Rutgers, F.L. (1892-)

Bespreking der hoofdpunten van het Kerkrecht naar aanleiding van de Dordtsche Kerkenorde
1892

N.B. De tekst van de collegevoordrachten is door prof. Rutgers niet geautoriseerd en was door hem ook niet voor publicatie bestemd. Ze berust op uitgewerkte aantekeningen van dr. J. de Jong, waarvan door deze in 1918 alleen het vierde deel werd gepubliceerd. Verdere uitgave werd toen door de familie Rutgers geblokkeerd. De tekst die weergegeven wordt is afkomstig uit de doorslag van het dictaat in de bibliotheek van de Theologische Universiteit te Kampen (140 F 4). Volgens met pen bijgeschreven notities bevatten de dictaten verslag van colleges uit de jaren 1892-1893, 1893-1894 en 1894-1895.

Rutgers, F.L. (1892-) Inl.

|1|

Cursus 1892 - 1893

[6 Oct. 1892.]

Bespreking der hoofdpunten van het Kerkrecht naar aanleiding van de Dordtsche Kerkenorde.

Het opschrift der D.K. leidt tot onderscheiden Kerkrechtelijke beschouwingen.

Betreffende het authentieke opschrift der k.o. is het volgende op te merken.
In het kerkelijk handboekje, waarin deze kerkenorde in de 17de en 18de eeuw uitgegeven is, staat er geen titel boven, maar een kort historisch bericht dat niet van de Synode van Dordt is. Dit heeft geen authentiek karakter, maar is van den uitgever afkomstig. Het bezit daarom geen autoriteit. De Dordtsche Synode zelf stelde er geen opschrift boven, en heeft ook geen officieel exemplaar van de Kerkenorde bezorgd.

Deze Kerkenorde is verzonden aan de Staten Generaal en de Staten der provincien ter verkrijging van politieke approbatie. De aan de regeering gezonden afschriften waren officieel en hadden een opschrift. Die tekst en die opschriften zijn te erkennen als de meest authentieke redactie. Welke die waren is niet twijfelachtig, want in de provinciën, waar de kerkenorde toen onveranderd politiek geapprobeerd is zorgde de Staten zelf voor een officieele uitgave, n.l. Utrecht, Gelderland en Overijssel. De Geldersche uitgave geschiedde zoo, dat er nog andere bepalingen tusschen in gelascht werden en de titel veranderd, maar die van Utrecht en Overijssel zijn geheel conform het afschrift (Utrechtsche uitgave van 1620 te Utrecht, Overijsselsche uitgave van 1636 te Zwolle).
In die beide uitgaven is het opschrift geheel gelijkluidend met dit onderscheid echter, dat in de Utrechtsche er ook aan toegevoegd is, dat die K.O. ook geapprobeerd is door de Staten van Utrecht. Dus met een speciale locale bijvoeging.
Het opschrift luidde:
Kerkenordening, gesteld in de Nationale Synode der Geref. Kerken, te samen beroepen en gehouden door orde (Utrecht: bij last) van de Hoogmogende Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden binnen Dordrecht in den jaren 1618 en 1619.
’t Was natuurlijk dat dit het opschrift was, want eveneens was ook het officieele opschrift van de K.O. van 1586 van de redactie der Haagsche of Leycestersche Synode.

Zoodanig opschrift stond er niet van ’t begin af aan boven de K.O.
De eerste redactie was van de Synode van Emden 1571, alwaar ’t kerkverband der Geref. kerken gelegd is.
Boven die redactie staat: Acta Synodi ecclesarium Belgicarium etc.

|2|

Dit kwam overeen met den inhoud, want nooit is er in onze kerk een Kerkenordening gemaakt data opera, d.w.z. met het doel om een Kerkenordening te maken. Maar de Synode van Emden moest allerlei voorkomende zaken regelen. Die regelingen en besluiten zijn genotuleerd tusschen andere in. Daarna werd uit de acta uitgetrokken, al wat van algemeene aard en strekking was. Dit werd artikelsgewijs bijeengevoegd en zoo ontstond de Kerkenorde.
Bij die redactie van Emden komen er onder de artikelen ook voor, die bij een Kerkenorde niet behoren, bv. besluiten voor de uitgaaf van een Kerkelijke geschiedenis door Marnix. Dit is een synodaal besluit en geen artikel voor K.O. Op welke plaats en tijd de Synode gehouden zal worden, hoort als bepaling ook niet in een K.O. thuis. Toch staan dergelijke synodale besluiten in de oudste redactie der K.O. omdat men toen niet nauw onderscheidde.
De oudste redactie der K.O. is dus een uitgave van de notulen der synode van ’71.

Ook in de acta van de Provinciale Synode van Dordt van 1574 komt dit veel voor. Ook daarin de notulen van speciale besluiten.
De besluiten van algemeene strekking zijn er uitgelicht en tot hoofdstukken bijeengevoegd. Zoo ontstond weer een K.O. onder 't opschrift: Acta van de Provinciale Synode etc.
Bij de Nationale Synode van Dordt van 1578 geschiedde hetzelfde.
Ook daar is uit de besluiten een Kerkenorde gemaakt niet bij wijze van Kerkenorde, want daarboven staat ook nog Acta.

De naam kerkenordening komt eerst in 1581 voor (Nat. Syn. van Middelburg). Men besloot de K.O. wat te bekorten, een aantal besluiten naar de particuliere vragen te verwijzen ter verkrijging van politieke approbatie.
Boven het exemplaar, aan de Staten gezonden, staat: kerkenordening.
In 1586 bleef die naam opschrift met uitbreiding der Ned. Geref. kerken beider talen.
In 1619 stond er eveneens Kerkenordening boven.

In dit opschrift is met opzet ’t woord ordening gebruikt, en niet wet of reglement.
Er is in vorige eeuwen in onze kerken gesproken van kerkelijke wetten. Onderscheiden classicale regelingen = verzamelingen van classicale besluiten in rubrieken gerangschikt hebben tot titel: Classicale wetten. Prov. Syn. besluiten van Friesland zijn uitgegeven met den titel: Kerkelijke wetten van Friesland.
Voetius gebruikt ’t woord leges voor kerkelijke ordinantiën. (In de eerste eeuw der Reformatie, de 16de, en in die der Synode van Dordt gebruikt men niet ’t woord wet maar ordinantie).
Voetius zegt er bij: Pol. Eccl. dl 1, p 254, dat die leges

|3|

specialiter dicuntur leges canonicae of canones, diataxeis, statuta ecclesiastica, constitutiones ecclesiasticae.
Leges distinguuntur in divinas et humanas. Divinae sunt morales, ceremoniales, forenses. Humanae sunt vel civiles, vel ecclesiasticae. De illis consulendi sunt Scriptores Politici et Juridici. Istae specialiter dicuntur leges canonicae, Canones, diataxeis, diatagai, Constitutiones ecclesiasticae, Statuta ecclesiastica, Capitula et synechdochia Decreta et Traditiones.
Zijn zoon Paulus Voetius, Utrechtsch jurist, zegt uitdrukkelijk in zijn: De usu iuris civilis et canonici (cf. F.L. Rutgers De geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederl. Geref. Kerken, pag. 39), dat er tussen leges en canones moet onderscheiden worden. Op politiek gebied is sprake van leges, op kerkelijk terrein van canones (omdat daar geen leges maar ordinanties zijn).

Het Latijnsche woord „lex” heeft niet de praegnante beteekenis van het Holl. „wet”. Waar blijft, dat in eigenlijke zin wet niet van een kerkenordening kan gezegd worden, behalve van die deelen, die aan Gods Woord ontleend of rechtstreeks daaruit afgeleid zijn.
Kenmerk van een wet is, dat ze voorschrijft, gebiedt en enkel daarom, omdat ze voorschrijft, als wet te gehoorzamen is. Iets moet geschieden, omdat het in de wet staat. Men kan er geen rekenschap van eischen. De wetten zijn van de Overheid afkomstig. Die heeft alleen het recht tot het stellen van wetten, want bij een wet behoort ook dwingende macht om haar te handhaven. In het politieke is dat de burgerlijke Overheid.
In het kerkelijke zijn er ook wetten, maar in het kerkelijke zijn niet Synoden, classes en kerkeraden overheid, ook niet de burgerlijke Overheid, maar Overheid is de Koning der Kerk, d.i. Jezus Christus.
Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen zijn dienaren der gemeente om Christus’ wil. Ze staan niet in dezelfde verhouding als een burgemeester staat tot gemeente en een Koning tot zijn volk. Een burgemeester behoort tot de Overheid. Kerkendienaren zijn geen Overheid. Zij staan tot Christus in betrekking als boden, gezanten, agenten tot overheidspersonen in ’t burgerlijke. Een bode heeft wat te zeggen, voor
zoover hij zijn heer dient. De dienaren kunnen geen wetten maken. Het woord wet doet altijd denken aan de Overheid.
Op kerkelijk gebied geeft het woord „wet” aanleiding, dat Synoden, classes, enz. zich als hoogere besturen gaan beschouwen. Daarom moeten we dat woord vermijden en spreken van ordening, regeling.
Het woord „reglement” heeft in het spraakgebruik ook een wettischen klank.
Men heeft dus wel met wijsheid gesproken van „kerkenordening”, want het doel van alle regelen en besluiten is om de orde te bewaren.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 1

|4|

Kerken-ordening

Art. I. Om goede orde in de gemeente Christi te onderhouden zijn daarin noodig de Diensten, Samenkomsten, Opzicht der Leer, Sacramenten en Ceremoniën en Christelijke straf. Waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden.

Al het volgende geschiedt om goede orde in de gemeente Christi te onderhouden.
De bindende kracht van de K.O. ligt niet daarin, dat ze van een overheid komt, maar dat ze dient om de orde te bewaren.
Er volgt ook uit, dat overtreding der K.O. niet af te keuren is, als de orde maar niet verstoord wordt of beter bewaard kan. Een wet is altijd peremptoir. Niemand kan zich dispenseren van de wet. Maar geen regel zonder uitzondering. Het doel van de K.O. zelf brengt mee, dat men van die K.O. kan afwijken. Dit is niet alleen stilzwijgend toegegeven, maar uitdrukkelijk is uitgesproken, dat afwijken geoorloofd is. Men onderscheidt in iedere K.O tusschen het noodzakelijke en niet-noodzakelijke.
Noodzakelijk is alleen, wat in Gods Woord staat en noodzakelijk daaruit voortvloeit, b.v. de vierderlei diensten. Dit zijn wetten. Het andere terwille van de orde, kan soms overtreden worden.
Er is wel eens gezegd, dat dan alles op losse schroeven gezet is. Dit is echter onjuist. Uit willekeur mag nooit een afwijking plaats hebben. De afwijkingen zijn aan regelen gebonden. Ze liggen uit den aard der zaak in het woord orde opgesloten. Motief voor afwijking moet zijn: het beter bewaren der orde.

Voorts geldt, dat niemand iets wijzigt in de K.O. zonder aller instemming, b.v. zonder toestemming van een Synode.
Men wijkt voor zichzelf alleen af. Bij quaestie over afwijking moet men zich onderwerpen aan den Kerkeraad, Classe of Synode.
Dus geen individualistische willekeur.
Dit alles ligt in het woord „Kerkenordening”.
In den breede is dit in het licht gesteld voor Voetius, waar hij over kerkelijke ordinantiën handelt.
Drie regelen voor afwijking:
1e. De afwijking moet geschieden om des te beter de orde in de Kerk te bewaren.
2e. Een afwijking mag men niet aan anderen opleggen. Een Synode alleen kan verandering maken.
3e. Wanneer er verschil ontstaat over de afwijkingen moet men zich onderwerpen aan de uitspraken van classis, synode of kerkeraad.
Deze beschouwing van kerkenordening is ook die geweest van de makers en schrijvers. Dezelfde voorstelling wordt gevonden bij Voetius, Pol. Eccl. DL. I, p 254. Over het begrip en de

|5|

vereischten van een kerkenordening. Hij doet uitkomen, dat hij wel een K.O. in ’t Latijn lex noemt, maar dat eigenlijk die kerkelijke leges leges canonicae of canones of constitutiones ecclesiasticae genoemd worden. Hij noemt ze leges om ze te onderscheiden van kerkelijke besluiten en uitspraken over bepaalde gevallen.
Een kerkelijke uitspraak over een bepaald geval geeft het gevoelen der kerk te kennen, waaruit wel een algemeene regel mag afgeleid, maar die wordt dan niet uitgesproken. Er blijft dan meer vrijheid. Een kerkelijk besluit drukt een gevoelen en oordeel der kerk uit, maar er ligt niet in, dat de Classe of Synode dat als bepaalden regel voor de toekomst stelt, althans niet met dien aandrang van een besluit, dat in de K.O. opgenomen is.
Als Voetius spreekt over de vereischten van een kerkenordening, noemt hij 7 kenmerken op, die op Geref. standpunt een goede kerkenordening hebben moet.
1e. Hare bepalingen moeten niet de conscienties rechtstreeks willen binden, immers zijn het menselijke bepalingen. En alleen Gods Woord en wet bindt rechtstreeks de conscientie. Dit tegenover de Roomschen, die aan de K.O. goddelijk gezag toekennen.
2e. Hare bepalingen mogen nooit als eeuwigdurend of altoos geldend voorgesteld. Gods Woord alleen blijft in eeuwigheid. Een kerkenordening moet kunnen veranderen. Bij een goede K.O. grijpt dit altijd plaats.
3e. Een K.O. moet niet bevatten bepalingen over allerlei particuliere gevallen. Aan de usantie en tijdelijke besluiten van kerkelijke vergaderingen moet veel worden overgelaten.
Dit tegenover de neiging om alles te willen voorschrijven. In de Roomsche kerk was zoo een vermeerdering van de kerkelijke bepalingen ontstaan. Daaruit ontstond die ontzaglijke verzameling van het canonieke recht. Dit nu mag niet. Allerlei nietigheden mogen niet gecodificeerd.
Een K.O. moet alleen algemene beginselen, groote lijnen aangeven. De uitwerking moet bij de kerken berusten, anders wordt het leven te eng beperkt en komt er versterving; wordt de verzameling te groot en komt de kerk onder de tirannie van de doctores canonici.
4e. Kerkelijke bepalingen moeten nooit gemaakt over quaesties, het burgerlijke en maatschappelijke leven betreffende, b.v. over kleding, huisraad, gebruiken bij huwelijk en overlijden, dus niet over niet zuiver kerkelijke zaken. In het canonieke recht zijn bepalingen over alles. Wel kan men raad geven en dan liefst mondeling.
5e. De bepalingen moeten zoo weinig mogelijk in aantal zijn. Dus geen dik boek met een duizend bepalingen, want dat geeft aanleiding tot een minutieus gekibbel over de opvatting dier bepalingen.
6e. De bepalingen moeten duidelijk en kort zijn. Dit dus om practische redenen.

|6|

7e. De bepalingen moeten niet al te streng worden opgelegd, zoodat ze met goddelijke voorschriften worden gelijkgesteld. Dit toch zou niet tot stichting en bevordering van goede orde zijn, maar tot willekeur.

Op pag. 273 komt Voetius daarop terug en stelt hij de kwestie of de bepalingen van de K.O. moeten nageleefd op straffe van berisping, schorsing en excommunicatie.
Deze quaestie is vaak bevestigend beantwoord. In de Geref. kerk anders.
Voetius antwoordt, dat men altijd waken moet tegen wanorde en wanordelijke mensen, doch elke overtreding of terzijstelling van kerkelijke bepalingen is nog geen ataxia, maar dikwijls eutaxia, juist tot meer stichting van de kerk, tot bewaring des vredes en handhaving der orde.
Dit geldt vooral bij bepalingen, die tegen den zin der kerken in de K.O. gekomen zijn. Er zijn er b.v. in de K.O. opgenomen bij manier van transactie om de overheid in ’t gevlei te komen ter verkrijging van politieke approbatie of om aan volksbegrippen tegemoet te komen, b.v. over het vieren van feestdagen, patronaatsrecht. Hiervan kan men afwijken, zonder daarom onordelijk te zijn.
Het bewijs ligt in onderscheiden redenen.
Voetius wijst er op, dat in Hand. 15 een wettige kerkelijke vergadering onder leiding aller Apostelen voorschriften gaf omtrent het zich onthouden van het verstikte en van bloed. Die voorschriften zijn nooit formeel opgeheven. Hij noemt Synoden uit de 4e en 6e eeuw, die ze herhaalden en inscherpten en toch niemand houdt er zich meer aan. Door de gewoonte zijn ze afgeschaft, omdat het motief wegviel (nl. de verhouding van Joden en Christenen).
Ten laatste beroept hij zich op het feit, dat in de 16e eeuw, de eeuw der Reformatie, alle kerkelijke bepalingen van het jus canonicum door geen enkel concilie waren afgeschaft, en dat toch in Zwitserland, Duitschland, Engeland, Schotland en Nederland de kerken en de particuliere geloovigen dat ius canonicum terzij stelden en naar de beginselen van Gods Woord zijn gaan leven.
Kerkelijke bepalingen behoeven dus niet geëerbiedigd zoolang zij er zijn, want anders moeten we de Reformatie veroordeelen. Reglementair geredeneerd moet men de Reformatie veroordeelen en is alles rebellie en schisma. Doch zoo redeneert geen protestant, dus ook nu niet.
Tenslotte: Geen mensch kan alle kerkelijke bepalingen houden. Afwijking grijpt plaats, omdat volgen van een bepaling onmogelijk is. Regel te stellen is dus willekeur.

Toch heft Voetius de bindende kracht niet op. Hij onderscheidt wijziging in praktijk door particulieren, dienaren des Woords, Kerkeraad, Classis of Synode. Dit staat niet gelijk. Men moet onderscheiden tusschen afwijking van de K.O. met toestemming der Kerk of met oppositie, dus met aanleiding tot schisma. Verder tusschen afwijking, die geschiedt door

|7|

stilzwijgend een voorschrift na te laten en positief er mee in strijd te handelen.
Eindelijk tusschen kerkelijke bepalingen, die een adiaphoron betreffen en naar aanleiding van particuliere gevallen gemaakt zijn, en kerkelijke bepalingen, die beginselen, het fundament raken: die aan de Kerken zijn opgedrongen en uit de Geref. belijdenis voortvloeien.
Na die onderscheidingen concludeert hij, dat een enkele dienaar des Woords en ouderling tegen den zin van den kerkeraad niet van de K.O. mag afwijken. Bij quaestie beslist de Classe of de Synode.
Verder, dat kerkelijke bepalingen over substantieele en algemeene beginselen en grondslagen, moeten gehouden worden. Anders is het gesteld met circumstantiëele en tijdelijke dingen.
Alle kerkelijke bepalingen ter wille van Overheid en volk en niet met volle toestemming van de kerken gemaakt, mogen gerust terzij gesteld.
Bij afwijking mag geen dwang op andere kerken en classe geoefend om ’t ook te doen en geen classe of kerk mag zelf in de K.O. veranderingen aanbrengen. Dit is alleen werk van een nationale Synode.

Op pag. 285 komt deze vraag voor:
Als omtrent eenzelfde taak in onderscheiden nationale Synoden verschillende bepalingen gemaakt zijn, moet dan altijd de laatste gelden?
Er kunnen nl. verschillende redacties zijn. Bij burgerlijke wetten geldt dit wel. Bij kerkelijke wetten geldt dit niet. Wel behoorde de latere redactie beter te zijn dan de vroegere, maar het is daarom niet altijd zoo. Vaak is de oudere redactie, afkomstig uit den tijd der martelaren zuiverder dan de latere. Een kerk in rust levend, komt er licht toe veel van de de wereld toe te laten en zijn bepalingen te verwereldlijken.
Juist daarom hebben onze kerken van den aanvang af nooit gezegd, dat bij nieuwe redactie de oude wegviel, maar vaak bij kerkelijke procedures uit de oudere geredeneerd. Dit besef was zoo duidelijk, dat in de kerkelijke handboekjes nooit alleen de laatste redactie stond, maar ook de vroegere. Na 1619 verscheen het Delftsche handboekje. Alle redacties van 1571, 1574, 1578, 1581, 1586, 1619 worden er in aangetroffen. Uit die oude redacties spreekt ook de Geref. geest.
Voetius concludeert, dat men de beste redactie volgen moet.

Daarop volgt de vraag:
Of de bepalingen van de K.O. gelijk staan in autoriteit met de Formulieren van Eenigheid of artikelen van de Confessie?
Volstrekt niet, zegt Voetius. Aldus hebben de kerken nooit geoordeeld. De Formulieren van Eenigheid zijn verbindend. Men moest ze onderteekenen. Onderteekening had nooit bij de K.O. plaats. (Wel onderteekening van de K.O. in Utrecht).
Ook de artikelen van de Confessie onderteekent men om daarbij te blijven en omdat ze met Gods Woord overeenkomen.

|8|

De Formulieren van Eenigheid binden, omdat ze met Gods woord overeenkomen; in de Kerkenordening bindt alleen, wat rechtstreeks uit Gods Woord voortvloeit.
Bepalingen van een K.O. zijn constitutiones humanae, divinae in zooverre aan de kerk toegelaten is bepalingen te maken.
De Formulieren van Eenigheid zijn iuris divini, omdat ze uit Gods Woord zijn genomen.
Voetius vat de kerkenordening niet als wet of reglement op, maar als verzameling van bepalingen, die de goede orde en de kerk regelen en bewaren.

Het woord Kerkenordening is eerst sinds 1581 gebruikt.
Wat beteekent die bijvoeging en hoe is ze op te vatten?
Een eerste quaestie is of „Kerken” enkelvoud of meervoud is.
Grammatisch kan het beide. In het Hollandsch der 16de en 17de eeuw, gaan alle woorden met een stomme e eindigend in den tweeden naamval enkelvoud op n uit (b.v. der gemeenten, vrouwen). Zelfs kan er gezegd, dat het zeldzaam is, wanneer de n in ’t enkelvoud wegblijft. (Cornelisse van Delft laat de n wel weg in ’t enkelvoud). Wel wordt de n in ’t meervoud weggelaten. Voor de rest kan men of het enkelvoud of meervoud is, uit het verband en de officiëele vertalingen opmaken. Bij „kerkenordening” kan men er dus altijd achter komen.
Er is een officiëele Fransche en Lat. vertaling.
Kerken kan dus enkelvoud of meervoud zijn.

Thans zullen we er op wijzen, in welken zin „kerk” in ’t enkelvoud kan gebruikt worden.
In ’t algemeen beteekent kerk een verzameling van personen. Kerkelijke instellingen kunnen niet kerk heeten. Op eene plaats zonder geloovigen is geen kerk, al zijn er ook kerkelijke instellingen en vormen. Kerk = vergadering van personen. Kerkverband is ook geen kerk te noemen.
De meest gewone beteekenis van kerk is: de verzameling van personen, die Christus belijden op eene bepaalde plaats.
In sing. kan kerk gebruikt òf in mystieken of in uitwendigen zin.
Kerk in mystieken zin = het Lichaam van Christus zelf, de ecclesia quatenus invisibilis. Zoo kan men spreken van de Christelijke kerk in Nederland, Europa of waar ook, d.w.z. het Lichaam van Christus voor zoover het in Nederland bestaat. Zoo ook sprake van een kerk in den hemel, voor zoover het Lichaam van Christus in den hemel reeds verheerlijkt is. In mystieken zin heeft kerk geen meervoud, want er is maar één Lichaam van Christus = die kerk, waaruit alle kerken ontstaan. Want voor openbaring van het lichaam moet het lichaam er zijn.
Kerk in uitwendigen zin = de openbaring van het Lichaam van Christus, ecclesia quatenus visibilis. Dan kan het woord kerk gebruikt òf in abstracte voor de kerk naar haar idee, gelijk men b.v. ook spreekt van den staat, zonder aan een bepaalden staat te denken, of in concreto voor een bepaalde gedefinieerde kerk.

|9|

Bij dit laatste weer is tweeërlei te onderscheiden:
1e. Kerk in den gewonen en eigenlijken zin voor het Lichaam van Christus, dat zich op een bepaalde plaats geïnstitueerd, geopenbaard heeft, of
2e. Collectief, als de gezamenlijke openbaring in provincie, land, of op aarde.
In collectieven zin concreet genomen is het woord „kerk” oneigenlijk, want de kerken van een provincie vormen geen nieuwe kerk, waarvan de plaatselijke kerken afdeelingen zijn, maar in dit geval van vereeniging van kerken is sprake van de openbaring der eenheid van het Lichaam van Christus.
In het opschrift van de Kerkenordening is het woord „kerk” gebruikt in singulari en wel in abstracto.
De sing. blijkt uit de analogie met andere woorden, b.v. kerkendienaar, kerkenraad, waar „kerken” geen plur. kan zijn.
Voorts blijkt uit de officiëele vertaling van het laatste artikel der ordening (art. 86). Dit begint aldus: deze artikelen, de wettelijke ordening der kerken aangaande etc.
Uit de vertaling volgens de redactie van 1581 blijkt het enkelvoud. Nadat op de Middelburgsche synode eene nieuwe redactie was vastgesteld, zorgde het moderamen voor eene Lat. vertaling ten behoeve van het buitenland. Men hoopte steeds op een oecumenisch concilie. Die vertaling is door het moderamen onderteekend. Hoewel ze kracht heeft om de Holl. redactie te verklaren, staat ze, zooals van zelf spreekt, beneden die. Daarin heet het „ecclesiae ordinem spectantes”. In het tweede lid staat ecclesiarum, want hier zijn de plaatselijke kerken bedoeld. („Zoo het profijt der kerken anders vereischte”).
Legitimus ecclesiae ordo”, d.w.z. niet der geconstitueerde kerk, maar de orde, zooals die op kerkelijk gebied moet zijn, dus abstract. Daarom staat er in het afschrift zeer goed ordo ecclesiasticus.
De officiëele Fransche vertaling ten behoeve der Walen heeft zeer terecht orde ecclesiastique als adi.
Kerkenordening = Orde van kerkelijken aard, bestemd voor kerkelijk gebied, tegenover ander gebied, b.v. Staatsordening, Schoolordening. In zulke samenstellingen is nooit het meervoud gebruikt. Gf. Staatsregeling en niet Statenregeling.
Daaruit volgt nu niet, dat men thans moet gaan spreken van kerkordening of kerkeordening. Dit zou in strijd zijn met de taalkundige eischen, daar rk twee medeklinkers zijn en o een vocaal. Bij kerkeordening zouden twee klinkers op elkaar volgen. In kerkeraad heeft men de n weggelaten, omdat dit kon geschieden.
Uit dit woord kerkenordening mag men niet kerkrechtelijk redeneeren om te zeggen, dat vrije kerken niet een groot genootschap in ’t leven hebben geroepen.

Gesteld in de Nationale Synode der Geref. Kerken.
Hier komt het meervoud voor, want hier zijn bedoeld de kerken in concreto, de bestaande kerken, die in de Synode samenkwamen.

|10|

Op Synode moet altijd een meervoud volgen. De Nationale Synode der Geref. Kerk heeft geen zin. Synode = vergadering. Met sing. zou het zijn, vergadering van 1 persoon. Synode met collectief enkelvoud zou de beteekenis van bestuur krijgen.
Gesteld”. Niet alsof in 1619 al de artikelen op de Synode gemaakt of ook formeel gearresteerd zijn. Dat zij van 1619 dagteekenen, zou een onjuiste voorstelling zijn.
Onze K.O. is de oude Geref. K.O. die reeds van het laatste kwartaal der 16e eeuw dateerde en in Dordt op enkele punten gewijzigd en uitgebreid is.
Een kerkenordening bestond hier te lande reeds van de eerste inrichting der Geref. Kerken af. Dit lag in den aard der zaak. Zoodra een
Geref. Kerk geïnstitueerd optrad, waren er bepalingen voor de orde noodig, die weldra met andere kerken in verband weer gezamenlijk werd
.

Wat de toepassing betreft geldt, dat als de kerken een gemeenschappelijke belijdenis hebben de kerkenordening daarop gegrond wordt.
Van 1563 is er een K.O. bekend uit de acta van de prov. Synode van Kerken onder ’t Kruis, in de Zuidelijke Nederlanden gehouden, uitgegeven door Kist, Kerkelijk Archief en Hooyer.
In ’68 te Wezel is nog weer over een K.O. gehandeld. Op de Synode van 1571 is een K.O. gemaakt; niet een reglement als zoodanig, maar naar aanleiding van allerlei moeilijke vragen zijn daar besluiten genomen, welke gerubriceerd zijn.
Latere nationale Synoden legden de vorige ten grondslag en vermeerderden of wijzigden de bepalingen. In de 16e eeuw zijn op iedere Synode de besluiten van de vorige Synode nauwkeurig gelezen, niet ter goedkeuring als notulen, maar ter herinnering, dus als basis.
Nieuwe besluiten werden in de K.O. op ’t eind ingelascht of uit de K.O. werd iets uitgelicht. Een nieuwe Kerkenordening is er nooit gemaakt, maar steeds is dezelfde verminderd, vermeerderd of gewijzigd.
Het is dus niet juist te spreken van de K.O. van Dordt, Wezel enz. Want dan zouden ze formeel opnieuw gemaakt moeten zijn. Bij wijzigingen werden alle beginselen gehandhaafd.
De redacties van 1571-1618 verschillen weinig. Soms bekortte men ter wille politieke approbatie. Nooit werden de artikelen formeel als artikelen van de K.O. gearresteerd, maar de quaesties kwamen aan de orde, daarop werden de besluiten genomen en deze tenslotte in de K.O. ingevoegd. Aan het formeele werd weinig gehecht.
In de Dordtsche Synode van 1619 werden nieuwe besluiten gemaakt maar niet eens zijn ze in de notulen opgenomen. Daaruit blijkt wel, dat op het formeele niet veel gelet werd.
Doch Heyngius, ouderling uit Amsterdam, die zelf notulen houdt, zegt dat er een Commissie in Dordt is benoemd om nieuwe besluiten in de K.O. te voegen.
Gesteldmoet dus opgevat, niet in formeel-reglementairen zin, maar: laatstelijk overzien.

|11|

Dit ook op de voorgrond gesteld in het korte verhaal van 1582 van de Commissie van de Staten van Holland. De gedeputeerden van Haarlem zeggen, dat de K.O. van 1581 onder ’t kruis gold en ook daarna.
In 1619 is zeer weinig veranderd. De K.O. bevat 86 artikelen.
Tengevolge van besluiten op vragen en gravamina zijn er niet meer dan 18 artikelen gewijzigd. 68 artikelen zijn dus geheel onveranderd gebleven. Daarom kan men niet spreken van de K.O. van Dordt als een nieuwe. Zij is „gesteld” reeds van de dagen van onder ’t kruis af.

Nationale Synode.
Wat wordt hieronder verstaan? In de eerste redactie van Emden van 1571 staat geen nadere bepaling bij Synode. Acra Synodi Ecclesiarum Belgicarum.
De Synode van Emden kon zich niet generaal of nationaal noemen daar de Nederlandsche vluchtelingenkerken in Engeland er niet vertegenwoordigd waren. Ze onderscheidde zich dan ook van een Nationale Synode b.v. door bepaling, die ze maakte, dat in het volgend voorjaar een Nationale Synode zou gehouden worden. Wel zijn de besluiten ook door de Engelsche kerken aangenomen en is het de redactie van de algemeene kerkenordening, maar de Synode kan zich niet generaal noemen.
De Synode van 1574 was een provinciale Synode. Acta Synodi provincialis der kerken van Holland en Zeeland.
De Synode van 1578 was een nationale Synode. Alle kerken waren daar vertegenwoordigd. Acta van de nationale Synode, zoowel van
inlandsche als uitlandsche kerken
.
1581. Nationale Synode van Middelburg. Kerkenorde in de generale Synode der G. Kerken gesteld.
In 1586 weer ’t woord nationale, dat in 1619 gebleven is.

Tusschen nationale en generale Synode van de Nederlandsche kerken is inderdaad geen verschil. Onder nationale Synode wordt verstaan een Synode niet juist van de kerken in hetzelfde land, want te Dordt in 1578 waren niet alleen kerken binnen Nederland maar ook van Nederlanders in Duitschland en Engeland gevestigd, vertegenwoordigd. Ook niet, dat het kerken zijn die onder dezelfde Overheid en burgerlijke of Staatswetten leven, want in de Synoden van de 16e eeuw waren gedeputeerden uit Engeland, Duitschland, die niet onder de Nederlandsche Overheid stonden. Maar nationaal wil zeggen: kerken van de Nederlandsche natie, om het even waar die natie dan ook gevestigd is, al waren ze ook aan andere staatswetten onderworpen.
Taal gaf er niet toe. Op de Nationale Synode komen evengoed Waalsche en Nederlandsche kerken, b.v. in 1578. Het duidt alleen aan: van welke natie.
Als zoodanig staat nationaal tegenover provinciaal = de Nederlandsche kerken, die in een bepaalde provincie thuis hooren.
Provincie moet hier niet in staatkundigen zin genomen worden, maar als een grootere streek lands in en buiten het land.
De Emdensche Synode verdeelde het grondgebied, waarop kerken van de Nederlandsche natie gevestigd waren in drie provinciën, Nederland, Duitschland en Engeland.

|12|

De nationale Synode nu was van de gansche natie en van de kerken van alle provinciën.
Nationaal is een collectief begrip van provinciaal.
Er bestaat geen onderscheid tusschen generaal en nationaal als er bij generaal ook Nederlandsche kerken staat. Want bij Synode kan het begrip generaal ook ruimer genomen, nl. als Synode van alle kerken in de wereld. Dit kan naar de afleiding, maar in het spraakgebruik heeft het nooit die beteekenis. Voor een Synode van alle kerken van de wereld bezigde men de naam Concilium generale of het woord Oecumenische Synode.
Van zoodanige oecumenische Synode van de Geref. Kerken is bepaald sprake geweest in 1580 en ’81. De nationale Synode van Middelburg heeft daarover gesproken. Er waren brieven uit Frankrijk ingekomen om daarover met de Nederlandsche kerken te handelen. Aan Taffijs is toen de zorg opgedragen voor de uitgave van eene Confessie, die met de Fransche overeenkwam. Voorts is bepaald, dat, als de Synodus oecumenica zou vergaderen er deputaten voor zouden worden afgevaardigd. Er is echter niets van gekomen. Groote bezwaren waren verschil in taal, weigering der Overheden etc.
Oecumenische Synode = Synode van pasa oikoumenè.
Generale Synode wordt altijd gebruikt als Nationale Synode. Bij generaal ligt de nadruk op alle kerken tegenover particulier. Bij nationaal ligt de nadruk op natie.

Het woord particulier bij Synode beteekent iets anders dan provinciaal. Particuliere Synode = vergadering van een aantal kerken die bij elkaar liggen, zonder dat aangewezen is, welke de grens is, zonder opzicht tot haar provinciale grenzen.
Dat men van particuliere Synoden sprak, lag hierin, dat men voor kleinere synoden niet volstaan kon met provinciale. Ook niet toen in Nederland de vrijheid kwam en men na 1572 de grenzen kon bepalen naar burgerlijke provinciën. Waren alle provinciën even groot geweest, dan had binnen de grenzen van de provincie Synode gehouden kunnen worden. Eén provincie was veel te groot om het met een provinciale Synode alleen te stellen, nl. Holland. Toch heeft Holland wel provinciale Synoden gehad in 1574 en in 1582 van Noord- en Zuid-Holland saam. Doch dit is uitzondering. Holland was te groot, daarom werd het verdeeld in drie stukken om tusschen classe en generale synode een tusschendeeling te hebben. Dit geschiedde in 1578 te Dordt. Haarlem en Amsterdam waren toen tot de Reformatie overgegaan. Uit die tijd dateert de eerste particuliere synode van N. Holland, nl. Het N. Holland van dien tijd. Amsterdam behoorde tot Midden-Holland. Het was N. Holland boven ’t IJ; de vier classes waren: Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam.
2. Midden-Holland. Amsterdam, Haarlem, Rijnland (Leiden hoofdplaats). 3 classes.
3. Zuid-Holland. Delft, Den Haag, Rotterdam, Brielle, Dordt. 5 classes.
Zoo werd men genoodzaakt het woord particuliere Synode te gebruiken.

|13|

In 1580 zijn twee particuliere Synoden gehouden van N.H. en Z.H. Amsterdam en Haarlem nu kerkelijk bij N.H. gevoegd.
In overeenstemming daarmee noemde men die van Utrecht en Gelderland ook particuliere Synoden.
Generale Synode = alle kerken van alle
particuliere Synoden = alle kerken van alle
provinciale Synoden = nationale Synode
.

***

Nu gaan we over tot het eerste of inleidende artikel waarin aangegeven wordt, wat men in de kerkenorde vinden zal, de inhoudsopgave van de K.O.

Art. I. Om goede orde in de gemeente Christi te onderhouden zijn daarin noodig de Diensten, Samenkomsten, Opzicht der leer, Sacramenten en Ceremoniën en Christelijke Straf. Waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden.

Dit artikel stond niet altijd in de K.O. Eerst in 1581 is het er duidelijkheidshalve ingekomen. Dit is ook goed gezien. Vier hoofdstukken met de opschriften volgen
1. Van de diensten.
2. Van de kerkelijke samenkomsten.
3. Van de Leer, de Sacramenten en andere Ceremoniën.
4. Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning.
Andere opschriften heeft die redactie niet. Men vindt wel in de uitgave van de K.O. van 1571 af onderscheiden opschriften tusschen de artikelen ingevoegd, maar ze zijn niet authentiek. Ze zijn van de schrijver die het afschrift maakte. Oorspronkelijk waren dit randschriften.
Bij de notulen liet men op de Synode iets open, om gemakshalve den korten inhoud op te geven. Zoo deden ook de afschrijvers met de acta van de Synode. Later zijn die randschriften door andere afschrijvers en drukkers in de K.O. ingekomen. Ze zijn niet van de Synode zelf, want er komen veel vergissingen in voor en ze zijn zeer verschillend. In goede uitgaven behooren die randschriften dan ook niet thuis.
De vier opschriften uit art. I. zijn sinds de redactie van 1581 alleen authentiek.

Door die vier hoofdstukken is voor de K.O. eene geregeld logische orde voor de artikelen vastgesteld. Dit is eerst allengs zoo geworden.
In 1571 was de K.O. alleen een verzameling besluiten zoo goed mogelijk aaneengeregen, over leer, indeeling der kerken in classes en synoden, onderzoek en werk van diakenen, ouderlingen en dienaren des Woords. Dan over kerkelijke vergaderingen en tucht. Daartusschen zijn andere besluiten gevoegd. Eenigszins dus in 1571 diezelfde volgorde, maar niet geheel. Eerst langzamerhand is alles onder die vier hoofdstukken samengevat, hetgeen vooral het werk was van de Synode van 1581 van Middelburg, alwaar een Commissie benoemd is om de redactie van de kerkenorde ter hand te nemen. Men hoopte politieke approbatie te verkrijgen,

|14|

daarom een commissie benoemd om de K.O. staatswet te doen worden. Deze commissie bekortte, nam er artikelen uit en voegde ze bij de particuliere vragen die beantwoord werden.
In 1586 is nog wat daarvoor gewerkt en zoo kwam de tegenwoordige volgorde tot stand. Onder deze vier rubrieken is inderdaad alles saam te vatten, wat in een Geref. K.O. thuis hoort, nl. om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden. Onder die rubrieken staat niet alles wat voor een kerk van belang is, want dit behoeft niet in een K.O. te staan, b.v. hoe de kerken in classes en synoden worden ingedeeld.

In de K.O. heeft men zoo min mogelijk bepaald en bij het bepalen is gezien op de hoofdlijnen en algemeene beginselen. De toepassing is overgelaten aan kerkeraad, classe en synode. Men ging uit van de Geref. gedachte, dat een Synode niet mocht regeeren, maar dat al wat in de vrijheid van de kerken kan gelaten, daarin moet gelaten. Was het niet direct noodig voor de goede orde, dan moest men zich voor bepalingen onthouden. Bemoeizucht van de Synode is de dood voor de kerken. Cf. Concilies in de Middeleeuwen. Hoe meer bepalingen er zijn des te meer is de vrijheid der kerken aan banden gelegd en dan ontstaat er ius canonicum evenals in de Roomsche kerk, hetgeen zeer omvangrijk is.
De Synode bepaalde daarom, wat de enkele kerken niet bepalen konden.
Van de diensten, d.w.z. over het werk, den arbeid en de verkiezing van de onderscheiden kerkedienaren.
Van de kerkelijke samenkomsten = vergadering van kerkeraad, classe en synode.
Van de leer, Sacramenten en andere Ceremoniën = al wat dient tot handhaving der leer, tot goede bediening der Sacramenten en enkele andere zaken tot den uiterlijken dienst des Woords behoorende.
Van de censuur en vermaning. Hier de lijnen aangegeven waarop bij tucht moet gelet.

Hoofdstuk I.

Van de diensten.

Opmerkelijk is, dat het woord „dienst” gebruikt is. In de Geref. Kerken is het werk van dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen altijd uit het oogpunt van dienst beschouwd, geheel conform de H. Schrift. Zeer zeker is ook het woord van ambt in gebruik geweest en nog in de laatste jaren is het woord ambt veel meer dan vroeger op den voorgrond getreden, maar toch spreekt de K.O. niet van ambten maar van diensten.
Volgens het spraakgebruik is er een klein verschil in beteekenis.
Ambt = iemands werkkring of werk ten behoeve van algemeen belang en uit kracht van een gegeven opdracht. Dit ook volgens de afleiding.
Ambt in de oude taal = ambacht, ambat, ambt. Ambacht van lagere, ambt van hoogere bedieningen. Ambacht niet uit kracht van

|15|

opdracht maar eigen keus. Bij ambt is altijd sprake van opdracht. Ambt beteekent altijd openbare werkkring of werk uit kracht van benoeming door Overheid of erkend en bevoegd gezag uit te oefenen. Dit onderscheidt ambt van beroep en bedrijf, waarbij geen openbare opdracht noodig is. Waar sprake is van kerkelijk gebied en geestelijk ambt gebruikt de Schrift bijzonderlijk de beteekenis van dienst.

עבודה = hetgeen men krachtens opdracht van anderen doet.
פקאדה = opzicht houden.
אמונה = wat iemand toevertrouwd is.

Het wordt daarom nog beter door dienst uitgedrukt, omdat in het Hollandsch aan het woord ambt het karakter en begrip van gezag en machtsoefening verbonden is. Daarom wordt op Staatsgebied van ambt gesproken, omdat de Overheid met gezag als dwingende macht optreedt.
Op kerkelijke gebied ligt bij het woord dienst de nadruk niet zoozeer op macht en gezag krachtens opdracht van Christus als wel daarop, dat men Christus daardoor dient en iets van Hem aan de gemeente bedient. Ambt geeft licht aanleiding tot een soort ambtshoogheid, clericalisme. Bij „dienst” is daarvoor geen gevaar. Onze Geref. schrijvers gebruikten het woord ambt alleen waar over het gezag gesproken wordt, maar voor de rest spreken zij altijd over de kerkelijke diensten.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 2

Diensten.

Art. II. De diensten zijn vierderlei: der Dienaren des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diakenen.

