunnen worden behandeld (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 19).

 

Na deze voorbereiding volgt de behandeling zelf. Betrokkenen krijgen de gelegenheid om tijdens een zitting van het college mondeling toelichting te geven, als zij daartoe een verzoek indienen of als het college daartoe aanleiding ziet (ord. 12-7-2). Deze formulering betekent dat het college — als er geen verzoek is gedaan en het college zelf geen reden ziet om partijen op te roepen — ook de mogelijkheid heeft een zaak op de stukken af te doen.

Betrokkenen mogen zich laten bijstaan door een raadsman of -vrouw. Ook in deze procedures wordt ervanuit gegaan dat partijen in eikaars aanwezigheid worden gehoord, al is het college ook bevoegd om betrokkenen om bijzondere redenen afzonderlijk te horen. In dat geval worden partijen — over en weer — schriftelijk geïnformeerd over de verklaringen die tijdens hun afwezigheid zijn afgelegd (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 21).

De behandeling van een bezwaar of geschil is niet openbaar. De Commissie voor civielrechtelijke vraagstukken, die in februari 2000 advies heeft uitgebracht over de ontwerp-ordinanties, wijst er in haar rapport op dat ‘het in overeenstemming is met het karakter van de kerkelijke procedure dat deze niet openbaar is. Het gaat immers steeds om een intern-kerkelijke aangelegenheid, die zich niet afspeelt op het publieke erf’. Overigens is in de regeling ook opgenomen dat een college uit eigen beweging of op verzoek van partijen kan besluiten tot een openbare behandeling van een zaak (ord. 12-7-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.8

11.7.8 De uitspraak

Het college doet vervolgens uitspraak binnen een door hem gestelde termijn. Voor het doen van een uitspraak dienen in ieder geval vier van de vijf leden van het college aanwezig te zijn, maar een gekwalificeerde meerderheid is niet vereist: een uitspraak wordt in beginsel bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Als

|252|

de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag (ord. 12-7-1, 5 en 7).

In ord. 12-7-8 is vermeld welke elementen in een uitspraak moeten zijn opgenomen; hiertoe behoren uiteraard een uitspraak inzake het bezwaar of geschil en de rechtsgronden waarop deze uitspraak berust.

 

Bij het doen van een uitspraak heeft een college verschillende mogelijkheden.
- Het bestreden besluit wordt bevestigd. Het college oordeelt dat het kerkelijk lichaam dat dit besluit heeft genomen, niet onjuist heeft gehandeld: het bezwaar wordt afgewezen en ‘ongegrond’ verklaard.

Komt het college tot de conclusie dat het ingediende bezwaar terecht, dus ‘gegrond’ is en het bestreden besluit niet zo genomen had mogen worden, dan zijn er verschillende mogelijkheden.
- Het besluit kan (geheel of ten dele) worden vernietigd of worden aangevuld.
- Het college kan ook ter zake een voorziening treffen die het geboden acht (ord. 12-7-4 en G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 23-1).
- Het college kan — ondanks erkenning van het bezwaar — de (rechts)gevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Dit is mogelijk als verwacht mag worden dat een nieuw — op de juiste wijze totstandgekomen — besluit tot hetzelfde resultaat zou leiden als het oorspronkelijke besluit of als de bezwaarde geen redelijk belang heeft bij de gevraagde uitspraak (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 23-2).

Tenslotte moet nog herinnerd worden aan de mogelijkheid dat een bezwaar of geschil niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het bezwaarschrift wordt in dat geval niet (inhoudelijk) behandeld, bijvoorbeeld omdat degene die het bezwaar heeft ingediend geen belang bij de zaak heeft of omdat de bezwaren te laat zijn ingediend.

 

De uitspraak wordt binnen dertig dagen nadat het college het desbetreffende besluit heeft genomen, toegezonden aan partijen, te weten degene die het bezwaarschrift heeft ingediend en het kerkelijk lichaam dat het bestreden besluit heeft genomen of waarmee het geschil bestaat. Ook verschillende kerkelijke organen, waaronder in ieder geval de kleine synode en het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen, krijgen daarvan een afschrift (ord. 12-7-9).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.9

11.7.9 Beroep

Tegen een uitspraak van een regionaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen kan beroep worden ingesteld bij het generale college. Dit beroep staat alleen open voor de beide ‘oorspronkelijke’ partijen. Iemand die in eerdere instantie bij een regionaal college geen bezwaarschrift heeft ingediend, heeft

|253|

niet de mogelijkheid om in een latere instantie beroep in te stellen en bij de behandeling van de zaak in beroep alsnog mee te doen (ord. 12-8-1). De voorwaarden voor het instellen van beroep zijn vergelijkbaar met die welke zijn gesteld voor het indienen van een bezwaarschrift: het moet schriftelijk en gemotiveerd zijn, terwijl ook hier de termijn van dertig dagen geldt (ord. 12-8-2). Het beroep heeft geen schorsende werking, maar er kan wel een spoedvoorziening worden gevraagd (ord. 12-8-3).

Tegen een uitspraak van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen staat geen voorziening open. Een uitspraak die binnen de kerk niet meer kan worden aangevochten, noemen we een einduitspraak. In één geval wordt zo’n einduitspraak gedaan door de regionale colleges, namelijk in geval van bezwaren tegen de gevolgde procedure bij de verkiezing van ambtsdragers. Daartegen kan dus geen beroep worden ingesteld (ord. 12-8-4 en 5).

 

Bij de behandeling van een zaak in beroep wordt in beginsel dezelfde procedure gevolgd als bij de behandeling in eerste aanleg (ord. 12-9-1).

Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen kan een uitspraak van een regionaal college bevestigen, geheel of ten dele vernietigen, aanvullen of ter zake een voorziening geven die het geboden acht. Het generale college kan zelf een einduitspraak doen, maar kan de zaak ook verwijzen naar een regionaal college: naar het college dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld of naar een ander college (ord. 12-9-2 en 3).

De uitspraak wordt binnen dertig dagen toegezonden aan partijen en aan een aantal met name genoemde kerkelijke organen (ord. 12-9-4).

 

Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen kan een uitspraak van een regionaal college ook vernietigen zonder dat beroep is ingesteld. Een zodanige ‘ambtshalve vernietiging’ kan alleen worden uitgesproken in het belang van de eenheid in de behandeling van bezwaren en geschillen en moet plaatsvinden binnen zestig dagen na de dag waarop de uitspraak aan het generale college is toegezonden (ord. 12-10-1).

Om dezelfde reden kan ook een einduitspraak van een regionaal college voor onjuist worden verklaard (ord. 3-4-11 en ord. 3-6-10). In dat geval blijven de rechtsgevolgen van de regionale uitspraak onaangetast: de constatering van het generale college dat een verkiezingsprocedure toch niet volgens de voorgeschreven regels was verlopen, heeft niet tot gevolg dat een inmiddels bevestigde ambtsdrager het ambt verliest en dat de verkiezing overgedaan moet worden. Het betekent wel dat bij een volgende verkiezing gehandeld moet worden conform de uitspraak ter zake van het generale college (ord. 12-10-2).

Ook bij bezwaren en geschillen is voorzien in de mogelijkheid van herziening. Blijkt in een later stadium dat feiten en omstandigheden ten onrechte buiten beschouwing zijn gebleven of zijn er nieuwe feiten aan het licht gekomen die een

|254|

ander licht op de zaak werpen, dan kan het generale college de zaak opnieuw in behandeling nemen en eventueel een andere uitspraak doen (ord. 12-11).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.10

11.7.10 Bindend karakter kerkelijke rechtspraak

Uit het bepaalde in ord. 12-6-3 blijkt dat een beslissing van een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen geen vrijblijvend advies aan partijen is, maar een rechterlijke uitspraak waaraan deze gebonden zijn. Blijft een kerkelijk lichaam of een lid daarvan, dan wel een ambtsdrager nalatig in de naleving of tenuitvoerlegging van een beslissing van een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen, dan kan dit college de zaak voorleggen aan het daarvoor aangewezen college voor het opzicht. Een (lid van een) kerkelijk lichaam of ambtsdrager kan een beslissing van de kerkelijke rechter dus niet zomaar naast zich neerleggen.

Doet men dat wel, dan kan dit ertoe leiden dat ten aanzien van betrokkene(n) door het desbetreffende college voor het opzicht gebruikgemaakt wordt van een van de middelen van kerkelijke tucht (ord. 12-6-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.7.11

11.7.11 Revisie

Degenen die volgens het bepaalde in ord. 12-3 een bezwaar kunnen indienen (zie § 11.7.3), hebben ook de mogelijkheid om bij het kerkelijk lichaam dat het besluit heeft genomen, revisie van dat besluit te vragen (ord. 12-12-1 en 3). Men vraagt daarmee aan het kerkelijk lichaam het besluit in heroverweging te nemen, daarbij bepaalde bezwaren in de overwegingen te betrekken en zo mogelijk een nieuw (ander) besluit te nemen. Voor het indienen van een revisieverzoek gelden dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor het indienen van een bezwaar. Men is ook hierbij dus gebonden aan de termijn van dertig dagen.

Een kerkelijk lichaam is overigens niet verplicht om een revisieverzoek in behandeling te nemen als er geen nieuwe elementen in het geding zijn (ord. 12-12-5).

 

Als tegen het besluit waarvan revisie wordt gevraagd, ook een bezwaar is ingediend bij een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen, wordt de behandeling van dit bezwaar opgeschort totdat de behandeling van het revisieverzoek is afgerond (ord. 12-12-2).

 

Wordt een revisieverzoek afgewezen, dan kan door degene die het revisieverzoek had ingediend alsnog — binnen dertig dagen — een bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit worden ingediend bij het bevoegde college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-12-5). In dit geval gaat de termijn voor het indienen van een bezwaar dus niet in op de dag waarop het oorspronkelijke

|255|

besluit werd genomen, maar op de dag waarop het revisieverzoek werd afgewezen. Bezwaren die door anderen reeds bij het desbetreffende college waren ingediend, maar die in verband met het revisieverzoek nog niet konden worden behandeld, worden nu ook in behandeling genomen.

Als het revisieverzoek wordt gehonoreerd, ligt er een nieuw besluit van het kerkelijk lichaam dat het oorspronkelijke besluit had genomen. Tegen dit nieuwe besluit kan op de gewone wijze — dat wil zeggen: door bezwaarden die door dit nieuwe besluit in hun werkelijk belang of hun kerkelijke verantwoordelijkheid zijn getroffen — bij het desbetreffende college voor de behandeling van bezwaren en geschillen een bezwaarschrift worden ingediend. Het ligt niet voor de hand in dat geval opnieuw om revisie te vragen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.8

11.8 Ambtsontheffing

Tot de kerkelijke rechtspraak wordt ook gerekend de behandeling van een zaak als bedoeld in ord. 3-20 en 3-21 met betrekking tot de ontheffing van werkzaamheden of de ontheffing van het ambt van een predikant (zie § 5.7). De procedure bij het generale college voor de ambtsontheffing is beschreven in art. 8 t/m 11 van de generale regeling kerkelijke rechtspraak.

 

Het artikel over de voorbereiding van de behandeling bepaalt allereerst dat het verzoek van het breed moderamen van de classicale vergadering aan het generale college voor de ambtsontheffing gemotiveerd dient te zijn en dat alle stukken en gegevens die voor de behandeling van belang zijn daarbij moeten worden overgelegd. Hiertoe behoort in ieder geval het advies van het regionale college voor de visitatie en — als dat er is — het verzoek van de kerkenraad aan het breed moderamen van de classicale vergadering (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 8-1).

Het generale college stelt de betrokken predikant en kerkenraad op de hoogte en geeft inzage in de stukken en verklaringen die ter tafel liggen. Het regionale college voor de visitatie krijgt gelegenheid schriftelijk te reageren op deze stukken en verklaringen (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 8-2 t/m 4).

Uitdrukkelijk is in dit artikel ook bepaald dat bezwaren tegen het verzoek van het breed moderamen van de classicale vergadering, tegen een eventueel verzoek van de kerkenraad en tegen het advies van het regionale college voor de visitatie niet thuishoren bij ‘bezwaren en geschillen’ (wat de ‘gewone’ gang van zaken zou zijn), maar ingediend moeten worden bij het generale college voor de ambtsontheffing. Op deze wijze wordt voorkomen dat in deze zaak meer dan één kerkelijke rechter bevoegd is (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 8-5).

 

Na de voorbereiding volgt de behandeling door het generale college voor de ambtsontheffing. Is bij de zaak een predikant betrokken die verbonden is aan een evangelisch-lutherse gemeente, dan wordt dit college uitgebreid met twee leden

|256|

die door de evangelisch-lutherse synode zijn benoemd (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 9-4).

Predikant en kerkenraad worden uitgenodigd om een mondelinge toelichting te geven; ze kunnen daarbij worden bijgestaan door een raadsman of -vrouw. Het regionale college voor de visitatie wordt eveneens door het generale college gehoord. Ook hier geldt weer als uitgangspunt dat alle betrokkenen in eikaars aanwezigheid worden gehoord, tenzij er redenen zijn om hen afzonderlijk te horen. In dat geval wordt men schriftelijk geïnformeerd over de verklaringen die buiten eikaars aanwezigheid zijn afgelegd (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 9-1 t/m 3).

 

Het generale college doet vervolgens ‘uitspraak’. In ord. 3-20 en 3-21 en in de generale regeling is hiervoor de formulering gebruikt dat het college tot een oordeel gekomen is.

Is dit oordeel dat er geen reden is om de predikant los te maken van de gemeente, dan wordt dit medegedeeld aan alle betrokkenen: de predikant en de kerkenraad, het breed moderamen van de classicale vergadering en het regionale college voor de visitatie alsmede — eventueel — de evangelisch-lutherse synode.

Komt het generale college tot het oordeel dat de predikant de gemeente niet met stichting kan dienen, dan moet een termijn bepaald worden gedurende welke de predikant de gelegenheid heeft zich naar dit oordeel te voegen. Ord. 3-20-2 noemt daarbij twee mogelijkheden: door het aanvaarden van een beroep dan wel door ontheffing van het ambt te vragen. Ook moet in dat geval worden vastgesteld welke bijdrage de gemeente moet betalen in de wachtgeldregeling voor de predikant (G.R. predikantstraktementen, art. 29-4). Komt het generale college tot het oordeel dat de predikant niet bekwaam is om enige gemeente met stichting te dienen (of in een andere functie als predikant werkzaam te zijn), dan kan het college de predikant ontheffen van het ambt (ord. 3-21-1).

Deze uitspraak wordt — behalve aan de eerdergenoemde betrokkenen — toegezonden aan de Beleidscommissie predikanten (voor de uitvoering van de wachtgeldregeling) en aan het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 10).

 

Tegen een oordeel van het generale college voor de ambtsontheffing kan door de predikant en de kerkenraad beroep worden ingesteld bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. In art. 11 van de generale regeling is vastgelegd wanneer en op welke wijze dit beroep kan worden ingesteld.

De behandeling van het beroep door het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen vindt plaats volgens de ‘gewone’ bepalingen die bij behandeling door dit college gelden. Op één punt geldt een bijzondere regeling, namelijk voor wat betreft de termijn van losmaking. Het instellen van beroep heeft schorsende werking: de termijn begint pas te lopen op het moment dat er een einduitspraak is gegeven. Hierbij kan ook een nieuwe termijn worden bepaald

|257|

(G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 11-4 t/m 6). Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen kan de zaak zelf afhandelen, maar is ook bevoegd deze terug te verwijzen naar het generale college voor de ambtsontheffing (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 11-7).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 11.9

11.9 Beroep bij beheerszaken

Ook de procedures die op grond van het bepaalde in ord. 11-10 en ord. 11-22-4 worden gevoerd behoren tot de kerkelijke rechtspraak.

Volgens ord. 11-10 kan een kerkenraad, college van kerkrentmeesters of college van diakenen bij het regionale college voor de behandeling van beheerszaken bezwaren indienen tegen een besluit op het gebied van de vermogensrechtelijke aangelegenheden, genomen door een van de beide andere genoemde lichamen. In ord. 11-22-4 is vervolgens bepaald dat het regionale college — als een dergelijk bezwaar niet door bemiddeling kan worden weggenomen — een uitspraak doet.

Bij de behandeling van zo’n bezwaar wordt gekeken naar het bepaalde in ord. 12-5 en ord. 12-7. Een bezwaarschrift moet voldoen aan de vormvoorschriften die ook gelden voor een bezwaarschrift dat bij ‘bezwaren en geschillen’ wordt ingediend. De behandeling door het regionale college voor de behandeling van beheerszaken vindt plaats op dezelfde wijze als bij de behandeling in eerste aanleg bij ‘bezwaren en geschillen’ (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 17-1).

Tegen een beslissing van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken kan binnen dertig dagen beroep worden ingesteld bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Dit generale college behandelt een beroep over vermogensrechtelijke geschillen op dezelfde wijze als is voorgeschreven voor de behandeling van beroepszaken die van de aanvang af door de colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen zijn behandeld (ord. 11-22-4 en 5; G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 17). Zie verder § 12.6.2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H12

258-291

|258|

12 Vermogensrechtelijke aangelegenheden

 

In de kerkorde wordt de term ‘vermogensrechtelijke aangelegenheden’ gebruikt voor al die zaken die moeten worden ‘beheerd’. Het gaat dan niet alleen om geld en goederen, maar ook om archieven en zaken als ledenregisters, doopboeken en dergelijke. Ook het sluiten van arbeidsovereenkomsten en het personeelsbeleid worden tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden gerekend (ord. 11-2-7).

In de kerkorde wordt bepaald (art. XIII) dat de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen de kerk berust bij de desbetreffende ambtelijke vergadering. In ordinantie 11 wordt dit in vier hoofdstukken nader uitgewerkt: de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente (I), van de classis (II), van de evangelisch-lutherse synode (III) en van de kerk (IV).

In de kerkorde wordt ook bepaald dat er op deze zorg wordt toegezien door organen van de kerk. In ordinantie 11 is hoofdstuk V daaraan gewijd. Ordinantie 11 kent tenslotte een hoofdstuk VI waarin wordt ingegaan op kerkelijke instellingen en stichtingen en op de aansprakelijkheid van beheerders.

In dit hoofdstuk wordt na een inleidende paragraaf over rechtspersoonlijkheid de indeling van ordinantie 11 gevolgd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.1

12.1 Rechtspersoonlijkheid

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.1.1

12.1.1 Rechtspersonen in de kerk

Niet alleen individuele personen hebben rechten en verplichtingen maar ook ‘organisaties’ kunnen rechten en verplichtingen hebben. De wet kent daarvoor het begrip ‘rechtspersoon’. Als rechtspersoon kan een organisatie eigendom hebben, verplichtingen aangaan en andere rechtshandelingen verrichten. In dat geval zijn niet de leden van de organisatie gezamenlijk eigenaar, maar is de organisatie eigenaar.

De wet volstaat met de vermelding dat kerken rechtspersoonlijkheid hebben en laat de inrichting van de kerken aan haar zelf over. Art. 2:2 BW bepaalt dat ‘kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd’ rechtspersoonlijkheid bezitten en geregeerd worden door hun eigen statuut. In de kerkorde (‘het statuut’) van een kerk wordt dus vastgelegd hoe die kerk is georganiseerd en welke delen en/of samenwerkingsverbanden rechtspersoon zijn.

In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland worden als rechtspersoon genoemd:
- de gemeente en de diaconie van de gemeente,
- de classis,

|259|

- de evangelisch-lutherse synode,
- de kerk.

Daarnaast noemt de kerkorde nog de mogelijkheid van kerkelijke instellingen en van stichtingen als rechtspersoon.

 

De kerkorde spreekt overigens niet over ‘rechtspersoon’ zijn maar over ‘rechtspersoonlijkheid hebben’. De gemeente bijvoorbeeld heeft rechtspersoonlijkheid (ord. 11-5-1). Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat een gemeente meer is dan een organisatie die in het rechtsverkeer optreedt. Als in de kerkorde over gemeente gesproken wordt, wordt vaak aan de geloofsgemeenschap gedacht: ‘De gemeente komt samen’ (art. VII-1), ‘vervult haar diaconale roeping’ (art. X-2), ‘volbrengt haar pastorale taak’ (art. X-3). Een gemeente als kerkelijke gemeenschap is ondenkbaar zonder mensen die lid zijn van deze gemeente. De gemeente als rechtspersoon houdt echter niet als rechtspersoon op te bestaan als er geen gemeenschap van gelovigen meer is. Er zijn dan nog rechten en verplichtingen die moeten worden afgewikkeld. Zolang dat nog niet is gebeurd, blijft de gemeente als rechtspersoon bestaan. Wanneer gemeenten verenigen kan daarom niet worden volstaan met het samenvoegen van de ledenbestanden, maar moeten ook de oorspronkelijke rechtspersonen fuseren tot een nieuwe rechtspersoon.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.1.2

12.1.2 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging

Een rechtspersoon, bijvoorbeeld een plaatselijke gemeente, kan verplichtingen aangaan, kopen en verkopen en dergelijke. De rechtspersoon doet dat door mensen die voor hem optreden. Zij nemen het besluit tot de koop en zetten hun handtekening onder de koopakte. In de kerkorde is nauwkeurig vastgelegd wie bevoegd zijn om voor de kerkelijke rechtspersonen op te treden. Daarbij wordt in de kerkorde een onderscheid gemaakt tussen de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden, de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden en de vertegenwoordiging. Hieronder worden deze begrippen uitgelegd. Bij de verschillende rechtspersonen worden deze begrippen concreter ingevuld.

 

De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de rechtspersoon legt de kerkorde bij de desbetreffende ambtelijke vergadering (art. XIII-1). Zo heeft de kerkenraad de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente en de generale synode de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk. Die zorg betekent dat de ambtelijke vergadering het algemene beleid bepaalt en de begroting vaststelt. In een gemeente bijvoorbeeld bepaalt de kerkenraad welke zaken prioriteit verdienen en waaraan de inkomsten en het vermogen worden besteed.

Van de zorg onderscheidt de kerkorde de verzorging. Hieronder wordt verstaan

|260|

het beheren van de vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen het kader van het vastgestelde algemene beleid en de vastgestelde begroting. Binnen dat kader heeft de instantie aan wie de verzorging is toevertrouwd een eigen beleidsruimte. Onder het beheer vallen alle beheersdaden zoals het verzorgen van archieven en registers, het onderhouden van de goederen, geldwerving enzovoort. De verzorging kan ook het beschikken over de vermogensrechtelijke aangelegenheden inhouden. De instantie aan wie dit beschikken is toevertrouwd is bevoegd (binnen het door de ambtelijke vergadering gestelde kader en met inachtneming van de regels die de kerkorde stelt) te besluiten over bijvoorbeeld verkoop van goederen die aan de rechtspersoon toebehoren. In een plaatselijke gemeente omvat de verzorging zowel het beheren als het beschikken (zie § 12.3.2 en § 12.4.2).

De vertegenwoordiging wordt toevertrouwd aan in de kerkorde genoemde personen. Deze zijn gemachtigd om de rechtspersoon te vertegenwoordigen bij de uitvoering van de besluiten. Als zij namens de rechtspersoon een handtekening zetten onder een verkoopakte, dan is de rechtspersoon daardoor gebonden. De kerkorde noemt steeds de voorzitter en secretaris van de betreffende ambtelijke vergadering of van de betreffende beherende instantie dan wel hun aangewezen vervangers. Met de bepaling dat er vervangers worden aangewezen (bijvoorbeeld in ord. 11-5-1) wordt bedoeld dat er altijd vervangers dienen te zijn en dat deze niet pas moeten worden aangewezen op het moment dat de eerste vertegenwoordigers verhinderd zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.2

12.2 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.2.1

12.2.1 Gemeente en diaconie

In de plaatselijke gemeente worden de vermogensrechtelijke aangelegenheden van niet-diaconale aard en die van diaconale aard nadrukkelijk onderscheiden (art. XIII-1, ord. 11-1-2). Gelden en goederen van diaconale aard behoren wel tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente, maar ze mogen niet door de gemeente ten eigen bate worden gebruikt. Ze zijn bestemd voor ‘de armen’. Dit wordt zichtbaar in de diaconie die elke gemeente heeft. Deze diaconie heeft net als de gemeente rechtspersoonlijkheid (ord. 11-5-2). Dat wil zeggen: net als de gemeente in haar geheel kan ook de diaconie goederen kopen en verkopen, mensen in dienst nemen en dergelijke. Daarbij is vastgelegd dat de diaconie haar middelen in principe alleen aan diaconale doeleinden kan besteden (ord. 11-3-7, zie ook §12.4.2)

De scheiding tussen diaconale en niet-diaconale vermogensrechtelijke aangelegenheden neemt niet weg dat al deze aangelegenheden bij de gemeente behoren. Daarom wordt de diaconie ook ‘diaconie van de gemeente’ genoemd en wordt gezegd dat de diaconie in vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard de gemeente vertegenwoordigt (ord. 11-5-2). Met andere woorden: in

|261|

vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard handelt de gemeente niet zelf, maar handelt de diaconie namens haar.

 

Wanneer over de rechtspersoonlijkheid van de gemeente wordt gesproken, wordt steeds de gemeente in haar geheel bedoeld. In een gemeente die in wijkgemeenten is ingedeeld, heeft alleen de gemeente als geheel rechtspersoonlijkheid; de wijkgemeenten hebben geen rechtspersoonlijkheid en kunnen geen goederen bezitten of zelf mensen in dienst nemen (ord. 11-5-1).

Een uitzondering hierop is de wijkgemeente van bijzondere aard die eerder als hervormde buitengewone wijkgemeente rechtspersoonlijkheid gekregen had. Deze wijkgemeente behoudt haar rechtspersoonlijkheid (ovb. 82).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.2.2

12.2.2 Kerkenraad en colleges

De zorg voor zowel de diaconale als de niet-diaconale vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente berust bij de kerkenraad (art. XIII-1, ord. 11-1-1). De kerkenraad is de leidinggevende ambtelijke vergadering in de gemeente en daarom ook voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden verantwoordelijk. De kerkenraad bepaalt het algemene beleid in de gemeente zowel op geestelijk als op financieel terrein ook met betrekking tot de zaken die onder de diaconie vallen. In dat kader stelt de kerkenraad de begroting vast. De begroting hangt immers nauw samen met het beleid. In de begroting wordt vastgelegd welke financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor welke activiteiten.

De uitvoering van het beleid (‘de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden’, zie § 12.1.2) wordt vervolgens door de kerkorde toevertrouwd aan twee colleges: het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen (art. XIII-1, ord. 11-1-2).

Om de zorg en de verzorging dicht bij elkaar te houden, bestaan de colleges (in meerderheid) uit ambtsdragers. Dat de diakenen, die samen het college van diakenen vormen, ambtsdrager en daarmee lid van de kerkenraad zijn, is binnen de lutherse en gereformeerde traditie allang aanvaard. Dat degenen die nu als kerk-rentmeester worden aangeduid ambtsdrager zijn, was binnen de gereformeerde traditie minder vanzelfsprekend. De kerkorde geeft daarom de mogelijkheid dat ook kerkrentmeesters worden benoemd die geen ambtsdrager zijn. Maar in ieder geval de meerderheid van de kerkrentmeesters is wel ambtsdrager (zie verder § 12.3.1) om ervoor te zorgen dat de kerkenraad en het college van kerkrentmeesters in hun taakuitoefening voortdurend op elkaar betrokken zijn. De kerkenraad heeft steeds de stem van de beheerders in zijn midden, zodat de kerkenraad de financiële kant van zijn beleid niet uit het oog verliest, en de collegeleden weten zich als (in meerderheid) kerkenraadsleden medeverantwoordelijk voor het gehele beleid van de kerkenraad, zodat bij het beheren het kerkenraadsbeleid niet uit het oog wordt verloren.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.2.3

|262|

12.2.3 Eenheid van beleid en beheer

In de kerkorde is nadrukkelijk gekozen voor het samenbrengen van het geestelijke en het financiële beleid. Daarom ligt grote nadruk op de eindverantwoordelijkheid van de kerkenraad.

De kerkenraad stelt het beleid, de begroting en de jaarrekening vast (zie § 12.2.4). De colleges dienen hun beleid af te stemmen op het beleid van de kerkenraad (ord. 11-1-3). En nadrukkelijk is bepaald dat de colleges bij het beheren van en beschikken over de hun toevertrouwde vermogensrechtelijke aangelegenheden blijven binnen de grenzen van het beleidsplan en de begroting die door de kerkenraad zijn vastgesteld (ord. 11-2-8, ord. 11-3-5).

