Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) II.

|121|

Deel II

Kerkelijke recht en burgerlijk recht

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 6

123-126

|123|

6 De kerken in het privaatrecht

T.J. van der Ploeg

 

 

6.1 Het kerkgenootschap1 als rechtspersoon en andere kerkelijke rechtspersonen

In dit hoofdstuk gaat het om de vraag in hoeverre kerkelijke gemeenschappen als rechtspersoon in het privaatrecht kunnen optreden en wat er geldt ten aanzien van hun vertegenwoordiging.

Om als godsdienstige gemeenschap in een bepaald land als rechtspersoon te kunnen bestaan, moet de gemeenschap voldoen aan de eisen die dat land daarvoor stelt. In West-Europa hebben kerkgenootschappen al sinds heel lang rechtspersoonlijkheid. Dat stamt reeds uit de Middeleeuwen toen de ongedeelde katholieke kerk het idee van het bestaan van een eigen rechtssfeer en rechtspersoonlijkheid (zedelijk lichaam) voor de kerk introduceerde om zich te beschermen tegen de macht van de wereldlijke heersers. In mijn visie is er echter geen sprake van een soort natuurlijk recht op rechtspersoonlijkheid voor godsdienstige organisaties.2

Voor het Nederlandse recht is in deze art. 2:2 BW bepalend. In dit artikel wordt als een categorie van rechtspersonen genoemd: de kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd. Deze categorie staat tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 2:1 BW) en de privaatrechtelijke rechtspersonen, die verderop in boek 2 BW nader worden geregeld, zoals de vereniging, BV en de stichting (art. 2:3 BW). In ons recht is de kerk geen rechtspersoon van publieke aard; zij heeft geen openbaar gezag. Zij is dus van privaatrechtelijke aard, maar anders dan de in art. 2:3 BW genoemde rechtspersonen, bevat de wet geen formele oprichtings- dan wel bestaanseisen voor kerkelijke rechtspersonen, noch bevat zij materiële regels voor hen.


1 Het begrip ‘kerk’ heeft juridisch geen voldoende omlijning; vandaar dat het in de wet gehanteerde begrip ‘kerkgenootschap’ wordt gebruikt.
2 Ook het feit dat naar het recht binnen het kerkgenootschap rechtspersoonlijkheid bestaat, zoals dit voor de Rooms-Katholieke Kerk geldt, verschaft als zodanig nog geen rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, noch een claim op de erkenning daarvan.

|124|

De materiële kenmerken van een kerkgenootschap

Welke organisatie als kerkgenootschap kan worden beschouwd, is niet in de wet of in de parlementaire geschiedenis vastgelegd. Wel zijn er in de literatuur omschrijvingen gegeven die in de rechtspraak als steun hebben gediend. Graag wijs ik in dit verband op de omschrijving van J.M.M. Maeijer:

Een kerkgenootschap is een organisatie van aangeslotenen welke zich de gemeenschappelijke religieuze verering of bezinning3van de aangeslotenen op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt en welke als zelfstandig kerkgenootschap en niet als onderdeel van een kerkgenootschap wil gelden.4

In deze omschrijving zitten enerzijds materiële elementen: er moet een groep gelovigen zijn, die een gemeenschappelijke religieuze overtuiging heeft en die zich in de organisatie richt op religieuze verering of bezinning. Een kerk kan niet commercie bedrijven.5 Anders zou deze rechtspersoonssoort heel aantrekkelijk zijn voor allerlei ondernemingen. De Satanskerk, die zich als kerk voordeed, maar in feite een commerciële onderneming was, werd dan ook niet als zodanig erkend door de Hoge Raad.6 Anderzijds is er een formeel element: de organisatie die aan de materiële criteria voldoet, moet ook zelf als kerk naar buiten willen optreden.

Ten aanzien van traditionele kerken bestaat geen twijfel over hun identiteit als kerkgenootschap. Voor religieuze gemeenschappen/kerken die nieuw ontstaan of uit het buitenland afkomstig zijn, is hun bestaan als kerkgenootschap soms wel aan twijfel onderhevig. Nu er geen officiële instantie is die de erkenning als kerkgenootschap kan geven, is het de rechter die dit zal moeten beoordelen.7 Religieuze groepen kiezen om aan de onzekerheid over hun bestaan als rechtspersoon te ontkomen nog wel eens de rechtsvormen vereniging of stichting (zie paragraaf 6.3 hierna). Dan is zij privaatrechtelijk gezien


3 Het element ‘religieuze beleving of bezinning’ is afkomstig uit een Nota van de minister van Justitie naar aanleiding van het eindverslag; zie Maeijer-Schreurs, Parlementaire geschiedenis vennootschaps- en rechtspersonenrecht, 1991, p. 24.
4 Asser-Van der Grinten-Maeijer II, De rechtspersoon, Deventer 1997, achtste druk, nr. 205 e.v. De eerste omschrijving die gezag kreeg was die van W.J.A.J. Duynstee in het preadvies voor de Broederschap van Candidaat-Notarissen, 1935, p. 15.
5 Zou de kerk met behulp van commercie meer inkomsten willen verwerven, dan zal zij bijvoorbeeld een BV kunnen oprichten.
6 HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
7 Zie bijv. Rb. Amsterdam 18 juni 1968, NJ 1969, 353 waarbij de onafhankelijke voortzetting van de orthodoxe Russische kerk als kerkgenootschap werd erkend.

|125|

echter geen kerkgenootschap, hoezeer zij daar maatschappelijk wel mee gelijk kan worden gesteld.

De organisatorische inrichting van kerkelijke/religieuze organisaties kan zeer verschillend zijn; zo is een gemeente die behoort tot de Gereformeerde Kerken in Nederland of tot de Unie van Baptistengemeenten zelf een kerkgenootschap, terwijl een gemeente die behoort tot de Nederlandse Hervormde Kerk zelfstandig onderdeel is van laatstgenoemde landelijke kerk.8

 

Rechtspersoonlijkheid van zelfstandig onderdelen van kerkgenootschappen en van lichamen waarin zij zijn verenigd

In art. 2 lid 1 BW wordt ook rechtspersoonlijkheid verleend aan ‘zelfstandige onderdelen’ van kerkgenootschappen. De wetgever heeft hier willen aansluiten bij de praktijk waarin plaatselijke gemeenten, parochies, kloosters, enzovoort, ook hun eigen bezittingen moesten kunnen hebben en beheren. De open formulering in de wet geeft de kerken de gelegenheid om voor allerlei doeleinden kerkelijke rechtspersonen (zelfstandige onderdelen) op te richten. De kerk dient dan wel in het ‘kerkelijk statuut’ de mogelijkheid van het bestaan van het desbetreffende zelfstandige onderdeel te regelen. Als de desbetreffende kerkelijke autoriteit aan een onderdeel niet de status van zelfstandig onderdeel heeft gegeven, dan heeft het die status niet en dus ook geen rechtspersoonlijkheid.9 Het is niet nodig dat het zelfstandige onderdeel zich richt op godsdienstige verering of bezinning. Het mag ook een organisatie met een charitatief doel zijn (zoals bijvoorbeeld de diaconie van een hervormde gemeente of de parochiële caritas-instelling van een rooms-katholieke parochie10 of een kerkelijk


8 Voor een boeiende maar in deze afwijkende benadering, die mijns inziens tezeer leunt op theologische en niet op kerkrechtelijke motivering: L. Hardenberg, Gemeente, kerk en kerkverband in de rechtspraak, WPNR 6467 (2001). Ook J.J.H. Post, Een sikkel in een vreemde oogst?, prft. vu 2003, p. 127 e.v., neemt op betwistbare gronden aan dat hervormde gemeenten geen zelfstandige onderdelen van de Nederlandse Hervormde Kerk zijn. Zie in verband met interpretatieproblemen die op dit vlak kunnen voorkomen, de benadering van de band tussen diverse joodse gemeenten en het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, door F.T. Oldenhuis, WPNR 5865 (1988) en in reactie hierop D.S. de Vries, WPNR 5983 (1990).
9 Zie HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392 m.nt. Ma. Ten onrechte anders Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, NJKort 1997, 76, waarin de rechter een Hervormde gemeente (Spannum), die door het kerkgenootschap (de Nederlandse Hervormde Kerk) was samengevoegd met een andere gemeente toch zelf rechtspersoonlijkheid toeschreef, omdat deze in haar omgeving als deelnemer aan het rechtsverkeer werd erkend (bijvoorbeeld in het kadaster).
10 Zie over de rechtspersoonlijkheid van de parochie en het armenbestuur (de parochiële caritas-instelling), V.A.M. van der Burght, WPNR 5473 (1979) en WPNR 5480 (1979) en G-R de Groot, WPNR 5480 (1979).

|126|

bejaardentehuis).11 Een interessante vraag, die ik niet durf te beantwoorden, is of voor het zijn van een zelfstandig onderdeel noodzakelijk is dat de zeggenschap berust bij kerkelijke ambtsdragers.12 Het is overigens aan de rechter om te bepalen of terecht wordt verondersteld dat er sprake is van een zelfstandig onderdeel. Een belangrijke aanwijzing hiervoor is dat in het desbetreffende kerkelijk statuut van het kerkgenootschap het onderdeel van de kerk als zelfstandig onderdeel of als rechtspersoon wordt gekwalificeerd. Wanneer bestuurlijk gezien er eigenlijk geen zelfstandigheid is, kan de rechter desalniettemin tot een ander oordeel komen dan het kerkelijk statuut aangeeft.

 

De kerken hebben door deze bepaling inzake zelfstandige onderdelen een in principe ongebreidelde vrijheid om rechtspersonen in het leven te roepen. Er worden geen formele eisen gesteld, anders dan dat het kerkelijk statuut het bestaan ervan erkent, en ook materieel zijn er geen specifieke vereisten. Een van de belangrijkste motieven om rechtspersonen op te richten is het afzonderen van vermogen voor bepaalde doelen teneinde dit vermogen te beschermen tegen crediteuren van de oprichter(s). Vanuit de organisatie en haar doeleinden bezien, is dit uiteraard een mooi streven; vanuit de crediteuren van de oprichter(s) bezien, kan dit heel ongewenst zijn. Risicospreiding kan ook een valide reden voor de oprichting van rechtspersonen zijn, maar de vraag is of kerken/kerkelijke rechtspersonen wel zo riskant bezig dienen te zijn. Er kunnen ook andere redenen zijn, zoals de wenselijkheid om op plaatselijk vlak zelfstandig te functioneren, die tot de redelijke behoefte aan eigen rechtspersoonlijkheid kunnen leiden.

De kerkgenootschappen nemen op dit moment een unieke plaats in ten aanzien van het in het leven roepen van rechtspersonen. Zij zijn de enigen die zonder dat de wet daaraan formele of materiële vereisten stelt rechtspersonen — uiteraard wel beperkt tot kerkelijke rechtspersonen — in het leven kunnen roepen. Wanneer de rijksoverheid een andere rechtspersoon dan vermeld in boek 2 BW wil oprichten, is een wet nodig — er is dan geen beperking tot bepaalde rechtspersoonsvormen. Voor de lagere overheden is er voor het deelnemen aan een privaatrechtelijke rechtspersoon toestemming van de provincie nodig. Voor de oprichting van privaatrechtelijke rechtspersonen door individuen en


11 Zie voor de parlementaire geschiedenis en verwijzing naar literatuur Rechtspersonen (losbladig), J.B. Huizink, art. 2, aant. 4.
12 Asser-Van der Grinten-Maeijer II, 1997 a.w., nr. 213, Huizink (art. 2, aant. 4, in: Rechtspersonen) en Pitlo-Löwensteyn, 1994, nr. 1.4 menen van wel; Hardenberg WPNR 5520 (1980) meent van niet.

|127|

andere privaatrechtelijke rechtspersonen bestaan formele eisen.13 Lagere overheden, andere rechtspersonen en individuen kunnen daarbij alleen de in de wet (voornamelijk boek 2 BW) geregelde rechtspersoonsvormen gebruiken.

 

Het bw verleent ook rechtspersoonlijkheid aan ‘lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd’. Deze regel is eerst in 1992 in de wet gekomen.14 Niet elk samenwerkingsverband lussen kerken (of hun zelfstandige onderdelen) geeft rechtspersoonlijkheid op grond van dit artikel. Kerken kunnen evenzeer contractueel of in de vorm van een vereniging samenwerken. Er is pas sprake van een ‘lichaam’, waarin zij zijn verenigd, wanneer er sprake is van een kerkelijk verband.15 Zelf zou ik hiervan willen spreken indien er sprake is van een voor het gehele verband geldende kerkorde of statuut. Dat kerkelijk verband kan meer of minder ‘zwaar’ zijn.16

 

6.2 Oprichting en kenbaarheid van een kerkelijke rechtspersoon

Als men naar geldend recht een kerkgenootschap wil oprichten, kan men niet een wettelijke regel vinden die de weg wijst. Vanuit de parlementaire geschiedenis, de literatuur en de jurisprudentie is wel min of meer duidelijk wanneer men zich kerkgenootschap zou mogen noemen. Zie hiervoor paragraaf 6.1. Hoewel in deze geen volstrekte zekerheid is te bieden, ben ik geneigd te zeggen dat voor de oprichting van een kerkgenootschap voldoende is dat er een zekere gemeenschappelijke geloofsinhoud aanwezig is in de godsdienstige gemeenschap, alsmede een regeling betreffende de godsdienstoefening, en de organisatorische inrichting van de groep als rechtspersoon, inclusief de bepaling van bevoegde vertegenwoordigers. Voor de zekerheid zou men bijvoorbeeld de oprichtingsakte en de organisatorische regeling ook vast kunnen laten leggen in een notariële akte.

De vraag is of hiermee voldoende bewijs van het bestaan als kerkgenootschap-rechtspersoon is geleverd. In het rechtsverkeer wordt soms van rechtspersonen


13 Dit geldt niet voor de informele vereniging (art. 2:30 BW).
14 Bij de Invoeringswet boeken 3, 5 en 6 BW, S. 1989, 541; vlg. Maeijer-Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht, Alphen aan den Rijn 1991, p. 19.
15 Zie Maeijer-Schreurs, a.w. 1991, p. 19 en 21 en Oldenhuis WPNR 5865 (1988).
16 Zie over deze materie M. te Velde, ‘Kerkverband en rechtspersoonlijkheid’, p. 176-208 in: J.W. Maris, H.G.L Peels, H.J. Seldenhuis (red.) Om de kerk (opstellen aangeboden aan prof.dr. W. van 't Spijker) 1997.

|128|

gevraagd te tonen dat zij in het Handelsregister zijn ingeschreven, soms is voldoende dat er een notariële akte van oprichting wordt getoond. Het eerste is niet, het laatste eventueel wel voor kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen mogelijk. Men moet dan wel een notaris vinden die voldoende kennis van de juridische problematiek heeft en vertrouwen heeft in degenen die als oprichters van een kerkgenootschap voor hem verschijnen. Met name banken in verband met het openen van een bankrekening of het afsluiten van een lening en een notaris in verband met de overdracht van registergoederen verlangen zekerheid omtrent de rechtspersoonlijkheid. Ook stelt de wet dit soms als eis. Zie bijvoorbeeld de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 (S.1993, 704). Art. 3 lid 2 vorderde aanvankelijk als bewijsmiddel voor identificatie van Nederlandse rechtspersonen een uittreksel uit het Handelsregister, dan wel een akte die is opgemaakt door een notaris die in Nederland gevestigd is.17 Nu was deze identificatie niet nodig voor reeds bestaande rekeningen, waardoor verreweg de meeste kerkgenootschappen en andere kerkelijke rechtspersonen niet naar de notaris hoefden te gaan, maar voor het geval zij een nieuwe dienstverlening van een financiële instelling wensten, was de gang naar de notaris wel noodzakelijk. Bij wet van 2 november 2000 S. 2000, 484 is echter een nieuw artikel 3 lid 5 van de genoemde wet ingevoerd, waarbij een speciale regeling voor de identificatie van kerkgenootschappen, wordt geïntroduceerd. Er dient nu een verklaring van een overkoepelend orgaan of, wanneer dat er niet is, van vertegenwoordigers van het kerkgenootschap zelf te worden overgelegd met de noodzakelijke gegevens.18

 

Overigens heeft er tussen 1855 en 1988 krachtens de Wet op de Kerkgenootschappen bij het Ministerie van Justitie een lijst van kerkgenootschappen bestaan. Kerken dienden zich in die tijd aan te melden.19 De lijst had evenwel geen betekenis voor de rechtspersoonlijkheid en is mede afgeschaft omdat hij gezien het feit dat verplichte aanmelding niet in overeenstemming was met de


17 De vraag is of de wetgever hier gedacht heeft aan rechtspersonen die zich niet hebben ingeschreven, hoewel dat wel hun plicht zou zijn, of aan de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid (?!) of ook aan rechtspersonen waarvoor geen inschrijvingsplicht bestaat, zoals kerkgenootschappen. Dan wordt op de notaris dus de plicht gelegd om te onderscheiden of er materieel sprake is van een kerkgenootschap.
18 Bij het ontwerpen van de wet van 1993 wilde de minister hier nog niet aan. Zie brief van R.K. Kerkgenootschap d.d. 5 januari 1994, antwoord Ministerie van Financiën van 4 februari 1994 en brief van 17 maart 1994 van het Interkerkelijk contact in overheidszaken (CIO).
19 Uit Rb. Amsterdam 21 maart 1985, KG 1985, 104 blijkt dat de Kerk van Satan zich in 1976 ook als kerkgenootschap had gemeld en op de lijst was geplaatst.

|129|

vrijheid van godsdienst. Het aantal religieuze organisaties steeg ten tijde van haar afschaffing echter behoorlijk.20 Een regeling waarmee hen juridisch een handreiking werd gedaan inzake rechtspersoonlijkheid zou wel passend geweest zijn, maar deze ontbrak. Hierdoor voelden veel nieuwe religieuze organisaties zich gedwongen om van de verenigings- of stichtingsvorm gebruik te maken.

Mijns inziens behoeft een verplichting tot inschrijving ingeval men rechtspersoonlijkheid als kerkgenootschap wenst niet op strijd met de vrijheid van godsdienst te stuiten. Voor de oprichting van een religieuze gemeenschap is dan op zich geen inschrijving verplicht; wil men echter rechtspersoonlijkheid, dan kan de organisatie als kerkgenootschap worden ingeschreven, waarbij het kerkelijk statuut en de vertegenwoordigingsbevoegde ‘bestuurders’ worden ingeschreven.21 De organisatie kan er ook voor kiezen stichting of vereniging te zijn. Dan valt zij onder de inschrijvingsbepalingen voor deze rechtsvormen.

 

6.3 Andere rechtsvormen voor religieuze organisaties

Doordat het niet mogelijk is om zich als kerkgenootschap in te schrijven en zich daarmee als kerkgenootschap en dus rechtspersoon te legitimeren, gaan vrij veel kerkelijke gemeenschappen/religieuze organisaties ertoe over om zich de rechtspersoonlijkheid van een vereniging of stichting aan te meten. Dit geldt voor nieuwe christelijke gemeenschappen, veelal van congregationalistische snit, en voor islamitische moskeegemeenschappen.22 De organisatie zal dan volledig aan de formele en materiële eisen van de desbetreffende rechtspersoonsvorm moeten voldoen.23 Behalve ingeval gebruik gemaakt wordt van de rechtsvorm vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid zal men naar de notaris moeten voor de oprichting en zal de vereniging of stichting worden ingeschreven in het handelsregister. Kiest men voor de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, dan is een notariële akte noch een inschrijving in het


20 Zie nader T.A.M. Witteveen, Overheid en nieuwe religieuze bewegingen, T.K. 1983-1984, nr. 16635, nr. 4.
21 Vergelijk T. van Kooten, Onbekend maakt onbemind; nut van registratie van kerkgenootschappen in een multiculturele samenleving, in: N.F. van Manen (red.). De multiculturele samenlevingen het recht, Nijmegen 2002, p. 309 e.v.
22 Zie N. Landman, Kerkgenootschap, stichting of vereniging; de juridische structuur van islamitische organisaties in Nederland, in: F.A. van Bakelen, Recht van de islam 8, 1991, p. 75 e.v.
23 Zie art. 2:26 en verder titel 2 boek 2 BW voor de vereniging en art.2:285 en verder titel 6 van boek 2 BW voor de stichting.

|130|

handelsregister vereist. Wel zijn dan de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vereniging. Bovendien kan zo’n vereniging geen onroerend goed verwerven en geen erfgenaam zijn. Deze vorm zal voor vele kerkelijke gemeenschappen daarom niet aantrekkelijk zijn.

Voor haar leden moge een in verenigings- of stichtingsvorm gegoten kerkelijke gemeenschap evenveel kerk zijn als een als kerkgenootschap bestaande organisatie, voor het recht is die gelijkheid er niet, althans maar in beperkte mate.24 Vanuit het grondrecht van de vrijheid van godsdienst gezien zijn de kerkgenootschappen en de in verenigings- of stichtingsvorm opgezette religieuze organisaties van gelijke orde. Voor het burgerlijk recht zijn zij echter ongelijk. Door te kiezen voor een burgerlijkrechtelijke vorm (vereniging of stichting) zijn zij onderworpen aan de regels betreffende de interne regeling en de externe verhoudingen zoals die in boek 2 BW zijn neergelegd. Wat betreft de vereniging is van belang dat deze een duidelijk democratische structuur dient te hebben, waarbij aan de algemene ledenvergadering dwingend bevoegdheden zijn gegeven. Er zijn wel statutair variaties aan te brengen, doch deze mogelijkheid is niet onbeperkt. Anders dan wanneer een organisatie als kerkgenootschap rechtspersoon is, is de organisatie in de vorm van vereniging dus niet geheel vrij in haar inrichting. Voor de stichting gelden minder inrichtingseisen, maar wel zal rekening dienen te worden gehouden met het ‘ledenverbod’. Naast het bestuur mogen er wel andere organen zijn, maar er mag niet een orgaan zijn dat qua bevoegdheden vergelijkbaar is met de algemene vergadering van de vereniging.

In elke vereniging of stichting dient een bestuur te zijn, dat ook werkelijk voldoende bevoegdheden moet hebben om te besturen. In de zaak van het bestuur van de stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland tegen de stichting World Islamic Mission25 was het bestuur in belangrijke beslissingen afhankelijk van het bindend advies van de geestelijk leider van de stichting, die in Pakistan verbleef. Volgens de Hoge Raad kon deze statutaire regeling door de beugel en frustreerde deze niet zonder meer het bestuurlijk functioneren van de stichting. Bovendien stelden Hof en Hoge Raad dat de bindende adviezen van de geestelijk leider op zich onderworpen zijn aan de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 en 2:15 BW. Alleen wanneer het geloofskwesties betreft, onthoudt de rechter zich van een oordeel. De Hoge Raad doet in feite iets dubbels: in de eerste plaats wordt aan de stichting in feite dezelfde


24 Zie T.J. van der Ploeg, Kan een kerkgenootschap ook een vereniging of stichting zijn?, in: Een heer hoeft niet alles alleen te doen. Afscheidsbundel voor prof.mr. A.J.O. Baron van Wassenaer van Catwijck, vakgroep privaatrecht VU 1993, p. 65-70.
25 HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (World Islamic Mission).

|131|

organisatorische ruimte gegeven als aan een kerkgenootschap.26 Daar heb ik wel een probleem mee, omdat in het wettelijk systeem het bestuur van een stichting in principe autonoom is. In de tweede plaats wordt aangegeven dat de gedragingen en besluiten in het kader van de stichting (ook de bindende adviezen van de geestelijk leider uit Pakistan vallen binnen dit kader) zullen worden getoetst aan de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid. Het is de vraag wat dit laatste kan betekenen. Immers bij de toetsing van besluiten van rechtspersonen aan de redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW zijn de interne verhoudingen van de organisatie bepalend. Deze worden mee bepaald door het doel en de aard van de rechtspersoon. Het gaat om een marginale toetsing. De rechter kan derhalve niet stellen wat hij redelijk of billijk zou vinden — vanuit zijn Nederlandse visie — maar alleen tot vernietiging overgaan als geen redelijk denkend iemand het besluit van de geestelijk leider zou hebben kunnen nemen. De redelijkheid wordt hier dus sterk gekleurd door het godsdienstig karakter van de stichting.27 De geruststellende verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid suggereert dus een grotere mogelijke doorwerking van de algemene maatschappelijke normen, dan systematisch juist zou zijn.