De diensten zijn vierderlei: Dienaren des Woords, Doctoren, Ouderlingen en Diakenen.
Dit beginsel staat in de K.O., niet tengevolge van menselijke wijsheid, maar op grond van Gods Woord.
Hoeveel en welke diensten er in de kerk zijn bepaalde de Heere zelf. Op Staatkundig gebied bepalen de burgers de ambten niet, maar de Overheid. Daarom wordt in de K.O. van vierderlei dienst gesproken. Hiermee wordt niet bedoeld, dat er in de kerk wel meer geweest zijn, doch hier wordt gesproken over de gewone diensten uit de nieuwe bedeeling. Hiermee wordt niet ontkend, dat er in de kerk der Oude bedeeling andere diensten waren en dat er buitengewone diensten in de kerk kunnen zijn, want dat leert de H.S. zelf. Cf. de dienst van priesters en Levieten en de buitengewone dienst van patriarchen, profeten en profetessen en een dienst van de eerstgeborenen. En onder de Nieuwe Bedeeling ook de buitengewone dienst van Apostelen en Evangelisten en Profeten.
Van alle die spreekt de kerkenorde niet, omdat zij is eene bespaling voor goede orde in de Nederlandsche Geref. Kerken en niet een opstel over kerkrecht of historisch overzicht van de kerken.

|16|

Buitengewone diensten zijn niet noodzakelijk voor de goede orde. Zijn ze noodig, dan zorgt de Heere zelf daarvoor langs buitengewonen weg met buitengewone middelen. De Geref. namen aan, dat de buitengewone diensten wel bij de constitutie der Christelijke kerk noodig waren, maar nu niet meer, daar God niemand er toe riep.
In de Nederl. Confessie, Art. 30, worden drie diensten genoemd, der Dienaren des Woords, der Ouderlingen en der Diakenen. De Doctoren worden niet genoemd.
Hoofdzakelijk is de reden, dat in dit artikel sprake is van de kerkregeering en van de kerkelijke organisatie. Daarbij behoorden dus de doctores als zoodanig niet genoemd te worden, waarbij komt dat doorgaans het ambt van dienaar des Woords ook kan verbonden worden met dat van Doctor Ecclesiae en dus in het spraakgebruik bij sommigen onder de naam van dienaar des Woords begrepen is. Het ligt ook in de uitdrukking herder en leeraar. Daardoor wordt verklaard, dat bij Calvijn en andere Gereformeerden de uitdrukkingen eenigszins schwankend zijn, zoodat de diensten der Doctores als vierde dienst genoemd en soms ook onder den Dienst des Woords begrepen wordt. Het werk der Doctores om de leer te verdedigen en kerkendienaars te vormen werd als een dienst beschouwd, die ook wel door sommige dienaren des Woords kon vervuld.
Ieder, die in wetenschappelijken zin Doctor is, is het niet naar de K.O. noch door ambtelijke benoeming tot hoogleeraar, maar alleen als de kerken zelf hem een kerkelijke benoeming geven. Zoo bestonden de Geref. kerken vaak, zonder dat de dienst van Doctor vervuld werd. Er is dus geen strijd tusschen de Confessie en de Kerkenorde.
Die vier diensten zijn opgenomen op grond van Gods Woord tegenover hen, die eigenlijk allen kerkelijken dienst betreden, welke er ten allen tijde zijn geweest onder de oude sekten der Montanisten, Donatisten, vele geestdrijvers, Libertijnen, Pietisten, Darbisten, Mysticisten, die op grond van eenige verkeerd uitgelegde teksten de noodzakelijkheid daarvan ontkenden, b.v. door het zeggen, dat alle geloovigen priesters zijn. Dit is wel waar, maar daaruit volgt nog niet, dat het ambt van dienaar des Woords niet mag toegelaten. Het zou kunnen als een dienaar des Woords priester was. Dit is hij in de Roomsche kerk. Geloovigen moeten elkander vermanen, maar toch zijn er officiëele bedieningen noodig. Men zegt: de Heere is eenig Herder. Goed maar Hij werkt ook door dienaren evenals de Koning van een land.

De noodzakelijkheid van kerkelijke bediening blijkt uit Gods instelling en ordinantie.
Hiervoor beroept men zich
1e. op teksten als Joh. 20: 21, Matth. 28: 19, 2 Cor. 5 :19, 1 Cor. 12: 28, Efez. 4: 11, Rom. 10: 15.
2e. op Gods bevel aan de gemeenten om die bedieningen te erkennen. Matth. 10: 40, Hebr. 13: 17, 1 Thess. 5: 11, 12.
3e. op de Apostolische practijk in het N. Testament volgens welke de Apostelen bedieningen instelden in de gemeenten.

|17|

4e. Men beriep zich ook hierop, dat zonder instellingen van kerkelijke bedieningen geen vorm van kerk bestaat, geen ordelijke bediening van sacramenten en tuchtoefening mogelijk is. Dit zou nog kunnen bij een klein getal, maar bij een groot getal is dit onmogelijk.
Darbisten hebben bij uitbreiding van getal, metterdaad kerkelijke bediening.
Is dit bovenstaande volgens de H. Schrift waar, dan is ook waar, dat de Heere de middelen heeft gewild en dit zijn de kerkelijke bedieningen.
In de kerk moet zijn prediking, leering, handhaving van kerkelijke tucht, bestuur en regeering der kerk en dienst der barmhartigheid. Van deze vier diensten wordt dan ook in het N.T. als gewone diensten gesproken.

Wie dienen die diensten? Van wien moeten ze dienaars genoemd?
Dienaren des Woords, Doctoren, Ouderlingen en Diakenen zijn dienaars van den Koning der Kerk, nl. van Christus. Niet zooals in de Roomsche kerk van den Paus als plaatsvervanger van Christus, op wiens last ze werken. Ook niet van kerkelijke bestuurscolleges of bisschoppen en superintendenten (episc. stelsel), ook niet van de Overheid (territ. stelsel), ook niet independentistisch en collegiaal van de gemeente, op last van de gemeente arbeidend.
Door middel van de gemeente worden ze in het ambt gesteld. Voor de gemeente moeten ze hun diensten verrichten en hebben ze te bedienen, wat de Heere hun te bedienen geeft. Ze kunnen in zekere zin dienaars zijn van de gemeente genoemd, omdat ze er om de gemeente zijn, maar dan dienaren van de gemeente van Christus, om Christus’ wil. Dan moet er eerst gevraagd naar Christus’ wil.
In de Apostelen waren er het eerst, gelijk in Christus, die vier diensten vereenigd. Dit kon zoo niet blijven, daar zoo de ambten zouden schade lijden. Daarom zijn ze gescheiden. Deze vier diensten zijn de organen der gemeente waardoor ze werkt en in ’t leven blijft. Ze behoren tot het welwezen der gemeente.

In dit artikel wordt niet gehandeld over allerlei andere werkzaamheden, die ook in de kerk voor de orde goed zijn, als b.v. over administratie en beheer van kerkelijke goederen, over profeten in den zin van het N. Testament en de eeuw der Reformatie, over krankenbezoekers en catechiseermeesters, lezers, organisten, voorzangers, kosters, omdat die niet tot de kerkdiensten behooren.
Hoe is dit dan te beschouwen?
Van kerkelijke dienst bestaande in de
I. Administratie en het beheer der kerkelijke goederen wordt in de gansche kerkorde niet gesproken. Zulke administratie is niet eens kerkelijke bediening in eigenlijke zin, behoort niet tot ’t organisme of wezen der kerk. Zeer zeker is ze wel noodig. Stoffelijke middelen zijn er noodig om het leven in stand te houden. Zoo ook zijn er stoffelijke middelen noodig om den Dienst des Woords, de Sacramenten en der Barmhartigheid staande te houden. En daarbij is weer administratie noodzakelijk vereischte. Het laat zich ook denken dat de administratie buiten de kerk omgaat en

|18|

de kerk toch evengoed in gezonden en bloeienden toestand verkeert. Eenigszins gold dit in den tijd, dat de K.O. gemaakt en gewijzigd is. De administratie van kerkelijke en geestelijke goederen werd toen gevoerd onder leiding en toezicht van de Overheid.
Kerkelijke goederen = goederen die dienen tot onderhoud van kerkgebouwen.
Geestelijke goederen = goederen die dienen tot onderhoud van de personen, die de diensten te verrichten hadden
.
We zagen in aansluiting aan het college Vad. Kerkgesch., hoe de kerken zelve in den eersten tijd van de vrijheid uit eigen boezem daarvoor geen zorg droegen, deels door armoede, deels doordat die kerkelijke en geestelijke goederen er waren.
De Kerk was nu gereformeerd, van ziek gezond geworden. Daarom verloor ze haar goederen niet, maar moest ze die nu voor den Geref. eredienst gebruiken. De kloostergoederen, als in strijd met Gods Woord, moesten een gelijksoortig doel erlangen voor kerk en school. Voor de opleiding van predikanten was er b.v. veel noodig. Behoorde vroeger de administratie nooit bij de kerk maar bij de beheerders, bij het wegvallen der hiërarchie nam de Overheid de administratie over.
In 1572, ’73 en ’74 werden daarover door de Overheid bepalingen gemaakt. Toezicht werd er dus uitgeoefend.
Zoo waren er in den tijd, dat de K.O. gemaakt werd, kerkelijke administrateurs. De Overheid moest de goederen aan haar doel doen beantwoorden. Daarvoor bepalingen gemaakt.
Op deze wijze was in den tijd der Republiek de administratie van kerkelijke goederen een eigen functie van kerkbeheerders die buiten-kerkelijk was en tot onze eeuw toe onder instructie van de Overheid stond.
Zoo is te begrijpen, dat in de K.O. daarover niets voorkomt.
De constitueerende Synoden van de 16e eeuw en die van 1618/19 hebben zich over de administratie niet uitgelaten. Bepaalde uitlatingen komen alleen voor in 1568 te Wezel op de voorbereidende vergadering. Men hoopte, dat er vrijheid zou komen en de Magistraat tot Reformatie zou overgaan. Dan moest het beheer door de kerken zelve geschieden.
In Hoofdstuk V, artt. 12-16 der Wezelsche artt. wordt zeer uitdrukkelijk gezegd, dat ze het noodzakelijk achten, dat de administratie niet berust bij de kerkeraden, maar dat afzonderlijke personen daarvoor benoemd worden.
In groote steden dan 2 soorten: één voor traktementen en één voor andere behoeften, kosten voor vergaderingen, deputaties, etc. (art. 14). Misschien is het ook goed een thesaurier in iedere kerk te stellen, die met de andere administrateurs deboekhouding voert (art. 15). Art. 16: De administratie van kerkelijke goederen is gansch vreemd aan het ambt van de Ouderlingen.
Het is zeer noodig behalve de diakenen anderen aan te stellen. Dienst der barmhartigheid toch is iets anders dan de administratie van goederen om voor traktementen en onkosten te zorgen.

|19|

De Hollandsche vertaling van Renesse geeft het Latijn zeer zonderling en foutief weer. Zoo staat er in art. 14 „en dat ook der dienaren bekommerlijk beroep zij afgezonderd van de zorgvuldigheid over andere zaken”, terwijl cura ministrorum gen. obi. is en zorg voor de dienaren beteekent.
Ouderlingen en diakenen hebben een geestelijke bediening en administratie van kerkelijke goederen is zuiver stoffelijk. Het opdragen van administratie aan Ouderlingen en diakenen zou schadelijk werken op de uitoefening van hun ambt. 2 Tim. 2: 4. Soldaten die vechten moeten, moeten niet voor de administratie zorgen.
Dit standpunt is ook in onze Geref. Kerken gebleven. Naderhand is op andere wijze uit de boezem der gemeente er voor gezorgd met andere administratie.
De Wezelschen hadden gelijk met de bewering, dat de kerkeraad het niet doen mag, want:
1e. is het in strijd met het karakter van het ambt van Ouderling en diaken. In de Schrift is dit ambt zuiver geestelijk. Ook de formulieren van bevestiging doen niet aan administratie van stoffelijke goederen denken. Dit laatste is overeenkomstig de Schrift, de traditie en de usantie der Geref. Kerken.
2e. Meer nog. Administratie van de financiën der kerk is in grotere gemeenten nogal omvangrijk en tijdroovend. Draagt men dit op aan Ouderlingen en diakenen, dan komt hun eigenlijke werk op den achtergrond, omdat administratie niet kan wachten. Ook al geschiedde dit in den kerkeraad, dan zou men daar altijd over financiëele zaken handelen en daarmee het karakter van den kerkeraad dalen.
3e. Daarbij komt dat de vereischten voor Ouderling en diaken zeer verschillen van die voor administrateur. Een goed ouderling en diaken kan voor administratie zeer ongeschikt zijn. Voerde de kerkeraad de administratie, dan zou men bij het benoemen der leden financiëele en administratieve bekwaamheden moeten eischen. Dit klemt te meer voor kleine gemeenten met weinig ouderlingen. Eer nog zou een diaken zonder geestelijke gaven een goed administrateur kunnen zijn.
Toch is er nog een practisch bezwaar.
Berustte de administratie bij den kerkeraad, dan zou de predikant er leiding aan moeten geven en daardoor in moeilijke omstandigheden komen, omdat de administratie vooral over het predikantstraktement gaat. Heeft hij daarover de eerste stem, dan neemt hij eene scheeve positie in. In sommige plaatsen, waar dit zoo geschiedt, blijkt dat de traktementen veel te laag zijn. Iemand die van buiten staat, kan een traktement eer verhoogd krijgen dan dat een predikant dat zelf zal doen.
De reden, waarom toch in sommige kerken anders gehandeld is, is deze, dat men bang was voor tweeërlei bestuur, nl. voor een college van beheer, dat zelfstandig naast den kerkeraad zou staan en door het in handen hebben van de koorden van de beurs zou kunnen dwingen.
Die vrees was gegrond. In de Republiek ondervonden de kerken

|20|

hoe afhankelijk ze waren van de Overheid, omdat ze de traktementen kon inhouden.
Intusschen vrees daarvoor behoeft er nooit te bestaan in erge mate, wanneer zulk een college van beheer niet van buiten de kerk, maar uit de kerk komt en als de leden der gemeente de leden van het college kiezen. Geheel geen vrees behoeft er te zijn wanneer de kerkeraden de commissie van beheer benoemt, instructie geeft, die wijzigt en daaruit ontslaat. Dan blijft de kerkeraad altijd baas en toch zelf buiten alle administratie zonder vrees voor conflict.
Wel kan er verschil van gevoelen komen.
Wanneer b.v. de kerkeraad uitgaven wil doen en de commissie van beheer niet. Dan kan de commissie aftreden of zich op de classe beroepen, want als kerkelijke commissie staat ze onder de kerkorde en classe.
Voor alle verschil moet er een wettig eind verzekerd worden bij mogelijk conflict.
Bestaat er een commissie van beheer dan wordt de rekening en verantwoording gemakkelijk. Voert de kerkeraad zelf de administratie, dan is dit een phrase. Wil de gemeente het nagaan, dan zou ze toch eene commissie moeten benoemen om te controleeren. Bij verantwoording aan de gemeente moet er dus eene commissie van beheer zijn; anders is het alleen een ter visie legging.
Moet zulke commissie uit kerkeraadsleden bestaan of niet?
’t Beste is dit van de omstandigheden te laten afhangen. Men kan ze deels uit, deels buiten den kerkeraad nemen.

II. Eerder dan over administratie had in dit artikel gesproken kunnen worden van de dienst van profeten.
In de Geref. kerk was van de 16e eeuw af de profetie in gebruik in Nieuw Testamentischen zin, niet in den zin van het O.T. als profeten met bijzondere openbaring Gods, als organen, maar als menschen, die een gedeelte der Schrift verklaarden en toepasten. Vooral had dit plaats in Zwitserland, Nederland en Duitschland. Cf. Dr. H.H. Kuypers dissertatie „Opleiding tot den Dienst des Woords bij de Gereformeerden”.
Er waren onderscheiden soorten van profetie. Bij een profetie waren het gemeenteleden, vaak kerkeraadsleden, die een deel der Schrift voor het volk verklaarden. Na den eenen profeet sprak de andere. Ook konden gemeenteleden quaesties stellen en vragen doen. Dit laatste in Emden en Londen.
Bepaling over de profeten in de Wezelsche artikelen Cap. II. artt. 16-25. Ze zijn hier genomen als een college, waarin men gekozen werd. De Engelsche manier van profetie wordt afgekeurd, als aanleiding gevend tot verwarring.
Wel wordt het spreken van nog een tweeden profeet na den eersten toegelaten.
Onder de profetie verstond men geen afzonderlijken dienst of ambt, want uit de Dienaren des Woords, Doctores, Ouderlingen en Diakenen en ook zelfs uit diegenen van ’t volk, die gaven van uitlegging hadden, zouden ze gekozen worden. Het was de naam van

|21|

een werkzaamheid, die men ten dienste van de kerk verrichten kon.
Later vinden we niets meer van de profeten. In de 16e eeuw bestond de profetie in Engeland. Hier te lande zijn er misschien enkele geweest, maar toch zeer weinige. Dit lag daaraan, dat in de vluchtelingenkerken van Engeland de profetievergaderingen dikwijls aanleiding gaven tot twisten. Moeilijk was bij ongeschikte en ijdele menschen te beoordelen of zij het donum profetiae hadden dan of ze het deden om in der vergaderingen aanmerkingen te maken. Hier te lande waren zeer weinige van zulke personen. Er waren weinig predikanten, er was gebrek aan Ouderlingen. De kennis was zeer gering.
De dienst van de profeten onder het O. Verbond mag hiermee niet verward. Dit toch was een buitengewoon ambt, waartoe men door God, niet door middel van de kerk, maar directelijk geroepen werd.

III. Evenmin wordt er in dit artikel II gesproken over Krankenbezoekers en catechiseermeesters. Daarvan is eerst sprake op de Synode van Dordt van 1574.
In de instructie van de deputaten uit de classis van Brielle kwam in art. 33 de vraag voor of de dienaren des Woords overal de kranken zullen bezoeken of een ander tot hun hulp hebben.
Dit stond denkelijk in verband met de volgende vraag, of de dienaren des Woords pestkranken ook moeten bezoeken of niet, uit vrees voor besmetting en vermindering van kerkbezoek.
De Synode antwoordde omtrent het bezoeken van pestkranken: Nademaal God beval de kranken te visiteeren en geen onderscheid tusschen ziekten gemaakt wordt, zijn zij positief verschuldigd te gaan. Dit is een bevel Gods. Niet geroepen zijnde, maar wetende dat men hen noodig had, moesten zij ook gaan, doch niet onvoorzichtig handelen. Bij bezwaar moest de kerkeraad oordeelen. Het is het ambt van dienaar des Woords kranken te bezoeken en het is gevaarlijk personen daarvoor te ordineeren.
De Synode was dus tegen krankbezoekers.
Ze zegt niet waarin ze dit gevaarlijke gezocht heeft. Zooals te begrijpen is, ligt het hierin, dat dan de dienaar des Woords op de achtergrond zou komen tegenover de werkzaamheid van iemand, die niet in een kerkelijk ambt stond.
Ook kon bezwaar geweest zijn, dat dan licht het bezoeken der kranken wenschen overliet, want dit is het moeilijkste werk.
Ook bestond er gevaar voor scheuring. De dienaars moesten met ouderlingen en diakenen dit doen, als ze het alleen niet afkunnen, want ouderlingen en diakenen hebben een ambt in de kerk.
Ondanks dit besluit is het toch zeer spoedig in gebruik gekomen krankbezoekers aan te stellen. In diezelfde eeuw werden deze ook gebruikt tot het geven van godsdienstonderwijs. Dit geschiedde ’t eerst in de groote steden, waar gasthuizen waren met veel kranken en de dienaren des Woords niet genoegzaam tijd daarvoor hadden. Des Zondags moest dan Godsdienstoefening gehouden.

|22|

Ook was er aan zulke hulp behoefte in de havenplaatsen ten behoeve van schepen. Op ieder schip wilde men een krankenbezoeker en godsdienstoefeningleider hebben. De predikanten konden dit niet doen. Daarom werden in onderscheiden kerken personen voor krankenbezoek opgeleid en kerkelijk onderzocht. Die krankenbezoekers werden dan gebruikt voor kranken in de gemeente zelve en als iemand speciaal onderricht noodig had.
Het catechiseeren is er allengs bijgekomen. De oorspronkelijke naam was „ziekentroosters”.
In de kerken werden ze dus gebruikt als hulp van de dienaren des Woords bij hun werk.
Voetius in zijn Politica Ecclesiastica Dl. III, pag. 515, beantwoordt de vraag of het geoorloofd is toestemmend.
In groote kerken kan zulke hulp noodig zijn. Hij spreekt van de noodzakelijkheid voor schepen, oorlogs- en koopvaardijschepen. Zulke menschen zijn goed bij verstrooide menschen onder ’t Pausdom. Ze kunnen zeggen geen predikanten te zijn. Het is ook beter voor de pestziekten.
Als antwoord op de obiectie dat de Schrift dit niet leert, volgt: De Schrift leert het tegenovergestelde niet. De kerk heeft een ius divinum permissivum zulke menschen aan te stellen. Dat het het werk van een dienaar des Woords is, is waar, maar een ander mag het ook doen, zooals de Schrift zegt, ieder geloovige.
Obiectie: De ouderlingen en diakenen moeten dit doen.
Antw. Niet allen zijn daarvoor geschikt. Ook hebben zij niet altijd den tijd daarvoor. In de kerk is ook meer hulp noodig, waarvan de Schrift niet spreekt, b.v. een voorlezer, koster, lichtontsteker. Men kan wel zeggen, er moeten genoeg predikanten zijn voor al het werk. Dit zou het ideaal zijn, maar dan zou dit aantal in Voetius’ tijd minstens verdriedubbeld moeten worden, tot een even uitgebreid getal als in de Roomsche kerk, waar voor 100 zielen een kapelaan is aangesteld. In de Roomsche kerk gaat het gemakkelijker. De kosten zijn er minder (celibaat). Alles wordt daar in gaven aan de kerk geconcentreerd en bovendien wordt er een verdienstelijk werk in gezocht, terwijl de geestelijke stand daar een rang is.
In de Geref. Kerk zal die hulp van krankenbezoekers en catechiseermeesterts noodzakelijk blijven. Het blijft altijd een behulpsel van het ambt en is niet zelf een ambt.

IV. Ook wordt er met art. 2 niet gesproken over lezers, een dienst, die lang in gebruik is.
Te Emden in 1571 was sprake van kerken, waar men den dienst des Woords nog niet kon instellen. Er was nl. geen genoegzaam aantal gemeenteleden en geen traktement.
Art. 41 van de acta van Emden. Hier zijn niet ouderlingen en diakenen tot lezers aangesteld, want dan zou „lectores” achteraan staan, maar daarnaast ook lezers om de Schrift te lezen en meditaties of stichtelijke overdenkingen voor te dragen.
Ditzelfde ook in de acta van de Middelburgse Synode van 1581 toen uit Engeland en Zuid-Holland de vraag kwam of het niet

|23|

goed was lezers aan te stellen waar geen predikanten waren. Het antwoord van de Synode was, dat men dat niet lichtelijk zal doe, alleen in vergelegen plaatsen en met de noodige stichting en dan op advies van de classe. Ze waren er dus niet sterk voor. Dienovereenkomstig is in de Geref. kerken gehandeld. In Zeeland bestond bepaaldelijk het gebruik om in vacante kerken of waar de beurt wegens afwezigheid van den predikant leeg stond, preek te laten lezen, opdat toch twee beurten zouden zijn.
Dit is een goed hulpmiddel mits het stichtelijk kan geschieden, d.w.z. als er goede predicaties en goede lezers zijn. Het uitkiezen van predicaties is niet ieders werk en allicht zou er ketterij kunnen worden ingebracht.
Lezen is hier veel moeilijker dan spreken vooral bij een predicatie van een ander. Men moet er zich inwerken en dit eischt veel voorbereiding. Toch werkte het in Zeeland goed. ’t Is wel aan te bevelen, zelfs boven het hooren van een oppervlakkig stichtelijk woord, dat de gemeente niet opbouwt. Eigenlijk is het geen dienst des Woords, want er is geen dienaar bij. Het is een hulpmiddel om in den dienst zoveel mogelijk te voorzien.

V. Eindelijk zijn er nog meer diensten nl. voorlezer, voorzanger, koster en organist. Doch dit zijn geen kerkelijke ambten. Zij behoren tot het organisme van de kerk.
Het beste is, wanneer de ambtsdragers zelf ook die vervullen.

Artt. 3-17 handelen over de Dienaren des Woords
18-21 handelen over Doctores, Scholen, Studie
22-27 handelen over Ouderlingen en Diakenen
22, 23, 27 over Ouderlingen
24-26 over Diakenen
Aldus besloten met bepaling van de verhouding van die diensten van de kerk tot de Overheid (art. 28).

Zoo geregeld zijn die bepalingen niet gemaakt. Dit is tegenwoordig gewoonte. Onze kerken op grond van de belijdenis saamgekomen namen pro re nota = naar de behoefte van het ogenblik besluiten. In Emden was er nog alles behalve logische gedachtengang. Bij de Synode van ’74 waren er wel enkele rubrieken. Die van ’78 begon daarmee ’t eerst. Daar openbaart zich dezelfde gang: 1e. over de kerkelijke personen, 2e. over de kerkelijke vergaderingen, 3e. over leer, ceremoniën, 4e. over tucht.
De Synode van ’81 zorgde meer voor logische volgorde. Daarom was te Middelburg een speciale commissie benoemd. Ze wilden politieke approbatie van de K.O. verkrijgen.
Die van 1578 was op bezwaren gestuit. Die van ’81 liet nu uit de redactie van ’78 een aantal artikelen uit en bracht ze over naar de antwoorden op de particuliere vragen. Om de artikelen in verband te zetten werd de Commissie benoemd bestaande uit Cornelis, Balk, Taffijn, Lydius. De redactie werd gerevideerd. In ’86 is men op dat spoor voortgegaan en evenzoo in 1618 en ’19.

|24|

Met betrekking tot den dienst des Woords wordt er achtereenvolgens gehandeld over
1e. de roeping tot den dienst des woords.
a. over de noodzakelijkheid en de wijze waarop zij geschiedt.
b. haar kracht met betrekking tot den diennaar door den band met de gemeente en de wijze waarop hij van zijn werk ontslagen word, emeritaat, ontslag.
2e. over het ambt, het werk van den dienst des Woords.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 3

Wie niet beroepbaar zijn.

Art. III. Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en de Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. En wanneer iemand daartegen doet, en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zoo zal de classe oordelen, of men hem voor een scheurmaker verklaren, of op eenige andere wijze straffen zal.

Art. 3 handelt over de roeping. Voor den dienst des Woords is kerkelijke roeping noodig. Dit artikel is al oud, van den beginne af heeft het bestaan. Oorspronkelijk is het gericht tegen de zoogenaamde loopers die het de kerken lastig maakten. Loopers waren menschen, die zonder opleiding en kennis, maar handig en begaafd met welbespraaktheid rondreisden met het doel zich een aanhang te verzamelen, van wie ze levensonderhoud ontvingen, meest met de intentie om op ééne plaats te blijven. Daaronder waren veel monniken en andere praatzieke menschen. Ze wilden zich niet aan de kerkelijke orde onderwerpen vanwege het onderzoek, waarbij hun gebrek aan kennis en hun ketterij aan den dag zou komen. Ze wilden liefst vrij zijn en independentistisch voortleven.
In den tijd der kruiskerken was hieraan niet veel te doen. Men kon ze niet beletten. De Emdensche Synode nam een besluit tegen hen. Art. 18, dat men zich niet mocht indringen in den dienst, waar een dienst was. De Classe moest na onderzoek zulk een persoon voor schismaticus verklaren. Den persoon kon men verder niets doen. De leden die hem volgden, wel. Die moesten onder censuur gesteld.
Voor het overige waarschuwden de kerken er tegen. De Dordtsche Synode van ’74 ging verder. Art. 19. Daar beproefde men de hulp van de politieke Overheid tegen hen te verkrijgen. Om politieke approbatie te verkrijgen werd de K.O. zoo gesteld, als men toen deed. Men kon de K.O. dan handhaven met politieke macht.
De classe van Brielle bracht de zaak der loopers op de Synode. Taffijn zou de hulp inroepen van den Prins van Oranje om last te geven aan de officieren geen loopers op de preekstoel te laten. De Dordtsche Synode van ’78 nam dit art. 19 van ’74 over. In art. 9 wordt het nader uitgewerkt. Men mag niet zonder roeping en ordening in den dienst indringen. Uit de daarop volgende bijvoeging blijkt, dat beide gevallen voorkwamen: 1e. dat er personen waren, die uit eigen beweging gingen preeken; 2e. dat er plaatsen waren, waar een kring van private personen zoo iemand

|25|

riep òf in hun naam of in naam van een invloedrijk persoon der plaats. Ze zullen vermaand worden en zoo ’t niet helpt, zal de zaak voor de classe gebracht worden en zij zelf als scheurmaker veroordeeld.
In Emden was reeds bepaald, dat men ook de personen, die volgden, moet trachten terecht te brengen.
De Middelburgsche Synode van ’81 nam ’t artikel zoo over, dat het laatste gedeelte over de gemeenteleden, die een looper volgden, uit de K.O. tot de particuliere vragen gebracht is. Art. 7. Dan bleef het toch voor de kerken gelden. En hoe korter de kerkorde was, des te eerder zou politieke approbatie volgen. De kerken moesten terwille van de Overheid zoo min mogelijk met tucht bezig zijn. Dus ook om deze reden.
In art. 9 van de particuliere vragen antwoordt de Synode op de vraag, wat men doen zal met diegenen, die de dienaars (welke scheurmakers zijn) na loopen om hen te hooren prediken, dat men ze vermanen zal tot afstand en met gevoegelijke middelen wederom tot de orde brengen.
De Haagsche Synode van ’86 en die van 1618/19 namen dit artikel over.

Voor den dienst des Woords moet er dus wettelijke roeping zijn.
Dit Schriftuurlijke en Gereformeerde beginsel hangt samen met het eigenaardige van de Geref. Dogmatiek, waar de Souvereiniteit Gods en Zijne verkiezing ten leven grondslag is. Volgens die beschouwing is het de Heere zelf die tot geloof en bekeering brengt. Het hangt niet af van den vrijen wil des menschen. Wat ook menschen doen, niemand zal meer ten leven komen dan die bij God in het boek des Levens staan en niemand daaruit zal verloren gaan. Maar zoo zijn menschen alleen instrumenten Gods, en dus ook bij de prediking, een werk des ontfermenden Gods.
De mensch kan dus niet uit zichzelf zich aan ’t werk stellen, want dan baat het niets.
God gebruikt ze als instrumenten, maar dan moeten ze dienaars zijn en niet zelfstandig optreden. Ze voelen zich dus geroepen.
Dit wordt niet voorgestaan door Pelagiaansche en Methodistische richtingen. Daar wordt in de practijk gehandeld alsof het aan de keuze van de mensch staat. Een geloovige moet anderen dan ook tot die keuze brengen of hij geroepen is of niet. Dan wordt er een bijzondere ijver aan den dag gelegd en zijn alle middelen daarvoor goed en dienstig. Een Methodist kan nooit, dag noch nacht, rust hebben, voortlevend in de gedachte, dat het aan hem hangt in ophouden van arbeid en verliezen van zielen. In dat ijveren voor zielen wordt openbaar een gejaagdheid en een afgaan op indrukwekkende middelen.
Een Gereformeerde wordt niet traag, rekent met Gods geopenbaarde wil, moet wettig geroepen zijn om vrucht te verwachten. Daarbij kan hij rustig arbeiden, omdat hij eene roeping heeft. Maar hij moet wettiglijk geroepen zijn. Daarom wordt in de Geref. kerk zoo op de roeping gelet.
Dit neemt echter den plicht niet weg van de geloovigen om elkander te waarschuwen, vermanen, op te wekken en te troosten. Ook dit is roeping. Maar hier is sprake van de bediening des

|26|

Woords en der Sacramenten en ’t speciaal daartoe geroepen zijn, van de speciale roeping tot den openlijken dienst des Woords in naam der kerken.
Een aardsche roeping hebben alle geloovigen, welke roeping moet zijn de beschouwing van in Gods weg te gaan en met vrucht te arbeiden.

De Gereformeerde beschouwing staat tegenover de mysticistische en fanatieke beschouwing.
Tijdens de Reformatie kwam deze in de Anabaptistische kringen veel voor. Bij hen was een opvatting van een roeping, die in het innerlijk gesteld wordt, in het hooren van een stem Gods, die tot het dienen aandrijft. De innerlijke roeping hoort niet in de Kerkorde thuis, behoort niet tot het uitwendig kerkelijk gebied maar tot de practische Theologie. In de Geref. kerk is die innerlijke roeping nooit ontkend, integendeel is er altijd op den voorgrond gesteld, dat er een innerlijke roeping zijn moet, zooals Voetius in zijn conclusie van zijn vertoog over uit- en inwendige roeping, Dl III, 529. Ook Calvijn legt er in zijn Institutie bijzondere nadruk op de innerlijke roeping. Wie die mist, kan toch in den dienst des Woords zijn, omdat de intimis non iudicat ecclesia. Ze kunnen er wel op aandringen maar niet met zekerheid beoordelen. Toch zeggen ze, waar die innerlijke roeping ontbreekt, is weinig zegen te wachten en hij, bij wien ze ontbreekt, brengt als een papegaai, die er niets van verstaat, zijn boodschap over. God kan zich van zulke instrumenten bedienen om tot geloof te brengen, maar het zal tot erger oordeel en schade zijn.
De innerlijke roeping alleen is niet genoeg om wettelijk in de kerk Gods te kunnen dienen. Iemand kan niet uitmaken uit zichzelf of die er is. Ze moet getoetst aan Gods Woord en zich schikken naar de weg, dien de Schrift aanwijst, nl. den weg van orde en regel. Iemand kan een innerlijke roeping tot den dienst des Woords hebben, terwijl het toch geen innerlijke roeping is, maar een roeping van den Satan die iemand ook kan aandrijven. Voelt iemand zich aangedreven niet langs wettigen weg en brengt hij verwarring en verwoesting in de kerk, dan is dit een werk des Satans. Voorwaar een verschrikkelijke gedachte. Onder de valsche profeten en apostelen bestond veel misleiding met opzet maar toch ook veel zelfmisleiding. Daartegenover moet men zich naar Gods Woord en wettigen weg stellen. De kerk moet over de roeping oordeelen, niet individueel. In ’t N.T. geschiedt het zoo altijd. Extraordinaire roeping bevestigde God zelf door teekenen, profeten.
Ordinaire roeping. God wees zelf de Levieten aan en in het N.T. op welke wijze Ouderlingen en diakenen moesten gekozen worden. Roeping door middel van de kerk naar de apostolische usantie van de kerk.
In de eeuw der Reformatie toonden de Anabaptisten waartoe verwaarloozing en minachting van de uitwendige roeping leidde en welke excessen er uit voort moesten komen.
Daarom is in de kerk die wettige roeping zoo op de voorgrond gesteld.

|27|

Ook in onzen tijd bestaat er een optreden uit kracht van innerlijke roeping, zonder zich aan de kerkelijke roeping te onderwerpen.
Tenslotte ligt er een geringachten en loochenen van Gods Woord aan ten grondslag, een hooger stellen van eigen innerlijke openbaring dan Gods Woord. Ongeloof feitelijk aan Gods Woord.
Wat men rechtstreeks van God ontvangt, moet getoetst aan Gods Woord. Daaraan kunnen wij zien of het van God komt. Met iemand, die dit niet inziet, is moeilijk te redeneeren. Want er is dan geen gemeenschappelijke grondslag, want hij spreekt uit de Heilige Geest en niet uit Gods Woord, dat hij loochent.
In onzen tijd bestaat er gevaar voor de afwijking, dat in geval van nood de eene roeping voor de andere kan subintreeren, b.v. die van ouderling voor die van predikant.
Dit is nooit door onze kerken aangenomen. Een ouderling heeft roeping voor kerkregeering, opzicht en tucht en niet voor de dienst des Woords. De eene roeping sluit de andere niet in.
Ter verdediging van dit subnitreeren wordt aangevoerd:
1e. dat het ambt van dienaar des Woords en Ouderling oorspronkelijk één was. Dit was zoo in de Apostelen. In Christus waren alle ambten één. Maar dit kan bij menschen niet. Daarom zijn ze ook door de apostelen in hun tijd gescheiden. Eerst afzonderlijke diakenen en later afzonderlijke ouderlingen.
In het N.T. is sprake van tweeërlei opzieners:
1e voor de dienst des Woords en der Sacramenten en regeering en tucht. Rom. 12: 7, 8.
2e voor enkel tucht en regeering. 1 Cor. 12: 28.
Alle personen zijn niet tot hetzelfde geroepen. De hand heeft een andere roeping dan het oog. Niet allen zijn geroepen. In 1 Tim. 5: 17 wordt tusschen tweeërlei onderscheiden: Dat de ouderlingen, die wel regeeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Na de scheiding van de ambten zijn dus de roepingen verschillend.
2e. Dat onder het Oude Verbond de Levieten, de hulp der priesters, ook wel onderwezen. Maar deze vergelijking gaat niet door. Het was juist het werk van de Levieten te onderwijzen.
3e. Veel ouderlingen, zegt men, zijn geschikt tot prediken. Maar geschiktheid voor een werk sluit nog niet in roeping voor een werk. Alle menschen zijn nog geen burgemeesters, omdat ze daarvoor geschikt zijn. Niet de persoon zelf maar de kerk oordeelt over geschiktheid, dus een onderzoek moet plaats hebben. En deed hij dit, dan deed een ouderling dit buiten zijn ambt. Het hoort niet als zoodanig tot het ambt van ouderling. Ook staat ’t niet in ’t formulier.
4e. Nood verontschuldigde wel eens. Maar nooit man mag men om nood buiten Gods weg gaan. Nood is niet buiten Gods weg. Daarin moet voorzien langs geordenden weg en wel door leespreeken en stichtelijke oefeningen na onderzoek.

|28|

Grondbeginsel is, dat niemand in de kerk openlijk en officiëel, d.i. uit kracht van zijn ambt optrede zonder daartoe van God innerlijk en uiterlijk geroepen te zijn. Dit vloeit voort uit de belijdenis, ligt in den aard van het ambt, en is voor de orde in de kerk noodig.
Uitzonderingen zijn altijd denkbaar. Maar daarvan mag geen regel gemaakt. Die komen niet voor in een land waar wettige orde is. Ook geldt van elke uitzondering, dat de kerken zelf zich daarover hebben uit te spreken.
In de K.O. art. 2, dat geen Doctoren, Ouderling of Diaken dienaar des Woords is. Dus geen subintratie. Wanneer het geschiedt moet de kerk tot scheurmakers verklaren of anders kerkelijk straffen door censuur, excommunicatie.
Daardoor wordt zoo iemand tot op zekere hoogte kerkelijk onschadelijk gemaakt. In de 16e eeuw werd voor zulke personen verbod van de Overheid gevraagd. Dit ging zoolang de Overheid Gereformeerd was van professie. Ze deed dit veel, doch niet altijd. Uitwendige dwang werkte meestal verkeerd. Zedelijke middelen nl. overtuiging bij persoon en aanhangers, helpen meer, al kost het meer moeite, dan een verbod van een schout.

In de volgende artikelen wordt behandeld, wat tot eene wettige roeping behoort, waarin ze bestaat. Artt. 4 en 5. En voor een particulier geval in art. 6.
Was de K.O. gemaakt op de manier van een reglement, dan zou bij behoud van denzelfden inhoud de uitdrukking der gedachten anders zijn. Denkelijk zou dan gehandeld zijn over de roeping van den dienaar des Woords eerst in ’t algemeen en dan in ’t bijzonder voor degenen die niet gediend hebben of omgekeerd.
Hier in art. 4 wordt gehandeld over de roeping in ’t algemeen toegepast op die voor ’t eerst geroepen worden.
In art. 5 wordt hetzelfde herhaald en weggelaten wat op de pas aankomende betrekking heeft en iets bijgevoegd, wat ook op het vorige toepasselijk is. Dit is minder logisch, maar een K.O. is eene bijvoeging van synodale besluiten, die slechts logisch gerangschikt werden. Een reglement wordt echter aus einem Gutze gemaakt. Hierin komt het eigenaardig karakter van de K.O. uit.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 4

Beroeping.

Art. IV. De wettelijke beroeping dergenen, die te voren in den dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten platten lande, bestaat:
Ten eerste, in de Verkiezing, dewelke na voorgaande vasten en bidden geschieden zal door de kerkeraad en de diakenen, en dat niet zonder (goede correspondentie met de Christelijke Overheid ter plaatse respectievelijk en) voorweten of

|29|

adres van de Classe, naar ‘t zelve tot nog toe gebruikelijk is geweest.
Ten andere in de Examiniatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de Classe, ten overstaan van de gedeputeerden der Synode, of eenige derzelve.
Ten derde in de Approbatie en goedkeuring (van de Overheid en daarna ook) van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, waneer de naam des Dienaars, den tijd van veertien dagen in de kerken verkondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt.
Ten laatste in de openlijke Bevestiging voor de Gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den dienaar, die de bevestiging doet (of eenige anderen, waar meer dienaren zijn) toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde. Welverstaande, dat de oplegging der handen zal mogen gedaan worden in de Classicale vergadering aan den nieuw gepromoveerden Dienaar, die gezonden wordt in de kerken onder het Kruis.

Er is geen onderscheid tusschen roeping in steden en dorpen. De dienaren des Woords zijn overal gelijk, de kerken ook. De roeping moet dus ook voor allen gelijk zijn. Hier worden vier dingen genoemd, die tot de wezenlijke roeping behooren, bij die voor het eerst dienen. Een der vier blijft weg bij herhaalde roeping.
Verkiezing, examiniatie, approbatie, bevestiging.
Daaruit blijkt dat in de 16e en 17e eeuw het woord „beroeping” een ruimer zin had, dan tegenwoordig, want ze bestaat in vier dingen. Dit is niet overeenkomstig het tegenwoordig spraakgebruik.
Tegenwoordig beteekent beroeping verkiezing. Dit is naar de K.O. onjuist. De verkiezing is wel de beroeping, maar die verkiezing is nog slechts conditioneel als de andere drie niet er bij komen. De roeping is het eigenlijke wezen der zaak, maar zonder die drie staat de roeping nog niet vast en is ze incompleet.
Dit komt ook uit in de andere artikelen.

A. De verkiezing is het voornaamste.
Daarvoor vier dingen noodig:
1e De Correspondentie met de Christelijke Overheid is vervallen door de verandering van Staatkunde. Dus blijven er drie over.
1e Door den kerkeraad en de diakenen als antwoord op de vraag door wie de verkiezing geschieden moet.
2e Het advies en voorweten van de Classe.
3e Het vasten en bidden.

