Rutgers, F.L. (1892-) Art. 3

Wie niet beroepbaar zijn.

Art. III. Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en de Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. En wanneer iemand daartegen doet, en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zoo zal de classe oordelen, of men hem voor een scheurmaker verklaren, of op eenige andere wijze straffen zal.

Art. 3 handelt over de roeping. Voor den dienst des Woords is kerkelijke roeping noodig. Dit artikel is al oud, van den beginne af heeft het bestaan. Oorspronkelijk is het gericht tegen de zoogenaamde loopers die het de kerken lastig maakten. Loopers waren menschen, die zonder opleiding en kennis, maar handig en begaafd met welbespraaktheid rondreisden met het doel zich een aanhang te verzamelen, van wie ze levensonderhoud ontvingen, meest met de intentie om op ééne plaats te blijven. Daaronder waren veel monniken en andere praatzieke menschen. Ze wilden zich niet aan de kerkelijke orde onderwerpen vanwege het onderzoek, waarbij hun gebrek aan kennis en hun ketterij aan den dag zou komen. Ze wilden liefst vrij zijn en independentistisch voortleven.
In den tijd der kruiskerken was hieraan niet veel te doen. Men kon ze niet beletten. De Emdensche Synode nam een besluit tegen hen. Art. 18, dat men zich niet mocht indringen in den dienst, waar een dienst was. De Classe moest na onderzoek zulk een persoon voor schismaticus verklaren. Den persoon kon men verder niets doen. De leden die hem volgden, wel. Die moesten onder censuur gesteld.
Voor het overige waarschuwden de kerken er tegen. De Dordtsche Synode van ’74 ging verder. Art. 19. Daar beproefde men de hulp van de politieke Overheid tegen hen te verkrijgen. Om politieke approbatie te verkrijgen werd de K.O. zoo gesteld, als men toen deed. Men kon de K.O. dan handhaven met politieke macht.
De classe van Brielle bracht de zaak der loopers op de Synode. Taffijn zou de hulp inroepen van den Prins van Oranje om last te geven aan de officieren geen loopers op de preekstoel te laten. De Dordtsche Synode van ’78 nam dit art. 19 van ’74 over. In art. 9 wordt het nader uitgewerkt. Men mag niet zonder roeping en ordening in den dienst indringen. Uit de daarop volgende bijvoeging blijkt, dat beide gevallen voorkwamen: 1e. dat er personen waren, die uit eigen beweging gingen preeken; 2e. dat er plaatsen waren, waar een kring van private personen zoo iemand

|25|

riep òf in hun naam of in naam van een invloedrijk persoon der plaats. Ze zullen vermaand worden en zoo ’t niet helpt, zal de zaak voor de classe gebracht worden en zij zelf als scheurmaker veroordeeld.
In Emden was reeds bepaald, dat men ook de personen, die volgden, moet trachten terecht te brengen.
De Middelburgsche Synode van ’81 nam ’t artikel zoo over, dat het laatste gedeelte over de gemeenteleden, die een looper volgden, uit de K.O. tot de particuliere vragen gebracht is. Art. 7. Dan bleef het toch voor de kerken gelden. En hoe korter de kerkorde was, des te eerder zou politieke approbatie volgen. De kerken moesten terwille van de Overheid zoo min mogelijk met tucht bezig zijn. Dus ook om deze reden.
In art. 9 van de particuliere vragen antwoordt de Synode op de vraag, wat men doen zal met diegenen, die de dienaars (welke scheurmakers zijn) na loopen om hen te hooren prediken, dat men ze vermanen zal tot afstand en met gevoegelijke middelen wederom tot de orde brengen.
De Haagsche Synode van ’86 en die van 1618/19 namen dit artikel over.

Voor den dienst des Woords moet er dus wettelijke roeping zijn.
Dit Schriftuurlijke en Gereformeerde beginsel hangt samen met het eigenaardige van de Geref. Dogmatiek, waar de Souvereiniteit Gods en Zijne verkiezing ten leven grondslag is. Volgens die beschouwing is het de Heere zelf die tot geloof en bekeering brengt. Het hangt niet af van den vrijen wil des menschen. Wat ook menschen doen, niemand zal meer ten leven komen dan die bij God in het boek des Levens staan en niemand daaruit zal verloren gaan. Maar zoo zijn menschen alleen instrumenten Gods, en dus ook bij de prediking, een werk des ontfermenden Gods.
De mensch kan dus niet uit zichzelf zich aan ’t werk stellen, want dan baat het niets.
God gebruikt ze als instrumenten, maar dan moeten ze dienaars zijn en niet zelfstandig optreden. Ze voelen zich dus geroepen.
Dit wordt niet voorgestaan door Pelagiaansche en Methodistische richtingen. Daar wordt in de practijk gehandeld alsof het aan de keuze van de mensch staat. Een geloovige moet anderen dan ook tot die keuze brengen of hij geroepen is of niet. Dan wordt er een bijzondere ijver aan den dag gelegd en zijn alle middelen daarvoor goed en dienstig. Een Methodist kan nooit, dag noch nacht, rust hebben, voortlevend in de gedachte, dat het aan hem hangt in ophouden van arbeid en verliezen van zielen. In dat ijveren voor zielen wordt openbaar een gejaagdheid en een afgaan op indrukwekkende middelen.
Een Gereformeerde wordt niet traag, rekent met Gods geopenbaarde wil, moet wettig geroepen zijn om vrucht te verwachten. Daarbij kan hij rustig arbeiden, omdat hij eene roeping heeft. Maar hij moet wettiglijk geroepen zijn. Daarom wordt in de Geref. kerk zoo op de roeping gelet.
Dit neemt echter den plicht niet weg van de geloovigen om elkander te waarschuwen, vermanen, op te wekken en te troosten. Ook dit is roeping. Maar hier is sprake van de bediening des