 

De eindverantwoordelijkheid van de kerkenraad laat onverlet dat de kerkrentmeesters en de diakenen ook een bijzondere verantwoordelijkheid hebben. De kerkenraad dient bij de vaststelling van het financiële beleid ervoor te zorgen dat de bijzondere verantwoordelijkheid van de ouderlingen-kerkrentmeester en die van de diakenen tot hun recht komen (ord. 4-1-2). De kerkenraad behoort bij het vaststellen van het algemene beleid en de begroting dan ook ruimte te laten voor eigen keuzen van de colleges. ‘Toevertrouwen van de verzorging’ verdraagt zich niet met een al te gedetailleerde bemoeienis met de uitwerking van het beleid. Binnen de kaders van het algemene beleid is er zo ook sprake van een eigen beleid van de colleges (ord. 11-1-3). Daarom wordt in dat verband ook gezegd dat ze van hun werkzaamheden ‘verslag doen’ aan de kerkenraad en niet dat ze daarvan ‘verantwoording afleggen’ (vergelijk § 6.5.4).

 

Naast de algemene bepalingen met betrekking tot het samenspel van kerkenraad en colleges wordt in de kerkorde in een aantal gevallen een bijzondere betrokkenheid van de kerkenraad bij het werk van de colleges voorgeschreven. Het gaat hierbij om taken die samengevat worden onder de noemer van het ‘scheppen en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor het leven en werken van de gemeente’ (ord. 11-2-7 sub a) of ‘voor de door de gemeente te verrichten diaconale dienst’ (ord. 11-3-4 sub a). Anders gezegd: het gaat om taken die rechtstreeks betrokken zijn op het leven en werken van de gemeente. Van deze taken wordt gezegd dat ze worden uitgevoerd ‘in overleg met en in verantwoording aan’ de kerkenraad (ord. 11-2-7 sub a en ord. 11-3-4 sub a). De uitdrukking ‘in overleg met’ geeft aan dat kerkenraad en colleges het samen eens moeten worden; de uitdrukking ‘in verantwoording aan’ geeft aan dat de colleges verantwoording dienen af te leggen aan de kerkenraad. Door deze dubbele uitdrukking wordt benadrukt dat op dit werkterrein de colleges niet alleen gebonden zijn aan het algemene beleid van de kerkenraad, maar dat zij ook overeenstemming met de kerkenraad dienen te krijgen over de concrete keuzen die op dit terrein worden gemaakt. Voor een aantal handelingen wordt

|263|

voorgeschreven dat de colleges instemming van de kerkenraad nodig hebben (ord. 11-2-9, ord. 11-3-6). Zonder deze instemming zijn de colleges niet bevoegd te handelen. Zie voor een opsomming van deze taken § 12.3.2. en § 12.4.2.

 

Voor de goede gang van zaken in de gemeente is daarom wezenlijk dat kerkenraad en colleges, elk met inachtneming van ieders verantwoordelijkheid, goed samenwerken en het samen eens worden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.2.4

12.2.4 Beleidsplan, begroting en jaarrekening

Het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen zijn in hun beleid en handelen gebonden aan het beleidsplan, de begroting en de jaarrekening die door de kerkenraad zijn vastgesteld (ord. 11-1-3, ord. 11-2-8, ord. 11-3-5). De kerkorde legt er daarom grote nadruk op dat deze stukken in goed onderling overleg worden opgesteld.

 

Bij het opstellen van het beleidsplan ligt het initiatief bij de kerkenraad en werken de colleges mee. Dit meewerken wordt nadrukkelijk als taak van de colleges genoemd (ord. 11-2-7 sub a en ord. 11-3-4 sub a). Dit meewerken geschiedt ‘in overleg met en in verantwoording aan’ de kerkenraad (zie de vorige paragraaf). Nadrukkelijk wordt zo vastgelegd dat gestreefd moet worden naar overeenstemming. In het beleidsplan wordt immers steeds voor vier jaar vastgelegd welke keuzen de kerkenraad maakt en welke prioriteiten hij stelt en daaraan zit ook een financiële kant. De kerkenraad kan de inbreng van de colleges niet zomaar naast zich neerleggen en de colleges moeten bij hun inbreng ernstig rekening houden met de wensen van de kerkenraad.

De vaststelling van het beleidsplan blijft overigens de bevoegdheid van de kerkenraad. Na het overleg met de colleges (en andere daarvoor in aanmerking komende commissies) stelt de kerkenraad het beleidsplan voorlopig vast (ord. 4-8-5).

 

Bij de begroting wordt het voorbereidende werk gedaan door de colleges, die daartoe met de kerkenraad en alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente (commissies en dergelijke) overleggen. Ze stellen hun begroting op in samenhang met het beleidsplan zoals dat door de kerkenraad is vastgesteld. Voor 1 november van elk jaar worden de ontwerpbegrotingen bij de kerkenraad ingediend. Daarbij is een door de colleges gezamenlijk opgesteld collecterooster (ord. 11-6-1 en 2).

Als de kerkenraad met het ontwerp akkoord gaat, kan de begroting (voorlopig) worden vastgesteld. Als men veranderingen zou willen aanbrengen, is er overleg met het betreffende college nodig.

De situatie is denkbaar dat er geen overeenstemming kan worden bereikt over de wijziging die de kerkenraad wenst. Daarbij moet worden opgemerkt, dat het

|264|

meningsverschil geen betrekking kan hebben op het beleid dat door de kerkenraad is vastgesteld: daaraan zijn beide colleges gebonden. Het verschil van inzicht kan wel de financiering (financierbaarheid) van het beleid betreffen.

Vanwege de bijzondere verantwoordelijkheid van de colleges voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden acht de kerkorde het gewenst dat alles in het werk wordt gesteld om tot overeenstemming te komen. Daarom moet, als kerkenraad en college het niet eens worden, door de kerkenraad bemiddeling worden gevraagd bij het regionale college voor de behandeling van beheerszaken (zie voor dit college § 12.10.1). Door de verplichte bemiddeling wil de kerk voorkomen dat de kerkenraad lichtvaardig aan de argumenten van het college van kerkrentmeesters of van het college van diakenen voorbijgaat.

Na deze bemiddeling stelt de kerkenraad de begroting en het collecterooster voorlopig vast, ook als de bemiddeling niet tot overeenstemming heeft geleid. Als het college van oordeel is dat het uiteindelijke besluit van de kerkenraad niet in het belang van de gemeente is en als het college meent daarin niet te kunnen berusten, heeft het de mogelijkheid alsnog bij het regionale college voor de behandeling van beheerszaken bezwaar aan te tekenen tegen het besluit (ord. 11-10-1, zie § 12.6.2). Bij een eventuele tussentijdse wijziging van de begroting geldt een zelfde procedure.

 

De jaarrekeningen worden eveneens opgesteld door de colleges en elk jaar voor 1 mei aan de kerkenraad voorgelegd (ord. 11-7-1). Bij de jaarrekening is niet een uitgebreid overleg tussen colleges en kerkenraad voorzien. De vaststelling van de jaarrekening is immers (tenzij een voorbehoud wordt gemaakt) tevens decharge van het door de colleges gevoerde beheer (ord. 11-7-3). Voor de vaststelling van de jaarrekening wordt daarom de financiële administratie gecontroleerd door een certificerend accountant of door twee andere onafhankelijke deskundigen. In de regel zullen dit ter zake kundige gemeenteleden zijn die niet bij het werken van de colleges betrokken zijn.

 

Vanwege het belang van beleidsplan, begroting en jaarrekening worden deze niet vastgesteld dan nadat de leden van de gemeente de gelegenheid hebben gekregen hun oordeel kenbaar te maken. Hiertoe worden het beleidsplan (ord. 4-8-5), een samenvatting van de begrotingen (ord. 11-6-4) en een samenvatting van de jaarrekeningen (ord. 11-7-2) gepubliceerd. Tevens worden de begrotingen en jaarrekeningen in hun geheel een week ter inzage gelegd. Het is uiteraard niet verboden de begroting en jaarrekening in hun geheel te publiceren. In dat geval is niet nodig ze ter inzage te leggen.

Hoe de leden hun mening kenbaar kunnen maken (in een gemeentevergadering, in een kerkenraadsvergadering, mondeling, schriftelijk), legt de kerkorde niet vast. Voor de begroting en jaarrekening moet dit in de plaatselijke regeling worden vastgelegd. Voor het beleidsplan is dat niet voorgeschreven.

|265|

Nadat de kerkenraad kennis heeft genomen van de reacties vanuit de gemeente stelt hij het betreffende stuk definitief vast. Wanneer de reacties leiden tot bijstelling van de begroting geldt uiteraard de procedure voor wijziging van de begroting.

 

De begrotingen en jaarrekeningen worden vervolgens toegestuurd aan het regionale college voor de behandeling van beheerszaken, dat ook dient toe te zien op de deugdelijkheid van de controle van de financiële administratie. Zie hiervoor § 12.6.

Niet alleen de colleges zijn gebonden aan de vastgestelde begroting; dat geldt ook voor de kerkenraad. Hij is dan ook niet gerechtigd tot het nemen van besluiten die financiële gevolgen hebben die in de begroting niet zijn voorzien. De normale procedure is dat dan eerst de begroting wordt gewijzigd, maar soms kan dat een te zwaar middel zijn. De kerkorde sluit daarom niet uit dat de kerkenraad een besluit neemt dat financiële gevolgen heeft die in de begroting niet zijn voorzien, maar dat kan dan alleen in overleg met (dus met instemming van) het betreffende college (ord. 11-2-10, ord. 11-3-7).

Ook in deze gevallen wordt het regionale college voor de behandeling van beheerszaken op de hoogte gesteld (ord. 11-8-5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.3

12.3 College van kerkrentmeesters

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.3.1

12.3.1 Samenstelling

Het college van kerkrentmeesters bestaat uit ten minste drie leden en de meerderheid van hen is ouderling (ord. 11-2-1 en 2). Bovendien moeten ten minste drie kerkrentmeesters aan de besluitvorming deelnemen om tot een rechtsgeldig besluit te komen. De regel dat besluiten genomen kunnen worden in een vergadering wanneer ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is (ord. 4-5-4), is dus niet van toepassing als het college uit minder dan vijf leden bestaat.

Indien er te weinig kerkrentmeesters zijn om rechtsgeldige besluiten te nemen, kan de kerkenraad andere ambtsdragers aanwijzen die aan de besluitvorming meedoen, zodat het besluit door drie personen wordt genomen. Een zo genomen besluit is eveneens rechtsgeldig (ord. 11-2-6).

 

Het college van kerkrentmeesters wordt gevormd door de kerkrentmeesters van de gemeente. Dat zijn in elk geval de ouderlingen-kerkrentmeester; deze worden door de gemeente verkozen. Daarnaast kunnen er (‘desgewenst’, zegt art. XIII-1) door de kerkenraad kerkrentmeesters worden benoemd die geen ambtsdrager zijn (ord. 11-2-1 en 3).

De ouderlingen-kerkrentmeester en de kerkrentmeesters die geen ambtsdrager zijn, hebben binnen het college dezelfde verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

|266|

De regels met betrekking tot de kerkrentmeesters die geen ambtsdrager zijn, zijn daarom — buiten het verschil van verkiezing of benoeming — gelijk aan die met betrekking tot de ouderlingen-kerkrentmeester. Ook al verkiest de gemeente niet en benoemt de kerkenraad, de gemeente is wel bij die benoeming betrokken. De kerkenraad moet net als bij de ambtsdragers voor de benoeming de (stilzwijgende) goedkeuring van de gemeente krijgen en gemeenteleden kunnen eveneens net als bij de ambtsdragers bezwaar maken tegen de benoeming.

Voor het opzicht en bij eventuele bezwaren en geschillen wordt deze kerkrentmeester eveneens met ambtsdragers gelijkgesteld. Ook de zittingstijd is gelijk aan die van de ambtsdragers. Dat betekent dat zij (behoudens dispensatie) eenmaal herbenoembaar zijn (ord. 11-2-4). Ook kunnen zij niet, zolang zij kerkrentmeester zijn, in een ambt worden verkozen.

 

Het college wijst zelf uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. De voorzitter wordt aangewezen uit de ouderlingen-kerkrentmeester. Bij de verdeling van taken dient het college er verder zorg voor te dragen dat de boekhouding en het middelenbeheer niet in één hand zijn (ord. 11-2-5). Het is niet uitgesloten dat de penningmeester tevens boekhouder is, maar in dat geval is het niet toegestaan dat betalingsopdrachten alleen door de penningmeester worden ondertekend.

 

De ouderlingen-kerkrentmeester zijn volledig ouderling en hebben naast de taken als kerkrentmeester ook de andere ouderlingentaken. Met het oog op hun omvangrijke beheerstaken kunnen zij van het toerusten van de gemeente en van de herderlijke zorg worden vrijgesteld (ord. 11-2-7). Van de verantwoordelijkheid als ambtsdrager in de kerkenraadsvergadering en van de taak van de ouderling in de eredienst kunnen zij niet worden vrijgesteld.

Deze vrijstelling geschiedt alleen op verzoek van de betrokken ouderling-kerkrentmeester. De kerkenraad kan niet ongevraagd van de bredere taak ontheffen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.3.2

12.3.2 Taken

In ord. 11-2-7 wordt een opsomming gegeven van de taken van het college. Daarbij wordt onderscheiden tussen taken met het oog op het scheppen en onderhouden van de materiële voorwaarden voor het leven en werken van de gemeente enerzijds en overige taken anderzijds.

Tot de eerste taken (lid 7 sub a) worden gerekend het meewerken aan beleidsplan, begroting en jaarrekening (zie daarvoor § 12.2.4), het zorg dragen voor de geldwerving en het zorg dragen voor het beschikbaar zijn van ruimten voor de eredienst en andere activiteiten van de gemeente. Deze taken hebben zozeer gevolgen voor het gemeentelijk leven dat deze in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad moeten worden uitgeoefend (zie § 12.2.3).

|267|

De overige beheerstaken (lid 7 sub b t/m h) verricht het college — binnen het vastgestelde beleidsplan en de vastgestelde begroting — met een zekere zelfstandigheid. Binnen de begrotingsruimte voor het onderhoud van het kerkgebouw bijvoorbeeld beslist het college over het schilderwerk, de reparatie van het dak enzovoort.

Het is overigens mogelijk dat de kerkenraad van oordeel is dat bepaalde zaken zo ingrijpen in het leven van de gemeente dat hij ook daarbij nauwer betrokken wil zijn. Het is goed denkbaar dat de kerkenraad bijvoorbeeld bepaalt dat over verhuur van kerkelijke ruimten overlegd dient te worden met de kerkenraad. Dit overleg zal dan niet de verhuurvoorwaarden betreffen (dat is de verantwoordelijkheid van het college), maar wel de vraag aan welke instanties verhuurd mag worden.

Bij deze beheerstaken behoort ook de verzorging van het personeelsbeleid, waaronder de aanstelling van personeel. Hierbij moet de aanstelling (het sluiten van de arbeidsovereenkomst) worden onderscheiden van de benoeming (de keuze van de persoon). Een kerkelijk werker in het pastoraat bijvoorbeeld wordt benoemd door de kerkenraad (ord. 3-12-3) en aangesteld door het college van kerkrentmeesters (ord. 3-28-2).

Het college is ook betrokken bij het beroepen van een predikant: de gemeente beroept de predikant bij monde van de kerkenraad en doet de toezegging van traktement bij monde van de kerkenraad en van het college van kerkrentmeesters (vergelijk ord. 3-5-2 en 3).

Tot de taken van het college behoort vervolgens het bijhouden van de ledenregisters, doop-, belijdenis- en trouwboeken en het beheer van het archief. Het college kan hiervoor een ledenadministrateur en/of een archivaris aanstellen. Uiteraard is deze geheimhouding verplicht ten aanzien van vertrouwelijke zaken die hem of haar ter kennis komen (ord. 4-2).

Het beheren van archieven is meer dan het bijhouden van archieven. Het gaat ook om het zorg dragen voor een goede bewaarplaats. Het is overigens vanzelfsprekend dat lopende archieven worden bijgehouden door betrokkenen (dus door de secretaris, scriba, penningmeester of boekhouder).1

 

De verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden houdt ook in dat het college over de goederen kan beschikken. Het kan (uiteraard binnen de gestelde grenzen) een gebouw van de gemeente verhuren of verkopen en dergelijke.

In ord. 11-2-9 wordt deze bevoegdheid in een aantal gevallen gebonden aan de instemming van de kerkenraad. Het college blijft dan bevoegd, maar kan het besluit alleen nemen als de kerkenraad instemt. Het betreft hier handelingen rond een gebouw of orgel dat voor de eredienst wordt gebruikt of anderszins van belang is voor het leven van de gemeente (zoals een wijkgebouw of pastorie), het aangaan van verplichtingen buiten de begroting om, het oprichten van of


[291] 1. Bij het beheer van de archieven kunnen de Richtlijnen voor het beheer van de kerkelijke en semi-kerkelijke archieven van de commissie tot registratie van de protestantse kerkelijke en semi-kerkelijke archieven (CPA) goede diensten bewijzen. De richtlijnen zijn te raadplegen op de website: www. sowkerken. nl onder ‘archief’.

|268|

deelnemen aan een stichting en het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde (zie voor het aanvaarden van erfenissen onder het voorrecht van boedelbeschrijving § 12.6). Als laatste wordt ook genoemd het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van overeenkomsten om geschillen op een andere wijze op te lossen (mediation, arbitrage). Met deze andere overeenkomsten is uiteraard niet de kerkelijke weg om geschillen tot een oplossing te brengen bedoeld.

 

Het college is verantwoordelijk voor de verzorging van alle niet-diaconale vermogensrechtelijke aangelegenheden. Dit betekent dat het college verantwoordelijk blijft als er voor gekozen wordt om voor verschillende ‘werksoorten’ aparte kassen te hanteren (bijvoorbeeld voor jeugdwerk of evangelisatiewerk). Het behoort bovendien tot de taak van het college te zorgen dat niet-diaconale giften en collecten, bijvoorbeeld voor de zending, aan de bestemde organen wordt overgemaakt. Giften die een predikant ontvangt voor doelen buiten de gemeente dienen via het college te worden doorgezonden, zodat deze ook in de boeken van de gemeente verantwoord zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.3.3

12.3.3 Gemeente met wijkgemeenten

In een gemeente met wijkgemeenten heeft de gemeente als geheel een college van kerkrentmeesters en hebben de wijkgemeenten elk een wijkraad van kerkrentmeesters.

Er is één college, want alleen de gemeente als geheel heeft rechtspersoonlijkheid. De vermogensrechtelijke aangelegenheden, ook bijvoorbeeld het kerkgebouw dat in gebruik is bij een wijkgemeente, zijn daarom altijd vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente als geheel.

Daarnaast heeft de wijkgemeente een wijkraad van kerkrentmeesters. De andere benaming (raad in plaats van college) geeft al aan dat deze een andere positie heeft. De wijkraad verricht taken op wijkniveau die aan de wijkraad worden toevertrouwd. De kerkorde noemt in het bijzonder de zorg voor het kerkgebouw en de goede gang van zaken daarin tijdens de kerkdiensten als taak voor de wijkraden, al kan een andere regeling worden getroffen (ord. 5-8-4). Het college kan in overleg met de algemene kerkenraad ook andere taken aan de wijkraden toevertrouwen, bijvoorbeeld het beheren van een ‘wijkkas’. In de plaatselijke beheersregeling moet dit worden vastgelegd. Bij dat alles blijft overigens uitgangspunt dat de vermogensrechtelijke aangelegenheden aangelegenheden van de gemeente als geheel zijn (ord. 11-4-3, zie ook ord. 4-9-4).

 

De wijkraad van kerkrentmeesters wordt gevormd door de ouderlingen-kerkrentmeester en eventueel andere kerkrentmeesters van de wijkgemeente. Het college van kerkrentmeesters bestaat allereerst uit de ouderlingen-kerkrentmeester

|269|

die in de algemene kerkenraad zitting hebben. Het betreft dus de ouderlingen-kerkrentmeester die door de wijkkerkenraden als lid van de algemene kerkenraad zijn aangewezen en eventueel een ouderling-kerkrentmeester met bepaalde opdracht (ord. 4-9-2) die door de algemene kerkenraad als boventallig lid is benoemd.

Uit de overige kerkrentmeesters van de wijkgemeenten benoemt de algemene kerkenraad de andere leden van het college van kerkrentmeesters, op voordracht van de gezamenlijke wijkraden (ord. 11-4-2). De algemene kerkenraad stelt daarbij de omvang van het college vast. Het is dus mogelijk dat alle kerkrentmeesters in het college zitting hebben. Als er vier wijkraden van kerkrentmeesters zijn met elk drie leden en de omvang van het college is op twaalf gesteld, zullen immers alle kerkrentmeesters in het college zitting hebben.

In gemeenten met minder dan vier wijkgemeenten kan worden afgezien van het vormen van wijkraden van kerkrentmeesters. Het college wordt dan gevormd door alle ouderlingen-kerkrentmeester van de gemeente. In dat geval worden er in de wijkgemeenten alleen ouderlingen-kerkrentmeester gekozen (tenminste twee per wijkkerkenraad). De wijkkerkenraden kunnen bij het ontbreken van wijkraden geen kerkrentmeesters benoemen die geen ambtsdrager zijn; die benoeming is voorbehouden aan de algemene kerkenraad (ord. 11-4-6).

 

In het bijzondere geval dat een wijkgemeente van bijzondere aard rechtspersoonlijkheid heeft (zie § 12.2.1 slot), heeft deze wijkgemeente een eigen college van kerkrentmeesters. Het ligt voor de hand dat deze wijkgemeente niet meetelt voor de samenstelling van het college van kerkrentmeesters van de gemeente waartoe deze wijkgemeente behoort.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.3.4

12.3.4 Inkomsten en uitgaven

Wat de inkomsten en uitgaven van een plaatselijke gemeente zijn, is per gemeente verschillend. Wel kan een aantal posten worden genoemd die voor elke gemeente gelden.

Een belangrijke bron van inkomsten wordt gevormd door de bijdragen van gemeenteleden. De meeste gemeenten zullen hun leden via de jaarlijkse actie Kerkbalans vragen hun bijdrage voor het komende jaar vast te stellen. Daarnaast worden bijdragen gevraagd in de inzamelingen in de eredienst.

Tot de vaste uitgaven behoren ook de bijdragen die gemeente en diaconie moeten betalen in de kosten van het bovenplaatselijke kerkenwerk. Zie hiervoor § 12.9.3 t/m § 12.9.6.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.4

|270|

12.4 College van diakenen

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.4.1

12.4.1 Samenstelling

Het college van diakenen wordt gevormd door de diakenen van de gemeente. Er zijn ten minste drie diakenen (ord. 11-3-1). Bovendien moeten ten minste drie diakenen aan de besluitvorming deelnemen om tot een rechtsgeldig besluit te komen. De regel dat besluiten genomen kunnen worden in een vergadering wanneer ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is (ord. 4-5-4), is dus niet van toepassing als het college uit minder dan vijf leden bestaat.

Indien er te weinig diakenen zijn om rechtsgeldige besluiten te nemen, kan de kerkenraad andere ambtsdragers aanwijzen die aan de besluitvorming meedoen zodat het besluit door drie personen wordt genomen. Een zo genomen besluit is eveneens rechtsgeldig (ord. 11-3-3).

Het college wijst zelf uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. Bij de verdeling van taken dient het college er verder zorg voor te dragen dat de boekhouding en het middelenbeheer niet in één hand zijn (ord. 11-3-2). Het is niet uitgesloten dat de penningmeester tevens boekhouder is, maar in dat geval is het niet toegestaan dat betalingsopdrachten alleen door de penningmeester worden ondertekend.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.4.2

12.4.2 Taken

Wat in § 12.3.2 gesteld is over de taken van het college van kerkrentmeesters geldt in grote lijnen ook voor het college van diakenen. Alleen wat daar wordt gezegd over het zorg dragen voor het beschikbaar zijn van ruimten en over beheersdaden met betrekking tot gebouwen en orgels in gebruik voor de eredienst of anderszins van belang voor het leven en werken van de gemeente is niet van toepassing. Ook de bepalingen over de registers en de archieven worden bij het college van diakenen niet genoemd.

 

Een specifieke bepaling voor het college van diakenen is dat het college bevoegd is diaconale steun te verlenen, niet alleen aan gemeenteleden, maar heel breed: aan personen, organen, kassen, fondsen, instellingen en rechtspersonen in binnen- en buitenland (ord. 11-3-7). In de regel zal steunverlening buiten de eigen gemeente gezamenlijk met andere gemeenten gebeuren via de landelijke organen die daarvoor zijn ingesteld (ord. 8-3-4 en ord. 8-5-1). Maar de bevoegdheid is niet daartoe beperkt.

Nadrukkelijk is aan deze bepaling toegevoegd dat het college niet bevoegd is gelden voor andere dan diaconale doelen te besteden. Op dat laatste is één uitzondering. In bijzondere gevallen kan het noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld in verband met het voortbestaan van de gemeente, om diaconaal geld ook voor ander werk

|271|

van de gemeente in te zetten. Maar om te beklemtonen dat het onttrekken van geld aan de bestemming in principe niet is toegestaan, is bepaald dat hiervoor toestemming van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken vereist is.

In deze ordinantie wordt uitsluitend over de vermogensrechtelijke aspecten van het diaconaat gesproken. Dat diaconaat breder is, is onder meer te lezen in ord. 3-11 (zie § 5.4.3), ord. 8-1 en 3 (zie § 9.2 en 9.4) en ord. 14-7 en 9 (zie § 14.7 en 14.9).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.4.3

12.4.3 Gemeente met wijkgemeenten

Een gemeente met wijkgemeenten heeft één diaconie en dus ook één college van diakenen.

In een gemeente met wijkgemeenten vormen de diakenen van de wijkgemeenten wijkraden van diakenen (ord. 11-4-4). Anders dan bij de kerkrentmeesters heeft elke wijkgemeente een wijkraad van diakenen. Een wijkgemeente heeft altijd een diaconale taak.

De kerkorde noemt geen taken van de wijkraden. Het ligt voor de hand dat de diakenen in de wijkraad de diaconale zorg voor de eigen wijkgemeente behartigen. Daarnaast kan het college van diakenen in overleg met de algemene kerkenraad bepaalde vermogensrechtelijke aangelegenheden aan de wijkraad toevertrouwen (ord. 11-4-5). Te denken valt bijvoorbeeld aan een budget voor individuele hulpverlening aan gemeenteleden of het beheer van een inloophuis in de wijk. Een en ander zal in de plaatselijke regeling moeten worden vastgelegd. Daarbij blijft overigens uitgangspunt dat de vermogensrechtelijke aangelegenheden aangelegenheden van de gemeente als geheel zijn (ord. 11-4-5, zie ook ord. 4-9-4).

 

Het college van diakenen wordt gevormd door de diakenen die zitting hebben in de algemene kerkenraad. Dat betreft dus de diakenen die door de wijkkerkenraden zijn aangewezen en eventueel een diaken met een bepaalde opdracht (ord. 4-9-2) die door de algemene kerkenraad als boventallig lid van de algemene kerkenraad is aangewezen. Daarnaast zitten in het college diakenen die door de algemene kerkenraad op gezamenlijke voordracht van de wijkraden zijn benoemd. De algemene kerkenraad bepaalt hoe groot het college is. Als dat gewenst wordt, kunnen dan ook alle diakenen van de gemeente deel uitmaken van het college.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.5

12.5 Vertegenwoordiging van gemeente en diaconie

Zoals in § 12.1.2 is gezegd, geeft de kerkorde niet alleen aan wie bevoegd is besluiten te nemen, maar ook wie bevoegd is de gemeente respectievelijk de diaconie te vertegenwoordigen.

|272|

Bij vermogensrechtelijke aangelegenheden van niet-diaconale aard wordt de gemeente vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris van het college van kerkrentmeesters tezamen. Het college wijst voor elk van beide een vervanger aan uit zijn midden of uit de kerkenraad (ord. 11-5-1). Naast de voorzitter en de secretaris dienen dus ook steeds twee vaste vervangers bekend te zijn.

Deze vertegenwoordigers zetten voor de gemeente bijvoorbeeld een handtekening onder een koopakte of een opdracht aan een schilderbedrijf. Zij tekenen niet ‘namens het college’, maar ‘voor de gemeente’: zij vertegenwoordigen de rechtspersoon. Het college neemt wel het besluit, bijvoorbeeld tot koop, maar de gemeente koopt. De gemeente is eigenaar van de goederen, niet het college. Op dezelfde wijze ondertekenen de voorzitter en secretaris van het college de arbeidsovereenkomst van een kerkelijk medewerker, niet namens het college, maar voor de gemeente.