1e. De kerkeraad en de diakenen verkiezen. Hier is bedoeld de breede kerkeraad, dus de gewone kerkeraad plus diakenen. Dit zoo besloten in 1578 te Dordt. Art. 4. Van de kerkeraad, met bijvoeging der diaconen. (De gewone uitgaven der acta hebben een drukfout, nl. dienaren moet zijn diaconen). De redactie van 1581 heeft „door den kerkeraad en diaconen.” (art. 4 van de acta).

|30|

De macht tot verkiezen berust bij de gemeente, gelijk alle potestas ecclesiastica altijd bij de gemeente berust. De gemeente oefent die uit door organen, dus door den kerkeraad. Cf. de functies van oog en oor als organen van het lichaam. De organen saam vormen den kerkeraad.
De gemeente als georganiseerd geheel heeft organen noodig voor de orde. Dit reeds in Wezel. Hierbij is niet uitgesloten, dat men reeds bij de verkiezing op de stem der gemeenteleden lette. Formeel en officiëel moet de gemeente aan het woord komen, als de approbatie moet verleend worden. Maar een leeraar mag niet opgedrongen. Daarom is het goed ook bij de verkiezing het oordeel der gemeente in acht te nemen, om conflicten bij approbatie te vermijden.
Dit ligt in den aard der zaak. Alle schrijvers over kerkrecht houden voor, dat de kerkeraad er op lette, hoe de geest der gemeente is.
Ook kan het op andere wijze geschieden. De kerkeraad kan nl. ook formeel in de gemeente hooren, zooals in de 16e eeuw wel geschiedde. De samenkomst de Wezel in 1568, op den voorgrond stellend, dat de kerkeraad beroept, oordeelde, dat men in den tijd ook de stem der gemeente bij de verkiezing reeds vragen moet. Cf. Acta Cap. 2, artt. 2-5.
Maar er is een gevaar bij, zeide men: Doet een klein getal verkiezing, dan is er licht overheersching van de gemeente. Dit nu mag niet plaats hebben. Ook moet voorkomen worden, dat lichtvaardige oordelen der gemeente verkeerd werken. Deze beide gevaren moet men trachten te voorkomen.

Wezel stelde het als beste, als de kerkeraad in overleg met de Overheid kon komen. Het volk zou dat wel goed vinden. Zoo was het in Geneve geregeld. De Overheid was door ’t volk gekozen. Werkte nu de Overheid bij de beroeping mee, dan werkt in de democratische republiek ook het volk mede. Doch daaraan was hier niet te denken, want Alva was in ’t land.
Daarom lieten zij ook de gemeente stemmen, totdat bij nadere organisatie er een synodale bepaling gemaakt werd om bij verkiezing andere kerken te doen meewerken. Dan was het volk niet meer noodig.
De samenkomst te Wezel stelde: de kerkeraad ziet om naar geschikte personen en stelt een dubbelgetal aan de gemeente voor om daaruit te verkiezen. Is het volk daartoe ongeschikt wegens partijschap of ongeloof, dan moet de hulp der kerken ingeroepen.
Hierover sprak men met huivering, tegenover de overheersching der gemeente. Dit lag aan de tijdsomstandigheden. Oordeelvellingen van de 16e eeuw omtrent het stemrecht van de gemeente moet men beschouwen in het licht van de toenmalige toestand.
De toestand was in drieërlei opzicht veranderd.
1e. Bij de constitueering van Geref. Kerken hier te lande, was er eens gemeente, zonder Geref. Kerk, Anabaptistisch of Roomsch in ’t hart. In 1572 werden de dorpen Gereformeerd verklaard. De pastoors moesten de mis nalaten. Doch zoo waren de menschen nog niet gereformeerd. Soms was men zelfs zonder een kerkeraad. Dan mocht natuurlijk de gemeente, als

|31|

onbekwaam daartoe, niet stemmen.
2e. In de 16e eeuw was er een zeer sterke independentistische strooming, die vooral aan het Anabaptisme eigen was, in verband met zijn revolutionaire stroming.
Het is onjuist, als de Roomschen beweren, dat de Revolutie een kind der Reformatie is.
Beide vertoonden zich wel gelijk, maar ze stonden tegen elkaar over. Vooral werd in Frankrijk van 1561 af daarover een strijd gevoerd tegenover Jean Morély, woordvoerder der independentistische richting in de Geref. Kerken. Volgens hem zijn er geen ambten noodig en bestaat er geen gezag als bij het volk, dat zelf alle kerkelijke handeling moet verrichten. Het is een soort volkssouvereiniteit in de kerk.
In 1562 werd hij op de Synode van Orleans met zijn boek veroordeeld. Calvijn waarschuwde er tegen.
3e. Ten derde noemen we hier de hoofdzaak. Dacht men in later tijd aan stemming door de gemeente, dan werd altijd ondersteld dat de gemeenteleden diegenen verkiezen konden, die door de kerken beroep- en verkiesbaar waren gesteld, dus die door de kerken reeds geschikt waren geoordeeld. Dan bestond er natuurlijk geen vrees. Doch zoo was het in de 16e eeuw niet, want daarover waren nog geen bepalingen gemaakt, omdat er nog geen kerkverband was. Bij het begin der Reformatie zou een ieder door de gemeente kunnen gekozen zijn zonder studie, b.v. een verlopen monnik met een goede mond.
Men moest voorzichtig zijn, daar er nog geen klasse was van beroepbaar gestelde personen. Altijd is dus noodig geacht verkiezing door den kerkeraad met goedvinden van de gemeente. Eenige honderden gemeenten waren er in Holland, Friesland en Gelderland, waar bij verkiezing de gemeente tot bepaalde stemming werd opgeroepen, hetzij uit een tweetal, hetzij uit een drietal door den kerkeraad gemaakt, of waar ze zelf een drietal gemaakt hebben om daaruit door de kerkeraad een keuze te laten doen. Cf. Kerkelijk Handboek van Bachiene.
Soms werden op enkele plaatsen ook alle oud-ambtsdragers opgeroepen. Vroeger vormden deze een groot getal. Men had toen nog niet het beginsel van herkiezen. Door die personen, dus door een groot getal gemeenteleden werd dan aan de verkiezing deelgenomen.
Meestal kwam het voor, dat de ouderlingen rondgingen om te informeeren op wie de aandacht ’t meest viel. Voetius b.v. raadt dit aan.
De kerkeraad is altijd verantwoordelijk. Soms moest hij tegen de gemeente ingaan. De kerkeraad mag niet tegen eigen overtuiging beroepen, b.v. een predikant die zwak is of weinig stem heeft voor een groote gemeente.
Er bestaat dus invloed en meewerking van de gemeente op verschillende wijs.

Vraag: Waar is bij conflict het overwicht?
In de 16e eeuw stelde men dit terecht bij den kerkeraad. Dit was het veiligst. De dienaren waren meest in Genève gevormd en op de gemeenteleden kon men niet rekenen.

|32|

In jonger tijd en de vorige eeuw was omgekeerd het overwicht veiliger bij de gemeenteleden, omdat het vanzelf geen gemengde hoop is en dan is de meerderheid niet totaal onkundig. Zegt men: bij den kerkeraad, dan is er steeds gevaar voor hiërarchie.
Wat nu de meewerking der gemeente betreft, de gemeente kan gepolst worden of zou ook namen kunnen opgeven.

2e. Verkiezing met voorweten of advies van de Classe, waar ’t zelve tot nog toe gebruikelijk is geweest.
In ’t concept van 1568 te Wezel stond dit reeds als hoogst wenselijk, maar tot nog toe was er geen kerkverband gelegd, daarom kon het in de artikelen van Wezel niet opgenomen.
Cap. 2 art. 3. Voorshands zal de verkiezing op andere wijze te leiden zijn, totdat de classes zijn samengesteld en de synode zal beslist hebben welk advies noodig is. Tot zoolang het advies van naburige dienaren inroepen.
Te Emden werd in 1571 het kerkverband gelegd. Daar had de samenvoeging in classen plaats. Art. 13 Verkiezing cum judicio conventus classici of van twee of drie genabuurde dienaren. De kerk had niet de keuze tusschen die twee, want dan zou verwarring ontstaan. Bedoeling is, dat de classe adviseeren moet, doch daar er niet overal classen waren, waren er veel kerken, waarbij dit niet zou kunnen gebeuren. Alle kerken waren in ’71 nog kruiskerken.
In 1574 is de formuleering gebleven. Doch de twee of drie genabuurde dienaren verdwenen, want in ’74 zijn er bepalingen gemaakt voor Holland en Zeeland, waar men overal classen had.
De bijvoeging „2 of 3 genabuurde dienaren” moet dus niet facultatief opgevat, maar gold alleen voor geval van nood.
In 1578, art. 4, kwamen de 2 of 3 genabuurde dienaren er weer bij, want deze synode maakte ook bepalingen voor de kerken onder het kruis in de Zuidelijke Nederlanden.
Bij de verkiezing moest dus de kerk niet alleen handelen. De classe is de wettelijke uitdrukking van kerkverband.
Evenzoo in 1581 (kortere redactie) en 1586 de 2 of 3 er weer bij. In 1619 gingen ze er weer uit, daar er geen reden voor was. Toen bestonden overal classes en voor de kruiskerken in het Zuiden werd eene regeling getroffen. Ze waren ingedeeld bij Zeeland, zoodat de classen van Zeeland om beurt een jaar lang voor de kruiskerken zorgden (Walcheren, Z. Beveland, Tholen).
De reden waarom advies van de classe noodzakelijk geacht is, ligt hierin, dat uit kracht van het kerkverband, de dienaar door een kerk van dat verband gekozen ook de bevoegdheid zou krijgen om in de andere kerken van dat verband als bevoegd op te treden. Voorkomen moest, dat een ongeschikt persoon gekozen werd. Er was nog geen klasse van proponenten, van beroepbare personen. De classe had wel recht tot approbatie maar beter was het kwaad voorkomen dan genezen.
Had de beroepene aangenomen, dan kwam de classe vaak bij improbatie met de gemeente in conflict.
Bedoeling van het advies was 1e. om te voorkomen, dat er beroepingen geschieden zouden, die men zou moeten improbeeren.

|33|

2e. om de gemeente te helpen bij de manier van handelen, opdat alles wettelijk geschiede en er geen informaliteiten plaats hebben, opdat de beroepsbrief goed gesteld worde en geïnsereerd in het notulenboek. Daarvoor aparte boeken. In een stad is dit niet noodig, wel in onkundige dorpen. Verder, opdat de gemeente geen verkeerde condities zou stellen.
Na 1572 kwam er een derde motief bij, nl. om bij hare vrijheid en zelfstandigheid bewaard te blijven. In classicale handboekjes staat dit op de voorgrond. Dikwijls toch werd de zucht openbaar van heeren van plaatsen en patronen om eene gemeente te dwingen en haar een dienaar op te leggen. Een dorpskerkeraad was niet tegen een heer of patroon bestand om bij haar vrijheid en oude rechten bewaard te blijven. Dit geschiedde daardoor, dat de classe één of meer dienaren aanwees voor bepaalde kerken om te adviseeren bij voorkomende vacaturen. Dit ging niet altijd op dezelfde manier. Soms één adviseur met plaatsvervanger, andere hadden twee adviseurs. Een derde bepaling was weer, dat de classe en de gemeente ieder één adviseur zouden hebben. Doch variis modis bene fit.
De vanwege de classe aangewezen raadgever had geen stem, daar de kerk verkoos, maar hij bezat grooten invloed.
Tegen zijn advies werd niet gehandeld en liever de zaak voor de classe gebracht.
Naderhand heeten zij consulenten = raadgevers. In de 16e eeuw bestond die naam nog niet.

Waar ’t zelve tot nog toe gebruikelijk is geweest.”
Dit niet op de plaatsen waar ’t voorweten of advies van de classe niet noodig is. Waar men meer dan één predikant had, had men een consulent in de andere predikanten. Consulenten waren er alleen voor plaatsen, waar slechts één predikant was. Toch waren er enkele plaatsen die zonder consulent handelden. Naar Gods Woord is het consulentschap niet absoluut noodig, maar terwille van de kerkenorde en het kerkverband moet men zich er in schikken.
Vroeger bepaalde het werk van den consulent zich altijd tot beroeping. In onzen tijd zijn er veel dingen bijgekomen, want de classe vergadert niet altijd. Bij gewichtige zaken is het voor den kerkeraad raadzaam den consulent te raadplegen.

Er is gevraagd, of dat voorweten en advies van de classe meebrengt, dat de kerk niet verkiezen en beroepen mag zonder eerst handopening aan de classe te vragen. In veel kerkelijke handboekjes komt dit voor, vooral in Zeeland.
In ’t oog te houden is hierbij de reden en de bedoeling, waarom men dat vroeg. Deze is toch niet om te vragen of men beroepen mocht, maar om er zich van te verzekeren, dat men het vroegere traktement krijgen zou. De traktementen werden geheel of ten deele betaald door de Overheid uit geestelijke of staatsgoederen. De Overheid behield zich voor bij ieder beroep te beslissen. Daarom moest aan de Overheid handopening gevraagd, nl. het beschikbaar stellen van het gewone traktement. In steden werd dit rechtstreeks door den Kerkeraad aan de Overheid gevraagd. Op het platteland wilde de Overheid, dat continuatie van het

|34|

traktement door middel van de classis zou geschieden. Over dat traktement besliste dus feitelijk de classe. Daarom is in 1816 de handopening gebleven. Op de vraag naar handopening antwoordt de Overheid door traktement beschikbaar te stellen. Vraagt men geen geld, dan geen sprake van handopening. Waar de staatstraktementen vervallen zijn, vervalt de reden tot het vragen van handopening aan de classe.

Waarom zal nu de kerk advies aan de classe vragen om te beroepen? Volgens de K.O. moet iedere kerk beroepen. Verlof om te beroepen behoeft de classe als zoodanig niet te geven. Ze kan het nooit verbieden. ’t Eenige is dus, dat de classe subsidiën geeft voor het traktement. Dan moet gevraagd of de classe dat blijft doen.
Eerder kan men bij tegenstelling zeggen dat eene vacante kerk die niet beroept, verlof aan de classe moet vragen, hetzij om traktement, hetzij om iets anders. De classe moet dus beslissen over het uitstellen van een beroep. Toch is het nog gebruikelijk om aan de classe verlof tot beroeping te vragen.
Men zegt: het kan wel eens gebeuren, dat de gemeente op een zeer laag traktement gaat beroepen. Dan kan de classe de noodige hulp niet geven. Dit gaat niet op. Want welk recht heeft classe om een gemeente te verbieden om b.v. op ƒ 100,— te beroepen? Een gemeente mag beroepen zonder traktement. Wanneer ze zeer arm is en de predikant vermogend, waarom zou dit dan verboden moeten?
Tijdens de kruiskerken diende Plancius de kerken jaren lang voor niet. Paulus werkte zelf. Of hij het beroep zonder traktement aanneemt, moet de predikant zelf weten. Dit alleen is waar, dat men den predikant dan moet waarschuwen en de gemeente, dat de classe maar niet direkt gaat bijpassen. Deze gedachte vond ingang door ’t Hervormd Genootschap. De Geref. beschouwing is echter zoo niet.

III. „Met vasten en bidden.”
Dit is ’t eerst in de K.O. ingekomen op de eerste Dordtsche Synode van 1574, naar aanleiding van de algemeene punten, hoe men bij de beroeping handelen zou, en wel in art. 23 van de acta van ’74. Aangaande het vasten en bidden is besloten, dat een opzettelijk vasten en bidden geschieden zou, wanneer men van plan was iemand die nog niet gediend had, te beroepen. Het vasten zou niet behoeven te geschieden bij het verkiezen van een fungeerenden dienaar, evenmin bij de verkiezing van Ouderlingen en Diakenen.
Hieraan lag de gedachte ten grondslag, dat het vasten, als een officiëel kerkelijk vasten te onderhouden alleen in zeer ernstige gevallen geschieden moest. Groot onderscheid was er dus tusschen een dienaar die nooit diende of een die fungeerde, en ouderlingen en diakenen, die men als gemeenteleden reeds kende. Men had van God dan al meer gegevens.
Ditzelfde bleef in de K.O. bij de redactie van de Nat. Dordtsche van ’78 in art. 3. Het werd overgenomen met een clausule, dat men bij beroeping van dienstdoende predikanten en ouderlingen en diakenen het bidden niet moest nalaten.

|35|

Het vasten kon nu geschieden òf openbaar òf heimelijk, dus minder stringent en ook niet officiëel.
In de redactie van 1581 is dit artikel weggelaten. Daarom in art. 4 opgenomen de woorden „met vasten en bidden”. Zonder nadere omschrijving. Dit bleef zoo in 1586 en 1618/19.
Dit vasten moet in den N. Testamentischen zin en geest en niet in Joodschen geest opgevat.
Sedert het uitschrijven van een officiëel en openbaar vasten in de kerken niet meer plaats had, kreeg de uitdrukking den zin van ernstige voorbereiding. Dit is trouwens ook de bedoeling van het vasten, om door geen aardsche gedachten afgetrokken den geest uitsluitend te bepalen bij de hoogere dingen van Gods Woord, die voor het aangezicht gesteld zijn.
Het heimelijk vasten bleef in gebruik. Ook nu nog bij de Avondmaalsviering. Bij verkiezing wil het zeggen: plechtig gebed en opwekking der gemeente tot ernstige overdenking en voorbereiding. Aanbeveling verdient eene ure des gebeds daarvoor, opdat de ernst uitkome en het gemeentelijk gebed daarvoor gedaan worde. Onze kerken schaften steeds de avondgebeden af. Ze legden de nadruk op het gewone en niet op het buitengewone. De beroeping van een dienaar des Woords was echter een ander geval.

IV. En dat niet zonder goede correspondentie met de Christelijke Overheid ter plaatse respectievelijk.
Uiteraard der zaak is dit punt nu bij de Geref. Kerken vervallen. Niet willekeurig handelen, want alleen een generale synode mag veranderen. Doch dit punt is vanzelf vervallen door den veranderden staatkundigen toestand. Bepalingen kunnen veranderd door wijziging, door usantie der kerk of ook zijn de uitwendige omstandigheden oorzaak, dat ze niet gehouden kunnen worden. Zoo komen ze dan vanzelf buiten werking. We hebben thans geen Overheid, die als Christelijke Overheid optreedt. In den tijd der Republiek liet die bepaling zich verklaren uit de verhouding van kerk en Overheid. Ze staat niet in de oudste redactie van de kerkenorde van 1571 te Emden.
Men begeerde het toen wel, want in het concept van de Wezelsche artikelen van ’68, cap. 2, art. 3, staat wel degelijk, dat het zeer te wenschen zou zijn, als bij de beroeping de Godzalige Overheid helpen kon. Daardoor zou gewaakt worden voor hiërarchische heerschappij der opzieners, maar dit is nog niet mogelijk, daarom moet nu het volk maar meestemmen.
In Emden 1571 werd dit punt niet in de kerkenorde opgenomen. Men maakte daar een K.O. om die op te volgen en nu kon er natuurlijk niets in gezet, wat niet kon opgevolgd, want de kerken onder ’t kruis verkeerden onder een Roomsche Overheid of in de verstrooiing.
In 1574 te Dordt had ’t kunnen geschieden, doch ‘t gebeurde niet. De reden daarvoor was, dat men toen reeds hier en daar in botsing met de Overheid gekomen, de vrijheid en zelfstandigheid der kerken bewaren wilde.
In ’74 bestond de Overheid uit niet-Gereformeerden, staande

|36|

op ’t standpunt der politieken die de Overheid ook Overheid in de kerk noemden. Daarom vreesde men in Dordt aan de Overheid invloed toe te kennen. Traktementen wilde men wel hebben. Daarom werd er in ’74 niet gesproken van approbatie der beroeping door de Overheid gelijk er in ’78 bijkwam.
In ’74 is juist de strijd begonnen.

In de redactie van ’78 komt de correspondentie met de Overheid wel voor, in die van ’81 en ’86 niet. In 1619 kwam zij weer in de kerkenorde.
Reden hiervan was, gelijk Voetius aanteekent, dat de Overheid aan de kerken veel uitzicht gaf op politieke approbatie der kerkenordening door de Overheid, dus dat de K.O. staatswet zou worden. De Overheid deed harerzijds concessies. Zoo werden de kerken zeker ook door de Overheid daartoe opgewekt. Daarom zijn er in 1619 bepalingen ten gunste van de Overheid gemaakt, niet omdat het zoo volgens de kerken beter was, maar als een do ut des, zooals Voetius zegt, als een contract met de Overheid.
Voetius zei later, dat de concessies die de kerk deed, vervallen waren, omdat de politieke approbatie niet volgde.
Aan dit punt kon men niet zooveel waarde hechten, want het was niet het eigen gevoelen der kerken, meer concessie.
Opmerkelijk is de neutrale en weinig zeggende uitdrukking.

Wat is die correspondentie?
Daaronder kan alles verstaan. Het kan beteekenen alleen schrijven, zonder gebonden te zijn, of met iemands antwoord rekenen voor zoover het goed is of ook kan men zich binden.
Hier is een algemeene phrase gebruikt, omdat eens meer gespecialiseerde uitdrukking niet mocht gebruikt. Want van tweeën een, òf de kerken moesten raadplegen met de Overheid zonder gebonden te zijn, of ze konden verkiezen met medegoedvinden van de Overheid. Aan het eerste had de Overheid niets.
De algemeene phrase leidde later tot moeilijkheden in de practijk want Kerk en Overheid legden ze op eigen manier uit. De kerken zeiden, dat men bij vacature aan de Overheid verlof vraagt om continuatie van traktement voor beroeping, dus handopening. Het kan ook zijn, dat de kerken met een wensch van de Overheid bekend gemaakt, overleggen om daaraan te kunnen voldoen met eigen beslissing.
De Overheid legde uit: Correspondentie is behoorlijk rekenen met den wensch van de Overheid, wat hierin uitkomt, dat men over den te beroepen persoon in overleg treedt met de Overheid en aan haar wensch voldoet.
In steden gaf dit veel moeite. De kerken gaven hun standpunt niet op. Het gevolg hiervan was dan, dat de Overheid het traktement inhield, approbatie weigerde en de beroeping van de uitnemende predikanten improbeerde en zelf voorstelde, wie beroepen moest worden. Dit was natuurlijk dwingen. Meestal won de Overheid, als hebbende de koorden er der beurs. De kerken schikten zich dan, wanneer de door de Overheid gewenschte predikant tenminste ook goed was.

|37|

B. Het tweede deel van de wettelijke beroeping is de examinatie, van pas in dienst tredenden.
Daarvoor zijn in 1568 te Wezel punten vastgesteld bij wijze van advies aan de kerken. Cap. 2, artt. 7-10, deels over de leer, deels over het leven.
Bij de wettelijke beproeving met betrekking tot de leer zijn vier dingen noodig.
1. Testimonium, ’t zij van de kerk, school of Overheid, waar de candidaat woonde, dat hij geen ketter was, dat hij geen ijdele speculaties er op na hield, niet bijzonder graag kettersche boeken las en niet ingenomen was met fanatieke menschen.
2. Of hij overeenstemde met de leer in de Confessie, moest gevraagd.
3. Dat hij Dogmatiek en Exegese verstond, moest onderzocht.
4. Er moest een proeve van preeken gegeven worden in tegenwoordigheid van examinatoren.
Wat ’t het onderzoek van het leven betreft, waren testimonia noodig van betrouwbare personen.
Zulk onderzoek moest door de classen geschieden zoo die er waren, anders door den kerkeraad met eenige dienaren van buiten tot meer waarborg. Bijna geen enkele kerkeraad was alleen daartoe geschikt.
Synode van Emden ’71. In art. 16 een korte bepaling van het examen opgenomen. Hierin alleen, dat degenen die beroepen moeten examineeren over leer en leven. Het verdere liet men over aan de kerken zelve.
De classes en de provinciale synoden waren nog niet saamgesteld. Men kon dus niet ordineeren. De K.O. is geen handboek. Daarom in Emden alleen de twee beginselen genoemd.
Te Dordt in 1574 werd het artikel uitgebreid. Art. 14. Het onderzoek zal geschieden door de classe. De inhoud is leer en leven.
In 1578 werd dit geheel herhaald. Toen er bijgevoegd, dat het examen in de leer niet noodig was bij degenen, die door een Geref. Universiteit onderzocht waren. Dus wel onderzoek naar het leven, maar geen examen in dogmatiek en exegese. Art. 4. Oorzaak was, dat toen op veel plaatsen het onderzoek der classe minder was en men Leiden niet wantrouwde in belijdenis.
Dit bleef zoo in 1581. Synode van Middelburg. Art. 4. Onderzoek over leer en leven.
Nu bepaald de classe genoemd en niet degenen die beroepen. Was er geen classe, dan moest geëxamineerd door den kerkeraad met twee of drie genabuurde dienaren.
De dispensatie voor Academisch onderwijs werd onder de particuliere vragen gebracht. Vroeger deed men geen examen aan de Universiteit. In de regel namen de kerken het af.
In de redactie van ’86 staat hetzelfde, maar hier weer, dat de examinatie „of onderzoeking beide der leer en des levens, staan zal bij degenen, die ze verkiezen.” De kerkeraad, die beriep, moest dan de classe te hulp roepen tot onderzoek. Hier alleen ’t beginsel.

|38|

Redactie 1619: Onderzoek over leer en leven door de classe (want toen alle kerken in classen ingedeeld) ten overstaan van de Gedeputeerden der Synode met het oog op zwakke classes en faciliteit, te meer daar het onderzoek later niet weer herhaald werd. Het was dus waarborg voor de gezamenlijke kerken.
Het blijkt, dat volgens de K.O. de examinatie gesteld is voor degenen, die in den dienst komen. Dit sluit niet uit, dat men hen, die reeds dienaar waren, ook niet kon examineeren. Principieel had iedere classe en kerkeraad dit recht.
Later in de 17e en 18e eeuw werd wel eens het examen herhaald als er gegronde oorzaak was en ketterij dreigde in te sluipen en enkele classen er niet tegen waakten. Doch dit geval bleef altoos zeldzaam, want dit was eigenlijk het beginsel geweest van ontkenning van het kerkverband.

Door wie moet het examen worden afgenomen?
In de oude redacties der K.O. wordt genoemd de kerkeraad van de roepende kerk met eenige genabuurde dienaren of eenige kerken die goed te vertrouwen zijn. Overal waren nog geen classen en synoden. Bij verandering van de toestand geschiedde de examinatie door de classe, zooals ook nu nog in de K.O. staat ten overstaan van Gedeputeerden der Synode. Daarmee is geen nieuw beginsel in de K.O. ingevoerd, maar het oude en juiste beginsel toegepast op de wijze, die de geordende toestanden vereischte. ’t Beginsel was, dat die roept, onderzoeken moet. Op hem ligt de verantwoordelijkheid. Dit ligt in den aard der zaak, omdat de dienaar met die kerk, die roept en door middel van die kerk met andere te doen heeft. Maar in ’t oog moest gehouden, dat landelijke kerkeraden daarvoor onbekwaam zijn. Zij kennen geen Hebreeuwsch en Grieksch en hebben ook geen wetenschappelijke kennis van Dogmatiek. Daarom genabuurde dienaars er bij, niet omdat hun een recht van onderzoek toekwam, maar als helpers van de roepende kerk. Dit klemde nog meer, toen er kerkverband was. Toen was de hulp van zelf aangewezen in de classe en gold uit kracht van het kerkverband, dat de dienaar van eene plaatselijke kerk daartoe geroepen in eene andere kerk kon optreden. Toen was uit kracht van het kerkverband de classe voor examinatie aangewezen, ten overstaan van Gedeputeerden Synodi, omdat de toelating tot den dienst des Woords en de bediening der Sacramenten meteen geschiedde voor alle kerken van het kerkverband. Het beginsel bleef, dat de plaatselijke kerk geroepen had en in de eerste plaats onderzocht.
Niet aanstonds is dit in de kerkenorde ingekomen en overal ingevoerd. In de oude redacties van de K.O. 1578, 1581 wordt ook de Universiteit genoemd als bevoegd tot examineeren.
Volgens de bepalingen van deze Synoden behoefde de kerk niet te examineeren, als de Universiteit van Geref. belijdenis, zooals Leiden was, geëxamineerd had. Hierin kwam vooral verandering toen de kerk er aan begon te twijfelen of dat examen wel te vertrouwen was, hetgeen reeds opkwam in ’t eind der 16e eeuw. Daardoor kwam de Theol. faculteit te Leiden in verval. Dit leidde er toe, dat in 1586 de Haagsche Synode een soort praeparatoir examen invoerde van de classe volgens art. 18 der redactie.

|39|

Het geschiedde niet zoo dat de Universiteit uitgesloten werd, maar nu was de redactie Universiteit òf classe, de overgang om het proponentsexamen aan de Universiteit te ontnemen.
In ’t begin der 17e eeuw werd het aan de Universiteit ontnomen tengevolge van de Arminiaansche twisten. Voetius beweert dit in zijn „Politica Ecclesiastica”. Natuurlijk moesten Arminius’ leerlingen den twijfel wekken. Toen is vernieuwd het besluit der 16e eeuw van praeparatoir examen, waaraan men zich reeds voor proponeeren moest onderwerpen. Daarna, toen die oorzaak met Arminius verviel, is veel gehandeld over de vraag of de Theol. Faculteit van de Geref. Universiteit zoo examineeren kon, dat de kerken het niet deden, of het Universitair examen geldig erkend werd door de kerk. Cf. de redactie van de Synoden der 16e eeuw.
In 1619 is dit uit de K.O. uitgelaten. Geen geldigheid dus van Universitair examen. Hoe het er uit kwam is onbekend. Geen besluit daarover bekend. Waarschijnlijk is het er uit gelaten door de commissie van gedeputeerden, die zorgde voor de opneming der besluiten en haar formeele in-elkaar-zetting.
In de praktijk bleef dikwijls een Universitair examen gelden, zeker niet in Holland en Utrecht.
In Holland is lang strijd gevoerd over de positie van de Theol. Fac. met de kerken. Die strijd liep zoo, dat de Theol. Fac. afhankelijk bleef van de Staten.
In Franeker ontstond groote twist. Daar examineerden zij en gaven acte, wier inhoud van kerkelijk examen ontsloeg. Dit ging goed, totdat de Hoogleeraren toelieten, wie niet mocht toegelaten, ’t zij vanwege kennis of levenswandel. Strijd ontstond en in de 2e helft der 17de eeuw ontnamen de kerken aan de hoogleraren met goedvinden van de Overheid de bevoegdheid.
In Groningen bleef men examineren.
In 1615 werd door de Groningers op een soort landdag bepaald een examen door hoogleraren in de Theologie met twee andere hoogleraren in de filosofie en letteren, twee curatoren en twee deputaten van de Synode. Dit was dus een examencommissie, die van de Universiteit zou uitgaan.
In de eerste helft der 17de eeuw had na het examen door de professoren de handoplegging plaats aan de dienaren. Dit bedoelde geen in dienst stellen, want door de kerken werd zij herhaald. Na 1650 bleef dit weg. Van het recht is in de vorige eeuw minder gebruik gemaakt.

Wat hebben daarbij deputaten van de Synode te doen?
De K.O. zegt „ten overstaan van”. Is dat alleen luisteren zonder iets te zeggen en te vragen en zonder stem in het kapittel? Neen, want dan kon men de moeite wel sparen. De bedoeling was natuurlijk om bij het onderzoek toe te zien, dat alleen bekwame personen toegelaten werden en wel vanwege de andere kerken buiten de classe, daar voor die de toelating ook gelden zou. Zoo hadden zij recht tot vragen en stem. Dit geschiedde steeds onder de benaming „navragen”. Daarover is geen verschil geweest. Wel is er quaestie als classe en deputaten verschillen inzake toelating.

|40|

Was de classe tegen en de deputaten voor, dan niet toegelaten, want de classe examineerde.
Maar als de classe voor toelating en de deputaten er tegen zijn? Wat dan?
Ook dan blijft gelden dat de classe beslissen moet.
Wat moeten deputaten doen, als ze er zich niet bij kunnen neerleggen? Dit geval kwam reeds in de 16e eeuw in Zuid-Holland voor. Toen hebben synodale deputaten aan de classis geschreven, dat ze formeel kon toelaten, maar de deputaten moesten rapporteeren, dat ze het niet toestaan konden. De Synode moest dan beslissen. En dan kreeg men een dienaar, die maar voor ééne classe toegelaten was, die buiten die classe geen Woord en Sacramenten mocht bedienen. Zoo zou die classe in beginsel reeds buiten het kerkverband gaan staan. Doch de classe kwam op het besluit terug.
Formeel beslist de classe, maar de deputaten moeten er ook voor zijn, anders ontstaat er een conflict tusschen de classe en de gezamenlijke kerken. De classe moet anders de toelating opschorten. De Synode beslissen.

Gang en inhoud van het examen. Waarover?
Nooit zijn in de K.O. bijzonderheden ontwikkeld. In de Wezelsche artt. staat uitvoerig waarover. Doch deze zijn geen kerkenordening maar handleiding. Emden nam die niet over, maar sprak alleen van leer en leven, zooals het tegenwoordig nog is. Het is goed dat er geen details bepaald zijn, want dit hangt van tijd en omstandigheden af. Ook was het onnoodig.
Als beginsel was aangegeven, dat een K.O. zoo kort mogelijk moet zijn, om geen canoniek recht te krijgen en alles aan de plaatselijke kerk over te laten. De classen moeten meer preciseeren. Daarom zijn er veel classicale besluiten over het examen, b.v. hoe men ’t leven onderzoeken moet, attesten van kerk en Universiteit, en met betrekking tot de leer, voor de manier hoe te examineeren. De bepalingen zijn in alle classen in hoofdzaak alle gelijk.
In hoofdzaak gaat het examen over drie hoofddeelen.
1e deel. Exegese van het Oude en Nieuwe Testament. De Hebr. en Gr. capita worden van te voren opgegeven. Sommige classes wilden dat men het Oude en Nieuwe Testament cursorisch las. Enkele contenteerden zich met een testimonium van professoren.
De Synode drong altijd op examen in linguis aan.
2e deel. Capita religionis. Dogmatiek. (Historis dogmatum, Ethiek, Kerkgeschiedenis, Polemiek en Controvers over ketterijen waren hierin besloten). Dit punt is veel uitgewerkt. Cf. Voetius.
3e deel. Geschiktheid voor preeken. Er werd een tekst opgegeven, waarover een preek moest gemaakt, niet korter dan 1/4, niet langer dan 1/2 uur, waarvan de schets te voren aan het moderamen moest gegeven, opdat zij beter zouden kunnen oordeelen.
Verder onderteekening van de Formulieren van Eenigheid. Dit was geen formaliteit. Bij de aangifte werd de candidaat aangespoord

|41|

ze goed te leren, opdat hij wel wete, wat hij doet. De manier waarop geëxamineerd werd, variëerde zeer. In sommige classen bestond beurtregeling. In de meeste classicale handboekjes worden de jongste aangewezen. Soms de naieve verklaring, dat die het het beste wisten. Misbruik van navragen werd tegengegaan door bepalingen over den tijd.
De Classe van Middelburg bepaalde, dat iedere predikant kon navragen, maar kon de examinandus niet antwoorden, dan moest de predikant het zelf doen. De deputaten vroegen in sommige geringe classes na.

Dit alles heette peremptoir examen, omdat dit beslissend was. Ook is er nog een praeparatoir examen, dat afgenomen werd voor men een beroep had. De bedoeling hiervan was, om iemand te kunnen stellen in de klasse van kerkelijke proponenten. Synode van Den Haag 1586 art. 18. Hier sprake van het aanstellen van het gebruik der propositiën, maar de Proponenten moesten eerst geexamineerd worden. Eerst na volkomen beroepen en bevestigd te zijn mochten ze de sacramenten bedienen.
Dit praeparatoir examen deed blijken of iemand veilig voor de gemeente kon proponeeren. Men kon niet weten of hij wel knap genoeg en zuiver was. Te meer gold dit bij de woelingen met Arminius. Het praep. examen was dus een veiligheidsklep voor de kerken. Men had dit optreden ook wel geheel kunnen verbieden, doch zooals Voetius zegt, is dit hiertegen, dat de kerken er er niet toe gebracht kunnen worden om iemand te beroepen, die nooit is opgetreden. Er moet gelegenheid zijn om te hooren. Voetius meende het ook aan de professoren over te kunnen laten.
Het praep. examen is dus niet tot hulp van de kerken, maar tot oefening der proponenten. Ongeschikte proponenten werden er door geweerd. Voetius, Politica Ecclesiastica, Dl III, pag. 516-620, zegt, dat in het begin van de 17e eeuw het praeparatoir examen bijna overal in onbruik geraakt was, maar dat toen Z.H. classes en synoden het vernieuwd hebben uit tweeërlei aanleiding.
1e. Het kwam dikwijls voor dat een Leidsch student zonder voldoende studie onrijpe vruchten op den preekstoel bracht. Die het minst weten, zijn dikwijls het meest welbespraakt.
2e. Er waren ook Leidsche studenten besmet met nieuwigheden van Arminius, die heterodoxe dingen verkondigden.
De Z.Hollandsche Synode besloot hiertoe in 1608. Wel niet direct werd dit overal geobserveerd, maar na 1619 is het vaste gewoonte en ook in andere provincies bijna overal in gebruik genomen.
Overijsel stelde ook den eisch, dat ze werkelijk van plan waren dienaren des Woords te worden, opdat er later geen moeite zou ontstaan.
Friesland maakte een uitzondering. Hier voerden ze het praep. examen niet in. Ze maakten daarvan het peremptoir examen. Daar was maar één examen voor dienaren des Woords, niet nadat ze een beroeping ontvangen hadden, maar als de studie voleindigt was en ze op beroep gingen preeken. Er waren daarom ook wel uitzonderingen. Door dit examen werd men niet proponent, maar

|42|

candidaat.
In de vorige eeuw was hiertusschen een scherp verschil.
Dat iemand candidaat was in academischen zin, kwam weinig voor. De meesten deden dit candidaatsexamen niet en het was ook niet kerkelijk.
Candidaat was de term in Friesland voor iemand, die peremptoir onderzocht, toegelaten was tot den dienst des Woords zonder beroep.
In de andere provinciën werd men proponent. Dit was in Friesland eene afwijking van de kerkenordening en Voetius zegt in lijnrechten strijd met art. 4 van de K.O. Immers de Friesche kerken gaven een acte van toelating, dat men tot den dienst des Woords was toegelaten, in de orde der dienaren was opgenomen, macht kreeg tot den dienst des Woords en der Sacramenten, kerkelijke tucht en kerkregeering.
Dit was in strijd met art. 4, dat men tot den dienst des Woords komt door de roeping eener bepaalde gemeente. Cf. art. 7.
De Geref. Kerken kennen alleen dienaren des Woords van eene bepaalde kerk en niet in ’t algemeen. Er is niet tweeërlei roeping, maar ééne roeping in art. 4. Wanneer die roepende kerk in het kerkverband staat, dan spreekt het vanzelf, dat de dienaar des Woords van de eene kerk ook macht heeft in de andere kerken enkel omdat hij die in die ééne kerk heeft en krachtens kerkverband.
De Friesche kerken waren dus op een gevaarlijke lijn.
Dit beginsel van ééne roeping hing samen met het op den voorgrond stellen van de plaatselijke kerk als basis van de geïnstitueerde kerk. Dan is het geheel der kerken geen punt van uitgang. Het ééne lichaam van Christus openbaart zich plaatselijk op aarde. Dit is de ecclesia instituta. Dit als basis. Confoederatie door kerkverband.
Aldus het Geref. stelsel tegenover het Papale, Episcopale en Collegiale stelsel.
De Friesche kerken weken dus principiëel af.
Voetius zegt, ze waren in strijd met het beginsel, dat niemand dienaar des Woords is, tenzij door eene bepaalde kerk geroepen.
Er is dus geen algemeene roeping.
Waar geen kerk is, b.v. in de verstrooiing, daar moet de classis diezelfde roeping doen.
Die afwijking
in de 17e eeuw is ongelukkigerwijze principiëel verdedigd door à Brakel in zijn „Redelijke Godsdienst”. (Dogmatisch en kerkrechtelijk wel wat afwijkend).
Brakel in Friesland geëxamineerd, vind dit zeer goed. Dl I, pag. 648 (cap. XXVII, 14).
Hij wil principiëel tweeërlei roeping onderscheiden, nl.
1e zending door classe of synode na gedaan examen, en dus dan dienaar des Woords
2e roeping is dan, dat men in eene plaats komt.
Hij zegt: dit geschiedt niet overal, maar kon beter zeggen: nergens.
Hij vindt die zending tot ’t ambt in ’t algemeen zeer mooi om de goede gevolgen, maar die goede gevolgen bestaan even goed,

|43|

als men geroepen is van een bepaalde kerk. Dan heeft men ook macht tot den dienst des Woords, dan kan men daartoe uitgenoodigd ook preeken in een andere kerk. Dan heeft men precies hetzelfde door kerkverband.
Wat Brakel wil is in strijd met de kerkenordening (met de kerkrechtelijke lijn), is in strijd met het begrip van ecclesia instituta (met de dogmatische lijn), en geeft aanleiding tot het insluipen van een collegialistisch en clericalistisch beginsel.
A Brakel bedoelde het zoo wel niet, maar onbewust werkte hij het kwade in de hand. Brakels gevoelens vonden geen ingang. Hij was predikant van Rotterdam. De kerken van Holland wilden er niets van weten.
In Brakels tijd in 1679 zijn de kerken van alle provinciën met de Friesche kerken juist in contract gekomen over die afwijking. De Friesche kerken wilden niet opgeven. De andere kerken stelden nu in ’t contract. Noch zending noch examen wordt erkend.

In Zeeland was ook enigszins een ander gebruik zonder afwijking van de zuivere lijn. Eerder was daar te groote zorg voor zuiverheid der leer. Aldaar drie examens.
Het praeparatoir examen stelde beroepbaar, maar men mocht niet proponeeren voor een tweede praeparatoir examen ad abundantes cautelam. Deze twee examina hadden een maand na elkaar plaats. Men kan zeggen, dat het praep. examen zoo gesplitst was met een maand tusschenruimte.
Dit praep. examen gaf in onze kerken alleen permissie om voor de kerken te proponeeren. Zoo werd men beroepbaar gesteld.
Dienaar des Woords werd men alleen door roeping. Voetius zegt: De praeparaties voor de kroning van een koning zijn de kroning zelf niet. Evenmin was het praeparatoir examen eene roeping, evenmin als de graad van Mr in de rechten een benoeming voor een ambt is.