 

Andere rechtspersoonsvorm, deels andere juridische regels

De vrijheid van godsdienst, ook van godsdienstige organisaties dient gerespecteerd te worden. Daarom is aan de rechtspersoonsvorm kerkgenootschap in organisatorisch opzicht de volle vrijheid gegeven. De keuze voor de rechtsvorm vereniging of stichting is een keuze voor een burgerlijkrechtelijke rechtsvorm, waaraan organisatorische en andere regels zijn gekoppeld. Daaraan is een geloofsgemeenschap die zo'n rechtsvorm kiest ook onderworpen. Dat feitelijk de Nederlandse wetgever het voor religieuze organisaties moeilijk maakt om als zodanig rechtspersoonlijkheid te verwerven, is kwalijk, maar zou wat mij betreft vooral moeten leiden tot een verbetering op dit punt in plaats van het uitkleden van de regels voor stichtingen en verenigingen wanneer religieuze organisaties daarvan gebruik maken.

 

De regels over besluiten en nietigheid van besluiten, vertegenwoordiging (en ontbinding en vereffening) worden, ingeval de religieuze organisatie de verenigings- of stichtingsvorm aanneemt, ook beheerst door de bepalingen van boek 2 BW.


26 Zie instemmend M.J.G.C. Raaijmakers, in: Kerkgenootschap en stichting; iets over HR 12 mei 2000, RvdW 2000,121, A-T-D (Van Schilfgaardebundel), 2000, p. 351 e.v.
27 Zie Dijk-Van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer 2001, vierde druk, p. 88-89.

|132|

De regeling betreffende vertegenwoordiging van verenigingen en stichtingen is anders dan die voor kerken (zie paragraaf 6.4 hierna) en natuurlijke personen (mensen). De gewone regel voor vertegenwoordiging is grofweg dat de vertegenwoordiger (de gevolmachtigde) de vertegenwoordigde (volmachtgever) alleen kan binden door een rechtshandeling (bijvoorbeeld koop) aan een derde, wanneer hij binnen zijn volmacht blijft. Gaat hij buiten zijn boekje, dan is de vertegenwoordigde niet gebonden en is de onbevoegde vertegenwoordiger schadeplichtig tegenover de derde. Bij de in boek 2 BW geregelde rechtspersonen, zoals de vereniging en de stichting is de regeling betreffende vertegenwoordiging echter anders, gunstiger voor de derde.28 Als het bestuur of een of meer bestuurders die statutair bevoegd zijn verklaard tot vertegenwoordiging, de rechtspersoon vertegenwoordigen, is de rechtspersoon gebonden. Dit is gekoppeld aan de verplichting om de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders in het handelsregister in te schrijven. Wat is ingeschreven kan door de rechtspersoon aan derden, maar ook door derden aan de rechtspersoon worden tegengeworpen. Dat de vertegenwoordigers zich niet aan statutaire of reglementaire regels hebben gehouden betreffende goedkeuring door een ander orgaan, enzovoort, doet niet ter zake.29 Wellicht kunnen de bestuurders om die reden worden ontslagen; de gebondenheid van de rechtspersoon aan de derde blijft in stand.

 

Van de rechtsfiguren vereniging en stichting naar burgerlijk recht wordt ook gebruik gemaakt door leden of vrienden van kerkgenootschappen voor bijzondere doelen. Daarmee kunnen bijvoorbeeld extra middelen voor het kerkgenootschap worden vergaard.30

 

6.4 Vertegenwoordiging31

Zoals hiervoor reeds op enkele plaatsen naar voren kwam, geldt voor de vertegenwoordiging van kerkgenootschappen een sterk afwijkende regeling


28 Deze regeling is ingevoerd in Nederland voor alle in boek 2 BW geregelde rechtspersonen, hoewel de 1e Europese Vennootschapsrichtlijn deze regeling alleen verplicht stelde voor de NV.
29 Wanneer de derde in deze niet te goeder trouw is ligt het anders.
30 Zie Rb ’s-Hertogenbosch 31 mei 1985, NJ 1986, 413 (orgelfonds, vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid).
31 Zie ook LC. van Drimmelen, De vertegenwoordiging van kerkelijke rechtspersonen, in: Met recht verenigd (Dijkbundel), 1986, p. 159 e.v.

|133|

vergeleken met de andere privaatrechtelijke rechtspersonen. Er zijn op twee punten verschillen.

In de eerste plaats ten aanzien van de tot vertegenwoordiging bevoegden. Anders dan bij de in boek 2 BW geregelde rechtspersonen, is er bij kerkgenootschappen, hun onderdelen of de lichamen waarin zij zijn verenigd niet noodzakelijk één bestuur, dat tot vertegenwoordiging bevoegd is. In veel kerken is er niet zonder meer een bestuur — met vertegenwoordigingsbevoegdheid — aan te wijzen. De vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt veelal aan een of twee functionarissen verleend voor met zoveel woorden aangegeven terreinen. Om een voorbeeld te geven. In de ordinanties van de Protestantse Kerk Nederland wordt de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de gemeente in vermogensrechtelijke zaken aan de voorzitter en secretaris van het college van kerkrentmeesters gegeven, in diaconale aangelegenheid berust die bevoegdheid bij de voorzitter en de secretaris van de diaconie32 terwijl de voorzitter en de scriba van de kerkenraad de gemeente in andere zaken vertegenwoordigen. Wanneer in een bepaalde transactie meerdere aangelegenheden een rol spelen, moeten dus de handtekeningen van alle ter zake doende vertegenwoordigers worden geplaatst.

Bij belangrijke beslissingen is er bovendien veelal ook een besluit van een orgaan noodzakelijk. Meestal van het orgaan waarvan de vertegenwoordigers deel uitmaken, maar soms ook, vooral bij contracten waarbij grote financiële belangen spelen, een goedkeurend besluit van een toezichthoudend orgaan van een bovenplaatselijk niveau.

Het tweede grote verschil is, dat al deze interne kerkelijke regelingen inzake de besluitvorming en vertegenwoordiging, hoewel zij niet gepubliceerd (kunnen) worden, naar buiten de bevoegdheid tot vertegenwoordiging bepalen. Indien door iemand namens een kerkelijke rechtspersoon een rechtshandeling wordt verricht, waarbij de kerkelijke regeling niet in acht is genomen — of terwijl hij niet meer de functie uitoefent op grond waarvan hij bevoegd zou zijn als vertegenwoordiger op te treden — dan kan de kerkelijke rechtspersoon aan de derde de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van betrokkene tegenwerpen.

 

Een duidelijk voorbeeld van deze problematiek biedt Hof 's-Hertogenbosch 8 juli 1991, KG 1991, 368. Volgens het Algemeen Reglement voor het bestuur van een parochie van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland is voor de verkoop van onroerende zaken een schriftelijke machtiging van de bisschop


32 Dan wordt bovendien niet de gemeente maar de rechtspersoon diaconie vertegenwoordigd. Ingevolg Ord. 11-5 bestaat op plaatselijk vlak naast de rechtspersoon gemeente voor diakonale aangelegenheden de rechtspersoon diakonie.

|134|

nodig. Voorzitter-priester en secretaris van het bestuur van de parochie Stein-Kerensheide hebben zonder zo’n machtiging een woonhuis met erf, dat eigendom was van de parochie, verkocht aan Buurenstein. Deze wist niets af van een noodzakelijke machtiging van de bisschop. Het Hof overweegt:

(Buurenstein) kan zich er ook niet op beroepen, dat hij de bevoegdheidsbeperking en de onbevoegdheid van de parochie tot de litigieuze verkoop niet kende. Buurenstein heeft niet onderzocht, noch door zijn makelaar of notaris doen onderzoeken of de parochie bevoegd was. Toch had een dergelijk onderzoek in de rede gelegen, niet alleen omdat Buurenstein wist met een rechtspersoon van eigen aard te handelen, maar ook omdat bij verenigingen en stichtingen de Nederlandse wet in art. 44 en 219 boek 2 aan besturen de bevoegdheid tot verkoop van onroerend goed onthoudt, tenzij de statuten anders regelen. De vraag naar de bevoegdheid tot vervreemding door een verkoper-rechtspersoon is dus geenszins ongebruikelijk en mag door de koper niet gepasseerd worden.

De kerkelijke rechtspersoon is dan niet gebonden, tenzij deze tegenover de derde de schijn gewekt had dat betrokkene bevoegd optrad.33 Het is uiteraard wel mogelijk dat de kerkelijke rechtspersoon de transactie bekrachtigt.34 Daarvoor dient dan echter wel de juiste interne procedure te worden gevolgd.

 

Kan de wederpartij eventueel de onbevoegdheid van degenen die de kerkelijke rechtspersoon vertegenwoordigen aan die rechtspersoon tegenwerpen op grond dat de interne procedure niet correct is gevolgd?35 Volgens het algemeen burgerlijk recht kan iemand die met een onbevoegde vertegenwoordiger handelt en die dit weet of redelijkerwijs had kunnen weten, zich niet later om die reden aan de rechtshandeling onttrekken. Hij dient dan de onbevoegd vertegenwoordigde een termijn te gunnen waarbinnen hij kan bekrachtigen. Vindt geen geldige bekrachtiging plaats, dan is degene die met een onbevoegde vertegenwoordiger handelde weer vrij. Komt hij er later achter dat hij met een onbevoegde vertegenwoordiger handelde, dat kan hij aan de onbevoegde vertegenwoordiger, dan wel de onbevoegd vertegenwoordigde te kennen geven dat hij de rechtshandeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig


33 Zie art. 3:61 lid 2 BW.
34 Vergelijk HR 4 december 1970, NJ 1971, 111.
35 Vergelijk de curieuze zaak Hervormde gemeente Montfoort-P. de Kamper, pres. Rb. Utrecht 13 juli 1999, KG 1999, 262.

|135|

beschouwt. Zolang de wederpartij zo’n kennisgeving niet heeft gedaan, kan de onbevoegd vertegenwoordigde de handeling nog bekrachtigen.36

 

De interne regeling van de kerkelijke rechtspersoon kan aan derden worden tegengeworpen, terwijl die meestal niet algemeen bekend of eenvoudig kenbaar is. Deze situatie is voor hen niet aantrekkelijk. Wanneer dit ertoe zou leiden dat er met kerkelijke rechtspersonen geen contracten meer gesloten zouden worden, zou dat ook voor de kerk heel ongelukkig zijn. Nu kan de kerkelijke rechtspersoon vanwege de grondslag waarop hij staat, wel het vertrouwen krijgen van de crediteur; en vanwege haar grondslag is zij uiteraard ook gehouden om maatschappelijk zorgvuldig en betrouwbaar op te treden. Als hij later echter spijtig moet melden dat de interne procedure niet in acht is genomen en dat hij zich moet beroepen op de ongeldigheid van het contract, dan zal het vertrouwen en de goodwill wel verspeeld zijn. Het is derhalve aan te raden om in geval van optreden in het rechtsverkeer de interne regels omtrent besluitvorming en vertegenwoordiging aan de wederpartij te verstrekken, zodat deze bedacht kan zijn op de voorwaarden en om bewijs kan vragen of aan die voorwaarden is voldaan.37 Op deze wijze wordt de kerkelijke rechtspersoon ook een minder ondoorgrondelijke wederpartij.

 

In art. 3:61 lid 3 BW staat:

Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn, dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

Het is denkbaar dat onder omstandigheden een interne kerkelijke regeling, die aan de bevoegdheid van de vertegenwoordigers van bijvoorbeeld een kerkelijke gemeente beperkingen oplegt, als zo ongebruikelijk wordt beschouwd, dat de beperkingen niet tegenover derden kunnen worden ingeroepen. Weliswaar dient een wederpartij van een kerkelijke rechtspersoon er op bedacht te zijn dat er speciale interne regelingen gelden, maar dat betekent niet dat hem onder alle omstandigheden kan worden tegengeworpen dat er geen bevoegdheid van de vertegenwoordiger was omdat de interne regels niet in acht waren genomen.


36 Zie voor een en ander art. 3:69 BW.
37 De kerkelijke rechtspersoon kan niet na het sluiten van het contract op voorwaarde dat de interne goedkeuring wordt verleend de condities gaan veranderen: Rb. Amsterdam 28 november 1991, KG 1992, 6.

|136|

Het is heel goed denkbaar dat de vertegenwoordiger van de kerkelijke rechtspersoon zelf niet op de hoogte was van de interne regelingen. In dit verband verwijs ik naar de jurisprudentie inzake onbevoegde vertegenwoordiging door publiekrechtelijke rechtspersonen.38

 

Het is ook de vraag of de kerkelijke rechtspersoon er altijd wel mee gebaat is, wanneer zijn beroep op onbevoegdheid van de vertegenwoordiger slaagt. Immers, dan zouden de vertegenwoordigers van de kerkelijke rechtspersoon door de wederpartij kunnen worden aangesproken tot betaling van schadevergoeding, althans wanneer de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet al had kunnen begrijpen dat de bevoegdheid van de vertegenwoordiger ontbrak. Zie art. 3:70 BW. Wanneer er sprake is van misverstanden en gebrek aan overzicht bij de vertegenwoordigende ambtsdragers — en wellicht ook van gebrekkige voorlichting vanuit de hogere kerkelijke organen — dan zou het in de verhouding tussen het kerkgenootschap (de kerkelijke rechtspersoon) en de desbetreffende ambtsdragers niet passend zijn de gevolgen van deze vertegenwoordigingsgebreken geheel voor rekening te laten komen van de ambtsdragers. De kerkelijke rechtspersoon zal in zo’n geval mijns inziens de door de wederpartij bij degenen die als vertegenwoordiger optraden, terecht geclaimde schade voor zijn rekening dienen te nemen.


38 Zie HR 27 januari 1984, NJ 1984, 545 (WCO-Koma) en P. van Schilfgaarde, Dijk-bundel, Gouda Quint 1986, p. 229 e.v.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 7a

137-143

|137|

7a Fusie en splitsing van kerkgenootschappen

Volgens het kerkelijk recht

L.C. van Drimmelen

 

 

7a.1 Inleiding

In dit hoofdstuk gaat het om meer dan fusie en splitsing. Ook oprichting, omzetting en opheffing passeren de revue. Hier en daar wordt kortheidshalve alleen over fusie en splitsing gesproken terwijl tevens aan oprichting, omzetting en opheffing gedacht moet worden.

Daarbij dient opgemerkt dat dit hoofdstuk niet alleen gaat over kerkgenootschappen, maar ook over zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen en lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd.

Het is niet eenvoudig scherp in beeld te krijgen hoe een en ander in zijn werk gaat. Niet alleen omdat de regels voor fusie en splitsing van rechtspersonen in het Burgerlijk Wetboek niet geschreven zijn voor kerkgenootschappen, maar ook omdat aan elke rechtshandeling in deze sfeer een besluit van een kerkelijk orgaan ten grondslag ligt en de daarbij behorende procedure in elke kerkgemeenschap weer anders verloopt.

Daarom worden hier de meest relevante bepalingen uit drie verschillende kerkordes met betrekking tot fusie en splitsing van kerkelijke rechtspersonen gegeven met zonodig een korte uitleg. Vervolgens wordt ingegaan op de burgerrechtelijke aspecten van deze procedures waarbij de vraag aan de orde komt of een besluit van een kerkelijk orgaan tot fusie of splitsing enzovoort van een kerkelijke rechtspersoon metterdaad ook het beoogde burgerrechtelijk effect heeft. Maar minstens zo intrigerend is de vraag hoe fusie en splitsing van een geloofsgemeenschap binnen geloofsgemeenschappen wordt beleefd. Met het beantwoorden van de laatste vraag begin ik.

|138|

Een schat in aarden vaten

De Kerk, waar Christus van spreekt1 en die wij noemen in de Apostolische Geloofsbelijdenis,2 treedt zintuiglijk waarneembaar aan den dag in de veelheid van christelijke geloofsgemeenschappen, kerken, parochies en gemeenten, die wij kunnen vinden in het telefoonboek.

Intussen gaat het allemaal om dezelfde kerk, het is één kerk, dé Kerk,3 de zichtbare verschijningsvorm van de Kerk van Christus, waarvan Hij de Opperherder is.4

Deze zintuiglijk waarneembare en door mensen van vlees en bloed gevormde kerk is een precarious organisation;5 de Heer van de Kerk heeft de schat van het Evangelie toevertrouwd aan aarden vaten.6

Deze Kerk maakt in de loop der eeuwen haar eigen geschiedenis door. Deze geschiedenis lijkt vooral een geschiedenis van strijd. Strijd tegen vervolging, tegen de verleiding van andere religies, tegen ketterij binnen de kerk, tegen onderlinge verdeeldheid en tegen geloofsafval.

Tegelijk is het een geschiedenis van uitbreiding en inkrimping, van bloei en verval, van het stichten van nieuwe gemeenten, van splitsing en scheuring, van elkaar vinden en samenvoeging en ook van opheffing van gemeenten vanwege secularisatie of gewoon naar aanleiding van demografische ontwikkelingen. En dat, zonder dat het als zodanig aan het voortbestaan van de Kerk en aan de eenheid in Christus afbreuk doet. Want deze eenheid wordt niet gemaakt door fusie en niet gebroken door splitsing en scheuring, maar door de wijze waarop de volgelingen van de éne Heer met elkaar omgaan.

 

Overzicht

Om een overzicht te krijgen over het onderwerp van dit hoofdstuk dienen de volgende onderscheidingen te worden gemaakt:
1 We hebben te maken met:
- Landelijke kerkgenootschappen, zoals de Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland, de Nederlandse Hervormde Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland;


1 Mattheüs 16 vs 18.
2 Apostolische Geloofsbelijdenis, art. 9: Credo sanctam catholicam ecclesiam, Ik geloofde heilige Katholieke Kerk.
3 Hans Küng, Die Kirche, Freiburg 1968-4, p. 37-54.
4 Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, art. I, lid 1.
5 De titel van de dissertatie van Mady A. Thung, The Precarious Organisation, Den Haag 1976.
6 II Corinthiërs 4 vs 7.

|139|

- zelfstandige onderdelen van deze kerkgenootschappen, zoals Rooms-Katholieke parochies, hervormde gemeenten, gemeenten die behoren tot de Protestantse Kerk in Nederland, parochiële caritasinstellingen, de diaconieën van hervormde en protestantse gemeenten;
- kerkgenootschappen die slechts uit één gemeente bestaan, zoals gereformeerde kerken, vrije evangelische gemeenten, baptistengemeenten en andere vrije gemeenten;
- lichamen waarin de laatstgenoemde kerkgenootschappen zich hebben verenigd, zoals de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Remonstrantse Broederschap, de Unie van Baptistengemeenten.
2 Al deze kerkelijke rechtspersonen hebben in hun geschiedenis te maken met:
- oprichting, vorming, instituering, stichting;
- deling, splitsing, afscheiding, scheuring;
- omvorming, verandering van structuur, omzetting;
- samengaan, samenvoeging, vereniging;
- opheffing, verdwijning, teniet gaan.

Bij al deze gebeurtenissen vallen de kerkrechtelijke en de civielrechtelijke realiteit niet steeds samen.

 

Elke christelijke geloofsgemeenschap leeft in de overtuiging dat haar begin ligt in de ene oorspronkelijke ongedeelde kerk waarover het Nieuwe Testament vertelt en dat zij zal blijven voortbestaan tot het einde der tijden. Daarom zijn oprichting en opheffing nooit ècht aan de orde. Fusie houdt volgens de definitie van art. 308 Boek 2 BW het verdwijnen van de fuserende rechtspersonen in en het ontstaan van één nieuwe rechtspersoon. Kerkrechtelijk worden in de verenigde kerk de zich verenigende kerken voortgezet.7

De zich verenigende kerken worden dus niet opgeheven en de verenigde kerk is niet iets nieuws. Wanneer paragraaf 2 van c. 515 CIC spreekt over oprichten, veranderen en opheffen van parochies worden fusie en splitsing niet vergeten, want oprichting van een nieuwe parochie is in wezen splitsing van een te grote parochie en opheffen van een parochie gebeurt door die samen te voegen met een andere parochie.

Bij het bestuderen van de kerkrechtelijke regels inzake fusie en splitsing van kerkelijke rechtspersonen hebben we dus niet alleen te maken met een andere realiteit maar ook met een andere gedachtegang en een andere terminologie. Dat moeten we bedenken als wij gaan bezien wat de verschillende kerkorden


7 Art. II, lid 1, PKO.

|140|

bepalen inzake het fuseren en splitsen van kerken, parochies, gemeenten, zelfstandige onderdelen en kerkverbanden.

 

7a.2 Kerkelijke regelingen betreffende fusie, opheffing en splitsing

In de eerste plaats geven wij hier de meest relevante bepaling uit de Codex Iuris Canonici van de Rooms-Katholieke Kerk weer, waaruit het episcopaal-hiërarchische karakter8 van deze kerk blijkt
CIC, c. 515, paragraaf 2:

2 Parochies oprichten, opheffen of deze veranderen, komt alleen aan de diocesane Bisschop toe, die geen parochies mag oprichten, opheffen of deze in belangrijke mate veranderen, tenzij na de priesterraad gehoord te hebben.

CIC, c. 373:

Alleen het hoogste gezag komt het toe particuliere Kerken op te richten; eenmaal opgericht zijnde, bezitten zij van rechtswege rechtspersoonlijkheid.

Voor het presbyteriaal-synodale kerktype bezien we de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. De belangrijkste bepalingen ter zake zijn:
PKO, Ord. 2-12-1, 2, 4:

1 Een protestantse gemeente wordt gevormd door vereniging van twee of meer tot de kerk behorende gemeenten, waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk samenvalt.
2 Een besluit tot vereniging wordt genomen door de kerkenraden van de betrokken gemeenten, nadat de leden van de gemeenten daarin gekend en daarover gehoord zijn.
4 Vereniging van twee of meer gemeenten tot een protestantse gemeente kan alleen plaatsvinden met medewerking en goedvinden van de classicale vergadering
.


8 Zie over typen van kerkelijke organisatie, hoofdstuk 10.

|141|

PKO, Ord. 2-13-1:

1 De vorming van een nieuwe gemeente geschiedt — hetzij op verzoek van belanghebbende leden van de kerk, die in een bepaald gebied woonachtig zijn, hetzij op verzoek van een of meer kerkenraden van de betrokken gemeente — door de classicale vergadering.

PKO, Ord. 2-14-1:

1 Twee of meer aangrenzende gemeenten dan wel twee of meer gemeenten die in eenzelfde gebied gelegen zijn, waaronder ten minste een gemeente van bijzondere aard, kunnen — op verzoek van de kerkenraden van de betrokken gemeenten en nadat de leden van de betreffende gemeenten gelegenheid hebben gekregen hun oordeel kenbaar te maken — door de classicale vergadering worden samengevoegd tot een nieuwe gemeente.

PKO, Ord. 2-20-1:

1 De gemeenten worden samengebracht in classes en de classes in regionale verbanden door de kleine synode.

PKO, Ord. 14-6-1, 2:

1 Wanneer de Protestantse Kerk in Nederland met een andere kerk in Nederland of daarbuiten, waarmee eenheid of verwantschap bestaat in geloof en kerkorde, tot vereniging wil komen, ontwerpt ze daartoe bij ordinantie vast te stellen regels en brengt ze de noodzakelijke wijzigingen in de ordinanties aan volgens het bepaalde in artikel XVII van de kerkorde.
2 Een besluit tot vereniging wordt, na vaststelling in eerste lezing door de generale synode, ter consideratie door de classicale vergaderingen aan de kerkenraden toegezonden. Na de behandeling van de consideraties van de classicale vergaderingen vindt in de generale synode de vaststelling in tweede lezing en de eindstemming plaats over het besluit tot vereniging.
Voor het besluit tot vereniging is bij de eindstemming een meerderheid vereist van ten minste tweederde van de uitgebrachte geldige stemmen
.

|142|

Kenmerkend voor deze regelingen is, dat de beslissing over fusie en splitsing van een zelfstandig onderdeel van de kerk wordt genomen door de naastvolgende meerdere vergadering. Dat is in het geval van fusie of splitsing van gemeenten de betreffende classicale vergadering en in het geval van fusie of splitsing van een classis de (kleine) synode.