In de hervormde kerkorde werd bepaald dat het college van kerkvoogden de gemeente vertegenwoordigde in vermogensrechtelijke aangelegenheden van niet-diaconale aard en dat de gemeente tegenover derden gebonden wordt door de handtekening van de voorzitter en de secretaris van het college. In die situatie kan worden gezegd dat beide tekenen namens het college, dat immers de gemeente vertegenwoordigde. De huidige kerkorde heeft ervoor gekozen de vertegenwoordiging rechtstreeks bij beide genoemden te leggen.

 

De gemeente wordt in vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard vertegenwoordigd door de diaconie van de gemeente (zie § 12.2.1). De diaconie wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en secretaris van het college van diakenen tezamen. Het college wijst voor elk van beide een vervanger aan uit zijn midden of uit de kerkenraad (ord. 11-5-3). Naast de voorzitter en de secretaris dienen dus ook steeds twee vaste vervangers bekend te zijn.

Ook hier geldt dat zij niet het college van diakenen vertegenwoordigen, maar de rechtspersoon, in dit geval de diaconie van de gemeente. Omdat deze diaconie de gemeente in vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard vertegenwoordigt, vertegenwoordigen zij ook de gemeente.

 

In andere dan vermogensrechtelijke aangelegenheden wordt de gemeente vertegenwoordigd door de preses en scriba van de kerkenraad. De kerkenraad wijst voor elk van beiden uit haar midden een vervanger aan (ord. 11-5-3). Naast de preses en de scriba dienen dus ook steeds twee vaste vervangers bekend te zijn.

Ook bij deze vertegenwoordiging gaat het om het officieel optreden namens de gemeente. Beiden vertegenwoordigen de gemeente bijvoorbeeld als de gemeente een beroep doet op de burgerlijke overheid of als iemand de gemeente aanklaagt in een zaak die niet tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden behoort.

Beiden vertegenwoordigen ook de gemeente in diaconale aangelegenheden die niet van vermogensrechtelijke aard zijn. Het lijkt minder juist dat de voorzitter

|273|

en secretaris van het college van diakenen dan optreden. De diaconie (die door hen vertegenwoordigd wordt) is er immers alleen voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden.

 

Zoals hieronder nog wordt aangegeven (§ 12.6) is in een beperkt aantal gevallen voor rechtshandelingen toestemming van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nodig. Voor buitenstaanders is niet altijd doorzichtig of in een concreet geval deze toestemming al dan niet vereist is. Daarom kan, als een derde daarom verzoekt, aan het regionale college voor de behandeling van beheerszaken verzocht worden een verklaring af te geven waarin vermeld wordt dat het betreffende college ter zake van een bepaalde rechtshandeling geen toestemming nodig heeft en derhalve bevoegd is (ord. 11-8-4). Voor een goed begrip: door deze verklaring wordt de bevoegdheid niet verleend, maar wordt bevestigd dat het college bevoegd is. Deze verklaring is alleen een handreiking aan derden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.6

12.6 Het toezien van de kerk op de gemeenten

De zorg van de kerk voor de gemeenten komt onder meer tot uiting in het toezien op het beheer van de vermogensrechtelijke aangelegenheden. Het is de kerk een zorg dat gemeenten niet in problemen komen en dat de goederen van de gemeente zorgvuldig worden beheerd.

Elke regio kent hiervoor een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken, een college van leden van de kerk die deskundig zijn op het gebied van vermogensrechtelijke aangelegenheden. Zie verder bij § 12.10.1.

 

Het toezien betreft allereerst de financiën, in het bijzonder de begrotingen en de jaarrekeningen. Om dit toezien mogelijk te maken, stuurt de kerkenraad de begrotingen en de jaarrekeningen naar het regionale college. Als achtergrondinformatie stuurt de kerkenraad het beleidsplan mee, zodat het college bij de beoordeling van de stukken weet wat het beleid van de kerkenraad is. Het college kan vanuit zijn ervaring met de kerkelijke financiën wijzen op risico’s van bepaalde keuzen dan wel in gesprek gaan om zo mogelijk komende financiële problemen tijdig het hoofd te bieden.

Het is mogelijk dat het regionale college aanleiding ziet om met de kerkenraad in overleg te treden over een wijziging van of aanvulling op een begroting, bijvoorbeeld om dreigende financiële problemen tijdig het hoofd te bieden. Wanneer dit overleg gewenst is, dient het college binnen zes weken na ontvangst van de begroting hierover contact op te nemen. Dat overleg kan er toe leiden dat de vragen bevredigend worden beantwoord, of dat men gezamenlijk tot de overtuiging komt dat een bijstelling van de begroting gewenst is. Een eventuele wijziging van de begroting blijft overigens de verantwoordelijkheid van de kerkenraad

|274|

in samenspel met de colleges en de gemeente (zie verder bij § 12.6.1). Het regionale college kan ook in overleg treden over (wijziging van of aanvulling op) een jaarrekening. Hiervoor wordt geen termijn gesteld.

Het toezien op de financiën betreft niet alleen de begrotingen en jaarrekeningen. Daarom stelt de kerkenraad het regionale college op de hoogte van besluiten met financiële gevolgen die niet bij begroting zijn voorzien. Het college kan zijnerzijds ook om nadere inlichtingen vragen.

 

Het toezien van het regionale college betreft behalve de financiën een scala van beheersdaden. In ord. 11-22-2 worden deze opgesomd. Genoemd worden bijvoorbeeld de deugdelijkheid van de controle op de financiële administratie, het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd en het beheer van archieven. Maar ook het beheer van bezittingen die van grote historische betekenis zijn of kunstwaarde bezitten. Verder het verstrekken of aangaan van geldleningen, het doen van beleggingen, het aangaan van verplichtingen buiten de vastgestelde begroting om en het voeren van een proces voor de burgerlijke rechter. In al die genoemde gevallen kan het regionale college om nadere inlichtingen vragen en zo nodig aanwijzingen geven, indien naar het oordeel van het regionale college dat in het belang van de gemeente of van de diaconie is.

 

Het toezien van de kerk wordt in hoge mate gekarakteriseerd door ondersteuning van en hulp aan de plaatselijke gemeenten. De aanwijzingen van het regionale college hebben in de eerste plaats een adviserend karakter.

In een beperkt aantal gevallen is voorafgaande instemming van het regionale college vereist alvorens de plaatselijke colleges bevoegd zijn te beslissen (ord. 11-8-3). Het betreft hier besluiten die het belang van de plaatselijke gemeente op het actuele moment overschrijden (handelingen rond ‘monumentale’ kerkgebouwen en orgels, en voorwerpen die van grote historische betekenis zijn of kunstwaarde bezitten), dan wel om besluiten die vanwege mogelijke belangenverstrengeling toetsing van buiten wenselijk maken. Dat betreft bijvoorbeeld een opdracht tot het schilderen van de kerk aan een schilder die zelf lid is van het college.

Daarnaast is voorafgaande toestemming nodig voor het oprichten van een stichting. Taken mogen immers alleen aan een stichting worden overgedragen indien vaststaat dat de taken alleen door een stichting voldoende kunnen worden behartigd (ord. 11-27, zie § 12.11).

Tenslotte is ook toestemming vereist indien diaconaal geld aan de eigenlijke bestemming wordt onttrokken. Zoals boven is vermeld (§ 12.4.2) is deze toestemming vereist, omdat een dergelijke onttrekking oneigenlijk gebruik van bestemmingsgeld is.

In dit kader kan ook de taak van het regionale college worden genoemd om de financiële situatie van de gemeente te beoordelen voordat wordt overgegaan tot het beroepen van een predikant (ord. 11-22-2). Zonder de verklaring van het

|275|

regionale college dat de gemeente aan haar verplichtingen kan voldoen, kan de kerkenraad niet overgaan tot het beroepen van een predikant (ord. 3-3-2).

 

Het regionale college speelt ook een rol indien door de kerkenraad, het college van kerkrentmeesters of het college van diakenen een beroep op dit college wordt gedaan (ord. 11-10). Zie hiervoor § 12.6.2.

 

Na de opsomming van de zaken waarbij voorafgaande toestemming van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nodig is, staat in ord. 11-8-3 vermeld dat erfenissen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Hieronder wordt verstaan dat een erfenis eerst definitief wordt aanvaard nadat vastgesteld is wat de baten van de erfenis zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat men pas na het aanvaarden van een erfenis zou ontdekken dat de schulden groter zijn dan de baten. De bepaling is in ord. 11-8 een ‘zwerfsteen’; het regionale college is bij de aanvaarding van erfenissen niet in het bijzonder betrokken.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.6.1

12.6.1 Betrokkenheid in bijzondere situaties

Het in de vorige paragraaf gestelde geldt voor alle gemeenten. In ord. 11-9 komt een bijzondere situatie aan de orde. Wanneer het regionale college ook na het eerdergenoemde overleg van oordeel is dat een begroting of de jaarrekening niet verantwoord is, kan het dit oordeel ter toetsing voorleggen aan het breed mode-ramen van de classicale vergadering. Als dit breed moderamen eveneens van oordeel is dat deze begroting of jaarrekening onverantwoord is, kan het regionale college voor de behandeling van beheerszaken besluiten dat voor een (veel groter) aantal rechtshandelingen toestemming van het college vereist is. Het college stelt de kerkenraad hiervan met redenen omkleed op de hoogte (ord. 11-9-1).

Dat hiervoor de instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering moet worden verkregen, geeft aan dat het gaat om een zware bevoegdheid die niet zomaar wordt toegepast.

Wanneer begroting en jaarrekening niet aan het regionale college worden toegezonden en het college op die wijze geen inzicht kan verkrijgen in de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente of van de diaconie, kan het college zelfstandig bedoelde rechtshandelingen binden aan toestemming van het regionale college. Het breed moderamen van de classicale vergadering behoeft daarbij niet te worden betrokken (ord. 11-9-2).

De bedoelde rechtshandelingen worden opgesomd in ord. 11-9-1. Ze omvatten (behalve de rechtshandelingen waarvoor elke gemeente toestemming dient te vragen) alle rechtshandelingen met betrekking tot onroerende zaken en geldswaardige papieren, het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, alles waarin niet bij vastgestelde begroting is voorzien, het aanvaarden van

|276|

erfstellingen en schenkingen onder last en voorwaarde, het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van overeenkomsten om geschillen op andere wijze tot een oplossing te brengen. Kortom, alle handelingen waarbij de vermogensrechtelijke positie van de gemeente in het geding is. In al die gevallen dient het regionale college te bezien of de vermogensrechtelijke positie van de gemeente door deze handelingen niet (verder) in gevaar komt. Het college kan zijn instemming onthouden, maar kan niet zelf voor de gemeente besluiten.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.6.2

12.6.2 Beroep op het regionale college

Bij het beheer in de plaatselijke gemeente zijn drie kerkelijke lichamen betrokken, elk met zijn eigen verantwoordelijkheid, namelijk de kerkenraad, het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen. Om te waarborgen dat zij in hun eigen verantwoordelijkheid serieus genomen worden, is bepaald dat zij — als ze van oordeel zijn dat ze door een besluit van een van de beide andere kerkelijke lichamen in hun werkelijk belang of in hun kerkelijke verantwoordelijkheid zijn getroffen — bij het regionale college voor de behandeling van beheerszaken tegen dat besluit bezwaar kunnen indienen (ord. 11-10).

Vanwege het grote belang van plaatselijke samenwerking en overeenstemming dient het regionale college allereerst te trachten het bezwaar door bemiddeling weg te nemen (ord. 11-22-4). Wanneer het bezwaar de vaststelling van de begroting door de kerkenraad betreft, heeft eerder al bemiddeling plaatsgevonden en zal een nieuwe bemiddelingspoging niet altijd zinvol meer zijn.

Indien door bemiddeling het bezwaar niet wordt weggenomen, treedt het regionale college op als rechter. Daarbij worden de procedures zoals die in ord. 12 zijn voorgeschreven, gevolgd (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 17-1). Het regionale college beoordeelt in dit geval dus niet of het betreffende kerkelijk lichaam zijn adviezen in voldoende mate heeft opgevolgd, maar bijvoorbeeld of het — bij afweging van de betrokken belangen — in redelijkheid tot het bestreden besluit had kunnen komen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7

12.7 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de classis

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7.1

12.7.1 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging

Ook de classis heeft als zelfstandig onderdeel van de kerk rechtspersoonlijkheid. Net als bij de gemeente ligt de zorg voor haar vermogensrechtelijke aangelegenheden bij de ambtelijke vergadering die leiding geeft, te weten de classicale vergadering (art. XIII-2).

De verzorging wordt, afhankelijk van de omvang van de vermogensrechtelijke aangelegenheden (zie de volgende paragrafen), toevertrouwd aan een penningmeester of aan een financiële commissie.

|277|

De classis wordt vertegenwoordigd door de preses en scriba van de classicale vergadering tezamen. Voor beiden wijst de classicale vergadering een plaatsvervanger aan.

Voor de betekenis van de begrippen zorg, verzorging en vertegenwoordiging verwijzen we naar § 12.1.2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7.2

12.7.2 Vergaderkosten

Elke classis heeft kosten. In de regel zijn dit uitsluitend de vergader- en administratiekosten van de classicale vergadering, van haar breed moderamen en organen van bijstand (commissies) en de kosten van de werkgemeenschappen van predikanten (ord. 11-11-1). De kosten van het ringverband worden niet tot kosten van de classis gerekend. De gemeenten die het ringverband vormen, zijn gezamenlijk voor deze kosten verantwoordelijk (ord. 4-17-3).

De vergader- en administratiekosten van de algemene classicale vergadering, het samenwerkingsverband van de classicale vergaderingen, worden gerekend tot de kosten van de kerk als geheel. Datzelfde geldt ook voor de kosten van het regionaal dienstencentrum.

 

De classicale vergadering kan de eigen vergaderkosten omslaan over de gemeenten van de classis (ord. 11-11-1). De kleine synode heeft besloten dat in het quotum (zie § 12.9.3) een bedrag voor de vergaderkosten van de classicale vergaderingen wordt opgenomen. Dit betekent dat in de regel de vergaderkosten uit het quotum betaald zullen worden. Wanneer de kosten hoger zijn dan uit het quotum wordt vergoed, blijft de bevoegdheid het meerdere om te slaan over de gemeenten.

 

Indien de vermogensrechtelijke aangelegenheden niet meer omvatten dan deze kosten, is een simpel beheer voldoende. De verzorging van deze financiën vertrouwt de classicale vergadering dan toe aan een door haar benoemde penningmeester (ord. 11-11-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7.3

12.7.3 Overige vermogensrechtelijke aangelegenheden

In het geval dat er meer vermogensrechtelijke aangelegenheden zijn, stelt de classicale vergadering een financiële commissie van ten minste drie leden (voorzitter, secretaris en penningmeester) in. De leden worden voor vier jaar benoemd en kunnen eenmaal worden herbenoemd (ord. 11-12-1 en 2).

Aan de financiële commissie is het beheer van de haar toevertrouwde vermogensrechtelijke aangelegenheden opgedragen. Zij is dus bevoegd over koop, verkoop en dergelijke te beslissen. Ze is daarbij wel gebonden aan de door de classicale vergadering vastgestelde begroting. De financiële commissie heeft overigens

|278|

niet dezelfde positie als het college van kerkrentmeesters. De classicale vergadering kan besluiten nemen met financiële gevolgen waarin de begroting niet voorziet. Zij dient daarover wel vooraf te overleggen met de financiële commissie, maar instemming van de commissie is niet vereist (ord. 11-12-4).

Algemeen geldt, zowel voor de financiële commissie als voor de classicale vergadering, dat de classis alleen verplichtingen kan aangaan indien zij blijkens een verklaring van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken in staat is aan haar verplichtingen te voldoen (ord. 11-12-4). Het is dus niet voldoende dat de classicale vergadering zelf van oordeel is dat ze aan haar verplichtingen kan voldoen; er is een verklaring van het regionale college vereist, alvorens de classicale vergadering bevoegd is de verplichting op zich te nemen.

 

De classis kan andere verplichtingen dan de vergader- en administratiekosten niet verhalen op de gemeenten die tot de classis behoren.

Wanneer bijvoorbeeld de classis een evangelisatiepredikant wil beroepen, kan dat alleen indien zij daarvoor de fondsen heeft, of indien (alle of een deel van) de gemeenten vrijwillig zich verplichten deze lasten te dragen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7.4

12.7.4 Begroting en jaarrekening

Begroting en jaarrekening worden door de classicale vergadering vastgesteld op voorstel van de penningmeester (ord. 11-11-3 en 4) dan wel de financiële commissie (ord. 11-12-5 t/m 7). De conceptbegroting wordt voor de laatste vergadering van het jaar ingediend, de conceptjaarrekening voor 1 mei.

Voor de goedkeuring van de jaarrekening en de decharge van de penningmeester laat de classicale vergadering de financiële administratie controleren door twee onafhankelijke deskundigen (ord. 11-11-5, ord. 11-12-8). In het geval dat de vermogensrechtelijke aangelegenheden meer omvatten dan de vergaderkosten, kan de classicale vergadering er ook voor kiezen de administratie te laten controleren door een certificerend accountant.

 

In voorkomende gevallen worden de kosten van het ringverband in de jaarrekening van de classis opgenomen (ord. 11-11-4, ord. 11-12-7). Het ringverband zal de inkomsten en uitgaven dan ook moeten verantwoorden aan de penningmeester dan wel de financiële commissie. En bij de controle van de financiële administratie zal ook deze kas worden gecontroleerd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7.5

12.7.5 Archief

Het archief behoort tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden. Indien er een financiële commissie is, is deze dus verantwoordelijk voor het beheer van het archief. Als er geen financiële commissie is, is niet nader bepaald wie voor het

|279|

beheer van het archief verantwoordelijk is. Het moet dan gerekend worden tot de zorg van de classicale vergadering die een voorziening terzake moet treffen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.7.6

12.7.6 Toezien van de kerk op de classis

Op het beheer van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de classis wordt toegezien door het regionale college voor de behandeling van beheerszaken (ord. 11-22). Dit toezien betreft dezelfde zaken die ook bij de gemeente onder het toezien vallen (zie § 12.6).

Indien de classicale vergadering alleen vergaderkosten heeft, ziet het regionale college alleen toe op de deugdelijkheid van de financiële controle en op het beheer van de archieven. Betrokkenheid bij de begroting en jaarrekening is dan niet voorgeschreven en andere vermogensrechtelijke aangelegenheden zijn er niet.

In het geval dat de classis andere inkomsten en uitgaven heeft dan de in art. 11 genoemde, wordt op begroting en jaarrekening toegezien zoals op de begrotingen en jaarrekeningen van een gemeente. Begroting en jaarrekening worden ter kennisneming voor 15 december respectievelijk 15 juni naar het regionale college gestuurd en het regionale college is bevoegd daarover in gesprek te gaan (ord. 11-14-1 en 2). Indien het college van oordeel is dat de begroting niet verantwoord is, kan het besluiten dat voor bepaalde rechtshandelingen zijn toestemming nodig is (ord. 11-14-3). Die toestemming is altijd al nodig als een overeenkomst wordt aangegaan met een lid van de financiële commissie of als de classicale vergadering een stichting wil oprichten (ord. 11-14-4).

Ook hier wordt als ‘zwerfsteen’ vermeld dat het aanvaarden van erfenissen slechts mogelijk is onder het voorrecht van boedelbeschrijving (vgl. § 12.6).

Overigens, de bepaling dat de classis alleen financiële verplichtingen kan aangaan als het regionale college heeft verklaard dat zij aan haar verplichtingen kan voldoen (ord. 11-12-4), brengt al met zich mee dat het regionale college bij de meeste rechtshandelingen van de classis betrokken is.

 

Ook de classicale vergadering kan het college vragen op verzoek van derden een verklaring af te geven dat geen instemming van het regionale college nodig is. Zoals boven is aangegeven zal wel in veel gevallen een verklaring van het regionale college dat de classis aan haar verplichtingen kan voldoen aanwezig moeten zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.8

|280|

12.8 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse synode

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.8.1

12.8.1 Omvang van de vermogensrechtelijke aangelegenheden

De evangelisch-lutherse synode heeft rechtspersoonlijkheid en kan als zodanig optreden in het rechtsverkeer, bezittingen hebben en dergelijke. Daarmee blijven fondsen en instellingen buiten de kerk, die uitsluitend evangelisch-lutherse rechtspersonen ondersteunen, in staat gelden te schenken voor het werk van de evangelisch-lutherse synode.

De evangelisch-lutherse synode is binnen de Protestantse Kerk in Nederland een nieuw gevormd zelfstandig onderdeel. Zij is niet de rechtsopvolger van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden; dat is immers de Protestantse Kerk in Nederland. Het vermogen en de schulden van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden zijn dan ook bij de vereniging van de kerken overgegaan op de Protestantse Kerk in Nederland.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.8.2

12.8.2 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging

De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse synode (als rechtspersoon) ligt bij de evangelisch-lutherse synode zelf (als vergadering), aldus art. XIII-3.

Bij de verzorging moet worden onderscheiden tussen beheren en beschikken. Het beheer van het vermogen van de evangelisch-lutherse synode is toevertrouwd aan het bestuur van de dienstenorganisatie (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-3; zie verder § 12.9.1). Het beschikken over het vermogen blijft de bevoegdheid van de evangelisch-lutherse synode. De evangelisch-lutherse synode kan overigens in de meeste gevallen niet handelen zonder instemmend advies van de kleine synode (ord. 11-17-1).

De evangelisch-lutherse synode als rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door de president en eerste secretaris van de evangelisch-lutherse synode als vergadering. Voor beiden wijst de synodale commissie (het breed moderamen van de evangelisch-lutherse synode) een plaatsvervanger aan (ord. 11-16-1).

Voor de betekenis van de begrippen zorg, verzorging en vertegenwoordiging zie § 12.1.2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.8.3

12.8.3 Kosten van de evangelisch-lutherse synode

Het werk van de evangelisch-lutherse synode is onderdeel van het werk van de kerk en wordt daarom gefinancierd uit de begroting van de kerk. De financiële ruimte voor het werk van de evangelisch-lutherse synode wordt dan ook vastgesteld door de kleine synode (ord. 11-20-1 en 3).

|281|

Bij de voorbereiding van de begroting van de kerk wordt ook de evangelisch-lutherse synode (via haar financiële commissie) betrokken (ord. 11-20-1, ord. 11-15-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.8.4

12.8.4 Financiële commissie

De evangelisch-lutherse synode kent een financiële commissie van ten minste drie leden uit haar midden. Zij worden voor vier jaar benoemd en kunnen eenmaal worden herbenoemd (ord. 11-15-1 en 2).

De financiële commissie staat de evangelisch-lutherse synode bij in het begrotingsoverleg en is verder betrokken bij het toezien op de vermogensrechtelijke aangelegenheden van evangelisch-lutherse gemeenten (ord. 11-15-3, zie § 15.3.4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9

12.9 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.1

12.9.1 Zorg, verzorging en vertegenwoordiging

De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk ligt bij de generale synode (art. XIII-4). De generale synode laat deze zorg uitoefenen door de kleine synode. De kleine synode stelt begroting en jaarrekening vast op voorstel van het bestuur van de dienstenorganisatie (ord. 11-20). De kleine synode en het bestuur zijn daarbij gebonden aan het door de generale synode vastgestelde beleidsplan (ord. 11-20-1).

De verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden vertrouwt de synode toe aan het bestuur van de dienstenorganisatie (ord. 11-18-1 en 2). De beschikkingsbevoegdheid blijft bij de generale synode. Zie verder § 12.9.8.

De kerk wordt vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de generale synode. De kleine synode wijst voor beiden een plaatsvervanger aan.

Voor de betekenis van de begrippen zorg, verzorging en vertegenwoordiging verwijzen we naar § 12.1.2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.2

12.9.2 Begroting en jaarrekening

De begroting voor het werk van de kerk, met daarbij de begroting van de dienstenorganisatie (voor het onderscheid zie § 12.9.8), wordt voorbereid door het bestuur van de dienstenorganisatie. Het bestuur overlegt daartoe met de kleine synode, de evangelisch-lutherse synode en de algemene classicale vergaderingen (ord. 11-20-1). Het stelt de begroting van de dienstenorganisatie ook aan de orde in het besturenoverleg (G.R. dienstenorganisatie, art. 12-2). Hierin participeert naast het bestuur van de dienstenorganisatie en het moderamen van de generale synode een vertegenwoordiging van de algemene classicale vergaderingen en van

|282|

de regionale raden van advies. Elke algemene classicale vergadering en elke regionale raad wijst een vertegenwoordiger hiervoor aan (G.R. dienstenorganisatie, art. 9-3).

De begroting van de kerk wordt vastgesteld door de kleine synode, die daarbij gebonden is aan het door de generale synode vastgestelde beleidsplan (ord. 11-20-1).

Ook de jaarrekening van de kerk wordt voorbereid door het bestuur van de dienstenorganisatie en vastgesteld door de kleine synode. De administratie wordt gecontroleerd door een door de kleine synode aan te wijzen certificerend accountant (ord. 11-20-4 t/m 6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.3

12.9.3 Quotum

Tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk behoort de financiering van het totale bovenplaatselijke werk van de kerk. Dit betreft de arbeid van de algemene classicale vergaderingen, van de evangelisch-lutherse synode, van de generale synode, van de regionale en generale colleges en van de dienstenorganisatie. Ook de financiering van (een deel van) de vergader- en administratiekosten van de classicale vergaderingen heeft de kleine synode gerekend tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk.

Ter financiering van dit werk is de kleine synode bevoegd een quotum (het te betalen aandeel) op te leggen aan de gemeenten en de diaconieën en collecten vast te stellen die door de gemeenten gehouden moeten worden (ord. 11-20-3). Op welke wijze het quotum wordt vastgesteld en omgeslagen, wordt bepaald bij besluit van de kleine synode.

Op dit moment functioneert de regeling als volgt: er wordt onderscheiden tussen een kerkrentmeesterlijk quotum voor het niet-diaconale kerkelijk werk en een diaconaal quotum voor het diaconale werk. Het kerkrentmeesterlijk quotum is gebaseerd op inkomsten uit levend geld, uit onroerend goed en uit overig bezit. Een jaarlijks door de kleine synode vast te stellen percentage moet door de gemeenten worden afgedragen. Het diaconaal quotum is gebaseerd op enerzijds het aantal belijdende leden, anderzijds inkomsten uit levend geld, uit onroerend goed en uit overig bezit. De kleine synode stelt jaarlijks een vast bedrag per belijdend lid en een percentage van de inkomsten vast dat door de diaconie moet worden afgedragen.

Voor beide quota worden de inkomsten uit begraafplaatsen, overheidssubsidies, niet-kerkelijke subsidies van derden en erfenissen, voor zover deze ten gunste van het vermogen zijn gebracht, niet meegeteld.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.4

|283|

12.9.4 Solidariteitskas

Niet alleen de financiering van het bovenplaatselijke werk, maar ook steunverlening aan gemeenten behoort tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk. Met het oog hierop is de Solidariteitskas ingesteld. De kleine synode heeft deze kas ingesteld binnen haar bevoegdheid om een quotum op te leggen (ord. 11-20-3).

De steunverlening kan uiteenlopen van subsidie bij noodzakelijke restauratie tot financiële ondersteuning voor pastoraat in nieuwbouwwijken. Ook werk dat op sommige gemeenten zwaarder drukt dan op andere — studentenpastoraat of gemeenteopbouwwerk — wordt uit deze kas betaald.

Elke gemeente vraagt jaarlijks van de belijdende leden (en als men daarvoor kiest van de doopleden boven de 18 jaar) een door de synode vast te stellen bedrag. De gemeente is verplicht aan de Solidariteitskas de helft van het totaal dat de belijdende leden hiervoor tezamen behoren bij te dragen, over te maken. Als er minder binnenkomt, past de gemeente het ontbrekende bedrag bij; wat er meer binnenkomt dan het af te dragen bedrag komt ten goede aan de gemeente.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.5

12.9.5 Missionair-diaconaal aandeel

Het kerkrentmeesterlijke en diaconale quotum is bestemd voor financiering van het eigen werk van de kerk. Hieronder valt niet de steunverlening in het kader van het missionaire en diaconale werk van de kerk. Deze steunverlening wordt betaald uit collecten, giften en andere bijdragen van leden van de kerk en anderen die dit werk willen ondersteunen. De werving hiervoor geschiedt onder de naam Kerkinactie.