Daaruit vloeit voort wat een proponent al of niet mag doen. Vraag: Of ze hulpprediker mochten zijn van oude of zieke predikanten. Voetius keurt dit goed. Het ambtswerk moet dan door een ander gedaan. Ze mogen catechiseeren, zieken bezoeken enz. Mogen ze ook ouderlingen en diakenen bevestigen? Antwoord: neen. Daarvoor moet men in dienst zijn, omdat de zoodanige alleen stipulaties namens de kerk kan aangaan.
Een proponent mag een huwelijk inzegenen. Want dit is geen sacrament. Evenzoo mag een proponent bij doop en avondmaal het formulier lezen. Dit toch is niet ééne actie alsof het lezen van het formulier daarbij behoorde, maar daarbij behoort dan ook wijn schenken, voorlezen en voorzingen. De actie bestaat in de doopsbediening zelf. Het hierboven genoemde kwam wel voor bij zwakke dienaren.
Voetius zegt: een proponent mag alles doen, waartoe geen ambtelijke dienst vereischt wordt, mits aangesteld door den kerkeraad. In 1619 is in de K.O. het praeparatoir examen niet opzettelijk opgenomen. Wel bestond het plan er toe, maar er is niet toe gekomen. Voor zoover de K.O. ook van proponeeren spreekt, ligt het er in.

|46|

C. Approbatie is het derde stuk dat tot de beroeping behoort, nl. approbatie, die van Overheid en gemeente nodig is.
De approbatie van de Overheid kwam het eerst in de K.O. op de nationale synode van Dordt van 1578 en is er sedert in gebleven.
In 1586 art. 4 kwam de clausule: om te vernemen of zij hares levens of burgelijken wandels halve eenig bezwaar had. Dit ging er later weer uit. De Overheid mocht niet oordeelen over leer en geschiktheid tot prediking, kon wel oordelen over iemand qua burger, b.v. of iemand seditieus was of oproerig gezind. Feitelijk trok de Overheid telkens de approbatie verder en beroeping werd geimprobeerd, (als volgens de Overheid niets op een geroepene als burger te zeggen was), omdat de Overheid hem niet wilde hebben, en niet iemand, die op gezag van de kerk stond, maar een staatskind wilde hebben, of ook, omdat zij niet iemand van Leiden wilde hebben etc. De bepaling is nu vervallen door de veranderde houding van kerk en Overheid.

Approbatie der gemeente. Van classe niet gesproken, want in de examinatie is de approbatie gebleken. Wie niet toegelaten is, is geimprobeerd in roeping. Bij de classe viel natuurlijk de approbatie samen met examinatie. Daarom oordeelt de classe ook over instrumenten der beroeping, of alles goed toeging. Voor approbatie door de gemeente moet de beroepen dienaar 14 dagen aan de gemeente worden voorgesteld, d.w.z. op 3 zondagen. Is er dan geen hindernis, dan gaat de bevestiging door. De approbatie van de gemeente mag niet zijn een ijdele vorm. De afkondiging van den geroepen dienaar is geen mededeeling aan de gemeente om aan nieuwsgierigheid te voldoen, maar geschiedt bepaaldelijk, opdat gehoord worde of ook bij de gemeente eenig bezwaar is. Dit moet iedereen gevoelen. Heeft men bezwaar, dan is men verplicht dit in te brengen. Dit wil niet zeggen of men liever een anderen dienaar had. De hindernis moet in den geroepen dienaar zelf liggen in zijn leer of leven. Er kunnen ook uitwendige omstandigheden zijn, maar dit komt niet veel voor, b.v. lichaamsgebrek, zwakke stem. De bezwaren mogen niet op gerucht, maar moeten na onderzoek geschieden.
Men heeft wel gevraagd, of die afkondiging ook noodig is, als de leden der gemeente zelf geroepen zijn om een grostal of zestal aan de kerkeraad aan te bieden. Ook dan moet de approbatie volgen, want de gemeente heeft alleen van onder de leiding van den kerkeraad kunnen handelen. Ieder kan nooit meewerken. De vrouwen kan men geen stemrecht geven en die zouden bezwaren kunnen hebben.
Komt er geen bezwaar in, dan is er een stilzwijgende approbatie der gemeente van het beroepen. Komt er hindernis, dan moet de kerkeraad er over oordeelen, behoudens het recht van de klagers om zich op classe of synode te kunnen beroepen.
Die vrijheid moet niet misbruikt. Een beroep op de meerdere vergadering is alleen zedelijk gewettigd, als men in conscientie bezwaar heeft. Dat men het gaarne anders zou zien, is geen motief. In de gemeente mag geen geest van ontevredenheid en

|45|

twistziekte zijn.
Bij verwerping van appel moet de insteller van het bezwaar kerkelijk vermaand worden. Appel moet openblijven tegen tyranniseering der gemeente door den kerkeraad, vooral in kleine gemeenten. Ook geen familieregeering mag plaats hebben. Verspert men het beroep en maakt men het lastig, dan krijgt de kerkeraad formeel zijn zin, maar men behoudt in zijn gemeente veel ontevreden menschen, en een twistziekte, waaraan in gesprekken uiting gegeven wordt, welke ontevredenheid bij de eerste aanleiding uitbarst; dan ontstaan er kleine ontevreden kringen en is er gevaar voor scheuring. Door overtuiging en niet door overmacht moet dit gevaar weggenomen.
Dat er zulk een uitweg is, is de zegen van het kerkverband. Buiten kerkverband is er geen uitweg voor klachten. Dan tweespalt is zulk een vrije gemeente en scheuring aan de orde. Sectarisme. Als nu de approbatie van classe en gemeente verleend is volgt

D. de bevestiging.
Bij bezwaren moet die uitgesteld tot er een definitieve uitspraak gevallen is.
Openlijke bevestiging met stipulaties.
Deze is eigenlijk de openlijke aanneming van de uitgebrachte roeping en openlijke verbintenis van de gemeente aan den geroepen dienaar. Evenzoo bij ouderlingen en diakenen. Niet minder en niet meer.
De roeping heeft een inhoud, is er om iets te doen, en voorgehouden wordt wat die last is.

De aanneming daarvan moet kenbaar gemaakt. Dit kan door correspondentie geschieden, zelfs mondeling. Indien het alzoo geschied is, dan kan dat soms voldoende geacht worden, met name in de 16e eeuw.
In den tijd der vervolging ging het vaak zoo. Men moest in ’t geheim samenkomen en dan trok openlijke bevestiging te zeer de aandacht. Na de vrijheid is de bevestiging in veel kerken nog niet aanstonds ingevoerd. In het begin der 17e eeuw werd de bevestiging nog niet tot het essentiëele gerekend.
Dit blijkt uit de biographie van Voetius, uit wat hij in zijn Pol. Eccl. meedeelt over zijn komst te Heusden. (Tom. IV, 251 sqq).
Te Heusden toen twee predikanten. Een daarvan was Arminiaan. De Overheid was in meerderheid ook Arminiaansch en bepaald de plaatselijke commissie. Er was alle reden voor, dat er in de vacature van den tweede predikant ook een Arminiaan beroepen werd. De meerderheid van den kerkeraad was hiertegen. Toch kon ze niet veel doen. Toen vonden ze er dit op, dat ze gebruik zouden maken van den tijd, waarop de classe zou samenkomen, ze zou nl. samenkomen op een dag, waarop in Heusden zelf de Arminiaansche leden der Overheid afwezig zouden zijn. Voetius te Vlijmen werd beroepen, te Heusden geboren. Ook was hij beroepen bij de doleerende kerk te Rotterdam. Vrijdag was er een deputatie bij Voetius. Zaterdag werd Voetius beroepen. Zondag ging men naar de Overheid ter approbatie. Dit geschiedde. ’s Maandags werd op de classe de approbatie voorgebracht. De predikant van

|46|

Heusden kwam te laat. Daarvoor was gezorgd. Dinsdag deed Voetius intree te Heusden. Voor bevestiging was geen tijd. De predikant woedend. Soldaten wilden Voetius van den preekstoel halen. Doch hij hield zijn preek. De Arminianen klaagden bij de Staten van Holland. Voetius voor een commissie der Staten geroepen (Oldenbarneveldt, Hugo de Groot). Debat met Voetius over de wettigheid van zijn beroep te Heusden. De Staten konden er niets winnen. Door de Arminianen werd volstrekt niet tot Voetius gezegd: ge zijt niet bevestigd. Dus bevestiging behoorde niet tot het essentiëele, anders had men wel op het onwettige ervan de aandacht gevestigd.
Voetius had bij zijn intree toch wel zijn stipulatie genoemd en beantwoord. Hij was niet in Heusden bevestigd, aangezien dat in Heusden nog nooit geschiedt was.

De roeping van de kerk geeft het eigenlijke radicaal. Examinatie en approbatie behooren dan tot het meest wezenlijke, bevestiging op zichzelf niet.
Toch mag men niet concludeeren, dat de bevestiging achterwege kan blijven. Daarom is ze juist ingevoerd.
Van 1581 af stond de bevestiging in de K.O. art. 4. Reeds in Wezel de stelling, dat de dienaar zich openlijk verbinden zal aan de gemeente. Art. 11.
Er is alleszins reden om de bevestiging wel te doen plaats hebben. De roeping van den dienaar komt tot hem door middel van den kerkeraad, waar het is eene zaak tusschen hem en de gemeente. De kerkeraad is orgaan. Nu moet de gemeente het aannemen van de beroeping ook openlijk weten, omdat door beroeping een band tusschen dienaar en gemeente ontstaat.
Op soortgelijke wijze zou men kunnen zeggen, dat men met de handschoen moet trouwen. Doch stipulaties aangaan, terwijl een van beide partijen afwezig is, is niet de gewone manier.
Het is ook noodig om eventueele moeilijkheden te voorkomen. Punt voor punt wordt in het Formulier van bevestiging den dienaar voorgehouden, wat hij doen moet.
Verder is het goed, opdat later geen onwetendheid worde voorgewend.
In de 16e eeuw zijn reeds de stipulatiën vastgesteld.
In de K.O. staat: „naar het Formulier”.
Dit is eerst in de redactie van ’86 in de K.O. ingekomen. Art. 4.
In de redactie van ’78 staan in de K.O. zelf in art. 5 drie vragen, die ook in het formulier gedaan worden. Hieruit blijkt, dat toen het formulier van bevestiging er nog niet was.
In 1581, toen men de K.O. bekortte voor politieke approbatie, zijn de stipulatiën er weer uit gelicht en verplaatst naar de particuliere vragen. Cf. acta van de Synode van Middelburg (eerst oude particuliere vragen van ’78, daarna het 2e deel van ’81).
Het Formulier van bevestiging is dus gemaakt tusschen 1581 en 1586. De drie vragen van 1578 zijn daarin woordelijk opgenomen. Wie het gemaakt heeft is onbekend.

|47|

Uit het voorgaande volgt, dat de bevestiging in de Geref. Kerken niet op te vatten is als een soort ordening in den gewonen zin, als een overbrenging in een soort van geestelijke stand, tegenover de leekenstand. ’t Woord ordenen kan gebruikt, maar niet in Roomschen, Lutherschen of Episcopaalschen zin. Voorzichtiger is het dit woord niet te gebruiken. Het komt in de K.O. niet voor.
Men werd geroepen tot den dienst des Woords. Voetius zegt, dat men niets bijgeloovigs denken moet. Pol. Eccl. III, 578.
De ordinatie is niet anders dan de constitutie. „Coincidit cum vocatione.”
In de Geref. Kerken is het niet zooals daarbuiten, waar de roeping van de ordening wordt onderscheiden. De ordening is de confirmatio, publica declaratio, praesentatio, propositio en de introductio electi seu vocati in ecclesiae ministerium.
Niet om de bevestiging wordt men dienaar des Woords genoemd. Daardoor krijgt men geen bevoegdheid tot den dienst des Woords en der sacramenten. Ze is niet fundamentum. Het hangt alleen van de roeping af. Het is niet anders met de bevestiging als met de voorbereidselen tot verkiezing van een koning. De verkiezing maakt den koning. Beeld van een Mr in de rechten, die een magistratuur ontvangt.

Handoplegging is bij de eerste bevestiging gebruikelijk.
Deze is in de Roomsche kerk een essentiëel bestanddeel en zelfs het voornaamste deel van de ordening.
Naar Roomsche beschouwing is er een stand van geestelijken en leeken en komt men op het oogenblik van en juist door de handoplegging in den geestelijken stand. Daarom is de priesterwijding één der sacramenten. Zeer bepaald wordt dan iets meegedeeld. Ze is een teeken en zegel van de ambtsgaven of ambtsgenade. Die handoplegging geschiedt alleen door den bisschop. Deze is in zijn diocese alleen daartoe bevoegd. Ook komen er nog andere ceremoniën bij, maar die maken het essentiëele niet uit.
In de Episcopale kerken van Engeland heeft de ordening door den bisschop plaats. Daarom is ook daar de quaestie van successie.
Gesteld eens, dat alle bisschoppen op één dag stierven, dan zou de kerk dood zijn en ophouden, want alleen een bisschop mag de handen opleggen. Zoo werd onlangs een Engelsche dienaar in Madrid bevestigd door een daartoe uit Engeland overgekomen bisschop. Dit is ook overgenomen door de Moravische broeders en de Herrnhuters. In de Luthersche kerk bestond dit oorspronkelijk niet. Enkele streng oud-Lutherschen beginnen de handenoplegging weer te drijven als een essentiëel iets. De Geref. Kerken hebben het steeds verworpen.
1e Synode 16e eeuw. De handoplegging zou men voorlopig om de superstitie alsof er iets werd meegedeeld, nalaten. Later is ze wel weer in zwang gekomen, maar niet als essentiëel deel.
Voetius zegt: Ze is in gebruik, maar niet in alle kerken. Daar is toch de dienst even goed geregeld, omdat ze niet essentiëel is.

|48|

De Gereformeerden hadden de handoplegging
1e als teeken van geheele toewijding tot den dienst. Dit is de reden, waarom men bij ouderlingen en diakenen deze niet behield, want dezen werden niet ad vitam geroepen.
2e als teeken van gemeenschap, waarom ze door de dienaars geschiedt, omdat ze in gemeenschap van dienst komen.
3e als teeken van zegenbede, waarmee iemand in den dienst gesteld wordt. Daarbij zegenwensch volgens formulier.
Alles is een uiterlijk symbolische handeling en geen ordening.
Zoo schreven alle Gereformeerden.
Calvijn schijnt een kleine uitzondering te maken. Hij spreekt er over op 3 plaatsen in zijn Institutie. Het is alsof hij er iets mystieks bij dacht.
Inst. Lib. IV, Cap. 3, par. 16.
„Praesterea non erit inane signum si in germanam suam originem restitutum fuerit. Nam si nihil frustra Spiritus Dei in Ecclessia instituit: hanc ceremoniam, cum ab eo profecta sit, sentiemus non esse inutilem, modo in superstitiosum abusum non vertatur.”
Hij leidt ze af van de gewoonte der Joden om met handoplegging het offer den Heere toe te wijden. Er is wel geen voorschrift tot de handoplegging maar de apostelen deden het ook. Praeterea non erit inane signum modo in superstitiosum abusum non vertatur. In deze laatste gedachte ligt het schijnbaar meegedeelde. Het is Calvijns bedoeling wel niet geweest, maar toch is het er uit af te leiden.
Evenzoo Cap. 14, par. 20.
„Nam impositionem manuum, qua Ecclesiae ministri in suum munus initiantur, ut non invitus patior vocari Sacramentum, ita inter ordinaria Sacramenta non numero.”
Hij wil de handoplegging een sacrament noemen, maar niet in den zin van den doop en het avondmaal, maar om ’t gebruik van het woord.
In Cap. 19, par. 31 wordt ze sacrament als heilige plechtigheid genoemd.
De latere Geref. zeiden: handoplegging is een symbolisch teeken.
Voetius, Dl I, 460 sqq. „Quastiones de manuum impositione etc.” Bij de Roomschen is ze een sacrament. Bij de Lutherschen wordt ze onder de ritus adiaphoros gerekend. Blijkbaar vinden ze er toch iets mystieks in.
De Geref.: ze is mere adiaphoron.
Sommige Geref. schijnen iets aan de Roomschen toe te geven, maar zij menen daarbij, dat dit alleen plaats had bij de apostelen en de plantatio der kerk, daarom dan willen ze nu geen handoplegging.
Niet uit te maken is of de handoplegging van de Joden bij hun offerande of van zegening afkomstig is. Voetius noemt Calvijn ook en zegt: het zal Calvijns bedoeling wel niet geweest zijn. Voetius gebruikt het woord ordinatio wel, maar in de K.O. en op de Synoden komt het nooit voor. Het doet altijd aan het

|49|

Roomsche begrip denken. Daarom spreken de Geref. van een geroepen dienaar.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 5

Verplaatsing.

Art. V. Nopens die dienaars, die nu alreede in den Dienst des Woords zijnde tot eene andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping (met correspondentie als voren) geschieden, zoowel in de steden als ten platten lande, bij den kerkeraad en de diakenen met advies of approbatie van de Classe; alwaar de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven; (en alzoo bij den magistraat van de plaatse respectievelijk geapprobeerd), en der gemeente, den tijd van veertien dagen voorgesteld zijnde, als boven, zullen met voorgaande stipulatiën en gebeden bevestigd worden. Onverkort, in ’t gene voren gezegd is, iemands deugdelijk recht van presentatie, of eenig ander recht, voor zooveel het stichtelijk kan worden gebruikt, zonder nadeel van Gods kerk en goede kerken-orde (waarop de Hooge Overheden en Synoden der respectieve provinciën wel gelieven te letten, en ten beste van de kerken noodige orde te stellen).

In art. 5 volgt hetzelfde als in art. 4 nog eens van degenen, die reeds in den dienst zijn. In dit art. zijn natuurlijk de examinatie en de handoplegging weggelaten. De laatste omdat deze als teeken van toewijding aan den dienst des Woords slechts eenmaal geschieden kan. Zij was ad vitam. Eens voor altijd werd men ook geëxamineerd. Na eenige jaren dienst wordt men niet ongeschikt. Het mag wel herhaald, maar in kerkverband is het onnoodig, omdat men daarin de examens erkent. Ongeoorloofd is het niet. Maar wel in gewone omstandigheden, want dan is het breking van het kerkverband. Het kan noodig zijn bij ketterijen, die nog niet langs de kerkelijke weg verholpen zijn. Doch dit is een exeptioneel geval. Soms is het herhaald, als de Classen noodig oordeelden op een bepaald punt te vragen, als b.v. aan de Universiteit ketterijen gedoceerd waren. Maar deze rekenschapgeving van gevoelen is uitzondering.
In dit art. 5 kwam er bij: dat ze zullen vertoonen goede kerkelijke attestatie van leer en leven.
In art. 4 getuigenis van leer en leven van den kerkeraad en de School, waar men studeerde. Hier in art. 5 is bedoeld attestatie uit de kerk en classe, die men gediend heeft.
Zonder dat was approbatie onmogelijk en de roeping niet compleet en wettiglijk. Met attestatie kwam een dienaar eerst wettig van de andere kerk los.
Ook kwam er bij een volzin over het patronaatsrecht.
In de redactie van ’86, art. 5, zijn de laatste woorden: „zullen met voorgaande stipulatiën en gebeden bevestigd worden.”
In 1619 kwam er bij: „Onverkort, in ’t gene voren gezegd is, iemands deugdelijk recht van presentatie, of eenig ander recht voor zooveel het stichtelijk kan worden gebruikt, zonder nadeel

|50|

van Gods kerk en goede kerkenorde (waarop de Hooge Overheden en Synoden respectieve provinciën wel gelieven te letten, en ten beste van de kerken noodige orde te stellen).”
Dit slaat ook op art. 4, al staat het aan het eind van art. 5. Stond het in beide artikelen, dan zou zulks een onnoodige herhaling zijn geweest. Daarom wordt het aan het eind van de twee artikelen gezegd. „In ’t gene tevoren gezegd isziet op alle roeping.

Onder patronaatsrecht verstaat men het recht van den patroon van de kerk om voor die kerk een dienaar des Woords voor te stellen, die door de kerk moet aangenomen, of het recht van den patroon om een door de kerk voorgestelden dienaar al dan niet aanneembaar te stellen.
Of de kerk stelde twee of drie personen en de patroon koos, of de patroon stelde ze en de kerk koos.
De patroon had geheelen of gedeeltelijken invloed. De oorsprong van dit recht ligt hierin, dat de voorouders van zulk een patroon eene kerk gesticht hadden of schenkingen aan een kerk vermaakt. Het patronaatsrecht was er dan dikwijls uitdrukkelijk bij gestipuleerd of anders werd het als plicht van dankbaarheid beschouwd.
In de Middeleeuwen, in de Roomsche kerken werd dit recht onderworpen aan het oordeel van den bisschop of geschorst bij ketterij.
Bij de Reformatie hielden de patronen dit recht vast. Ze zeiden, ’t misbruik is weggedaan en de oude kerk was gereformeerd. Zoo beschouwde de Overheid de kerk ook.
De Gereformeerden echter zeiden, dat zoodanig recht van particulieren te na kwam aan het recht en de vrijheid der kerk. Ze wilden het patroonsrecht niet erkennen, als te kort doende aan de souvereiniteit van Christus. Cf. Het patronaatsrecht van IJpeij.
Van Geref. zijde schreef in de 17e eeuw Acronius de iure patronatus.
Het deed te kort aan het beginsel der kerk. In den strijd daarover moesten de Gereformeerden het onderspit delven. ’t Patronaatsrecht kon moeilijk geweerd, want ’t waren veel aanzienlijken en machtigen, die het uitoefenden. De meerderheid der kerken stond daaronder. De meerderheid der Overheid was tegen hen die dit door rechtbank desnoods wilden handhaven.
De 2e reden was, dat de kerken financiëel afhankelijk waren. De voordeelen van de patronen wilden de Gereformeerden nog wel houden. Ook het traktement van den patroon. Ze wilden wel de lusten maar niet de lasten.
In de 16e eeuw hebben de Synoden er nooit over gehandeld, ter wille van de politieke approbatie.
De Synode van 1619 handelde er over.
Men achtte toen het goede oogenblik gekomen om het patronaatsrecht af te schaffen. Dit is echter mislukt. Men was er met de Overheid op goeden voet. Deze was niet meer Arminiaansch, maar Gereformeerd. Van die gezuiverde Overheid meende men iets

|51|

gedaan te krijgen, vooral als de kerken ook concessies deden.
Mei 1916 vertrokken de gedeputeerden uit andere landen. De gravamina kwamen in behandeling.
Bijna allereerst kwam het patronaatsrecht, ius patronatus ter sprake. Postacta sessie 156.
Dit stond blijkbaar in de lastbrieven van een aantal gedeputeerden. De Synode werd aanstonds zeer teleurgesteld, want de Heeren Commissarissen van de generale Staten gaven te kennen, dat de Staten niet zouden gedogen, dat het patronaatsrecht afgeschaft werd. De Synode moest de misbruiken verbeteren en kon zich de moeite dus sparen. De Overheid beschouwde het als een verkregen recht, dat moest gehandhaafd, evenals ieder ander recht van eigendom en bezit.
Onder de Overheidspersonen waren veel patronen of collatoren. Dit was natuurlijk de oorzaak. De Synode had het patronaatsrecht toch kunnen afschaffen, als ze afgezien had van Staatssteun en Staatsgelden. Ze had een conflict in ’t leven kunnen roepen, maar de Geref. kerk meende met de Geref. Overheid in officiëele betrekking te moeten staan. En ook de gedachte er aan kwam niet op, te meer daar pas de Arminiaansche twisten gestild waren.
13 Mei na den middag werd er een besluit genomen tot verbetering van misbruiken.
14 Mei kwam er een concept met bepalingen bij de Synode in van 9 artikelen, die aan de Staten-generaal moesten overgeleverd worden, met verzoek om ze aan de provinciën te recommandeeren. De Staten Generaal konden niet decreteeren, want de Staten van de provinciën waren inzake religie en kerk souverein.
Die bepalingen hielden in een overtuiging omtrent het patronaatsrecht.
1e Men moest kunnen bewijzen dat men het recht bezat.
2e De patronen zouden alleen een bekwaam persoon kunnen presenteeren aan de kerk bij het beroepen. Dit zoo ook onder ’t Pausdom.
3e Ze moeten voor het traktement zorgen, niet alsof ze iemand huurden. Ze moeten ook niet transigeeren tot minder traktement.
4e Op verlies van recht moest de patroon binnen twee of drie maanden in de vacature voorzien.
5e Ze mochten alleen een rechtzinnig persoon presenteeren.
6e De kerken hadden het recht den gepresenteerde te weigeren.
7e De classe moest zich verzekeren, dat alles in orde was en classicaal examen.
8e Verschillen tusschen patronen en kerken zouden beslist worden door classes en provinciale synoden.
9e De patroon had geen macht tot het afzetten van een dienaar.
Dit waren artikelen, die zouden gerecommandeerd worden.
In haar geheel zijn ze niet door de Overheid gevolgd, vooral niet art. 8 omtrent de judicatuur. Ook niet geheel (art. 6) dat de kerken mochten weigeren, als ze geen anderen grond daartoe hadden, dan dat de persoon hun niet aanstond. Wel is voorkomen, dat Roomsche patronen Geref. dienaren zouden presenteeren. In

|52|

Groningen gold de bepaling, dat de uitoefening van het patronaatsrecht alleen plaats had bij Gereformeerde belijdenis.
In den loop des tijds is niet kunnen voorkomen worden, dat er van het patronaatsrecht misbruik gemaakt werd, om menschen aan onderhoud te helpen, hetgeen met omkoperij plaats had. Cf. de kerkelijke procedures uit dien tijd. Eigenlijke omkoperij had niet plaats, maar wel onder den vorm van geschenk, weddenschap, koop.
In deze eeuw heeft de Koning zelf, die veel patronaatsrechten had, die prijsgegeven.
Bij de Hervormden bestaan ze nog wel. Bij de Gereformeerden zijn maar enkele voorbeelden bekend. Geref. kerk te Schipluiden.
In ’t vorig jaar 1892 had de vereeniging plaats. De patroon merkte op, dat ze buiten hem mochten handelen. Hij behoorde tot het genootschap, maar beweerde een verdraagzaam persoon te zijn. Veel bezwaar gaf het niet, want er was geen betaling van tractementen.

In de volgende artikelen komen nadere bepalingen voor over de roeping van dienaren en den band waarmee zij verbonden zijn aan de kerk, om speciale gevallen te regelen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 6

Heerlijkheden en Gasthuizen.

Art. VI. Zal ook geen Dienaar dienst mogen aannemen in eenige particuliere Heerlijkheden, Gasthuizen of anderszins; tenzij dat hij voorhenen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en ook zal niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn.

Art. 6 gaat over Particuliere Heerlijkheden, Gasthuizen of anderszins.
In ’t begin der vrijheid is hierover reeds gehandeld, want er waren dienaren des Woords, die niet aan een bepaalde kerk verbonden waren. Prins Willem had een hofprediker. Dergelijke ook bij oudere heeren b.v. Palland.
De Synode van 1578 bepaalde in art. 8, dat ook deze ordelijk en wettelijk gelijk anderen beroepen moeten worden, de formulieren onderschrijven en uit de Hofhouding Ouderlingen en Diakenen aanstellen.
Ze wilden ze kerkelijk formeeren. Dit stellen van diakenen is zonderling, want aan het hof waren geen armen. De bedoeling zal geweest zijn om de naburige kerken te helpen. Daar patronaatsrecht.
In 1581 de K.O. bekort. Die bepaling verplaatst naar de particuliere vragen. Vraag 7.
Hier de omzetting in een vraag met bevestigend antwoord.
In eene vraag was het ook ter Synode van ’78 gekomen.
In ’81 is er iets bijgevoegd, want er is nog eene andere categorie van dienaren. Er waren ook predikanten in gasthuizen en weeshuizen.
Deze stonden onder de plaatselijke overheid en hadden regenten.

|53|

Daar was geestelijkheid. Door de Overheid werd de predikant benoemd. De Synode van ’81 bepaalde nu, dat ook deze zich „reguleeren zullen naar de kerkelijke ordinantiën.”
De Haagsche Synode van 1586 bracht dit artikel in de K.O. over. De vorsten- en heerenhoven gingen er uit en het artikel werd gemaakt, zooals het nu nog luidt.
Vorstenhoven waren er zooveel niet, wel te lande.
De hofprediker van den Prins was in Den Haag predikant.
In Amsterdam en Delft ontstond er quaestie. De Overheid had de gasthuizen, tegelijk de oude mannen- en vrouwenhuizen, huizen van reconvalescenten en zwakken. Ze wilden nu ook den predikant benoemen. De kerken zeiden: dan moet alles in wettigen vorm gaan. De kerken zeiden: dan moet alles in wettigen vorm gaan. Dit gaf wel moeilijkheid b.v. in Amsterdam.
De kerkeraad moet hem beroepen, de classe examineeren. Het beroep moest geapprobeerd en wat de tucht betreft zou hij onderworpen zijn aan classe en synode. Hij kon wel aangewezen worden tot een bepaald werk, maar hij moest predikant van Amsterdam zijn. De Overheid van Amsterdam wilde hiervan niet weten. De kerkeraad erkende nu den dienst in de gasthuiskerk niet als kerkelijken dienst van Amsterdam. De kerkeraad hield dit vol, tenzij hij naderhand door den kerkeraad beroepen werd. De dienst werd nooit erkend, want hij was niet door den kerkeraad ingesteld. In die gasthuiskerk mocht geen doop en avondmaal bediend worden. Dit geschiedde eerst toen de Overheid met den kerkeraad in transactie kwam.
Zuiver is het nooit geworden. Ook nu nog bestaat daartegen bij sommigen bezwaar.
De bedoeling van de kerken is, dat men alleen dienaren heeft, die verbonden zijn aan een bepaalde kerk, op kerkelijke wijze beroepen en aan de K.O. onderworpen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 7

Onder het Kruis.

Art. VII. Niemand zal tot den dienst des Woords beroepen worden, zonder zich in eene zekere plaats te stellen, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar te prediken in de gemeente onder het Kruis, of anderszins om Kerken te vergaderen.

Niemand zal tot den dienst des Woords beroepen worden, zonder zich in eene zekere plaats te stellen.
De plaatselijke kerk is grondslag en punt van uitgang. Het lichaam van Christus openbaart zich plaatselijk. Die plaatselijk geïnstitueerde kerk is in zichzelf compleet. Juist daarom is kerkverband confoederatie van een aantal plaatselijke kerken en is er geen plaats voor dienst des Woords buiten de plaatselijke kerken. In Rome werd men eerst dienaar van een groot genootschap en daarna eerst van eene plaatselijke kerk. Onder Rome waren clerici vagi, rondreizende monniken. In het begin der Reformatie waren er ook veel rondreizende predikanten, die aldus voor hun onderhoud zorgden.

|54|

De Synode van 1571 noemde ze „buikdienaars”.
Ze deden het om een onderhoud te vinden.
Volgens art. 4 van de K.O. moet er een kerk zijn die roept, dus door de roeping is men reeds aan de kerk verbonden. Een dienaar wordt niet geroepen door een geheel van kerken. Afwijking van de Friesche kerken is, dat ze een roeping van de classe wilden. Men kan iemand niet in blanco roepen. Men moet weten waar het Woord, de Doop en het Avondmaal te bedienen is.
Een uitzondering werd gemaakt voor de kerken onder het Kruis, zooals in de Zuidelijke Nederlanden. Om de vervolging hadden de kruiskerken vaak geen kerkeraad. Het was moeilijk om daar een predikant in eene bepaalde plaats te stellen. Ook waren de plaatsen zonder vorm van kerk uitgezonderd.
Tot den dienst van de Kruiskerken werd een predikant in dienst van genabuurde kerken gebruikt. Zoo waren de Kruiskerken van België opgedragen aan Zeeland.
Deze uitzondering geldt ook voor de Zending. De heidenen gaan niet beroepen. Toch is ook onder hen kerkelijke institutie noodig. De genabuurde kerken moeten dan daarvoor zorgen.
De zending was in 1619 niet aan de orde. Men wist er weinig van maar toch ligt het in het artikel opgesloten.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 8

Niet gestudeerde predikanten.

Art. VIII. Men zal geen schoolmeesters, handwerklieden, of anderen die niet gestudeerd hebben, tot het predikant toelaten, tenzij dat men verzekerd zij van hunne singuliere gaven, godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Zoo wanneer dan zoodanige personen zich tot den dienst presenteeren, zal de classe hen (indien het de Synode goed vindt) eerst examineeren en, naardat zij hen in ’t examen bevindt, hen een tijdlang laten in ’t privé proponeeren, en dan voorts met hen handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen.

In de Geref. kerk was er uit den aard der zaak van het begin af toelating tot den dienst des Woords, ook zonder eigenlijke studie. In den eersten tijd der Reformatie behoorde een groot deel der dienaren des Woords tot ongestudeerde personen. Wel waren vooral veel Roomsche geestelijken, pastoors, de Reformatie toegedaan, die gestudeerd hadden, maar dit getal was niet de meerderheid. Het was een betrekkelijk kleine minderheid, vooral naarmate de Reformatie sterk doordrong. Die nu bij de Gereformeerden gingen dienen, hadden weinig gelegenheid tot studeeren. De Universiteit van Leuven was Roomsch. In de Nederlanden zelf konden ze niet terecht. Ook niet in Frankrijk. In Duitschland hadden enkelen te Wittenberg gestudeerd, maar daaraan waren vele bezwaren verbonden.
De antithese tusschen Luthersche en Zwitsersche hervorming was sterk uitgesproken, toen de Reformatie hier begon.

|55|

Gereformeerd theologische opleiding was er in Zwitserland te Bazel, Zürich en Lausanne. Na 1559 ook in Genève. Voorts ook in Heidelberg, maar alleen toen de Paltz Gereformeerd was. Onder de Luthersche keurvorsten werd de Universiteit weer Luthers. Ook in Schotland was gelegenheid tot studeeren, maar dit was te ver uit de buurt.
De Geref. predikanten, die gestudeerd hebben, deden dit meest in Heidelberg en Genève. Dit blijkt uit de albums die nog over zijn. Prof. de Wal gaf ze uit in de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde. (Vgl. Hand. en med. van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1865, blz. 54 volgg. Sepp, Godgeleerd Onderwijs, Dl I, pag. 21). Dit getal is zeer klein. Dit wil niet zeggen, dat al de anderen in ’t geheel niet studeerden. Deze hadden het gedeeltelijk gedaan, b.v. ze waren een jaar in Genève geweest, waar Calvijn in 1559 lessen had gehouden.
Voorts was er een aantal van hen, die geen gelegenheid gehad hadden, zelfs onder de hoofden en leiders der Reformatie.
Caspar v.d. Heyden, Guido de Bres, Jan Arentz zouden wij mannen van art. 8 noemen.
Eenmaal toegelaten zijnde begonnen ze hard te studeeren en kenden daarna ook Latijn, te meer daar er geen vertalingen van Latijnsche schrijvers waren. Ze werden meest toegelaten na particuliere opleiding, meestal na opleiding in de profetie. Zoo werden in Londen bij de profetie veel dienaren opgeleid, want daarbij kwam uit, wie inzicht, goed verstand en welsprekendheid had. Dan werden ze aangemoedigd zich toe te leggen op proponeeren onder leiding van den kerkeraad en daarna geëxamineerd.
In de eerste jaren der Geref. kerken zijn uit deze particuliere opleiding veel dienaren voortgekomen.
Op ’t convent te Wezel van 1568 en de Synode van Emden 1571 werd bepaald over de profetie in verband met opleiding tot den dienst des Woords gesproken.
Te Wezel, dat het in grootere steden en talrijke kerken goed zou zijn als private proposities gehouden werden, in welke degene, van wien goede hoop was, zich als ’t ware binnenkamers zou kunnen oefenen. Ze moesten geschieden onder leiding van een der dienaren, doctoren of profeten. Enkele groote kerken deden dit, vooral Londen, Wezel en de Geref. kerk te Keulen.
Te Emden 1571 werd dit concept van Wezel tot besluit van de Synode gemaakt met dezelfde woorden. Binnenskamers voor kerkeraad, classe en profeten. Daarna werd critiek geoefend. Aldus is de private propositie op te vatten.
Zulke proposities zijn ook dienstbaar gemaakt aan meerdere oefening van studenten.
Dat dit in latere jaren geschiede, blijkt uit de redactie van de K.O.
Zoo kwam op de Synode van ’81 te Middelburg de vraag in, of de ouderlingen niet bij de propositie moesten zijn. Antw. ja, zoowel bij de propositie van die uit de school komen, als van die niet gestudeerd hebben.
De consideratie, dat de weg van studie de regelmatige weg was

|56|

en het belang der kerken leidde na de vrijheid tot de oprichting van de Leidsche Universiteit, 1575. Het buiten het land gaan was steeds het grote bezwaar voor studie geweest. Toch was er in het begin nog groot gebrek aan predikanten. Daarom is ook in de Synode van ’74 na de vrijheid de zaak ter sprake gekomen (art. 21). De bepaling staat nog in de K.O.
Door een classe van Holland was de vraag ingebracht: hoe te handelen met degenen, die niet gestudeerd hadden. Onbekend is van wie de vraag kwam.
De Synode besloot (een schrijffout sloop in met het woordje „niet”): Men zou zien 1e op godzaligheid en ootmoedigheid, want dit eenzelfde kenmerk. Uit den ootmoedigheid bleek de godzaligheid. Men moest zich niet verheffen 2e op gave van welsprekendheid. Ze behoefden daarom geen oratoren te zijn, maar ze moesten zich juist kunnen uitdrukken, goede volzinnen en goede gedachtengang. 3e goed verstand en discretie, gave des onderscheids d.w.z. goed begrijpen. Verstand, helder inzicht om een zaak spoedig te vatten. Juist onderscheiden tusschen waarheid en dwaling. Deze drie eigenschappen zien niet op verkregen bekwaamheid of kennis, maar op gave door God geschonken of in natuurlijken aanleg of door geestelijke genade.
In 1574 klaagde men vooral over ongeoefende predikanten, waarom men ketterij vreesde. Daarom in art. 21 een omtuining gemaakt.
Bedoeling was niet: directe toelating van hen die gaven hadden, maar uitsluiting van hen die ze niet hadden.
In 1578 kwam de zaak niet meer ter sprake. Art. 49 staat in verband met proposities van studenten. In ’81 werd ook gesproken van de niet-gestudeerden. Er was een vraag ingekomen, een gravamen van de kerken van Zuid-Holland, of het geraden was veel Duitsche predikanten in den dienst te stellen, die de goede auteuren niet kunnen lezen, zonder voorgaande exercitie.
De Synode antwoordde niet. Het antwoord ligt trouwens voor de hand.
In 1586 is er niet afzonderlijk gehandeld over de niet-gestudeerden. De acta zijn verloren. Alleen is over wat op de K.O. betrekking heeft en enkele particuliere vragen.
Art. 18. Hier schijnt te volgen uit het woord „eenigen” dat men ook dacht aan niet-gestudeerden, want er is sprake van een bereid worden door de propositiën. Ze moeten eerst wettelijk geëxamineerd. Tot zolang de propositie privaat en binnenshuis.
„In de kerken daar meer bekwame predikanten zijn, zal men ’t gebruik der propositiën aanstellen om door zulke oefeningen eenigen tot den dienst des Woords te bereiden.” Aldus het begin van het artikel.
In 1619 is er een gravamen ingebracht. Notulen van de 158ste sessie 14 Mei, „over de bevordering van ongeletterden tot den dienst des Woords.” De Post-acta zijn oorspronkelijk in ’t Latijn geschreven. Idiotae = niet-gestudeerden.
Gehoord zijn daarover de praeadviezen van de verschillende

|57|

colleges in wier handen ze gesteld werden, d.w.z. colleges van deputaten uit de provinciën en college van professoren.
Besloten is, wat in de officiële notulen staat, 159 sessie no. 4. Ons art. 8 komt er als vertaling niet geheel mee overeen. Het Latijnsche is wat uitvoeriger, b.v. die zich niet toegeleid hebben op Talen, vrije Kunsten en Theologie. In ’t Hollandsch niet-gestudeerden. Geoefend worden in het maken en voordragen van preken. In ’t Holl. in ’t privé proponeeren.
Deze bepaling van de Dordtsche Synode is een verzwaring der eischen voor de ongestudeerden of eene vermeerdering van waarborg tegen toelating van ongeschikten.
De drie soorten van gaven 1574 bleven gehandhaafd.
Er kwam bij 1e dat niet de Classe alleen, maar ook de Synode zou moeten oordelen.
Si synodo placeat. De classen waren wel eens wat te faciel. Men kon niet op doorzicht van alle classe rekenen. Nu werd het recht van veto aan de Synode toegekend.
2e kwam er bij: voordat de classe ze in het privé oefende, zou eerst een onderzoek naar de gaven geschieden. Dus het onderzoek in tweeën gesplitst.
3e niet alleen de gaven van ’74 gehandhaafd, maar het moesten ook singularia dona zijn.
De singuliere gaven moeten niet bij de andere bijkomen, want dan is niet aan te wijzen, wat voor soort gaven het dan wel zijn moeten. Het moet verstaan als algemene uitdruking ziende op de volgende speciale bepalingen, nl. godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid.
De gaven van ’74 moesten dus niet in gewone, maar in singuliere mate gevonden worden. Singulier = wat maar bij enkelen gevonden wordt.
Men hield dus in 1619 de deur open voor ongestudeerden. Die deur mag nooit gesloten, omdat het Gode behaagt soortgelijk inzicht in de Schrift en gaven om de gemeente te leiden, als Hij anders door studie schenkt, ook aan sommigen buiten studie te geven.
De kerk moet die gaven in haar belang gebruiken. Die singuliere gaven heeft, staat niet boven den ander, maar hij staat onder den weg van studie, omdat er altijd veel aan zijn kennis ontbreken moet. Er zijn metterdaad predikanten, die door God rechtstreeks zijn gevormd en door studie, doch studie staat hooger.
Die singuliere gaven heeft gaat studeeren en blijft studeeren en minacht de studie niet. De geschiedenis leert dit, dat singuliere mannen hard studeeren.
Voetius teekent aan, dat in ’t algemeen die singuliere gaven hebben, als ze nog jong zijn, moeten gaan studeeren, want dan hebben de kerken er nog meer aan. Het wenschelijkst is beide vereenigd: èn gaven èn studie.

|58|

De classe moet de zaak van singuliere gaven bij de Synode brengen. Niet lichtvaardig maar met bericht van kerkeraad. Dit kon geschieden voor de prov. synode, de nat. synode en deputaten van de synode, maar de synode moet in alle gevallen oordeelen.