Tevens valt op te merken dat de kerkorde van de protestantse kerken in Nederland regels kent met betrekking tot vereniging met andere kerken in Nederland of daarbuiten. De CIC kent een dergelijke regel niet omdat de Rooms-Katholieke Kerk de apostolische volheid heeft waarbij andere kerkformaties zich alleen maar kunnen aansluiten.

 

Ook de Gereformeerde Kerken in Nederland zijn van het presbyteriaal-synodale type, maar zij staan tegelijkertijd model voor al die kerkgemeenschappen die het woord ‘gereformeerd’ in hun naam dragen. Daarbij zijn in principe de plaatselijke gemeenten kerkgenootschappen en is het landelijk kerkverband een lichaam waarin de plaatselijke kerken zijn verenigd.9 Kenmerkend voor de procedure van fusie en splitsing enzovoort is dat de beslissing daarover wordt genomen door een orgaan van een betreffend kerkelijk lichaam zélf; de naast-volgende meerdere vergadering heeft alleen maar te bezien wat de gevolgen van de fusie of splitsing zijn voor andere plaatselijke kerken of voor andere (bovenplaatselijke) kerkelijke lichamen en of deze gevolgen aanvaardbaar zijn. De kerkorde heeft de materie als volgt geregeld:
GKO, art. 42:

1 Wanneer ter instituering van een kerk een kerkenraad wordt ingesteld, gebeurt dit niet dan met medewerking en goedvinden van de classis.
2 De kerkenraad is bevoegd te besluiten tot splitsing van de kerk, tot samenvoeging van de kerk met een of meer andere kerken of tot opheffing van de kerk. Hij zal een dergelijk besluit niet nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en er over gehoord te hebben.
3 Splitsing, samenvoeging en opheffing van kerken kunnen alleen plaatsvinden met medewerking en goedvinden van de classis
.

GKO, art. 49:

1 Het ressort van een classis wordt gevormd door ten minste zes in elkanders nabijheid gelegen kerken.


9 Zie hierover paragraaf 6.1.

|143|

2 Indien het aantal kerken meer dan twintig bedraagt, zal, en indien het meer dan twaalf bedraagt, kan, tot splitsing van het ressort van de classis worden overgegaan.10
3 Splitsing van het ressort van de classis en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de particuliere synode.

GKO, art. 53:

1 Het ressort van een particuliere synode wordt gevormd door de kerken van ten minste drie in elkanders nabijheid gelegen classes.
2 Indien het aantal classicale ressorten meer den zes bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een particuliere synode worden overgegaan.
3 Splitsing van het ressort van een particuliere synode en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de generale synode
.

GKO, art. 128, lid 1:

1 Met kerken en groepen van gereformeerde belijdenis en kerkregering in Nederland zullen betrekkingen aangeknoopt en onderhouden worden in het belang van herstel van de eenheid.

Statuten van kerkverbanden van het congregationeel-independente type worden voor dit hoofdstuk niet gebruikt, omdat het independente juist met zich meebrengt dat voor stichting, splitsing, samenvoeging en opheffing van gemeenten géén voorschriften worden gegeven door de landelijke kerkgemeenschap.


10 In de uitvoeringsbepalingen bij artikel 42 GKO wordt de volgende vuistregel gegeven: ‘Splitsing van de bestaande kerk verdient de voorkeur boven instituering van een nieuwe kerk wanneer het gaat om het uiteengaan van twee of meer ongeveer gelijke delen van de ongedeelde kerk. Samenvoeging van kerken verdient de voorkeur boven opheffing van een kerk wanneer het ledenbestand en het territoir van die kerk als gevolgd van de opheffing vrijwel geheel gevoegd zou worden bij één genabuurde kerk.’

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 7b

145-158

|145|

7b Fusie en splitsing van kerkgenootschappen

Civielrechtelijke aspecten

T. van Kooten & T.J. van der Ploeg

 

 

7b.1 Inleiding

In dit hoofdstuk bezien wij de verschijnselen die Van Drimmelen in hoofdstuk 7a beschrijft vanuit civielrechtelijk oogpunt namelijk vorming, fusie, splitsing en optelling van kerkgenootschappen. Daarbij is het van belang om te constateren dat in de eerste plaats naar burgerlijk recht kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij verenigd zijn rechtspersonen zijn en dat deze geregeerd worden door hun eigen statuut. Om die reden behandelen wij hierna bij de bespreking van fusie (paragraaf 7b.2) en splitsing (paragraaf 7b.3) eerst deze interne fusies. Vanuit het civielrecht bezien is van belang welke ruimte kerkgenootschappen hebben ten aanzien van hun zelfstandige onderdelen en welke civielrechtelijke effecten daaraan zijn verbonden.

Daarbuiten zijn kerkgenootschappen onderworpen aan het burgerlijk recht. Voor wat betreft boek 2 BW is daarbij bepaald dat overeenkomstige toepassing van de inleidende titel geoorloofd is (voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard van de onderlinge verhoudingen). De onderwerpen (juridische) fusie en (juridische) splitsing worden in boek 2 BW echter geregeld in titel 7. In de desbetreffende paragrafen komt deze problematiek van de fusie en splitsing van kerkgenootschappen (en dus niet die van zelfstandige onderdelen) dus in de tweede plaats aan bod.

In de tot nog toe genoemde verschijnselen is er sprake van rechtshandelingen door bevoegde kerkelijke organen. Wij zouden van kerkscheuring willen spreken, wanneer er zich feitelijk een splitsing in het kerkgenootschap voordoet zonder dat er sprake is van zo’n rechtshandeling. De civiele rechter heeft ten aanzien daarvan jurisprudentie ontwikkeld. Hij heeft daarbij noch aan kerkelijk recht noch aan het burgerlijk recht veel houvast (zie paragraaf 7b.4).

Boek 2 BW kent ook een omzettingsregeling waarbij de ene soort rechtspersoon met behoud van identiteit kan worden omgezet in een andere rechtspersoon. Deze lijkt ook op kerkgenootschappen toepasbaar te zijn (zie paragraaf 7b.5).

|146|

Ten slotte wordt bezien welke regels van het burgerlijk recht gelden voor de ontbinding van een kerkgenootschap (paragraaf 7b.6).

 

7b.2 Fusie

Samenvoeging (fusie) van zelfstandige onderdelen1

Wanneer overeenkomstig de orde van het kerkgenootschap2 gemeenten of parochies of andere zelfstandige onderdelen worden samengevoegd, zal in de eerste plaats voor het goed functioneren van de samengevoegde kerkelijke rechtspersoon (gemeente) een duidelijke regeling moeten zijn getroffen betreffende de samenstelling van de ambtelijke organen en andere commissies. Daarnaast is er het vermogensrechtelijke aspect van de samenvoeging. In de besluitvorming omtrent de samenvoeging is inbegrepen de bedoeling dat de schulden en bezittingen van de verdwijnende gemeente deel gaan uitmaken van het vermogen van de gemeente, die na de samenvoeging overblijft.3 De vraag is of dit ook naar burgerlijk recht op deze wijze mogelijk is, of dat overdracht van de bezittingen, cessie van de vorderingen en overdracht van schulden — als de schuldeiser instemt — nodig is. Hiervoor is geen rechtstreeks antwoord in het BW te vinden. Ons inziens is er echter alle reden om aan te nemen dat er bij de geschetste samenvoeging van gemeenten sprake is van overgang onder algemene titel, zodat overdracht niet meer op zijn plaats is.4 Argumenten daarvoor zijn enerzijds de bevoegdheid die artikel 2:2 BW aan kerkgenootschappen heeft gegeven om zelfstandige onderdelen te creëren en te doen verdwijnen en anderzijds de tekst van art. 3:80 BW van vóór 1998, waar stond wat men onder algemene titel verkreeg bij opvolging in het vermogen van een rechtspersoon die opgehouden heeft te bestaan. Deze zinsnede is vervangen door een expliciete verwijzing naar de regeling van de juridische fusie en splitsing in boek 2 BW, maar daarmee was niet bedoeld een werkelijke


1 Zie over het begrip zelfstandig onderdeel hoofdstuk 6 De kerken in het privaatrecht.
2 Hierbij kan eventueel een bestuur van een zelfstandig onderdeel overruled worden door een hoger orgaan afhankelijk van de kerkelijke regeling; zie Rb. Breda 12 december 2001, KG 2001, 41 inzake fusie van parochiële caritas-instellingen waarbij een onwillig bestuur werd ontslagen door de bisschop en vervangen door interimbestuurders.
3 Zie art. 14.1 Lutherse Algemene Ordening en Uitvoeringsbepalingen Gereformeerde KO ad art. 42, a.w., p. 165.
4 In de R.K.-Kerk gaat men hier ook van uit. Zie hierover P.M.M. Stassen, Fusie van parochies, in: A.P.H.Meijers, De parochie van de toekomst, Leuven 1998, met name de bijlagen met modellen, p. 209-223.

|147|

wijziging te bewerkstelligen. Het artikel 3:80 BW kan nu analogisch worden toegepast op deze kerkelijke fusie.5

 

Fusie van kerkgenootschappen

Wanneer het gaat om kerkgenootschappen die zelf willen fuseren, kan privaatrechtelijk niet worden teruggevallen op de bevoegdheid van kerkgenootschappen om onderdelen of lichamen waarin zij zijn verenigd te creëren en te doen verdwijnen. Het gaat nu om de vraag of kerkgenootschappen (in het spraakgebruik: kerken) de bevoegdheid hebben om een fusie te bewerken die juridisch het ontstaan van een nieuw kerkgenootschap en de overgang onder algemene titel van het vermogen van de oorspronkelijke kerken aan de fusiekerk tot gevolg heeft. We stuiten hier op het begrip juridische fusie. Onder (juridische) fusie verstaat de wet de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.6

De wettelijke bepalingen inzake fusie (en splitsing) zijn op kerkgenootschappen niet van toepassing, omdat de wetgever dit heeft bepaald.7 De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de wetgever vanwege de scheiding van kerk en staat, aan de kerkgenootschappen de vrijheid wilde laten om alles wat met de inrichting van het kerkgenootschap te maken heeft, buiten de dwingende regels van boek 2 BW te kunnen regelen.8 Wel kan een kerkgenootschap kiezen voor analoge toepassing van de fusieregeling. Binnen de grenzen van het Nederlandse dwingend (privaat)recht zijn kerkgenootschappen hierin dus vrij.

Hoe zou men zich de analogische toepassing van de wettelijke fusieregeling op kerkgenootschappen kunnen voorstellen? In de eerste plaats dient er per kerkgenootschap een orgaan te zijn dat beslist over de fusie. De in het ‘Samen op Weg’-proces betrokken kerkgenootschappen hebben in dit verband hun kerkorden op dit punt aangevuld. Zie Ord. 2, art. 13-17 HKO, art. 128 lid 4 GKO en art. 189.1 Lutherse AO. Expliciet is bepaald welk orgaan en onder welke voorwaarden hiertoe kan besluiten. Weliswaar mag worden aangenomen dat het tot statutenwijziging en ontbinding bevoegde orgaan in principe bevoegd is om ook tot fusie te besluiten, het lijkt verstandig om de besluitvorming inzake fusie zelf ook expliciet te regelen, wanneer een uitzicht op fusie bestaat. In elke


5 Vergelijk Maeijer-Schreurs, Parlementaire Geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht 1991, p. 24-25 en 27. Hetzelfde geldt o.i. ook voor de kerkelijke splitsing.
6 Artikel 2:309 BW.
7 Artikel 2:2 lid 2 BW.
8 Kamerstukken T.K. 1987-1988, 17725, nr. 13, p. 9.

|148|

fuserende kerk zal dus een volgens de eigen regels geldig fusiebesluit moeten worden genomen. Daarin moet tevens ‘het kerkelijk statuut’ van de nieuwe gefuseerde kerk worden aangenomen.

 

De kerkelijke gemeenschap houdt door de fusie niet op; deze wordt uitgebreid. Theologisch gezien is het nieuwe kerkgenootschap een voortzetting van de oorspronkelijke kerken. Juridisch zijn de oorspronkelijke rechtspersonen (kerkgenootschappen) verdwenen.9

 

De juridische fusie geschiedt bij een notariële akte. Het lijkt verstandig dit op deze wijze ook in geval van een fusie van kerkgenootschappen te laten geschieden. In ieder geval zal er één fusiedocument moeten zijn, ondertekend door de bevoegde vertegenwoordigers van alle deelnemende kerkgenootschappen. Overigens zal een fusie van kerkgenootschappen met een verschillende structuur en regeling een uitgebreide overgangsregeling behoeven. Het is niet zo dat vanaf het moment van oprichting alleen de nieuwe kerkelijke regeling geldt.
De fusie van kerkgenootschappen bewerkt niet automatisch de fusie van de zelfstandige onderdelen. Of dit laatste gebeurt, hangt af van de inhoud van het fusiebesluit. Zo worden bij de fusie tot de Protestantse Kerken in Nederland de classes van de verschillende kerken, waarvan de grenzen in de periode voor de definitieve fusie gelijk zijn getrokken, wel gefuseerd, maar de plaatselijke gemeenten niet. Wel is het gevolg van de fusie van de kerkgenootschappen dat de zelfstandige kerkgenootschappen van de Gereformeerde Kerken in Nederland10 en de gemeenten die zelfstandige onderdelen zijn van de Nederlandse Hervormde kerk en de Evangelisch-Lutherse kerk — voorzover zij niet fuseren met die van de andere kerken — zelfstandig onderdeel worden van de gefuseerde kerk (PKN).11

De juridische fusieregeling in boek 2 BW (art. 2:309 BW e.v.) bevat een vrij uitgebreide regeling ter bescherming van schuldeisers. Ook deze geldt niet rechtstreeks bij de fusie van kerken. Maeijer wijst er echter terecht op dat ter wille van de bescherming van schuldeisers deze voor de fusie wel op de hoogte moeten worden gesteld, zodat zij met de fuserende kerkgenootschappen een regeling kunnen treffen.12


9 Vergelijk de plaatsvervanging wanneer een rechtspersoon door fusie of splitsing heeft opgehouden te bestaan, ingeval deze testamentair is bedacht, in art. 4:946 lid 3 BW.
10 Zie in dit verband ook de laatste alinea van paragraaf 7b.3 inzake omzetting.
11 Het verschil is dat zij na de fusie op landelijk niveau hun rechtspersoonlijkheid ontlenen aan de PKN.
12 Asser-Van der Grinten-Maeijer I (De rechtspersoon), 1997, nr. 219.

|149|

7b.3 Splitsing van kerkgenootschappen

Een punt waarover verwarring kan ontstaan is de vraag of splitsing van een kerkgenootschap hetzelfde is als scheuring van een kerkgenootschap. In beide gevallen is in de volksmond sprake van kerksplitsing. Immers, het voorheen ongedeelde kerkgenootschap bestaat nadien uit twee of meer geloofsgemeenschappen.

Ten behoeve van de overzichtelijkheid is het wijs om in deze discussie — naar analogie — de definities van de wetgever13 in aangepaste vorm te hanteren waarbij dus bij de splitsing in het algemeen14 eerst een tweedeling wordt gemaakt in zuivere splitsing en afsplitsing. Daarnaast bestaat dan de kerkscheuring.

Onder splitsing van een kerkgenootschap kan ten aanzien van de zuivere splitsing de rechtshandeling worden verstaan waarbij het vermogen van het kerkgenootschap — dan wel van een zelfstandig onderdeel — onder algemene titel en overeenkomstig de daaromtrent gemaakte afspraken wordt verkregen door twee of meer kerkgenootschappen en/of zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap. Het oude kerkgenootschap — dan wel zelfstandige onderdeel — gaat dus restloos op in twee of meer nieuwe kerkgenootschappen — dan wel zelfstandige onderdelen.

Onder afsplitsing wordt de rechtshandeling verstaan waarbij het vermogen van een onderdeel van een kerkgenootschap onder algemene titel en overeenkomstig de daaromtrent gemaakte afspraken wordt verkregen door een of meer andere bestaande en/of bij de splitsing op te richten kerkgenootschappen en/of zelfstandige onderdelen. Dat wil zeggen dat een onderdeel van een kerkgenootschap, bijvoorbeeld (een deel van) een kerkelijke gemeente zich mag losmaken van het kerkgenootschap of de gemeente waartoe het oorspronkelijk behoort en als zelfstandig kerkgenootschap of gemeente voortaan verder mag. In de bovenvermelde definities is telkens sprake van een rechtshandeling15 die erop is gericht te komen van één zelfstandig onderdeel of kerkgenootschap tot meerdere zelfstandige onderdelen althans waarbij meerdere zijn betrokken. Binnen het tot dan toe ongedeelde kerkgenootschap bestaat dus de wil daartoe en daartoe regelt men ook de gevolgen van die splitsing zoals de verdeling van het vermogen van het ongedeelde kerkgenootschap. Zo kan het voorkomen dat vanwege fundamentele verschillen van mening over de geloofsleer een kerkgenootschap besluit om — zoveel mogelijk in goed overleg — te komen tot een


13 Artikel 2:334a lid 2 en 3 BW.
14 In deze zin de ‘eigenlijke’ splitsing.
15 Artikel 3:33 BW definieert dit begrip als een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

|150|

(af)splitsing waarbij dus ook de geloofsgemeenschap wordt gedeeld in twee of meer geloofsgemeenschappen.16 Zolang men in staat is hierover afspraken te maken, kan men komen tot een zuivere splitsing of een afsplitsing. Dit kan zelfs in het statuut van het kerkgenootschap worden geregeld zoals bijvoorbeeld in de Nederlandse Hervormde Kerk.17 Deze kerk kent een regeling18 voor situaties waarbij binnen een hervormde gemeente een groep gemeenteleden behoefte heeft aan een andere prediking en catechese dan het merendeel van die gemeente, een aparte gemeente wordt gevormd. Via een ingewikkelde procedure en na bemoeienis van diverse bovenplaatselijke organen kan dan een zogenoemde ‘deelgemeente’ worden gevormd die ook rechtspersoonlijkheid heeft, dus ook met een apart college van kerkvoogden en eigen vermogen.

Daar waar sprake is van een (bijvoorbeeld landelijk georganiseerd) kerkgenootschap bestaande uit bijvoorbeeld plaatselijke gemeenten zijnde de zelfstandige onderdelen, kan zo’n kerkgenootschap dus voor die zelfstandige onderdelen een splitsingsregeling vaststellen. Het kerkgenootschap is daarin vrij voor zover de regeling niet in strijd is met het Nederlandse vermogensrecht. Zo mogen bij een dergelijke regeling de schuldeisers niet worden benadeeld.

 

Indien een (landelijk) kerkgenootschap met (plaatselijke) zelfstandige onderdelen als zodanig wenst te splitsen, zal goed moeten worden aangegeven — naast de verdeling van de landelijke goederen en schulden — welke zelfstandige onderdelen naar welk verkrijgend kerkgenootschap toegaan.

Lokale kerkgenootschappen zonder een (hecht) kerkverband kunnen zelf een splitsingsregeling treffen. Bij lokale kerkgenootschappen die zich hebben verenigd in een bovenlokaal lichaam, dat wil zeggen met een hecht kerkverband,19 kan men in de landelijke kerkorde een regeling opnemen.

Splitsing van een bovenlokaal lichaam is ook mogelijk mits afspraken zijn


16 Overigens is ons niet bekend dat er rechtspersonen, laat staan kerkgenootschappen van christelijke signatuur zijn, die in de eigen statuten/het eigen statuut een splitsingsregeling betreffende zichzelf hebben opgenomen.
17 Bijvoorbeeld Ord. 2-10b Hervormde Kerkorde betreffende de vorming van een zogenoemde ‘deelgemeente’.
18 Dit betreft een andere situatie dan wanneer een grote kerkelijke gemeente om praktische redenen wordt ingedeeld in wijken. In de hervormde kerkorde heeft een verdeling in ‘gewone’ wijkgemeenten namelijk niet de juridische consequentie dat dan ook meerdere rechtspersonen ontstaan (Ord. 16-6-1 HKO). Er blijft één hervormde gemeente bestaan met één centraal College van Kerkvoogden die de hervormde gemeente vertegenwoordigt in vermogensrechtelijke aangelegenheden. De goederen blijven ook op naam van die ene gemeente staan.
19 Zoals bij voorbeeld diverse kerkverbanden van gereformeerde signatuur. Zie bijvoorbeeld art. 42 GKO.

|151|

gemaakt over de verdeling van de bezittingen en schulden van dat bovenlokale lichaam en duidelijk is welke lokale kerkgenootschappen deel uitmaken van de verkrijgende bovenlokale lichamen.

Indien kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en/of de lichamen waarin zij zijn verenigd een regeling treffen, kunnen zij tot splitsing komen. Dit alles geschiedt op basis van wederzijdse vrijwilligheid en consensus. De splitsing moet ook door de betrokkenen zijn beoogd.

 

7b.4 Kerkscheuring

Wij spreken van een kerkscheuring wanneer betrokkenen niet tot afspraken kunnen komen over de verdeling van het vermogen. Bij een kerkscheuring is geen sprake van een rechtshandeling waarbij de deling wordt beoogd. Bij een kerkscheuring kunnen partijen er niet in overleg uitkomen. Wanneer (een deel van) de leden van een gemeente, die zelfstandig onderdeel is van een kerkgenootschap, zich afscheidt(en) van het kerkgenootschap, zouden wij niet van kerkscheuring willen spreken, omdat formeel gezien het zelfstandig onderdeel als zodanig deel blijft uitmaken van het kerkgenootschap en de desbetreffende leden hun lidmaatschap daarvan beëindigen.20

Wel is er sprake van een kerkscheuring indien de meerderheid en de minderheid van de voorheen ongedeelde kerkgemeenschap zich niet samen meer als één kerkgemeenschap beschouwen maar als twee kerkelijke gemeenschappen.21 Twee benaderingen zijn mogelijk.22 De eerste benadering is de beantwoording van de vraag welke groep de voortzetting is van de oude kerk. Die voortzettende groep heeft uit dien hoofde recht op de eigendom van de goederen — in het bijzonder het kerkgebouw — van de voordien ongedeelde kerk. De vraag spitst zich juridisch gezien toe op het punt welke groep nu de wettige vertegenwoordiger is van de voordien ongedeelde kerk. In die situaties moet de rechter meestal de knoop doorhakken. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van deze vraag voor de burgerlijke rechter twee aspecten van belang zijn. Ten eerste mag hij binnen kerken de meerderheidsregel toepassen en ten tweede mag hij geen partij kiezen in geschillen van geloof en belijdenis (Hasselt-regel).


20 Een besluit tot afscheiding van een zelfstandig onderdeel als zodanig van het kerkgenootschap zal in het algemeen nietig zijn omdat het in strijd is met het kerkelijke statuut.
21 T.J. van der Ploeg, Fusie, federatie en splitsing van kerken en burgerlijk recht, in Kerk, recht en samenleving (Oldenhuis-bundel), Deventer 1997, p. 62.
22 Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, 1997, nr. 218.

|152|

De tweede benadering is dat het oude kerkgenootschap door de scheuring wordt gesplitst in twee kerkgenootschappen die in de plaats van de oude kerk treden. De kerkelijke goederen behoren aan beide kerken in mede-eigendom toe tot een uiteindelijke scheiding en deling is gerealiseerd (Katwijk-regel).