Omdat deze steunverlening behoort tot de missionaire en diaconale taak van de kerk zijn gemeenten (de diaconieën inbegrepen) mee verantwoordelijk voor dit werk. Daarom wordt van hen een missionair-diaconaal aandeel gevraagd. Dit aandeel wordt jaarlijks vastgesteld in overleg tussen degenen die verantwoordelijk zijn voor Kerkinactie en elke gemeente. De gemeente neemt daarmee de verplichting op zich dat zij zich zal inspannen dat door de leden van de gemeente hetzij via de gemeente hetzij rechtstreeks het overeengekomen aandeel zal worden opgebracht. Het gaat om een inspanningsverplichting. De gemeente is niet verplicht een eventueel tekort aan te vullen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.6

12.9.6 Centrale kas en pensioenfonds

Van andere orde zijn de centrale kas voor de predikantstraktementen en het pensioenfonds voor de predikanten. Omdat ook deze gevoed worden uit (onder meer) bijdragen van de gemeenten en de kleine synode bij de besluitvorming betrokken is, worden beide ook hier besproken.

|284|

De centrale kas is ingesteld om de kosten van de financiering van de traktementen zoveel mogelijk naar draagkracht over de gemeenten om te slaan (G.R. predikantstraktementen, art. 22). Deze kas behoort wel tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk, maar wordt beheerd door de beleidscommissie Predikanten.

De centrale kas wordt gevuld door bijdragen van de gemeenten. De hoogte van de bijdragen wordt door de beleidscommissie vastgesteld en behoeft instemming van de kleine synode. Ook gemeenten waaraan geen predikant verbonden is, worden voor deze kas aangeslagen.

 

Het pensioenfonds behoort niet tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk, maar wordt beheerd door een door de kerk opgerichte stichting. Het bestuur van deze Stichting Pensioenfonds voor de predikanten in de Protestantse Kerk in Nederland wordt door de kleine synode benoemd (statuten, art. 6). Het pensioenfonds wordt gevuld uit pensioenpremies van de predikanten en van de gemeenten. De hoogte van de bijdragen wordt vastgesteld door het bestuur, de verdeling van de premies over predikanten enerzijds en gemeenten anderzijds wordt bepaald door het georganiseerd overleg (zie § 5.6.2). De kleine synode kan daarbij bepalen dat alle gemeenten — en niet alleen gemeenten waaraan een predikant voor gewone werkzaamheden verbonden is — een deel van de premie betalen (G.R. predikantspensioenen, art. 25-3).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.7

12.9.7 Kerkelijke instellingen

De kerkorde kent de mogelijkheid dat de generale synode een kerkelijke instelling in het leven roept die als zelfstandig onderdeel van de kerk rechtspersoonlijkheid bezit (ord. 11-26-1 en 2). In een generale regeling voor deze instelling dient dan nader te worden vastgelegd wat de taken van de instelling zijn en worden de samenstelling, taken en bevoegdheden van het bestuur geregeld (ord. 11-26-3). De kerk kent op dit moment alleen de dienstenorganisatie als kerkelijke instelling.

De kerkorde spreekt ook over ‘door de kerk gestichte instellingen voor theologisch wetenschappelijk onderwijs’. Dit zijn geen kerkelijke instellingen als bedoeld in ord. 11-26-1 en 2.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.9.8

12.9.8 Dienstenorganisatie

De dienstenorganisatie is door de generale synode als kerkelijke instelling in het leven geroepen. Zij heeft dan ook eigen vermogensrechtelijke aangelegenheden. Toch kunnen ook deze vermogensrechtelijke aangelegenheden gerekend worden tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk (zie § 12.9.2). Men kan dit vergelijken met de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconie van

|285|

de gemeente, die tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente behoren. Doordat de dienstenorganisatie een aparte rechtspersoon is, worden de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de dienstenorganisatie duidelijk onderscheiden van de andere vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk. Het bestuur van de dienstenorganisatie heeft een dubbele rol. Enerzijds verzorgt het als uitvoerend beheersorgaan de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk, anderzijds heeft het als bestuur van een zelfstandig onderdeel zelfde zorg voor en de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de dienstenorganisatie.

Doordat de dienstenorganisatie als zelfstandig onderdeel van de kerk rechtspersoonlijkheid bezit, kan ze zelf geld werven voor bijvoorbeeld de missionaire en diaconale steunverlening. Op deze wijze is het ook voor externe instanties duidelijk dat de op die wijze geworven gelden niet door de kerk ten eigen bate kunnen worden gebruikt.

 

De generale synode heeft aan de dienstenorganisatie het ondersteunen van het werk van kerk en gemeenten opgedragen. Deze ondersteuning betreft met name de dienstverlening ten behoeve van de opbouw van de plaatselijke gemeenten, het werk van de classicale vergaderingen ter zake van vormen van gemeente-zijn, een deel van de opleiding en begeleiding van predikanten en kerkelijk werkers, de theologische arbeid van de kerk en de missionaire, diaconale en oecumenische opdracht van de kerk. Daarnaast ondersteunt de dienstenorganisatie ook het werk van en ten behoeve van de generale synode, de evangelisch-lutherse synode, de algemene classicale vergaderingen en haar organen van bijstand en colleges (G.R. dienstenorganisatie, art. 2; vergelijk de taak van het bestuur in art. 4 en ord. 4-28-5). De financiering van dit werk geschiedt enerzijds uit de gelden die de kerk voor dit werk ter beschikking stelt (uit quota en collecten), anderzijds uit giften en subsidies en dergelijke. De fondsenwerving behoort daarom ook tot de opdracht van de dienstenorganisatie (G.R. dienstenorganisatie, art. 2-2).

 

Alhoewel de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de dienstenorganisatie en de overige vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk scherp worden onderscheiden en de rol van het bestuur ten aanzien van beide onderscheiden is, is in beide gevallen de generale synode eindverantwoordelijk. Ook bij het besturen van de dienstenorganisatie is het bestuur gebonden aan het door de generale synode vastgestelde beleid en de door de kleine synode vastgestelde begroting (G.R. dienstenorganisatie, art. 4-2, ord. 4-28-5). Bovendien, als orgaan van bijstand van de generale synode is het bestuur aan haar verantwoording schuldig (ord. 4-28-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.10

|286|

12.10 Het toezien op het beheer

Op de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden wordt toegezien door daartoe aangewezen organen van de kerk (art. XIII-5). Het is de kerk een zorg dat zorgvuldig wordt omgegaan met de goederen van de gemeente (waaronder ook de archieven, doopboeken en dergelijke). Voor het toezien op de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van gemeenten, diaconieën en classes kent elke regio een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken. Voor het toezien op de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk (met die van de evangelisch-lutherse synode en de dienstenorganisatie) kent de kerk het generale college voor onderzoek van beheerszaken. Uit het verschillen in benaming is al af te lezen dat de taak van het generale college anders is dan die van de regionale colleges.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.10.1

12.10.1 Het regionale college voor de behandeling van beheerszaken

In elke regio (het gebied van een algemene classicale vergadering) is er een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken, bestaande uit ten minste 7 leden. De leden worden benoemd door de algemene classicale vergadering op aanbeveling van de classicale vergaderingen. Er geldt een zittingstijd van vier jaar met de mogelijkheid van éénmaal herbenoeming (ord. 11-21-1 en 2).

Voor de leden van het college is financiële deskundigheid als eerste van belang. Omdat er bij de beoordeling van de financiële stukken van de diaconie specifieke vragen op diaconaal terrein aan de orde kunnen zijn, is vastgelegd dat kennis van dit werkterrein in voldoende mate binnen het college aanwezig moet zijn (ord. 11-21-2). Daarbij kan overigens worden opgemerkt dat het college niet zozeer oordeelt over de wenselijkheid van (diaconale) uitgaven, maar in dit kader met name tot taak heeft erop toe te zien dat de financiën op orde zijn en de gemeente resp. de diaconie niet onnodig door uitgaven in problemen komt.

Het regionale college zal zaken die zij te behandelen krijgt onpartijdig moeten beoordelen. Daarom is vastgelegd dat leden van het college niet mogen deelnemen aan de behandeling van een zaak waarbij zij op andere wijze reeds betrokken zijn (ord. 11-21-3).

 

Nadrukkelijk is er in ord. 11-21 t/m 23 sprake van toezien, niet van adviseren. Het toezien is een kerkordelijke taak, samenhangend met de verantwoordelijkheid van de kerk voor de gemeenten. Advisering behoort in de eerste plaats tot het taakveld van het regionaal dienstencentrum. Uiteraard zullen in de gesprekken die op grond van het toezien worden gehouden ook adviezen kunnen worden gegeven. Een uitgebreidere adviestaak zou echter de mogelijkheden van de collegeleden (vrijwilligers) te boven gaan.

Voor de taken van het regionale college verwijzen we verder naar § 12.6 t/m 12.6.2

|287|

(ten aanzien van de gemeente en de diaconie) en § 12.7.5 (ten aanzien van de classis). Bij de werkwijze van het regionale college is in het bijzonder nog bepaald dat het college, wanneer het zijn oordeel moet geven over monumentale gebouwen of orgels, zelf eerst advies dient te vragen aan daartoe door de generale synode aangewezen organen die deskundig zijn op bedoelde terreinen (ord. 11-23-1). Tevens dient het college advies te vragen aan de financiële commissie van de evangelisch-lutherse synode indien een zaak een evangelisch-lutherse gemeente betreft (ord. 11-23-2).

 

Tegen een besluit of uitspraak van het regionale college staat beroep open bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 11-22-5).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.10.2

12.10.2 Het generale college voor onderzoek van beheerszaken

Voor het toezien op de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk en alles wat daar bij hoort (dienstenorganisatie, evangelisch-lutherse synode), is de generale synode zelf verantwoordelijk. Zij laat zich hierin bijstaan door de generale raad van advies, met name de kerkrentmeesterlijke kamer daarvan.

Bovendien kent de kerk het generale college voor onderzoek van beheerszaken. Dit college bestaat uit elf leden die door de generale synode voor vier jaar worden benoemd en eenmaal aansluitend kunnen worden herbenoemd (ord. 11-24-1 en 2). Dit college heeft tot taak een onderzoek in te stellen naar de doelmatigheid van het door de generale synode en de kleine synode gevoerde financiële beleid en beheer (ord. 11-25-1). Het woord ‘financieel’ wordt hier gebruikt in de brede zin van alle vermogensrechtelijke aangelegenheden.

Het college doet een dergelijk onderzoek op verzoek van de generale synode. Wanneer het college zelf aanleiding ziet om de doelmatigheid van een zaak op haar terrein te onderzoeken kan het college hierover overleggen met het mode-ramen van de generale synode (ord. 11-25-1). Het is immers mogelijk dat een dergelijk onderzoek tot de taken van het bestuur van de dienstenorganisatie of van de generale raad van advies behoort. Indien het moderamen met het onderzoek instemt, kan het college het onderzoek aanvatten. Indien het moderamen niet instemt, zal het dit uiteraard aan de generale synode melden.

De uitkomsten van het onderzoek worden voorgelegd aan de generale synode (ord. 11-25-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.11

12.11 Stichtingen

Een gemeente, diaconie of classis, de evangelisch-lutherse synode en de kerk kunnen in voorkomende gevallen ook overgaan tot deelname in of oprichting van een stichting (ord. 11-27-1). Dit is echter alleen dan toegestaan wanneer vaststaat

|288|

dat de belangen alleen door een stichting voldoende kunnen worden behartigd (ord. 11-27-2). Omdat het overdragen van taken, bevoegdheden, rechten of verplichtingen die aan een kerkelijk lichaam toebehoren, niet behoort plaats te vinden dan indien daarvoor een dringende noodzaak is, is voor het oprichten en deelnemen toestemming vereist. Voor erkenning van een bestaande stichting (zie hieronder) is dezelfde instemming of adviesaanvrage vereist (G.R. stichtingen, art. 5-3).

Een besluit tot oprichting van of deelname in een stichting wordt in een gemeente genomen door het college van kerkrentmeesters of het college van diakenen nadat dit vooraf de instemming van de kerkenraad heeft verkregen (ord. 11-2-9, ord. 11-3-6). Vervolgens is toestemming van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nodig (ord. 11-8-3).

In een classis wordt het besluit met betrekking tot een stichting genomen door de classicale vergadering. Ook deze heeft de toestemming van het regionale college nodig (ord. 11-14-4).

Voor de evangelisch-lutherse synode als rechtspersoon neemt de evangelisch-lutherse synode als vergadering het besluit. Zij heeft toestemming nodig van de kleine synode (ord. 11-17-1). De kleine synode, die namens de kerk een stichting kan oprichten, heeft geen instemming nodig maar dient wel eerst het advies van het bestuur van de dienstenorganisatie te vragen (G.R. stichtingen, art. 2-2).

De kerk heeft ook de mogelijkheid een besloten vennootschap op te richten. Daarmee heeft de B.V. Boekencentrum, die eigendom is van de kerk, een kerkordelijke plaats gekregen. Voor een besloten vennootschap gelden in hoofdlijnen dezelfde bepalingen als voor een stichting (ord. 11-27-1).

 

Bij het oprichten van of deelnemen in een stichting is de generale regeling stichtingen van toepassing. Onderscheiden wordt tussen protestantse stichtingen, interkerkelijke stichtingen en gemengde stichtingen (art. 1).

In art. 3 van de generale regeling wordt opgesomd waaraan de statuten van een protestantse stichting moeten voldoen. Het gaat daarbij om bepalingen die waarborgen dat het kerkelijk lichaam dat de stichting opricht, voldoende zeggenschap houdt over de stichting. Onder meer komt dit tot uiting in de bepaling dat het kerkelijk lichaam de bestuurders benoemt, bestuurders kan ontslaan en ook bevoegd is de stichting op te heffen. Tevens dient in de statuten te worden bepaald dat bij eventuele geschillen tussen de stichting of haar bestuur en een kerkelijk lichaam de kerkelijke geschillenregeling (ord. 12) van toepassing is. Indien meer dan één kerkelijk lichaam bij de oprichting betrokken is, dient uiteraard de verantwoordelijkheid van elk van deze lichamen te worden vastgelegd (G.R. stichtingen, art. 4).

Om voor ieder helder te maken dat het gaat om een stichting als hier bedoeld, moet in de statuten naar de generale regeling worden verwezen en dient in de naam van de stichting ‘protestantse stichting’ te staan of op andere wijze duidelijk

|289|

te worden dat een dergelijke stichting is bedoeld (art. 3-1). Dus ook de namen ‘hervormde stichting’, ‘gereformeerde stichting’, ‘evangelisch-lutherse stichting’ met de toevoeging ‘als bedoeld in ord. 11-27 van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland’ voldoen aan de gestelde voorwaarden.

 

In de generale regeling wordt ook de mogelijkheid genoemd dat een kerkelijk lichaam een bestaande stichting als protestantse stichting erkent (G.R. stichtingen, art. 5). Een dergelijke stichting moet aan vrijwel dezelfde voorwaarden voldoen als een stichting die door het kerkelijk lichaam wordt opgericht. Het belangrijkste verschil tussen een erkende stichting en een opgerichte stichting is dat het kerkelijk lichaam dat de stichting erkent, de stichting niet kan opheffen. Wel kan het de erkenning intrekken.

 

Ook het deelnemen in of het oprichten van een interkerkelijke stichting behoort tot de mogelijkheden (G.R. stichtingen, art. 6). Uiteraard kunnen aan een dergelijke stichting niet dezelfde eisen worden gesteld als aan een protestantse stichting. Voorwaarde voor een dergelijke stichting is dat het voor het werk bevorderlijk is dat samengewerkt wordt met bevoegde organen van andere kerken en dat hiervoor een rechtspersoon nodig is. In de generale regeling wordt een aantal eisen gesteld waaraan de statuten moeten voldoen. Er worden onder meer voorwaarden gesteld aan het wijzigen van de statuten en het moet mogelijk zijn dat het kerkelijk lichaam uit de stichting uittreedt.

 

Tenslotte behoort ook het deelnemen aan of het oprichten van een gemengde stichting tot de mogelijkheden (G.R. stichtingen, art. 7). Hieronder wordt verstaan een stichting waarin naast het kerkelijk lichaam ook niet-kerkelijke instanties participeren. Voorwaarde voor de statuten van een dergelijke stichting is dat deze bevorderlijk moet zijn voor het werk van het betreffende kerkelijke lichaam. Voor het overige gelden voor de statuten dezelfde vereisten als voor een interkerkelijke stichting.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 12.12

12.12 Aansprakelijkheid van beheerders

Indien iemand schade lijdt door een handeling (of het nalaten van een handeling) van een rechtspersoon, is de rechtspersoon verantwoordelijk. Om het concreet te maken wordt in het volgende gesproken over de gemeente (de rechtspersoon) en het college van kerkrentmeesters (de beheerder). Het geldt vanzelfsprekend ook voor de andere kerkelijke rechtspersonen en beheerders.

Indien iemand schade lijdt door een losliggende tegel op het kerkterrein en betrokkene deze schade wil verhalen, moet de gemeente aansprakelijk worden gesteld. Hetzelfde geldt ook indien een koper schade heeft vanwege een door de gemeente verkocht goed. Degene die schade lijdt, kan het college van

|290|

kerkrentmeesters of één van de kerkrentmeesters hiervoor niet aansprakelijk stellen.

De gemeente kan de schadevergoeding die zij moet betalen in principe niet verhalen op de leden van het college, als zij hun taak op een behoorlijke wijze vervullen (ord. 11-28-1). De term ‘behoorlijke taakvervulling’ in ord. 11-28-1 is overgenomen uit het burgerlijk wetboek (2:9 BW). Onder ‘behoorlijke taakvervulling’ wordt verstaan een taakvervulling op een wijze die in redelijkheid van de beheerder mag worden verwacht. Uit uitspraken van de burgerlijke rechtspraak is duidelijk dat alleen gesteld kan worden dat de beheerder zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld indien de beheerder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Het college zal dan ook in de regel niet aansprakelijk zijn voor schade die de gemeente lijdt. Als het college zich naar vermogen inzet voor zijn taak en zich aan de kerkelijke regels houdt, kan de gemeente eventuele schade niet op (de leden van) het college verhalen. Als het college van kerkrentmeesters echter ernstig verwijtbaar tekortgeschoten is, kan de gemeente de schade wel verhalen op het college en alle leden gezamenlijk aansprakelijk stellen. Als in dat geval een van de leden kan aantonen dat hem niets te verwijten is en dat hij ook niet nalatig is geweest in het zo mogelijk beperken van de schade is deze niet aansprakelijk. De overige leden zijn dan gezamenlijk aansprakelijk voor de gehele schade (ord. 11-28-2). Die gezamenlijke aansprakelijkheid betekent dat ieder een gelijk deel van de schade zal moeten vergoeden.

De schade ten gevolge van een losliggende stoeptegel (zaak- en letselschade) zal over het algemeen gedekt zijn door een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering. Ook vermogensschade kan worden verzekerd in een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Als voorbeeld kan worden genoemd de schade die een gemeente oploopt doordat het college verzuimd heeft tijdig een subsidie aan te vragen terwijl het wist dat deze aanvraag voor een bepaalde datum moest worden ingediend. Er kan hier sprake zijn van een ernstig verwijtbare tekortkoming waardoor de schade op het college kan worden verhaald. Bij een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering wordt deze schade dan door bedoelde verzekering gedekt.

 

Tenslotte is bepaald dat de kleine synode bevoegd is beherende kerkelijke lichamen te verplichten zich te verzekeren tegen financiële onregelmatigheden (ord. 11-28-3). Het is niet geheel helder waaraan hierbij is gedacht. In de toelichting bij de eerste lezing van de ordinanties werd gesproken over wanbeheer en malversaties. In dat geval is zowel een bestuursaansprakelijkheidsverzekering als een fraudeverzekering bedoeld.

Op dit moment bestaat een dergelijke verplichting niet. Wel wijzen de ordinanties gemeenten op de wenselijkheid van verzekering doordat ‘het beheren van de

|291|

verzekeringspolissen’ nadrukkelijk als taak van het college van kerkrentmeesters en van het college van diakenen is opgenomen (ord. 11-2-7 en ord. 11-3-4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H13

292-312

|292|

13 De opleiding en vorming van predikanten

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.1

13.1 Opzet van dit hoofdstuk

Men kan op twee manieren naar de predikantsopleiding kijken, namelijk vanuit het perspectief en het belang van de kerk en vanuit degene die de opleiding zou willen volgen. Het commentaar op dit deel van de kerkorde is primair opgezet vanuit dat laatste perspectief: wat zegt de kerkorde, als iemand overweegt predikant te worden in de Protestantse Kerk in Nederland?

Men krijgt dan vanzelfsprekend te maken met wat de kerk daarover heeft geregeld. Er zijn immers weinig zaken die zo duidelijk tot de verantwoordelijkheden van de kerk als geheel behoren als de predikantsopleiding. Het belang voor kerk en gemeenten van goed opgeleide predikanten die een op het gemeentewerk toegesneden persoonlijke en spirituele vorming hebben gehad, kan nauwelijks overschat worden. In het slot van dit hoofdstuk, vanaf § 13.9, wordt daarom op dat andere perspectief ingegaan: hoe neemt de kerk bestuurlijk verantwoordelijkheid voor de opleiding?

Art. XV van de kerkorde geeft de grondlijnen aan, die worden geconcretiseerd in een redelijk uitvoerige ordinantie 13. Daaraan hangt dan weer een nog omvangrijker generale regeling opleiding predikanten. Om het eerste deel van dit hoofdstuk te begrijpen is het voldoende te weten dat er een (overkoepelende) raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs is (hierna: raad van toezicht TWO), en dat elke instelling een eigen curatorium en rectorium heeft. De precieze taakverdeling komt later aan de orde (zie onder, vanaf § 13.10).

De kerkorde legt in art. XV-4 in feite drie aspecten vast die van belang zijn als iemand predikant zou willen worden. Er moet sprake zijn van voldoende bekwaamheid, van voldoende geschiktheid en van roeping. De bekwaamheid heeft primair — al is dit natuurlijk ook weer niet alles! — te maken met de theologische opleiding (zie onder, § 13.2). De geschiktheid wordt daarnaast onderzocht; met het oog daarop is er het ‘album der kerk’ (zie onder, vanaf § 13.3). De roeping komt aan de orde in het colloquium (zie onder, § 13.6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.2

13.2 Bekwaamheid — de opleiding

Allereerst komt de kwestie van de bekwaamheid aan de orde. De eerste vraag die men zich zal stellen wanneer men overweegt predikant te worden, is: waar kan ik terecht voor een adequate opleiding? Het predikantschap heeft tenslotte ook beroepsmatige aspecten.

De ordinantie legt vast welke instellingen de predikantsopleiding voor de kerk verzorgen. Daarbij zijn de tradities van de kerken die samen deze kerk zijn gaan

|293|

vormen, samengebracht. Onderscheid wordt gemaakt tussen universiteiten en seminaria, en daarbinnen tussen door de kerk gestichte en door de kerk aangewezen instellingen (vgl. ord. 13-2). Op de achtergrond van deze onderscheidingen wordt later ingegaan. Van belang is allereerst te zien dat men een keuze moet maken uit drie door de kerk gestichte instellingen, namelijk
a. de Theologische Universiteit te Kampen (ThuK),
b. het Theologisch Wetenschappelijk Instituut (TWI) — dat gehuisvest is bij en samenwerkt met (de theologische faculteiten van) de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht — of
c. het Evangelisch-Luthers Seminarium (ELS), eveneens te Utrecht.

Bij de keuze behoeft nog niet de vraag aan de orde te zijn, in wat voor gemeente men later zou willen werken. Het is namelijk niet zo dat men alleen predikant in een lutherse gemeente kan worden wanneer men aan het Evangelisch-Luthers Seminarium de studie heeft voltooid. Evenmin geldt dat wie aan het Evangelisch-Luthers Seminarium gestudeerd heeft niet beroepbaar zou zijn in een andere dan een lutherse gemeente. De drie opleidingen geven — wat de noodzakelijke theologische vorming betreft — elk toegang tot het predikantschap in elke willekeurige gemeente van de kerk. Dat gemeenten een eigen voorkeur kunnen hebben ten aanzien van de instelling waaraan een te beroepen predikant is opgeleid, is daarmee niet in strijd.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.2.1

13.2.1 De Theologische Universiteit te Kampen

De Theologische Universiteit te Kampen wordt als eerste genoemd (ord. 13-7). Dit is vanouds een van de instellingen waar de predikanten voor de Gereformeerde Kerken in Nederland werden opgeleid. Dat de Theologische Universiteit te Kampen een universiteit heet, hangt samen met de wetgeving van de overheid. Het neemt niet weg dat het hier gaat om één faculteit, de theologische.

Het onderscheidende van de Theologische Universiteit te Kampen in vergelijking met het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium is dat de Theologische Universiteit vanouds een volledige predikantsopleiding biedt volgens het systeem van de zogenaamde simplex ordo. Dat wil zeggen: alle vakken worden gegeven onder directe verantwoordelijkheid van de door de kerk benoemde organen. De studie begint met een driejarig Bachelors en wordt afgesloten met een driejarig Masters in de theologie, dat als zodanig toegang geeft tot het colloquium (zie onder § 13.6, ord. 13-18-2).

In ord. 13-2-5 wordt benadrukt dat de door de kerk gestichte instellingen voor theologisch wetenschappelijk onderwijs ook een onderzoekstaak hebben: het zijn niet louter onderwijsinstellingen. Ook de Theologische Universiteit te Kampen heeft een eigen onderzoeksprogramma.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.2.2

|294|

13.2.2 Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut

Een andere mogelijkheid om de opleiding tot predikant te volgen is te vinden bij het Theologisch Wetenschappelijk Instituut, waarover ord. 13-8 handelt. Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut gaat terug op de kerkelijke opleiding van de Nederlandse Hervormde Kerk. Hier — en bij het Evangelisch-Luthers Seminarium — is de ambtsopleiding vanouds georganiseerd volgens het systeem van de zogenaamde duplex ordo. De opleiding werkt in dat systeem nauw samen met de (niet aan een kerk gebonden) theologische faculteit van een universiteit, die daartoe door de kerk is aangewezen. Sinds enige jaren betreft dat de universiteit van Utrecht en die van Leiden (ord. 13-2-2). De vakken van de systematische en praktische theologie worden gegeven onder directe verantwoordelijkheid van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut in de kerkelijke opleiding, andere vakken worden gegeven onder verantwoordelijkheid van de faculteit.

Wat de opzet van de studie betreft: de meest gebruikelijke route is dat men eerst in drie jaar een Bachelors in de theologie behaalt aan de theologische faculteit, gevolgd door een Masters godgeleerdheid. De kerkelijke opleiding duurt twee jaar. Het onderwijs in de kerkelijke vakken, die deels reeds in de fase van Bachelor en Master kunnen worden gevolgd, loopt uit op het kerkelijk examen. Daartoe worden alleen leden van de kerk toegelaten. Het kan niet worden afgelegd voordat men het Masters heeft behaald.

Ook het Theologisch Wetenschappelijk Instituut heeft naast de kerkelijke opleiding een opdracht om theologisch wetenschappelijk onderzoek te verrichten en heeft derhalve een eigen onderzoeksprogramma.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.2.3

13.2.3 Het Evangelisch-Luthers Seminarium

Bij de theologische faculteit van de universiteit van Utrecht vindt men naast het Theologisch Wetenschappelijk Instituut het Evangelisch-Luthers Seminarium, vanouds de theologische opleiding van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. Daarover gaat ord. 13-9. Het Evangelisch-Luthers Seminarium en het Theologisch Wetenschappelijk Instituut werken op een zelfde wijze samen met de theologische faculteit. Ook het Evangelisch-Luthers Seminarium verzorgt dus een kerkelijke opleiding, die wordt afgesloten met een kerkelijk examen. Specifiek voor het Evangelisch-Luthers Seminarium is echter de oriëntatie op de lutherse traditie. De Protestantse Kerk in Nederland wil immers niet alleen in de gereformeerde (calvinistische), maar ook in de lutherse traditie staan. Juist omdat het aantal lutheranen binnen de kerk relatief gering is, zijn in de ambtsopleiding speciale voorzieningen getroffen. Als het erom gaat de lutherse traditie te bewaren en dienstbaar te maken aan de gehele kerk, kunnen wetenschappelijk onderzoek inzake die traditie en het opleiden van predikanten met een speciale vertrouwdheid met die traditie niet gemist worden. Het Evangelisch-Luthers

|295|

Seminarium is een zelfstandig instituut, met een eigen wetenschappelijke staf. Dat neemt niet weg dat waar dat wenselijk geacht wordt, het onderwijs kan worden ‘uitbesteed’ aan hoogleraren en docenten van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut. Daarvoor is wel goedkeuring van het college van curatoren van het Evangelisch-Luthers Seminarium nodig.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.2.4

13.2.4 Het Theologisch Seminarium Hydepark

Elke student krijgt gedurende de studie te maken met het Theologisch Seminarium Hydepark (TSH) te Doorn. Dat werkt met de drie genoemde door de kerk gestichte instellingen samen, maar speelt een eigen rol in ‘de nadere voorbereiding op het predikantschap en de nascholing van predikanten’ (ord. 13-10-1).