De manier waarop kerkelijk met zoodanige personen, die zich aanmelden gehandeld zal worden.
Uit art. 8 blijkt, dat als zulke personen zich presenteeren, allereerst de classe iets doen moet, nl. examineeren.
Of ze zich zelf moeten presenteeren of door een ander gepresenteerd worden, is in het artikel niet beslist uitgemaakt. De uitdrukking brengt mee, dat ze zich zelf presenteeren, niet dat zij zeggen: wij hebben singuliere gaven, want dit geen ootmoedigheid. Maar ze moeten zich presenteeren, wanneer ze meenen geroepen te zijn tot den dienst van God. Ze spreken dan uit: wij zouden gaarne in den dienst van des Woords komen. Ze vragen juist aan de kerken om te onderzoeken of ze singuliere gaven hebben.
Ze moeten zich zelf presenteeren, omdat men zelf innerlijken drang moet gevoelen. De begeerte moet van hen zelf uitgaan.
Tot de classe moeten zij zich wenden door middel van den kerkeraad. Daarom moeten zij zich eerst tot den kerkeraad wenden, met verzoek hen aan de classe voor te dragen. Dan een getuigenis der kerk er bij.
Iemand met singuliere gaven moet de classe eerst examineeren, indien de synode het goedvindt, d.w.z. het is niet geheel aan de classe overgelaten te beslissen over singuliere gaven, maar de synode doet dit.
Zulk onderzoek is niet gemakkelijk. Tot de provinciale synode komt de zaak door de classe.
2 manieren: 1e Onderzoek door de Classe met deputaten van de synode met recht van veto, of door de synode in volle vergadering.
Beide manieren in gebruik.
Het eerste onderzoek betreft niet kennis, maar aanleg, de singuliere gaven uit ’t artikel. Blijkt aan de synode, dat de gaven er zijn, dan zal de classe dien persoon gelegenheid geven tot studie, want gewoonlijk hapert aan de kennis het een en het ander. Daarom in ’t privé proponeeren. De Classe wijst dan iemand aan om hem bij zijn studie te leiden, want er is methode noodig.
Wanneer een tijdlang, justum aliquod tempus, een persoon geoefend is, dan heeft het tweede examen plaats. Een soort praeparatoir examen zonder deputaten synodi. De classe moet dan beslissen. Dan kan de classe hem beroepbaar stellen als proponent, of oordeelen, dat de kennis niet genoeg is.
Vroeger werden zulke personen gebruikt als ziekentroosters, krankenbezoekers, schepenbezoekers. Of ook, dat hij in ’t geheel ongeschikt is en dan afwijzen.
Dit is de beteekenis van de woorden: en dan voorts met hem handelen, als zij oordeelen zal stichtelijk te wezen. In de practijk is dit artikel doorgaans zoo toegepast.

|59|

Cf. Handb. v.d. Synode van Holland en de Dissertatie van Dr. H.H. Kuyper.
In Zuid-Holland was, voor zoo iemand proponent werd een dubbel onderzoek gebruikelijk over gaven en kennis. Noodig is het niet.
Welke kennis aanwezig moet zijn, staat niet in het artikel. De K.O. bepaalt zoo weinig mogelijk. De classe moet dit zelf bepalen.
Uitlegging, Geloofsleer, Zedekunde, Schriftkennis, Liturgische vakken, Kerkrecht en eenige kennis van Kerkgeschiedenis, Controvers tegen ketterijen liggen in den aard der zaak.
In den eersten tijd na 1619 zijn de meeste dienaren des Woords volgens art. 8 in onze kerken aangenomen. Toen was er gebrek aan predikanten. Veel Arminiaansche predikanten waren ontslagen en vele krankbezoekers waren er in de steden, die de Gereformeerden gesteund hadden en met hen de vervolging leden. Dit werd in aanmerking genomen en het examen ging gemakkelijk. Een enkele keer staat in de motieven die ijver genoemd.
Daarna hield het gebrek op. In de loop van de 17e eeuw is het getal der mannen van art. 8 verminderd. In enkele plaatsen hield het artikel op te werken.
In Friesland werd reeds in 1656 op de prov. synode het voorstel gedaan, voortaan geheel geen ongestudeerde personen toe te laten. Men kan van hen geen geheelen dienst verwachten, geen bekwaamheid en de predikantenstand zinkt ineen. Die het geld kostte, komen achter en de studie in geringschatting.
Dit is een eenzijdige redeneering, want de mannen van art. 8 bleven studeeren en zijn de uitnemendste predikanten geweest en bovendien het stond in de K.O.
In Friesland niet de redactie van 1619, maar die van 1586. Doch ook daarin kwam het voor in art. 18.
Verder werden op deze wijze de gaven Gods over het hoofd gezien.
Dit voorstel van Franeker en Sneek is dan ook niet aangenomen, maar de regel gesteld om ceteris paribus aan gestudeerden den voorrang te geven.
Er waren vijf Universiteiten, Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker, Harderwijk en te veel studenten; zoo lag het in den aard der maak dat het aantal art. 8 mannen verminderde. De nood der kerken heeft grooten invloed op art. 8.
Voetius: in den regel is het goed de mannen van singuliere gaven nog aan de studie te zetten en ze voort te helpen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 9

Nieuwelingen.

Art. IX. Nieuwelingen, Mispriesters, Monniken en die anderszins eenige sekte verlaten, zullen niet toegelaten worden tot den kerkdienst, dan met groote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij ook eenen zekeren tijd eerst wel beproefd zijn.

|60|

Art. 9 handelt ook over toelating en wel over toelating tot den dienst des Woords van die in de Roomsche kerk, in sekte gediend hadden of uit eene sekte pas overkwamen.
Op grote voorzichtigheid wordt aangedrongen. Dit artikel is afkomstig van 1574. Toen is over dat punt het eerst gehandeld. Art. 20.
Voor 1573, voor de vrijheid, was er geen groote aandrang van dezulken. Het kwam voor, maar niet vaak en die in zware vervolging den dienst des Woords bij de Gereformeerden bekleedden, meenden het ernstig. Voor dien tijd behoefde er dus niet over geraadpleegd.
Na de vrijheid deed het geval zich echter dikwijls voor. Veel monniken en papen hingen de huik naar den wind; zonder het te meenen waren zij Geref. Van hen had men grooten last. Alleen om de stoffelijke voordeelen waren zij bij de Geref. aangesloten. Het volk reformeeren konden zijn niet. Ook bestond er gevaar, dat door hun toedoen ketterij zou toenemen.
Art. 20 van de redactie van ’74 bepaalt: Die monniken of papen geweest zijn, moeten voor zij toegelaten worden tot den dienst des Woords eerst door de classis geëxamineerd zijn naar deze proeven:
1e zij zullen de leer des Pausdoms verzaken.
2e zij zullen hun beroeping (vocatie) verzaken.
3e zij zullen de rechte leer bekennen en zich der discipline onderwerpen.
4e zal in hen de gave van bekwamelijk te spreken en te leren wezen (welgeoefendheid).
5e zal men ze eerst wel in ootmoedigheid en lijdzaamheid oefenen.
Synode 1578 art. 2.
Hier de redactie wat verkort. De zaak uitgebreid tot die uit een sekte kwamen, nl. de sekte der Wederdoopers.
Onderzoek over zuiverheid, standvastigheid (bestendigheid in de leer) en oprechtigheid. Daarover bestond veel twijfel.
Synode 1581 art. 4. Het art. over nieuwelingen ingevoegd bij het artikel tot toelating tot den dienst des Woords.
„Wel verstaande dat Nieuwelingen, Mispriesters, Monniken en die anderszins eenige sekten verlaten hebben, niet zullen toegelaten worden, voordat ze ettelijke maanden lang beproefd zijn.”
In de particuliere zaken dier Synode is er ook over gehandeld. Zie korte notulen.
In de particuliere vragen komt een gravamen voor uit Overijssel, hoe te handelen met papen die zich reformeeren, wanneer men geen tijd heeft tot opschorting. In Gelderland ditzelfde ook.
In vele plaatsen toch lieten de pastoors zich reformeeren zonder het te weten. Men durfde deze pastoors niet laten studeeren en opschorten opdat de Roomsche magistraat geen nieuwe aanstelde.
De Synode antwoordde: geduld oefenen, in dien tusschentijd op hen werken om te studeeren om daarna geëxamineerd te worden.

|61|

De beschouwing was, dat zij verkeerd werkten (ten dienste van het Pausdom) en uit onkunde het ambt niet goed konden bedienen, maar toch dat zij van Christus geroepen konden zijn.
Die roeping werd nog toegegeven, maar tegelijk volgehouden, dat ze schismatisch en sektarisch zijn. Hun doop erkend.
In ’t eerst verlangde men van zulk een persoon: de band met Rome doorsnijden, mis nalaten, catechismus preeken, eerlijk leven en concubine trouwen.
Naderhand werden de eischen strenger.
In de redactie van ’86 evenals van ’81 daarover geen artikel, maar de zaak ingevoegd in art. 4. In 1619 kwam er een apart artikel, art. 9. In Spanje en Italië komt de noodzakelijkheid der voorzichtigheid, waartoe in ’81 en ’86 werd aangemaand, veel uit, want daar kwamen veel monniken over. Om ze tot de kerk toe te laten, moest men ze niet terugstooten, maar ze mochten niet spoedig toegelaten tot den kerkedienst. Want bij onkunde, dwaling en onoprechtigheid des levens is het gevaar niet zoo groot als zij alleen tot het Avondmaal zijn toegelaten, dan wanneer zij ook tot den dienst des Woords gemachtigd zijn.
Met art. 9 sluiten de artikelen over de toelating.

***

Artt. 3-9 hoe men in den dienst des Woords komt door beroeping.
10-15 over den band tusschen dienaar en kerk.
16-17 over het werk van den dienaar.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 10

Toelating des dienstes.

Art. X. Een dienaar eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente waar hij zonder conditie aangenomen is, niet verlaten, om elders eene beroeping aan te nemen, zonder bewilliging des kerkeraads met de diakenen en diegenen die te voren in dienst van Ouderlingschap en Diakenschap geweest zijn (mitsgaders die van den Magistraat) en met voorweten van de classe, gelijk ook geene andere kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijke getuigenis zijne afscheids van de kerk en classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

Art. 10-15 handelen over den band van den dienaar des Woords met de kerk die hem riep.
Over de wijze waarop die band van weerszijden kan verbroken en hoe die band toch blijft werken, ook al wordt de dienaar van zijn dienst ontslagen.

De dienaar is verbonden aan de kerk zoodat hij niet eigenmachtig door eigen keuze de gemeente verlaten mag.
„Zonder conditie” wil zeggen, dat in de 16e eeuw zeer dikwijls beroeping met conditie geschiedde door de

|62|

tijdsomstandigheden. De condities betroffen den band met de gemeenten.
In de vervolging waren er veel vluchtelingen-kerken in het buitenland. De beroepen predikanten stelden nu de conditie, indien er in Nederland vrijheid kwam, verlof te hebben tot terugkeer. Dus ze zouden niet voorgoed aan de buitenlandsche kerk verbonden zijn.
Die conditie werd zeer goed geacht. Ze was noodig voor de eventueele vrijheid. En hoe was er anders aan predikanten te komen. Op deze wijze werd het aangemoedigd de beroeping niet voor vast aan te nemen.
De troebelen van na 1572 waren reden voor die conditie.
In Friesland werden de Spanjaarden baas. In Holland was daarentegen vrijheid. Zo werden in Holland Friesche predikanten geplaatst met conditie terug te mogen keeren als Friesland vrij werd.
Dit artikel stelt dus, dat een dienaar zich niet voor goed aan een gemeente verbindt. Bij de conditie mocht een dienaar de gemeente wel verlaten zonder toestemming.
In de 17e en 18e eeuw kwamen geen condities meer voor.
Het artikel handelt alleen over beroepen zonder conditie. Die uitdrukking is nu een slapende uitdrukking geworden.

Verlaten” in de beteekenis van de 16e en 17e eeuw niet = relinquere, maar zooals ook in de Schrift in act. beteekenis = laten varen. Een man mag zijn vrouw niet verlaten = verstooten. Die zin blijkt uit art. 11. De kerkeraad en de gemeente mogen ook den dienaar niet verstooten. Relinquere zou onzin zijn. Een man en een dienaar mogen natuurlijk op reis gaan.

Om elders een beroeping aan te nemen.”
Soms is het voorgesteld, dat de dienaar eerst van kerk en classe bewilliging moet hebben om een beroeping aan te nemen. Dit is niet zoo.
Aanneming van een beroeping is nog geen volle aanneming, maar voorwaardelijke aanneming onder conditie, dat kerk en classe hem vrij laten en approbeeren.
Hier
is bedoeld volle aanneming van beroeping, is gelijk aan naar elders vertrekken.
De kerkeraad moet toestemming geven uit kracht van den band en wel de kerkeraad met diakenen = breede kerkeraad.

En diegenen, die tevoren in dienst van Ouderlingschap en Diakenschap geweest zijn”, dient om willekeur van kleine kringen te voorkomen, om den dienaar te waarborgen, dat de geheele gemeente zich uitspreekt.
Ook omdat de kerkeraad bij beroeping ook diakenen insluit, oud-ouderlingen en diakenen om zedelijk gewicht aan het besluit van den kerkeraad bij te zetten, b.v. in de kerk van Den Haag.
In de praktijk is die bepaling zeer weinig opgevolgd. Ze is eene slapende bepaling geworden en door het gewoonterecht afgeschaft. Een bepaling van een kerkorde kan op non-activiteit komen. Afschaffing door gewoonterecht doet het beroep op een K.O.

|63|

vervallen.
Ook is de bewilliging van den Magistraat vervallen door de veranderde houding van kerk en staat. Daaraan is niet veel waarde gehecht, zooals blijkt uit ’t slot van het artikel. Op bewilliging van kerk en classe komt het vooral aan.
Het geheele artikel is in de 16e en 17e eeuw zeer stipt gehandhaafd. Eerst in de vorige eeuw is men wat lakser geworden. De dienaren des Woords hebben toen meer vrijheid voor zich genomen.
In onze eeuw is bijna beschouwing, dat de bewilliging van kerkeraad en classe eene formaliteit is en dat die gegeven moet worden als de dienaar des Woords aangenomen heeft en zijn beroeping geapprobeerd is.
Toch staat het in de Kerkenorde.
Die vrijheid hangt samen met de collegiale beschouwing. Is de dienaar aan ’t geheel der kerken verbonden en subsidiair aan eene plaatselijke kerk, dan doet het er niet veel toe. Bij een genootschap past dit artikel niet, wel in de K.O. waar een dienaar verbonden is aan het geheel der kerken doordat hij verbonden is aan een plaatselijke kerk.

Ook doet zich voor de vraag:
wat er gedaan moet worden als een dienaar het conditioneel aanneemt en de kerkeraad bewilliging weigert?
Dit is geen denkbeeldig geval, maar is vaak in de 16e, 17e en 18e eeuw voorgekomen bij invloedrijke kerken, b.v. bij beroeping van Amsterdam. De notulenboeken en lijsten van predikanten uit die eeuwen melden zulks telkens. Daaruit is de gewoonte ontstaan om bij beroeping een deputatie te zenden naar de plaats van den beroepen dienaar tot zijne loslating. Zeer dikwijls baatte dit ook niet. Dan ontstond er conflict. De oplossing lag in het kerkverband. De zaak werd voor de classe gebracht, waartoe de dienaar behoorde.
De roepende kerk stelde daar de behoefte voor en de gemeente bracht hiertegen bezwaren in. De classe oordeelde, tenzij men zich beriep op de provinciale synode van de provincie waar de dienaar woonde.
Bij dit beroep op de meerdere vergadering is in den regel de beroeping toegestaan.
De kerken gingen nogal egoistisch te werk. Dit laat zich begrijpen. Gevolg zou anders zijn, dat goede dienaars altijd in hun eerste gemeente bleven en dat groote gemeenten de minste dienaars kregen. Daarom werd niet te veel toegegeven aan het eigenbelang van den kerkeraad. Naar den zin van den dienaar werd niet gevraagd. Hij was in dienst der kerk. Dikwijls liet de dienaar het van het oordeel afhangen.

Wettelijk getuigenis”. Hij moest er eerlijk en goed vandaan komen. De Consulent van de gemeente, waar hij bevestigd moest, moest daarop toezien. Immers de geroepen dienaar kon wel afgezet zijn.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 11

|64|

Onderhoud der Diensten.

Art. XI. Aan de andere zijde zal de Kerkeraad als representeerende de gemeente ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en zonder kennis en oordeel der classe niet verlaten; dewelke ook bij gebrek van onderhoud, zal oordeelen of de voorschreven Dienaars te verzetten zijn of niet.

Art. 11. De band is wederkeerig. Ook de kerkeraad is gebonden aan den dienaar en is gehouden voor behoorlijk onderhoud te zorgen. De kerkerad wordt voor traktement verantwoordelijk gesteld als orgaan der gemeente. Dit sluit niet uit, dat de kerkeraad dit door anderen doet. In de 16e, 17e, 18e eeuw deed hij dit door van den staat uit de geestelijke goederen en staatskas bezoldiging te vragen. Dit is de oorsprong van het handopening vragen. Bij kleinere plaatsen geschiedde de aanvraag dan door de classe.
De kerkeraad moest zorgen dat die aanvraag geschiedde.
Of ook door onderhoud van Kerkvoogden te vragen, die de kerkelijke goederen administreerden.

Voor 1572 ging dit anders.
Synode van 1571. De kerkeraden en classes zouden door contributiën uit de kerken en vluchtelingen-kerken de traktementen geven. Na de vrijheid stelde de Overheid de goederen ter beschikking. Het beginsel blijft, dat de kerkeraad verantwoordelijk is. Het is niet verboden een dienaar zonder traktement te beroepen. Een kerk kan zeer arm zijn en een dienaar, die zelf rijk is, zal dan zonder traktement willen zijn.
Men kan geen vast traktement stellen voor iedere plaats. In de K.O. is sprake van „behoorlijk onderhoud”. Dit is ook volgens de Schrift. De arbeiders moeten kunnen leven, zonder zuchten hun arbeid verrichten. Hierin ligt, dat niet voor iedereen evenveel traktement noodig is. Traktement, verschillend naar de behoefte, is in overeenstemming met de H. Schrift, en met de K.O. Met betrekking tot de grootte van een gezin kan men een bepaalde som stellen en die later vermeerderen. De bepaling van kindergeld dagteekent reeds van vroeger, b.v. ƒ. 25,— per kind.
De kerkeraad mag niet unilateraal zonder oordeel van de classe dienaren afzetten. Dus geen willekeur van den kerkeraad.
Men kan een dienaar verzetten, als de kerk arm is.
De classe, het beroep approbeerend, is niet aansprakelijk voor traktement. De classe in ’t geheel niet, want het traktement is voor verrichten dienst aan de kerk. De classe zal niet voorzien, maar oordeelen of de dienaar vrijheid heeft zonder bewilliging van den kerkeraad heen te gaan, als de kerk haar belofte ten opzichte van het traktement niet nakomt.
Hierin staat niet, dat de kerkeraad den dienaar los mag laten zonder eigen bewilliging. Bij den dienaar komt het op de classe aan. De classe beslist daarin.
Kerkeraad en kerkedienaar mogen niet met onderling goedvinden

|65|

zonder oordeel der classe de band breken. De band aan den kerkedienst is levenslang.
Schijnbaar is er een soort geestelijke stand, alsof er een soort ordening was en inklevende waardigheid in den persoon. Bij Rome het character indelebilis. Dit is hier niet de bedoeling van art. XII.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 12

Bij de gemeente blijven.

Art. XII. Dewijl een dienaar des Woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn leven aan den kerkedienst verbonden is, zoo zal hem niet geoorloofd zijn, zich tot eene anderen staat des levens te begeven: tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de Classe kennisnemen en oordeelen zal.

Reeds is opgemerkt, dat de band levenslang is en hoe er schijnbaar een geestelijke stand is, alsof er een soort ordening bestond en een inklevende waardigheid in den persoon. Doch het character indelebilis van Rome is niet de bedoeling van dit artikel.
Met toestemming van de classe mag de dienaar wel een anderen staat des levens kiezen.
Vroeger was het artikel anders en nog duidelijker geformuleerd. Art. 7 van de acta van 1578. Hier deze bepaling het eerst.
Niet wordt hier gesteld een levenslange verbintenis aan den staat van dienaar des Woords, maar aan een bepaalde kerk. De roeping van een dienaar des Woords is onbepaald. Zoolang die kerk duurt, mag de dienaar er niet af. Een ouderling of diaken wordt niet levenslang benoemd.
Redactie 1581 art. 6. Levenslang, d.w.z. zoolang de gemeente, die hij dient, bestaat.
Hier wordt dus bepaald gesproken van den band met de plaatselijke kerk.
Dienst des Woords vereischt den geheelen mens. Een ouderling of diaken heeft nog maatschappelijke betrekking. Levenslang ligt daarom niet in het character indelebilis, maar in den aard van den dienst des Woords.
Verder is er sprake van verandering des levens, positie, waardoor iemand ophoudt dienaar des Woords te zijn, niet waarbij hij dienaar des Woords kan blijven. Het onderstelt, dat hij dan buiten den kerkedienst staat en dus zijn bevoegdheid verloren heeft. Bijv. wordt hij koopman en staatsdienaar, dan oordeelt de classe en kan de classe hem losmaken van de kerk.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 13

Emeriti.

Zoo het geschiedt, dat eenige dienaars door ouderdom,

|66|

ziekte of anderszins onbekwaam wordt en tot uitoefening huns Dienstes, zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere en den naam eens dienaars behouden, en van de Kerk die zij gediend hebben, eerlijk in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en wezen der Dienaren in ’t gemeen) verzorgd worden.

Art. 13. De dienaar wordt niet losgemaakt van den dienst des Woords, maar van eene bepaalde kerk.
Reeds in 1578 is een bepaling gemaakt voor ’t geval dat een dienaar zijn dienst niet meer kon waarnemen in art. 7. Hier alleen gesproken van onbekwaamheid door ouderdom of ziekte. In art. 11 redactie 1581 komt hetzelfde voor.
In 1586 werd het artikel geformuleerd, zooals het ook thans nog bestaat. Erbij gevoegd werd „of anderszins”.
De bedoeling is ook niet alleen te spreken van het geval, dat een dienaar des Woords op is, afgewerkt is, niet meer kan dienen. Daarom die bijvoeging „of anderszins”.

De uitdrukking emeritus wordt niet gebruikt. Toch is het een technische term geworden, die in classicale en provinciale regelingen zeer gewoon is. Men heeft niet gedacht aan iemand die niets doen kan. Emeritus = uitgediend. In ’t Latijn vooral van den krijgsdienst gezegd. Emeritus = iemand die den tijd van het leger uitgediend heeft. Hij was dus niet meer tot krijgsdienst verbonden, hetgeen niet zeggen wil, dat ze hem niet vrijstond. Er was altijd nog een band met het leger. Ze waren niet op, maar in de kracht van het leven, alleen hun diensttijd was om.
Emeritus wil zeggen: van alles uitgediend zijn, waar toch de band bestaan bleef. Het kan niet gezegd van iemand, die van zijn ambt zelf los werd gemaakt.
Men kan niet spreken van emeritus-burgemeester, minister, rechter, want bij hen had niet alleen ontslag plaats van dienstwerk, maar ook losmaking van ambt.
Ook geen sprake van emeritus-ouderling of diaken, want die staan dan niet meer in ambtelijke betrekking.
Wel kan men spreken van oud-burgemeester etc. Bij Hooger Onderwijs werd een Hoogleraar emeritus, omdat de band bleef.
Cf. art. 14: „den dienst voor een tijd onderlaten”. Kan niet zien op menschen die niet meer kunnen.

Doorgaans zal een dienaar geen ontslag vragen en zal dit niet toegekend worden, als hij nog kan dienen. Daarom denkt men bij een emeritus-dienaar in de eerste plaats aan gebrek en zwakte, maar ’t ligt niet in ’t woord zelf. Ze worden niet van het ambt zelf ontslagen.
Dit ook in art. 7, 1578. „Zoo zullen ze nochtans desniettemin de eere en den naam eens dienaars behouden.”
Bij emeritusverklaring werd de uitdrukking gevoegd salvo honore. Ze is niet nader in de K.O. ontwikkeld. Ze zijn dus nog werkelijk

|67|

dienaars, want zij hebben den naam van het ambt behouden.
Naam = karakter. Eere wil niet zeggen: om zijn vroeger werk geëerd worden. Geen eervol ontslag dus, want dit ziet op het verleden, maar hier ziet de eere op de toekomst, dus met de erkentenis dat hij vroeger zijn dienst met eere vervulde.
De eere bestaat hierin, dat hij zijn rechten en bevoegdheden behoudt.

In de K.O. wordt dit niet uitdrukkelijk gezegd, want de kerken definieerden het in plaatselijke, classicale en provinciale regelingen.
Vrij algemeen werd het opgevat aldus:
Wel ontslag van dienstwerk, maar niet met verlies van bevoegdheid, niet met ontslag van den band, die hem met de kerken verbond.
De K.O. sprak dit niet duidelijk en onbewimpeld uit.
De classe van Zutphen en de Veluwe oordeelden anders. Een emeritus werd niet bevoegd geacht, tenzij hij een vernieuwde roeping ontving.
In alle andere classen oordeelde men, dat de roeping nog bestaan bleef.
Of in plaatselijke regelingen werd door kerken, of in classicale regelingen werd door classes de bepaling opgenomen, dat een emeritus zijn bevoegdheid behield. Hij bleef lid van den kerkeraad en had stem op de classe. Sommige classes stipuleerden, dat de kerk dit moest uitspreken.
In andere classe hadden zij alleen adviseerende stem, in de meeste concludeerende stem.
In de steden werden de emeriti beschouwd als op hun plaats te blijven. In Amsterdam hielden de emeriti hun plaats op de ranglijst. Moeilijkheid ontstond er in de dorpen, dat de oude dienaar te veel te zeggen kreeg, dus paus was geworden. Werd hij emeritus verklaard, dan was het moeilijk tegenover hem zelfstandig te staan. Als hij altijd aanwezig was, dan was de kerkeraad niet vrij. Bij dorpen moest daarom de kerk zelf willen, dat de emeritus concludeerende stem in de vergadering had en daar komen mocht. Hij moest in de plaats wonen.
De kerkenordening wordt dus verklaard door de nadere regelingen en door de geschiedenis der gevallen.

Emeritusverklaring ook van personen, die in actieve dienst bleven.
Vooral in de provincie Holland waren volgens de besluiten der Synoden alle predikanten boven 60 jaar emeritus en tegelijk dienstdoende; emeritus voor een bepaald deel van dienst, nl. legerdienst (veldpredikers). Dit was vermoeiende en lastige dienst. Ze werden met betrekking tot dat deel van dienst daarom emeritus verklaard.
Hieruit volgt niet, dat iedere dienaar emeritus moet verklaard, d.w.z. eer en naam behoudt; ook niet dat een emeritus die eer en naam niet verliezen kan.

|68|

Dit artikel is te beschouwen in verband met art. twaalf „overgang tot een anderen staat des levens”.
Vraagt iemand emeritaat aan, dan moet de kerk en de classe onderzoeken of het gegeven kan worden. Het zou kunnen gebeuren, dat een dienaar des Woords tot ongeloof verviel, verwereldlijkte en ontslag vroeg voor wereldsche broodwinning. Dan kan hij niet emeritus verklaard.
Een emeritus verklaarde zou ook een betrekking kunnen gaan bekleeden, dan moet hij van het ambt ontslagen.
Emeritus is men dus eerst na verklaring van den kerkeraad. Iemand, die in staatsdienst overgaat, kan geen emeritus dienaar zijn. Zijn toestand moet zoo zijn, dat hij nog aan dienst verbonden kan blijven.

Drukfout kerken. In ’t oorspronkelijke staat kerke. Redactie ’86, art. XI „van die kerke (sing.) die zij gediend hebben.”
Evenzoo redactie ’81, art. XI „zoo zal het der gemeente toestaan.”
De Lat. vertaling en die der Fransche kerken heeft ook sing. Het zou moeilijk gaan om door alle kerken, die men diende, onderhouden te worden. Moeilijker nog, dat de classe daarvoor moet zorgen volgens kerkverband.
De emeritus blijft verbonden aan de kerk, dus de kerk is voor het onderhoud aansprakelijk. Hoeveel hangt af van de omstandigheden. De eisch der Schrift is, dat de nooddruft vervuld wordt. Er staat niets bij, hoe de kerk dit doen moet.

Redactie 1581, dat de kerk daarvoor zorgen moet, door te zorgen, dat hem ex bonis publicis zooveel toegelegd worde, daarop hij de reste zijns levens eerlijk en bekwamelijk door komen moge, dus sumptibus publicis.
De Publieke goederen stonden onder publieke administratie = overheidskas, staatskas. Evenals traktement waren er ook pensioenen. De Overheid weigerde daarom dikwijls emeritaat toe te kennen. Tot onze eeuw was dit het werk van de Overheid.
De kerkeraad en de classe keurden de emeritaatsverklaring door de Overheid dus goed, nadat ze die eerst aan de overheid gevraagd hadden, opdat de Overheid den emeritus zijn traktement zou laten behouden, en een ander traktement als nieuw traktement er bij geven.
De Overheid verklaarde dikwijls niet emeritus. Ze gaf dan liever subsidie voor een hulpprediker, zooals in Amsterdam.
Op dorpen ging dit ook veel zuiniger. Daar nam men een ongetrouwden hulpprediker, die bij den emeritus ging inwonen. Deze regeling was zoo kwaad niet, als er maar genoeg proponenten waren. Voor een jongmensch was dit geen kwade oefenschool.

Kleine gemeenten kunnen niet twee traktementen betalen. Dan doet de gemeente wat ze kan en helpen de kerken van de classe, of provincie of de gezamenlijke kerken. Ook zou een algemeene kas kunnen.
Dit is wel eenvoudiger en gemakkelijker voor de kerk en classe,

|69|

maar er zijn groote bezwaren aan verbonden.
1e dat dan de band van de kerk met den dienaar losser wordt.
2e dat er dan een centrale kas in ’t leven geroepen wordt, waarbij een centraal bestuur komt, dat spoedig te veel te zeggen heeft.
Het bestaan van centrale kassen leidt vanzelf tot het minder worden van de vrijheid der plaatselijke kerken en tot het insluipen van hiërarchie. Het is dus tegen het beginsel van Geref. kerkrecht. Ditzelfde geldt van weduwen en wezen.
Allereerst is dit roeping van de plaatselijke kerk. In groote kerken moet men er bijtijds voor zorgen. In kleine kerken komen emeriti niet vaak voor.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 14

Nalaten van den dienst.

Art. XIV. Zoo eenige dienaars om de voorschreven of eenige andere oorzaken hunnen dienst voor eenen tijd onderlaten moesten, 't welk zonder advies des kerkeraads niet geschieden zal, zoo zullen zij nochtans ten allen tijde de beroeping der gemeente onderworpen zijn en blijven.

In art. 14 sprake van dienaars, die tot dienstwerk onbekwaam zijn „voor een tijd” door langdurige ziekte of andere oorzaken.
In de 16e en 17e eeuw waren in de Zuid.-Nederlanden de oorzaken: vervolgingen en vijandelijke invallen aan de grenzen, ook wel zendingen buitenslands. Men weet niet of die beletselen voor een bepaalden tijd zijn, want bij bepaalden tijd helpt de classe.
Dienst onderlaten” = tijdelijk emeritus worden, aan den kerkeraad om tijdelijk ontslag vragen.
De dienaar mag het zelf niet bepalen, maar hij is verbonden aan de kerk, waarom hij het aan den kerkeraad vragen moet.

In 1578 kwam dit artikel in de K.O. hoewel in ander verband (art. 7). Ook daarin is grondgedachte, dat de dienaar verbonden is aan zijn dienst en zich niet eigenmachtig onttrekken kan.
Hij is bij tijdelijk ontslag dan van zijn ambt niet los. De roeping van zijn kerk blijft doorwerken. Houden de beletselen op en een kerk beroept hem, dan mag hij niet zeggen buiten dienst te zijn. Het staat aan de kerk met beroep voor den dienaar op de meerdere vergadering.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 15

Elders prediken.

XV. Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner kerk onderlatende, of in geenen zekeren dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der Synode of Classe. Gelijk ook niemand in eene andere

|70|

Kerk eenige predicatie zal mogen doen, of Sacramenten bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads.

In art. 15 twee dingen:
1e Men kan niet zijn reizend predikant. Men moet aan een bepaalde kerk verbonden zijn.
2e Men is voor dienst in eigen kerk gerechtigd maar in een andere kerk door bewilliging van den kerkeraad daarvan.

Die bepaling staat enigszins in de 1e redactie van de K.O. van 1571, althans wat het 2e deel van het artikel betreft, art. 17.
Het duidelijkst in art. 7 van de redactie van ’78. „Het en betaamt ook niemand van d’eene plaats tot d’ander te reizen om te prediken, dewijle het Ambt der Apostelen en Evangelisten voor langen tijd in de gemeente Gods opgehouden heeft.”
Het motief dus erbij, dat zoodanig prediken wel vroeger in de kerk een ambt was, maar dan van apostelen en evangelisten en deze ambten zijn buitengewoon en dus tijdelijk. De Apostelen zijn voor alle kerken geroepen. Evenzoo zijn de evangelisten niet voor een bepaalde kerk.
Onder invloed van Frankrijk en Zwitserland is een evangelist iemand, die over het evangelie preekt, maar kerkelijk was het een bepaald ambt in de kerk, het naast komend aan het apostelambt, een dienst om kerken te stichten, te organiseeren en toezicht op de kerken te houden. De Evangelisten waren helpers der Apostelen. De Apostelen waren onmiddellijk, door den H. Geest, de Evangelisten middellijk door de Apostelen geroepen. Deze beschouwing komt uit in de vragen, die gesteld zijn. Cf. Voetius.

Of de Evangelisten onfeilbaar zijn, of een Evangelist boven of gelijk met een dienaar des Woords staat. Natuurlijk staat hij er boven.
Bij manier van spreken, zegt Voetius, kan men zeggen, deze of die vervult het ambt van Evangelist, b.v. Calvijn, Voetius, toen hij in Den Bosch eene kerk moest organiseeren.
Men stelde, dat die ambten opgehouden waren. Daarom kunnen er geen personen zijn, die reizen zonder aan een bepaalde kerk verbonden te zijn.

Buiten consent en autoriteit der Synode of Classe.”
Er is ook een dienst des Woords, die niet aan een bepaalde kerk verbonden kan zijn b.v. in de Zuidelijke Nederlanden lieten de vervolgingen der kruiskerken dit niet toe. Ze waren dus niet aan een bepaalde kerk, maar wel aan een bepaalden dienst verbonden. De roeping ontvingen ze van een aantal kerken samen, een classe of synode om voor de kerken in die streken te

|71|

gaan arbeiden. De classen van Zeeland waren aangewezen voor den dienst in België. De roeping daartoe kwam van die classen.
Naar hetzelfde beginsel kan geen roeping uitgaan van Heidenen en Mahomedanen. Die roeping moet komen van kerken, die iemand roepen om onder de heidenen te arbeiden.
In de 17e en 18e eeuw werd dit door classen gedaan, door Amsterdam en Walcheren, die met de Oost het meest correspondentie hadden. Door die classen geschiedde examen, onderzoek en roeping.
’t Beginsel was, er moet kerkelijke roeping zijn, niet in ’t algemeen, maar met aanwijzing waartoe.
Dit artikel is gericht tegen de loopers, die verwarring in de kerk brachten. Sommige kunnen wel tot zegen zijn, maar de zaak is verkeerd. Succes beslist niet over zuiverheid van beginsel. En het beginsel is, dat er orde moet zijn.
Een dienaar des Woords is niet geroepen tot de gezamenlijke kerken, maar bij andere kerken preekt hij met toestemming van den kerkeraad. Radicaal heeft hij. Door misvatting heeft men wel gedacht, dat de bewilliging moest gegeven worden door den kerkeraad waarbij de dienaar dient. Dit kan niet. Wel zou een predikant verlof kunnen vragen om uit zijn gemeente te gaan. Maar dit staat niet in de K.O. Het zou denkbaar zijn, doch dit is de bedoeling niet.
Dit artikel reeds in de redactie van 1571, art. 17. Illius ecclesiae. Latere redactie: van den kerkeraad.

De vraag is: wie heeft over den dienst des Woords in eene kerk iets te zeggen? Gevraagd is er, of een dienaar des Woords niet een ander mag laten preeken zonder dit aan de kerkeraad te vragen en of hij mag ruilen. Antw. Neen, dat mag niet.
Een andere vraag is, of dit altoos formeel moet worden verzocht. Dit zou onpractisch zijn, als er altijd kerkeraadsvergaderingen voor gehouden moest worden.
Feitelijk is aangenomen, dat de kerkeraad die bewilliging stilzwijgend geeft. Dit kan de kerkeraad later intrekken, b.v. zooals geschied is in den Arminiaanschen strijd. Cf. Amsterdam in de 17e eeuw, waar een Arminiaan voor een orthodoxen predikant preekte. De kerkeraad kwam er later tegen op. In den eersten tijd mocht zonder zijn goedkeuring door zes deputaten niemand van buiten preeken.
In beginsel blijft het een recht van den kerkeraad. Weigert de kerkeraad toestemming, dan moet tegen zulk een dienaar kerkelijk gehandeld en hij gezuiverd van verdenking of kerkelijke tucht toegepast ter wille van het kerkverband.

***

Artt. 16, 17. Over der dienaren ambt en gelijkheid.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 16

|72|

Der dienaren ambt.

Art. XVI. Der dienaren ambt is in de gebeden en bediening des Woords aan te houden, de Sacramenten uit te reiken, op hunne medebroeders, Ouderlingen en Diakenen, mitsgaders de Gemeente goede acht te nemen ten laatste met de ouderlingen de kerkelijke discipline en te bezorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede.

Art. 16, 17 over hun ambt = werkzaamheid, waartoe zij geroepen zijn uit kracht van hun dienst, niet-waardigheid en dienst zelf.
In de 16 en 17e komt ’t woord ambt alzoo (metterdaad) voor. Cf. Woordenboek, formulier van bevestiging.
Ambt beteekent dus werkzaamheid.

Waardigheid heeft in de K.O. niet het ambt maar de dienst.
Wij zouden zeggen ambtelijk werk.

Redactie 1574 art. 55. Hier een besluit omtrent het ambt der Dienaren des Woords met betrekking tot ziekenbezoek.
In 1581 art. 8. Het ambt der dienaren des Woords betreft: de openbare gebeden, bediening des Woords en der Sacramenten, kerkelijke discipline met ouderlingen samen.
In 1586 kwam het tegenwoordige artikel onzer K.O., waarbij het ambt van de dienaar des Woords betrekking heeft op de openbare gebeden, bediening des Woords en der Sacramenten, opzicht op Gemeente, Ouderlingen en diakenen, kerkelijke discipline met ouderlingen saam en leiding en bestuur der Gemeente.
Die zaken komen ook voor in de stipulatie in het formulier van bevestiging.
Hoe ’t ambt te bedienen hoort in de liturgische vakken thuis. Hier alleen de Kerkrechtelijke behandeling en geen pastoraal.

Vraag: of anderen die aan den dienaar tot hulp zijn de gebeden niet kunnen doen?
Synode van Dordt 1574. Vraag van de classe Voorne of anderen als hulp kranken mogen bezoeken.
De Synode besloot in artt. 55, 56 dat kranken bezoeken het ambt der dienaren des Woords is en dat het gevaarlijk is zekere personen daartoe aan te stellen. Wel mogen ouderlingen en diakenen helpen. De dienaar des Woords moet daarbij bidden. Dus een krankenbezoekers als zodanig. De reden, waarom ’t gevaarlijk is, ligt hierin, dat men krankenbezoekers moeilijk qualificeeren kon. Dit zou wanorde brengen. Ook konden ze invloeden en macht tot scheuring krijgen.
Toch zijn spoedig in groote kerken krankenbezoekers gebruikt. Dit was onvermijdelijk, want er waren te weinig dienaren des Woords. Bij de uitbreiding der kerken door de toevoer uit het Zuiden konden de predikanten en ouderlingen het niet af. Ook waren er nog gasthuizen en gevangenissen. Toen zijn de ziekentroosters aangesteld, die ook in de gasthuizen en gevangenissen dienden. Zij kregen het dagelijksch bezoek en onderwijs. Ze waren behulpsels voor de dienaren des Woords. Later werden ze ook voor de schepen gebruikt.
De predikanten hadden de dienst des Woords,

|73|

b.v. voorbereiding bij ter dood veroordeelden.
De Ziekentroosters werden onderzocht door den Kerkeraad.
In de Arminiaansche twisten stonden er veel Geref. krankenbezoekers tegenover de Arminiaansche predikanten.
Op zichzelf kan een krankenbezoeker bestaan. Toch was het te wenschen geweest, dat de kerken ze konden missen. Het ideaal is dat er genoeg predikanten aanwezig zijn en dus de kinderen genoeg onderwijs aan hunne school kregen, want de krankenbezoekers catechiseerden ook. De financieele draagkracht was ook te weinig. En de ouderlingen hadden er ook niet altijd tijd voor.

Opmerkelijk is, dat in dit artikel niet van Catechiseeren gesproken wordt, omdat dit vanzelf in de bediening des Woords begrepen ligt.
De dienaar bedient het Woord in de kerk, in de huizen en bij het huwelijk. De bedoeling is niet om de catechisatie uit te sluiten.
Catechisatie in de 16e en 17e eeuw was bepaald Dienst des Woords in het openbaar. Tot onze eeuw geschiedde dit zoo in Vlissingen. In de Kerk was er een ouderling bij.
Private catechisatie werd er gehouden voor die niet publiek konden en wilden, b.v. voor de kinderen der aanzienlijken. Dit was een verkeerd beginsel. Zoo belijdenis in ’t openbaar. De catechisatie was eene kerkelijke zaak. In Vlissingen liep het om 7 predikanten. Een predikant was er eenige maanden de catecheet. Zoo werd het niet een naloopen van den een of anderen predikant, maar een zaak vanwege de kerk.
Allengs zijn de private catechisaties in gebruik gekomen.
In onze eeuw b.v. in ’t geheel geen openbare catechisatie meer, maar alleen private.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 17

Gelijkheid.

Art. XVII. Onder de Dienaren des Woords zal gelijkheid gehouden worden aangaande de lasten huns dienstes, mitsgaders ook in andere dingen, zooveel mogelijk is, volgens het oordeel des kerkeraads, en (dies van noode zijnde) der Classe; hetwelk ook in de Ouderlingen en Diakenen te onderhouden is.

Hoofdzaak is, dat er gelijkheid onder de dienaren des Woords moet zijn aangaande hun werk. Noodzakelijk vloeit dit voort uit ’t grondbeginsel van de kerkinrichting, dat geen dienaar over een anderen heerschappij zal hebben. Cf. art. 81.
Redactie van 71 art. 1: „Geen kerk zal over een ander Kerke, geen Dienaar des Woords, geen Ouderling noch Diaken zal d’een over d’ander heerschappije voeren, maar een yegelijk sal hen voor alle suspicien en aanlokkingen, om te heerschappijen wagten”.
De gelijkheid van alle dienaren snijdt hiërarchie af, ook gelijkheid in lasten van dienst.

|74|

Bij hiërarchie is het werk van aartsbisschop, bisschop en pastoor verschillend en is er vrijstelling van werk in trappen of graden.
Dit art. komt alleen te pas in kerken waar meer dan één dienaar is.
Het artikel wil niet zeggen, dat de dienaren in de verschillende gelijke lasten hebben, want dit gaat niet, maar wel de dienaren van een bepaalde kerk, betreffende dienst des Woords en der Sacramenten, catechisatie, huis- en krankenbezoek, kerkregeering en commissoriale lasten etc.
Aan een dienaar mag geen dubbele beurt opgelegd of ook mag hij niet enkel beroepen om te preeken. Niet dezelfde dienaar moet alles doen.
In groote kerken is er daarom een regeling van predikbeurten, van bediening der Sacramenten, van catechisatie en pastoraal werk.
Mitsgaders ook in andere dingenziet vooral op het traktement. Daarin mag ook geen onderscheid zijn. Doch er staat bij: „zooveel mogelijk is”. ’t Spreekt vanzelf dat men de lasten van den dienst niet op een goudschaal kan afwegen, zoodat ieder precies evenveel krijgt. Ook kunnen er omstandigheden zijn, die volkomen gelijkheid onmogelijk maken, mits bij uitzondering er maar weer gelijkheid is. In groote steden b.v. wordt aan den ouderen predikant eenige ontheffing van werk gegeven b.v. ontslag van der predikbeurten. Het is toch dikwijls niet mogelijk een zwakke hetzelfde als de anderen te laten doen. ’t Gaat niet aan hem dan emeritus te verklaren.
Een dergelijke bepaling geldt dan weer gelijkelijk voor alle ouden.
De wijken kunnen ook niet precies afgedeeld. De oudste dienaren kiezen het eerst en krijgen de gemakkelijkste, maar dit is dan algemeene regel, waarvan ieder op zijn beurt profiteert. Daarom brengt het geen ongelijkheid aan.
Evenzoo kregen de oudsten vroeger toelagen.
Al deze bepalingen doen aan art. 17 niet te kort, want daarin wordt relatieve gelijkheid bedoeld.
In academiesteden was een hoogleraar beroepen tot de dienst des Woords, met vrijstelling van catechisatie en pastoraal werk en met een heele predikbeurt. Hij kon de volle dienst niet dragen. Dus het moest zoo wel geregeld. Deze ongelijkheid kwam weer allen ten goede.
Zulke ongelijkheid werd bij Synodaal besluit ingevoerd. In Holland werd een predikant na het 60ste jaar emeritus verklaard in legerdienst.
Dit kwam ook weer allen ten goede.
Zelfs heeft men verder willen gaan dan het artikel en gevraagd of de last der diensten van deputatie naar een meerdere vergadering ook bij toerbeurt moest omgaan. Dit kwam op de Synode van ’81 ter sprake. Aldus is niet besloten. Het komt aan op geschiktheid. En dit is buitengewoon werk voor den dienaar des Woords. In de Gemeente moet voor alle dingen wel toerbeurt bestaan.