 

Meerderheidsregel

In het arrest-Houwerzijl23 heeft de Hoge Raad bepaald dat ook bij kerkgenootschappen de meerderheidsregel kan worden toegepast: wat de meerderheid van het daartoe bevoegde orgaan van dat kerkgenootschap besluit, is geldig. Zelfs als besloten wordt tot uittreding uit het kerkverband, is dit geldig ondanks dat dit niet is geregeld in de kerkorde en strijdig is met een uitspraak van de synode. De vraag die zich hier voordoet is welk orgaan bevoegd is tot het nemen van een dergelijk besluit. In casu ging het om een gereformeerde kerk te Houwerzijl die deel uitmaakte van het kerkverband der Gereformeerde Kerken in Nederland. De generale synode24 stelde het bevoegde orgaan te zijn, terwijl de plaatselijke gereformeerde kerk meende dat dit de kerkenraad was. De Hoge Raad overwoog dat bij de gereformeerde kerken het synodaal verband geen wezenlijk onderdeel is van de gereformeerde kerk: het zwaartepunt ligt bij de plaatselijke kerk die ook kerkgenootschap is. Daarnaast was het kerkverband ooit op vrijwillige basis door de plaatselijke kerken aangegaan en stond het de plaatselijke kerk vrij om uit te treden.

Er mag dus worden uitgegaan van de soevereiniteit van de kerkenraad en losmaking van een gereformeerde kerk door haar kerkenraad uit het kerkverband om redenen van geloof en consciëntie is dan ook geoorloofd.25 De meerderheid van de kerkenraad beslist dus wie de voortzetting is van de oude kerk.

 

Hasselt-regel

Een kerkscheuring kan haar oorzaak vinden in bijvoorbeeld een verschil van inzicht over de organisatie en/of een geschil inzake geloof en belijdenis.

In het arrest-Hasselt26 is de positie van de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een kerkscheuring in het laatste geval weergegeven. Die positie wordt bepaald door het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Deze brengt met zich mee dat de overheid — dus ook de rechter — zich neutraal moet opstellen


23 HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1.
24 Dat is de landelijke kerkvergadering.
25 Anders: HR 23 januari 1948, NJ 1948, 431 (Giessendam-Neder-Hardinxveld), waarin een dergelijk kerkenraadsbesluit ongeldig werd geacht, omdat de plaatselijke kerk zich wat de leer betreft, heeft te onderwerpen aan het gezag der synode (dit las het Hof in de kerkorde).
26 HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201.

|153|

ten aanzien van godsdienstige aangelegenheden. De burgerlijke rechter mag dus geen partij kiezen inzake geschillen omtrent geloof en belijdenis. Hij mag dus niet zeggen dat bijvoorbeeld een kerkenraad een onjuiste visie heeft op de doop en daarmee ten onrechte een besluit neemt om zich los te maken uit het kerkverband. De burgerlijke rechter mag niet treden in de beoordeling van vragen omtrent geloof en belijdenis.

Hij mag slechts de kerkorde van het voordien ongedeelde kerkgenootschap als uitgangspunt nemen. Het bovenstaande noemt men wel de Hasseltregel.

Uit deze casus — het betrof wederom de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland — kon de rechter de regel destilleren dat de kerkregering van de plaatselijke kerk was opgedragen aan de kerkenraad. Dat was in het gereformeerde kerkrecht het orgaan dat ten aanzien van de kerkelijke leer plaatselijk kon beslissen. Als die in meerderheid — dat meerderheidsbeginsel geldt ook binnen het gereformeerde kerkrecht — besluit tot losmaking op theologische gronden, dan moet de burgerlijke rechter dat respecteren. De minderheid heeft — tenzij sprake is van willekeur en kwade trouw — daarmee dus het nakijken, zelfs al zou die (theologisch) nog zo in haar recht staan en is de synode het met haar eens.

 

Katwijk-regel

In de jaren zeventig hanteerde de Hoge Raad een andere benadering: hij bepaalde in de zogenoemde Katwijk-arresten27 dat de kerkelijke goederen vanouds behorend aan de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Katwijk, aan de elkaar bestrijdende groepen in mede-eigendom toebehoorden. Een argument daarvoor is dat na de scheuring in feite twee kerkgenootschappen zouden zijn ontstaan waarin het oude, ongedeelde kerkgenootschap restloos is opgegaan. Het zou onbevredigend zijn indien de meerderheid zou beslissen welke daarvan als het oude kerkgenootschap moet worden beschouwd. De scheuring is dan een rechtsfeit waarbij bij beide groepen de wil aanwezig is en ook wordt uitgevoerd om als zelfstandig kerkgenootschap een eigen weg te gaan. Dit rechtsfeit brengt dan met zich mee dat de civiele rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke kerk, tot de uiteindelijke verdeling, gemeenschappelijk aan beide groepen toebehoren. Op deze arresten is veel kritiek gekomen. Het vreemde aan deze benadering is namelijk dat de burgerlijke rechter dan toch het kerkelijk statuut terzijde schuift door dat niet onverkort als uitgangspunt te nemen. De soevereiniteit van de kerkenraad en zijn bevoegdheid om in leergeschillen bij meerderheid een beslissing te nemen over dat wat de juiste


27 HR 22 februari 1974 vervolgens Hof Amsterdam 4 april 1975 en HR 5 november 1976, NJ 1977, 219-221.

|154|

leer is, wordt niet door de burgerlijke rechter gerespecteerd. De Hoge Raad acht namelijk de geloofsopvattingen van beide groepen gelijkwaardig. De volgens het kerkelijk recht zich afscheidende groep behoudt dan — ondanks mogelijk forse leerstellige afwijkingen — toch rechten op de goederen van de oude kerk.

 

Boerakker

In een meer recente uitspraak van de rechtbank Groningen,28 namelijk de kwestie van de Gereformeerde Kerk te en van Boerakker, wordt weer teruggegrepen op de regel dat in beginsel het kerkelijk statuut zou moeten uitwijzen aan wie de kerkelijke goederen in eigendom toebehoren. Hierop wordt echter de uitzondering gemaakt dat, indien de kerkscheuring (nagenoeg) geheel is veroorzaakt door een verschil in geloofsopvatting en belijdenis, de Katwijk-regel moet worden toegepast. Daarmee wordt enigszins tegemoet gekomen aan de kritiek die in de literatuur op de Katwijk-regel was geuit.
Vergelijk in deze geest ook Rb. Zutphen 16 mei 2002, NJ 2003, 309 inzake VEG N.O. Veluwe tegen VEG Heerde. De groep die een nieuwe gemeente vormt, bestrijdt niet de geldigheid van de besluiten van de kerkenraad van de oude gemeente; er is bij de oude gemeente niet de wil om zich los te maken van degenen die de nieuwe gemeente hebben gevormd. De nieuwe gemeente heeft geen rechten ten aanzien van het vermogen van de oude gemeente.

 

7b.5 Omzetting

In de praktijk is er bij veel (grotere) kerkgenootschappen niet alleen sprake van een kerkgenootschap en zelfstandige onderdelen — en eventueel een lichaam waarin zij zijn verenigd — maar zijn er ook verenigingen en stichtingen die nauw aan de kerk verbonden zijn zonder deel uit te maken van de kerkelijke organisatie.29 Men kan denken aan een koorvereniging of een dienstencentrum. Dat deze destijds geen kerkelijke rechtspersoon zijn geworden, kan met kerkelijk beleid te maken hebben, maar er kunnen ook puur pragmatische redenen aan ten grondslag liggen. Om diezelfde pragmatische redenen zijn er


28 Rb Groningen 5 maart 1993, NJ 1994, 417.
29 Een kerkgenootschap kan ook in zijn eigen kerkorde plaats hebben voor verenigingen en stichtingen. Zie bijv. R.K.-kerk. De ‘kerkelijke verenigingen’ en ‘stichtingen’ ontlenen hun rechtspersoonlijkheid dan aan het kerkelijk statuut en zijn als zelfstandig onderdeel rechtspersoon.

|155|

geloofsgemeenschappen die niet de rechtsvorm kerkgenootschap hebben aangenomen, maar de rechtsvorm vereniging of stichting.30

Om allerlei redenen kan er behoefte bestaan om kerkelijke rechtspersonen tot burgerlijkrechtelijke rechtspersoon te maken of andersom. Voor burgerlijk-rechtelijke rechtspersonen bestaat in art. 2:18 BW de zogenaamde omzettingsregeling. Daarbij wordt de rechtspersoon van de ene soort (bijvoorbeeld vereniging) omgezet in een rechtspersoon van een andere soort (bijvoorbeeld stichting); de rechtspersoon behoudt echter zijn identiteit.31 Er vindt dus ook geen vermogensovergang plaats. Weliswaar is dit artikel niet rechtstreeks van toepassing op kerkgenootschappen, overeenkomstige toepassing is toegestaan32 en vindt ook plaats.33

 

Omzetting van een kerkelijke rechtspersoon in een burgerlijkrechtelijke rechtspersoon

In principe kan een kerkgenootschap zich omzetten in een burgerlijkrechtelijke rechtspersoon, zoals een vereniging of stichting, maar dit zal weinig voorkomen omdat het de interne vrijheid beperkt. Wel zou het op zijn plaats zijn wanneer het kerkgenootschap niet meer aan de materiële vereisten voor een kerkgenootschap voldoet. Op deze wijze behoudt de organisatie-rechtspersoon haar identiteit.

Vaker zal voorkomen dat er behoefte is om een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap om te zetten in een vereniging of stichting. Daartoe zal er in de eerste plaats een besluit dienen te zijn van het orgaan dat in het desbetreffende zelfstandige onderdeel de hoogste zeggenschap heeft, bijvoorbeeld een kerkenraad in een gemeente. Ten aanzien van zelfstandige onderdelen in de Rooms-Katholieke Kerk, zal het veelal de bisschop zijn die hieraan zijn fiat dient te geven. Bij protestantse kerken zal het bij kerken van het congregationele type de gemeentevergadering zijn die daarover dient te beslissen. Bij kerken van het presbyteriaal-synodale type worden kerkenraad en classis er in gemengd. Bij de Nederlandse Hervormde Kerk zal de classicale vergadering het besluit nemen met instemming van de kerkenraad, bij de Gereformeerde Kerk is het de kerkenraad die beslist met medewerking en goedvinden van de


30 Zie hiervoor paragraaf 6.3.
31 Art. 2:18 lid 8 BW luidt: omzetting beëindigt het bestaan van de rechtspersoon niet.
32 Zie art. 2:2 lid 2, 2e zin BW.
33 Zie Rb. Zwolle 28 februari, JOR 2001, 121. Stichting Rooms-Katholiek Kerkhof wordt met machtiging Rb. omgezet; de naam stichting mag niet gehandhaafd vanwege verwarring van derden.

|156|

classis. Het gaat hier immers om het verdwijnen van het desbetreffende zelfstandige onderdeel uit de kerk.

Vervolgens — en dit geldt zowel ingeval van een omzetting van een kerkgenootschap als van een zelfstandig onderdeel ervan — dient dan aan alle vereisten voor de statuten van een vereniging of stichting voldaan te worden. De statuten maken deel uit van de notariële akte van omzetting.34 Indien er sprake is van een omzetting in een stichting, is ook nog de machtiging van de rechter vereist (art. 2:18 lid 4 BW).

 

Omzetting van een vereniging of stichting in een kerkelijke rechtspersoon

Bij omzetting van een vereniging of stichting in een kerkelijke rechtspersoon kan art. 2:18 BW eenvoudiger analoog worden toegepast. Negen tiende van de uitgebrachte stemmen op de ledenvergadering van de vereniging dient zich voor omzetting te hebben uitgesproken, dan wel de meerderheid op de vergadering van het stichtingsbestuur. Er moet een verklaring komen van het bestuur dat de rechtspersoon zich als zelfstandig onderdeel zal onderwerpen aan de desbetreffende kerkelijke regelingen.35 Ook kan de burgerlijkrechtelijke rechtspersoon niet zonder instemming van de bevoegde kerkelijke autoriteit deel gaan uitmaken van een kerkgenootschap. Dat zou in strijd zijn met de vrijheid van godsdienst en van vereniging.36 Voor omzetting van een stichting is ook nu weer een rechterlijke machtiging nodig.

Voor de omzetting van een vereniging of stichting in een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is onzes inziens steeds een notariële akte van omzetting verplicht, waarin is vastgelegd dat de noodzakelijke besluiten van de organen zijn genomen en bij de stichting de machtiging van de rechtbank is verkregen, alsmede dat de kerk waarvan de rechtspersoon zelfstandig onderdeel gaat worden instemt met deze ‘intrede’ en dat de rechtspersoon en zijn deelnemers zich onderwerpen aan het kerkelijk statuut.

 

Het is denkbaar dat een godsdienstige gemeenschap, die aanvankelijk de verenigings- of stichtingsvorm had aangenomen, later alsnog de rechtsvorm kerkgenootschap wil verwerven. Onzes inziens zal er ook dan een notaris bij te pas dienen te komen die de notariële akte van omzetting verlijdt. Wanneer het een stichting betreft, zal er ook een rechterlijke machtiging dienen te worden


34 Art. 2:18 lid 2 c.
35 Het maken van afzonderlijke statuten van een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is veelal overbodig.
36 Zie HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392.

|157|

verkregen. Het is dan aan de rechter om te beoordelen of er materieel sprake is van een kerkgenootschap.

 

Omzetting van de ene soort kerkelijke rechtspersoon in de andere

Het burgerlijk recht bemoeit zich niet met de interne organisatie van kerkgenootschappen. Zij mogen zelf bepalen welke zelfstandige onderdelen er zijn en in welke lichamen zij zijn verenigd. Het is afhankelijk van de kerkorde of een plaatselijke kerkgemeenschap als zelfstandig onderdeel (hervormd en luthers) of als kerkgenootschap (gereformeerd, maar ook baptist of vrij evangelisch) wordt beschouwd. In het kader van het SoW-proces zullen plaatselijke gereformeerde kerkgenootschappen straks zelfstandig onderdeel worden van de Protestantse Kerken in Nederland. Zij blijven daarmee rechtspersoon, maar raken een deel van hun vrijheid kwijt. Men zou dat ook als een vorm van omzetting kunnen zien. Ons lijkt dat evenwel niet zo zinvol: zij veranderen immers niet van soort rechtspersoon. Zij blijven kerkelijk rechtspersoon. Grote organisatorische wijzigingen in andere soorten rechtspersoon, zoals een vereniging of een NV, heten ook geen omzetting. Wel verandert voor de betrokken kerkelijke rechtspersonen een deel van hun rechten en verplichtingen. Juridisch is dat op zich geen probleem, indien zij hierin vrijwillig meedoen. Indien de kerkorde zo zou worden gewijzigd dat zelfstandige onderdelen zelfstandige kerkgenootschappen worden, zal inziens het bevoegd genomen besluit tot wijziging van de kerkorde voldoende zijn.

 

7b.6 Opheffing van gemeenten en parochies

Een kerkelijke gemeente kan qua aantal leden of in verband met de financiën zo weinig betekenen dat het niet zinvol is deze zelfstandig, als rechtspersoon, te laten voortbestaan. Verschil moet worden gemaakt tussen een gemeente die zelf kerkgenootschap is (bijvoorbeeld een vrije gemeente) en de situatie dat de gemeente zelfstandig onderdeel is van een kerkgenootschap (zoals bij de Protestantse Kerken in Nederland of een parochie van de Rooms-Katholieke Kerk).

Bij zelfstandige kerkgenootschappen kan als uitgangspunt gelden dat het orgaan dat tot statutenwijziging bevoegd is, ook tot opheffing (ontbinding) van het kerkgenootschap bevoegd is. In de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland is bepaald dat de kerkenraad bevoegd is om dit besluit te nemen, zij het met goedkeuring en medewerking van de classis.37 Het besluit tot


37 Zie art. 42 GKN met Uitvoeringsbep. art. 42, p. 166.

|158|

opheffing van de gemeente zal veelal tevens de bestemming van het liquidatiesaldo inhouden.38 Omdat er bij opheffing geen opvolgende kerkelijke rechtspersoon is, zullen er vereffenaars moeten worden aangewezen die de vereffening van de rechtspersoon verzorgen. Zij dienen ook het liquidatiesaldo ter beschikking te stellen voor de bestemming die het orgaan dat tot opheffing heeft besloten heeft aangegeven. Heeft dit orgaan dat aan de vereffenaars overgelaten, dan zullen ze bij het vaststellen van de bestemming zoveel mogelijk een met de oorspronkelijke bestemming gelijke bestemming moeten zoeken. Doet zich een situatie voor waarbij het zelfstandig bestaan van een gemeente, die een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is, niet meer zinvol is, dan wordt over haar toekomst op bovenplaatselijk niveau beslist. Zo kan niet tot opheffing, maar wel bijvoorbeeld tot samenvoeging worden besloten. Bij de Protestantse Kerken in Nederland in wording zal een in die toestand verkerende gemeente worden samengevoegd met een andere gemeente door de classicale vergadering met goedkeuring van de generale synode.39 Zie hiervoor paragraaf 7b. 2.

Wel kunnen er andere zelfstandige onderdelen zijn, zoals kloosterorden enzovoort, waarvan samenvoeging met andersoortige zelfstandige onderdelen niet voorligt. In die gevallen zal ook een bovenplaatselijk orgaan het besluit nemen en kunnen door dit orgaan vereffenaars worden benoemd.

In bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerk kan een parochie worden opgeheven door de bisschop nadat deze de priesterraad heeft gehoord.40

Wanneer sprake is van opheffing van een kerkgenootschap of een zelfstandig onderdeel daarvan, dient bij de vereffening onzes inziens artikel 2:23b BW zoveel mogelijk analoog te worden toegepast, tenzij het kerkgenootschap zelf een regeling heeft getroffen. De Rooms-Katholieke Kerk is daarvan een voorbeeld. Zij regelt in haar statuut41 dat voor de vereffening en toedeling van het vermogen eerst moet worden gekeken naar de statuten en het recht van de op te heffen rechtspersoon. Indien die daarover niets regelen, vervalt het aan de onmiddellijk hogere rechtspersoon.


38 Zie Uitvoeringsbep. art. 42 GKO, punt 11.3.
39 Zie Ord. 2-14-2 PKN.
40 515 paragraaf 2 CIC en art. 18 Regl. R.-K. Kerkgenootschap in Nederland.
41 121-123 CIC en art. 18 Regl. R.-K. Kerkgenootschap in Nederland.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 8

159-174

|159|

8 De rechtspositie van priesters, predikanten en andere voorgangers

T.J. van der Ploeg

 

 

8.1 Inleiding

In godsdienstige gemeenschappen is vrijwel altijd een voorganger, priester, predikant of andere ‘geestelijke’ aanwezig, die zich in het bijzonder met de geloofsopbouw van de leden van de gemeente en met andere werkzaamheden die vanuit het geloof een bijzondere betekenis hebben, bezig houdt. In concreto valt te denken aan uitleg en verkondiging van de leer, het verrichten van liturgische handelingen, zoals doop en huwelijk, onderricht en toerusting, pastorale zorg en dergelijke.

In dit hoofdstuk wordt de rechtspositie behandeld van de voorganger,1 die op grond van een overeenkomst met het kerkgenootschap, dan wel het zelfstandig onderdeel (gemeente) van de kerk of de vereniging of stichting — in geval dit de rechtsvorm is van de geloofsgemeenschap waaraan hij leiding geeft — betaling ontvangt. Dit hoofdstuk betreft naast priesters en predikanten dus ook rabbijnen en imams.2

Niet aan de orde komt de rechtspositie van voorgangers die in dienst zijn van een niet-kerkelijke rechtspersoon zoals de overheid ingeval van een krijgsmachtpredikant, of bijvoorbeeld een particuliere stichting die een ziekenhuis in stand houdt in geval van een ziekenhuis-voorganger. Deze voorgangers hebben een arbeidsovereenkomst met de rechtspersoon waarvan de instelling


1 Met het woord ‘voorganger’ wordt gedoeld op degenen die in art. 2 lid 1 c BBA worden aangeduid als ‘personen die een geestelijk ambt bekleden.’ Vanuit het protestantse kerkrecht bezien is de term ‘geestelijke’ te zeer verweven met de Rooms-Katholieke Kerk. In de juridische literatuur wordt de term ‘geestelijke’ ook — in neutrale zin — gebruikt. In dit hoofdstuk worden de termen als equivalenten gebruikt.
2 Zie hierover F.A. van Bakelen, De status van de imam in het Nederlandse arbeidsrecht, in: F.A. van Bakelen, Recht van de islam 2, Groningen 1984, p. 45 e.v. Hij hanteert de ‘sociaal-realistische’ benadering en meent dat imams geen geestelijken zijn (p. 69). In de jurisprudentie wordt anders beslist.

|160|

uitgaat waarin ze werken. Hun kerkelijke positie (ingeval van christelijke voorgangers: hun ambt) ontlenen zij aan de geloofsgemeenschap, die hen ter beschikking van de niet-kerkelijke instantie stelt om daarin werkzaam te zijn.

 

8.2 Aanstelling

De positie van de voorganger in de geloofsgemeenschap waartoe hij behoort, hangt samen met de wijze waarop de geloofsgemeenschap is georganiseerd.3 Is er sprake van een episcopaal-hiërarchische kerk, zoals de Rooms-Katholieke Kerk, dan wordt de priester door de bisschop aangesteld. Deze plaatst hem bij een bepaalde parochie.4

Ingeval het om een presbyteriaal-synodale kerkgemeenschap gaat, wordt de predikant beroepen en aangesteld door de plaatselijke kerkenraad of een andere ambtelijke vergadering.

In congregationalistische kring, waarin zich ook veel geloofsgemeenschappen bevinden die de rechtsvorm vereniging of stichting hanteren, wordt de voorganger veelal aangesteld door de plaatselijke gemeenschap, in concreto vertegenwoordigd door de leden van het kerkgenootschap of de vereniging of stichting die het juridische kleed van de geloofsgemeenschap vormt.

Kerkgenootschappen, kerkverbanden of federaties van kerken hebben in het algemeen vrij uitgebreide regelingen met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het geestelijk ambt, de toelagen of traktementen, de pensioenen en de gronden en procedures voor verwijdering uit het ambt, dan wel losmaking van een plaatselijke gemeente. Deze regels bepalen mede de rechtspositie van de voorganger. Een plaatselijke kerk/gemeente kan daar niet rechtsgeldig eenzijdig van afwijken.5

 

Bij de voorganger staat meestal de roeping voorop en zijn de financiële omstandigheden secundair. Het is dan aan de kerk/de geloofsgemeenschap om de betrokkene voldoende financiële zekerheid te bieden. Maar ook daar zijn grenzen aan. In kerkgenootschappen met een grote hoeveelheid gemeenten of


3 Zie hiervoor hoofdstuk 10 Typen van kerkelijke organisatie.
4 Zie nader over de positie van de rooms-katholieke priester: R.G.W. Huysmans, ‘De positie van de clerus in de nieuwe codex’, in: R. Torfs (red.), Het nieuwe kerkelijk recht; analyse van de Codex Iuris Canonici 1983, Leuven 1985, p. 193 e.v.
5 Vergelijk het Scheidsgerecht rechtspositieregeling voor medewerkers Gereformeerde Kerken in Nederland 28 december 1973, NJ 1974, 541 en Hof ’s-Gravenhage 29 mei 1963, NJ 1965, 246.

|161|

parochies kunnen de financiële risico’s gezamenlijk worden gedragen en kunnen er gezamenlijke voorzieningen worden getroffen terzake van ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensionering. Bij kleinere kerkgenootschappen is dit niet goed mogelijk. Dan zal een voorganger indien zijn ambt al dan niet vrijwillig is beëindigd, een beroep moeten doen op de collectieve voorzieningen van de staat. In dat verband kan het voor hem6 veel verschil uitmaken of de rechtsverhouding met het kerkgenootschap7 als een ‘dienstbetrekking’ kan worden beschouwd. Voor de kerk is dit in verband met hogere financiële lasten (ziektewet, sociale verzekeringen) niet aantrekkelijk. De vraag is hoe dit burgerlijk-rechtelijk ligt en welke betekenis het desbetreffende kerkrecht in deze heeft.