Het Theologisch Seminarium Hydepark heeft een eigen taak ten aanzien van allen die zich aan één van de drie opleidingen voorbereiden op het predikantschap. Het is dus niet een vierde opleidingsplaats. De rol van dit instituut is niet ten aanzien van elk van de opleidingen precies gelijk. Studenten van alle opleidingen krijgen te maken met de drie seminarieweken, waar art. 10-1 sub a van de generale regeling opleiding predikanten over spreekt. Voor studenten van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium worden daarnaast delen van de kerkelijke opleiding als zodanig in seminarieverband opgezet (G.R. opleiding predikanten, art. 10-1 sub d). Ook worden bij deze studenten het leervicariaat of de lange stage in een gemeente of instelling en de evaluatie daarvan, door het Theologisch Seminarium begeleid (art. 10-1 sub b).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.3

13.3 Geschiktheid — het album van de kerk

De kerkorde richt zich op mensen die een opleiding gaan volgen omdat ze ervoor kiezen predikant te worden in de kerk. Daarom stelt ord. 13-11-1 dat men vanaf de aanvang van de studie ingeschreven moet zijn in het album van de kerk, een register van studenten die zich voorbereiden op het predikantschap in de Protestantse Kerk in Nederland. ‘In de regel’ dient men ten minste vier jaar ingeschreven te zijn, zegt ord. 13-11-1.

De bedoeling van het album ligt daarin dat de kerk — en natuurlijk minstens evenzeer de betrokken student — er belang bij heeft zich gaandeweg een beeld te vormen van de geschiktheid voor het predikantschap. Wie in het album ingeschreven staat, is daarom verplicht aan geschiktheidsonderzoeken mee te werken (zie art. XV-4). Het kan immers een belangrijk en bemoedigend signaal zijn als wie studeert gaandeweg ontdekt waar sterke en zwakkere kanten liggen. En het kan heel waardevol zijn als men tijdig gesteld wordt voor de vraag of de keuze voor een andere toekomst geen betere zou zijn!

De precieze opzet van het geschiktheidsonderzoek is noch in de ordinanties noch

|296|

in de generale regeling opleiding predikanten vastgelegd. Duidelijk is daaruit alleen dat het Theologisch Seminarium Hydepark hierin ook een rol speelt (G.R. opleiding predikanten, art. 9-2 sub c). De generale synode bepaalt in elk geval — in hoofdlijnen — door wie en op welke wijze het onderzoek plaatsvindt (ord. 13-11-4).

 

We verlaten het terrein van de kerkordelijke bepalingen als we hier iets weergeven van de huidige gang van zaken met betrekking tot het geschiktheidsonderzoek. In hoofdlijnen is de opzet bij de Theologische Universiteit te Kampen, het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium gelijk; op onderdelen zijn er echter wel verschillen.

Er zijn steeds drie instanties betrokken, elk met een eigen verantwoordelijkheid, namelijk de geschiktheids(advies)commissies, de opleiding zelf (en dus met name de betrokken docenten) en het Theologisch Seminarie Hydepark. Daarvan zijn de rollen van de geschiktheidscommissie en de opleiding per instituut enigszins verschillend ingevuld.

De leden van de geschiktheidscommissie worden benoemd door de raad van toezicht TWO. Bij elk instituut worden tijdens de studie door enkele leden van deze commissie in ieder geval drie gesprekken gevoerd met de in het album ingeschreven studenten. De beoordeling heeft betrekking op aspecten als: stabiliteit en stressbestendigheid, communicatief vermogen en contactuele eigenschappen, organisatorische kwaliteiten en persoonlijke motivatie met betrekking tot de studie- en beroepskeuze. De commissie kan de betrokken student — waar dat nodig is — adviseren zelf hulp en begeleiding te zoeken; in sommige gevallen kan vanuit de opleiding ondersteuning worden geboden.

Bij de Theologische Universiteit te Kampen wint de geschiktheidscommissie adviezen in van de bij de predikantsopleiding meest betrokken hoogleraren en docenten, alsmede van de rector van het Theologisch Seminarium Hydepark, die advies geeft na deelname van de student aan de drie seminarieweken (G.R. opleiding predikanten, art. 10-1 sub a) in het kader van de beroepsvoorbereiding in de masteropleiding. Lopen de adviezen niet parallel, dan vindt nader overleg plaats om tot een gemeenschappelijk oordeel te komen. Daarna brengt de geschiktheidscommissie advies uit aan het college van curatoren, dat bij een daartoe strekkend positief advies de geschiktheidsverklaring afgeeft.

Bij het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium ligt de verantwoordelijkheid voor het afgeven van de geschiktheidsverklaring bij het college van kerkelijk hoogleraren en docenten, dat daarbij de adviezen van de geschiktheidscommissie en van de rector van het Theologisch Seminarium Hydepark betrekt. Ook hier wordt zo nodig tussen de betrokken partijen overlegd.

De geschiktheidsverklaring is vereist om het colloquium te kunnen aanvragen (ord. 13-18-2 sub b). Tegen het eventueel niet afgeven van de verklaring kan men

|297|

in beroep gaan. De generale synode bepaalt op welke wijze men bezwaar kan maken als de geschiktheidsverklaring niet wordt afgegeven (ord. 13-11-4).

 

Wie predikant wil worden in de Protestantse Kerk in Nederland is verplicht zich aan het begin van de studie te laten inschrijven in het kerkelijk album (ord. 13-11-1). In de praktijk weet iemand die theologie gaat studeren echter aan het begin van de studie dikwijls nog niet (of niet zeker) of hij of zij predikant wil worden. Men wil die vraag nog openhouden, of men heeft aanvankelijk met andere bedoelingen of toekomstverwachtingen voor deze studie gekozen. Wanneer men op een zeker moment toch tot de conclusie komt dat een toekomst als predikant op zijn minst niet uitgesloten wordt, is het zaak dat men zich zo snel mogelijk laat inschrijven. De raad van toezicht two kan weliswaar ontheffing verlenen van de verplichting tot inschrijving vanaf het begin van de studie, maar dan zal men goede argumenten moeten hebben. Een inschrijving gedurende vier jaar is verplicht, al spreekt de ordinantie van ‘in de regel’, waarmee uitzonderingen niet geheel onmogelijk worden gemaakt (ord. 13-11-1).

 

In dit verband dient gewezen te worden op de bepaling dat aan de hoogleraren en docenten van de instellingen mede is toevertrouwd de geestelijke zorg aan hen die verlangen toegelaten te worden tot het ambt van predikant. Dit staat blijkens de tekst van ord. 13-6-4 in het kader van de vorming tot het ambt van predikant en dat geeft ook een beperking aan. De ‘reguliere’ pastorale zorg berust onverminderd bij de eigen kerkenraad dan wel bij het studentenpastoraat. Maar een docent kan zich niet onttrekken aan persoonlijke en spirituele vragen die bij studenten in het kader van onderwijs en onderzoek opkomen en die de eigen toekomst als predikant in de kerk betreffen. Ook door het aanstellen van een academiepastor kan men uitvoering geven aan de opdracht tot het betonen van deze geestelijke zorg.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.4

13.4 Preekconsent tijdens de opleiding

Het leiden van kerkdiensten behoort tot de kerntaken van een predikant, al gebruikt ord. 3-9-1 een andere uitdrukking: ‘de bediening van Woord en sacramenten’. In die uitdrukking komt het ambtelijk karakter meer naar voren. Studenten staan nog niet in het ambt, maar moeten zich in het kader van de opleiding wel praktisch kunnen voorbereiden op het voorgaan in kerkdiensten. Vandaar dat tijdens de opleiding een preekconsent wordt gegeven (ord. 13-12-1, zie hiervoor ord. 5-5-2 en § 7.6). Ook hier zijn wel enkele voorwaarden van belang: men moet belijdend lid van de kerk zijn, en door inschrijving in het album te kennen hebben gegeven toegelaten te willen worden tot het ambt van predikant. Verder moet men naar het oordeel van de betrokken hoogleraren en docenten voldoende homiletische en liturgische bekwaamheid hebben en in de eindfase van de

|298|

opleiding zijn aangekomen. Uiteraard dienen zij gebruik te maken van een van de in het dienstboek van de kerk aangereikte orden van dienst (zie voor de uitdrukking ‘met gebruikmaking van’, § 7.9). Zoals van andere preekconsenthouders, zo wordt ook van hen een belofte gevraagd. De vraag die hun daarbij gesteld wordt, luidt:

‘Bent u bereid in uw werk te getuigen van het heil in Jezus Christus? Belooft u daarbij te blijven in de weg van het belijden van de kerk? Belooft u zich te houden aan de regels, gesteld in de orde van de kerk?’ (G.R. preekconsent, art. 1-7, zie § 7.6).

Het consent wordt verleend voor een beperkte tijd, van telkens ten hoogste één jaar. Een verlenging is dus wel mogelijk. Het blijft niet langer van kracht dan tot aan het colloquium. Als men bij het colloquium niet wordt toegelaten, vervalt het consent automatisch (ord. 13-12-2); komt men er wel doorheen, dan treedt een andere, inhoudelijk gelijke, bevoegdheid voor het consent in de plaats (ord. 13-19-6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.5

13.5 Andere wegen tot het ambt van predikant

Met het bovenstaande is de normale gang van zaken qua studie wel getekend. Er kunnen echter goede redenen zijn om iemand die zich langs een andere weg aanmeldt, toch toe te laten. De ordinantie kent drie mogelijkheden: (1) mensen met een andere (in het algemeen nog niet voltooide) opleiding, (2) mensen die elders al predikant of geestelijke zijn geweest of althans tot het ambt zijn toegelaten, en (3) mensen met singuliere (bijzondere) gaven. In de artikelen 13 t/m 16 van ordinantie 13 wordt een en ander uitgewerkt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.5.1

13.5.1 Elders begonnen studie

Wat het eerste betreft: hier gaat het primair om ‘zij-instromers’ in de opleiding (ord. 13-13). Wellicht komt iemand die in Apeldoorn of Heidelberg aan de studie is begonnen later tot het inzicht predikant in de Protestantse Kerk in Nederland te willen worden. Men dient dan zo spoedig mogelijk over te stappen naar een van de door de kerk erkende opleidingen. Daar wordt bekeken in hoeverre reeds behaalde studieresultaten gelding kunnen behouden. Het is de raad van toezicht TWO die daarover een besluit neemt (ord. 13-13-2), maar de raad laat deze taak verrichten door of vanwege het curatorium (G.R. opleiding predikanten, art. 7-6). Minimaal de laatste twee jaar van de studie dienen in de regel aan een door de kerk erkende opleiding te worden gevolgd. Tegelijk met het overstappen naar de opleiding van of vanwege de kerk moet men worden ingeschreven in het album van de kerk. Dan kan zo snel mogelijk met de procedure van het geschiktheidsonderzoek een aanvang worden gemaakt, zodat toch een verantwoorde beoordeling mogelijk is.

|299|

Deze regel geldt ook voor studenten aan de Vrije Universiteit. In ovb. 269 is echter vastgelegd dat wie daar reeds voor 1 oktober 2003 als student was ingeschreven, nog tot 1 juni 2010 op gelijke voet met de studenten van de door de kerk erkende opleidingen toegelaten kan worden tot het ambt van predikant. Zij behoeven dus niet over te stappen naar een door de kerk erkende opleiding. De bepaling dat ze ingeschreven zijn in het album van de kerk (in dit geval: in elk geval vanaf 1 september 2004, zie ovb. 269) en dat ze hun medewerking verlenen aan het onderzoek naar de geschiktheid voor het ambt van predikant, is wel op hen van toepassing. Als zij de opleiding aan de Vrije Universiteit voor 1 juni 2010 hebben voltooid en beschikken over de geschiktheidsverklaring, geeft de raad van toezicht two voor hen de verklaring af als bedoeld in ord. 13-18-2 sub b, die vereist is voor het colloquium (ovb. 278).

Dat de opleiding en vorming tot predikant tot 2010 kunnen plaatsvinden aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit is door ovb. 269 aan bepaalde voorwaarden gebonden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.5.2

13.5.2 Bij een andere kerk toegelaten tot het ambt

De tweede mogelijkheid gaat een stap verder. Heeft men elders een volledige theologische studie afgelegd, op grond waarvan men in een andere kerk reeds toegelaten is tot het ambt, dan is de regeling anders. Die regeling geldt ook als iemand in een andere kerk reeds actief in het ambt heeft gestaan als predikant of geestelijke. Bij ‘geestelijke’ zal te denken zijn aan bijvoorbeeld een priester in de Rooms-Katholieke of de Oud-Katholieke Kerk.

Het is de generale synode die een andere weg (dan de opleiding bij een instelling die door de kerk is erkend) kan openen, aldus art. XV-3. In ord. 13-14 en 15 wordt daaraan een nadere invulling gegeven. Het is de kleine synode die in deze gevallen de uiteindelijke beslissing neemt. Ze laat zich daarbij adviseren door de raad van toezicht two. Blijkens art. 7-6 van de generale regeling opleiding predikanten laat de raad van toezicht TWO deze taak verrichten door of vanwege een college van curatoren.

Dat moet allereerst de gevolgde opleiding beoordelen en bepalen of een bijzonder kerkelijk examen moet worden afgelegd bij een van de universiteiten of seminaria. Veelal zal in elk geval een examen in het kerkrecht en de geschiedenis van de protestantse tradities in Nederland nodig zijn, maar soms is een meer omvangrijke studie noodzakelijk. Zo kan een aanvullende stage met evaluatie aan de opleiding (Theologische Universiteit te Kampen) of op het Theologisch Seminarium Hydepark worden gevraagd. Soms zal de oplossing eerder liggen in het bijwonen van de drie seminarieweken, waar art. 10-1 sub a van de generale regeling opleiding predikanten over spreekt, en die met name van belang zijn met het oog op het onderzoek naar de geschiktheid. Denkbaar is uiteindelijk ook dat men alsnog een predikantsmasters of een gewone kerkelijke opleiding aan een erkende instelling dient te volgen.

|300|

Bovendien moet een onderzoek naar de geschiktheid worden ingesteld.

Als aan de voorwaarden van de raad van toezicht TWO is voldaan en de raad op beide punten — opleiding en geschiktheid — een positief advies geeft, kan de kleine synode ‘de weg naar het colloquium openen’ door een verklaring af te geven dat aan de vereisten voor de toegang tot het colloquium is voldaan (ord. 13-18-2 sub b). De aanduiding in ord. 13-14-1 ‘onder welke voorwaarden’ maakt het de kleine synode mogelijk af te wijken van het bepaalde in ord. 13-18-2 sub a, dat men twee jaar belijdend lid van de Protestantse Kerk in Nederland moet zijn om te kunnen worden toegelaten tot het colloquium.

 

Voor wie predikant wil worden in de Protestantse Kerk in Nederland is de studie aan een door de kerk erkende opleiding de hoofdregel. Ord. 13-13 vormt daarop een uitzondering: wie de studie gedeeltelijk heeft gevolgd bij een andere theologische wetenschappelijke opleiding in binnen- of buitenland, kan de weg naar het colloquium gaan als men ten minste de laatste twee jaar van de studie bij een opleiding vanwege de kerk heeft gevolgd.

Alleen bij hoge uitzondering — ‘in bijzondere omstandigheden en van geval tot geval,’ zegt ord. 13-15 — kan de kleine synode toch de weg naar het colloquium openen voor iemand die de volledige studie elders heeft gevolgd. De procedure met betrekking tot het beoordelen van de elders gevolgde opleiding en van de geschiktheid komt overeen met die van ord. 13-14. Ook nu kunnen er aanvullende voorwaarden worden gesteld en heeft de kleine synode de mogelijkheid af te wijken van de voorwaarde dat men twee jaar belijdend lid van de Protestantse Kerk in Nederland moet zijn.

In dit geval moet men echter de kleine synode er ook van kunnen overtuigen dat men in redelijkheid niet kon voldoen aan het vereiste dat een opleiding bij de kerk dient te worden gevolgd. Een voorbeeld: een kerkelijk werker in de Rooms-Katholieke Kerk staat niet in het ambt en kan zich dus niet beroepen op ord. 13-14 (zie boven). Toch heeft deze kerkelijk werker een volledige theologisch wetenschappelijke opleiding ontvangen en heeft de betrokkene het dienstwerk van een geestelijke verricht. Van zo iemand kan niet in redelijkheid worden gevraagd dat men ten minste twee jaar voor het voltooien van de studie was overgestapt naar een opleiding van de Protestantse Kerk in Nederland.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.5.3

13.5.3 Singuliere gaven

Ord. 13-16 behandelt tenslotte nog een laatste mogelijkheid om toegelaten te worden tot het colloquium, en wel die van de zogenaamde ‘singuliere gaven’. Met dit klassieke begrip uit vooral de gereformeerde traditie (de lutherse traditie hanteert het niet) wordt bedoeld dat iemand — dat wil zeggen een belijdend lid van de kerk — zo duidelijk de gaven van geest en hart heeft die nodig zijn voor het predikantsambt, dat ontheffing gegeven kan worden van het vereiste van een volledige

|301|

theologisch wetenschappelijke opleiding. Dat moet ‘op overtuigende wijze blijken’ en om dat vast te stellen wordt een onderzoek ingesteld door of vanwege de kleine synode. De uitdrukking ‘door of vanwege’ geeft aan dat de kleine synode dat onderzoek zelf zou kunnen doen, maar ze kan het ook opdragen aan een commissie die daarvoor wordt ingesteld en dat laatste is de gebruikelijke gang van zaken.

Welke gaven hier feitelijk bedoeld zijn, is moeilijk precies te zeggen. De kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland noemde naast de gaven ‘van vroomheid, van bescheidenheid, van wijsheid en van geestelijk onderscheidingsvermogen’ ook die van ‘kritisch en onderscheidend inzicht, invoelend vermogen, vindingrijkheid en oorspronkelijkheid, echtheid en betrokkenheid en het duidelijk en helder kunnen verwoorden’.1 In de Nederlandse Hervormde Kerk was het gebruikelijk te spreken van ‘uitzonderlijke gaven van kennis, inzicht en wijsheid die zo in het oog springen dat het tot schade van de kerk zou zijn als betrokkene niet in de gelegenheid gesteld zou worden predikant te worden’. Van beide opsommingen geldt dat ze niet bedoelden uitputtend te zijn.

Men kan zich niet beroepen op ord. 13-16 uitsluitend om het vereiste van een theologisch wetenschappelijke opleiding te ontgaan. Er moet werkelijk sprake zijn van bijzondere gaven en ook in dat geval kan de kerk nog voorwaarden stellen voor een nadere studie. De raad van toezicht TWO kan vaststellen dat een bijzonder kerkelijk examen nodig is. Wordt dit examen met goed gevolg afgelegd, dan ligt de weg naar het colloquium open en geeft de raad van toezicht TWO de benodigde verklaring af (ord. 13-18-2 sub b).

Zeker nu er tegenwoordig veel meer mogelijkheden zijn om ook op latere leeftijd — via deeltijdstudies en afstandonderwijs — de normale studie te volgen, is de kerk uiterst terughoudend met het openstellen van de weg van ord. 13-16.


[312] 1. Uitvoeringsbepaling 6.2, sub 2 bij de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.6

13.6 Roeping — het colloquium

De kerkorde zegt in art. XV-4: ‘Wie toelating tot het ambt van predikant verlangen dienen mee te werken aan onderzoek naar geschiktheid, bekwaamheid en roeping tot het ambt.’ Is vastgesteld dat iemand de (met name theologische) bekwaamheid en de geschiktheid heeft om predikant te worden, dan volgt nog een afsluitend onderzoek, het colloquium (Latijn voor ‘gesprek’). Daarmee wordt de roeping tot het ambt onderzocht. Nu is roeping moeilijk vast te stellen. Het gaat niet primair om bijzondere geestelijke ervaringen (al zijn die hier natuurlijk niet uit te sluiten). Vanouds wordt wel onderscheiden tussen de ‘inwendige’ en de ‘uitwendige’ roeping (vocatio interna en vocatio externa). De laatste komt tot uitdrukking in het gegeven dat een gemeente een beroep uitbrengt op een proponent of predikant. Men zou kunnen zeggen dat daarmee de roeping is aangetoond, maar zo eenvoudig ligt het niet. Bij deze ‘uitwendige roeping’ behoort een ‘inwendige roeping’, dat wil zeggen een weten dat een persoonlijke keuze gevraagd

|302|

wordt die in beginsel voor het leven bepalend is. Deze ‘inwendige roeping’ komt tot uitdrukking in het verlangen om Christus en zijn gemeente te dienen in het ambt van predikant.

Men kan het ook omkeren: een inwendige roeping is niet voldoende, zolang er geen uitwendige roeping bij komt. Misschien is het te veel gezegd om het ambt van predikant zonder meer een keuze voor het leven te noemen; de kerkorde houdt de mogelijkheid van een ontheffing uit het ambt op verzoek immers open (ord. 3-26-2). Maar men vraagt geen toelating tot het ambt onder voorbehoud. Al is roeping niet objectief vast te stellen — het eigen woord van de betrokkene mag daarbij zwaar wegen — iets anders is soms wel mogelijk: het colloquium zou duidelijk kunnen maken dat er op dit punt ‘bezwaren bestaan’ (art. XV-5).

Ord. 13-19-2 typeert het colloquium als naar zijn bedoeling een ‘gesprek over de roeping van betrokkene en het ambt van de predikant in het geheel van het leven en werken van de kerk’. In die zin vormt het colloquium de laatste stap op de weg naar het ambt: het wordt in deel VI van ordinantie 13 aangeduid als ‘de toelating tot het ambt van predikant’. Ord. 13-17 t/m 19 regelt een en ander.

Het houden van het colloquium is toevertrouwd aan ‘het generale college voor de toelating tot het ambt van predikant’, waarvan de leden — ongeveer de helft predikanten, de andere helft andere ambtsdragers — door de kleine synode worden benoemd. De algemene classicale vergaderingen en de evangelisch-lutherse synode kunnen aanbevelingen doen voor de benoeming. Ord. 13-17 regelt behalve de samenstelling de werkwijze. Het college vormt een aantal delegaties, die — in een zekere regionale spreiding, al staat dat er niet expliciet — de colloquia houden. In het geval dat de betrokkene een Waalse gemeente hoopt te gaan dienen, worden door de Commission Wallonne drie gedelegeerden uit eigen kring aangewezen; zij houden samen met twee leden van het college het colloquium. Het gaat hier niet alleen om het voortzetten van een bestaande traditie vanuit de vroegere Nederlandse Hervormde Kerk; het is goed denkbaar dat zich juist voor dergelijk colloquia — met een beroep op ord. 13-13 of 13-14 — kandidaten uit het buitenland, uit Franstalige gebieden, melden, mensen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.

 

Men moet het colloquium bij de secretaris van het college aanvragen, zegt ord. 13-18-1. In de regel zal het colloquium binnen drie maanden plaatsvinden (ord. 13-19-1). Het is daarom zaak een aanvraag tijdig in te dienen.

Bij de aanvraag dient een aantal documenten te worden overgelegd.
- Een verklaring over belijdenis en wandel, afgegeven door de eigen kerkenraad. Als men nog geen twee jaar lid is van de huidige gemeente, moet ook de verklaring van de kerkenraad van de andere gemeente(n) waartoe men de afgelopen twee jaar heeft behoord, worden overgelegd. De bepaling spreekt over ‘de gemeente(n) tot welke de betrokkene als belijdend lid de afgelopen twee jaar heeft behoord’. Om tot het colloquium te worden toegelaten, dient

|303|

men dus gedurende ten minste twee jaar belijdend lid van de Protestantse Kerk in Nederland te zijn.
- De bul van de gevolgde — door de kerk erkende — opleiding, samen met de ge-schiktheidsverklaring.
Voor deze documenten kan in de plaats komen een verklaring van de raad van toezicht TWO, die wordt afgegeven als iemand een andere weg tot het ambt van predikant heeft gevolgd (ord. 13-14 t/m 16, zie § 13.5.2 en 13.5.3) of als iemand voor 1 juni 2010 aan de Vrije Universiteit is afgestudeerd, zie ovb. 278.
De geldigheidsduur van deze documenten is niet onbeperkt. Als ze ouder zijn dan vier jaar kan het generale college voor de toelating tot het ambt ‘nadere eisen stellen’ (ord. 13-18-3) en bijvoorbeeld op een bepaald punt een aanvullende studie verlangen.
- Een preek over een zelf gekozen Schriftgedeelte, met een bijbehorende orde van de dienst.

Het colloquium zal zich in de meeste gevallen in eerste instantie concentreren rond de overgelegde preek en orde van dienst (ord. 13-19-2). Daaruit kan men immers een eerste indruk krijgen van de wijze waarop de betrokkene het ambt in de kerk zou willen uitoefenen. Het gaat om meer dan de vraag of iemand wellicht in een gemeente van een bepaald type zou kunnen functioneren: men bekleedt het ambt van predikant in het geheel van de kerk, en daarom is het belangrijk dat een predikant zich op een opbouwende wijze binnen het geheel kan bewegen. Dat laat overigens onverlet dat er een bepaalde ruimte moet zijn om aan het leven en werken in de kerk naar eigen overtuiging invulling en vorm te geven.

Leidt het gesprek tot een voor de betrokkene positief oordeel, dan wordt men ‘proponent’ en daarmee bevoegd om ‘te staan naar het ambt van predikant’. Deze klassieke uitdrukkingen zijn in de kerkorde (art. XV-5) en de ordinantie gelukkig bewaard gebleven. Voordat het testimonium (getuigschrift) wordt uitgereikt, wordt een belofte afgelegd en ondertekend. De vraag die men beantwoorden moet, is te vinden in ord. 13-19-4 en luidt:

‘Aanvaardt u de roeping tot de openbare prediking van het evangelie, de bediening van de sacramenten en de herderlijke zorg, en bent u bereid in al het ambtelijk werk te getuigen van het heil in Jezus Christus? Belooft u daarbij te blijven in de weg van het belijden van de kerk in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht? Belooft u zich te houden aan de regels, gesteld in de orde van de kerk?’

Wie dat wenst, kan in de belofte tot uitdrukking brengen dat men zich in het bijzonder verbonden weet met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde dan wel van de lutherse traditie. Overigens heeft dat — evenmin als de gevolgde opleiding — geen consequenties voor de beroepbaarheid: onafhankelijk van de plaats van de predikantsopleiding én van de afgelegde belofte kan elke proponent in elke

|304|

gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland beroepen worden.

Een proponent is gedurende vier jaar beroepbaar. Deze bevoegdheid kan (maar hoeft dus niet altijd) door de kleine synode telkens voor vier jaar worden verlengd. Gedurende deze periode heeft men tevens de bevoegdheid om in kerkdiensten voor te gaan, met inachtneming van ord. 5-5-2 (zie § 7.6).

Het is denkbaar dat een gesprek minder positief verloopt. Als de delegatie het resultaat niet bevredigend vindt, kan men vragen om een vervolggesprek, en dat wordt in elk geval toegestaan (ord. 13-19-7). Als de colloquiumdelegatie onoverkomelijke bezwaren blijft houden tegen de toelating, wordt dit schriftelijk en onder opgave van de redenen aan de betrokkene meegedeeld. Deze kan in beroep gaan, niet bij het generale college voor bezwaren en geschillen, maar alleen bij de kleine synode, die een ‘eindoordeel’ geeft. Anders gezegd: bevestigt de kleine synode het ongunstige oordeel, dan is de weg naar het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in Nederland definitief afgesloten, maar komt zij alsnog tot een gunstig oordeel, dan is ook dat het laatste woord (ord. 13-19-8).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.7

13.7 Voortgezette vorming van predikanten

De gemeente is geroepen blijvend een lerende gemeenschap te zijn (art. XI-1). Predikanten zijn geroepen blijvend studerende theologen te zijn (ord. 13-20-1). Kerkenraad en gemeenten dienen daarvoor de ruimte te geven. Maar de kerk als geheel neemt hier een eigen verantwoordelijkheid, al was het maar om predikanten, kerkenraden en gemeenten tegen zichzelf te beschermen.