Wie zorgt voor de instandhouding van de gelijkheid? Hoe en door wie moet de regeling gemaakt?

|75|

Er is wel gezegd, dat de dienaren des Woords dit zelf onder elkander moeten doen. Er is wel stelsel van gemaakt, dat de gezamenlijke dienaren van een groote kerk kerkrechtelijk te beschouwen zijn als één dienaar, dat zij een ministerie vormen dat, kerkrechtelijk naar buiten optreedt, als één dienaar op een dorp, en dat in den bossen dier eenheid de gansche quaestie van verdeeling moet opgelost. Die beschouwing is onjuist. Een ministerie van predikanten is geen kerkelijke eenheid volgens Geref. Kerkrecht. In de K.O. is dit ministerie onder de kerkelijke vergaderingen niet opgenomen. Kerkrechtelijk kent men alleen dienaren des Woords als individuele personen. De beschouwing van Ministerie steunt op een onjuiste grondslag en wordt in art. 17 zelf afgesneden, door de woorden „volgens het oordeel den Kerkeraads en (dies van noode zijnde) der Classe.”
De Kerkeraad moet den dienst van den dienaar des Woords regelen en zorgen voor gelijkheid van lasten. Hij kan advies vragen aan de dienaren des Woords, wat zij het best achten en het liefst wenschen. Bepaalde de kerkeraad iets anders, dan zou dit dwaas zijn. De kerkeraad moet met ’t advies rekenen, ook al ligt de beslissing aan hen. Bij quaestie en strijd zou altijd de beslissing van den kerkeraad gevraagd, gezocht en gegeven worden en de dienaren des Woords zich moeten onderwerpen. In de praktijk heeft de kerkeraad veel zaken aan de dienaren des Woords overgelaten en niet zelf bepalingen gemaakt, als de dienaren des Woords reeds schikkingen gemaakt hadden b.v. verdeeling van preekbeurten. Een rooster is in groote kerk altijd door dienaren des Woords gemaakt. Formeel mag de kerkeraad het veranderen, maar zonder bepaalde redenen is het niet verstandig. De kerkeraad bemoeit er zich alleen mee bij quaestie.

En van de Classe.” Uit zichzelf is dit niet absoluut. De classe heeft er niets over te zeggen. Maar als in den kerkeraad zelf moeilijkheid komt, dan is de hulp van genabuurde kerken noodig en is het eene zaak geworden, die de plaatselijke kerk niet afkan en behoort het onder art. 30. Dit is de bedoeling van de woorden „dies van noode zijnde”. Op zichzelf is het niet nodig.

Slot: „hetwelk ook in ouderlingen en diakenen te onderhouden is.”
In deze artikelen is meer opgenomen, wat van Predikanten, ouderlingen en diakenen geldt, ofschoon het thuis hoort bij Ouderlingen en Diakenen. Dit is gedaan om herhaling te voorkomen.
Het wil zeggen, dat ieder ouderling geroepen is tot het werk der ouderlingen in art. 23 omschreven en ieder diaken tot het werk der diakenen uit art. 25. Niet mag een ouderling of diaken van een deel van het werk vrijgesteld of de een boven de ander verheven. Toch sluit het evenals bij predikanten niet uit ook ten opzichte van ouderlingen en diakenen ontheffing van eenig werk. Bijv. diakenen worden vrijgesteld van collecteeren. Bij diakenen is er verschillend soort van werk, b.v. boekhouden. Daarin bestaat geen gelijkheid van dienst. Hiervoor een afzonderlijke

|76|

commissie benoemd, wat aan de gelijkheid niets te kort doet.
De regeling daarvan staat ook aan den kerkeraad. Een afzonderlijk college van ouderlingen onder den naam vanpresbyterie” zooals in Amsterdam, is niet Gereformeerd. De ouderlingen mogen wel saamkomen en een kerkeraad zal niet willekeurig hun regeling wijzen, maar formeel heeft de kerkeraad toch dat recht.
Diaconale vergadering kent de K.O., maar de regeling geeft zij niet. Zij laat die aan diakenen zelf over, welke daarna aan de goedkeuring van den kerkeraad moet onderworpen.

Met deze artikelen is afgehandeld, wat betrekking heeft op den dienst van den Dienaar des Woords.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 18

Doctoren en Professoren.

Art. XVIII. Het ambt der doctoren of professoren in de Theologie is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere Leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan.

De tweede dienst in art. 2 genoemd, is die der Doctoren. Daaraan verbindt de K.O. ook de bepaling omtrent de opleiding tot den dienst des Woords, en omtrent het schoolonderwijs of de zoogenaamde lagere scholen, omdat dit hierbij het best kon ingesloten.

In vroegere redacties was over scholen zeer opzettelijk en afzonderlijk gehandeld.
Redactie 1574. Een vrij uitvoerig besluit „Van de Scholen” in art. 22 door de provinciale Synode vastgesteld, over reformatie en inrichting der scholen, en een aantal punten vastgesteld, die de kerken aan de Overheid zouden voorhouden.
Er was geen sprake van kerkelijke scholen, maar wel van kerkelijke bemoeiing om de jeugd tot godzaligheid op te leiden.
In de redactie van 1578 is dit alles saamgetrokken tot één artikel (47). De kerken moeten arbeiden opdat er goede scholen zijn met Christelijke opleiding.
Redactie 1581 art. 12.
Te Middelburg is nog meer gedaan. Daar zijn ook deputaten benoemd om de besluiten der Synode te effecteeren en om bij die er iets aan konden doen, te bewerken, dat de scholen in goeden staat gesteld werden. De instructie is nog over. Ze zouden arbeiden bij de Professoren van de Universiteit te Leiden.
Dit had vooral betrekking op de lagere scholen.
De kerken der 16e eeuw drongen aan op Geref. Schoolmeesters met behoorlijk salaris. Nooit was bij hen de gedachte zelve scholen op te richten, wel dat de Overheid of de heer van een plaats of dorp dit doen zou en dan aan de kerk toezicht daarop geven.
In 1586 werd er in denzelfden geest besloten en ontstonden de artikelen die er nu nog zijn. Bij Leicester drong men er op aan, dat de Overheid aldus zou handelen.

|77|

Art. 18 handelt over Doctores of Professores in de Theologie.
Gevraagd of die twee woorden hetzelfde beteekenen, zooals „of” aanduidt. Of alle doctoren in de theologie ook professoren in de theologie zijn en wat het kerkelijk ambt betreft, of professoren de doctoren uit de K.O. zijn.
Blijkbaar is dit artikel te verstaan uit den tijd, zooals die toen was. Er is niet uit af te leiden, dat elke professor per se in de Geref. kerken als staande in het ambt van Doctor ecclesiae erkend wordt, evenmin als alle Doctoren Doctores ecclessiae zijn.
Dit kon wel gezegd in de 16e en 17e eeuw, toen aan alle Universiteiten de Geref. religie grondslag was. Alle professoren in de theologie waren aan de Geref. belijdenis verbonden. Te Leiden was dit niet formeel zoo, maar na 1619 is het door de kerk daar aldus geworden.
Uitgewerkt is de positie van Doctores en Professores niet. Alleen dit korte artikel gemaakt. Juist over de positie was toen nog strijd met de Staten van Holland en kon op deze synode niet veel bepaald worden.
Voorts is het ambt van doctores in de kerk niet helder uitgewerkt. In de K.O. komt wel het ambt voor. In de belijdenis is maar van drie ambten sprake. Het ambt van Doctor behoort tot de zuivere leer, behoeft in de belijdenis daarom niet opzettelijk genoemd te worden en kan in de belijdenis onder den dienst des Woords gerekend worden.
In het begin drukten allen zich niet beslist uit. De vraag deed zich voor of Doctoren en Hoogleeraren met dienaren des Woords te vereenzelvigen zijn. Sommigen zeggen: het is een afzonderlijk ambt. Deze mening is in onze kerken praedomineerend. Anderen zeiden weer: elke dienaar des Woords is Doctor ecclesiae.
Daarop is dus verschillend geantwoord.
Over het geheel is de dienst van doctoren in de Geref. kerken lang niet zoo be- en omschreven als die der predikanten, ouderlingen en diakenen, wat wel meest daaraan ligt, dat men bij het ambt van de Doctores ook onmiddellijk in aanraking komt met de wetenschap en de academies, die als zoodanig niet waren inrichtingen, die in vollen zin kerkelijke inrichtingen konden zijn; en ouderlingen en diakenen en predikanten ten allen tijde in elke kerk noodig waren en dit waren de doctoren niet voor elke kerk.
Hieruit laat zich verklaren, waarom het ambt van doctoren in de Geref. kerken niet zoo ontwikkeld is. Men bouwde het op hetgeen door Calvijn gezegd was, doch bij hem was het ook nog niet zoo bijzonder omschreven. In de Institutie wordt pas in de derde editie gesproken van het ambt der doctores met verwijzing naar Efze 4.
Ze hebben dus niet anders te doen, dan uitleggen der Schrift tot bewaring van zuiverheid der leer, dus geen pastoraal of tucht. Doch een dienaar des Woords moet ook doen wat een doctor doet, nl. in algemeenen zin, een doctor doet dit in gansch bijzonderen zin. De doctoren moeten dan de ketterijen bestrijden en personen opleiden tot den dienst des Woords. Maar hij erkent dat de grenslijn tusschen pastor en doctor dikwijls moeilijk te trekken is.

|78|

En zoo bleef het ook in de kerken.
We vinden over de doctores in de eerste redactie der K.O. geen bepalingen, ook niet in die van 1578. Wel vonden we daar art. 50-52, bepalingen aangaande de professoren in de theologie, die dus op de synode als doctoren beschouwd werden. De Synode van ’81 heeft die bepalingen er weer uitgelicht en overgebracht naar de particuliere vragen en alleen met een algemeene uitdrukking over professoren gesproken in art. 12. Waarschijnlijk is hier bedoeld voorlopig hooger onderwijs, doch duidelijk is dit artikel niet over „professores”.
In de redactie van 1581 art. 13 werd het artikel zooals het nu nog is, met een klein onderscheid, nl. dat er geen „of professoren” in staat.
In 1586 art. 16 werd het eenigszins veranderd: „doctores of professoren”. In 1581 art. 13 doctores en professoren (art. 12). In 1619 is dit artikel gebleven.
Toen werden beide ambten dus vereenzelvigd. Men had toen alleen te doen met Gereformeerde Stichtingen, met een theologische faculteit, waarvan de professoren aan de belijdenis gebonden waren. In die vereenzelvigen lag dus, dat de kerken op het onderwijs der professoren een rechtstreeks toezicht zouden mogen en moeten houden. Was het een kerkelijk ambt mede, dan zouden de kerken ook recht van benoeming hebben. En in de 17e eeuw bemoeiden de kerken zich daar sterk mede, vooral toen Arminius beweerde, dat hij alleen met de curatoren te doen had.
Vandaar, dat de Z.-Hollandsche Synode zich in 1608 sterk bezig hield met de positie der professoren en wilde: 1e. dat de beroeping van professoren zou geschieden met advies der Synode. 2e. dat hun niet zou toegestaan worden problematisch te onderwijzen. 3e. dat de professoren rekenschap zouden geven van hunne leer aan de Synode en dat zij zich dan ook aan het oordeel der Synode zouden onderwerpen.
De Dordtsche Synode 1619 nam deze punten over met een kleine wijziging.
Tevens stelde deze synode eens formule van onderteekening op. Over dit alles viel op de synode veel voor. Het slot was, dat wat de Dordtsche Synode wilde, niet gedaan is gekregen. De hoofdoorzaak was, dat de Staten van Holland dan ook wilden, dat de professoren dan ook lid zouden zijn van de provinciale synoden, doch in Dordt wilde men hun wel toestaan lid te zijn van de nationale en van de provinciale synoden, wanneer deze laatste in de academiestad werd gehouden. Een provinciale synode werd nl. elk oogenblik gehouden en dat zou dan gevaar kunnen opleveren.
In den tegenwoordigen tijd kan er geen sprake zijn van het vereenzelvigen van alle professoren met doctoren. Het onderwijs toch werd losgemaakt van elke confessioneelen grondslag met de kerken. Het kan dus ook nog maar alleen daar waar een band is in de belijdenis. Thans dus zijn alleen die professoren ook doctores ecclesiae wanneer ze door de

|79|

kerken benoemd zijn of als zoodanig door de kerken erkend worden.
Voorts blijft gelden, dat het dan een bijzonderen dienst is, die niet te vereenzelvigen is met dien van herder en leeraar.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 19

Studenten.

Art. XIX. De gemeenten zullen arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar (ex bonis publicis) onderhouden worden.

Art. 19 handelt over de opleiding van studenten in de Theologie.

Dit artikel is wat den inhoud aangaat, reeds van veel vroeger dagteekening. Omdat er zeer groot gebrek was aan dienaren des Woords en de opleiding tijd en geld kostte, moest er in den beginne voor gezorgd, dat die opleiding plaats had. Men heeft dit in ’t eerst in navolging van Bern, Zürich en Londen veelal gedaan trachten te krijgen door zoogenaamde proposities, practische oefeningen, maar tevens zag men in, dat dit nog maar een gebrekkig middel was. A Lasco liet hen daarom ook in Londen reeds studeren en dan ging men later dikwijls nog naar Heidelberg. Doch daar dit veel geld kostte, bond de samenkomst van Wezel deze zaak reeds des kerken op het hart. Art. 1.
In 1571 te Emden kwam het weer ter sprake in art. 37. Overal, waar dan een vluchtelingenkerk was, zou men een of meer studenten moeten onderhouden en dan zouden ze later het recht hebben, dat die student die kerk, waarvan hij een voedsterling was, zou dienen.
Een andere manier van handelen kon pas bedacht, toen in 1572 de vrijheid gekomen was, toen de kerkelijke goederen aan de Gereformeerden bleven en de kloosters werden afgeschaft. Toen is bepaald dat die goederen ook zouden moeten dienen tot onderhoud voor de studenten.
De toestand veranderde met 1572 toen de vrijheid kwam in Holland en Zeeland en daarna in de andere provinciën. Bij het doordringen der Reformatie en aannemen der Reformatie door de Overheid kwamen kerkelijke en pastorie-goederen vanzelf ten bate der Gereformeerden of ze bleven evenals vroeger ten bate der kerk en harer dienaren bestemd, maar niet voor de verbasterde en bezoedelde, maar voor de gezuiverde, voor de Geref. kerk. De eigenaar bleef dezelfde. Van ziek was hij gezond geworden.
Ook waren er andere goederen waarvan niet gezegd kon, dat ze voor een bepaald doel bestemd bleven. In een gezuiverde kerk mochten geen kloosters met goederen zijn. Dit gold ook van inkomsten, gemaakt met het doel om daarvoor missen te lezen. Ook waren er goederen voor opleiding in kapittel- en kloosterscholen, die vervielen, omdat de kerk zelf zulk onderwijs niet gaf. De goederen moesten nu bestemd tot een doel zoo na mogelijk aan het oorspronkelijke. De zeer rijke kloostergoederen werden tot ’s lands defensie gebruikt als tot bescherming van de religie. De meeste werden besteed tot het onderwijs, tot stichting van scholen, ook

|80|

ten bate van de kerk en tot ondersteuning van studenten in de theologie.
Toen de Overheid Gereformeerd was, lag voor de hand, dat ondersteuning van de Overheid gevraagd werd.
Op de synode van 1574 was dit punt door de Walchersche classe ter sprake gebracht, om den Prins om eene Hoogeschool te verzoeken.
Daaraan is aanstonds de gedachte verbonden van ondersteuning van studenten door steden en consistoriën. De steden moesten dit doen uit de klooster- en geestelijke goederen zonder bestemming.
In 1574 kwam er niets van. De stichting van de Leidsche Academie had eerst later plaats. Nat. Syn. 1578. Art. 48. Door de overheid of andere particuliere personen moesten studenten ondersteund.
Midd. 1581, liet „particuliere personen” glippen. Art. 14, „alleen door de Overheid.”
Dezelfde redactie in 1586, art. 17. Evenzoo in 1619, art. 19.
Qui sumptibus publicia alantur, nl. door de Overheid.
Publiek tegenover privaat, wat vanwege de Overheid geschiedt. Bona publica staan tegenover de bona privata van particuliere personen.
Ex bonis publicis = uit de Staatskas, uit eene kas, waarover de Overheid beschikt.
Van 1581 af hielden de kerken er op aan. Ditzelfde komt voor in de instructie vanwege de Middelburgsche Synode aan Lydius en Damius om met de professoren te Leiden te handelen. Deze handelde over lagere scholen, ondersteuning van studenten (punt 7) en Hoogeschool en instelling van stipendiaten door de steden. Iedere stad zou te Leiden een paar studenten ter schole leggen. De Zeeuwsche kerken sloegen voor dat iedere provincie in Leiden haar collegium en hospitium zou hebben, voor betere orde, maar vooral ter ondersteuning.
Vreemd is, dat de uitdrukking in de K.O. in ’t Latijn staat: ex bonis publicis. Waarschijnlijk omdat het kort en duidelijk is.
Het Hollandsche „uit de Staatskas” moest omschreven of uit goederen, waarover de Overheid te beschikken heeft.
In de 16e eeuw was men aan vreemde uitdrukkingen meer gewoon. Alle vreemde uitdrukkingen behoeven niet vermeden. Geen purisme op kerkelijk gebied in K.O. en kerkelijke stukken.
Bij het purisme bedacht men niet, dat men komen zou tot onverstaanbaar Hollandsch. Hooft was ook purist. Generaal, majoor en ingenieur te vertalen door algemeene, meerdere en vernufteling is onzin.
Consulent = raadgever, maar die vanwege de kerken gesteld is. Synode = vergadering, maar der kerken van zekere uitgebreidheid. Dit geldt van alle woorden. Het zijn geen vreemde woorden of bastaard woorden. Een genaturaliseerd Franschman is Nederlander geworden. Geen algemeene regel mag gesteld, dat de vreemde woorden

|81|

uit de kerkenordening weg moeten. Dit geldt niet van „ex bonis publicis”. Want dit is thans zoo niet meer, of men zou moeten stellen, dat eigenlijk de Overheid studenten moet onderhouden. De uitdrukking is nu niet meer juist. Tegenwoordig is het ex bonis privatis, door collecten. De zaak blijft belang der gemeente.
De wijze waarop is niet omschreven. Er is velerlei manier. De gemeente kan bij particuliere personen aandringen, ’t kan het werk zijn van eene vereeniging ad hoc of comité, ’t kan ook formeel door de kerken zelf geschieden. Dit laatste is het meest in den zin van het artikel. De kerken kunnen elk weer op zichzelf werken of wel classicaal samenwerken of ook provinciaal of generaal.
Naar Geref. beginsel is altijd decentralisatie te verkiezen boven centralisatie.
De plaatselijke kerk is basis. Eerst moet gevraagd of die het kan doen. Plaatselijke kerken kunnen het bijna nooit. De zaak is beter classicaal te regelen, maar deze kunnen soms ook niet. Op ’t oogenblik is de overweging verkieslijk om ’t provinciaal te doen. Bij classicale regeling geldt niet strikt de regel, dat men toeziet op aanleg en gaven. Men moet goede studenten krijgen. Provinciale regeling biedt meer waarborg. Beide kan evenwel geschieden.
Ondersteuning moet alleen plaats hebben als er bijzonder goede hope is. Ook hangt het af van de dringende behoefte.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 20

Propositiën.

Art. XX. In de kerken, waar meer bekwame predikanten zijn, zal men het gebruik der Propositiën aanstellen, om door zulke oefeningen eenigen tot den Dienst des Woords te bereiden, volgende in deze de orde daarvan, bij deze Synode specialijk gesteld.

Art. 20 handelt over de propositiën.
Over dit punt is van het begin der Reformatie af in de Geref. kerken veel te doen geweest.
Cf. Dr. H.H. Kuyper’s Dissertatie.
De propositiën in de Geref. kerken, hoe ook vaak onderscheiden, zijn altijd geweest eene oefening door ’t houden van stichtelijke reden onder toezicht van den kerkeraad om zich bekwaam te maken voor den dienst des Woords. Ze bestonden in het voordragen van een stichtelijke toespraak ter uitlegging van een deel der Schrift om door critiek der hoorders onderwezen te worden.
Eerst stond dit in verband met de profetie = samenkomst van de dienaren des Woords met de gemeente ter bespreking van Schrift en preek. Zoo had de profetie plaats in Zürich (Zwingli), Bern, Genéve (congregatie) en in de Ned. vluchtelingenkerken, b.v. onder leiding van a Lasco in Londen.
In de profetie moet onderscheiden tusschen wat dient 1e voor

|82|

opleiding (Gr., Lat. en Hebr. onderwijs), 2e tot stichting van het volk, 3e tot onderwijzing van en tot critiek op predikanten. Ook de profetie diende tot vorming van dienaren des Woords.
In de eerste jaren van de Reformatie in Nederland moest wel zoo in de opleiding voor den dienst des Woords voorzien worden, omdat er geen andere weg was dan buitenslands studeeren in Genève en in Heidelberg, zoolang de Paltz Gereformeerd was. Dit was bezwaarlijk. En de behoefte aan dienaren des Woords was groot. Zoo kwamen profetie en propositie in zwang. In ’t begin zijn daarvoor veel bepalingen gemaakt in classicale en provinciale acta en werd ook op de generale synoden op de zaak gelet.

Redactie 1571, art. 52. Propositiones privates habere .... de quibus spes bona est. De propositie dus ingesteld om gevormd te worden tot den dienst des Woords.
In de grotere kerken zou een dienaar des Woords presideeren om critiek te oefenen. In kleinere kerken ging dit moeilijk. De dienaar daar was er soms weinig voor geschikt. In grootere kerken werd inderdaad zoo gehandeld.
Redactie 1578 art. 49.
Dit art. van ’71 gebleven met een niet onbelangrijke wijziging. Hier volgt het op de bepaling van onderhouding van studenten (art. 48). De propositie gehandhaafd, maar toepasselijk verklaard op gemeenten waar studenten in de theologie zijn en wel bedoeld studenten van Leiden. De oefening moet zijn in Leiden en thuis gedurende de vacantie.
Ook kan het zien op plaatsen, die nog komen zouden, b.v. Franeker. Ook is niet uitgesloten, het proponeeren van diegenen, die niet aan een Universiteit studeerden. Het proponeeren dat in Emden nader bepaald werd, doelde daarop, want een Universiteit was er nog niet.
Toen de vrijheid kwam in ’72 en in Holland de Leidsche Academie was opgericht, traden de propositiën op de achtergrond.
Redactie ’78, art. 49, wordt bepaaldelijk van propositiën gesproken als nuttig en dienstig voor studenten in de theologie. Bedoeld zijn die aan de Academie studeeren.
Alle weken. Het proponeeren werd nu practische oefening in het preeken onder leiding van den dienaar des Woords, dus een onderdeel van voorbereiding tot den dienst des Woords.
Redactie ’81 in art. 14 is deze bepaling bestendigd. Ditzelfde in art. 18 red. ’86 met een bijvoeging. In de eerste plaats gedacht aan studenten der Universiteit, 2e ook aan ongestudeerden (tegenwoordig mannen van art. 8).
Uit de bijvoeging onderscheidde men proponeeren privatim inter parietes voor de dienaren des Woords en openbaar van den predikstoel voor de gemeenten.
Vroeger traden de proponenten niet voor de gemeente op.
Propositie heeft niet ten doel de vervulling van een beurt, heeft niet plaats om de gemeente met den proponent bekend te maken voor beroep, maar oefening van den proponent zelf.
Dit blijkt uit de bepaling, dat bij openbaar proponeeren de kerkeraad critiek zou oefenen.
In ’86 art. 18 werd bepaald, dat het proponeeren in het

|83|

openbaar alleen zou geschieden, als de proponent onderzocht was aan de Universiteit of door de classe, dus hier officiëel praeparatoir examen ingesteld opdat geen ketterij en ongeschikte personen insluipen.
Praeparatoir examen staat hier gelijk met de Universitaire examens. Men vertrouwde de Universiteit dus volkomen. Ook werd er bijgevoegd, dat ze dan nog niet in de bediening des Woords zijn en dus niet de bediening der Sacramenten hebben. Voor huwelijksbevestiging waren zij ook onbevoegd, hoewel dit geen sacrament was.
Dit artikel is in 1619 gebleven in art. 20. De bijvoeging verdween; in plaats daarvan kwamen de woorden: „volgende in deze de orde daarvan bij deze Synode specialijk gesteld.”
De beteekenis is niet duidelijk. Dordt stelde eigenlijk geen orde op proponeeren. Wel is er veel gehandeld over opleiding van predikanten en proponeeren.
Uit veel provinciën waren er gravamina de studiosis sacrae Theologiae etc. over de opleiding van dienaren des Woords.
Uit Zeeland verscheen er op de Dordtsche synode een uitvoerig stuk met veel punten, dat bij de Overheid zou worden aangedrongen om studenten op staatskosten op te leiden; dat in de academia hospitia zouden ingericht. Verder over kerkelijk toezicht over 4 of 5 jaar studietijd.
Over het verplichtend stellen van het praeparatoir examen. Dit zag op de moeilijkheden met Arminius. De candidaten zouden practisch gevormd worden, voorlezen in de kerken, meegaan bij ziekenbezoek, kerkelijke vergaderingen bijwonen en proponeeren.
In Dort werden adviezen gevraagd over de opleiding van de collegia (van de provinciën) en professoren.
De Paltz wilde gegevens uit Heidelberg meegeven. Aldaar Hospitium gelijk Collegium sapientiae.
In de 20ste sessie der synode werd besloten alleen dat proponenten niet zouden doopen als niet toegelaten tot den dienst des Woords; de andere dingen liet de synode aan de kerken over en over andere zaken en proponeeren is geen besluit genomen. Men wachtte op bericht uit Heidelberg en op pogingen van nauwe betrekking met de Leidsche Universiteit. Beide (Heidelberg en Leiden) mislukten.
Zoo is de zaak in de Dordtsche Synode blijven rusten.
De woorden uit het art. kunnen zien op de 20ste sessie.
Meer waarschijnlijk is, dat het ziet op artikel 8, waar sprake is van proposities van ongestudeerde personen en dat in art. 20 over de proposities de Dordtsche synode vooral het oog had op ongestudeerde personen en niet op de proposities van studenten.

|84|

De uitdrukking bedoelt dan, dat men art. 8 in acht zal nemen bij ongestudeerde personen.
Dan is in Dordt het proponeeren beperkt tot de niet studeerende mannen met singuliere gaven.
Feitelijk is daarna nergens het proponeeren van studenten een oefenen voor zichzelf, maar geschiedde het om te maken, dat zij bij de kerken bekend werden.
Het praeparatoir examen bleef eerst.
Dit is ook nu nog van de propositie gebleven. Enigszins geschiedt het nu nog tot oefening van aanstaande predikanten, maar proposities worden niet gehouden in groote kerken met critiek, maar in kleine kerken met absentie van predikant om de gemeente aan een beurt te helpen.

In art. 18-20 is de opleiding voor den Dienst des Woords afgehandeld.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 21

Schoolmeesters.

Art. XXI. De kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in de Catechismus onderwijzen.

Art. 21 houdt eene bepaling in omtrent de lagere scholen.
Hiermede hadden de kerken te maken niet bepaald voor den diens des Woords.
Van het begin der Reformatie af zijn de Geref. Kerken bedacht geweest op lager onderwijs.
Veel meer dan in de Roomsche kerk was er bij de Gereformeerden behoefte aan. Een Gereformeerde moest de Bijbel kunnen lezen.
In 1568 werd er ook over de scholen gesproken.
Niet veel werd daarover bepaald, want in het land waren de kerken onder het kruis, in het buitenland in de verstrooiing.
Cap. V. art. 14. De zorg en de constitutie van de scholen overgelaten aan eene toekomstige synode.
Cap. II art. 32. Op plaatsen waar scholen zijn en een Geref. meester, die in de muziek ervaren is, zal hij de kinderen psalmen zingen moeten leeren.
In 1571 is er ook niet veel over scholen bepaald, want er was nog geen vrijheid.
Artikel over classen. Caput 2 van de bijvoegselen art. 2 bij kerkelijke samenkomsten moet gevraagd of voor armen en scholen gezorgd wordt.
In 1574 meer bepaald over scholen gehandeld. De vrijheid was gekomen. Bij alle opdrachten kwam iets over scholen.
Instructie classe van den Briel art. 13.
Schoolmeester slap, onnut, papisten, Reformatie der scholen ter hand nemen.
Art. 38 dat de kosterij op veel plaatsen aan de school verbonden is. De quaestie hoe men voorzien zal wanneer kosterijen gegeven worden aan niet kerkelijke menschen.
Instructie classe van Zierikzee art. 7. Reformatie van de scholen door autoriteit van den Prins of andere wijze.
Van Walcheren art. 8.

|85|

In alle dorpen en steden waren scholen, die Roomsch geweest en onder toezicht van den pastoor hadden gestaan. Doorgaans waren er geen kerkelijke scholen. De schoolmeesters werden aangesteld door den burgemeester of heer van de plaats. Traktement kregen zij uit de kerkelijke goederen. Zij stonden onder toezicht der kerk. De meesten waren ook koster.
Lang niet allen waren met de Reformatie meegegaan. De Roomsche schoolmeesters werden niet vervolgd, maar de toestand moest veranderd.
Redactie ’74 art. 22. 6 besluiten der Synode.
Art. 22. Van de Scholen.
1. De classes zullen zorgen, op welke plaatsen scholen en schoolmeesters behoeven te wezen;
2. De classe zal onderzoek instellen naar het traktement van den schoolmeester opdat de rechte het krijgen;
3. Van de Overheid begeeren aanstelling van den Schoolmeester door de kerk en betaling van onderhoud of stipendium door de Overheid.
4. De Schoolmeesters moeten de Confessie onderteekenen, Catechismus leeren en tucht eerbiedigen.
5. Bij weigering van eenige schoolmeesters zullen de classes de Overheid bidden hen af te zetten.
6. En dan bij weigering van de Overheid een request bij de Hooge Overheid inzenden.
De Synode wil geen kerkelijke scholen. De traktementen waren laag. ƒ 30,— à ƒ 40,— per jaar plus schoolgeld der kinderen en emolumenten.
De kerken wilden tevens de scholen als hulpmiddelen van de kerken, en daarom geen Roomsche kerken meer dulden en zorgen voor vrijheid van onderwijs alleen voor Gereformeerden.
Kerkelijk toezicht begeerden ze. De scholen zouden overheidsscholen blijven. De Overheid stelde later aan en zij zette af.
Dat is wel wat onrechtvaardig, want een groot deel van Holland was nog Roomsch. Alles is den Gereformeerden dan ook niet gelukt. Vele klachten kwamen er over geheime scholen van Roomsche nonnen. In de steden werd vrijheid van onderwijs gehandhaafd.
De Synode van ’78 ging op dit spoor voort.
Art. 47. Men zal arbeiden dat de Overheid de scholen zal oprichten. De meester zal de kinderen in de Catechismus onderwijzen, ze naar de kerk leiden en op hun gedrag toezien.
De Synode van Middelburg 1581 behandelde uitvoerig de scholen met het oog op de treurige toestanden. Art. 12 en 37.
De kerk bemoeide zich vooral met de School. Zo kwam er goed onderwijs.
Te Middelburg waren een aantal gravamina ingekomen over de school van Zuid-Holland, Zeeland, Haarlem. Vluchtelingenkerk in Engeland, Overijssel. Op onderscheiden plaatsen waren er schoolmeesters die Roomsch bleven. Dat ging niet.
De Midd. Synode antwoordde met betrekking tot het onderhouden van schoolmeesters dat plaatselijk ieder doen moest wat hij kon bij Hooge en Lage Overheid.
Verscheiden personen hadden over de inkomsten van schoolmeesters te zeggen.

|86|

’t Examen geschiedde het best door de Classe. Onderzocht moest zuiverheid in geloof en geschiktheid tot dienst. Waren schoolmeesters en schoolvrouwen niet Gereformeerd, dan moest ieder doen, zooveel hij kon en bij de Overheden werken om ze buiten dienst te stellen. Toch waren de scholen niet kerkelijk.
Deputaten werden benoemd om over de Reformatie der scholen te onderhandelen met de Leidsche professoren en een concept van schoolregeling te maken, dat de hooge Overheid moest sanctioneeren en uitvaardigen. Daarvoor zijn benoemd twee predikanten: Lydius en Damius. Zoowel over hoogere als lagere scholen. De credentiebrief en instructie met artikelen ook over lagere scholen. Daarbij zijn ook de Latijnsche scholen gerekend. In alle steden moesten die Latijnsche scholen komen. De fundamenten van onderwijs en ook boeken in de instructie genoemd. Voor de scholen moesten opzieners verkozen. Op dorpen moest de Overheid aangesproken om de inkomsten voor onderwijs te bestendigen en waar die er niet waren, moest uit de kerkelijke goederen onderhoud worden verkregen.
In de K.O. werd het desbetreffende artikel geredigeerd. Zakelijk kwam er geen verandering in de redactie van ’78, wel in woorden.
Middelbaar, hooger en lager onderwijs komen in 1 artikel voor. Art. 12. Zeer kort: dat de kerken zullen toezien dat er professoren en schoolmeesters zullen zijn, dat zij niet alleen de vrije kunsten en spraken leeren, maar ook de Theologie en Catechismus en hare toehoorders en discipelen in de vreeze des Heeren onderwijzen.
Hier een algemeene regel gesteld. Met opzet zoo kort ter wille van de politieke approbatie. De pogingen van Middelburg hebben wel iets uitgewerkt, maar alleen plaatselijk, een algemeene maatregel werd niet genomen.
In 1586 kwam men op dit punt terug.
Er waren gravamina uit de provincies over het onderwijs in de scholen. Dit liet te wenschen over. Dat de scholen niet worden bevolen aan Papisten, Libertijnen en Doopers. Over de instelling en belooning van schoolmeesters en over het kinderen in de kerk brengen. De lagere scholen beschouwde men als dienende tot Seminaria studiosorum. Zoo waren ze in verband met het Hooger Onderwijs. De Haagsche Synode nam niets in de K.O. op. ’t Bleef zooals in Middelburg. Art. 19 red. ’86.
Vrij uitvoerig werd dit behandeld in een request van een der laatste zittingen voor Leicester. In dat adres aan den landvoogd worden de punten opgenoemd, waarin voorziening noodig geacht wordt. Hij moest daarin voorzien met behulp van de Algemeene Staten.
Het stuk is nog over. Was in ’t Fransch gesteld, daar Leicester geen Hollandsch kende.
Art. 4. Orde moet gesteld op de huizen van predikanten, ook van de schoolmeesters.
Art. 11. Gevraagd om op zijn gezag een schoolordening uit te vaardigen, waarvan ontwerp hierbij werd toegezonden.

|87|

Dit ontwerp is over. De landvoogd deed dit voor Utrecht (zijn residentie). Daar werd een schoolorde uitgevaardigd bijna conform aan het concept van de Synode.
Hoofdpunten:
1. Godzalige meesters.
2. Scholen alleen met advies van kerkeraad en classe en consent van Magistraat opgericht om Papisten te weren.
3. Examen.
4. Confessie of catechismus onderteekenen.
5. Verboden aan papen, monniken en secten scholen te houden.
6. De afdanking van schoolmeesters door die hem aanstelden. (Overheid of heer der plaats).
7. Inhoud van onderwijs. 10 geboden, geloofsartikelen, het Onze Vader, Formuliergebeden, catechismus. De kinderen naar de preek vragen.
8. Goed toezien op manieren en zeden.
Curatoren en opzieners noodig, te kiezen uit magistraat en kerkeraad samen.
De scholen bleven Overheidsscholen onder kerkelijk toezicht. Onderzoek door de kerk. Bij benoeming advies van den kerkeraad gevraagd. Het toezicht geheel bij de kerk. De kerk kreeg feitelijk alles te zeggen.
Dit was een practische regel om Geref. scholen te krijgen. Examen en schooltoezicht kostten niets aan de Overheid en was effectiever dan dat de Overheid zelf toezicht instelde, daar dit maar gebrekkig zou zijn. Om op de hoogte te zijn moest dat toezicht in elk dorp aanwezig zijn. En nu had juist in de dorpen de kerkeraad dat toezicht.
Feitelijk was dit in de Republiek doorgaande toestand.
In andere plaatsen kwamen gelijksoortige ordeningen als in Utrecht.
Er bleven ook wel treurige scholen met verkeerd onderwijs. Doch dit was nooit de schuld van de kerken. Maar het slechte is er ondanks de kerken en het goede is alleen van de kerken afkomstig.
In de acta veel klachten van kerken. De kerken konden protesteeren tegen de heeren, meer niet. De Dordtsche Synode 1619 liet het art. van ’81 en ’86 staan.
In het hoofdstuk over de Leer, cap. 3, komt later hun onderteekening van Confessie en leer.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 22

Ouderlingen en Diakenen.

Art. XXII. De Ouderlingen zullen door het oordeel des kerkeraads en der diakenen verkozen worden; zoodat het naar de gelegenheid van een ieder kerke vrij zal zijn zoo vele Ouderlingen als er van noode zijn aan de gemeente voor te stellen, om van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden

|88|

en stipulatiën bevestigd te worden; — of een dubbel getal, om het halve deel bij de gemeente verkozen te worden, en op dezelfde wijze in den Dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Onderdeel over de Ouderlingen Art. 22, 23, 24.
Art. 22
1. Wijze waarop ze in dienst komen. Verkiezing.
2. Approbatie van de gemeente.
3. Bevestiging met stipulatiën.
Dezelfde punten als in art. 4 voor beroeping van dienaren des Woords.
Verschil is, dat hier geen sprake is van examinatie hetgeen niet zeggen wil, dat bij de keuze van een ouderling niet moet onderzocht. Dit spreekt van zelf, maar onderscheid is er, omdat bij een dienaar des Woords te onderzoeken is naar kennis, taalstudie, geloofs- en zedeleer, kerkrecht en bij ouderlingen die kennis niet in die mate aanwezig behoeft te zijn. Men studeert voor dienst des Woords, niet voor den dienst van ouderling. Elk ontwikkeld gemeentelid heeft er bekwaamheid voor.
De onderzoeking is geheel anders en bestaat hierin, dat men nagaat hoe de broeder bekend staat in de gemeente. Ze moeten bekend zijn, daarom geen apart onderzoek.
Bij een ouderling kunnen al de eischen niet streng vastgehouden.
In de 16e eeuw is gevraagd, hoe het op te vatten is, als het getal niet vol te maken is van personen die aan alle eischen van Timotheus beantwoorden. Geantwoord is, dat men dan nemen moet die er het dichtst bij naderen. Bij de ouderlingen is in de K.O. geen formeel onderzoek voorgeschreven.