|26|

Woords en der Sacramenten en ’t speciaal daartoe geroepen zijn, van de speciale roeping tot den openlijken dienst des Woords in naam der kerken.
Een aardsche roeping hebben alle geloovigen, welke roeping moet zijn de beschouwing van in Gods weg te gaan en met vrucht te arbeiden.

De Gereformeerde beschouwing staat tegenover de mysticistische en fanatieke beschouwing.
Tijdens de Reformatie kwam deze in de Anabaptistische kringen veel voor. Bij hen was een opvatting van een roeping, die in het innerlijk gesteld wordt, in het hooren van een stem Gods, die tot het dienen aandrijft. De innerlijke roeping hoort niet in de Kerkorde thuis, behoort niet tot het uitwendig kerkelijk gebied maar tot de practische Theologie. In de Geref. kerk is die innerlijke roeping nooit ontkend, integendeel is er altijd op den voorgrond gesteld, dat er een innerlijke roeping zijn moet, zooals Voetius in zijn conclusie van zijn vertoog over uit- en inwendige roeping, Dl III, 529. Ook Calvijn legt er in zijn Institutie bijzondere nadruk op de innerlijke roeping. Wie die mist, kan toch in den dienst des Woords zijn, omdat de intimis non iudicat ecclesia. Ze kunnen er wel op aandringen maar niet met zekerheid beoordelen. Toch zeggen ze, waar die innerlijke roeping ontbreekt, is weinig zegen te wachten en hij, bij wien ze ontbreekt, brengt als een papegaai, die er niets van verstaat, zijn boodschap over. God kan zich van zulke instrumenten bedienen om tot geloof te brengen, maar het zal tot erger oordeel en schade zijn.
De innerlijke roeping alleen is niet genoeg om wettelijk in de kerk Gods te kunnen dienen. Iemand kan niet uitmaken uit zichzelf of die er is. Ze moet getoetst aan Gods Woord en zich schikken naar de weg, dien de Schrift aanwijst, nl. den weg van orde en regel. Iemand kan een innerlijke roeping tot den dienst des Woords hebben, terwijl het toch geen innerlijke roeping is, maar een roeping van den Satan die iemand ook kan aandrijven. Voelt iemand zich aangedreven niet langs wettigen weg en brengt hij verwarring en verwoesting in de kerk, dan is dit een werk des Satans. Voorwaar een verschrikkelijke gedachte. Onder de valsche profeten en apostelen bestond veel misleiding met opzet maar toch ook veel zelfmisleiding. Daartegenover moet men zich naar Gods Woord en wettigen weg stellen. De kerk moet over de roeping oordeelen, niet individueel. In ’t N.T. geschiedt het zoo altijd. Extraordinaire roeping bevestigde God zelf door teekenen, profeten.
Ordinaire roeping. God wees zelf de Levieten aan en in het N.T. op welke wijze Ouderlingen en diakenen moesten gekozen worden. Roeping door middel van de kerk naar de apostolische usantie van de kerk.
In de eeuw der Reformatie toonden de Anabaptisten waartoe verwaarloozing en minachting van de uitwendige roeping leidde en welke excessen er uit voort moesten komen.
Daarom is in de kerk die wettige roeping zoo op de voorgrond gesteld.