 

Theologisch bezien heeft het iets heel plats om de verhouding van voorganger tot gemeente als een arbeidsovereenkomst te zien:

Zij krijgen geen salaris, geen soldij, ook geen honorarium als eerbewijs voor het vervullen van een erebaantje, evenmin een loon van een werkgever, als tegenprestatie voor het uitvoeren van diens opdrachten. Zij krijgen eenvoudig een onderhoudstoelage (deftig: traktement) van de kerk die hem of haar heeft beroepen. Want die wil hem of haar onderhouden, om haar het Woord te bedienen, en haar bij de les van Gods Koninkrijk te houden.8

In dit werk hebben voorgangers een eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van het kerkgenootschap/de gemeente. Zij bekleden een kerkelijk ambt in de kerk, waarmee zij een overeenkomst sluiten. Aan de aanstelling als voorganger gaat veelal een uitgebreide opleiding van deze vooraf. De verdeling van de werktijd en van de werkzaamheden vindt meestal plaats in samenspraak met of in gehoorzaamheid aan de kerkelijke autoriteit door wie de betrokkene is aangesteld.

In beroepingsbrieven bij protestantse gemeenten wordt nogal eens uitdrukkelijk neergelegd dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.9 In het statuut van de Nederlands Hervormde Kerk wordt betreffende de predikant ‘ter verzekering van de vrijheid van het ambt van dienaar des Woords’ voor de


6 Onder ‘hem’ dient ook ‘haar’ te worden begrepen.
7 Dit geldt ook voor andere kerkelijke rechtspersonen en verenigingen of stichtingen door wie de voorganger was aangesteld.
8 Dr. A. Breukelaar in Trouw van 1 december 1999.
9 Zie bijvoorbeeld de beroepingsbrief in de Evangelische Broedergemeente, te kennen uit Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494 en P. van den Heuvel, De kerkorde van de N-H. kerk.

|162|

(gewone) predikant een ‘predikantsplaats’ gevestigd, waaraan inkomsten en rechten zijn verbonden voor hem en zijn nabestaanden. Deze predikantsplaats wordt bij een gemeente gevestigd.10 Niettemin wordt er tussen de predikant en de desbetreffende gemeente een overeenkomst gesloten, waaruit de tussen hen geldende rechten en verplichtingen voortvloeien. De predikantsplaats, in het begin van de negentiende eeuw ingesteld om te bevorderen dat de van staatswege toegekende predikantstraktementen en weduwen- en wezengelden ook aan dat doel zouden worden besteed, fungeert heden ten dage als een instrument om het aantal predikanten in de kerk te relateren aan de behoefte en aan de financiële mogelijkheden. In het kerkelijk statuut van de PKN is de predikantsplaats als zodanig verdwenen. Wel wordt in Ord. 3-5-2 geformuleerd:

Bij het opstellen van de beroepsbrief wordt rekening gehouden met de vrijheid van het ambt van de predikant als dienaar des Woords. De inhoud en de strekking van de beroepsbrief mogen er dus niet toe leiden dat de predikant aan de kerkenraad of aan de gemeente ondergeschikt is.

In de regelingen van de Rooms-Katholieke Kerk wordt dit niet met zoveel woorden vermeld. De gezagsrelatie lijkt echter heel wel te passen bij de positie van de priester. In de Codex Iuris Canonici wordt van de priesters van de Rooms-Katholieke Kerk eerbied en gehoorzaamheid tegenover de bisschop geëist.11 Ook worden in de Codex de bevoegdheden en verplichtingen van de priesters uitgebreid beschreven: c. 521-534 CIC.12 Ze werken met de bisschop samen, maar in ondergeschiktheid.13 Deze is functioneel verplicht om de door hem gewijde priesters onder meer een inkomen te bezorgen. De priesters worden in dat kader door de bisschop in een of meer parochies benoemd. De parochie is op grond van het kerkelijke recht verplicht om de (reguliere) priester een bepaalde onderhoudsuitkering te geven. Er is in ieder geval geen arbeidsverhouding van de priester met de parochie, omdat hij gehoorzaamheid verschuldigd is aan de bisschop en er geen parochieorgaan is dat zeggenschap heeft over zijn werkzaamheden.14


10 Zie Ordinantie 13-8 H.K.O.
11 Zie noot Van Berckel onder HR 12 november 1963, NJ 1964, 205.
12 Zie hierover K. Walf, Einführung in das neue katholische Kirchenrecht, Benziger, Zürich 1984, p. 126 e.v. Zie ook de algemene bepalingen van de clerus in art. 273 e.v. CIC en Huysmans, a.w., p. 198.
13 Aldus Huysmans, p. 199.
14 Door A.P.H. Meijers worden in A.P.H. Meijers e.a., Op het snijvlak van civiel en canoniek recht, p. 23-24 de dienstverbanden met onder andere clerici als canonieke dienstverbanden aangeduid, die blijkbaar naar burgerlijk recht geen betekenis hebben.

|163|

Alvorens nader in te gaan op de burgerlijkrechtelijke rechtspositie van de voorganger ten opzichte van de rechtspersoon door wie zij zijn aangesteld, ga ik eerst na wat naar de huidige stand van zaken in het burgerlijk recht de eisen zijn voor het bestaan van een arbeidsverhouding.

 

Wanneer is er sprake van een arbeidsverhouding?

Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is het — gezien art. 7:610 BW — noodzakelijk dat er sprake is van:
- het verrichten van arbeid;
- het betalen van loon;
- een gezagsverhouding.
Indien een van deze elementen ontbreekt, is er geen arbeidsovereenkomst.

Wat betreft de aard van de arbeid is er naar burgerlijk recht geen beperking; als het maar gaat om activiteiten die voor anderen nut kunnen hebben. Ook geestelijke werkzaamheden vallen onder arbeid.15 Uiteraard gaat het er bij een arbeidsovereenkomst om dat het verrichten van arbeid verplicht is.

Bij het betalen van loon gaat het om een element dat de wederkerigheid van het arbeidscontract aangeeft. Er wordt voor de arbeid die wordt verricht betaald. Wanneer de betaling die wordt gedaan aan een voorganger voortvloeit uit de verplichting die de geloofsgemeenschap op zich heeft genomen om in het levensonderhoud van de voorganger te voorzien, zonder dat er verband bestaat tussen de omvang van de betaling en de omvang van de werkzaamheden, dan kan niet van betalen van loon worden gesproken. In andere gevallen is er wel sprake van betaling van loon, ook al wordt de betaling anders genoemd, bijvoorbeeld traktement, honorarium, kosten van levensonderhoud, enzovoort. Het gaat niet om de namen die men geeft aan de betaling, maar om de strekking.

Ten slotte het meest besproken element: het bestaan van een gezagsverhouding.


15 Ten onrechte wordt in de Richtlijnen van het aartsbisdom Utrecht 2002, p. 14 gesteld dat ‘arbeid van overwegend geestelijke aard’ niet als arbeid wordt gezien, omdat het van allerlei regels is uitgezonderd. Daarbij wordt verwezen naar het KB 24-12-1986, S. 655 art. 8 lid 1 (waarbij voor de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Sociale verzekeringswetten de arbeidsverhouding van iemand die arbeid van overwegend geestelijke aard verricht niet als een dienstbetrekking wordt beschouwd) en art. 2 onder c BBA (waarin personen die een geestelijk ambt bekleden worden uitgezonderd van de eis van toestemming van de Centrale organisatie Werk en Inkomen bij opzegging van de arbeidsverhouding). Deze bijzondere regelingen kunnen echter evenzeer worden gezien als een teken dat in principe deze verhoudingen naar burgerlijk recht wel als arbeidsverhoudingen worden gezien.

|164|

Voor een gezagsverhouding is het nodig dat de werkgever instructies kan geven aan de werknemer. Hij behoeft hem niet concreet te commanderen, maar hij zal de mogelijkheid moeten hebben om de werknemer op te roepen voor een bepaalde taak.16 Voor het bestaan van een gezagsverhouding is het geven van instructies niet doorslaggevend, maar het kúnnen geven ervan; zie HR 28 september 1983, NJ 1984, 92.17 In de praktijk waarin steeds meer hoogopgeleiden niet een zelfstandig beroep uitoefenen, maar in dienst treden van anderen, met name rechtspersonen, wordt het steeds lastiger om de ondergeschiktheid aan te wijzen. Veel werk wordt met een grote zelfstandigheid verricht. Wel is er controle achteraf en bestaat altijd de mogelijkheid om het contract te beëindigen. Zo is verklaarbaar dat bestuurders van een NV of BV, hoewel zij geen instructies behoeven aan te nemen van de algemene vergadering, naar burgerlijk recht wel als werknemer worden beschouwd. Voor het vaststellen van een gezagsverhouding is er dus geen vast criterium; wel moeten er in de rechtsverhouding sanctiemogelijkheden voor de ‘werkgever’ bestaan om de betrokkene ter verantwoording te roepen18 en eventueel te ontslaan. Door Brasz is in dit verband geopperd om een gezagsrelatie aan te nemen, wanneer er ten aanzien van de betrokkene een formele ontslagbevoegdheid bestaat.19 Niet steeds zal de grens tussen de overeenkomst van opdracht en de arbeidsovereenkomst met zekerheid zijn vast te stellen.20


16 Vergelijk H.A. Brasz in T.J. van der Ploeg en L.H. van den Heuvel, Ontslag van bestuurders van rechtspersonen, 1999, p. 149. Zie ook J.J. Trap, ArbeidsRecht 1998, p. 51. Vergelijk ook HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 nt. PAS, waarin opgenomen de uitspraak van de Rb. Utrecht dat sprake was van een arbeidsovereenkomst hoewel er ten aanzien van de geestelijke arbeid geen ondergeschiktheid was; die was er volgens de rechtbank in andere zaken (verlof, enzovoort) echter wel. De HR casseert dit niet.
17 Door Asser-Kortmann-De Leede, zevende druk, 1994, nr. 280 wordt aangenomen dat literatuur en jurisprudentie de ondergeschiktheid (het spiegelbeeld van gezagsverhouding) niet meer noodzakelijk wordt geacht. In recente literatuur wordt dit element wel in ere gehouden. Zie bijv. Van der Heijden-Van Slooten-Verhulp, Arbeidsrecht. Tekst en commentaar, tweede druk 2002, p. 7 (Verhulp).
18 Aldus C.F.M. Berkhout, p. 100 in T.J. van der Ploeg en L.H. van den Heuvel, a.w. 1999.
19 H.A. Brasz, p. 154 in T.J. van der Ploeg en L.H. van den Heuvel, a.w. 1999.
20 Vergelijk J.J. Trap, ArbeidsRecht 1998, p. 47 e.v. Dat de bedoeling van partijen een rol kan spelen, zoals Trap suggereert, is op zich waar, maar wanneer de rechtsverhouding materieel aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst voldoet is het een arbeidsovereenkomst, ondanks andere bedoeling van partijen.

|165|

8.3 Verkeert de voorganger in een gezagsverhouding?

Bovenstaande elementen beschouwend, is het duidelijk dat er geen algemene uitspraak is te doen over de rechtspositie van de voorganger. Algemeen gesteld zou er sprake zijn van een arbeidsverhouding wanneer de voorganger loon, althans een bijdrage voor het werk dat hij verricht, ontvangt van een kerkelijke rechtspersoon die ook ten opzichte van hem een gezagsverhouding heeft.

Volgens Maeijer21 zijn de kerkrechtelijke structuur en inrichting in samenhang met de benoeming of beroeping bepalend of de feitenrechter zal aannemen dat er een gezagsverhouding aanwezig is. Jacobs meent — instemmend zo lijkt het — in 1991 dat in de Nederlandse rechtspraak geestelijke ambten niet als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt.22 Dit geldt inderdaad tot op heden voor voorgangers in dienst van reformatorische kerken. Zie Rb. Zwolle 16 maart 1966, NJ 1967, 178 en HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS, TWS 1991, p. 297-298 nt. MGR (ds. Kruis-Chr. Geref. Kerk te ’s-Hertogenbosch). In het laatste geval was er geen toezicht — waaruit de gezagsverhouding zou kunnen blijken (TJvdP) — van de gemeente waaraan de predikant verbonden was, maar van de classis. Bovendien, zo stelt de HR, is de predikant voor het leven benoemd.

 

Door arbeidsrechtjuristen wordt het nogal eens als onheus beschouwd dat de kerk zich op haar eigen vrijheid beroept om mensen die financieel van haar afhankelijk zijn in een onbeschermde positie te brengen, terwijl zij materieel volledig vergelijkbaar zijn met werknemers. Volgens Rood23 in zijn commentaar op de laatst vermelde zaak (ds. Kruis) is het vreemd dat de Hoge Raad nog meent dat er geen arbeidsverhouding is. Hij verwijst daarbij naar Asser-Kortmann-De Leede, a.w. 1997, nr. 280 waar ook wordt aangegeven dat het begrip ‘gezagsverhouding’ niet zwaar behoeft te worden ingevuld. Hij stelt dat de beginselen van de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat toepassing van het arbeidsrecht op de geestelijke ook niet in de weg staan. Een kerkgenootschap kan zich zijns inziens niet op deze manier onttrekken aan het dwingende recht van de staat.

 

De teneur in de jurisprudentie van de laatste tijd lijkt om wel een arbeidsovereenkomst tussen de geestelijke en het kerkgenootschap aan te nemen, aldus


21 Asser-Van der Grinten-Maeijer II, De rechtspersoon, 1997, achtste druk, nr. 221.
22 A.T.J.M. Jacobs, De rechtspositie van geestelijken in het Nederlandse sociaal recht, in: H. Warnink, Rechtsbescherming in de kerk, Leuven 1991, p. 91-92.
23 M.G. Rood, noot onder HR 14 juni 1997, TWS 1991, p. 297-298.

|166|

C.C. Oberman.24 In HR 17 juni 1994, NJ 1994, 75725 heeft de HR uitgemaakt dat het feit dat terzake van de godsdienstige aspecten van de vervulling van het ambt de voorganger (in casu de imam) niet is onderworpen aan instructies, niet uitsluit dat met betrekking tot de overige aspecten van de contractuele relatie, zoals inzake werktijden en andere omstandigheden, sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:610 BW.

De vraag of er sprake is van een gezagsverhouding werd in de zaak Muler-Provinciaal Bestuur van de Europese Continentale provincie van de Broeder-Uniteit26 door de Rb. Utrecht27 positief beantwoord op grond van het feit dat er leiding en toezicht is op de gemeente en haar predikanten vanuit een Provinciaal Bestuur. In het bijzonder de bevoegdheid van dit Provinciaal Bestuur om de predikant te ontslaan wegens slecht presteren op het gebied van de godsdienstige taken wijst er op. Bovendien moet een predikant verantwoording afleggen aan het Provinciaal Bestuur.

Als voor het bestaan van een gezagsverhouding het toezicht op de voorganger en de mogelijkheid van ontslaan doorslaggevend zijn, hetgeen mij plausibel voorkomt, zal dunkt me bijna geen enkel kerkgenootschap er aan ontkomen dat er tussen haar, respectievelijk haar zelfstandige onderdelen en de bij hen werkzame voorgangers een gezagsverhouding bestaat. Immers, er zal altijd toezicht en de mogelijkheid tot ontslag28 (moeten) zijn, zo niet door de eigen gemeente dan wel door een bovenplaatselijk orgaan. De vraag is dan of, als er sprake is van een kerkgenootschap waarbij het opzicht en het nemen van maatregelen is toevertrouwd aan boven-plaatselijke kerkelijke instanties, men wel een gezagsverhouding met de plaatselijke gemeente — met wie immers de overeenkomst is gesloten — mag aannemen. Dat is mijns inziens inderdaad mogelijk. Volgens mij kan men in deze de boven-plaatselijke organen tevens als organen van de plaatselijke gemeente beschouwen, nu hun beslissingen — krachtens het kerkelijk statuut waaraan zowel de kerk als de predikant zijn


24 C.C. Oberman, Geestelijke ambtsdragers: gezagsverhouding en ontslagverbod, in: ArbeidsRecht 1999, p. 7 e.v. In 1966 nam de rechter dit niet aan: Rb. Zwolle 16 maart 1966, NJ 1967, 178.
25 TVVS 1994, p. 279 nt. NGR (Stichting Moskee al M.—Mohammed Zerbouhi).
26 Ten onrechte wordt door de rechtbank de Evangelische broedergemeente te Rotterdam als kerkgenootschap aangeduid, terwijl het klaarblijkelijk een zelfstandig onderdeel is. Vergelijk hoofdstuk 6.
27 Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494.
28 Hiermee worden alle vormen van onvrijwillige beëindiging van de band met de voorganger bedoeld.

|167|

gebonden — directe rechtsgevolgen heeft voor de verhouding tussen predikant en gemeente.29

Alleen wanneer in de verhouding tussen de voorganger en de godsdienstige gemeenschap geen zeggenschap is over de werkzaamheden van de voorganger — afgezien van de geestelijk-inhoudelijke kant — en/of er geen kerkelijk toezicht is met sanctiemiddelen ten aanzien van hem, zal men niet van arbeidsverhouding kunnen spreken.

 

8.4 Het verschil tussen een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht

Wanneer er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zal er normaal gesproken een overeenkomst van opdracht zijn tussen de plaatselijke kerk en de voorganger (zie art. 7:400 BW). Ook dan hebben partijen verplichtingen tegenover elkaar.30

Is er bijvoorbeeld tussen een moskeevereniging of -stichting en een imam geen arbeidsverhouding, maar wordt hem slechts ruimte geboden om zijn religieuze werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de gelovigen die naar de moskee komen, dan kan er eventueel sprake zijn van enerzijds verhuur van ruimte en anderzijds het verrichten van religieuze werkzaamheden op basis van een opdrachtovereenkomst met de moskeevereniging of -stichting. Door het bestuur van de vereniging of stichting kan dan wel de band met de imam worden verbroken, maar dan is er geen sprake van arbeidsrechtelijk ontslag. Indien er geen sprake is van een arbeidsverhouding, valt betrokkene voor de toepassing van allerlei wetten in een andere categorie: zelfstandige. Dit maakt met name uit op het terrein van de belastingen; daarnaast zijn dan ook allerlei algemene regelingen voor werknemers niet van toepassing zoals de Ziektewet, de WAO,31 de Wet minimumloon en de Arbeidsomstandighedenwet. Arbeid van geestelijk/godsdienstige aard vormt sinds CRVB 28 juni 1977, RSV 1977, 313 echter wel een arbeidsovereenkomst waarvoor de sociale verzekeringswetten gelden.32 De desbetreffende rechters beoordelen niet per se op basis van het burgerlijk recht of er sprake is van een dienstbetrekking; het oordeel wordt mede bepaald door het doel van de specifieke wet. Zo oordeelde de CRVB 17 februari


29 Dit geldt ook voor toezicht op imams door hogere islamitische autoriteiten.
30 Vergelijk J.J. Trap, Arbeidsrecht 1998, p. 47 e.v., ‘De opdrachtnemer’.
31 Voor zelfstandigen is er de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
32 Aan deze uitspraak wordt gerefereerd in HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 p. 3621 ter adstructie van het karaktervan arbeidsovereenkomst.

|168|

1989, AB 1989, 475 m. nt. Sinninghe Damsté dat voor de Ziektewet een imam geen dienstbetrekking had, omdat hij niet gehouden was aan aanwijzingen en geen verantwoording schuldig was en het geestelijk element overheerste, terwijl dezelfde Centrale Raad Van Beroep op 19 april 1989, AB 1989, 476 nt. Sinninghe Damsté, gezien de onderlinge verhoudingen tussen imam en de moskeevereniging wel een dienstbetrekking aannam. Het betrof hier het recht op kinderbijslag dat afgeleid wordt van het onder de loonbelasting vallen.33 Voor de pensioenregelingen maakt het niet uit of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Deze zijn in arbeidsverhoudingen niet verplicht en niet alleen mogelijk ten aanzien van werknemers.34

 

Het is overigens niet zo dat voorgangers die geacht worden een arbeidsverhouding te hebben met hun godsdienstige gemeenschap, in alle opzichten met andere werknemers worden gelijkgesteld. In verband met de godsdienstvrijheid is in art. 2 van het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen dit besluit, volgens welke bij ontslag van een werknemer de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen toestemming dient te geven (art. 6), niet van toepassing verklaard op personen die een geestelijk ambt bekleden.

Oldenhuis35 ziet als nadeel van de visie dat de verhouding tussen predikant (voorganger) en gemeente (kerkelijke rechtspersoon) een arbeidsverhouding is, dat er dan een discrepantie zou zijn tussen de specifiek kerkelijke schorsings- en afzettingsgronden en de door de wet voor ontslag genoemde gronden. In de paragraaf hierna zal ik hier nader op in gaan.

Daarnaast stelt hij, dat als een arbeidsverhouding moet worden aangenomen, de dwingende wetsbepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten voorzover deze niet zijn te verenigen met de regeling in het kerkelijk statuut. Ook dit zal ik in de volgende paragraaf bespreken.

 

8.5 De dubbele betrekking tussen de voorganger en zijn godsdienstige organisatie

In het bovenstaande is al op verschillende plaatsen aangegeven dat het kerkelijk recht en het arbeidsrecht rechtsregels van een verschillende orde zijn. In


33 De conclusie van F.T. Oldenhuis, Brunner-bundel, p. 308 nt. 9 uit deze uitspraken dat arbeidsovereenkomst en kerkelijk statuut niet samen gaan, kan ik niet delen.
34 E. Lutjens, in, T.J. van der Ploeg en LH. van den Heuvel, a.w. 1999, p. 177.
35 Zie hoofdstuk 9a hierna, noot 16, verwijzend naar zijn bijdrage aan de Brunner-bundel, p. 309.

|169|

de (rechts)positie van de voorganger komen zij echter samen. De vraag is dan of deze regels met elkaar in conflict kunnen komen. Oldenhuis gaat hiervan uit en kiest dan voor voorrang van de kerkelijke regels. Hieronder wil ik bezien of zich inderdaad zo’n conflict voordoet en of dan aan de kerkelijke regels voorrang moet worden gegeven. Het gaat er dan uiteindelijk om of de kerkgenootschappen, anders dan andere (rechts)personen, op grond van de hun in art. 2:2 BW en de Grondwet gegeven vrijheid, zich mogen onttrekken aan de gelding van het arbeidsrecht. Men zal immers wel tot een aanvaardbare oplossing moeten komen die past bij het gegeven dat het eigen statuut blijkens art. 2:2 lid 2 BW moet wijken voor dwingend recht.36.37

Het dubbele karakter zit er in ieder geval vanaf het begin in. Het bekleden van het ambt van voorganger (priester/predikant) begint met een wijding/bevestiging van de betrokkene voor een bepaalde kerkelijke gemeenschap.38 De wijding of bevestiging geschiedt weliswaar bij een bepaalde kerkelijke rechtspersoon, maar heeft een gelding binnen het gehele kerkgenootschap/kerkverband. In het hierna volgende ga ik uit van het bestaan van een arbeidsovereenkomst om te bezien of dit problemen oplevert. Op het moment dat de voorganger de overeenkomst aangaat met een (kerkelijke) rechtspersoon, ontstaat naast de kerkrechtelijke band een arbeidsrechtelijke band. Als in de jurisprudentie ervan wordt uitgegaan dat een predikant voor het leven wordt benoemd,39 berust dit in feite op een misverstand. Een predikant ontvangt zijn status voor het leven, maar bij een bepaalde gemeente wordt hij voor onbepaalde tijd benoemd. Hij kan met inachtneming van daarvoor in de kerk geldende regels na enige tijd weer elders een beroep40 aannemen. Zelfs kan, indien de verhoudingen ernstig verstoord raken of betrokkene disfunctioneert of misstappen begaat, op verzoek van de kerkenraad of op eigen verzoek de band worden verbroken.41 Ook kan hij tijdelijk, zonder het predikantschap bij een gemeente uit te oefenen, de status van predikant behouden.