Het begint al met een aantal studieweken op Hydepark, waaraan elke predikant in de eerste gemeente binnen vier jaar na de bevestiging dient deel te nemen (ord. 13-20-3). Zo kunnen de eerste ervaringen gezamenlijk worden geëvalueerd en theologisch vruchtbaar worden gemaakt. In de generale regeling opleiding predikanten wordt een en ander nader gekwantificeerd en ingekaderd (art. 11 -2 t/m 6). Wie aan deze verplichting niet voldoet en daarvan niet is vrijgesteld, kan niet beroepen worden naar een volgende gemeente (G.R. opleiding predikanten, art. 11-7).

De generale regeling zegt in art. 12-1 en 2 dat de predikanten deelnemen aan nascholingsactiviteiten die worden aangeboden door de vier genoemde instellingen. Hoe aan deze bepaling nadere invulling wordt gegeven, staat op dit moment nog niet vast. Duidelijk is echter dat het voor predikanten van belang is in dergelijke activiteiten te participeren. Behalve het Theologisch Seminarium Hydepark organiseren dus ook de Theologische Universiteit te Kampen, het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium nascholingsactiviteiten. Daarin wordt in vele gevallen uiteraard wel samengewerkt met de dienstenorganisatie, waartoe het Theologisch Seminarium Hydepark behoort.

Daarnaast krijgt elke predikant eenmaal in de vijfjaar drie maanden studieverlof (ord. 13-20-4, zie G.R. predikantstraktementen, art. 19). Het breed moderamen

|305|

van de classicale vergadering dient vooraf ingelicht te worden over de wijze waarop dit studieverlof wordt ingevuld. Er wordt echter niet gesproken van een goedkeuring van het studieplan door kerkenraad of breed moderamen van de classicale vergadering. De mededeling moet genoeg zijn om ervoor te zorgen dat het studieverlof serieus wordt genomen.

Er is niets op tegen als een predikant het studieverlof gebruikt om zich bij te scholen op een ander gebied van de theologische wetenschap. Iemand zou zich bijvoorbeeld kunnen verdiepen in bijzondere vormen van pastoraat op scholen of in ziekenhuizen. Of iemand zou een aanzet voor een promotiestudie kunnen geven. Aan het studieverlof kan niet de voorwaarde worden gesteld dat het direct op de praktijk van het predikantschap in de gemeente gericht zou moeten zijn.

Na afloop van het studieverlof dient aan de kerkenraad schriftelijk verslag van het verloop van de studie te worden gedaan (G.R. opleiding predikanten, art. 12-4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.8

13.8 Het mentoraat

Het mentoraat betreft de werkbegeleiding van de beginnende predikant in zijn nieuwe werksituatie. De kleine synode zorgt, via een daartoe ingestelde commissie (al zou het kerkordelijk zonder kunnen, er staat immers ‘door of vanwege’), voor de aanwijzing van een mentor voor een beginnende predikant. Deze laatste heeft inspraak bij de keuze van de mentor. Veelal zal deze mentor zelf predikant zijn — ord. 13-21-1 zegt ‘bij voorkeur’ — maar ook een andere ambtsdrager kan worden aangewezen. De duur van deze werkbegeleiding is bepaald op anderhalf jaar (G.R. opleiding predikanten, art. 11-1).

Ook in een later stadium kan een predikant overigens werkbegeleiding krijgen. Dat gebeurt in principe op eigen verzoek, maar de ordinantietekst sluit niet uit dat het initiatief komt van bijvoorbeeld de kerkenraad, de visitatoren of van een predikant voor de werkbegeleiding. In dat geval is echter instemming van de predikant zelf vereist. Werkbegeleiding kan dus niet verplicht gesteld worden.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.9

13.9 De bestuurlijke aspecten van de predikantsopleiding op hoofdlijnen

De zorg voor de opleiding en vorming van predikanten berust bij de generale synode, zegt art. XV-1 van de kerkorde. Maar de synode regelt uiteraard niet alles zelf. Dan zou zij de eigen rol van de theologische instellingen en hun daarmee verbonden eigen competentie niet voluit erkennen. Opleiden is een vak. In de kerkorde is een aantal taken en bevoegdheden neergelegd bij achtereenvolgens de raad van toezicht TWO, de colleges van curatoren van de verschillende instellingen en tenslotte bij de rectoria, die belast zijn met het dagelijks bestuur van de instellingen.

|306|

Een tweetal eigen verantwoordelijkheden van de generale synode is hier van bijzonder belang.
1. De generale synode — dan wel de kleine synode — benoemt zowel de bestuurders als de hoogleraren en docenten.
2. De synode bepaalt — zij het in grote lijnen — de inhoud van de opleiding, en wel in die zin dat zij de vereisten en eindtermen vaststelt. Daarbij houdt de ordinantie het bij een opsomming in betrekkelijk algemene termen (ord. 13-1-2 t/m 4), waarin overigens wel een aantal fundamentele beslissingen wordt genomen. Daarbij valt in de eerste plaats op het belang dat de kerkorde toekent aan de kennis van de grondtalen van de Heilige Schrift en van het Latijn. Daarnaast noemt zij een aantal terreinen die op een wetenschappelijke wijze in de opleiding bestudeerd moet worden. Genoemd worden de exegese van de bijbel en de bijbelse theologie; de kerkgeschiedenis; de leer en het belijden van de kerk; ethiek; de verhouding tot andere kerken, godsdiensten en wereldbeschouwingen; de theorie en praktijk van ambt en gemeente en het kerkrecht. Daaraan wordt nog toegevoegd dat tot de opleiding in elk geval behoort een stage in een gemeente.
Bij de duplex-ordo-opleidingen (Theologisch Wetenschappelijk Instituut en Evangelisch-Luthers Seminarium) stelt de generale synode bovendien de vakken voor het kerkelijk examen vast (ord. 13-8-4 en 13-9-4).

Voor het overige creëert de synode waar dat in haar vermogen ligt de optimale randvoorwaarden.

Nadere regelingen inzake de bestuurlijke structuur zijn te vinden in ord. 13-4 t/m 10 en in de G.R. opleiding predikanten, art. 1 t/m 8.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.10

13.10 De raad van toezicht TWO

De schakel tussen kerk en instellingen wordt primair gevormd door de raad van toezicht TWO. Deze heeft ten opzichte van de synode een verantwoordings- en inlichtingenplicht (G.R. opleiding predikanten, art. 8). Reeds in ord. 4-28-1 wordt de raad van toezicht TWO genoemd, als een van de organen van bijstand van de generale synode. In ord. 4-28-2 is het een en ander geregeld inzake de relatie tussen synode en de organen van bijstand. Ord. 13-3 werkt dat verder uit en gaat met name in op de taak en de samenstelling van de raad van toezicht two. Meer details vindt men in de generale regeling opleiding predikanten, art. 6 t/m 8. In dit hoofdstuk komen alleen de hoofdlijnen aan de orde.

 

De raad van toezicht TWO heeft volgens ord. 13-3-1 tot taak ‘de belangen te verzorgen van de opleiding en vorming van de predikanten’ en wel met name door ‘de coördinatie van de arbeid die op dit terrein vanwege de kerk wordt verricht en het toezicht op het bestuur van de door de kerk gestichte instellingen voor theologisch wetenschappelijk onderwijs’. Sleutelwoorden in ord. 13-3-2 zijn

|307|

vervolgens: doen besturen, houden van toezicht, doen van voorstellen, verlenen van goedkeuring — ten aanzien van samenwerking van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut met de betrokken theologische faculteiten, en ten aanzien van overeenkomsten met de rijksoverheid inzake financiering —, en het doen bijhouden van het album van de kerk. Art. 7 van de generale regeling werkt bepaalde onderdelen verder uit.

Het toezicht betreft het voldoen aan wettelijke en kerkordelijke regelingen, de goedkeuring van reglementen, instellingsplannen, begrotingen en jaarrekeningen, samenwerkingsovereenkomsten en dergelijke. Betreft een en ander het Evangelisch-Luthers Seminarium, dan is bij bepaalde procedures voorzien in een eigen rol voor de evangelisch-lutherse synode.

In veel gevallen neemt de raad van toezicht TWO geen besluiten dan na betrokken colleges van curatoren gehoord te hebben. Omgekeerd kan de raad van toezicht TWO deze colleges ongevraagd advies geven.

Wat tenslotte de samenstelling van de raad van toezicht TWO betreft: het gaat om vijf belijdende leden van de kerk, die door de generale synode of vanwege haar — dat wil zeggen door de kleine synode — worden benoemd, maar zo nodig ook worden geschorst of ontslagen, desnoods tussentijds (ord. 13-3-4). In de generale regeling opleiding predikanten (art. 6) wordt duidelijk dat de synode hier niet over één nacht ijs kan gaan: een aantal min of meer betrokken instanties krijgt in deze procedures een eigen inbreng, via kandidaatstelling of door althans gehoord te worden. Daar wordt duidelijk gemaakt dat de leden van de raad van toezicht TWO onafhankelijk dienen te zijn. Dubbelfuncties met het lidmaatschap van enig in de procedure betrokken orgaan, of bijvoorbeeld met het docentschap aan enige theologische onderwijsinstelling, zijn daarom niet toegestaan. De enige uitzondering is te vinden bij het eerste gedachtestreepje in art. 6-3 van de generale regeling opleiding predikanten en die uitzondering is met de nodige waarborgen omgeven. Wel kunnen voorzitters van colleges van curatoren van de predikantsopleidingen van de kerk de vergaderingen van de raad van toezicht TWO met adviserende stem bijwonen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.11

13.11 De colleges van curatoren

Voordat voor elk van de erkende instellingen voor theologisch wetenschappelijk onderwijs afzonderlijk het een en ander wordt geregeld, worden in ord. 13-4 t/m 6 enkele voor de drie instellingen gezamenlijk geldende regelingen gegeven betreffende de bestuursstructuur en de benoeming van de wetenschappelijke staf. Elke instelling heeft als bestuur een college van curatoren, waarvan de leden uit de belijdende leden van de kerk worden benoemd — en zo nodig ook weer worden geschorst of ontslagen — door de kleine synode. De zittingstermijn is, zoals bij de organen van bijstand, vier jaar, met eenmaal de mogelijkheid van herbenoeming. De raad van toezicht two doet daartoe een aanbeveling, bij het

|308|

Evangelisch-Luthers Seminarium niet zonder instemming van de evangelisch-lutherse synode. Het college van curatoren benoemt vervolgens voor de dagelijkse leiding (de leden van) het rectorium van de betrokken instelling.

In de generale regeling opleiding predikanten vindt men nadere bepalingen inzake de samenstelling en taken en bevoegdheden van de colleges van curatoren (art. 2 t/m 5). Daarin wordt bijvoorbeeld bepaald dat men niet tegelijk lid kan zijn van het college van curatoren van een instelling en docent aan zo’n instelling, ook niet als het gaat om twee verschillende instellingen (art. 2-3). Ook over bijvoorbeeld vermogensrechtelijke aangelegenheden (zoals begroting en jaarrekening) en zaken als een medezeggenschapsstelsel wordt daar het een en ander geregeld.

Veel aandacht besteedt de ordinantie aan de procedure voor de benoeming — door de generale synode, op voordracht van de raad van toezicht TWO — van hoogleraren en docenten. Bij voorkeur wordt een dubbele voordracht gedaan, waaruit de generale synode kiest. Minstens vier jaar ervaring als predikant in de Protestantse Kerk in Nederland is voorwaarde voor een benoeming (al is ontheffing daarvan mogelijk). Door de generale synode benoemde hoogleraren en docenten worden — tenminste als ze beroepbaar zijn — beroepen tot predikant met een bijzondere opdracht (ord. 13-6-6, vgl. ord. 3-23); ook als er van een deeltijdbenoeming sprake is. Voordat de benoemde daadwerkelijk aan het werk kan gaan, wordt ten overstaan van het moderamen van de generale synode de belofte afgelegd

‘dat betrokkene bij de arbeid aan de opleiding en vorming van de predikanten zich naar art. I van de kerkorde zal bewegen in de weg van het belijden van de kerk, het opzicht van de kerk aanvaardt, zich zal onderwerpen aan de regelen van de orde van de kerk en zal medewerken aan de opbouw van de kerk als gestalte van de ene heilige, apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk’ (ord. 13-6-3). 

Eerder kwam reeds aan de orde de bepaling dat aan de hoogleraren en docenten is toevertrouwd de geestelijke zorg aan hen die verlangen toegelaten te worden tot het ambt van predikant (ord. 13-6-4). Blijkens ord. 13-6-5 kunnen zij evenmin zonder goede reden weigeren in te gaan op uitnodigingen van de meerdere vergaderingen van de kerk om een bijdrage te leveren aan de theologische arbeid van de kerk. De dienstenorganisatie heeft op dit gebied immers een eigen taak (zie ord. 4-28-5), waarvoor zij een beroep moet kunnen doen op de docenten van de theologische opleidingen.

Na deze meer algemene bepalingen wordt in ord. 13-7 t/m 9 achtereenvolgens aandacht besteed aan wat specifiek geldt voor het bestuur van de Theologische Universiteit te Kampen, het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium. Voor een deel zijn de bepalingen in deze artikelen nagenoeg gelijkluidend. Eerder werd al gewezen op de grote nadruk op de onderzoekstaak die elk van de instituten heeft (vgl. ord. 13-2-5, 13-7-1, 13-8-1 en 13-9-1).

|309|

Ord. 13-7, 8 en 9 sluiten elk af met de bepaling dat inrichting en werkwijze van de instelling worden geregeld in een bestuurs- en beheerreglement, dat wordt vastgesteld door het betrokken college van curatoren. Daarbij geeft uiteraard het in deze ordinantie bepaalde en datgene wat in de generale regeling voor de opleiding en vorming van predikanten is geregeld, de kaders aan. Toch zijn er op enkele andere punten ook verschillen die een korte afzonderlijke bespreking rechtvaardigen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.12

13.12 De Theologische Universiteit te Kampen

Van de Theologische Universiteit te Kampen wordt expliciet gezegd dat zij — als zelfstandig onderdeel van de kerk (naar art. 2:2 BW) — rechtspersoonlijkheid heeft. Daarmee is zowel de nauwe verbondenheid met de kerk gegeven als ook de mogelijkheid om zelfstandig deel te nemen aan het rechtsverkeer, en dus bijvoorbeeld zelf personeel in dienst te nemen.

Een belangrijk aspect is uiteraard de voorbereiding van de benoeming van het wetenschappelijk personeel, zoals die uiteindelijk, op voordracht van de raad van toezicht TWO, plaatsvindt door de generale synode (ord. 13-6-1, zie § 13.9 en 13.11). De raad van toezicht TWO hoort tevoren het college van curatoren, en dat wint voordat het advies uitbrengt het oordeel van het college van hoogleraren en het rectorium in (ord. 13-7-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.13

13.13 Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut

De duplex-ordo-structuur brengt met zich mee dat het Theologisch Wetenschappelijk Instituut te maken heeft met andere partijen in het beleid betreffende de benoemingen en de inhoud van de studie. De kerkelijk hoogleraren en docenten van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut als geheel vormen samen het college van kerkelijk hoogleraren en docenten (ord. 13-8-3). Daarnaast zijn er natuurlijk de theologische faculteiten van de twee aangewezen instellingen — de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht — waarmee het Theologisch Wetenschappelijk Instituut samenwerkt. Hoogleraren en docenten zijn wat hun rechtspositie betreft in dienst van de kerk en vallen onder de bepalingen van de generale regeling rechtspositie medewerkers (zie § 5.11).

Bij de voorbereiding van voordrachten aan de generale synode met het oog op de benoeming van de nieuwe kerkelijk hoogleraren en docenten hoort de raad van toezicht two het college van curatoren, dat op zijn beurt, alvorens advies uit te brengen, eerst het oordeel vraagt van het college van kerkelijk hoogleraren en docenten en van de betreffende theologische faculteit, dus die van Utrecht of Leiden.

De generale synode zelf bepaalt — uiteraard niet zonder voorstel of minstens advies van de raad van toezicht TWO — welke vakken deel uitmaken van het kerkelijk

|310|

examen (ord. 13-8-4). De concretisering in het vaststellen van de voorwaarden voor het kerkelijk examen behoort tot de verantwoordelijkheid van de raad van toezicht two; dat hoort daarvoor het college van kerkelijk hoogleraren en docenten. Tot de voorwaarden voor de toelating tot het kerkelijk examen die in de ordinantie zijn vastgelegd, behoort in elk geval, naast de inschrijving in het album van de kerk, dat men lid is van de Protestantse Kerk in Nederland en dat men een universitair examen aan de theologische faculteit van Leiden of Utrecht heeft afgelegd dat voldoet aan de criteria die de raad van toezicht TWO stelt (ord. 13-8-6).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.14

13.14 Het Evangelisch-Luthers Seminarium

Bij de omschrijving van de taak van het Evangelisch-Luthers Seminarium in ord. 13-9-1 wordt de volgende formulering gebruikt: het ‘draagt bij aan het bewaren en dienstbaar maken aan de gehele kerk van de lutherse traditie’. Dit doet kerkordelijk direct denken aan de belangrijkste opdracht van de evangelisch-lutherse synode (zie art. VI-4). Het spreekt dan ook vanzelf dat deze synode een bijzondere betrokkenheid heeft op het Evangelisch-Luthers Seminarium. Dat komt vooral tot uitdrukking in het benoemingsbeleid van de kerkelijk hoogleraren en docenten: de raad van toezicht two kan slechts een voordracht aan de generale synode doen wanneer hij daarover tevoren overeenstemming heeft bereikt met de evangelisch-lutherse synode. Datzelfde geldt bij een eventueel ontslag van een hoogleraar of docent.

Naast de kerkelijke verplichting om een bijdrage te leveren aan de theologische arbeid van de kerk, die in ord. 13-6-5 reeds is vastgelegd voor alle hoogleraren en docenten van de door de kerk gestichte instellingen, heeft het Evangelisch-Luthers Seminarium een eigen verantwoordelijkheid inzake de vorming en toerusting van gemeenteleden. Men kan daarbij primair denken aan de lutherse gemeenten, maar het Evangelisch-Luthers Seminarium heeft een bijzondere plaats in de gehele kerk en de opdracht is dan ook bewust breder gesteld. Als de gemeenten willen ‘groeien in het gemeenschappelijk belijden’ (ord. 1-1-3), dan is het van belang dat ook die gemeenten en gemeenteleden die vanuit hun geschiedenis weinig voeling hebben met de lutherse traditie, mogelijkheden krijgen aangereikt om daarmee beter kennis te maken. De bibliotheek van het Evangelisch-Luthers Seminarium (ord. 13-9-1) is daarbij uiteraard van bijzondere betekenis.

De organisatie van het kerkelijk examen loopt goeddeels parallel met de wijze waarop dat bij het Theologisch Wetenschappelijk Instituut is opgezet (zie § 13.13), zij het dat ook bij de vaststelling van het vakkenpakket door de generale synode de evangelisch-lutherse synode een adviserende stem heeft.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.15

|311|

13.15 Het Theologisch Seminarium Hydepark

Het Theologisch Seminarium Hydepark valt direct onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van de dienstenorganisatie, dat voor bestuur en beheer van het theologisch seminarium echter een speciale commissie kan instellen. In zoverre maakt het Theologisch Seminarium Hydepark deel uit van de dienstenorganisatie; het heeft te maken met de beleidsmatige en financiële randvoorwaarden die daarvoor gelden. Bij de vaststelling van het instellingsplan en het curriculum (opzet qua vakkenpakket) door de raad van toezicht TWO (ord. 13-10-8) wordt daarmee rekening gehouden.

Het Theologisch Seminarium Hydepark heeft geen (meerhoofdig) rectorium, maar een rector, benoemd door de generale synode en functionerend onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de dienstenorganisatie. Bij de benoeming is het echter niet het bestuur dat een voordracht aan de synode voorlegt, maar de raad van toezicht two, die daarvoor zowel het bestuur als de colleges van curatoren van de drie opleidingsinstellingen hoort. Op grond van de nauwe betrokkenheid van de rector bij de vorming van predikanten, legt deze een zelfde belofte af als de hoogleraren en docenten (ord. 13-10-4, vgl. ord. 13-6-3). Dat geldt echter niet voor de overige docenten van het Theologisch Seminarium Hydepark; zij worden niet benoemd door de generale synode, maar door de kleine synode. Wie zo direct bij de voorbereiding op het predikantschap betrokken is, moet — behoudens uitzonderingen — natuurlijk zelf ervaring als predikant hebben (ord. 13-10-6). Men wordt bij de benoeming tevens beroepen tot predikant met een bijzondere opdracht (ord. 13-10-7, zie ord. 3-23).

Meer specifieke zaken betreffende de bestuurlijke aspecten worden geregeld in de generale regeling voor de opleiding en vorming van predikanten (art. 9). In dit artikel worden ook de belangrijkste taken van het theologisch seminarium genoemd.

- Het seminarium verzorgt als onderdeel van de predikantsopleiding de verplichte seminarieweken. Het doel daarvan is tweeledig. Allereerst het tot stand van brengen van ontmoetingen tussen de aanstaande predikanten van de kerk, zodat zij leren hun plaats in de breedte van de kerk in te nemen. Daarnaast het slaan van een brug tussen de theorie van de opleiding en de praktijk van het predikantswerk (G.R. opleiding predikanten, art. 9-2 sub a).
- Het theologisch seminarium heeft een taak bij het onderzoek naar de geschiktheid voor het ambt. Van de rector van het seminarium wordt ten aanzien van elke student een advies gevraagd (G.R. opleiding predikanten, art. 9-2 sub b).
- Voor het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium verzorgt het theologisch seminarium onderdelen van de kerkelijke opleiding (G.R. opleiding predikanten, art. 9-2 sub c).
- Elke student moet in het kader van de opleiding een gemeentestage volgen.

|312|

De studenten van de Theologische Universiteit te Kampen worden daarbij begeleid onder supervisie van deze instelling zelf, de stage van de studenten van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium wordt georganiseerd, verzorgd en begeleid door het theologisch seminarium (G.R. opleiding predikanten, art. 10-1 sub b).

Daarnaast heeft het Theologisch Seminarium Hydepark een aantal taken in het kader van de nascholing van de predikanten.
- De beginnende predikanten komen in de eerste jaren van hun ambtsuitoefening een aantal weken terug naar het seminarium. In aansluiting op de werkbegeleiding door de mentor ontvangen ze in deze zogenaamde terugkombijeenkomsten ondersteuning in de uitoefening van hun ambt (G.R. opleiding predikanten, art. 9-3 sub a).
- Verder zijn er de studieconferenties ten behoeve van de voortgezette theologische studie en de toerusting. Dit alles staat in het kader van de permanente educatie van de predikanten (G.R. opleiding predikanten, art. 9-3 sub b).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 13.16

13.16 Opleiding en vorming voor de missionaire arbeid

Ordinantie 13 spreekt als zodanig niet over de opleiding en vorming van degenen die in de missionaire arbeid werkzaam willen zijn. Men kan behalve aan missionair predikanten ook (en misschien wel primair) denken aan docenten, deskundigen op medisch of agrarisch gebied en dergelijke, die in een ambt of dienst werkzaam zijn. In ord. 14-7-6 wordt deze opleiding wel vermeld en de verdere uitwerking is te vinden in de generale regeling opleiding predikanten (art. 13 t/m 17).

Daarvoor is een apart instituut ingesteld, het Hendrik Kraemer Instituut, dat bestuurlijk een geheel vormt met het Theologisch Seminarium Hydepark, maar een eigen rector heeft. Een speciale adviesraad zorgt voor een adequate begeleiding. Historisch ligt de rol van het Hendrik Kraemer Instituut vooral in opleiding en vorming voor de zending. Daarvoor kent men een eigen geschiktheidsonderzoek. Zendingspredikanten zijn predikanten met een bijzondere opdracht (zie ord. 3-23). Zij hebben echter een eigen rechtspositieregeling die is vastgelegd in ‘de uitzendvoorwaardenregeling voor medewerkers van de Protestantse Kerk in Nederland’ (G.R. rechtspositie medewerkers, art. 31). Het Hendrik Kraemer Instituut leidt overigens niet alleen op voor de zendingsdienst, maar ook voor binnenlands missionair en diaconaal werk. Bovendien speelt het een rol in de opleiding en vorming van hen die leidinggeven in migrantenkerken in Nederland.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H14

313-321

|313|

14 De kerk in oecumenisch perspectief

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.1

14.1 Algemeen

Het laatste artikel van de kerkorde binnen het hoofdstuk over het leven van gemeente en kerk buigt weer terug naar het begin van de kerkorde. Het accent ligt daarbij op de roeping van de kerk als geheel. Woorden uit art. I-1 van de kerkorde komen terug in art. XVI: met het feit dat de Protestantse Kerk in Nederland zichzelf ziet als ‘gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk’ is haar oecumenische roeping gegeven. In art. XVI-1 wordt dat verder uitgewerkt, waarna in de volgende leden achtereenvolgens de missionaire en de diaconale verantwoordelijkheid van de kerk als geheel — hier dus feitelijk, en niet ten onrechte, geïnterpreteerd als aspecten van haar oecumenische roeping! — wordt uitgewerkt. In lid 4 wordt gesteld dat bij de uitvoering van die opdracht de respectvolle omgang met andere godsdiensten noodzakelijk is. Al met al vindt men hier sterke parallellen met art. X en met ord. 8, waar de missionaire, diaconale en pastorale roeping van de gemeente centraal staat. Daar wordt echter het oecumenische aspect pas in beeld gebracht bij de concrete invulling; hier wordt daarvan uitgegaan. Opvallend is dat de structuur van de kerkorde in de bijbehorende ordinantie op één punt niet consequent wordt gevolgd. Men zou, parallel aan art. X en ord. 8, in art. XVI aandacht verwachten voor de bovenplaatselijke verantwoordelijkheid op pastoraal terrein. In ord. 14-10 wordt daarover inderdaad gesproken, maar in de kerkorde zelf niet. In eerste instantie had men hierin ook in ord. 14 niet voorzien, om aan de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenten geen afbreuk te doen. Omdat daarnaast de kerk als geheel op de hier genoemde terreinen echter een onmiskenbare eigen taak heeft, werd ord. 14-10 uiteindelijk wel opgenomen, zonder doorwerking in een aanpassing van art. XVI.

In ord. 14 neemt de oecumenische roeping een grote plaats in, in een concretisering van art. XVI-1, al geeft ord. 14-1 wel kort aan dat eenheid, getuigenis en dienst ook hier met elkaar samenhangen. De structuur van art. XVI-1 is daarbij opmerkelijk. De kerkorde introduceert hier de trits eenheid — gemeenschap — samenwerking (die terugkomt in ord. 14-2-1). In de daaropvolgende zinnen worden die in omgekeerde volgorde uitgewerkt:
- samenwerking betreft ‘de oecumenische arbeid’ in brede zin, uitgewerkt in ord. 14-3;
- gemeenschap komt tot uitdrukking in ‘nauwere betrekkingen’, geconcretiseerd in ord. 14-4 en 5; en
- de eenheid kan vorm krijgen in vereniging met andere kerken, nader geregeld in ord. 14-6.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.2

|314|

14.2 Oecumene — algemeen

De verantwoordelijkheid van de synode op dit terrein wordt gespecificeerd in ord. 14-2-2: in de laatste drie onderdelen daarvan herkent men opnieuw de zojuist genoemde trits, die in de artikelen 3 t/m 6 wordt uitgewerkt. Daarin treedt de kerk oecumenisch naar buiten. Daaraan gaat in ord. 14-2-2 vooraf een viertal andere taken van de generale synode. Allereerst roept de synode de gemeenten op tot het belijden in woord en daad van de eenheid der Kerk in Christus; zij is immers geroepen geestelijk leiding te geven aan de kerk. Voorts geeft zij voorlichting over de wijze waarop in de verschillende geledingen van de kerk vormgegeven kan worden aan het verband met andere kerken. Dan maakt de synode de inzichten die in de oecumenische contacten worden opgedaan, vruchtbaar voor het leven en werken van de gemeenten; oecumene is ook een voortdurend leerproces, voor kerk en gemeenten. Tenslotte staat de synode de gemeenten bij in het zoeken en onderhouden van oecumenische samenwerking met gemeenten in andere landen; hier valt vooral te denken aan de gemeentecontacten die zich met name — maar niet alleen — met gemeenten in Midden- en Oost-Europa hebben ontwikkeld. Bij dat alles wordt de synode ondersteund door de daartoe aangewezen organen van de kerk, waaronder vooral de dienstenorganisatie.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.3

14.3 Oecumenische samenwerking

Waar dat maar mogelijk is, geeft de kerk aan de oecumenische samenwerking vorm en inhoud door middel van het lidmaatschap van oecumenische organisaties.1 Hier, in wat wel heet de multilaterale oecumene, komt het brede spectrum van de oecumene in beeld, want in bepaalde organisaties wordt samengewerkt met kerken die qua belijden soms ver van de Protestantse Kerk in Nederland af staan.