|27|

Ook in onzen tijd bestaat er een optreden uit kracht van innerlijke roeping, zonder zich aan de kerkelijke roeping te onderwerpen.
Tenslotte ligt er een geringachten en loochenen van Gods Woord aan ten grondslag, een hooger stellen van eigen innerlijke openbaring dan Gods Woord. Ongeloof feitelijk aan Gods Woord.
Wat men rechtstreeks van God ontvangt, moet getoetst aan Gods Woord. Daaraan kunnen wij zien of het van God komt. Met iemand, die dit niet inziet, is moeilijk te redeneeren. Want er is dan geen gemeenschappelijke grondslag, want hij spreekt uit de Heilige Geest en niet uit Gods Woord, dat hij loochent.
In onzen tijd bestaat er gevaar voor de afwijking, dat in geval van nood de eene roeping voor de andere kan subintreeren, b.v. die van ouderling voor die van predikant.
Dit is nooit door onze kerken aangenomen. Een ouderling heeft roeping voor kerkregeering, opzicht en tucht en niet voor de dienst des Woords. De eene roeping sluit de andere niet in.
Ter verdediging van dit subnitreeren wordt aangevoerd:
1e. dat het ambt van dienaar des Woords en Ouderling oorspronkelijk één was. Dit was zoo in de Apostelen. In Christus waren alle ambten één. Maar dit kan bij menschen niet. Daarom zijn ze ook door de apostelen in hun tijd gescheiden. Eerst afzonderlijke diakenen en later afzonderlijke ouderlingen.
In het N.T. is sprake van tweeërlei opzieners:
1e voor de dienst des Woords en der Sacramenten en regeering en tucht. Rom. 12: 7, 8.
2e voor enkel tucht en regeering. 1 Cor. 12: 28.
Alle personen zijn niet tot hetzelfde geroepen. De hand heeft een andere roeping dan het oog. Niet allen zijn geroepen. In 1 Tim. 5: 17 wordt tusschen tweeërlei onderscheiden: Dat de ouderlingen, die wel regeeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Na de scheiding van de ambten zijn dus de roepingen verschillend.
2e. Dat onder het Oude Verbond de Levieten, de hulp der priesters, ook wel onderwezen. Maar deze vergelijking gaat niet door. Het was juist het werk van de Levieten te onderwijzen.
3e. Veel ouderlingen, zegt men, zijn geschikt tot prediken. Maar geschiktheid voor een werk sluit nog niet in roeping voor een werk. Alle menschen zijn nog geen burgemeesters, omdat ze daarvoor geschikt zijn. Niet de persoon zelf maar de kerk oordeelt over geschiktheid, dus een onderzoek moet plaats hebben. En deed hij dit, dan deed een ouderling dit buiten zijn ambt. Het hoort niet als zoodanig tot het ambt van ouderling. Ook staat ’t niet in ’t formulier.
4e. Nood verontschuldigde wel eens. Maar nooit man mag men om nood buiten Gods weg gaan. Nood is niet buiten Gods weg. Daarin moet voorzien langs geordenden weg en wel door leespreeken en stichtelijke oefeningen na onderzoek.

|28|

Grondbeginsel is, dat niemand in de kerk openlijk en officiëel, d.i. uit kracht van zijn ambt optrede zonder daartoe van God innerlijk en uiterlijk geroepen te zijn. Dit vloeit voort uit de belijdenis, ligt in den aard van het ambt, en is voor de orde in de kerk noodig.
Uitzonderingen zijn altijd denkbaar. Maar daarvan mag geen regel gemaakt. Die komen niet voor in een land waar wettige orde is. Ook geldt van elke uitzondering, dat de kerken zelf zich daarover hebben uit te spreken.
In de K.O. art. 2, dat geen Doctoren, Ouderling of Diaken dienaar des Woords is. Dus geen subintratie. Wanneer het geschiedt moet de kerk tot scheurmakers verklaren of anders kerkelijk straffen door censuur, excommunicatie.
Daardoor wordt zoo iemand tot op zekere hoogte kerkelijk onschadelijk gemaakt. In de 16e eeuw werd voor zulke personen verbod van de Overheid gevraagd. Dit ging zoolang de Overheid Gereformeerd was van professie. Ze deed dit veel, doch niet altijd. Uitwendige dwang werkte meestal verkeerd. Zedelijke middelen nl. overtuiging bij persoon en aanhangers, helpen meer, al kost het meer moeite, dan een verbod van een schout.

In de volgende artikelen wordt behandeld, wat tot eene wettige roeping behoort, waarin ze bestaat. Artt. 4 en 5. En voor een particulier geval in art. 6.
Was de K.O. gemaakt op de manier van een reglement, dan zou bij behoud van denzelfden inhoud de uitdrukking der gedachten anders zijn. Denkelijk zou dan gehandeld zijn over de roeping van den dienaar des Woords eerst in ’t algemeen en dan in ’t bijzonder voor degenen die niet gediend hebben of omgekeerd.
Hier in art. 4 wordt gehandeld over de roeping in ’t algemeen toegepast op die voor ’t eerst geroepen worden.
In art. 5 wordt hetzelfde herhaald en weggelaten wat op de pas aankomende betrekking heeft en iets bijgevoegd, wat ook op het vorige toepasselijk is. Dit is minder logisch, maar een K.O. is eene bijvoeging van synodale besluiten, die slechts logisch gerangschikt werden. Een reglement wordt echter aus einem Gutze gemaakt. Hierin komt het eigenaardig karakter van de K.O. uit.