36 Zie over de betekenis van ‘dwingend recht’ Parl. Gesch. Vaststellingswet 1961, p. 71 e.v. en Parl. Gesch. Aanpassingswet BW (Invoering boeken 3, 5 en 6), 1991, p. 120 e.v. en A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, prft. Groningen 2002, p. 33-51.
37 Zie M.G. Rood noot onder HR 14 juni 1991, TVVS 1991, p. 297 e.v.
38 De mogelijkheid om gewijd of bevestigd te kunnen worden is veelal afhankelijk van het behaald hebben van een of meer in het kerkelijk statuut voorgeschreven examens.
39 Bijv. HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS; TVVS 1991, p. 297 e.v. nt. M.G. (ds. Kruis-Chr. Geref. Kerk te ’s-Hertogenbosch).
40 Thans geschiedt dit in de grote protestantse kerken door de kerkenraad, maar vroeger ook soms door anderen, zoals collatoren en floreengerechtigden; vergelijk J.C. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, prft. 1942 en P. Estié, De stichting van een kerkgenootschap, prft. uva 1982.
41 Zie HKO Ord. 13-30, Ord. n-6-7, Ord. 11-14; GKO art. 18.

|170|

Voor de goede orde, in verband met de verplichtingen van werkgever en werknemer ten opzichte van elkaar, herhaal ik dat de arbeidsrechtelijke ‘gezagsrelatie’ niets toe en afdoet aan de geestelijke vrijheid of onvrijheid van de voorganger. Die hangt af van het kerkelijk recht van het desbetreffende kerkgenootschap. Het is niet in strijd met de godsdienstvrijheid wanneer een kerkgenootschap strikte regels stelt omtrent de geloofsinhoud en de overdracht daarvan en sancties stelt op overschrijding van de aangegeven grenzen. Wanneer naar kerkelijk recht echter de geestelijke vrijheid van de voorganger om zich alleen afhankelijk te weten van de Allerhoogste hoog in het vaandel staat, doet dat niets af van het feit dat er sprake is van een arbeidsverhouding.

 

De verhouding tussen de voorganger en de kerkelijke rechtspersoon waaraan hij is verbonden, heeft dus een tweeledig karakter. Enerzijds is er een kerkrechtelijke band met de kerkelijke rechtspersoon, die beheerst wordt door het kerkelijk statuut, anderzijds is er een arbeidsovereenkomst die wordt beheerst door het BW (boek 7 titel 10).42

Wat behelzen die bepalingen uit het BW? Dat betreft betaling van loon, vakantie en verlof, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, bijzondere bedingen, verplichtingen van de werkgever, verplichtingen van de werknemer, rechten van de werknemer bij overgang van een onderneming en einde van de arbeidsovereenkomst.

De meeste bepalingen vormen geen probleem voor de verhouding tussen voorganger en kerkgenootschap, hetzij omdat zij gewoon toegepast kunnen worden hetzij omdat de geregelde problematiek zich niet voordoet. Een uitzondering vormt de regeling over gelijke behandeling van mannen en vrouwen, omdat in deze de vrijheid van godsdienst sterker wordt geacht dan het recht op gelijke behandeling.43 Ook de toepassing van de bepalingen betreffende de overgang van een onderneming (art. 7:662 e.v. BW) doet zich niet licht voor. Dat zou hooguit kunnen ingeval van juridische splitsing en opheffing (zie hoofdstuk 7b). Overgang van de kerkelijke onderneming ten gevolge van verkoop, verhuur, verpachting of vruchtgebruik (zie art. 7:662 lid b BW) laat zich niet denken.

Het meest problematisch zou de toepassing van de bepalingen over het einde


42 Iets vergelijkbaars geldt overigens voor bestuurders van rechtspersonen; zie T.J. van der Ploeg en G.J. Groeneveld, in: T.J. van der Ploeg en LH. van den Heuvel, Ontslag van bestuurders van rechtspersonen, 1999, p. 1 e.v. Hier lopen rechtspersonenrecht en arbeidsrecht naast elkaar.
43 Zie art. 3b Algemene Wet Gelijke Behandeling en art. 5 Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen.

|171|

van de arbeidsovereenkomst op de overeenkomst met de voorganger kunnen zijn.

 

8.6 De beëindiging van de rechtsverhouding met de voorganger

De verhouding tussen een voorganger en de geloofsgemeenschap waaraan hij is verbonden is een precaire. De predikant is meestal in veel opzichten vrij in zijn benadering en in zijn activiteiten, maar hij is voor een goed functioneren ervan afhankelijk of hij bij de gemeente ‘aanslaat’. Dat wil niet zeggen dat hij de gemeente naar de mond praat, dat past iemand die het Woord brengt niet, maar wel dat hij overkomt als iemand die vanuit de gemeente bezien relevant bezig is. Als dat niet het geval is, zal er veelal de behoefte bestaan — in ieder geval bij de gemeente — om uit elkaar te gaan. In verschillende kerken zijn omtrent het einde van de samenwerking uitgebreide regelingen getroffen waardoor de belangen van de gemeente en van de predikant worden gewaarborgd.

In het algemeen zullen godsdienstige opvattingen geen criterium zijn voor de beoordeling van iemands werkzaamheden. Bij de beoordeling van een predikant of een andere persoon met een geestelijk ambt kan dit echter wel de doorslag geven.44

 

Van belang is in de eerste plaats dat bij het ontslag van de voorganger de interne procedure die daarvoor in het kerkgenootschap geldt, wordt gevolgd. Bij veel kerken zijn er procedures waarin ter bescherming van de voorganger maar ook van de kerkelijke gemeenschap alleen na zorgvuldige besluitvorming door kerkelijke organen een voorganger kan worden ‘losgemaakt’ van de kerkelijke gemeenschap waaraan hij verbonden is of van het kerkgenootschap en/of het kerkverband als geheel.45 Indien de interne procedure niet in acht is genomen, kan het desbetreffende besluit nietig worden verklaard.46 Ook als formeel de interne procedure wel gevolgd is, kan die besluitvorming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid worden vernietigd.47


44 Vergelijk HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702.
45 Zie over de regels hieromtrent in de Rooms-Katholieke Kerk: R.G.W. Huysmans, De positie van de clerus in de nieuwe codex, in: R. Torfs, Het nieuwe kerkelijk recht, Leuven 1985, p. 190 e.v., m.n. p. 202-203. Vergelijk Ord. 3-20 en 21 en Ord. 10-7 t/m 12 PKN.
46 Vergelijk pres. Rb Groningen 21-12-1990, KG 1991, 90.
47 Zie Asser-Van der Grinten-Maeijer, achtste druk 1997, nr. 216.

|172|

De wereldlijke rechter heeft in principe echter geen zeggenschap in de kerkrechtelijke aspecten van het predikantschap/priesterschap.48 Hij kan niet de besluitvorming door de bevoegde kerkelijke organen vervangen. Wel kan hij, ondanks de nietigverklaring van een ontslag, de schorsing van de predikant in stand laten vanwege de verstoorde verhoudingen.49

 

Aangenomen dat er sprake is van een arbeidsverhouding, is de vraag welke regels uit het arbeidsrechtelijk ontslagrecht aan de orde kunnen komen.

Volgens art. 7:667 BW eindigt de arbeidsverhouding van rechtswege wanneer deze voor een bepaalde tijd is overeengekomen. Ook deze situaties komen in de verhouding tussen voorganger en kerkelijke rechtspersoon voor.50 Naar mag worden aangenomen is het burgerlijkrechtelijk effect van de afloop van de afgesproken periode ook bedoeld in de verhouding tussen kerkelijke rechtspersoon en voorganger.

Voor arbeidsverhoudingen voor onbepaalde tijd geldt dat de werkgever en de werknemer deze kunnen opzeggen, waarbij de werkgever zwaardere verplichtingen heeft. Op zich lijkt mij het niet bezwaarlijk om ook bij voorgangers deze voorwaarden in acht te nemen. Het betekent wel dat bij de eventuele opzegging van het dienstverband aan de voorganger de wettelijke termijnen in acht moeten worden genomen.

 

Onder bepaalde omstandigheden, genoemd in art. 7:670 BW, geldt een opzegverbod voor de werkgever. Het lijkt niet onredelijk dit ook ten opzichte van voorgangers te doen gelden.

De werkgever kan de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen om een dringende reden; zie art. 7:677 en 7:678 BW. Het gaat hier om zulke evidente misstanden, dat toepassing ervan redelijk lijkt in geval het voorgangers betreft. De werkgever is overigens niet verplicht om de arbeidsovereenkomst hiervoor op te zeggen. In hoeverre dit wangedrag van de voorganger ook kerkrechtelijke repercussies heeft, hangt af van de kerkelijke regeling en haar toepassing. Bij kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsverhouding kan de werknemer schadevergoeding krijgen (art. 7:681 BW).51 Ook daarvan is toepassing bij ‘ontslag’ van een voorganger niet onredelijk. Anders ligt het mijns inziens


48 Ten onrechte anders Rb. Dordrecht 11 april 1985, KG 1985, 160 met vervolg in Hof ’s-Gravenhage 24 april 1987, KG 1987, 290 en Rb. Dordrecht 15 november 1991, KG 1991, 411.
49 Zie Rb. Groningen 21-12-1990, NJ 1991, 90.
50 Vergelijk voor de Rooms-Katholieke Kerk R.W.G. Huysmans, a.w. Leuven 1985, p. 202-203. Voor de PKN Ord. 3-18.
51 Pres. Rb. Breda 3 februari 1987, KG 1987, 103.

|173|

echter bij de toepassing van art. 7:682 BW. Als de werkgever schadeplichtig is omdat hij de opzegtermijnen niet in acht heeft genomen, of omdat hij kennelijk onredelijk de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, dan kan de rechter de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst (dienstbetrekking) veroordelen. Vanwege het feit dat de voorganger niet alleen een arbeidsovereenkomst heeft, maar ook tegelijk een kerkrechtelijke positie die afhankelijk is van besluiten door bevoegde kerkelijke organen, en het hebben van een arbeidsovereenkomst voor de voorganger gekoppeld is aan zijn kerkrechtelijke positie, acht ik herstel van de arbeidsovereenkomst door de rechter niet gepast.52 Er zijn andere dubbele rechtsverhoudingen, met name die tussen vereniging, coöperatie, NV of BV en hun bestuurders, waar de wet met zoveel woorden herstel in de dienstbetrekking heeft uitgesloten.53 Dat heeft met de vertrouwensband die er tussen de bestuurders en de leden/aandeelhouders moet zijn te maken. Een dergelijke vertrouwensband is er zeker ook tussen voorganger en kerkelijke rechtspersoon. A.G. Koopmans stelt54 dat er geen inmenging in kerkelijke aangelegenheden hoeft te zijn bij toepassing van artikel (thans) 7:682 BW omdat herstel van de dienstbetrekking kan worden afgekocht (zie lid 3). Dat kost dan altijd nog geld. Ik geef er de voorkeur aan schadevergoeding te baseren op art. 7:681 BW. Toepassing van 7:682 BW acht ik ongepast, ook al kan er afkoop plaatsvinden.

Vanwege de bijzondere vertrouwensband tussen kerkelijke rechtspersoon en voorganger en de vrijheid van godsdienst is ook in art. 2 sub c van het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen dit besluit niet van toepassing verklaard op personen die een geestelijk ambt bekleden.55 Voor de opzegging van de arbeidsverhouding met de voorganger is dus niet voorafgaande toestemming van de Centrale organisatie Werk en Inkomen nodig.

 

Uit het voorafgaande moge blijken dat mijns inziens de toepassing van het arbeidsrecht op de rechtsverhouding met de voorganger, mits met erkenning van het mede kerkrechtelijk karakter van de rechtsverhouding, nauwelijks problemen behoeft op te leveren. Dat wettelijk het herstel van de arbeidsverhouding door de rechter niet is uitgesloten, zou tot onwenselijke uitspraken kunnen


52 HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 r.o. 3-4 suggereert dat deze regel geen problemen hoeft op te leveren, omdat de functionele relatie direct kan worden beëindigd. A.G. Koopmans stelt in deze zaak dat altijd nog ontbinding door de kantonrechter open staat. Beide opties lijken mij minder aantrekkelijk.
53 Zie art. 2:37 lid 6, 2:134 lid 3 en 2:244 lid 3 BW.
54 Conclusie voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad in HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757.
55 Vergelijk noot 15 hiervoor.

|174|

leiden, doch naast de parallel met de bestuurders van rechtspersonen kan eventueel de vrijheid van godsdienst nog als argument worden gebruikt tegen de toepassing hiervan door de rechter.56


56 Vergelijk HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702 betreffende een imam. De niet toepasselijkheid van het BBA op deze werd hier mede gebaseerd op de vrijheid van godsdienst.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 9a

175-187

|175|

9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten

F.T. Oldenhuis

 

 

9a.1 Inleiding

Bij inschakeling van de burgerlijke rechter door kerkgenootschappen denkt men in de eerste plaats aan die gevallen waarbij de burgerlijke rechter ‘te hulp’ wordt geroepen om een uitspraak te doen over de eigendom van de kerkelijke goederen na een kerkscheuring. Beziet men de periode 1850-1950 dan is een groot aantal van de uitspraken van de burgerlijke rechter, die verband houden met kerkelijke conflicten in dat kader te plaatsen.1


1 Voor een inventarisatie wordt verwezen naar F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977 en zeer uitvoerig: A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding. De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, diss. Groningen 2002; in het bijzonder de in hoofdstuk 7 gegeven inventarisatie.
Kort samengevat kan over genoemde periode het volgende worden opgemerkt. Aanvankelijk werd de burgerlijke rechter geroepen een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden (1816). Centraal stond daarbij de vraag of plaatselijke gemeenten die in de periode 1838 tot en met 1886 uit het verband van de Nederlandsche Hervormde Kerk waren getreden, met succes aanspraak konden maken op de kerkelijke goederen. Die vraag werd door de rechtspraak in ontkennende zin beantwoord (HR 2 januari 1846, W.674). Weliswaar was ieder lidmaat volkomen bevoegd zich vrijwillig af te scheiden; diezelfde bevoegdheid moest evenwel worden ontzegd aan de plaatselijke gemeenten. Zij werden geacht voor altijd deel uit te maken ‘van het organisch geheel, de Nederlandse Hervormde Kerk’ (Rb. Utrecht 2 april 1890, W 5883). De plaatselijke gemeenten, die waren voortgekomen uit De Afscheiding (1834) en De Doleantie (1886) verenigden zich in 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Wat betreft de structuur van hun kerkorde grepen zij rechtstreeks terug naar de Dordtse Kerkenordening van 1618.
Nadat binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland zich in 1944 een scheuring voltrok (De Vrijmaking}, werd de burgerlijke rechter opnieuw geroepen om de vraag te beantwoorden of een plaatselijke gemeente zich kan afsplitsen van het verband van kerken en met succes aanspraak kan maken op de kerkelijke goederen. Nu diende die vraag te worden beantwoord op basis van de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In een reeks uitspraken ➝

|176|

Wie de uitspraken van de burgerlijke rechter op het snijvlak van kerk en recht van de afgelopen dertig jaar overziet, zal de associatie met ‘kerkscheuring en mede-eigendom’ minder snel maken. Ten aanzien van twistpunten van zeer uiteenlopende aard die op het kerkelijk erf ontstonden, werd de hulp van de burgerlijke rechter ingeroepen. Die ontwikkeling past in het algemene beeld van een verjuridiseerde samenleving. Dat proces heeft zich in het bijzonder vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw in hoog tempo voltrokken. De justitiabele wendt zich veel sneller dan vijftig jaar geleden tot de burgerlijke rechter, indien hem onrecht wordt aangedaan. Die trend gaat ook kerken niet ongemerkt voorbij. Kerkleden blijken in dat opzicht kinderen van hun tijd te zijn. Bij de gevarieerdheid van vorderingen die voor het forum van de burgerlijke rechter worden gebracht denke men bijvoorbeeld aan vorderingen tot vernietiging van genomen besluiten,2 tot ‘rectificatie’ van een uitgesproken gebed3 of van gedane uitlatingen.4 Voorts aan vorderingen tot herstel van het dienstverband en/of doorbetaling van loon.5 In zaken waarbij sprake is van (seksueel)


➝ oordeelde de Hoge Raad dat de plaatselijke kerk, indien zij zich daartoe uit geloofsovertuiging verplicht achtte ‘kan treden uit en blijven bestaan los van het Synodale Verband, waartoe zij tevoren behoorde’ (hr 23 januari 1948, nj 1948, 432 (scheuring Geref. kerk Vleuten/De Meern)).
Indien de betrokken kerkenraad dat besluit neemt omdat hij van oordeel is, dat het verband van kerken is afgeweken van de gemeenschappelijk vastgelegde grondslag, rijst de vraag in hoeverre de burgerlijke rechter het uittredingsbesluit kan toetsen. Dat die toetsing in dat geval niet meer dan een marginale toetsing kan zijn, werd door de Hoge Raad in een reeks arresten verwoord (onder andere HR 15 februari 1957, N] 1957, 201 (scheuring Geref. Kerk Hasselt)). Het in dat verband door de gerechtshoven en in navolging daarvan door de Hoge Raad zelfgemaakte onderscheid tussen enerzijds ‘vragen van geloof en overtuiging’ in welk geval — daargelaten gevallen van willekeur en kwader trouw — ‘verder niets te onderzoeken overbleef’ en anderzijds andere vragen — ook wel aangeduid als ‘rechtsvragen‘ — is tot op heden voorwerp van aanhoudend debat in de literatuur. Ik verwijs daarvoor naar de bijdrage van A.H. Santing-Wubs in hoofdstuk 9b.
2 Hof Arnhem 14 sept. 1993, rolnr. 92/142 (niet gepubliceerd) (tuchtmaatregel jegens gemeentelid Geref. Gemeente); Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel jegens gemeentelid Geref. Kerk vrijgemaakt); Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18 (tuchtmaatregel jegens gemeentelid Gemeenschap van Gelovigen).
3 Pres Rb. Arnhem 24 februari 1989, KG 1989, 114 (Uitschrijving dooplid Christelijke Gereformeerde Kerk te Ede).
4 Hof ’s-Hertogenbosch 17 januari 1989 (niet gepubliceerd) rol nr. 588/87/HC (zaak ds. Kruis); zie uitvoeriger daarover: F.T. Oldenhuis, Kerkgenootschappen en privaatrecht, kanttekeningen bij ‘de zaak Kruis’, in: Opstellen aangeboden aan prof.mr. C.J.H. Brunner, Deventer 1994, p. 303 e.v.; zie verder: HR 5 juni 1987, NJ 1988 702 (EAA) (uitlating echtpaar Goeree).
5 HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS; TVVS 1991, p. 297 e.v. nt. M.G. (ds. Kruis- Chr. Geref. Kerk te ’s-Hertogenbosch).

|177|

misbruik kan men voorts denken aan de vordering tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade.6
Die ontwikkeling is des te opmerkelijker als men let op de grote mate van vrijheid die de overheid aan de kerkgenootschappen hier te lande heeft gegeven om op betrekkelijk autonome wijze uitwerking te geven aan de interne regelgeving. Ondanks die autonomie en het feit dat het merendeel van de kerkgenootschappen van de gegeven vrijheid gebruik heeft gemaakt, is de hulp van de burgerlijke rechter kennelijk onontbeerlijk! Dat kan het gevolg zijn van het feit dat de interne regelgeving onvolledig is ten aanzien van de oplossing van interne conflicten. Het is ook mogelijk dat de interne beroepsgang niet of nog niet voldoet aan de eisen die men heden ten dage aan een goede procesgang stelt. In dat geval is de kans groot dat de interne rechtsgang onvoldoende draagkracht bezit om zich aan het eindoordeel van de beroepsinstantie te conformeren. Een beroep op de burgerlijke rechter als restrechter komt dan snel in beeld.

In het hiernavolgende wil ik voor wat betreft enkele deelonderwerpen de bemoeienis van de burgerlijke rechter in het spanningsveld van kerk en privaatrecht nader inzichtelijk maken. Ik beperk me tot een drietal (deel)onderwerpen:
— het rechterlijk ingrijpen in arbeidsconflicten tussen predikant en kerkgenootschap (paragraaf 9a.2);
— het rechterlijk oordeel over het door het kerkgenootschap gevoerde verweer dat de eisende partij niet-ontvankelijk is vanwege het onbenut laten van de interne beroepsinstantie(s) (paragraaf 9a.3);
— het rechterlijk oordeel ter zake van door kerkgenootschappen en haar leden gedane uitlatingen of mededelingen, als zijnde in strijd met de eisen van maatschappelijke zorgvuldigheid (paragraaf 9a.4).

 

9a.2 ‘Arbeids’-conflicten tussen predikant en kerkgenootschap

In de oudere civiele rechtspraak en literatuur werd in het algemeen de rechtsverhouding tussen predikant en kerkgenootschap niet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd. Men beschouwde de rechtsverhouding op grond van het


6 Zeer illustratief in dit verband is: Corr. Bruxelles, 9 avril 1998, JT 1998, p. 530 e.v., Bruxelles (12 Ch) 25 sept. 1998, JT 1998, p. 712 e.v.; zie voorts: Corr. Dendermonde, 10 juni 1998, TBBR 1998, p, 339 e.v. Wat betreft een strafrechtelijke procedure inzake seksueel misbruik: zie Rb. Dordrecht 26 nov. 1998, 11/005100-98 (niet gepubl.).

|178|

kerkelijk statuut als een overeenkomst ‘sui generis’ (van een eigen aard).7 Dat geldt evenzeer voor degene die een geestelijk ambt bekleedt in de Rooms-Katholieke Kerk. Ik signaleerde evenwel in mijn bijdrage in de Brunner-bundel (1994)8 dat de laatste decennia een tendens waarneembaar is om de rechtsverhouding van de werkzaamheden van geestelijke en godsdienstige aard niet aan het dwingende arbeidsrecht te onttrekken. Het betrof onder meer de rechtsverhouding van een pastorale medewerker9 en een ziekenhuispredikant.10 De CRVB overwoog:

De aanvaarding van goddelijk gezag behoeft de aanvaarding van menselijk gezag als waarvan sprake is bij een arbeidsovereenkomst niet uit te sluiten.

Ten aanzien van de rechtspositie van de predikant die verbonden is aan een kerkgenootschap, hield de rechtspraak vast aan de ‘sui generis’-constructie. Ik wijs op de rechtspraak van de CRVB met betrekking tot een doopsgezinde predikant,11 met betrekking tot een islamitische voorganger,12 alsook naar de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot een predikant van de Christelijk Gereformeerde Kerken. Ik doel daarbij op de zaak ‘ds. Kruis’.13
In laatstgenoemde zaak volgde de Hoge Raad het door de rechtbank geformuleerde uitgangspunt dat: 

uiterste terughoudendheid geboden is bij het toepasselijk verklaren van regelingen van materieel burgerlijk recht op de rechtsverhoudingen tussen verschillende organen en onderdelen van een kerkgenootschap.

De Hoge Raad bevestigde de door de rechtbank getrokken conclusie, namelijk dat op grond van de bepalingen van de betreffende kerkorde, niet kon worden aangenomen dat het betrokken kerkgenootschap gezag over ds. Kruis uitoefende


7 T. Koopmans, De begrippen werkman, arbeider en werknemer, Alphen aan den Rijn 1962. Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen, Bijzondere overeenkomsten, deel III, Deventer 1997, nr. 280.
8 F.T. Oldenhuis, Brunnerbundel, p. 303 e.v.
9 CRVB 28 juni 1977, RSV 1977, 309.
10 CRVB 28 juni 1977, RSV 1977, 313.
11 CRVB 6 december 1977, RSV 1978, 181.
12 CRVB 17 februari 1989, AB 1989, 475 m.n. Sinnighe Damsté. Zie verder: HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702 (Asrikh-Islamitische Vereniging). Anders: HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 (Stichting Moskee al M. — Mohammed Zerbouhi).
13 HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS; TVVS 1991, p. 297 e.v. nt. M.G. (ds. Kruis-Chr. Ceref. Kerk te ’s-Hertogenbosch).

|179|

in de zin van art. 7A:I637a bw (oud) e.v. In de motivering van de rechtbank — het wordt nadien in het arrest van de Hoge Raad herhaald — worden drie aspecten geaccentueerd:

Met name de omstandigheid dat Kruis als predikant voor het leven benoemd, geacht werd tucht uit te oefenen over zijn gemeente, die ingeval van aan de gemeente onwelgevallig functioneren van Kruis geen zelfstandige bevoegdheid had tot opzegging van de rechtsverhouding staat het aannemen van een gezagsverhouding als bedoeld in genoemd artikel in de weg (curs. f.t.o.).