Verkiezing door kerkeraad (predd. en oudd.) en diakenen. Dat is van den beginne af aan regel in alle Geref. kerken. Het beginsel van Calvijn en Luther bleef, dat de kerkelijke macht aan de gemeente behoort, maar dat de kerkeraad het orgaan is van de gemeente. Het vermogen om te spreken behoort tot het menschelijk lichaam, maar het wordt uitgeoefend door keel en mond. Het oog alleen ziet.
Virtualiter behoort de kerkelijke macht dus bij de gemeente. Dit er bij te zeggen is niet overbodig. Het orgaan heeft met de gemeente te handelen, mag niet een zelfstandig, onafhankelijk bestuur over de gemeente voeren, maar moet zich bewust zijn orgaan te zijn.
Artikelen van Wezel. Caput 4, art. 5.
Wijze van verkiezing eveneens als bij Dienaren des Woords. De gemeente moet met den kerkeraad meewerken. Was de gemeente onbekwaam, dan de naburige kerk er bij.
Synode van Dordt 1574. De Classe van Den Briel vroeg, hoe men verder handelen zou. Bij de keuze van predikanten werden stemmen van de gemeente bepaald verlangd. Dit kon wel, maar de kerkeraad moest de keuze doen.

|89|

Art. 27. Het verkiezen van ouderlingen en diakenen zal geschieden naar art. 14 van Emden (1571) nl. dat de consistorie of kerkeraad verkiezen zal.
Art. 28. De kerkeraad zal een dubbel getal aan de gemeente voorstellen, waaruit de gemeente de helft kiest.
In 1578 is gehandhaafd, dat de kerkeraad de keuze zal doen. In ’t midden is gelaten of de kerkeraad zal kiezen of de gemeente uit een dubbeltal. Dit staat er nog in.
Niet dubbeltallen, alsof voor ieder keuze maar twee personen zijn. Zijn er 4 te kiezen, dan moeten er 8 personen aan de gemeente voorgesteld, waaruit de gemeente er 4 kan kiezen. Bij tweetallen hangt het te veel af van hem die het tweetal maakt, wien hij gekozen wil hebben. Een dubbel getal geeft meer vrijheid voor de gemeente. Alle meewerking van de gemeente is niet verboden. Niet uitgesloten is, dat de gemeente nog meer meewerkt, hetgeen vaak geschiedde.
Of alle meewerking van de gemeente uitgesloten is?
Ditzelfde is reeds behandeld bij artt. 4 en 5 over den dienst des Woords.
Daarmee is niet de bedoeld meewerking tot beroeping want zonder approbatie der gemeente is de roeping niet compleet. Maar met deze vraag is bedoeld of bij eerste aanwijzing van personen bij verkiezing de gemeente moet meewerken.
In het artikel stond van het begin af:
De kerkeraad kiest, maar mag ook een dubbel getal aan de gemeente voorstellen, om daaruit de helft aan te wijzen.
Gevraagd is of niet meer meewerking noodzakelijk was. Hier hetzelfde bezwaar als bij de predikanten.
Vele gemeenten waren er op gesteld. Bv. kwam er gravamen van den Briel op de Synode van 1574.
Bezwaar was, dat bij de Reformatie in de 16e eeuw het grootste deel niet geschikt was tot meewerking tot aanwijzing van personen. Met moeite werden er personen gevonden voor ouderling- en diakenschap. Velen werden Gereformeerd, omdat officieel de kerk gereformeerd geworden was. Kennis van de Schrift en vereischten voor ouderling- en diakenschap waren er weinig. Waar de gemeenten dus ook ongeschikt waren tot kiezen, zou het verkeerd gegaan zijn. In de Geref. kerken van Frankrijk was een soort revolutionaire richting onder Jean Morély, die de ambten weg wilde hebben en volkssouvereiniteit in de kerk voorstond. Bij stemmenmeerderheid moest dan in zaken van tucht alles beslist. De kerkeraad was dan uitvoerder van den wil der gemeente. Deze meening was ook reeds in Nederland doorgedrongen.
Dit nam niet weg, dat op vele plaatsen de gemeente meekoos zonder kerkelijk bezwaar.
Bij beroeping van predikanten geschiedde het meer. Nauwelijks de helft van de kerken beriep naar kerkorde. Vooral de kerken in N. Holland, Friesland, ’t Zuiden van Zuid-Holland, waar feitelijk meewerking van de gemeente plaats had.
Altijd bleef het beginsel van de kerkorde gelden:

|90|

De Ouderlingen zullen door oordeel des kerkeraads verkozen worden.
De kerkeraad blijft verantwoordelijk tegenover classe en synode. De kerkeraad behoeft niet de keuze der gemeente te volgen.
Wat de zaak zelf betreft is er in beginsel veel voor, dat de gemeenteleden meewerken bij de verkiezing van ouderlingen, diakenen en predikanten.
Een kerkedienaar moet niet opgedrongen, anders is er geen vrucht op zijn werk.
Ook mag en moet met de wens van de gemeente gerekend worden. Ook in zulke meewerking wordt een tegenwicht geboden tegen hiërarchie en clericale tendensen, die ook in een Geref. kerkeraad kunnen insluipen. Daarom lieten de Geref. kerken vroeger de meewerking van de gemeente maar bestaan.
Voetius: Bij verkiezing moet de kerkeraad de gemeente vooraf polsen door gesprekken en daarmee rekenen.
Nu geschiedt dit veelal daardoor, dat men de leden schriftelijk opgave laat doen van broeders, die in aanmerking kunnen komen.
De kerkeraad moet er mee rekenen, mits het nooit het karakter van stemming krijge. De kerkeraad is niet gebonden aan hem op wien de meeste aandacht valt. Dit zou niet overeenkomstig de kerkorde zijn. De kerkeraad is bestuur der gemeente, niet de gemeente collectief. Door verkeerden invloed in de gemeente zou er licht een verkeerde kerkeraad kunnen komen. Dan komen de ambten in discrediet en volkssouvereiniteit in de kerk. Kiest alleen de kerkeraad, dan komt er licht familie- en regentenregeering.
’t Beste is aan kerkeraad en gemeente den hun toekomende invloed te geven.
Leiding en bestuur behoort aan den kerkeraad. De kerkeraad moet rekenen met de wenschen der gemeente, doordat de gemeente schriftelijk personen aanwijst. Het oordeel blijft aan den kerkeraad, die altijd verantwoordelijk is.

2e. De approbatie van de gemeente is niet eene bloote formaliteit. Deze is stilzwijgend gegeven, zoo er geen bezwaren inkomen. De gemeente moet er daarom op gewezen, met welke bedoeling die mededeeling geschiedt, om ze nl. aan de gemeente voor te stellen. Zoo blijft het besef levendig, dat de gemeente ook verantwoordelijk voor de keuze is.
3e. De bevestiging heeft dezelfde beteekenis als in art. 4 bij den dienaar des Woords. Ze is niet wijdig tot het ambt geen sacrament als bij Rome. Ze is niet essentieel noodig.
In de 16e eeuw was niet bij alle kerken en dienaren des Woords de bevestiging in gebruik. Het is alleen de openlijke verbintenis tot den dienst in het midden der gemeente met de daarbij behorende stipulatiën.
Men kan dit niet privatim afdoen door een brief te schrijven. Het is een zaak tusschen hem en de kerk, niet tusschen hem en den kerkeraad. Daarom in ’t midden der gemeente.
Openlijk moet hem voorgehouden worden, welken dienst de gemeente van hem verwacht. Die is het essentiëele van de bevestiging.
’t Geschiedt naar het Formulier door de gezamenlijke kerken

|91|

bepaald, want het is niet eene zaak tusschen private personen. Dat Formulier dateert eerst van 1586.
Voor ’86 reeds van het begin af is er iets omtrent de bevestiging bepaald. Het formulier is er de uitbreiding van.
Tusschen ’81 en ’86 zijn de formulieren gemaakt. Onbekend is door wie. Van het formulier mag niet afgeweken. Geen eigen opvatting er voor in de plaats stellen, maar de predikant moet liturg zijn.
Of handoplegging bij de bevestiging noodig is.
In de Geref. kerken is dit geen gebruik. Wel bij de eerste bevestiging van den dienaar des Woords. Vaak is ze verdedigd, maar nooit door de kerken aangenomen. Er is geen principiëel bezwaar tegen. Er is niets sacramenteels mee bedoeld. Ook bij den dienaar des Woords is handoplegging symbool van toewijding aan den dienst, gemeenschap en zegenspreking. Zoo zou de handoplegging bij ouderlingen gebruikt kunnen worden.
In den Apostolischen tijd was er nog geen splitsing tusschen leer- en regeerouderlingen. Alle bevestiging van ouderlingen toen met handoplegging. Dit alleen is nu bezwaar, dat de handoplegging beschouwd moet als symbool van algeheele toewijding aan den dienst des Woords. Dienaren des Woords doen dit voor hun leven. Dit is zoo niet bij ouderlingen die slechts voor twee jaren of langer geroepen worden. Bij hen dus toewijding voor een bepaalden tijd. Daarom is bij de ouderlingen geen handoplegging door de kerken ingevoerd.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 23

Ouderlingen.

Art. XXIII. Der ouderlingen ambt is, behalve 't gene dat boven, in Artikel zestien, gezegd is hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naardat de gelegenheid des tijds en der plaats, tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen.

Art. 23 handelt over het ambt der ouderlingen.
Ambt = werkzaamheid aan een dienst verbonden.
Eerst wordt in het artikel verwezen naar artikel 16.
Uit de laatste bijvoeging: en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen blijkt dat de ouderlingen een ambt hebben voor niet-leden der gemeente, niet als particuliere geloovigen, want die hebben ook die roeping. Maar het is het ambt der ouderlingen.
In het bevestigingsformulier wordt dit artikel uitvoerig uitgewerkt en practisch behandeld bij de Pastoraal wanneer er gehandeld

|92|

wordt over het werk van predikanten, dat ook van ouderlingen geldt.

Er is gevraagd of tot het ambt van ouderling ook niet behoort bij ontstentenis van den predikant in zijn plaats op te treden, of althans dan eene stichtelijke toespraak te houden, te oefenen openlijke voorbede te doen, en den zegen op de gemeente te leggen.
Dit alles behoort niet tot het ambt van ouderling. Het eene ambt kan nooit voor het andere subintreeren. Men mag niet in een ander ambt, ook al is het verwant, optreden. Oorspronkelijk zijn de ambten in Christus een en bij de Apostelen, maar daarna door leiding des Heiligen Geestes gescheiden. Men mag zich daarop dus niet beroepen.
In een staat liggen alle ambten in de eenheid van den koning. Een burgemeester mag daarom toch niet optreden als rechter.
Behoorde het „oefenen” tot het ambt van ouderling, dan zou dit tot het ambt van alle ouderlingen behooren. Dan zouden de ouderlingen tevoren moeten onderzocht zijn en bij stipulatie dit moeten bepaald zijn. Dit geschiedt niet. Dus volgt het niet uit hun ambt. Doen zij het, dan doen zij het als een gemeentelid, als een broeder onder de broederen, geroepen door den kerkeraad. Onder de gemeenteleden is een ouderling doorgaans geschikter, maar hij oefent dan niet in qualiteit van ouderling maar van gemeentelid.

Gevraagd: of aan een ouderling geen bezoldiging kan of moet worden toegekend.
Kerkelijk is deze quaestie het meest behandeld in het laatst der 16e eeuw te Leiden, toen de Leidsche kerkeraad aan de Overheid voorsloeg enkelen ouderlingen jaarlijksche traktementen te geven. Dit geschiedde ten tijde van Coolhaas. De overheid ging er op in, moest dan zelf ouderlingen benoemen. Daardoor kwam er niets van. Coolhaas en de Leidsche magistraat weken af in leer en kerkregeering. De kerken vatten dit denkbeeld van bezoldiging niet meer op.
Principiëel is daartegen geen bezwaar, evenmin als tegen het traktement van een dienaar des Woords, maar dan moet men ze ad vitam benoemen, anders zou de zaak van een ouderling verloopen.
De synode van ’81 maakte bezwaar tegen een bezoldiging ad vitam ten opzichte van hiërarchie. Advies van Danaeus. Cf. Acta.
Bijgevoegd werd, dat een ouderling, terwille van de kerk in geldelijke moeilijkheden geraakt, door de kerken kon geholpen worden. Ook is een bezwaar, dat de gemeente te arm is en het beter is eerst het aantal van de dienaren des Woords uit te breiden.

Artt. 24-26 handelen over de Diakenen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 24

Diakenen.

Art. XXIV. Dezelfde wijze, die van de ouderlingen gezegd is, zal men ook onderhouden in de verkiezing, approbatie en bevestiging der diakenen.

Voor de behandeling van dit artikel verwijzen we naar de opmerkingen bij art. 22.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 25

|93|

Diakenen.

Art. XXV. Der diakenen eigen ambt is, de aalmoezen en andere armengoederen naarstiglijk te verzamelen, en die getrouwelijk en vlijtiglijk, naar den eisch der behoeftigen, beide der ingezetenen en vreemden, met gemeen advies uit te deelen, de benauwden te bezoeken en te vertroosten, en wel toe te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden, waarvan zij rekening zullen doen in den kerkeraad, en ook (zoo iemand daarbij wil zijn) voor de gemeente, op zulken tijd als de kerkeraad het goedvinden zal.

Art. 25 handelt over het ambt der diakenen.
Het bevestigingsformulier is uitvoeriger. Allereerst is hun ambt het verzamelen van aalmoezen en armengoederen.
Gevraagd is hoe dit het best geschieden kan.
Redactie 1574 artt. 34 en 50.
Het is wenschelijk, dat het collecteeren in de kerken bij het uitgaan aan de deuren kon geschieden. Art. 50. Bij het uitgaan van de kerk bleef de gemeente naar het orgelspel luisteren. Dit verhinderde het toen.
Collecteeren onder de dienst is zeker storend. De diakenen zelf hebben niet veel aan den dienst. Tegen collecteeren aan de deuren is alleen maar bezwaar, dat er bij ons meer dan eenmaal collecte is.
Vroeger was er maar eenmaal collecte voor de armen. In Zeeland geschiedt het nog aan de deuren. Bij twee collecten gaat dit moeilijk. Daarom is in Middelburg besloten dat er een collecte bij den uitgang zou zijn, maar dat de opbrengst zou verdeeld worden.
Bezwaren hiertegen zijn, dat de giften hun doel niet bereiken of ze moesten in papier gewikkeld en men kreeg minder.
Principiëel bestaat er geen bezwaar tegen het collecteeren onder den dienst. Toch moet het zoo spoedig mogelijk afloopen.
Spurgeon liet 40 à 50 bussen tegelijk rondgaan.

Beide der ingezetenen en vreemden.
Niet is beginsel der kerkorde dat alleen leden der gemeente bedeeld worden
. Er is sprake van ingezetenen, menschen die op die plaats wonen. De bedoeling van de kerkorde is, dat diakenen de aalmoezen niet alleen voor leden der gemeente, maar voor alle behoeftigen besteden. Dit staat in verband daarmee, dat diakenen de inkomsten van armenfondsen en stichtingen kregen, die alle behoeftigen hielpen en rekening aan de Overheid verschuldigd waren, onder wier toezicht de stichtingen toen stonden.
Dit is de aanleiding, maar er ligt een beginsel in, want Christelijke barmhartigheid helpt allereerst huisgenooten des geloofs maar strekt zich ook tot allen uit.
Het ideaal is voor alle armen zorgen, doch de middelen laten soms niet eens toe gemeenteleden te helpen.

|94|

Van den aanvang af is aan armenzorg, misschien daardoor wel, wat te groote uitbreiding gegeven.
Allereerst moet armoede niet door de diaconie geholpen worden, maar is het beginsel van Gods Woord, dat eerst de eigen familiekring, dan particulieren, die met hen in betrekking staan, helpen en de diaconie moet helpen als niemand anders helpt. Cf. Timotheus over de weduwe, die alleen gelaten is.
Het is geen normale toestand, dat bij armoede, weezen en ziekte de diaconie ’t eerst helpt. Dit besef is er tegenwoordig uit. Op ’t platte land gaat dit gemakkelijker dan in eene stad.
Er is wel gezegd: Beter is het als de diaconie alles doet. Doch dit maakt de armenzorg duurder en ontbindt de maatschappij en den band van mensch met mensch.

Gevraagd, of het ambt der diakenen niet moet uitgebreid, doordat alle nood tot den werkkring van de diaconie behoort?
Te Wezel in 1568 is dit eenigszins besproken. Daar de wenschelijkheid van tweeërlei soort diakenen.
Wezelsche Concept. Cap. V. Van de Diaconen.
Art. 5. Het eene deel der diakenen voor het verzamelen en uitdeelen der aalmoezen.
Art. 6. Het andere deel om bezig te zijn met zieken, gewonden, gevangenen, met gaven der vertroosting. Dit geen financiëele zaken. Een soort krankenbezoekers of ziekentroosters.
De zorg van diakenen strekt zich dus uit tot al het ellendige en hulpbehoevende onder menschen, openbaar geworden in ziekte, gevangenschap of uitwendige bezoeking.
Zeker is er veel voor te zeggen, dat de diaconale werkkring veel meer is uit te breiden. Doch dit is tegengehouden, doordat de diakenen in bezit van de armengoederen kwamen en aan de Overheid onderworpen waren. De kerken waren niet vrij in haar ontwikkeling.
Dat er nu veel aandacht op gevestigd wordt, is een goed teken des tijds.
Bij uitbreiding is hierop te letten, dat dit niet geschieden moet buiten kerkeraad, classe en synode. De diaconiën mogen niet als zelfstandige besturen naast de kerken optreden en in de diaconale vergaderingen zich naast classe en synode stellen.
Zoo zou er tweeërlei bestuur en meerdere vergadering van dezelfde kerk ontstaan. Tweeërlei roer aan één schip. Dan zouden door dezelfde kerk tegenstrijdige besluiten kunnen worden genomen.

Het Diaconaal moet kerkelijk zijn.
Een diaconaat buiten de kerk houdt daarmee op diaconaat te zijn.
Hoe dan?
Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk te geven.

|95|

1e. In groote kerken komen bij zaken van diaconie de diaconie de diakenen bij den kerkeraad. Dan wordt de kerkeraad uitgebreid. Dit zou ook bij classe en synode kunnen geschieden, dus uitbreiding van classe en synode. Daarvoor is wijziging van de Kerkorde noodig.
Diakenen mogen om tweespalt te voorkomen dus niet buiten de kerk handelen.
2e. In de tweede plaats mag men niet te ver gaan en kerkelijk maken wat niet kerkelijk is. Alle nood hoort niet tot het terrein der diaconie.
Bij de diaconie behoort bv. niet: maatschappelijke misstanden, de behandeling der sociale quaestie. Ze mag geen program uitspreken over landnationalisatie, werkeloosheid, verhouding van patroon en werklieden, en vertegenwoordiging van de werklieden bij de Overheid.
Dit zijn geen kerkelijke quaesties.
Dan zouden de diakenen moeten studeeren. Ook ziekenverpleging is op zichzelf geen kerkelijke zaak, evenmin zorg voor geneesheeren en opleiding van verpleegsters. Ziekenverpleging is de zaak van familie allereerst, dan van de buren. Kan dit niet, dan voor rekening van de diaconie. Ook niet medische wetenschap en opleiding.
3e. Ten derde is te rekenen met de geldmiddelen. Veel zaken zijn er tot voorkoming en verhelping van nood.
4e. Het voornaamste is, dat bij alle uitbreiding van diaconale werkzaamheid er geschikte mannen noodig zijn. Waar men die heeft, komt de uitbreiding vanzelf. Waar men ze niet heeft, is uitbreiding onmogelijk. Men moet goed op de hoogte zijn. Los oordeel zou onchristelijk zijn.

Rekening aan den kerkeraad, zoodat de gemeente er ook kennis van kan nemen en bezwaren inbrengen.
De diakenen zijn afhankelijk van den kerkeraad, daar zij evenals de dienaren des Woords en de ouderlingen onder toezicht van den kerkeraad staan volgens artt. 16 en 23. Ze zijn geen apart bestuur, ook waar ze apart vergaderen.
De regeling voor het diaconaat gaat uit van den kerkeraad. Veel kan de kerkeraad ook aan de diaconie overlaten.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 26

Aalmoezeniers.

Art. XXVI. De diakenen zullen ter plaatse, waar Huiszittenmeesters of andere aalmoezeniers zijn, van deze begeeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten einde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden onder degenen, die meest gebrek hebben.

Art. 26 handelt er over, dat de diakenen goede correspondentie moeten houden met

|96|

andere armenverzorgers, opdat niet de een niets en de ander dubbel krijge.
De wijze waarop hangt af van plaats en omstandigheden.

Over diakonessen wordt in deze 3 artt. niet gesproken.
Concept van Wezel, caput 5, art. 10.
Diakonessen wenschelijk verklaard, naar het voorbeeld der Apostelen. ’t Woord zelf niet gebruikt. Er is sprake van „vrouwen van vermaarde proeve en vroomheid en bejaard.”
De Synode van Middelburg 1581 achtte ze niet wenschelijk.
Vraag van Wezel ingekomen. Part. vraag no. 56. Of het raadzaam is het ambt der diaconessen weder in te voeren. Antwoord: neen, het ambt moet niet ingevoerd „om verscheiden Inconvenienten wille, die daaruit zouden mogen volgen”, maar niets is er tegen om bij nood, zooals pestilentie etc. diakenvrouwen te gebruiken.
In onze kerken zijn feitelijk op enkele groote plaatsen bv. Amsterdam, diakonessen geweest. ’t Ambt der Diakonessen kan in de Schrift niet worden aangetoond. Wel is daarin sprake van dienende vrouwen. Doch dit is geen afzonderlijk ambt. Ze zijn behulpsels van diakenen.
Bevestiging en inwijding van diakonessen zooals in Amsterdam, is verkeerd.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 27

Twee jaren dienen.

Art. XXVII. De ouderlingen en diakenen zullen twee jaren dienen, en alle jaar zal het halve deel veranderd, en anderen in de plaats gesteld worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige kerken anders vereischte.

De laatste woorden van art. 27 zien op het geheele artikel. Niet alleen daarop, dat men mag herkiezen, maar op de twee jaren evenzoo.
Dit stond ook in de andere redacties der K.O. Concept Wezel, cap. 5, art. 17.
„dat jaarlijks een nieuwe verkiezing worde gedaan, zoodat na voleinding des jaars of na zes maanden (na gelegenheid der zaken) de helft van hare dienst ontslagen en anderen in de plaatse zullen gesteld worden, die met de overigen de regeering der gemeente bezorgen en waarnemen, zoo nochtans, dat het den kerkeraad vrijstaat de bekwaamste ouderlingen en diaconen, die van toegenegen wille zijn, te verzoeken het volgende jaar of half jaar, na des kerkeraads goeddunken, de gemeente in hun beroep nog te willen dienen.”
Redactie 1571, art. 15.
Alle jaren zal het halve deel, zoowel der ouderlingen als der diacenen, veranderd worden, anders in haar plaats gesteld zijnde, die ook twee jaren lang dienst zullen doen, doch dat de kerken (voornamelijk die onder het kruis zitten) hare vrijheid van langer of korter tijd te nemen, na haar gelegenheid en nooddruftigheid behouden.”

|97|

Redactie 1574, art. 31. Aftreding en tijd van ouderlingen en diakenen te bepalen naar art. 15 van de Synode van Emden.
Redactie 1578, art. 13. Twee jaar dienen. Alle jaar zal de helft aftreden, maar wegens nood mag men den tijd verkorten of verlengen.
In ’81 kwam het artikel (19), dat ook bleef in 86 (art. 25) en 1619 (art. 27).
In de practijk is 3 jaren gesteld. Ook wel vier jaar in gebruik. Daartegen is nooit bezwaar gemaakt.
Wel volgt uit het artikel, dat als regel gesteld wordt:
1e. geen lange diensttijd en
2e. aftreden zonder herkiezing.
De hoofdreden van 1e is nu niet aanwezig. Met ’t oog op de inquisitie was in de vervolging de last en ’t gevaar groot. Het werk was zeer zwaar, want er waren weinig predikanten. Dit was in 1574 de reden van korten tijd. Thans is dit vervallen.
Met de herkiezing staat het eenigszins anders. Er mag herkozen worden. Dit wil niet zeggen dat herkiezing regel moet worden, zooals het thans is. Herkiest men niet, dan wordt dit als een persoonlijk feit beschouwd. Het is een schande. Men noemde zoo het niet herkozen worden ook wel „afgezet worden”.
Er is veel voor herkiezing bij geschikte personen, maar dit geldt niet voor allen.
Bij herkiezing is het moeilijk om van ongeschikte personen af te komen.
Veel is er te zeggen voor de beginselen der K.O.
Niet herkiezen regel; bij uitzondering herkiezen.

Gevraagd of bij herkiezing bevestiging noodig is.
Vaak is dit ontkend, omdat de eerste bevestiging voor verder geldt. Maar dit is geen wijding.
De stipulatiën voor een aantal jaren aangegaan, moeten herhaald worden bij continuatie. Dit is eene zaak van de kerk, dus moet het weer openlijk gedaan, hetgeen de bevestiging is.
Mutatis mutandis is dit hetzelfde geval als bij een predikant, die zich aan eene bepaalde gemeente verbindt. In elke andere gemeente moet hij opnieuw bevestigd worden. Intusschen is dit geen punt van twist als de tweede bevestiging afgekeurd wordt, maar het is niet principiëel volgens de Kerkorde.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 28

Overheden.

Art. XXVIII. Gelijk het ambt der Christelijke overheden is, den heiligen kerkedienst in alle manieren te bevorderen, denzelven met haar exempel den onderdanen te recommandeeren en aan de predikanten, ouderlingen en diakenen in allen voorvallenden nood de hand te bieden, en bij haar goede ordening te beschermen, alzoo zijn alle predikanten, ouderlingen, en diakenen schuldig, de gansche gemeente vlijtiglijk en

|98|

oprechtelijk in te scherpen de gehoorzaamheid, liefde en eerbiedinge, die zij den Magistraten schuldig zijn; en zullen alle kerkelijke personen met hun goed exempel in dezen de gemeente voorgaan, en door behoorlijk respect (en correspondentie) de gunst der Overheden tot de kerken zoeken te verwekken en te behouden; teneinde een ieder het zijne, in des Heeren vreeze, aan wederzijds doende, alle achterdenken en wantrouwen moge worden voorkomen en goede eendracht tot der kerken welstand onderhouden.

Dit artikel behoort niet in de Kerkorde. Eerst in 1619 is het in de Kerkorde ingekomen. Men hoopte, dat de Overheid de kerkorde zou approbeeren als de kerken iets toegaven. Daarom dit artikel als waarborg, dat de Overheid niet over de kerk zou gaan heerschen.
De inhoud van dit artikel blijft ten allen tijde gelden.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 27 Bijl

Artikel XXVII.

De bepaling van den diensttijd der ouderlingen historisch eenigszins toegelicht

door Dr F.L. Rutgers. De Heraut no. 944

 

I. Naar aanleiding van historische beschouwingen over art. 27 der Kerkenordening der Nederlandsche Geref. kerken is aan Dr. Rutgers herhaaldelijk gevraagd
1e. of het waar is, gelijk beweerd wordt, dat de kerk van Genève in den tijd van Calvijn zulke periodieke aftredingen niet kende, maar integendeel voor ouderlingen evenals voor predikanten, een levenslangen dienst bepaald had; en
2e. hoe onze Nederlandsche Geref. kerken aan zulke periodieke aftreding gekomen zijn en of daarover in die kerken ook reeds vroeger wel eens gehandeld is.
Aanleiding om te waarschuwen tegen onjuiste voorstellingen is wel inzonderheid op zijn plaats met betrekking tot de eerste vraag.

Zij, die een periodieke aftreding van ouderlingen afkeuren, kunnen zich niet beroepen op Calvijn, den geestelijken vader van bijna alle Gereformeerde belijdenis en kerkenordeningen en op de kerk van Genève. Dit zou ook eenigszins vreemd zijn.
1e. Omdat destijds in Genève op burgerlijk gebied aan ambten en bedieningen in het algemeen slechts een tijdelijk karakter werd toegekend. Op zichzelf kan een ambt natuurlijk evengoed levenslang als tijdelijk zijn. Dat hangt af van den inhoud der opdracht. In Genève nu had men voor de Overheid deze regeling, dat in alle colleges en voor alle ambten vaste jaarlijksche aftreding was. En zoo lag het meest voor de hand, die ook voor den dienst der ouderlingen aan te nemen; vooral omdat door de te Genève bestaande betrekking tusschen kerk en staat de benoeming van

|99|

ouderlingen, althans nominaal en formeel, door een zelf telkens wisselend Overheidscollege geschiedde.
2e. Op de kerken, die in Frankrijk en Nederland tot reformatie kwamen en zich als Geref. kerken constitueerden, heeft Calvijn een overwegenden, bijna onbeperkten invloed geoefend; deels persoonlijk en rechtstreeks, deels door middel van zijn leerlingen. Van den aanvang af namen die kerken in hare kerkenordeningen op, dat de dienst van ouderlingen niet voortdurend zijn zou, maar met vaste jaarlijksche aftreding.
3e. Calvijn heeft voortdurend gestreden tegen alle hiërarchie en clericalisering. Daarmede nu zou wel niet te rijmen zijn, dat hij de periodieke  aftredingen, het beste en misschien noodzakelijke middel tegen wederinsluiping van clericalisme, zou hebben ter zijde gesteld of zelfs afgekeurd.
Intusschen we hebben deze en dergelijke overwegingen hier niet eens noodig, want er is ook een duidelijk rechtstreeks getuigenis. Immers deze zaak was geregeld in de kerkenordening, die in het najaar van 1541, terstond na Calvijns terugkeer uit de ballingschap, op zijn voorstel en met zijn advies voor de kerk van Genève was vastgesteld (gedrukt o.a. in de compleete, d.i. in de Brunswijksche uitgave van Calvijns werken, Vol. X, pagg. 15 vgg). En die regeling van den diensttijd der ouderlingen was van deze inhoud (a.w. blz. 23):
„Als het jaar om is, na de Raadsverkiezing (d.i. nadat de Overheidscolleges door de periodieke aftreding en door de volkskeuze vernieuwd zijn) zullen de Ouderlingen voor de Overheid verschijnen, opdat deze beoordeele (nl. met advies der predikanten), of men hen zal continueeren of door anderen doen vervangen. Hoewel het niet dienstig zou zijn, hen dikwijls zonder reden te doen vervangen, wanneer zij zich getrouwelijk van hun plicht kwijten.”
Bij de eerste instelling van een kerkeraad werd dit zoo bepaald. En bij de hernieuwing en de uitbreiding van de kerkenordening in 1560 en 1561 werd dit artikel onveranderd, zelfs woordelijk overgenomen (a.w. blz. 101).
In Genève werden ieder jaar in Februari 12 ouderlingen benoemd met vast jaarlijksche aftreding. En natuurlijk wordt dit feit niet veranderd of zelfs ongedaan gemaakt door de omstandigheid, dat ouderlingen, die goed bedien hadden (hetgeen destijds in Genève nog al wat inhield) konden gecontinueerd worden; noch ook door de bijvoeging dat het niet goed zou zijn, hen dan  toch maar altijd door anderen te vervangen. In Gereformeerde kerken is wel altijd en door ieder erkend, dat het niet geraden is, allerminst in groote kerken, telkens, en zelfs ieder jaar, een geheel nieuw stel ouderlingen te doen optreden. Maar in die erkenning kan natuurlijk nooit zijn opgesloten, dat men dus in het geheel geene periodieke aftreding aanneemt. Zulke aftreding wordt zelfs duidelijk en uitdrukkelijk bepaald. Door herbenoeming of continuatie valt de bepaling van aftreding niet weg. Ook al zou een ouderling metterdaad zijn geheele leven dienen, hij was toch benoemd voor een dienst die niet levenslang was, maar waarvan de opdracht geschiedde voor den van te voren bepaalden tijd.

|100|

Vraagt men hoe het dan toch mogelijk is, dat men aan de Geneefschen kerkenordening juist het tegendeel toeschrijft van hetgeen er uitdrukkelijk in staat, dan is de verklaring van dit verschijnsel denkelijk hierin te vinden, dat men voor de geschiedenis van de inrichting der Geref. kerken wel eens wat te veel afgaat op het bekende werk van Dr G.V. Lechler, Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation, 1854, een boek waaruit zonder twijfel veel is te leeren, maar dat, zooals ieder die den schrijver wel eens gecontroleerd heeft, bij ervaring weet, toch volstrekt niet kan beschouwd en behandeld worden alsof het in alle opzichten een betrouwbare gids was. Het geeft zeker heel wat meer dan men van een Duitscher uit de Luthersche kerk kon verwachten. Maar wie zelf Gereformeerd is, kan toch de Gereformeerde kerken vaak beter begrijpen. Door de historische studiën, ook met name voor de geschiedenis der Geref. kerken, is veel, dat Lechler nu niet weten kon, daar het in de archieven verborgen was, thans van algemeene bekendheid gewordene. Lechler nu begint wel met goed op te geven, wat de bepaling was der Geneefsche kerkenordening (blz. 43) maar concludeert daaruit dan aanstonds: „somit ist nicht Wechsel, sondern Lebenslänglichkeit die Regel”. Dit wordt op blz. 48 herhaald en in de quaestie van „Lebenslänglichkeit” of „Nichtlebenslänglichkeit der Ältesten” worden Calvijn en Genève geheel en beslist aan de zijde der voorstanders van Lebenslänglichkeit geplaatst (blzz. 61, 101, 152).
Het is deze voorstelling, die door velen eenvoudig is overgenomen en waaruit ook nu nog veel misverstand volgt.
Dat zij gansch onjuist is, moest eigenlijk reeds in het oog vallen door de eigen bepaling der Geneefschen kerkenordening.
Uit de notulen der Geneefsche Overheidscolleges, waarvan een groot gedeelte is uitgegeven (Vol. XXXI, pagg. 181 vgg) kan men zien hoe de genoemde bepaling bedoeld was en toegepast werd. Jaar op jaar werd de bepaling over aftreding en benoeming van ouderlingen stiptelijk in practijk gebracht. Calvijn werd uitgenoodigd en toegelaten om eerst in den kleinen Raad, daarna in den Raad der Tweehonderd en dan in den Algemeenen Raad (de volksvergadering van alle burgers) met het oog op de aanstaande verkiezingen van burgemeesters etc. eene „exhortation” of religieus politieke toespraak te houden. Na de verkiezing verscheen hij nog eenmaal in den Raad om de benoeming van ouderlingen wederom in te leiden door een daarop toepasselijke vermaning. Hierop volgde de benoeming zelve. En deze bestond ten deele in continuatie, wederom voor den tijd van een jaar (waarbij zeker wel nooit is voorgekomen dat allen zonder onderscheid gecontinueerd werden) deels in de vervanging van de afgetredenen door nieuwgekozenen.
Later kreeg Calvijn nog gedaan, dat de predikanten een voordracht deden van de broeders, wier verkiezing zij wenschelijk achtten.
Ten bewijs volgen dan eenige uittreksels uit de bovenbedoelde „Régistres du Conseil”, waaruit wel duidelijk blijkt, hoe het in Genève toeging.
Alleen zou men ten slotte nog kunnen vragen, of niet mogelijk is, dat zulke periodieke aftreding en verkiezing van ouderlingen toch eigenlijk door Calvijn niet is goedgekeurd; of niet mogelijk is, dat

|101|

hij te dien aanzien om des vredes wille aan anderen wat heeft toegegeven, en dus dat hij er zelf eigenlijk anders over dacht.
Op zichzelf nu zou dit zeer zeker mogelijk zijn. In de kerk van Genève was menige regeling, die Calvijn zoo het slechts aan hem gestaan had, geheel anders zou gemaakt hebben. Hij was onverzettelijk op het stuk van beginselen en wanneer de eere Gods bij de zaak betrokken was; maar wanneer Gods Woord hem niet dwong, kon hij toegeven en verdraagzaam zijn en geduld hebben. En nu heeft hij nergens getoond tegen de bedoelde regeling in de kerk van Genève bezwaar te hebben. Ook is, gelijk reeds boven vermeld werd, in de Gereformeerde kerken, die onder zijn leiding in Frankrijk en elders zich constitueerden, periodieke aftreding van ouderlingen aanstonds aangenomen. En wat op zich zelf reeds afdoende is, hij heeft deze in Genève bestaande regeling ook opzettelijk en uitdrukkelijk aan anderen ten voorbeeld gesteld. Zoo bv. in een brief aan den bekenden Calvinistischen Hervormer Caspar Olevianus d.d. 5 Nov. 1560.
De regeling die in art. 27 onzer kerkenordening voorkomt is dus zonder twijfel van Calvijn en Genève afkomstig. En er is slechts dit onderscheid, dat men in Genève, wat meer nadruk legde op het herbenoemen van geschikte ouderlingen en dat in de Nederlandsche kerken het tijdelijke der benoeming op de voorgrond stond.
Maar dit kleine onderscheid is slechts bijzaak. Te meer omdat het geheel uit de omstandigheid te verklaren is; hieruit nl., dat in Genève de diensttijd slechts één enkel jaar was, terwijl men bovendien op burgerlijk gebied aan jaarlijksche verandering gewoon was en dat men op burgerlijk gebied hier te lande veel minder wisseling had, terwijl ook de diensttijd langer was.

Met dit resultaat is de zaak nu zeker nog volstrekt niet beslist. Calvijn en de zijnen hebben een gebruik, waarvan tot op zekere hoogte kon gezegd worden, dat het de oudheid voor zich had, door een ander vervangen en datzelfde kon natuurlijk later ook weer met de Calvinistische regeling geschieden. Maar dan niet zonder gewichtige redenen. Wie op eenig punt van Reformatie van Calvijn verschilt, mag wel eerst beginnen met zichzelven te wantrouwen. — De Heraut no. 994.
De Nederlandsche Gereformeerde Kerken hebben van den aanvang af periodieke aftreding van ouderlingen als regel aangenomen. Dit blijkt uit de acta van haar algemeene vergaderingen. Zooveel mogelijk naar de oorspronkelijke bescheiden uitgegeven in de werken der Marnixvereeniging Serie II, Dl. III (ook afzonderlijk onder de titel: F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw).
De niet-officiële vergadering van haar leiders en woordvoerders te Wezel in 1568 sprak zich te dien aanzien uit (cap. 5, art. 17; a.w., blz. 27).

|102|

De eerste synode te Emden in 1571, art. 15, a.w. blz. 62. De hierop volgende Provinciale Synode van Holland en Zeeland, die in 1574 te Dordrecht bijeenkwam eveneens art. 31 a.w. blz. 137: „Den vercooren Dienaeren (nl. ouderlingen en diakenen) half deel sal alle iaers verandert worden na wtwijzen des 15 artyckels (der Embdensche Synode).
Desgelijks de Nationale Synode in Dordt 1578, art. 13, a.w. 239. Wederom in denzelfden geest de Nationale Synode, die in 1581 te Middelburg saamkwam, art. 19, a.w. blz. 383. En daarna bleef de bepaling woordelijk dezelfde op de Nationale Synode te ’s-Gravenhage van 1586 (art. 25) en op die te Dordrecht 1618 (art. 27), gelijk zij ook nu nog aldus luidt.
Duidelijk is dus, dat op dit punt alle vergaderingen der Nederlandsche Gereformeerde kerken van den aanvang af geheel eenstemmig geweest zijn.

Hieruit echter mag nu geenszins worden afgeleid, dat zij zulk eene regeling eenvoudig van elders, bv. van de Fransche kerken of van Genève zouden hebben overgenomen, zonder dat zij ook zelve hare aandacht daarop vestigden en zich van het voor en tegen behoorlijk rekenschap gaven. Integendeel, telkens hebben zij dit laatste wel moeten doen. Immers ook in haren kring is het gevoelen, dat ouderlingen en diakenen niet moeten aftreden, hier en daar wel eens in practijk gebracht en verdedigd en op kerkelijke vergaderingen aan de orde gesteld.
Ten bewijze volge hier de mededeling van hetgeen er met betrekking tot dit punt in onze kerken is voorgevallen, vooral in de 16e eeuw, een geschiedkundige herinnering, die tevens dienstig is om de zaak zelve des te beter te doen beoordeelen.
1e. In de eerste plaats moet hier dan gelet worden op de Nederlandche vluchtelingenkerk, die in 1550 te Londen geïnstitueerd is en die in den tijd, dat het kerkverband der Nederl. Geref. Kerken tot stand kwam, tevens den tijd waarin Alva’s druk het verblijf in Nederland van Gereformeerden bijna ondragelijk maakte, juist bijzonder talrijk was.
Deze kerk had geene periodieke aftreding van ouderlingen en diakenen. Reeds in 1560 werd door hare predikanten blijkbaar tengevolge van oppositie, over deze regeling gehandeld; waarbij de bestaande toestand door hen werd goedgekeurd, met uitvoerige opgave van de gronden, die zij daarvoor meenden te hebben. En daar niet alle anderen, in Engeland aanwezige vluchtelingenkerken, zich hiermede vereenigden, terwijl bovenden de kerken van hetzelfde kerkverband, d.i. de Nederlandsche kerken in het algemeen, op hare Generale Synoden de bedoelde aftreding in de kerkenordening opnamen, hebben in Engeland de zogenaamde colloquia (veelszins overeenkomende met onze classen) van de daar bestaande Nederlandsche kerken telkens weer over dit onderwerp moeten handelen.

De archiefstukken, waaruit de kennis van dit een en ander geput wordt zijn door Prof. J.J. van Toorenenbergen uitgegeven in de W.d.M.V. Serie III, Dl. I („Geschiedenissen ende Handelingen, die voornemelick aengaen de Nederduytsche natie ende gemeynten,

|103|

wonende in Engelant ende int bysonder tot Londen” en Serie II, Dl. I („Acten van de Colloquia der Nederlandsche gemeente nin Engeland 1575-1624”). Daaruit komt het volgende hier in aanmerking.
Bij het jaar 1560 staat in de „Geschiedenis ende Handelingen” (a.w. blzz. 34-40); ook te vinden in de „Acten van de Colloquia”, a.w. blzz. 128-134: Daarentusschen namen de Gemeenten ——— oft een deel daer af te verwisselen.
(De eerste van de drie vragen daar voorkomend kan hier blijven rusten, daar zij met de periodieke aftreding niet rechtstreeks samenhangt).
Na de Synode van Emden en de eerste Dordtsche, besloot het Colloquium van de in Engeland gevestigde Nederlandsche kerken in Mei 1578 (a.w. blz. 40): „Aengaende het 15e (artikel) van Embden en het 31e van Dordrecht vynden de broeders de mynste veranderynghe de profijtelijckste, sonder nochtans de ghewoonste ofte noot van ander kerken te willen preiudicieren.”
Daarbij bleven zij althans in hare colloquia, ook nadat de Nationale Synoden, waaraan zij hadden deelgenomen (die van Dordrecht en Middelburg) de bepaling van aftreding wederom bevestigd hadden, blijkens het besluit van haar Colloquium van Augustus 1599, a.w. blz. 97).
Evenzoo het Collquium van Juli 1609, a.w. blz. 103. En nog eenmaal werd besloten in denzelfden geest, door het Colloquium van Augustus 1612, welke vergadering tevens eenen zendbrief uitvaardigde aan de zes tot haar behoorende kerken (a.w. blzz. 177-182), o.a. om met resumtie van het stuk van 1560 er op aan te dringen dat zij toch het van ouds bij de meeste dier kerken bestaande gebruik van periodieke aftreding zouden afschaffen.
Van den aanvang af ging dat streven uit van de Londensche kerk, d.i. van degenen aan wie hare leiding was toevertrouwd. Om het goed te verstaan en ook om te begrijpen, waarom het op de Nederlandsche kerken in het algemeen bijna in het geheel geen invloed oefende, moet het reeds vermelde nog de toevoeging van een andere geschiedkundige herinnering. voor meerdere bijzonderheden wordt verwezen naar het boekje van Dr A. KuyperDe Hollandsche gemeente te Londen in 1570”. (nr 8 en 9 van de serie „Voor driehonderd jaren”, jaargang 1870) en naar de inleiding van Dr J.J. van Toorenenbergen vóór zijne uitgave „Philips Marnix van St. Aldegonde, Godsdienstige en kerkelijke geschriften” Dl. I, blzz. XXXIV-XLIV.
Toen de Reformatie in Engeland doorwerkte was bij de Engelschen zelven, niet het minst bij den Souverein (sedert 1558 koningin Elizabeth), die zich als zoodanig ook het hoofd of althans de bestuurder der Engelsche kerk achtte, de heerschende richting, ondanks het Calvinistische der belijdenis, zeer hiërarchisch en clericalistisch. Dit nu had voor de te Londen gevestigde Nederlandsche kerk zeer schadelijke gevolgen. Vooreerst moest zij om te mogen bestaan zich laten welgevallen, in 1550, dat zij onder eenen Superintendent geplaatst werd en in 1559, hetgeen veel erger was, dat zij onder het rechtstreeks gezag kwam van den

|104|

Londenschen bisschop der Episcopale staatskerk, die ook bij herhaling dat gezag heeft doen gelden. Voorts was het in dien toestand niet onnatuurlijk, dat gelijk Prof. van Toorenenbergen het uitdrukt, a.w. blz. XXXVI, „de oude uitgewekenen zich uit erkentelijkheid en misschien ook wel uit berekening van hun belang naar sommige gewoonten der Engelsche kerk wilden voegen”; en nu was die Engelsche kerk zeer sterk tegen eenigen invloed van de gemeente op de samenstelling van het kerkelijk bestuur. En bovendien moest de omgeving, waarin men te Londen leefde, op den duur allicht een verkeerden invloed hebben, vooral op de predikanten, des te meer wanneer daarbij mannen waren als Gotfried van Wingen, die in 1563 te Londen predikant werd, en die (naar hetgeen Prof. Kuyper uit de geschiedenis van hem aantoont, a.w. blz. 157), een „heerschzuchtig” man was, „clericalistin den volsten zin. Hoe die geest bij de predikanten doorwerkte, blijkt b.v. uit de resolutie van het Colloquium van Juli ’09. („Acten van de Colloquia blz. 206), die naar aanleiding van het feit, dat iemand, die reeds ouderling geweest was, naderhand tot diaken verkozen werd, verklaarde, „dattet onvoeghelick is, dat men dale ende niet opclimme in de Ghemeente, ende dese ongerymtheyt comt ut populaire verkiesinge,” en uit soortgelijke resolutie van Augustus 1612, a.w. blz. 158, waarin als mogelijk ondersteld wordt „dat sodanighe verkiezinghe ut schimp ghedaen ware” en ook wordt uitgesproken, dat „de populaire verkiesinghe, daer se noch niet en is afgeschaft, te houden is voor een oordeel van Gods Kercke.”
Wil men voor dit punt nog een zeer betrouwbaar bericht uit de 16e eeuw, dan is dat te vinden bij één der beroemdste tijdgenooten, bij de man die meer dan iemand gedaan heeft om het kerkverband der Nederl. Geref. kerken tot stand te brengen, die bijzonder uitmuntte in de kennis van het Geref. kerkrecht en die anders in zijn oordeel over broeders zacht was, nl. bij Marnix van St. Aldegonde. Bij een ernstig conflict dat te Londen tusschen kerkeraad en gemeente ontstaan was, werd ook hij in 1568 geroepen, een advies uit te brengen. Hij schreef toen twee brieven, of liever kerkrechtelijke verhandelingen (in de aangehaalde uitgave zijner werken, Dl. I, blzz. 135-182), die in keurigen stijl en in helderen vorm de voornaamste beginselen van het kerkrecht zeer grondig in ’t licht stelden, met het doel om den Londenschen kerkeraad nog zoo mogelijk daarvoor te winnen. En in die geschriften vermaande en bestrafte hij gedurig, even broederlijk als ernstig den genoemden kerkeraad over zijn heerschzucht.
Bij dien stand van zaken nu is het zeer begrijpelijk, dat de vergadering, die in datzelfde jaar te Wezel bijeenkwam, waar ook Marnix tot de leiders behoorde, en waar voorts de geest geheel Calvinistisch was, allesbehalve ingenomen was met het Londensche streven om den invloed der gemeente op de samenstelling van den kerkeraad zooveel mogelijk weg te nemen. Ook omdat de treurige gevolgen reeds gebleken waren in groote oneenigheid. En in later tijd konden onze kerken ook zien aan dien Londenschen kerkerad, wat er bij een voortdurend ouderlingschap in Geref. kerken van dat ambt moet worden. Schijnbaar werd het daardoor in de hoogte gestoken.

|105|

Maar in waarheid ging het te Londen als in Duitschland, waar de Overheid het oplegde aan Geref. kerken en als om onderscheiden redenen ook natuurlijk is, het ouderlingschap kwam juist daardoor in discrediet, en verloor bij de gemeente zijn macht en eere. Het Colloquium, dat die zaak steeds zoo sterk had gedreven, moest in 1618, in een stuk dat bestemd was voor de Nationale Dordtsche Synode zelf klagen („Acten van de Colloquia” blz. 241), dat „hetselve ampt (van ouderling) ten aensien van den teghenwoordighen staet der Kercken in Engelandt weynich gerespecteert wordt”. In Nederland zelf had men op dit punt zeker niet zoo te klagen.