De kerkorde noemt enkele organisaties bij name. Daarvan zegt ord. 14-3-2 dat de kerk er ‘in elk geval’ deel van uitmaakt. Anders gezegd: alleen via de procedure van een ordinantiewijziging zou de kerk zich uit deze organisaties terug kunnen trekken! De synode kan wel besluiten in andere organisaties mee te werken, zonder dat daarvoor een ordinantiewijziging noodzakelijk zou zijn (ord. 14-3-3). Twee er van behoren tot wat wel genoemd wordt de ‘overkoepelende’ oecumenische organisaties, dat wil zeggen organisaties waarin allerlei typen kerken elkaar ontmoeten. In de hier genoemde Raad van Kerken in Nederland treft men zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de Quakers, en in de Wereldraad van Kerken zowel vele Oosters-Orthodoxe kerken als bijvoorbeeld enkele Pinksterkerken. Overigens is de Protestantse Kerk in Nederland ook lid van een overkoepelende organisatie op Europees niveau, de Conferentie van Europese Kerken (CEC).

De ordinantie noemt hier voorts twee confessionele organisaties, de Wereldbond


[321] 1. Meer informatie over deze organisaties is o.a. te vinden via de website van de Wereldraad van Kerken en de daar gegeven ‘links’: www. wcc-coe. org.

|315|

van Gereformeerde Kerken (World Alliance of Reformed Churches, WARC) en de Lutherse Wereld Federatie (LWF). De namen spreken voor zich: alleen kerken die — geheel of ten dele — teruggaan op deze confessionele tradities maken er deel van uit. Heel bijzonder is het feit dat de Protestantse Kerk in Nederland als geheel deel uitmaakt van de LWF, hoewel maar ongeveer één procent van de leden van de kerk tot de lutherse traditie behoort. Voor lutherse kerken wereldwijd is de participatie in de LWF in hoge mate identiteitsbepalend (vgl. ord. 14-4-2). In ord. 14-3-5 is vastgelegd dat de evangelisch-lutherse synode een sleutelrol speelt in de vormgeving van het lidmaatschap.

Niet in de ordinantie genoemd is de deelname van de Protestantse Kerk in Nederland in de Gereformeerde Oecumenische Raad, een wat kleinere internationale organisatie die mede werd opgericht door de Gereformeerde Kerken in Nederland en die intussen steeds nauwer samenwerkt met de WARC. Tenslotte noemt ord. 14-3-2 de Kerkengemeenschap van Leuenberg, waarin meer dan honderd kerken die de Konkordie van Leuenberg hebben ondertekend samenkomen. Het spreekt in het licht van art. I-5 van de kerkorde vanzelf dat de Protestantse Kerk in Nederland hiervan deel uitmaakt.

Hoe de deelname vorm krijgt, daarover beslist de synode. Daarbij is te denken aan de afvaardiging naar de Assemblees, uiteraard aan een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage, maar ook aan participatie in het bestuur van een organisatie of aan andere contacten om te trachten het beleid van zo'n organisatie te beïnvloeden. In veel gevallen heeft de betrokken organisatie daar zelf uiteraard ook het nodige bij in te brengen. Verder krijgt de deelname onder meer gestalte in het leveren van een inbreng in conferenties op allerlei terreinen waarop deze organisaties actief zijn. Tenslotte mag niet onvermeld blijven de grote rol die zulke organisaties — dat geldt in het bijzonder de Wereldraad van Kerken — spelen in het instandhouden van een netwerk waardoor bijvoorbeeld veel werelddiaconale gelden snel en efficiënt op hun bestemming kunnen komen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.4

14.4 Gemeenschap, via nauwere betrekkingen

Naast de multilaterale oecumene is er plaats voor bilaterale relaties, betrekkingen van kerk tot kerk. Daarover gaat ord. 14-4. In zulke betrekkingen kan nog beter tot uitdrukking komen dat kerken met elkaar in een soms lange geschiedenis nauwe banden hebben opgebouwd, waarbij de gemeenschap in het belijden, hetzij gereformeerd/hervormd, hetzij luthers, een fundament vormde. Te denken valt aan de kerken die uit het zendingswerk vanuit Nederland zijn ontstaan, of aan emigrantenkerken. Maar ook oude banden binnen Europa, bijvoorbeeld met Hongarije of Schotland, spelen hier een rol. Elk van de kerken die de Protestantse Kerk in Nederland zijn gaan vormen, had op dit gebied een eigen relatiepatroon, met typische zwaartepunten; het is in beginsel allemaal ‘meegenomen’ de Protestantse Kerk in Nederland in. In ovb. 47 wordt dit met zoveel woorden gezegd.

|316|

Soms al heel oude afspraken met (synodes van) andere kerken worden daarmee zo veel mogelijk gehonoreerd.

Het spreekt vanzelf dat ook hier de lutherse synode een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de contacten in de lutherse wereld.

In het algemeen zal de relatie met zulke kerken ook wel via oecumenische organisaties worden onderhouden, maar daarnaast is in dit geval sprake van besluiten die op grond van direct overleg tussen de betrokken synoden worden genomen. Daarmee wordt de bestaande gemeenschap concreet gemaakt in afspraken die betrekkingen tussen leden van de beide kerken over en weer vereenvoudigen. Betreft het kerken in Nederland, dan kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een regeling voor het verlenen van het gastlidmaatschap of voor het wederzijds aanvaarden van attestaties. Dat laatste speelt ook in relaties met kerken in het buitenland soms een rol; vandaar dat in ord. 2-5-4 met zoveel woorden naar ord. 14-4-3 wordt verwezen. Verder noemt dit artikel het wederzijds verlenen van de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten aan predikanten. Dat kan blijkens lid 4 resulteren in een bredere aanvaarding van predikanten van de partnerkerk in de Protestantse Kerk in Nederland, tot en met beroepbaarheid; daarvoor is echter — bij nieuwe contacten — wel eerst een consideratieronde nodig.

Ovb. 291 is aan ord. 14-4-3 gerelateerd en betreft bestaande afspraken van de Nederlandse Hervormde Kerk met kerken in het buitenland inzake de pastorale zorg voor hervormden die tijdelijk in het buitenland verblijven, dan wel de regeling van hun overgang naar die kerken. Wat is afgesproken, behoudt zijn geldigheid. Op vergelijkbare wijze is in ovb. 292 — in aanvulling op het in ord. 14-4-4 bepaalde — het recht gehandhaafd van vroegere predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland die inmiddels de Verenigde Protestantse Kerk in België zijn gaan dienen: zij zijn zonder meer beroepbaar in de Protestantse Kerk in Nederland.

Verder wordt nog genoemd: het zenden van afgevaardigden naar eikaars synoden en ‘andere overeenkomstige middelen’. Met dat laatste is veel overgelaten aan de concrete invulling van een overeenkomst en aan de inventiviteit van synodemoderamen en dienstenorganisatie.

Dit alles staat minder ver van de gemeente dan men wellicht zou denken. Immers, zulke bijzondere betrekkingen bestaan ook met kerken in Nederland, en ord. 14-4-5 wijst op de mogelijkheid de gemeenschap plaatselijk te realiseren in een vorm van nauwe samenwerking. Daarvoor dient dan wel een heldere overeenkomst te worden gesloten, en dat kan niet zonder dat de kerkenraad de gemeente erin kent en erover hoort. Ook is de goedkeuring van de classicale vergadering vereist.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.5

|317|

14.5 Gemeenschap, via associatie

In ord. 14-5 wordt een mogelijkheid geopend die voor het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland in geen van de kerkordes geregeld was: de associatie. Ook in dit geval wordt op synodaal niveau een overeenkomst met een andere kerk gesloten, maar op één punt gaat de overeenkomst in elk geval een stap verder dan onder het regiem van ord. 14-4 mogelijk is: een geassocieerde kerk kan een afvaardiging hebben in ambtelijke vergaderingen van de kerk.

De mogelijkheid van een associatie is kerkordelijk vastgelegd toen bij het naderbij komen van de kerkvereniging duidelijk werd dat de Evangelisch-altreformierte Kirche in Niedersachsen (EAK) een eigen oecumenische weg voor zich zag. De EAK ontstond in de negentiende eeuw uit de Evangelisch-Reformierte Kirche (ERK) in Noordwest-Duitsland, in een beweging die in veel opzichten te vergelijken is met de Afscheiding (1834) die in Nederland met de Doleantie (1886) leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Sinds 1923 functioneerde de Evangelisch-altreformierte Kirche feitelijk binnen het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Parallel met het Samen op Weg-proces in Nederland groeide in Duitsland de toenadering tussen Evangelisch-altreformierte Kirche en Evangelisch-Reformierte Kirche. Om een mogelijk samengaan van deze kerken op langere termijn niet te ingewikkeld te maken, heeft men daarom besloten de relatie van de Evangelisch-altreformierte Kirche met de Protestantse Kerk in Nederland vorm te geven in een associatie. De Evangelisch-altreformierte Kirche heeft twee stemhebbende afgevaardigden in de synode van de Protestantse Kerk in Nederland. Omgekeerd heeft de Protestantse Kerk in Nederland één stem in de (veel kleinere) synode van de Evangelisch-altreformierte Kirche. Ook andere kerken kunnen een dergelijke associatie met de Protestantse Kerk in Nederland aangaan. Het zou ook kunnen gaan om gemeenten van andere kerken. Hier kan men met name denken aan migrantenkerken en -gemeenten, gemeenten van naar Nederland gekomen christenen uit andere landen. Een associatieovereenkomst tussen de Protestantse Kerk in Nederland en bijvoorbeeld een kerk van het presbyteriaanse of het lutherse type in Afrika zou er toe kunnen leiden dat een in Nederland bestaande gemeente van die kerk met stemrecht gaat participeren in een classicale vergadering hier. Het is de generale synode die tot een associatieovereenkomst kan besluiten. Aan een dergelijk besluit moet overigens een consideratieronde voorafgaan.

In het verlengde van een landelijke overeenkomst is een stukje concrete samenwerking op plaatselijk vlak goed denkbaar (ord. 14-5-3). Initiatieven binnen het hier bepaalde kunnen overigens heel goed van onderop komen. Plaatselijke kerkenraden die contact hebben met een migrantengemeente kunnen de hier genoemde mogelijkheden aan de orde stellen en zich desgewenst tot de synode wenden om de noodzakelijke stappen te nemen. Voor zover er op het moment van vereniging van de kerken in de Protestantse Kerk in Nederland op plaatselijk

|318|

niveau al sprake is van dergelijke samenwerkingsvormen en -overeenkomsten, blijven die uiteraard van kracht (ovb. 293 en 294, vgl. ovb. 47).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.6

14.6 Vereniging

De Protestantse Kerk in Nederland is een verenigde kerk en staat in beginsel — zoals eigenlijk alle verenigde kerken wereldwijd — graag open voor verdere vereniging met andere kerken. Uiteraard is ook hier eenheid of verwantschap in geloof en kerkorde een voorwaarde; deze wordt in art. XVI-1 van de kerkorde al genoemd. Verder geeft ord. 14-6 de procedure aan, die sterk overeenkomt met de procedure die leidde tot het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland: aanpassing van de ordinanties en eventueel van de eigenlijke kerkorde (uiteraard steeds volgens de procedures van art. XVII en XVIII van de kerkorde), vervolgens een in twee lezingen te nemen verenigingsbesluit, waarbij opnieuw de classicale vergaderingen gevraagd wordt te considereren. Het definitieve besluit vergt een twee derde meerderheid in de generale synode.

Opvallend is dat ord. 14-6 ook vereniging met een kerk in het buitenland mogelijk maakt: de ontwikkelingen in Europa zouden op de lange duur wel eens in die richting kunnen wijzen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.7

14.7 Missionaire en diaconale arbeid van de kerk

Oecumenische samenwerking, gemeenschap en eenheid krijgen een spits in het gezamenlijke getuigenis en de gezamenlijke dienst. Bij beide aspecten wordt het werk in het binnenland en dat in het buitenland samengenomen.

Zoals ord. 8, waar het gaat over de missionaire en de diaconale arbeid van de gemeente, begint met een artikel over samenhang en eigenheid, zo gaat dat ook in dit gedeelte van ord. 14. Zending is geen werelddiaconaat en binnenlands diaconaat is geen evangelisatie, maar het een hangt wel met het ander samen. Wordt de eigenheid van elk van beide miskend en worden ze dus geïdentificeerd, dan kan dat bijvoorbeeld betekenen dat het getuigenis erbij inschiet, omdat het woord opgaat in de daad. Wordt daarentegen de samenhang niet gezien en worden ze daarom te ver uit elkaar getrokken, dan worden de woorden vrijblijvend en de daden weinig zeggend.

Waar bestaat die samenhang dan in? Ord. 14-7 noemt een aantal elementen. Het begint eigenlijk al in de voorbede, waarin het werk gedragen wordt. Van belang is verder dat de kerkorde bij beide, bij missionaire en bij diaconale arbeid, uitgaat van interkerkelijke samenwerking (vgl. art. XVI-2 en 3). De opdracht ligt in Nederland primair bij de gemeenten, in het buitenland bij gemeenten en kerken ter plaatse, en de kerk neemt deel aan de vervulling van die opdracht. Zij is partner, niet de exclusieve uitvoerster. In dat kader wordt medewerking verleend aan de opbouw van het kerkelijk leven van de partners en wordt — bij diaconale

|319|

arbeid — bijstand verleend aan andersoortige groepen en bewegingen. Kenmerkend is de wederkerigheid in de relaties met de partners. Het impliceert een voortdurend van elkaar willen leren, elkaar bemoedigen en elkaar op nieuwe mogelijkheden wijzen.

In ord. 14-7-5 vindt men een parallel van ord. 8-1-5. De relatie tot mensen van andere godsdiensten is gegeven met de arbeid van getuigenis en dienst. De kerk ontmoet daarin andere godsdiensten, dat wil zeggen mensen, gebruiken, waardesystemen en andere uitingen. Daar gaat zij respectvol mee om, open voor gesprek en voor concrete samenwerking. Getuigenis en dienst zijn daarmee niet overbodig of onmogelijk, maar ze worden wel op een bepaalde wijze gekleurd.

Tenslotte wijst ord. 14-7 nog op een specifieke taak van de kerk: zoals de opleiding van predikanten zaak is van de kerk en niet van de afzonderlijke gemeenten, zo geldt dat ook voor de werving, opleiding en vorming van wie in een ambt of dienst werkzaam zijn op missionair of diaconaal terrein. Uiteraard betekent dat niet dat bijvoorbeeld iemand die diaconaal bezig wil zijn op het terrein van agrarische voorlichting in Afrika, daartoe door de kerk wordt opgeleid. Maar wel zal zo iemand in aanvulling op de beroepsopleiding een specifieke vorming krijgen via de dienstenorganisatie van de kerk. Hier speelt het Hendrik Kraemer Instituut een belangrijke rol. Het werk van het HKI is nader geregeld in de G.R. opleiding predikanten, art. 13 t/m 16 (zie § 13.16).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.8

14.8 De missionaire arbeid

Als het gaat om de missionaire arbeid van de kerk valt ook de term ‘zendingsopdracht’. Die wordt echter, anders dan vroeger gebruikelijk, zowel op het getuigenis wereldwijd als op dat in Nederland toegepast. Het gaat zowel om wie het evangelie niet kennen als om wie ervan vervreemd zijn geraakt.

Voor het overige geeft ord. 14-8 alleen aan wat in het bijzonder de taak is van de generale synode. Het gaat om bewustmaking en ondersteuning van de gemeenten, om het bevorderen van samenwerking tussen de gemeenten, om algemene leiding en coördinatie, en uiteraard om het organiseren en stimuleren van de geldwerving. Daarmee lijkt weinig nieuws gezegd. Toch is het van belang te onderstrepen dat hiermee een opzet wordt bevorderd waarin de gemeenten slechts in goed overleg of contact met andere gemeenten of met de dienstenorganisatie hun eigen zendingsprojecten kiezen, eventueel in samenwerking met particuliere organisaties. De samenhang van kerk en gemeenten is ook hier van belang. De kerk is verplichtingen aangegaan jegens buitenlandse partners en mag daarbij rekenen op de loyaliteit van de gemeenten. Tegelijk zal er de kerk en haar dienstenorganisatie alles aan gelegen moeten zijn dat het zendingswerk zo wordt opgezet dat een gemeente zich er goed in kan herkennen.

De medeverantwoordelijkheid die de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk voorheen droeg voor de missionaire arbeid van twee modalitaire

|320|

uitvoeringsorganisaties, de Gereformeerde Zendingsbond en de Hervormde Bond voor Inwendige Zending, is overgegaan op de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland (ovb. 295).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.9

14.9 De diaconale arbeid

De samenhang van missionair en diaconaal werk kan blijken uit grote parallellie in de beschrijving van beide. Ord. 14-9 lijkt sterk op ord. 14-8. Uiteraard ligt het verschil in de inhoud van de opdracht. Bij diaconale arbeid gaat het om de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid, waarin de roeping aan de orde is zich in te zetten voor wie lijden en hen bij te staan in het zoeken naar vertroosting en gerechtigheid. De aanduiding van de oorzaken van dat lijden — ‘door armoede, onrecht, achterstelling en ziekte’ — is uiteraard niet beperkend bedoeld: ook, of misschien wel juist wie lijdt door ‘eigen schuld’ staat niet buiten de diaconale opdracht van de kerk.

In de beschrijving van de diaconale taken van de generale synode vindt men één extra taak in vergelijking tot de missionaire arbeid: waar het gaat om diaconaat komt al snel de overheid in beeld; waar nodig spreekt de generale synode overheid en samenleving aan op hun verantwoordelijkheid voor het bevorderen van de gerechtigheid. Zie hiervoor ord. 1-3 (zie § 3.5).

Ook op diaconaal gebied zijn de gemeenten dus aangewezen op andere gemeenten en op de dienstenorganisatie bij de keuze van projecten, vanwege de verplichtingen die de kerk als geheel is aangegaan, maar meer nog vanuit de zaak zelf. Kerk en gemeenten hebben elkaar daarbij steeds weer nodig. Het is dus niet aan te bevelen dat een gemeente hier zonder overleg haar eigen gang gaat. Het is wel goed als zij jegens de dienstenorganisatie heel duidelijk maakt wat zij verlangt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 14.10

14.10 De pastorale arbeid

Hierboven kwam het al even naar voren: het laatste artikel van de laatste ordinantie (ord. 14-10) is betrekkelijk laat in discussie gekomen. Het heeft geen expliciete basis in de eigenlijke kerkorde. Maar het is wel van belang. Er is de laatste decennia een grote ontwikkeling geweest op het gebied van met name het categoriale pastoraat. Door veranderingen in de wetgeving en in maatschappelijke opvattingen, maar ook door een sterker besef van de verantwoordelijkheden van de kerk voor de samenleving als geheel, is er meer aandacht gegroeid voor de mogelijkheden om pastorale zorg te verlenen in instellingen voor gezondheidszorg en in specifieke sectoren van het bedrijfsleven, zoals de koopvaardij. Bij alle veranderingen in de krijgsmacht is daar nog altijd de mogelijkheid van het verzorgen van pastoraat van overheidswege gewaarborgd, terwijl de overheid ook het justitiepastoraat ruimte geeft. Predikanten die op deze terreinen

|321|

werkzaam zijn, vallen binnen de categorie van de predikanten met bijzondere opdracht (ord. 3-23, vgl. § 5.9)

Voor het overleg met de overheid over dergelijke vormen van pastoraat is er het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) met diverse subcommissies op specifieke terreinen.

De ordinantie noemt met het bovenstaande enkele voorbeelden. Men zou aan andere mogelijkheden van categoriaal pastoraat kunnen denken. Vanouds is het studentenpastoraat welbekend (vgl. ord. 9-7), terwijl ook industriepastoraat en recreatiepastoraat wel eigen vormen gevonden hebben. In ord. 14-10 wordt de mogelijkheid voor de synode om in haar beleid andere sectoren te verkennen of prioriteit te verlenen in elk geval niet uitgesloten. Overigens valt het op dat anders dan in ord. 14-8 en 9 de taken van de generale synode op dit terrein hier niet gespecificeerd worden. Ze liggen er wel, bijvoorbeeld in het genoemde overleg met de overheid, in de sfeer van de opleidingen en ten aanzien van de geldwerving.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) H15

322-333

|322|

15 Lutheranen in de Protestantse Kerk in Nederland

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.1

15.1 Plaats in de kerk

Binnen de Protestantse Kerk in Nederland komen twee tradities bijeen, de gereformeerde en de lutherse traditie. In art. I-4 worden dan ook de belijdenisgeschriften van beide tradities genoemd. Beide tradities hebben binnen de kerk een gelijkwaardige plaats en spelen hun rol in de gezamenlijke opdracht om in de gehoorzaamheid aan het Woord van God te volharden en te groeien in het gemeenschappelijk belijden van de kerk (ord. 1-1-3).

Tegelijkertijd is het onmiskenbaar dat het getalsmatig overwicht van degenen die zich in het bijzonder verbonden weten met de gereformeerde traditie, het gevaar in zich bergt dat het lutherse geluid wordt overstemd. Om dit te voorkomen, zijn bepalingen opgenomen met het oog op ‘het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie’ (art. VI-4). De evangelisch-lutherse synode (zie § 15.5) speelt hierbij een bijzondere rol.

Met het oog op dit voortgaande gesprek zijn in de kerkorde en de ordinanties waarborgen opgenomen om ook in de toekomst de gelijkwaardige positie van de lutherse traditie veilig te stellen. De in de kerkorde in engere zin vastgelegde positie van de evangelisch-lutherse gemeenten en van de evangelisch-lutherse synode kan niet worden gewijzigd, zelfs niet in eerste lezing, zonder instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode (art. XVIII-3). En ook de taakomschrijving van de evangelisch-lutherse synode zoals die in ord. 4-23 is omschreven kan niet zonder dit instemmend advies worden gewijzigd (ord. 4-23-2). Bij alle andere voorstellen tot wijziging van de ordinanties betreffende de evangelisch-lutherse leden van de kerk, de evangelisch-lutherse gemeenten en de evangelisch-lutherse synode dient voorafgaand te worden overlegd met de evangelisch-lutherse synode. De generale synode kan een dergelijke wijziging alleen in eerste lezing vaststellen als zij vooraf advies van de evangelisch-lutherse synode heeft ontvangen (ord. 4-23-2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.2

15.2 Evangelisch-lutherse leden van de kerk

Evangelisch-lutherse leden van de kerk staan allereerst ingeschreven in de gemeente waartoe zij behoren. Daarnaast worden ze opgenomen in een afzonderlijke landelijke registratie.

Onder evangelisch-lutherse leden van de kerk worden allereerst de leden van evangelisch-lutherse gemeenten verstaan. Allen die in een evangelisch-lutherse gemeente staan ingeschreven zijn evangelisch-lutherse leden van de kerk. Daarnaast

|323|

worden ook anderen op hun verzoek als evangelisch-lutherse leden geregistreerd. Hierdoor is het mogelijk dat een evangelisch-lutherse gemeente verenigt met een hervormde gemeente en/of gereformeerde kerk tot een protestantse gemeente terwijl de verbondenheid van de leden van de voormalig lutherse gemeente met de lutherse traditie behouden blijft. Ook kunnen zo lutheranen zich aansluiten bij een andere gemeente in hun woonplaats, bijvoorbeeld als de vergaderplaats van de evangelisch-lutherse gemeente te ver weg is, en toch de verbondenheid met de lutherse traditie zichtbaar houden. De evangelisch-lutherse synode is verantwoordelijk voor het bijhouden van dit register (ord. 2-10).

 

Evangelisch-lutherse leden van de kerk zijn overigens in de eerste plaats leden van een gemeente en hebben dezelfde rechten en plichten als alle gemeenteleden. Maar daarnaast zijn zij betrokken bij het bewaren en het aan de gehele kerk dienstbaar maken van de evangelisch-lutherse traditie. Zij worden daarom geroepen tot de verkiezing van de leden van de evangelisch-lutherse synode en kunnen ook zelf tot lid van deze synode verkozen worden (zie § 15.5.2).

De evangelisch-lutherse synode heeft omgekeerd ook een bijzondere verantwoordelijkheid voor de evangelisch-lutherse leden. Daartoe worden deze leden bijeengeroepen in een gezamenlijke vergadering en ontvangen zij toerusting vanwege de evangelisch-lutherse synode (zie § 15.5.7).

De verantwoordelijkheid van de evangelisch-lutherse synode krijgt ook hierin gestalte dat, indien er aanleiding is tot bijzondere bemoeienis met evangelisch-lutherse leden of ambtsdragers door een college voor het opzicht, dit college de evangelisch-lutherse synodale commissie zal horen (ord. 10-7-4). Bovendien kunnen evangelisch-lutherse leden en ambtsdragers de evangelisch-lutherse synode vragen advies uit te brengen aan een college voor het opzicht als hun plaats in de kerk in het geding is (ord. 4-23-1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3

15.3 Evangelisch-lutherse gemeenten

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.1

15.3.1 Plaats in de kerk

Evangelisch-lutherse gemeenten zijn allereerst gemeenten van de kerk. Wat in eerdere hoofdstukken van deze toelichting over gemeenten, kerkenraden en plaatselijke colleges is gezegd, geldt dus ook voor evangelisch-lutherse gemeenten. Voor de visitatie en het opzicht, het toezien op de vermogensrechtelijke aangelegenheden en de behandeling van bezwaren en geschillen gelden voor evangelisch-lutherse gemeenten dezelfde regels als voor andere gemeenten. De verantwoordelijkheid van de kerk voor ook de evangelisch-lutherse gemeenten komt dus allereerst tot uiting in de zorg van de classicale vergadering en haar breed moderamen en van de regionale colleges voor deze gemeenten.

Daarnaast heeft ook de evangelisch-lutherse synode een bijzondere verantwoordelijkheid

|324|

voor evangelisch-lutherse gemeenten. Kenmerkend voor een evangelisch-lutherse gemeente is immers dat deze zich in het bijzonder verbonden weet met de belijdenisgeschriften van de lutherse traditie (ord. 1-1-1). Daarom wordt — om het lutherse karakter van de gemeente te waarborgen — de evangelisch-lutherse synode, de synodale commissie of de financiële commissie van de evangelisch-lutherse synode door (het breed moderamen van) de classicale vergadering en de colleges erbij betrokken indien een zaak een evangelisch-lutherse gemeente betreft.

Hieronder wordt deze betrokkenheid in een aantal paragrafen uitgewerkt. Daarnaast komt de betrokkenheid ook tot uiting in de volgende zaken.

De kerkenraad van een evangelisch-lutherse gemeente zendt de plaatselijke regelingen niet alleen ter kennisneming toe aan het breed moderamen van de classicale vergadering, maar ook aan de evangelisch-lutherse synodale commissie (ord. 4-7-2, zie § 6.2.1).