Wat de problematiek van ‘interne’ en ‘externe’ werking betreft, werd in het cassatiemiddel gesteld, dat de betrokken kerkorde uitsluitend de interne rechtsbetrekkingen regelde en geen betrekking kon hebben op de contractuele relatie, die primair zou worden beheerst door het rechtspersonenrecht en het overeenkomstenrecht. Uit het voorgaande werd reeds duidelijk dat de Hoge Raad dat standpunt verwierp. Opmerkelijk is dat kerkgenootschappen in hun kerkerden of de daarop gebaseerde uitvoeringsbepalingen, het ‘sui generis’-karakter van de specifieke rechtsbetrekking tussen predikant en kerkgenootschap veelal niet nader uitwerken. Dat geldt in het bijzonder voor het merendeel van de kerk-orden van de kleinere kerkgenootschappen op het protestantse erf, die geheel of nagenoeg geheel de Dordtse Kerkenordening van 1619 volgen. Dat feit mag opmerkelijk genoemd worden. Juist bij kerkgenootschappen die stellen dat het onverenigbaar met het eigen kerkrecht is om de rechtsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant als een arbeidsovereenkomst aan te merken, zou men mogen verwachten dat de vermogensrechtelijke aspecten in de rechtsbetrekking tussen kerk en predikant, zowel op hoofdzaken als op onderdelen, nauwkeurig worden uitgewerkt. In mijn adviespraktijk van de afgelopen jaren constateerde ik met zekere regelmaat dat die uitwerking ook in de zogenaamde ‘beroepingsbrief’ niet plaatsvond.14
De positie van de predikant — hij is de zwakkere partij — verdient naar mijn oordeel betere bescherming. Ik zeg dat mede gelet op het feit dat het kerkgenootschap zelf veelal een zeer sterke positie inneemt. Dat de rechtsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant niet als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd, laat onverlet dat er sprake is van een door het


14 In die zin ook: P.T. Pel, De rechtspositie van de predikant, in: Rechtspositie en traktement van de predikant, uitgave van het GMV, Zwolle 1991, p. 10 e.v. Pel wees erop dat de rechter veel waarde toekent aan de beroep(ing)sbrief en dat het om die reden goed zou zijn dat nader kerk(recht)elijk uit te werken (p. 35).

|180|

vermogensrecht beheerste rechtsverhouding. Gelet op de ongelijke positie van beide partijen, zal de rechter de beginselen van zwaarwegend dwingend recht, waaraan ook kerkgenootschappen en hun onderdelen gebonden zijn,15 (art. 2:2 BW) extensief dienen te hanteren;16 dit zowel op het gebied van het contractenrecht, als op het gebied van het onrechtmatige daadsrecht. (Voor de rechtspositie van de pastores in de Rooms-Katholieke Kerk geldt dat overigens in niet mindere mate.)
Rb. Zwolle I februari 2002, kg 70866/KG ZA 01-466 vormt een goed voorbeeld waarin de bescherming door de rechter van de zwakke rechtspositie van de predikant tot uitdrukking komt. In casu betwistte de predikant de rechtsgeldigheid van de schorsing die hem door de classis was opgelegd. Enerzijds overwoog de president in kort geding dat hem als uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil grote terughoudendheid past. Anderzijds stelde hij zich op het standpunt dat bij de totstandkoming van het schorsingsbesluit essentiële rechtsbeginselen ‘van een behoorlijke rechtsgang zoals een genoegzame mate van hoor en wederhoor’ zijn veronachtzaamd en het besluit in wezen als ‘willekeur moet worden bestempeld en daarmee als onrechtmatig jegens ds. De Boer moet worden beschouwd’ (r.o.2.10-13). De schorsing van de betrokken


15 Zie daarover uitvoeriger mijn bijdrage aan het CRBS-congres: Religie, cultuur en het recht van de overheid, CRBS-reeks, deel 5, Den Haag 2002, p. 37 e.v., i.h.b. p. 40 e.v.
16 Een fraai voorbeeld is reeds te vinden in: Rb. Winschoten 18 november 1925. NJ 1925, p. 1288. Het betrof een ontslagen predikant van de Vrije Evangelische Gemeente die schadevergoeding van de gemeente eiste vanwege een ‘onmiddellijke eenzijdige verbreking’ van de overeenkomst. De rechtbank ‘bezweek’ niet voor de verleiding de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst te kwalificeren, maar overwoog mijns inziens terecht dat de ‘onderhavige rechtsverhouding’ … ‘met die uit arbeidsovereenkomst (een) niet te ontkennen gelijkenis vertoont’.
Vervolgens overwoog de rechtbank dat er ‘feiten denkbaar zouden zijn welke een onmiddellijke eenzijdige verbreking naar analogie van het voor de arbeidsovereenkomst bepaalde, zoude(n) rechtvaardigen’.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat die feiten zodanig zijn dat deze ‘zelfs te zamen genomen’ ‘zeker niet van zooveel gewicht zijn te achten dat een onmiddellijk ontslag zonder eenige tegemoetkoming daarvan het gevolg kon zijn’.
In de Brunner-bundel, a.w., p. 309, heb ik erop gewezen dat indien men de rechtsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant als een arbeidsovereenkomst zou kwalificeren, daarmee het gevaar dreigt dat er een discrepantie ontstaat tussen de specifieke schorsings- en afzettingsgronden en de door de wet genoemde ontslaggronden.
Naar mijn oordeel is die situatie ongewenst. Aldus ontstaat — om de redenering van de rechtbank ’s-Hertogenbosch in de zaak ds. Kruis te citeren, te kennen uit het in noot 13 geciteerde arrest — licht het gevaar dat de burgerlijke rechter  ingrijpt in en een oordeel geeft over de leerstellingen die aan het eigen statuut van het kerkgenootschap ten grondslag hebben gelegen. ➝

|181|

predikant werd dan ook opgeheven zodat hij zijn werk weer kon hervatten. Expliciet overwoog de president dat de twist tussen partijen geen betrekking had op aspecten van leerstellige aard. Het door de predikant gevraagde verbod om tot verdere besluitvorming te geraken aangaande zijn rechtspositie, werd door de president afgewezen; de bevoegde organen zijn vrij om met in achtneming van een behoorlijke procesgang daaromtrent te besluiten. Daarmee bleef het primaat van de kerkelijke besluitvorming gehandhaafd! Naar mijn oordeel heeft de burgerlijk rechter hier een goed evenwicht tussen beider belangen gevonden. Uit het zojuist besproken vonnis blijkt dat de wijze van toetsing in het bijzonder de gehanteerde procedures betreft en niet zo zeer de inhoud van het gehanteerde beleid.

 

9a.3 Intern appelrecht als voorwaarde voor ontvankelijkheid

In de Brunner-bundel (1994) besteedde ik aandacht aan de vraag of het benutten van de interne appelmogelijkheid een voorwaarde vormt om de burgerlijke rechter als restrechter te kunnen inschakelen. Moet, zo stelde ik in genoemd


➝ Zou men niettemin in uitzonderingsgevallen — bijvoorbeeld in het geval waarin een gezagsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant manifest in het statuut tot uitdrukking wordt gebracht — die rechtsverhouding als een arbeidsovereenkomst aanmerken, dan pleit ik ervoor ook in dat geval bepaalde onderdelen van het dwingend arbeidsrecht buiten toepassing te laten, ‘voorzover zij zich niet verenigen met de regeling zoals in het betrokken kerkelijk statuut is neergelegd’.
Eenzelfde benadering valt bijvoorbeeld op het gebied van het huurrecht waar te nemen bij het beëindigen van de bewoning van een door de werkgever ter beschikking gestelde dienstwoning, terwijl het bestaan van een huurovereenkomst niet kan worden ontkend. Vgl. HR 4 juni 1976, NJ 1977, 40 (PZ) waarin de Hoge Raad de cumulatieleer tot uitgangspunt nam en vervolgens bepaalde onderdelen van het huurrecht, zoals de huuropzeggingsregels buiten toepassing liet.
In mijn annotatie onder Pres. Rb. Roermond 7 augustus 1986, Prg 2615, heb ik een dergelijke oplossing in het belangenconflict tussen partijen sterk aanbevolen. Art. 6:215 BW wijst in eenzelfde richting. Naar mijn oordeel kan die methode ook op het terrein van het kerkrecht en het privaatrecht vruchten afwerpen. Men bereikt daarmee dat bepaalde onderdelen van dwingend recht die wél verenigbaar zijn met het betrokken statuut wel kunnen worden toegepast. Een alles-of-nietsbenadering kan op die wijze worden vermeden. Vergelijk voor een iets andere benadering T.J. van der Ploeg, hoofdstuk 8.5 en 8.6 hiervoor.
Zie voor een recente uitspraak, waarin het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen kerkgenootschap en predikant werd aangenomen: Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494 (Mulder — Provinciaal Bestuur van de Europese Continentale Provincie van de Broeder-Uniteit).

|182|

opstel, de eiser die de interne appelmogelijkheid niet benut en meteen de burgerlijke rechter inschakelt, in die civiele procedure in eerste instantie niet-ontvankelijk worden verklaard?
Die vraag werd — zij het met de nodige uitzonderingen die ik hier onbesproken laat — bevestigend beantwoord. Als uitgangspunt dient naar mijn oordeel te gelden, dat indien binnen het kerkgenootschap een deugdelijk omschreven appelprocedure bestaat die door de eiser kan worden benut, het betrokken kerklid eerst die interne mogelijkheid behoort te benutten. Zolang die weg openstaat doet de bodemrechter er verstandig aan eiser niet-ontvankelijk te verklaren.17
De zojuist verdedigde lijn werd bevestigd in de procedure die thans binnen de Nederlandse Hervormde Kerk met betrekking tot de rechtspositie van de zogenaamde ‘Oud Toezicht’- en ‘Vrij Beheer’-gemeenten, aanhangig is. In die procedure betwistte een deel van de hervormde gemeenten de wijziging van de kerkorde, zoals die in 1991 — in het kader van het SOW-fusieproces — had plaatsgevonden. Gevorderd werd dat de rechter de wijziging nietig verklaart, althans vernietigt, althans deze wijziging jegens hen onverbindend verklaart. De Nederlandse Hervormde Kerk (voortaan: de Kerk) stelde zich — met verwijzing naar Ordinantie nr. 19 van de betrokken kerkorde, waarbij de beslechting van geschillen is opgedragen aan de Generale Commissie voor behandeling van bezwaren en geschillen (GCBG) — op het standpunt dat de burgerlijke rechter onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Rb ’s-Gravenhage achtte, gelet op de ‘niet strikt kerkrechtelijk aard van het geschil’ dat verweer ongegrond en meende met een beroep op art. 17 Gw., dat de burgerlijke rechter bevoegd was. Er bestond, aldus de rechtbank, geen formele gehoudenheid om het onderhavige geschil eerst aan de GCBG voor te leggen.18 Het hof vernietigde dan ook het vonnis van de rechtbank. Het hof oordeelde dat het de gemeenten niet vrijstond om buiten de voor de kerk geldende geschillenregeling zich rechtstreeks tot de burgerlijke rechter te wenden. Dat betekende niet, aldus het hof dat de burgerlijke rechter buitenspel werd gezet. Hij zou alsnog in een latere fase kunnen worden ingeschakeld.19 Het onderscheid dat de rechtbank maakte tussen geschillen van louter kerkrechtelijke aard en geschillen waarbij tevens een vermogensrechtelijk aspect meespeelt, werd door het hof eveneens


17 In die zin ook Santing-Wubs, diss, hoofdstuk 6 nr. 3.1.
18 Rb. ’s-Gravenhage 29 november 1995, rolnr. 92/6878 (Hervormde gemeente Aarlanderveen c.s. — Nederlandse Hervormde Kerk). Naar mijn oordeel hanteerde de rechtbank in deze zaak een onjuist uitgangspunt. Er bestond geen gegronde reden de interne rechtsgang onbenut te laten.
19 Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, NJKort 1997, 76.

|183|

— mijns inziens terecht — verworpen. Ook bij kwesties van vermogensrechtelijke aard is de interne appelweg naar mijn oordeel primair de aangewezen weg.

De boeiende vraag die overblijft is deze: wat is het karakter van de toetsing van de burgerlijke rechter nadat appellant de interne appelweg ten einde toe heeft bewandeld en alsnog de burgerlijke rechter inschakelt? Naar mijn oordeel dient als uitgangspunt te gelden dat slechts een marginale toetsing resteert. Blijkt dat het betrokken kerkgenootschap in strijd heeft gehandeld met haar eigen regels dan zal uiteraard die toetsing in volle omvang geschieden. Eenzelfde aanpak valt waar te nemen in de civiele procedure die de ‘Oud Toezicht’- en ‘Vrij Beheer’-gemeenten, nadat zij de interne beroepsprocedure hadden doorlopen, tegen de Nederlandse Hervormde Kerk aanspanden. De rechtbank ’s-Gravenhage20 overwoog dat zij het geschil in volle omvang diende te beoordelen. Uit de interne beroepsregeling bleek niet ondubbelzinnig dat:

de beslissingen van die commissie voor de Gemeenten bindend en onaantastbaar zijn (met het gevolg dat de bevoegdheid om een daarvoor in aanmerking komend geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen, aldus sterk wordt ingekort).

In appel stelde het hof ’s-Gravenhage21 de marginale toetsing voorop en verwierp de door de rechtbank gecreëerde ruimte voor een toetsing in volle omvang. Daarbij overwoog het hof dat de door de Generale Commissie gegeven beslissing de partijen bij dat geschil bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW.22 Een dergelijke beslissing kan dan ook slechts worden aangetast op de gronden die in die bepaling zijn aangegeven, aldus het hof (r.o. 8).
Het betoog van de kerk dat er binnen dat beperkte toetsingskader van de burgerlijke rechter uitsluitend plaats is voor een oordeel over de beslissing van de kerkelijke rechter en geen plaats meer is voor een oordeel over de geldigheid van de aan die beslissing ten grondslag liggende besluiten, werd evenwel door het hof verworpen (r.o.12).
Ik wijs er nog op, dat het antwoord op de vraag op welke wijze de interne beroepsregeling binnen de kring van de aangeslotenen tot stand is gekomen


20 Rb. ’s-Gravenhage 12 april 2000, rolnr. 99/2487, gepubliceerd op Rechtspraak.nl; LJN. Nr. AA 7602 (Hervormde gemeente Aarlanderveen c.s. — De Nederlandse Hervormde Kerk).
21 Hof ’s-Gravenhage 7 maart 2002, rolnr 99/2487, gepubliceerd op Rechtspraak.nl; nr. AE 1907 (Hervormde gemeente Aarlanderveen c.s. — De Nederlandse Hervormde Kerk).
22 Het hof laat zich niet uit over de wijze waarop de kerkelijke uitspraak nu precies moet worden gekwalificeerd; wel geeft zij aan dat titel 15 van Boek 7 (Vaststellingsovereenkomst) in het bijzonder artikel 7:904 BW daarop moet worden toegepast.

|184|

met deze materie nauw samenhangt. De rechtbank ’s-Gravenhage — zojuist aangehaald — doelde daar reeds op. Naarmate de band met de kring der aangeslotenen, die deel uitmaken van het kerkgenootschap, losser is, zal de restrechter niet alleen minder snel geneigd zijn de uitspraak van de interne beroepsinstantie slechts marginaal te toetsten, maar te verwachten is zelfs dat hij aan het welbewust onbenut laten van de interne beroepsgang geen gevolgen verbindt. De problematiek die ik hier en passant aansnijd is een zeer lastige en vraagt nadere doordenking, die het bestek van dit hoofdstuk te buiten gaat. Ik moge volstaan met verwijzing naar de rechtspraak met betrekking tot de beroepscommissies in het bijzonder onderwijs, een aangrenzende materie die voor het hier behandelde onderwerp van groot belang is.23

 

9a.4 Foutief gedrag door of namens kerkgenootschappen en haar leden

Kerkgenootschappen zijn vrij in het bepalen van hun statuut ‘voorzover niet in strijd met de wet’. Bestaat er voor het kerkgenootschap autonomie op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht? Als uitgangspunt geldt dat ook kerkgenootschappen gebonden zijn aan de regels zoals geformuleerd in titel 6.3 BW. Ten opzichte van ‘derden’ bestaat dan ook geen vrijheid van die regels af te wijken. Indien het kerkgebouw in de zin van art. 6:174 BW als gebrekkige opstal


23 Illustratief in dit verband zijn de uitspraken van de Hoge Raad met betrekking tot de interne beroepsinstanties op het gebied van het bijzonder onderwijs: HR 31 mei 1996, NJ 1996, 693 (PAS) (Amghane-Vereniging Departement Eindhoven der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen)). Het feit dat de onderwijskracht zich vrijwillig tot de commissie had gewend en het feit dat in een aanhangsel bij de akte van benoeming op de beroepsgang werd gewezen, vormde onvoldoende reden de beslissing als een bindend advies te zien. De burgerlijke rechter kon het geschil in volle omvang toetsen. In HR 9 november 2001, NJ 2001, 692 (Ontslagen docent-Stichting Hogeschool Brabant) werd die lijn bevestigd en werd overwogen dat de ontslagen leerkracht niet eerst de interne beroepsgang behoefde te volgen, maar zich direct tot de burgerlijke rechter kon wenden.
Naar aanleiding van de eerstgenoemde uitspraak heeft D.A.C. Slump, ‘De geldigheid van besluiten genomen door kerkelijke organen’, in: Kerk, recht en samenleving, Deventer 1997, p. 67 e.v., opgemerkt dat de rechtspraak weliswaar betekenis hecht aan het bestaan van de interne beroepsgang, maar dat een verplichting om die interne rechtsgang te volgen alvorens naar de rechter te stappen op straffe van niet-ontvankelijkheid of onbevoegdheid niet uit de rechtspraak kan worden afgeleid (p. 77). Zoals in het voorgaande is uiteengezet heeft de burgerlijke rechter daaromtrent in een aantal na 1997 gewezen uitspraken op het kerkelijk erf, anders beslist en de interne beroepsgang wél als een verplichte rechtsgang aangemerkt.

|185|

schade veroorzaakt, dan zal het slachtoffer zijn aanspraak tegen het kerkgenootschap als bezitter van het gebouw kunnen geldend maken (de vereenzelvigingsgedachte).
Begaat een functionaris van een kerkgenootschap een onrechtmatige daad, waardoor derden schade lijden, dan zal het kerkgenootschap — in het geval de daad van de functionaris heeft te gelden als een daad van het kerkgenootschap, de schade moeten vergoeden. In de regel zal de daad tevens gelden als foutief van de betrokken functionaris zelf. Men denke aan het geval dat een predikant mededelingen over een gemeentelid doet, die in de gegeven omstandigheid onbetamelijk zijn.
Veelal staat de aansprakelijkheid van de betrokken functionaris zelfs voorop. Bijvoorbeeld in de situatie, waarin een lid van een kerkelijke gemeente schade lijdt, tengevolge van het feit dat de predikant (seksueel) misbruik maakt van het door het gemeentelid aan hem geschonken vertrouwen en door de misstap van de predikant psychisch letsel oploopt. De daad zal dan naar mijn oordeel niet als een eigen daad van het kerkgenootschap hebben te gelden. Voor de vereenzelvigingsgedachte is hier geen plaats. Ik laat eventuele kwalitatieve aansprakelijkheid van het kerkgenootschap op basis van art. 6:170 BW in het kader van dit hoofdstuk onbesproken. Ik volsta hier met de opmerking dat een predikant in het algemeen niet als een ondergeschikte dient te worden aangemerkt. Indien het kerkgenootschap het verweer zou voeren dat bepalingen van de kerkorde de toepassing van het aansprakelijkheidsrecht aan nadere voorwaarden binden, zoals bijvoorbeeld tot gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid of anderszins beperken, dan zal dat verweer naar mijn oordeel veelal stranden. Dat het betrokken kerklid zelf deel uitmaakt van het kerkgenootschap en de bepalingen van de kerkorde — met inbegrip van de geformuleerde beperkingen — heeft geaccepteerd, doet aan dat oordeel mijns inziens niet af.
De gelding van de ‘zorgvuldigheidsnorm’ in de onderlinge verhoudingen behoeft evenwel nog nadere toelichting. Ik stelde in een eerdere publicatie24 dat kerkleden ook binnen het kerkverband gebonden zijn aan afd. 6.3 van het bw. Wel maakte ik daarbij onderscheid tussen gedragingen die naar binnen zijn gericht en gedragingen die meer naar buiten zijn gericht.
Dat onderscheid, zo constateer ik, wordt ook in de rechtspraak gemaakt. Illustratief is Pres. Rb. Groningen 22 nov. 1995, KG 1996, 18. Het betrof het volgende geval. Een door het bestuur van de vergadering van gelovigen getroffen tuchtmaatregel werd door de betrokkene voor het forum van de burgerlijke rechter aangevochten. Bij zijn oordeel over de rechtsgeldigheid van de maatregel kwam het zojuist gemaakte onderscheid op treffende wijze naar voren. De


24 Zie noot 4.

|186|

president maakte wat de wijze van toetsing betreft onderscheid tussen het feit dat het bestuur derden over de getroffen maatregel had ingelicht en dat de maatregel aan de betrokkene zelf was opgelegd.
Ten aanzien van de externe werking liet de president zijn terughoudende aanpak varen:

De noodzaak tot terughoudende, marginale toetsing door de wereldlijke rechter van het handelen van een kerkgenootschap is veel minder aanwezig, wanneer het handelen niet de eigen godsdienstbeoefening en de verdere interne gang van zaken betreft, doch zich naar buiten richt door aan derden mededelingen te doen die voor het betrokken lid van de kerk schade kunnen opleveren.

Is daarmee het interne handelen aan de zorgvuldigheidsnorm onttrokken? Neen; maar bij de invulling van de zorgvuldigheidsnorm ter zake van intern gedrag spelen kerkelijke gebruiken en eigen regels een belangrijke rol. De zorgvuldigheidsnorm binnen de kerk kan dan anders zijn dan daarbuiten. Ik denk daarbij aan de wijze waarop in een kerkdienst afkondigingen worden gedaan in het geval van tuchtmaatregelen. Blokkering daarvan door de betrokkene met een beroep op het recht op bescherming van zijn privé-leven, zal dan ook niet slagen. De huisstijl van het kerkgenootschap kan ertoe leiden dat geconcludeerd moet worden dat het omslagpunt waarop de zorgvuldigheidsnorm is geschonden, niet spoedig zal zijn bereikt. Hof ’s-Hertogenbosch 2 december 1998, TvG 1999/31, p. 238 e.v., vormt een fraaie illustratie van het feit dat het omslagpunt wél werd bereikt. Het betrof een procedure voor de kerkelijke rechtbank ter zake van het ongeldig verklaren van een huwelijk. Centraal daarbij stond de vraag of — achteraf — kon worden vastgesteld, dat aan de zijde van de vrouw psychische belemmeringen aanwezig waren om de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk op zich te nemen. De kerkelijke rechtbank deed daaromtrent in bevestigende zin een uitspraak, met verwijzing naar een psychiatrisch rapport. Vast staat dat het door de psychiater opgestelde rapport zonder medeweten van de vrouw in kwestie was geconcipieerd en zonder dat de betrokken psychiater de vrouw ooit had gezien! Het hof oordeelde de betrokken handelwijze van het bisdom en de psychiater onrechtmatig. Uit de zojuist genoemd uitspraak blijkt, dat het onderscheid extern en intern ook nog onderlinge gradaties kent. Hoezeer de zojuist genoemde zaak mijns inziens een interne aangelegenheid betrof, het heeft eveneens externe aspecten. Dat het hof minder marginaal toetste dan de rechtbank in eerste instantie deed, acht ik dan ook juist. Bedacht dient te worden dat het onderscheid dat ik maakte slechts een handvat is in het kader van de rechtsvinding en niet meer dan dat,

|187|

bedoeld om het evenwicht tussen enerzijds vrijheid van belijden en de daarmee verbandhoudende organisatievrijheid en anderzijds de vrijheid om als samenleving regels te stellen die het gedrag tussen burgers reguleren, te bewaren.
Uit het voorgaande blijkt opnieuw hoezeer het accent van de toetsing door de burgerlijke rechter ligt op de procedurele aspecten en niet zo zeer op de inhoud.