Indien in een evangelisch-lutherse gemeente met minder dan 300 leden besloten wordt tot een kerkenraad met minder dan acht leden, hoort het breed moderamen van de classicale vergadering de evangelisch-lutherse synode voordat dit breed moderamen al of niet instemt met de regeling van werkzaamheden. Hetzelfde geldt indien in de kerkenraad van een evangelisch-lutherse gemeente de helft van het aantal ambtsdragers ontbreekt of buiten functie is (ord. 4-6-4 en 5; zie § 6.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.2

15.3.2 Beroepingswerk

Met het oog op de bijzondere verbondenheid van de evangelisch-lutherse gemeenten met de belijdenisgeschriften van de lutherse traditie zal uiteraard van een te beroepen predikant kennis van en vertrouwdheid met deze traditie worden gevraagd. Mede met het oog daarop is de evangelisch-lutherse synode betrokken bij het beroepingswerk. Maar voor het overige zijn alle predikanten van de kerk in alle gemeenten, dus ook in evangelisch-lutherse gemeenten, beroepbaar (zie § 5.2.1). Indien een predikant een beroep aanneemt naar een evangelisch-lutherse gemeente wordt deze lid van deze gemeente en daarmee, zoals alle leden van die gemeente, evangelisch-luthers lid van de kerk. Het is dus niet mogelijk om predikant van een evangelisch-lutherse gemeente te zijn zonder evangelisch-luthers lid van de kerk te zijn of te worden. Wel is het mogelijk dat een predikant van een andere dan een evangelisch-lutherse gemeente op diens verzoek ingeschreven blijft of wordt als evangelisch-luthers lid van de kerk.

 

Evenals alle andere kerkenraden vraagt ook de kerkenraad van een evangelisch-lutherse gemeente advies aan de sectie beroepingswerk van het LDC alvorens tot de verkiezing en beroeping van een predikant over te gaan. Maar voordat dit orgaan een advies uitbrengt, overlegt dit met degenen die de evangelisch-lutherse

|325|

synode daarvoor aanwijst (ord. 3-3-1). Op deze wijze is de evangelisch-lutherse synode vanaf het begin betrokken bij het beroepingswerk. De betrokkenheid van de evangelisch-lutherse synode komt nog meer tot uitdrukking doordat de president van de evangelisch-lutherse synode of diens plaatsvervanger het beroepingswerk begeleidt. In de praktijk betekent dat dat de president een plaatsvervanger aanwijst die als consulent optreedt (ord. 3-3-4). Het breed moderamen van de classicale vergadering hoeft voor een evangelisch-lutherse gemeente dus geen consulent aan te wijzen.

Bijzondere betrokkenheid van de evangelisch-lutherse synode is er ook wanneer besloten wordt over te gaan tot het beroepen van een predikant in deeltijd. Niet alleen het breed moderamen van de classicale vergadering maar ook de synodale commissie van de evangelisch-lutherse synode dient dan in te stemmen met het deeltijdpercentage en de omschrijving van de werkzaamheden die in deeltijd dienen te worden verricht (ord. 3-17-2).

Voor het overige verloopt het beroepingswerk als in alle andere gemeenten (zie § 5.2 t/m 5.2.4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.3

15.3.3 Spanningen in een evangelisch-lutherse gemeente

Ook in een evangelisch-lutherse gemeente of kerkenraad kunnen spanningen ontstaan, die het functioneren van de kerkenraad of van de predikant belemmeren. Indien vanwege het niet functioneren van de kerkenraad van een evangelisch-lutherse gemeente de vraag aan de orde komt of gedelegeerden moeten worden aangesteld (zie § 6.2.7), kan hiertoe door de generale synode alleen worden besloten na overleg met de synodale commissie van de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-13). Tot 1 mei 2014 is instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (ovb. 191).

Wanneer het functioneren van de predikant van een evangelisch-lutherse gemeente in het geding is en het breed moderamen van de classicale vergadering overweegt gedurende enige tijd vrijstelling van werkzaamheden te verlenen (zie § 5.7), kan dit hiertoe alleen besluiten in overleg met de synodale commissie (ord. 3-19-1).

Indien vanwege de spanningen in de gemeente de vraag aan de orde komt of de predikant de gemeente nog langer met stichting kan dienen (zie § 5.7), wordt de evangelisch-lutherse synode bij de oordeelsvorming betrokken (ord. 3-20-1). Nu is geen instemming van de evangelisch-lutherse synode nodig, maar de evangelisch-lutherse synode wijst twee leden aan die voor deze zaak worden toegevoegd aan het generale college voor de ambtsontheffïng en deelnemen aan de behandeling en besluitvorming ter zake (G.R. kerkelijke rechtspraak, art. 9-4). Wel is instemming van de evangelisch-lutherse synode nodig als het generale college overweegt uit te spreken dat een predikant die verbonden is aan een evangelisch-lutherse

|326|

gemeente geheel onbekwaam is om enige gemeente met stichting te dienen (ord. 3-21-1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.4

15.3.4 Toezien op de vermogensrechtelijke aangelegenheden

Het toezien op de vermogensrechtelijke aangelegenheden van een evangelisch-lutherse gemeente en diaconie geschiedt, net als bij alle andere gemeenten, door het regionale college voor de behandeling van beheerszaken (zie § 12.6 en 12.6.1). Daarnaast heeft ook de evangelisch-lutherse synode (via haar financiële commissie) in dezen een taak (ord. 11-15-3). Daartoe zendt de evangelisch-lutherse gemeente de begroting en jaarrekening ook naar deze financiële commissie (ord. 11-8-1).

De financiële commissie heeft overigens geen rechtstreekse taak bij het toezien. Wel kunnen de ingezonden stukken voor de financiële commissie aanleiding zijn om de evangelisch-lutherse synode te vragen aandacht te besteden aan de betrokken gemeente. Deze synode heeft immers ook tot taak het begeleiden en versterken van levende evangelisch-lutherse gemeenschappen (ord. 4-23-1).

De betrokkenheid van de evangelisch-lutherse synode komt voorts tot uiting doordat het regionale college voor de behandeling van beheerszaken eerst advies vraagt aan de financiële commissie, alvorens het zich uitspreekt over vermogensrechtelijke aangelegenheden van een evangelisch-lutherse gemeente (ord. 11-23-2). De evangelisch-lutherse synode kan ook het regionale college adviseren indien een evangelisch-lutherse gemeente dat van haar vraagt (ord. 4-23-1).

In een overgangsbepaling is geregeld dat gedurende tien jaar het regionale college alleen kan optreden met instemmend advies van de financiële commissie (ovb. 249).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.5

15.3.5 Visitatie

Ter wille van de visitatie in evangelisch-lutherse gemeenten benoemt de evangelisch-lutherse synode een aantal visitatoren die betrokken worden bij de visitatie door het regionale of generale college voor de visitatie (ord. 10-3-4). ‘Betrokken worden bij’ zal in de regel betekenen dat één van de door de evangelisch-lutherse synode benoemde visitatoren aan een visitatiebezoek aan een evangelisch-lutherse gemeente — ongeacht of dat een gewone of een buitengewone visitatie is — deelneemt. Op deze wijze is gewaarborgd dat bij visitatie van een evangelisch-lutherse gemeente tenminste één visitator de lutherse traditie van binnenuit kent. Niet uitgesloten is dat de visitatie aan een evangelisch-lutherse gemeente geheel geschiedt door visitatoren die door de evangelisch-lutherse synode zijn aangewezen. Deze handelen dan namens het betreffende college en doen dan ook aan dat college verslag. Zie voor de visitatie verder § 11.2 en volgende.

Daarnaast kunnen kerkenraden of ambtsdragers van evangelisch-lutherse

|327|

gemeenten en evangelisch-lutherse leden van de kerk zich tot de evangelisch-lutherse synode wenden met het verzoek om het college voor de visitatie te adviseren inzake zijn werk in de betrokken evangelisch-lutherse gemeente of de gemeente waarvan deze leden lid zijn (ord. 4-23-1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.6

15.3.6 Samengaan van gemeenten

Evenals alle andere gemeenten kunnen evangelisch-lutherse gemeenten — op verzoek van de betrokken kerkenraden — door de classicale vergadering worden samengevoegd tot een nieuwe (evangelisch-lutherse) gemeente (zie § 4.3.5).

Een evangelisch-lutherse gemeente kan ook — eveneens op verzoek van betrokken kerkenraden — met een of meer andere (al of niet evangelisch-lutherse) gemeenten door de classicale vergadering worden samengebracht in een combinatie van gemeenten of in een streekgemeente (zie § 4.3.5 en 4.3.7).

Het is mogelijk dat de evangelisch-lutherse synode, voordat een evangelisch-lutherse gemeente een dergelijk verzoek doet, door deze gemeente bij de besluitvorming betrokken wordt, dan wel dat de evangelisch-lutherse synode vanuit haar zorg voor evangelisch-lutherse gemeenten zelf met de betrokken kerkenraad of kerkenraden in gesprek gaat (ord. 4-23-1). Het is de classicale vergadering die beslist, maar zij dient wel vooraf advies te vragen aan de evangelisch-lutherse synode met betrekking tot de regelingen die samenhangen met het samengaan (ord. 2-19-2). Tot 1 mei 2014 is instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (ovb. 88).

Anders is het wanneer het regionale college voor de visitatie tot het oordeel komt dat een evangelisch-lutherse gemeente niet langer zelfstandig kan voortbestaan en dat ze (dus ongevraagd) moet worden samengevoegd met een andere evangelisch-lutherse gemeente dan wel met andere gemeenten moet worden samengebracht in een combinatie of een streekgemeente. De classicale vergadering kan daartoe slechts besluiten indien ook de evangelisch-lutherse synode van oordeel is dat een zelfstandig voortbestaan van de betrokken gemeente niet langer mogelijk is (ord. 2-14-2, ord. 2-15-4, ord. 2-17-6). Daarnaast dient de classicale vergadering ook in dit geval advies te vragen aan de evangelisch-lutherse synode met betrekking tot de regelingen.

Voor het overige gelden in al deze gevallen de regels die ook voor de andere gemeenten gelden (zie § 4.3.5 en 4.3.7).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.7

15.3.7 Protestantse gemeente

Een evangelisch-lutherse gemeente kan betrokken zijn bij de vorming van een protestantse gemeente doordat zij verenigt met een hervormde gemeente en/of een gereformeerde kerk (zie § 4.3.2). Ook hierbij is de evangelisch-lutherse synode betrokken. De classicale vergadering dient namelijk de evangelisch-lutherse

|328|

synode te horen alvorens mee te werken aan de vorming van deze gemeente (ord. 2-11-3). Tot 1 mei 2014 is instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (ovb. 60). En ook hier geldt dat de classicale vergadering advies vraagt aan de evangelisch-lutherse synode met betrekking tot de regelingen voor de vorming van de protestantse gemeente (ord. 2-19-2).

Omdat een evangelisch-lutherse gemeente in de regel een groter gebied omvat dan de hervormde gemeenten en gereformeerde kerken, zal bij de vorming van een protestantse gemeente veelal ook sprake zijn van grensaanpassingen. Ook daarbij moet de evangelisch-lutherse synode worden gehoord (ord. 2-11-4). Tot 1 mei 2014 is instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (ovb. 63). Indien gewenst kan de lutherse traditie binnen de protestantse gemeente een zekere eigen plaats krijgen door de vorming van een evangelisch-lutherse wijkgemeente (ord. 2-12-9).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.3.8

15.3.8 Nieuwe gemeente

Ten behoeve van evangelisch-lutherse leden van de kerk kan de classicale vergadering, op verzoek van deze leden of van betrokken kerkenraden, besluiten tot vorming van een nieuwe evangelisch-lutherse gemeente (zie § 4.3.3). Omdat een dergelijke gemeente naast bestaande gemeenten zal ontstaan, is hiervoor naast het advies van het regionale college voor de visitatie ook het advies van de evangelisch-lutherse synode vereist en moet het besluit tot vorming van deze gemeente goedgekeurd worden door de generale synode (ord. 2-13-6). Tot 1 mei 2014 is instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (ovb. 71).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4

15.4 Evangelisch-lutherse synode

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.1

15.4.1 Plaats in de kerk

De evangelisch-lutherse synode geeft leiding aan het leven en werken van de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en draagt zorg voor het bewaren en aan heel de kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie (art. VI-4).

Het leidinggeven aan de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en de zorg voor de traditie zijn nauw met elkaar verbonden. Immers, een evangelisch-lutherse gemeente is allereerst een gemeente zoals alle andere gemeenten en maakt deel uit van een classis. De zorg van gemeenten voor elkaar en de verantwoordelijkheid van de kerk voor de gemeenten komt daar tot uiting in de leiding van de classicale vergadering. De leiding van de evangelisch-lutherse synode staat naast die leiding van de classicale vergadering (vgl. art. VI-2: ‘bovendien’) en heeft dan ook met name betrekking op het eigene van de evangelisch-lutherse gemeente, de verbondenheid met en het betrokken zijn bij het bewaren en doorgeven van de lutherse traditie.

|329|

Concreet betekent dit dat een evangelisch-lutherse gemeente voor alle zaken waarbij de kerk betrokken is allereerst te maken heeft met de classicale vergadering en met de regionale colleges. Deze nemen de besluiten die ook voor andere gemeenten door hen genomen moeten worden. Zij betrekken de evangelisch-lutherse synode bij de besluitvorming. In een aantal gevallen betekent dit betrekken dat de evangelisch-lutherse synode om advies wordt gevraagd, in een aantal gevallen is de instemming van de evangelisch-lutherse synode vereist. In § 15.3 is dit nader uitgewerkt.

 

De zorg voor het bewaren en dienstbaar maken van de traditie komt niet alleen tot uiting in de zorg voor de evangelisch-lutherse gemeenten, maar ook in de zorg voor de toerusting in het bijzonder op het gebied van de Lutherana, de zorg voor het Evangelisch-Luthers Seminarium en het contact met de Lutherse Wereld Federatie. In de volgende paragrafen wordt dit nader uitgewerkt.

 

De evangelisch-lutherse synode neemt een bijzondere plaats in in het geheel van de ambtelijke vergaderingen. Ze is een ambtelijke meerdere vergadering (art. VI-2) met een leidinggevende ambtelijke taak. Een niet onbelangrijk deel van haar taken verricht zij echter in samenspel met andere meerdere vergaderingen (de classicale vergaderingen, de algemene classicale vergadering en de generale synode).

De lijn van gemeente naar kerk loopt ook voor de evangelisch-lutherse gemeenten via de classicale vergadering en niet via de evangelisch-lutherse synode.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.2

15.4.2 Samenstelling en werkwijze

De evangelisch-lutherse synode telt 36 leden: 12 predikanten en 24 niet-predikanten. De evangelisch-lutherse synode wordt elke vier jaar opnieuw samengesteld. Tevens worden 6 predikanten en 12 niet-predikanten als secundi verkozen. Alle leden treden gelijktijdig af en zijn herkiesbaar (ord. 4-22-2 en 3). Uit het feit dat er minder secundi zijn dan leden, kan worden afgeleid dat een secundus niet is verbonden aan een van de gekozen leden, maar dat men kan worden opgeroepen als vervanger voor alle synodeleden die respectievelijk predikant of niet-predikant zijn.

De evangelisch-lutherse synode wordt verkozen door en uit de evangelisch-lutherse leden van de kerk. De evangelisch-lutherse synode stelt hiervoor een verkiezingsregeling vast (ord. 4-22-1 en 5).

 

De evangelisch-lutherse synode kent een moderamen bestaande uit een president, twee vice-presidenten en twee secretarissen en een breed moderamen (synodale commissie genaamd) bestaande uit het moderamen en zes andere leden. Het breed moderamen bestaat uit vijf predikanten en zes andere leden; de president en

|330|

tenminste één van de vice-presidenten zijn predikant (ord. 4-24-2 t/m 4).

De evangelisch-lutherse synode kan commissies voor allerlei werk instellen. In ieder geval kent zij een financiële commissie (zie § 15.5.4).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.3

15.4.3 Betrokkenheid bij andere kerkelijke lichamen

Het is van belang dat in meerdere ambtelijke vergaderingen ook de stem van de lutherse traditie wordt gehoord. De wijze van samenstelling van de algemene classicale vergadering vanuit de classicale vergaderingen en de wijze van afvaardiging naar de generale synode maakt echter de kans groot dat in deze vergaderingen via die weg weinig of geen lutheranen aanwezig zijn. Daarom is bepaald dat de evangelisch-lutherse synode de mogelijkheid heeft om één of twee evangelisch-lutherse ambtsdragers tot lid van een algemene classicale vergadering aan te wijzen (ord. 4-19-2). Of dit noodzakelijk of wenselijk is, staat ter beoordeling van de evangelisch-lutherse synode.

Tevens vaardigt de evangelisch-lutherse synode vijf ambtsdragers uit haar leden af naar de generale synode (ord. 4-25-2). Doordat het om leden van de evangelisch-lutherse synode gaat, wordt tevens bereikt dat in de generale synode kennis aanwezig is van wat in de evangelisch-lutherse synode speelt. Overigens, de evangelisch-lutherse synode is gehouden de generale synode te informeren over haar werkzaamheden (ord. 4-23-1).

In de kleine synode hebben ten minste drie evangelisch-lutherse leden van de generale synode zitting. Ten minste één daarvan is gekozen als gewoon stemhebbend lid, de andere twee kunnen door de kleine synode boventallig als adviserend lid worden benoemd (ord. 4-27-4).

 

De evangelisch-lutherse synode wordt bij de wetgevende arbeid van de generale synode betrokken, niet alleen doordat in een aantal gevallen haar advies of instemming vereist is bij de vaststelling in eerste lezing van kerkordelijke teksten (zie § 15.2), maar ook doordat haar consideraties met betrekking tot alle kerk-ordelijke teksten worden gevraagd. Verder heeft de evangelisch-lutherse synode de mogelijkheid om jegens de generale synode uit te spreken wat er in de evangelisch-lutherse gemeenten leeft. Het gaat hierbij niet zozeer om gevraagde consideraties (evangelisch-lutherse gemeenten brengen die, net als andere gemeenten, ter kennis van de classicale vergadering en bespreken deze in de classicale vergadering, zie § 6.5.1), maar om zaken die in evangelisch-lutherse gemeenten spelen en aandacht van de generale synode verdienen.

 

Zoals elders in dit hoofdstuk nader wordt aangegeven (§ 15.3) is de evangelisch-lutherse synode verder betrokken bij het werk van (het breed moderamen van) de classicale vergadering en van de regionale en generale colleges wanneer evangelisch-lutherse leden of gemeenten bij een zaak betrokken zijn.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.4

|331|

15.4.4 Vermogensrechtelijke aangelegenheden

Het werk van de evangelisch-lutherse synode is onderdeel van het werk van de kerk en wordt daarom gefinancierd uit de landelijke begroting. De financiële ruimte voor het werk van de evangelisch-lutherse synode wordt dan ook vastgesteld door de kleine synode (ord. 11-20-1 en 3).

Bij de voorbereiding van de begroting wordt ook de evangelisch-lutherse synode (via haar financiële commissie) betrokken (ord. 11-20-1 en ord. 11-15-3).

De evangelisch-lutherse synode heeft rechtspersoonlijkheid. Zij is overigens niet de rechtsopvolger van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden; dat is immers de Protestantse Kerk in Nederland. Het vermogen van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden is dan ook bij de vereniging overgegaan op de Protestantse Kerk in Nederland.

Als rechtspersoon kan de evangelisch-lutherse synode optreden in het rechtsverkeer en ook eigen financiële middelen hebben en eigen fondsen beheren. Zij is daarbij gebonden aan de begroting die door de kleine synode is vastgesteld, mede na overleg met de evangelisch-lutherse synode. Voor belangrijke vermogensrechtelijke handelingen boven een bepaald bedrag is bovendien het instemmend advies van de kleine synode nodig (ord. 11-17-1).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.5

15.4.5 Belijden van de kerk

Zoals gezegd, de hoofdtaak van de evangelisch-lutherse synode ligt in het bewaren en dienstbaar maken van de lutherse traditie voor het geheel van de kerk. De evangelisch-lutherse synode heeft met het oog daarop een eigen rol, indien het belijden van de kerk in het geding is. Voordat de generale synode een uiting van de kerk aanmerkt als uitdrukking van het belijden van de kerk dient deze ook de evangelisch-lutherse synode te horen (ord. 1-4-2, zie § 3.6). En indien een bezwaar (gravamen) wordt ingediend tegen een van de belijdenisgeschriften van de kerk als bedoeld in art. I-4 waardoor de kerk zich verbonden weet met de lutherse traditie, moet eveneens advies worden gevraagd aan de evangelisch-lutherse synode (ord. 1-5-6, zie § 3.7).

Op dezelfde wijze is de evangelisch-lutherse synode ook betrokken wanneer de kerk zich uitspreekt over de vraag of een predikant, ingeschreven in het register van evangelisch-lutherse leden van de kerk, het belijden van de kerk weerspreekt (ord. 10-15-2). Het kan hierbij dus gaan om een predikant van een evangelisch-lutherse gemeente, maar ook om een predikant van een andere gemeente die zich als evangelisch-luthers lid heeft laten inschrijven (vgl. § 15.4.2).

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.6

|332|

15.4.6 Zorg voor evangelisch-lutherse gemeenschappen

Boven (zie § 15.4) is reeds aangegeven dat de evangelisch-lutherse synode betrokken is bij het leven van evangelisch-lutherse gemeenten, zowel bij de zaken die met de vorm van gemeente-zijn te maken hebben alsook bij het beroepingswerk. Daarnaast wordt als taak genoemd ‘het begeleiden en versterken van levende evangelisch-lutherse gemeenschappen’. Hieronder worden niet alleen gemeenten en wijkgemeenten verstaan, maar ook groepen gemeenteleden die de lutherse traditie uitdragen. Opzettelijk is deze bredere aanduiding gebruikt om het gemeenten mogelijk te maken te verenigen in een protestantse gemeente terwijl tegelijkertijd binnen deze gemeente bijzondere aandacht voor de lutherse traditie en betrokkenheid bij het werk van de evangelisch-lutherse synode mogelijk blijven.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.7

15.4.7 Toerusting

De evangelisch-lutherse synode draagt zorg voor de toerusting van de evangelisch-lutherse leden van de kerk. Het gaat hier niet om toerusting op alle terreinen van het kerkelijk leven, maar meer specifiek om toerusting in het kader van de hoofdtaak van de evangelisch-lutherse synode: het bewaren en aan de kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie. Deze toerusting richt zich in de eerste plaats op de evangelisch-lutherse leden van de kerk, die zich in het bijzonder verbonden weten met de lutherse traditie. Maar daarnaast kan de evangelisch-lutherse synode ook bijdragen aan de toerusting van andere leden van de kerk met betrekking tot de lutherse traditie (ord. 4-23-1). De evangelisch-lutherse synode heeft immers tot taak de lutherse traditie dienstbaar te maken aan heel de kerk.

De evangelisch-lutherse synode kan bij deze toerusting een beroep doen op het Evangelisch-Luthers Seminarium. Dit seminarium verzorgt onderwijs en onderzoek ook ten behoeve van de vorming en toerusting van gemeenteleden (ord. 13-9-1).

Het is ook mogelijk dat de algemene classicale vergadering in het activiteitenplan van het regionaal dienstencentrum ruimte maakt voor toerusting op het gebied van de evangelisch-lutherse traditie. Het ligt voor de hand dat in dat geval de evangelisch-lutherse synode en/of het Evangelisch-Luthers Seminarium daarbij betrokken wordt.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.8

15.4.8 Contacten

In de kerk komen de lutherse en calvinistische traditie samen. Daarom onderhoudt ook de kerk een relatie zowel met de Wereldbond van Gereformeerde Kerken als met de Lutherse Wereld Federatie (ord. 14-3-2). De kerk onderhoudt de

|333|

relatie met de Lutherse Wereld Federatie door de evangelisch-lutherse synode. Concreet betekent dit dat deze synode vertegenwoordigers naar de LWF afvaardigt (ord. 14-3-5) en ook verder deelneemt aan het werk van deze Federatie (vgl. ord. 4-22-6).

Naast deze oecumenische contacten is de evangelisch-lutherse synode betrokken bij het werk van ‘evangelisch-lutherse instellingen’ (ord. 4-23-1). Het gaat hierbij niet om instellingen als bedoeld in ord. 11-26 (deze kunnen alleen door de generale synode worden opgericht), maar om zelfstandige instellingen en stichtingen die een bijzondere verbondenheid met de lutherse traditie en/of het werk van de evangelisch-lutherse synode kennen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld het Nederlands Luthers Genootschap voor In- en Uitwendige Zending, de Stichting Lutherse Uitgeverij en Boekhandel en de Vereniging en Stichting Luthers Diakonessenhuis Fonds.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) 15.4.9

15.4.9 Evangelisch-Luthers Seminarium

Het Evangelisch-Luthers Seminarium is één van de instellingen ten behoeve van de opleiding en vorming van de predikanten van de Protestantse Kerk in Nederland. Het draagt bij aan het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie door onderwijs en onderzoek te verzorgen ten behoeve van de opleiding en bijscholing van predikanten alsmede ten behoeve van de vorming en toerusting van gemeenteleden (ord. 13-9-1). Met het oog daarop is er een bijzondere betrokkenheid van de evangelisch-lutherse synode bij dit seminarium (ord. 4-23-1).

Deze betrokkenheid komt op verschillende wijze tot uiting. Bij een aanbeveling voor de benoeming van een lid van het curatorium dient de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs overeenstemming te verkrijgen met de evangelisch-lutherse synode (ord. 13-4-3). Bij een voordracht voor de benoeming van een hoogleraar of docent is een zelfde overeenstemming vereist (ord. 13-9-2). De generale synode hoort verder niet alleen de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs maar ook de evangelisch-lutherse synode voordat zij vaststelt welke vakken door het seminarium worden verzorgd en deel uitmaken van het kerkelijk examen (ord. 13-9-3). Verder verschaffen de curatoren alle inlichtingen omtrent het seminarium, die de evangelisch-lutherse synode noodzakelijk acht (G.R. opleiding predikanten, art. 5-3). Zie voor het Evangelisch-Luthers Seminarium ook § 13.2.3.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijlagen

335-342

|335|

Bijlagen: organigrammen en roosters

 

organigrammen:

1. Samenstelling ambtelijke vergaderingen
2. Kerkenraad met colleges en organen van bijstand
3. Classicale vergadering en algemene classicale vergadering met organen van bijstand en colleges
4. Evangelisch-lutherse synode en generale synode met organen van bijstand en colleges
5. Bestuur en beleid dienstenorganisatie

 

roosters:

6. Algemene kerkenraad
7. Afvaardiging naar classicale vergadering

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 1

bijlage 1: Samenstelling ambtelijke vergaderingen

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 2

bijlage 2: Kerkenraad

met colleges en organen van bijstand

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 3

bijlage 3: Classicale vergadering en algemene classicale vergadering

met organen van bijstand en colleges

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 4

bijlage 4: Evangelisch-lutherse synode en generale synode

met organen van bijstand en colleges

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 5

bijlage 5: Bestuur en beleid dienstenorganisatie

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 6

bijlage 6: Rooster voor een algemene kerkenraad (ord. 4-9-2)

(twee voorbeelden)

In de plaatselijke regeling kan worden vastgelegd dat de leden van de algemene kerkenraad jaarlijks of telkens voor twee jaar worden aangewezen.

In het eerste rooster wijst elke wijkkerkenraad drie of vier leden van de algemene kerkenraad aan;
in het tweede rooster afwisselend een of twee.
Het tweede rooster is gebaseerd op de verdeelsleutel ‘o-d-p-o-k-d-o-p-d-k’ (zie de eerste kolom, van boven naar beneden), zodat er per tien ambtsdragers steeds 2 predikanten, 3 ouderlingen, 2 ouderlingen-kerkrentmeester en 3 diakenen worden aangewezen.
Een algemene kerkenraad van vijftien leden telt dus 3 predikanten, 3 ouderlingen-kerkrentmeester en afwisselend telkens 4 of 5 ouderlingen en diakenen.

Heuvel, P. van den e.a. (2004) Bijl 7

bijlage 7: Rooster afvaardiging naar classicale vergadering (ord. 4-14-3)

(voorbeeld)

Elke (wijk)kerkenraad vaardigt twee ambtsdragers af.

Het rooster is gebaseerd op de verdeelsleutel ‘p-d-k-p-o-d-p-k-d-o’, zodat er per tien ambtsdragers steeds 3 predikanten, 2 ouderlingen, 2 ouderlingen-kerkrentmeester en 3 diakenen worden afgevaardigd.

De (wijk)gemeenten worden in twee blokken verdeeld.

In het ene blok worden de afgevaardigden aangewezen in de oneven jaren, in het andere blok in de even jaren — telkens voor vier jaar.

Als de classis meer dan 10 (wijk)gemeenten telt, kan op de (wijk)gemeenten 11 t/m 15 het rooster voor de (wijk)gemeenten 1 t/m 5 worden toegepast, op de (wijk)gemeenten 16 t/m 20 dat voor de (wijk)gemeenten 6 t/m 10, enzovoort.