 

9a.5 Conclusie

In het voorgaande kwam op een aantal deelterreinen op het kerkelijke erf de burgerlijke rechter in beeld. Dat de burgerlijke rechter tot een oordeel wordt geroepen ter zake van kerkelijke conflicten heeft hier te lande een lange historie. Dat is niet verwonderlijk in een land dat reeds lang een tolerantietraditie kent.
Uit die rechtspraak blijkt dat de rechter vóórdat hij zijn oordeel geeft, bereid en in staat is zich te verdiepen in het statuut van het kerkgenootschap dat in geding is. Temidden van een veelheid van uiteenlopende beginselen en uitgangspunten zal hij het recht moeten vinden.
In deze tijd levert het terrein van kerk en recht, waarin een veelheid van rechtsbeginselen zich zo nadrukkelijk manifesteert, voor de onderzoeker een veelkleurig veld van onderzoek op.
Er is ook op dit gebied naar het woord van Prediker geen einde aan ‘het maken van veel boeken’. Over de ‘afmatting van het lichaam’ zullen we in dit verband maar zwijgen.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 9b

189-197

|189|

9b Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en geloofskwesties

A.H. Santing-Wubs

 

 

9b.1 Inleiding

Het zal geen verbazing wekken dat kerkelijke geschillen te maken kunnen hebben met verschil van inzicht op het gebied van het geloof. De burgerlijke rechter zal zich echter over geloofskwesties niet uitlaten. Van Lennep zei hierover reeds in 1909:

Slechts het geloofsoog kan uitmaken of eene verandering in de belijdenis van eenen Kerk verkeerd dan wel noodzakelijk is. Op het gebied van het recht hebben wij dezen factor dan ook in het geheel niet in aanmerking te nemen, maar slechts te onderzoeken of formeel, voor het uiterlijke, wijziging in overeenstemming is met de daaromtrent geldende bepalingen. Voor het recht geldt niet de vraag: ‘Is de verandering overeenkomstig Gods wil?’, maar: ‘Strijdt de wijziging niet met eenig wettelijk of statutair voorschrift?’ Bij elk kerkgenootschap zal men hieromtrent tot eene verschillende beslissing kunnen komen.1


1 L.H. van Lennep, De rechtskracht van de verordeningen der christelijke kerkgenootschappen, diss. Leiden, Haarlem 1909, p. 201. Vgl. B.P. Vermeulen, Artikel 6, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 2000, p. 97. Vermeulen heeft het daar over ‘interpretatieve terughoudendheid’: de gelovige geeft in beginsel zélf aan hoe hij (het belijden van) zijn geloof dient in te vullen, dit is niet aan buitenstaanders (waaronder de burgerlijke rechter).

|190|

In de jurisprudentie zien we het standpunt dat de burgerlijke rechter zich niet uitspreekt over geloofskwesties herhaaldelijk terugkomen.2 In dit verband is de uitspraak van de Hoge Raad inzake de kerkscheuring binnen de Gereformeerde Kerk van Hasselt bekend geworden.3

De casus luidt als volgt: de meerderheid van de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Hasselt heeft het besluit genomen uit het synodale verband te treden. De kerk die binnen het synodale verband van de Gereformeerde Kerken is gebleven, stelt dat degenen die zijn uitgetreden een nieuwe kerk vormen. De Gereformeerde Kerk (synodaal) vordert derhalve in rechte ontruiming van het kerk- en schoolgebouw door de uitgetreden groep, te weten de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). Laatstgenoemde kerk stelt echter dat zij de voortzetting is van de oorspronkelijke Gereformeerde Kerk en daarmee eigenares van genoemde gebouwen.

De rechtbank ontzegt eiseres (Gereformeerde Kerk synodaal) de vordering, waarop deze in hoger beroep gaat.

In een van de grieven wordt aangevoerd, dat de rechtbank heeft miskend dat er een theologische gebondenheid van de plaatselijke gemeente bestaat: de Gereformeerde Kerken vormen volgens de Gereformeerde Kerk (synodaal) een


2 Zonder hier uitputtend te zijn, verwijs ik in dit verband naar de volgende uitspraken: Rb. Maastricht 30 mei 1930, NJ 1930, p. 1499 (ontslagen priester); Hof ’s-Gravenhage 31 oktober 1938, NJ 1939, 201 (scheuring Oud Gereformeerde Gemeente Scheveningen); Pres. Rb. Maastricht 20 oktober 1945, NJ 1944/45, 746 (scheuring Gereformeerde Kerk Maastricht); Hof Amsterdam 15 november 1945, NJ 1946, 157 (scheuring Gereformeerde Kerk Krommenie); HR 23 januari 1948, NJ 1948, 432 (scheuring Gereformeerde Kerk Vleuten-De Meern); Hof Amsterdam 24 juni 1948, NJ 1948, 569 (scheuring Gereformeerde Kerk Eemdijk); Hof Arnhem 10 januari 1950, NJ 1950, 539 (scheuring Gereformeerde Kerk Daarlerveen); HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt); Hof ’s-Gravenhage 28 november 1958, NJ 1960, 7 (scheuring Gereformeerde Gemeente Berkenwoude); Pres. Rb. Haarlem 17 februari 1989, KG 1989, 134 (joods-kerkelijke echtscheiding); Hof ’s-Hertogenbosch 22 december 1989, NJ 1990, 487 (beëindiging beheer moskee); Rb. Groningen 5 maart 1993, NJ 1994, 417 (scheuring Gereformeerde Kerk Boerakker); HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330 (EAA) (Van Asseldonk c.s./Bisschop Ter Schure); Pres. Rb. Zwolle 10 december 1998, KG nr. 43562/KG ZA 98-416 en 43564/KG ZA 98-417, ongepubliceerd (geschil moskee Zwolle); HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (World Islamic Mission).
3 HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt). Zie over dit arrest o.a.: L. Roeleveld, Gereformeerde kerken in het privaatrecht, Zeist 1958, p. 9 e.v.; Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 56 e.v.; H.J. van Eikema Hommes, De transcendentaal-empirische methode, haar betekenis voor de juridische vakwetenschappen, in: Ars Aequi 28 (1979) n, p. 91/727; J.W. van Ee, ‘Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel’, WPNR 6245 (1996), p. 827-833.

|191|

theologisch geheel welke in stand wordt gehouden door gezamenlijk overleg op synodaal niveau over theologische geschilpunten. De plaatselijke kerk zou gebonden zijn aan de uitspraken van de synode daarover. Wanneer de plaatselijke kerkenraad van mening is dat er sprake is van een valse leer en zich vervolgens uit die theologische eenheid losmaakt, is er volgens appellante sprake van kerkverandering.

Het hof acht het nodig dat er omtrent deze problematiek duidelijkheid wordt verschaft door deskundigen. Volgens de ingeschakelde deskundigen is uittreding uit het verband in beginsel mogelijk: er bestaat slechts een beperkte theologische gebondenheid van de plaatselijke kerk aan het verband. Het hof neemt dit oordeel over.

De deskundigen hadden tevens het ‘gevoelen geuit’ dat een vermoeden ten voordele van het verband behoorde te worden erkend bij de vraag of een kerkenraad van een plaatselijke kerk slechts tot losmaking bevoegd kon worden geacht. In die zin, dat die kerkenraad alleen bevoegd was tot losmaking wanneer deze aantoonde dat het verband inderdaad van de grondslag was afgeweken of de kerkorde had geschonden.

Het hof meent echter dat de burgerlijke rechter niet in alle gevallen bevoegd zal zijn om zich over de zaak uit te spreken:

- dat echter naar het oordeel van het Hof dit vermoeden voor de burgerlijke rechter alleen dan kan worden ingeroepen, wanneer het aan deze vrij staat over de vraag, waaromtrent pp. van mening verschillen, een oordeel uit te spreken en voor de betrokken kerkenraad dus in beginsel de mogelijkheid bestaat het vermoeden te ontzenuwen, zoals het geval kan zijn bij een beweerdelijke schending van de Kerken-orde (romein ahsw);
- dat het vermoeden derhalve in rechte niet van kracht kan zijn in die gevallen, waarin het, gelijk ten deze, gaat om de vraag, of het Verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap, t.w. de Drie Formulieren van Enigheid, is afgeweken, aangezien de beantwoording van deze vraag — behoudens in gevallen van willekeur of kwade trouw — niet ter kennisneming staat van de burgerlijke rechter, wie het niet vrijstaat over dogmatische en theologische twistvragen te oordelen (romein ahsw).

Allereerst overweegt het hof hier dat de burgerlijke rechter vrij is om zich uit te spreken over een gestelde schending van de kerkorde. Voorts zien we dat dat niet het geval is wanneer het gaat om dogmatische en theologische kwesties, behoudens wanneer er sprake is van willekeur of kwade trouw.

|192|

Het hof komt tot de conclusie dat de kerkenraad van de plaatselijke kerk bevoegd is onder omstandigheden een besluit tot uittreding uit het synodale verband te nemen, tenzij er hierbij sprake is van willekeur of kwade trouw. Het hof overweegt dat dat laatste niet is aangevoerd door appellante en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

De Gereformeerde Kerk (synodaal) gaat in cassatie. Zij voert onder andere aan, dat het hof wél tot taak had om te onderzoeken of het verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap was afgeweken. De Hoge Raad overweegt echter onder verwijzing naar de artikelen 181 t/m 183 van de Grondwet4 en artikel 1 van de Wet op de kerkgenootschappen:

...dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat.

Het cassatieberoep wordt vervolgens verworpen.

 

9b.2 Kanttekeningen bij ‘Hasselt’

Hoewel het hierboven behandelde arrest op het eerste gezicht de heldere regel lijkt te geven dat de burgerlijke rechter zich niet uitlaat over geloofskwesties, valt daarbij toch wel een kanttekening te plaatsen. Het is niet eenvoudig om hier duidelijke grenzen te trekken: wanneer is er sprake van ‘dogmatische en theologische twistvragen’?

Roeleveld5 benadrukt dat het gaat om ‘zuivere geloofskwesties’. Hij leidt uit het Hasselt-arrest af dat de burgerlijke rechter zich niet dient uit te spreken over


4 De artikelen 181 t/m 183 Grondwet luidden:
Ieder belijdt zijn godsdienstige meningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.
De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleden van waardigheden, ambten en bedieningen.’
5 Roeleveld, a.w., p. 10.

|193|

zuivere geloofsvragen. Direct volgt daarop de nuancering dat een absolute scheiding tussen recht en geloof niet mogelijk is: de ‘sferen’ overlappen elkaar. Roeleveld wil de burgerlijke rechter naar aanleiding van het Hasselt-arrest niet al te snel buiten spel zetten: hij stelt dat indien een gereformeerde synode een leeruitspraak doet die regelrecht in strijd komt met de voor ieder duidelijke woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis,6 de rechter deze uitspraak voor nietig zal moeten houden.

Dit kan mijns inziens niet als uitgangspunt dienen. Geen van de kerken ontkomt er uiteindelijk aan dat in een periode van jaren, decennia of zelfs eeuwen bepaalde inzichten over de interpretatie van de Bijbel en daarmee ook dogma’s veranderen. Van de burgerlijke rechter kan men onmogelijk verwachten dat deze een oordeel velt over de vraag wanneer er in dat verband een (uiterste) grens is overschreden. Overigens zij opgemerkt dat in het Hasselt-arrest het hof — en mijns inziens ook terecht — nu juist van oordeel is dat het géén uitspraak mag doen over de vraag of het kerkverband van de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’ is afgeweken, behalve wanneer er sprake zou zijn van ‘willekeur of kwade trouw’.

Oldenhuis meent dat het onderscheid tussen rechtsvragen en geloofsvragen niet juist is, omdat naar zijn opvatting geloofsvragen uit kunnen groeien tot rechtsvragen, die de burgerlijke rechter kan beoordelen aan de hand van het kerkrecht.7

Van Ee, die zich tegen genoemde opvattingen van Roeleveld en Oldenhuis keert,8 maakt onderscheid tussen enerzijds vragen betreffende de juridische organisatie (dus rechtsvragen) waarover de burgerlijke rechter kan oordelen, en


6 Roeleveld ziet de Nederlandse Geloofsbelijdenis als kerkrecht. (De Nederlandse geloofsbelijdenis behoort tot de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’, die door diverse — maar niet alle — protestantse kerkgenootschappen worden onderschreven. De overige twee formulieren zijn de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse leerregels.) Hij staaft deze bewering door te verwijzen naar art. 53 van de kerkorde (Gereformeerde Kerk vrijgemaakt) waarin onder andere de ‘drie formulieren van enigheid’ als bindend worden verklaard (Roeleveld, a.w., p. 10 en 15-16). Op zich is dat laatste mijns inziens geen reden om de formulieren zelf tot het kerkrecht te rekenen. In deze formulieren wordt een uitleg gegeven van de Bijbel, er is ooit systematisch in vastgelegd wat men (formeel) gelooft. (Vgl. het Rapport voor de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Om de eenheid en heelheid van de kerk’ van 16 maart 2001, p. 13, waarin wordt betoogd dat de belijdenisgeschriften niet fungeren als juridisch statuut.)
7 F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977, p. 64 en 73.
8 Van Ee, a.w., p. 830-831.

|194|

anderzijds geloofsvragen waarover deze niet kan oordelen.9 Dit onderscheid is niet nieuw: in het Hasselt-arrest werd het ook gemaakt.

Volgens Van Ee bestaat het gevaar dat partijen hun conflict als zijnde een godsdienstige kwestie presenteren, zodat het geschil ‘juridisch onbeheersbaar’ wordt gemaakt.10 Dit probleem zou niet bestaan indien een geloofsvraag door het kerkgenootschap wordt geformuleerd als rechtsregel.11

Mijns inziens is het onaanvaardbaar en onjuist dat een kerkgenootschap, wil het er zeker van zijn dat de (door de leden) aangehangen geloofsstandpunten worden gerespecteerd door de rechter, deze als rechtsregels zou moeten opnemen in het statuut.

In de praktijk zal dit overigens lang niet altijd mogelijk zijn: niet alle geloofsinzichten laten zich als rechtsregel formuleren. Bovendien meen ik dat het statuut niet bedoeld is om allerlei geloofswaarheden in op te nemen: het uitgangspunt dient te zijn dat er in het statuut ‘bepalingen van inrichting en bestuur’ worden opgenomen.12 Een ander groot nadeel dat dit zou meebrengen


9 Van Ee, a.w., p. 830 en 832. Van Ee gaat in dit artikel tevens in tegen het standpunt van Oldenhuis over conflicten rond geloofsvragen die kunnen leiden tot een kerkscheuring. Oldenhuis stelt daaromtrent: ‘Indien de rechter de rechtsvragen die partijen verdeeld houden — wie de voortzetting van de ongedeelde kerk is en aan wie derhalve de kerkelijke goederen behoren — niet kan beoordelen zonder te treden in een beoordeling van de geloofsvragen, dan is het niet juist dat de rechter bij de oplossing van de rechtsvraag gebruik maakt van de zogenaamde meerderheidsregel en de vertegenwoordigingsgedachte, die daaraan ten grondslag ligt. Indien de aloude ongedeelde kerk in twee groepen uiteen is gevallen om zuivere geloofskwesties, terwijl beide groepen pretenderen de voortzetting te zijn van de ongedeelde kerk, behoren de kerkelijke goederen in dat geval aan beide en moeten worden verdeeld naar verhouding van het ledental, waaruit beide groepen bestaan ten tijde van de kerkbreuk.’ (Oldenhuis, a.w., p. 73-74). Van Ee ziet niet in waarom bij aanspraken op de kerkelijke goederen na een scheuring het statuut de doorslag geeft als geloofsvragen uitgroeien tot rechtsvragen, en waarom bij echte geloofskwesties verdeling geboden is (Van Ee, a.w., p. 831).
10 Van Ee, a.w., p. 830. Deze veronderstelling wordt overigens niet gestaafd door de beschikbare jurisprudentie. Zie bijv. HR 22 februari 1974, NJ 1977, 219 en HR 5 november 1976, NJ 1977, 221, (GJS) (Katwijker arrest). Partijen hadden kunnen stellen dat het om een geloofskwestie ging, maar dat is niet gebeurd: men had belang bij een rechterlijke uitspraak omdat men het niet eens kon worden over een verdeling van de kerkelijke goederen. Zie ook Diepenhorst, NJB 1978 nr. 28, p. 583: ‘(...) het ‘bodemgeschil’ betreft slag op slag geloofsvragen (...)’
11 Van Ee, a.w., p. 829 en 830. Als voorbeeld haalt de schrijver hier c. 1024 van de CIC aan, waarin wordt bepaald dat alleen gedoopte mannen als priester kunnen worden gewijd.
12 Zoals destijds aangeduid in art. 1 van de Wet op de kerkgenootschappen 1853.

|195|

is, dat het de helderheid van het statuut bepaald niet ten goede zal komen.13

Het ligt zonder meer voor de hand, dat de burgerlijke rechter altijd zal proberen het probleem ‘juridisch beheersbaar’ te maken door aanknopingspunten te zoeken bij het statuut.

Voor de gevallen waarin door de burgerlijke rechter vastgesteld moet worden óf het daadwerkelijk om een geloofskwestie gaat, komt Van Ee met de oplossing van de marginale toetsing:

Een gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis kan niet als zodanig worden aangemerkt tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar niet als een vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.14

Ik wijs erop, dat hier de marginale toetsing vanuit een ‘negatief’ uitgangspunt wordt verwoord. Van Ee merkt zelf dan ook al op dat een dergelijke marginale toetsing het kerkgenootschap een kleine speelruimte geeft. Hij meent dat dat terecht is ‘omdat uit godsdienstwetenschappelijk oogpunt vrijwel alles als godsdienstig fenomeen kan worden beschouwd’.15

Mijns inziens biedt dat echter niet voldoende reden om, in geval van een kerkelijk geschil, bij voorbaat de ruimte — met name de vrijheid van godsdienst — van kerkgenootschappen te beperken. Derhalve meen ik dat hier wel een marginale toetsing kan worden toegepast, maar dat de formulering van Van Ee aldus dient te worden gewijzigd:


13 Aan het eind van zijn artikel noemt Van Ee ook zelf het belang van een helder geformuleerd statuut dat niet gelardeerd is met theologische uitspraken (Van Ee, a.w., p. 832-833). Op p. 829 merkt Van Ee overigens terecht al op: ‘Een kerkelijk statuut, geformuleerd en geïnterpreteerd als religieuze tekst is dan ook niet geschikt voor zijn taak. Het statuut is een juridische tekst en de achterliggende religieuze en theologische noties veranderen dat niet, ondanks de vaak aanwezige theologische legitimering.’
14 Van Ee, a.w., p. 832. De schrijver verwijst in dit verband naar het arrest HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107 (processieverbod Geertruidenberg), waarin door de Hoge Raad wordt overwogen dat hier niet gesteld kan worden dat de grondwetgever van 1848 heeft gekozen voor een maatstaf (te weten een beperking van de vrijheid van openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen tot die plaatselijke gemeenten waar deze destijds gebruikelijk en toegelaten waren) ‘waarvan onvoorstelbaar zou moeten heten dat deze door een redelijk wetgever die gesteld wordt voor de noodzaak het houden van dergelijke godsdienstoefeningen ter bescherming van de openbare orde te beperken, gedaan zou kunnen worden (...)’.
15 Van Ee, a.w., p. 832. Het is natuurlijk de vraag of de burgerlijke rechter per definitie dat ‘godsdienstwetenschappelijk oogpunt’ heeft te volgen.

|196|

een in verband met een kerkelijk geschil gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis wordt als zodanig aangemerkt, tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar als vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.

De rechter zal evenwel beginnen met het toetsen aan de hand van andere aanknopingspunten. Een voorbeeld daarvan zien we in een zaak waarin een onder tucht gesteld gemeentelid de tuchtmaatregelen aanvecht voor de burgerlijke rechter.16 Het hof overweegt:

De Gereformeerde Gemeente voert met juistheid aan dat de vraag of onderhavige tuchtmaatregelen al dan niet terecht zijn genomen, beoordeeld dient te worden aan de hand van binnen het betreffende kerkgenootschap aangehangen godsdienstige opvattingen en normen. Naar het voorlopig oordeel van het hof sluit dit evenwel niet uit dat de burgerlijke rechter in een geschil waarin de eiser vraagt om in een burgerlijk recht beschermd te worden, toetst of bij dergelijke besluiten van kerkgenootschappen geen sprake is van willekeur of kwade trouw dan wel of de regels ten aanzien van de wijze van totstandkoming van besluiten niet zijn geschonden.

De burgerlijke rechter dient zich bij de toetsing niet direct te richten op eventuele geloofskwesties die bij het geschil een rol spelen, maar zal eerst moeten kijken naar hetgeen hij wél kan toetsen. Op het moment dat de zaak zover is ‘afgepeld’ dat hij uiteindelijk op een geloofskwestie stuit, dient de rechter zich daar niet over uit te spreken.17

Bij ‘hetgeen hij wél kan toetsen’, ligt — mede op grond van art. 2:2 lid 2 BW — het statuut het meest voor de hand.18 In dit artikel wordt immers bepaald dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voorzover dit niet in strijd is met de wet.19 Aangenomen mag worden, dat organen van


16 Hof Arnhem 14 september 1993, rolnr. 92/142 KG, ongepubliceerd (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Gemeente).
17 Zie in gelijke zin: G.J. Scholten, Kerkscheuring en kerksplitsing, in: red. H. Franken e.a., Ad Personam (Enschedé-bundel), Zwolle 1981, p. 307-308.
18 Zie ook het standpunt van het hof in het hiervoor behandelde Hasselt-arrest.
19 Zie over ‘strijd met de wet’ ook: A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, diss. Groningen, ’s-Gravenhage 2002, p. 33-52.

|197|

rechtspersonen, dus ook kerkgenootschappen, zich ten minste dienen te houden aan de bepalingen van hun eigen statuut.20

 

9b.3 Conclusie

De burgerlijke rechter laat zich niet uit over geloofskwesties. In welke mate die in een concreet geval het geschil beheersen, is op het eerste gezicht niet altijd duidelijk.

Als uitgangspunten zou ik willen hanteren dat de burgerlijke rechter bij een kerkelijk geschil allereerst toetst aan de hand van het statuut: in beginsel moet dat dermate helder zijn geformuleerd dat dit uitkomst kan bieden. Dit statuut mag, zoals reeds opgemerkt, niet in strijd zijn met de wet.

Voorts kan de wijze van totstandkoming van besluiten (c.q. uitspraken) aan fundamentele beginselen worden getoetst.21

Betreft het een beleidskwestie — waarbij het kerkelijk orgaan een discretionaire bevoegdheid heeft — dan dient de burgerlijke rechter marginaal te toetsen.

Gaat het geschil over de uitleg van Bijbel of belijdenisgeschriften, dus om de invulling van het geloof, dan moet de rechter zich daaromtrent van een oordeel onthouden.

Is dat laatste niet geheel duidelijk, dan kan marginale toetsing óf het hier in casu om een (gestelde) geloofskwestie gaat, een hulpmiddel zijn.


20 Zie bijv. H.J. van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie en de materiële indelingen van publiek- en privaatrecht, Zwolle 1983, p. 101; vgl. G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Deventer 1999, p. 97. Zie uitgebreider over aanknopingspunten voor de toetsing: Santing-Wubs, a.w., p. 195-231.
21 Hieronder worden in dit verband bijvoorbeeld fundamentele beginselen van procesrecht en normen van redelijkheid en billijkheid begrepen.