De Heraut no. 945

III. Een tweede afwijking van de vaste ordening der Nederlandsche Geref. kerken heeft zich tijdelijk voorgedaan in Noord-Holland. Toen de kerken aldaar sedert 1572 onder de bescherming der Overheid tot Reformatie kwamen, werden aanvankelijk bij de meeste dier kerken ouderlingen en diakenen in dienst gesteld zonder bepaling van aftreding. Dit blijkt uit de acta van hare Particuliere Synoden (openbaar gemaakt door Dr J. Reitsma en Dr S.D. van Veen in het 1e deel hunner uitgave van de Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620.
Het eerste is er over gehandeld op de Part. Synode van Edam in Juli 1574.
(Juni 1574 Prov. Synode van Holland en Zeeland te Dordt. April 1574 Particuliere Synode van N. Holland te Grootebroek. Hier werden deputaten benoemd voor Dordt. Deze konden de aangevangen reis niet voortzetten, doordat het Spaansche leger N. Holland afsloot.
Over de correspondentie der N.H. deputaten met de Dordtsche synode cf. Acta v.d. Nederl. Synoden der 16e eeuw blz. 169; vergel. met den brief uit N. Holland, die aldaar is afgedrukt, blz. 193 vg.).
Bij enkele artikelen der Dordtsche acta had de Edamsche synode bedenkingen.
Art. 2, Acta der Prov. en Partic. Synoden, Dl. I, blz. 26.
Van de continuatie der ouderlingen ende dyaconen. Tegens den 31 artickel des Suydthollantschen Synodi is geseyt, dat men die continuatie der ouderlingen en dyakonen behouden sal, sooverre daer geen occasie om eenige te amoveren bevonden werde, hetwelcke by die consistoriën, alswaer sulx geschiet, geoordeelt sal worden.
In April 1576 werd op de Partic. Synode van Hoorn (art. 8, a.w. blz. 40) wederom tot continuatie besloten, totdat er afspraak over zou komen en een prov. synode anders zou beslissen.
Desgelijks, hoewel minder positief, op de Particuliere Synode van Enkhuizen in April 1578 (art. 13, a.w. blz. 52), in verband met art. 1, dat handelt over het gereedmaken der gravamina voor de Nationale Synode van Juni 1578.
Toen in datzelfde jaar de Nationale Dordtsche Synode de periodieke aftreding had gehandhaafd, werd de uitzondering, waarvoor die synode vrijheid had gelaten op eene nog al zonderlinge wijze in Noord-Holland opgevat en werd dienovereenkomstig op de Partic.

|106|

synode van Amsterdam in September 1578 besloten (art. 7, a.w. blz. 56).
De gemeenten in dit kwartier zouden nl. haar ouderlingen en diakenen continueeren, maar Amsterdam zou in deze haar vrijheid hebben (nl. om te blijven bij de aldaar aanstonds ingevoerde periodieke aftreding).
De Nationale Middelburgsche synode van 1581 bestendigde de periodieke aftreding en formuleerde de uitzondering zoo dat misverstand nu niet meer mogelijk was.
In de Partic. Syn. van Alkmaar, Oct. 1581 is het voorstel aangenomen, dat alle dienaren des Woords en Ouderlingen tot bevestiging der eendrachtigheid de acta synodalia des nationalis synodi behooren te onderteekenen. Hetgeen geschied is, art. 17, a.w. 87.
De Part. Syn. van Hoorn besloot toch nog in Mei 1584, dat men de continuatie zal houden, waar ze nog in gebruik is. Geen classe of kerk mocht dit gebruik veranderen zonder advies van de particulier synode en dat uit kracht van onderwerping, in denzelven synode tot Amsterdam gedaan.
Uit dit laatste besluit laat zich echter opmaken, dat toen bij de kerken in Noord-Holland de continuatie reeds niet meer de regel was.
De Generale Synoden oefenden geen dwang maar geduld ten aanzien van Noord-Holland. Toen de Haagsche nationale synode van 1586 het artikel der kerkenordening over de aftreding van ouderlingen en diakenen geheel onveranderd gelaten had, hebben de Noord-Hollandsche kerken, op hare particuliere synode van Alkmaar, Mei 1587, haar vroegere besluiten door een ander vervangen (art. 7, a.w. blz. 142) volgens hetwelk de kerken art. 25 des generalen synodi in ’s Gravenhage moesten nakomen, vermeldende dat het halve deel der ouderlingen en diakenen alle jaar zal veranderd worden, ten ware die gelegenheid en profijt der kerken anders vereischten.
Daarentegen is een andere uitzondering op den algemeenen regel van de Nederlandsche Geref. kerken tot de 19de eeuw blijven voortduren, nl. bij de Geref. kerk der stad Groningen.
Te dien aanzien vermeldt W.A. Bachiene in zijne Kerkelijke Geographie der Vereenigde Nederlanden, Vierde stuk, blz. 85:
De ouderlingen (der stad Groningen) bestaan uit drieërlei stands-personen: naamlijk vier uit Burgemeesters en Raadsheeren der Stad; vier uit de Geleerden welke zijn, ’t zij Professoren der Academie, ’t zij Gepromoveerden tot de eene of andere Faculteit; en eindelijk acht uit de Borgerij. En deze ouderlingen blijven in die bediening volharden voor hun gansche leven; dus geene nieuwe Beroepinge geschiedt, dan door een tusschenkomend sterfgeval, vertrek of dergelijk.
De Diakenen (waartoe men gemeenlijk geene andere dan gehuwde persoonen verkiest) volharden 4 jaren in dezen dienst; en zij, die hunne jaren uitgediend hebben, zijn niet meer tot den Diakensdienst verkiesbaar, gelijk ook de Diakonie-orde geene vrijheid daartoe geeft; luidende: „Die tot Diaken verkozen worden, zullen hetzelve Ampt bedienen vier jaren; en niet meer.”

|107|

Bij die kerk was zoodanige regeling van de Overheid afkomstig. En het is er mee gegaan als met andere soortgelijke regelingen, waarin de kerk der stad Groningen van de andere kerken verschilde. Daar de kerk hierin van de Overheid niet vrij was en pogingen tot verandering toch wel niet gelukt zouden zijn, en die afwijkingen op zichzelve de kerk nog niet misvormden, heeft men ze aanvaard en eenvoudig laten voortbestaan.

De Heraut no 946.

IV. Op de generale synoden zelve, die de Nederl. Geref. kerken in de 16e eeuw gehouden hebben, schijnt er tegen de telkens herhaalde bepaling van periodieke aftreding niet veel bedenking te zijn ingebracht. Alleen heeft nu en dan eene ingekomen vraag de aandacht der Synoden op dit punt gevestigd en ook wel aanleiding gegeven om de bepaling te verdedigen. Cf. Acta der Nat. Dordtsche Synode van 1578, Part. vragen art. 13. Acta v.d. Ned. Syn. der 16de eeuw, blz. 266.
Of een ouderling, die zijn tijd uitgediend heeft en bereid is nog langer te dienen, der gemeente wederom mag voorgesteld worden om hem te mogen verkiezen?
Antw. Ja. Want de tweejarige verandering der ouderlingen is daarom inzonderheid ingezet „opdatse van den laste hares dienstes mochten verlichtet worden.”
Op de volgende Nat. Syn. te Middelburg in 1581 was uit Oost-Vlaanderen de vraag ingekomen (Verzamelstaat der ingekomen gravamina, punt 17; a.w. blz. 417):
„Te disquireeren, of het beter ware dat de Ouderlingen en Diakenen gedurig (d.i. voortdurend) dienen en onderhouden (= bezoldigd) worden, of dat zij omgewisseld worden.”
Die vraag was met andere vragen in handen gesteld van den Leidschen hoogleeraar L. Danaeus die op uitnoodiging der Synode als adviseur hare zittingen bijwoonde. En deze heeft er toen een advies over opgesteld (a.w. blz. 459 vgg.) waarin o.a. voorkomt: „Dat uit de H. Schrift niet kan gedefinieerd worden, dat de Ouderlingen en diakenen, eenmaal van de Apostelen verkozen, altijd in dat beroep of in een ander de kerke aangaande, gebleven zijn.”
Hij is tegen zulke continuatie, „hoe wel dat wellicht andere bekwame personen kunnen gevonden worden.”
1e. De reden is, dat ouderlingen en diakenen dan lichtelijk „tot tyrannie en eergierigheid aankeeren, al hetgene dat hen voor anderen als een voordeel en uitnemendheid toegelaten werd.” Cf. Rome.
2e. Daar benevens zoo zijn er meer „van de reeden en ’t regiment der Kerke ’t onderwijzen” die bij gebrek van anderen in hun plaats mogen gesteld worden, en indien dat dezelve personen, die eenmaal verkozen in den dienst altijd gecontinueerd worden, zullen die alleen verstand hebben de Kerk te regeeren.”
Met betrekking tot de Dienaren des Woords is ’t gevaar voor tyrannie niet zoo groot.
„Nochthans dewijl dat weinige onder hen zijn die geroepen worden tot het regiment der Kerk en in het Woord Gods te handelen, lezen en overleggen, zij zich oefenen altijd, dat men dezelve peryckelen zoo lichtelijk in hen, uit de Christelijke liefde, niet en heeft

|108|

te bevreezen. Daarbeneffens zoo verre veranderd worden de ouderlingen en diakenen zal dezelve verandering den Dienaar benemen allen toegang, dat zij hun eigen tyrannie over de Kerk gebruiken, „want alle tesamenrotting en verbinding lichtelijk uit de verandering der personen of bemerkt wordt of afgehouden wordt.”
Zijn er eenigen te continueeren, dan moeten ze weer opnieuw aan de kerk voorgesteld ter verkiezing. „Niet anders dan of ze nooit van te voren in dien dienst geweest hadden.”
Dit advies is toen evenals eenige andere advizen „de synode niet voorgelezen geweest” (a.w. blz. 455), daar de M.S. die met vele gewichtige zaken als het ware overstelpt was en die toch niet langer dan ruim drie weken kon bijeen blijven, haar agendum niet geheel heeft kunnen afdoen. Maar dat zij het met Danaeus eens was blijkt wel uit het feit, dat zij bij de herziening der K.O. de bepaling van aftreding heeft gehandhaafd en zelfs hare redactie nog wat heeft verduidelijkt.
En hetzelfde kan ook gezegd worden van de daarop volgende Nat. Haagsche Synode van 1586, waar ook eene vraag was (Verzamelstaat blz. 547): „Item van dezelfde (nl. de ouderlingen) te mogen continueeren”; en waar toen het daarop betrekking hebbende artikel van de K.O. onveranderd behouden bleef.

Afkeuring van de bepaling van periodieke aftreding vindt men in de 17de eeuw met name bij de Arminianen.
Reeds in de 16de eeuw is daar iets van te merken in den kring hunner voorloopers, bepaaldelijk te Leiden, waar de groote strijd van dien tijd tusschen de Politieken of Libertijnen en de Kerkelijken of Gereformeerden reeds sedert 1574 bijzonder heftig was en waar de regeering meer nog dan elders aanvallend te werk ging, onder medewerking van den later door de kerken afgezetten Leidschen predikant Caspar Janszoon Coolhaas en van den bekwamen schrijver, die toen de voornaamste tegenstander was van de Geref. leer en kerkinrichting, Dirk Volkertszoon Coornhert.
In Febr. 1579 besloot de Magistraat zelf ouderlingen en diakenen te benoemen. De kerkeraad droeg dan voor 9 plaatsen een dubbel getal voor. De Overheid benoemde er zelf drie bij, welke drie te samen een predikantstraktement zouden hebben, terwijl hun dienst gedurig zou zijn.
(Bijlagen P en Q bij de Justificatie des Magistraats tot Leiden in Holland, in 1579 door de Leidsche Magistraat uitgegeven en aan alle stedelijke Overheden toegezonden, door Coornhert voor haar opgesteld en daarom ook opgenomen in de Folio uitgave van dienst werken, Dl. II, foll. 189-204. De bekende bijzonderheid tijdens ’t beleg bij Brandt, Hist. der Ref., Dl. I, blzz. 453 vgg., de penning met haec libertatis ergo in plaats van  „haec religionis ergo” zoals de predikanten wilden en het gezegde van de secretaris Jan van Noort).
Na 1½ jaar kwam er in den Leidschen strijd een transactie tot stand, waardoor de bepaling verviel.

|109|

Geestverwant van die Leidsche Overheid was in de 17de eeuw de meest beroemde woordvoerder van de Remonstranten Hugo de Groot. Ouderlingen volgens hem een nieuwe vinding van de 16e eeuw. Ze konden blijven, als ze, niet door God maar door macht der Overheid tot hun ambt geroepen zich geheel aan die Overheid onderwierpen en in geen geval zich aanmatigden kerkelijke tucht te willen uitoefenen. Cf. De imperio Summarum potestatum circa sacra Cap. XI, par. 14, 15, 17, 21. Ordinum Hollandiae ac Westfrisiae Pietas blzz. 19, 65, 88, 112 en in zijn anonym geschrift: Goede trouw, Sibrandi Lubberti, blzz. 22, 24.
Hij komt telkens op tegen de bepaling van geregelde aftreding op vele zoeven aangehaalde plaatsen en in zijn Votum pro pace ecclesiastica ook afgedrukt in de Folio uitgave van de werken van Andreas Rivet, Dl. II, blzz. 1071 vg. in de par. de potestate ecclesiastica.
Op die beschouwing had natuurlijk invloed, dat de Arminianen in ’t begin der 17e eeuw heel wat last van de Geref. ouderlingschap hebben gehad.
Toch was er een enkele Geref. die in beginsel geen bezwaar had tegen een voortdurend ouderlingschap.
Buiten twijfel was ook een hoofdbezwaar tegen zulk een ouderlingschap bij ’t stelsel der Arminianen niet aanwezig, evenmin als b.v. in de Ned. vluchtelingenkerk te Londen. Clericalisme van de kerkeraad werd daar afdoende beteugeld door de hooger staande macht van Overheid of bisschop (een veiligheidsklep als middel veel erger dan de kwaal).
In deze artikelenreeks alleen historische toelichting, geen volledige behandeling van de quaestie of hare geschiedenis. De Leidsche hoogleraar Johannes Polyander in zijn  Synopsis Purioris Theologiae, Disp. XLII, par. LXXII, 1625, voor tweejarigen dienst. Voetius in zijn polemiek tegen Hugo de Groot e.a. op dit punt in 1669, Pol. Eccl. Tom. III, p. 466, hoewel hij zelf geen tegenstander was van voortdurende dienst, wil nu de gewoonte van periodieke aftreding ingevoerd is, den tijd van 2 jaren veranderen in een tijd van 3, 4 of 5 jaren.
Zulk een eenigszins langer duur, die toen ook wel voorkwam, had juist door die gewoonte reeds toen ook zijn recht van bestaan. Iets, dat uit den aard der zaak thans nog meer geldt, en dat thans ook blijkbaar zoo beschouwd wordt door de kerken zelve. Misschien zou zelfs gezegd kunnen worden, dat bij alle handhaving van de periodieke aftreding feitelijke continuatie, vaak zelfs levenslang, thans wel wat al te gewoon is.”

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 29

|110|

[Cursus 1893-’94]

Hoofdstuk II. Van de kerkelijke samenkomsten

Artt. 29-52 handelen over de kerkelijke samenkomsten. In dit Caput wordt gesproken over het kerkverband.

Samenkomsten.

Art. XXIX. Vierderlei kerkelijke samenkomsten zullen onderhouden worden: de Kerkeraad, de Classicale vergaderingen, de particuliere Synode, en de Generale of Nationale.

Art. 29. De meerdere vergaderingen zijn van den beginne af aan in de Geref. kerken gehouden, hier te lande en ook in Frankrijk, Zwitserland, Duitschland en bij alle Gereformeerden. In de Luthersche kerken was dit anders. De daad van Reformatie ging uit van de Landsoverheid. Die organiseerde de kerken en hield de regeering der kerken in handen met name in Duitschland werd het territoriaalsysteem gevonden. De landsoverheid ook overheid in de kerk. Van hem gaat het bestuur uit. Hij kan dit wel door middel van anderen uitoefenen, maar zelf is hij summus episcopus kat' exochen. Doorgaans was het zoo, dat de landsoverheid bepaalde personen aanwees (superintendenten of wel bepaalde colleges instelde waarvan de leden door den vorst benoemd werden, consistoria, opperbestuur in de kerk. Kerkeraden zijn hierbij niet noodig. Zij zijn eer met het stelsel in strijd. Zelfstandige inrichting en eigen regeering hooren in dit stelsel niet thuis.
In de Luthersche kerken is van meerdere vergaderingen geen sprake.
In de Geref. kerken geldt de stelling:
Het Lichaam van Christus openbaart zich plaatselijk in de geïnstitueerde plaatselijke kerk, die op zichzelf volledig is en onder Koning Jezus een eigen bestuur heeft. Niet de burgerlijke Overheid maar Christus zelf is Koning. Hij gebruikt zijne dienaars in de door Hem ingestelde ambten. Hier is geen sprake van opperbestuur over de kerken vanwege de Overheid of eene buiten-kerkelijke macht. Geen onderwerping van de eene kerk aan de andere. ’t Doet te kort aan het koningschap van Jezus, en zelfstandigheid, recht en vrijheid van iedere plaatselijke kerk.
Wel moest er verband gezocht. Hiernaar hebben de Geref. kerken steeds gestreefd.
We zien dit reeds bij de kruiskerken.
Van 1563 af zijn er in de Zuidelijke Nederlanden vergaderingen gehouden in classen en particuliere synoden. De Acta zijn nog over.
Ook in de Noordelijke provinciën.
In 1568 samenkomst van leiders en woordvoerders der Gereformeerden te Wezel.
Men was aanstonds bedacht op een kerkverband voor alle Gereformeerden.
Wezel kon geen bepalingen maken. De mannen daar vereenigd, waren geen afgevaardigden van kerken maar (particuliere) personen. Ze spraken persoonlijke gevoelens uit.

|111|

3 Nov. 1568 werden de Wezelsche artikelen onderteekend.
Ze zijn een handleiding voor kerkelijke inrichting en regeering.
Art. 1-3. In art. 2: Ideo putamus, ut Belgiae certae provinciae in classes distribuantur etc. om gemeenschappelijk te overleggen over gewichtige zaken, die een kerk niet alleen afkon. Art. 3 provinciale synoden voor Nederland, als de Reformatie in het Noorden doorbreekt, om de kerk te constitueeren.
1570. Circulaire ook over dat onderwerp van Marnix en van der Heyden aan de Geref. kerken. Zoo bleef de zaak levendig.
In 1571 is het kerkverband te Embden tot stand gekomen. Het omvatte alle Ned. Geref. kerken. Van dien tijd dagteekenen de vierderlei meerdere vergaderingen.
Redactie 1571. In art. 6-9. Daarover gehandeld: kerkeraad, classe, provinciale synode en generale synode.
Ditzelfde wordt herhaald in de redactie van K.O. van 1578 art. 16.
In de redactie van 1581 art. 20 en art. 26 van de redactie van 1586 staat hetzelfde artikel als in die van 1619 art. 29.
Gevraagd of op Geref. standpunt niet van een vijfde soort van kerkelijke samenkomst moest gesproken, nl. de oecumenische synode.
Op Geref. standpunt is er geen reden waarom dit kerkverband zich niet zou uitstrekken tot kerken van alle volken. Dit zou de kroon op het werk zijn.
In de 16e eeuw heeft men beproefd tot zulk een oecumenisch concilie te komen. Cf. Calvijns geschriften. Zulke plannen waren er ook in Middelburg. Cf notulen van 1581, pag. 2.
Als de synoden oecumenica vergaderd zal worden dan zal uit elke particuliere synode één afgevaardigde gezonden worden.
In Duitschland werd er onder leiding van Zanchius werk van een oecumenische synode gemaakt. ’t Plan is echter mislukt. Er stond te veel in den weg. Niet de belijdenis en de kerkregeering verschilden te veel, maar het zat hem in de Overheden. Sommige kerken moesten verlof van de Overheden hebben om met buitenlandsche kerken te kunnen handelen. De goedgezinde Overheden waren voor zulke kerkelijke banden zeer bevreesd. Er was bij hen tegenwerking en verbod. De taal was ook bezwaar. Het kwam zeldzaam voor dat een Duitscher Fransch verstond. Calvijn die 3 jaren in Duitschland predikant was, heeft nooit Duitsch verstaan. Het Engelsch was veel minder bekend. ’t Latijn was onder de geleerden de algemeene taal en allen kenden het niet als moedertaal. De ouderlingen b.v. kenden het niet. Ook was de uitspraak te verschillend. Ook waren er bezwaren in kosten en reisgelegenheid en practische zaken. Het reizen leverde gevaar op. Na dien tijd is het plan niet meer opgevat.
Dezelfde bezwaren gelden ook nu nog. Meer nog, dat de kerken, die nu Gereformeerd heeten, niet genoeg in kerkregeering en belijdenis overeenstemmen, wat eerste vereischte is, zal het geen Poolsche landdag worden.
Alliantie-vergaderingen zijn geen synoden. Ze besluiten niet. Om alliantie te krijgen moet men vaak de belijdenis laten schieten. De kerken hebben er niet veel aan. Het is wel persoonlijke kennismaking.

|112|

Een oecumenische synode is onbereikbaar. De synode van Dordt 1618 was niet oecumenisch. De afgevaardigden waren meestal door
buitenlandsche Overheden, niet door de kerken gezonden. De Fransche Geref. Kerken ontbraken er, want de koning van Frankrijk gaf geen verlof. Evenzoo ontbraken de Engelsche Presb. Geref. kerken en de Schotsche. Jacobus wilde niemand naast den bisschop van zijn staatskerk hebben. Daarom verbod.

Kerkverband is niet op te vatten enkel als eene communicatio ecclesiarum, die uitgeoefend wordt door brieven en deputaten. Dit is een soort kerkverband, maar niet eigenlijk. De aanwezigheid van deputaten uit het buitenland met heilbede getuigt van de werking van een soort kerkverband, maar dat niet zeer vast is en op één enkel punt werkt, en niet op het doel van kerkverband.
Certa ac stata combinatio moet het volgens Voetius zijn.
De noodzakelijkheid en aard van het kerkverband hebben de Geref. kerken steeds gehandhaafd, eenerzijds tegenover het Independentisme en Anabaptisme, anderzijds tegenover Rome.
Het independentisme loochende de noodzakelijkheid en wettigheid van zulke combinatie.
Rome misvormde de combinatie tot onderwerping van alle kerken aan den eenen bisschop van Rome.
Independentisme en Anabaptisme zeggen: iedere kerk op zichzelf, wel communicatie.
De gronden der Gereformeerden voor de noodzakelijkheid van vaste combinatie zijn vijf in getal.
1e. Beroep op de innerlijke eenheid aller geloovigen in Christus, die uitwendig zooveel mogelijk blijken moet. Grondstelling: De kerk als geestelijk organisme is één. De geïnstitueerde is de openbaring van het lichaam van Christus. Het is één Lichaam. De H. Schrift betuigt die eenheid. Alle leden van de plaatselijke kerken zijn één in Christus. De eenheid moet naar buiten blijken, plaatselijk, doordat de geloovigen zich aaneensluiten. Ook volgens de Confessie moet een geloovige zich bij de kerk voegen en niet alleen blijven staan. Plaatselijke scheuring is zonde. Ook iedere kerk moet zich bij de andere voegen en niet alleen blijven staan. Alle kerken behooren tot het ééne lichaam van Christus. Kerkverband moet er zooveel en zoo nauw mogelijk zijn.
2e. Beroep op de H. Schrift. Er is geen rechtstreeksche ordinantie tot kerkverband in het N. Testament. In het N.T. komen heel weinig voorschriften van kerkelijken aard voor, wel beginselen, waaruit kerkelijke toepassingen zijn af te leiden. In de Oude bedeeling was alles door God Zelf geregeld. In de kerk van de nieuwe bedeeling is geen godsdienstig of kerkelijk wetboek.
Beroep op Handelingen 15. Daar sprake van de eerste synode. Kerkverband tusschen de kerken van Jeruzalem en Antiochië ter beslechting van een geschil in Antiochië. Deputaten van Antiochië. Jeruzalem sprak zich uit door de Apostelen en Ouderlingen.
Hier een meerdere kerkelijke vergadering onder leiding der Apostelen en een besef van saamhoorigheid, ook met betrekking tot de besluiten. Dit geschiedde door de Apostelen, daarom is het nog meer normatief voor lateren tijd.
In Rom. 15: 26, 2 Cor. 8: 1-4, 19, is sprake van wederkeerige hulp

|113|

en communicatie tusschen de kerken van Macedonië en Achaia en Palestina. Er is sprake van collecten. Hieruit spreekt dus het besef, dat niet iedere kerk op zichzelf staat, maar dat ze tot wederkeerige hulp geroepen zijn.
1 Cor. 11: 16. Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods.
Paulus stelt hier aan de kerk van Corinthe andere kerken als voorbeeld voor. De eene kerk mag niet zeggen, wat de ander doet, gaat mij niet aan.
Matth. 18: 15 met betrekking tot persoonlijke beleediging. Christus stelt als regel om telkens meerderen in zulk eene zaak te betrekken. Allereerst voor kerkelijke tucht, als de zaak in kleinen kring niet kan behandeld, maar ook ligt hierin een beginsel van kerkverband. Wat van de geloovigen in het bijzonder gezegd word, geldt ook van de kerken.
In de H. Schrift zijn dus aanwijzingen dat kerkverband door de Apostelen bedoeld is.
3e. Het derde argument voor de noodzakelijkheid van kerkverband is, dat de kerken ook gemeenschappelijke belangen en nooden en behoeften hebben en daarvoor samen hebben te zorgen. Nooden enz. die een kerk alleen niet afkan, b.v. regeling van haar verhouding tot de Hooge Overheid. Anders ontstaat er verwarring door verschil van regeling. Dit geldt ook van de zending onder de heidenen en Mohammedanen. De kleinste kerk is geroepen tot zendingsarbeid maar alleen kan ze dit niet. Om samen te zorgen is noodig verband en het samen vergaderen.
4e. Dat iedere plaatselijke kerk moet zorgen voor eigen instandhouding en uitbreiding, zuiverheid in leer en wandel en orde en regel in haar eigen midden, is waarheid. Maar ook waar is, dat iedere bijzondere kerk beter aan die roeping kan beantwoorden, naarmate ze met andere kerken in verband staat en dat zonder verband een bijzondere kerk vaak in ‘t geheel niet aan die roeping voldoen kan. Vooral dat laatste geldt van kleine kerken. Een kleine kerk gaat dikwijls door gemis van verband te gronde, bijv. door langdurige vacature, ketterij, dreiging van scheuring, afwijking in levenswandel. Zelf kan een kleine kerk hieraan niet voldoen.
De roeping om voor zichzelf te zorgen brengt dus juist het verband mee.
5e. Oefening van kerkelijke gemeenschap, ambtelijke bediening en kerkelijk hulpbetoon moet telkens tot andere kerken uitgestrekt. De sterkste independent geeft dit toe. Is dit waar, dan is er verband noodig, waarbinnen die gemeenschap behoorlijk moet geoefend. Dit moet naar regelen gaan, b.v. bij verhuizingen van de eene kerk naar de andere, zijn de leden die verhuizen, niet als heidenen te beschouwen, maar als leden der kerk. Daarvoor is attestatie noodig, die erkend moet worden. Daaruit volgt erkenning van elkanders handelingen.
Ditzelfde ook bij vacante kerken. Een kerk moet haar predikant afstaan aan een vacante kerk. Voor oefening van wederkeerig hulpbetoon is ook een regel noodig. Iedere predikant moet door de

|114|

gezamenlijke kerken worden onderzocht. Daarvoor is kerkverband noodig.
Tegenover Rome en de Independenten zeggen de Gereformeerden: Er moet kerkverband zijn tusschen de kerken van Christus, overeenkomend in belijdenis en ordening.
Tegenover Rome is de aard en het karakter van het verband omschreven. Het mag geen hiërarchisch verband zijn. Rome staat ook tegenover Independentisme. In den bisschop wordt het kerkbegrip en de kerkelijke macht geconcentreerd, hun macht is den metropolitaan en die der metropolitanen is den Paus.
Onder hiërarchie verstaat men zoodanig verband, dat de kerken ophouden plaatselijke kerken van Christus te zijn en dat ze worden deelen van een ander geheel.
In de H.Schrift is sprake van plaatselijke kerken. Bij Rome zijn alle kerken onderworpen aan een oppermacht. Dan wordt in den Paus de eenheid bewaard, ten koste van het lichaam van Christus.
Deze antithese geldt op zekere hoogte ook tegenover het collegiale stelsel. Hierbij een groot geheel met centraal bestuur en onderbesturen in verschillende graden en trappen.
Bij het episcopale en papale stelsel zijn de kerken goddelijke instellingen, bij het collegiale stelsel is de Kerk een menschelijk instituut, een genootschap, naar den wil der menschen. De Paus ontleent zijn gezag aan God.

Om den aard van het kerkverband te kennen zijn Voetius’ antithesen dienstig. Politica Ecclesiastica, 3, 1, 3, Cap. 2 par. 6, Dl IV, pag. 120. 12 vereischten voor Geref. kerkverband.
1. Correspondentie onderling van kerken met kerken, niet van kerken met een bisschop, superintendent of college van predikanten. Dit geldt nu ook van ’t collegiale stelsel.
2. Alle deelnemende kerken moeten er in toestemmen. Geen uitwendige dwang.
3. Het moet aan zijn doel kunnen beantwoorden. Daarop trappen; eerst in kleinen dan in grooten kring.
4. Alle deelnemende kerken moeten overeenkomen in belijdenis en ’t substantiëele van de kerkorde.
5. Door kerkverband moet er combinatie en confoederatie van kerken tot stand komen, niet een afzonderlijke kerk of een soort nieuwe kerkvorm in ideeelen, representatieven of virtueelen zin. Geref. kerk in Friesland is dus onjuist uitgedrukt. Beter te spreken van Nederlandsche kerken in ’t meervoud dan van Ned. kerk in ’t enkelvoud.
6. De combinatie moet dienen, om vrijheid en de macht van de bijzondere kerken te bewaren, te bevorderen en in goeden zin te sturen, niet om die op te heffen en er aan te kort te doen. De macht van de plaatselijke kerken moet ongeschonden blijven.
7. Geen nieuw soort van bestuursmacht, geheel of ten deele, mag aan dat kerkverband worden toegekend. Erkend blijve dat het bestuur van een plaatselijke kerk bij den kerkeraad berust.
8. Het kerkverband werke niet door magistrale voorschriften, lasten of bevelen, maar door onderling overleg. De Paus decreteert. In het collegiale stelsel is er een bestuur, dat beveelt.

|115|

9. Bij het kerkverband, waarin zeer zeker een zekere afhankelijkheid is van de eene kerk van de andere, moet deze altijd wederkeerig zijn. Nooit mag eene kerk praedomineeren.
10. Hij wijst er op, dat nooit een plaatselijke kerk mag verhinderd te doen, wat strekken kan tot stichting van kerkreformatie, in leer en zeden en betere verbinding aan den Heer en Zijn dienst. Zij mag niet belemmerd in het pogen om aan haar doel te beantwoorden. Zij moet dit doen, al doen de andere kerken dit niet. Rome zei: een concilie moet reformeeren. In het collegiale stelsel heeft een kerk geen recht zelf tot Reformatie te komen, maar moet zij wachten op besturen.
11. Dat in het kerkverband de gezamenlijke kerken alleen behandelen mogen onderwerpen die de gemeenschappelijke stichting en opbouwing der kerken betreffen of gemeenschappelijke nooden en behoeften, b.v. geschillen die in kleinen kring niet geschikt kunnen worden.
12. De meerdere vergaderingen moeten nooit een onderwerp behandelen, dat in den kerkeraad kan behandeld, ook al brengt de kerkeraad het in classe of synode. Bij meerdere vergaderingen komen zaken per accidens. De synode komt voor een doel samen, als er iets bepaald noodig is.
Deze twaalf vereischten worden door Voetius voor Geref. kerkverband aangegeven. In de 17e eeuw was hij het meest theoretisch en practisch in het kerkrecht geoefend.

De vier kerkelijke vergaderingen in dit artikel zijn niet gelijksoortig. Hierover meer bij art. 36, waar van de autoriteit sprake is.
De kerkeraad bestaat uit personen, die bepaalde dienaren in een bepaalde kerk zijn: dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen. De gezamenlijke kerkedienaars brengen hier hun macht saam. Ieder heeft een bepaald ambt.
Groote of breede, kleine of gewone kerkeraad met of zonder diakenen. Hierover later meer.
Classen en synoden zijn geen vergaderingen van personen, maar van kerken, saamkomend door middel van representanten, afgevaardigden. Cf. art. 37 en art. 41 (kerken).
Onderscheiden geaardheid.
De kerkeraden zijn eigenlijk de oorspronkelijke en altijd blijvende en algemeene bestuursmacht, terwijl de meerdere vergadering een afgeleide en slechts tijdelijk aanwezige en beperkte macht hebben.
Dit is het hoofdpunt in het Geref. Kerkverband tegenover hiërarchie en collegialisme. Uitvoerig behandeld in Pol. Eccl. van Voetius, Tom. III, Lib. I, Tract. III, Cap. 5 par. 5 (of Dl IV, pag. 174). Hij noemt de Pol. Eccl. van Parker. De hoogste macht bij de plaatselijke kerk. Hij citeert de woorden van Parker zelf en neemt vijf redenen van Parker over, waarom de autoriteit van de plaatselijke kerken grooter is dan die van classen en synoden, in nogal scholastieke uitdrukking (dus niet Ciceroniaansch).
1. Met betrekking tot de essentialitas (wezen).
Autoriteit heeft een kerkeraad uit kracht van zijn wezen. De

|116|

dienaars brengen daar hun autoriteit saam.
Een classe of synode heeft de macht alleen accidentaliter. De vergadering, die de macht wezenlijk heeft staat hooger.
2. De finalitas.
De Classen en Synoden bestaan ter wille van de plaatselijke kerken, niet omgekeerd. Op synoden spraken de afgevaardigden nog wel van meesters-kerkeraden.
3. De fontalitas.
Classen en Synoden ontlenen al hun macht aan de kerkeraden en die hebben in zichzelven die macht.
4. De stabilitas.
Neem de plaatselijke kerken weg en de classes en synoden vallen weg. Zonder classen kunnen er echter wel kerkeraden zijn. Kerkeraden bestaan er altijd. Zoodra de classevergadering gesloten is, is het mandaat uit. Geen permanente synode, wel classicaal ressort, maar geen permanente classicale vergadering.
5. De necessitas.
Een kerkeraad is bepaald noodig voor de plaatselijke kerk om als geïnstitueerde kerk op te treden. Die noodzakelijkheid bestaat niet bij de classe. Met het bestaan van classen, staat of valt de geïnstitueerde kerk niet.
Classen en synoden zijn in zekeren zin hoogere vergadering alleen doordat ze meer gezag hebben, niet in en uit zich zelven, maar omdat er meer kerken saam zijn. Tien mannen zijn sterker dan één, zegt Voetius.
Kerkeraden behandelen alle kerkelijke zaken. Classen en synoden alleen die zaken, die niet door den kerkeraad kunnen worden afgedaan.
Men zou kunnen vragen: hoort art. 40, de diaconale vergadering er niet bij, zoodat er dus vijfderlei kerkelijke samenkomst is?
Antwoord: Diaconale vergaderingen hebben geen kerkelijke bestuursmacht, zijn geen bestuur, betreffen den dienst der barmhartigheid en art. 40 staat onder leiding der dienaren = onder leiding van den kerkeraad. Ze komen saam op dezelfde manier als dienaren des Woords in groote plaatsen saamkomen om over hun ambtszaken te spreken, b.v. beurtenregeling etc. Zij hebben dus geen bestuursmacht. Dit kan men ook zeggen van de ouderlingen met betrekking tot het maken van schikkingen omtrent hun herderlijk werk.
Samenkomst van diakenen is overal noodig, b.v. voor uitdeeling.
Er is wel eens neiging vooral in grote gemeenten om diakenen onafhankelijk hun regeling te laten maken in diaconale samenkomsten, diaconale conferenties, provinciale of generale, waarbij afgevaardigden gezonden worden door kerkeraad of diakenvergaderingen, met instructies en credenties.
Dit is in strijd met het Geref. kerkrecht. Zij mogen niet gelijkgesteld met kerkeraadsvergaderingen. Zij zijn geen kerkelijk bestuur en kunnen niet beslissen. Dan zou men in de kerken

|117|

tweeërlei van elkander onafhankelijk bestuur krijgen. Dit gaat niet. Dan komt er botsing of wel het diaconaat zou buiten de kerk komen te staan en daardoor onkerkelijk en antikerkelijk worden, een particuliere vereeniging.
Alle regelingen, die diakenen maken, zijn afhankelijk van kerkeraden. Het mag wel formaliteit worden, maar het principe moet blijven. In de kerken is de kerkeraad het eenige bestuur van Godswege.
Een kerk kan niet naar diaconale conferenties en classen afvaardigen, want die zouden tegenstrijdige dingen kunnen besluiten. Een andere vraag is het toekennen van invloed aan diakenen in de meerdere vergaderingen.

Hoe te oordeelen over een General Assembly, waar alle kerken van het gansche kerkverband afgevaardigden zenden?
In ons kerkverband van 700 kerken komen geen 700 afgevaardigden maar ± 40 ter synode. Nu is ook mogelijk, dat iedere kerk twee afgevaardigden zendt. Zoo bestaat het in Amerika en Schotland.
Deze vergaderingen zijn niet in strijd met het Geref. kerkrecht maar komen er mee overeen. De generale synoden zijn saamgesteld uit afgevaardigden van groepen van kerken omdat het ondoenlijk is voor een synode, die kort duurt, uit elke kerk afgevaardigden te doen komen. Dit zou te kostbaar zijn. Ook zijn de predikanten niet te missen.
Zulk een vergadering is ongeschikt tot detailzaken. In Amerika zijn de kerken of kleiner van omvang of er is een andere wijze van behandeling, zoodat de algemeene vergadering zich over enkele punten uitspreekt. Zoodanige vergadering is dan de Synode in den volle zin van het woord.
Hiertegen is geen principiëel maar een practisch bezwaar.
Anders is het als een general assembly voor zeer gewichtige zaken samenkomst. In autoriteit staat zij dan boven eene generale synode, omdat de kerken meer eigenlijk vertegenwoordigd zijn.
In onze kerken is een general assembly nooit noodig geoordeeld.
Hoe te oordeelen over vergaderingen in plaatselijke kerken, bestaande uit alle gemeenteleden, of ook alle mannelijke of alle meerderjarige?
Zulke vergadering zijn zeer zeker nuttig. In sommige gevallen noodig en aan te raden. Alleen maar men beschouwe ze niet als een kerkelijk bestuur, zooals de Independenten, die zeggen, dat de kerkelijke macht in beginsel door den Heere aan de gemeente gegeven is. Dit is juist, maar daaruit volgt niet, dat de gemeente de macht moet uitoefenen. De H. Schrift spreekt van ambten als organen voor de kerkregeering.
Zulke vergaderingen mogen geen besluiten nemen, want dan heerscht de volkssouvereiniteit in de kerk, beginsel van revolutie. De democratische strooming neigt er wel toe.
De samenkomsten zijn wel noodig om de gemeente mee te doen werken met den kerkeraad, die niet overheerschen mag, maar

|118|

goedkeuring van de gemeente moet hebben. Om de wenschen van de gemeente te leeren kennen, zijn die vergaderingen nuttig. Men kan zoo op haar werken en ze blijft op de hoogte. De kerkeraad heeft alleen de leiding.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 30

Bevoegdheid

Art. XXX. In deze samenkomsten zullen geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort.

Art. 30 handelt over de bevoegdheid van kerkelijke samenkomsten.
Er worden drie beginselen gesteld. De eerste twee hebben op alle kerkelijke samenkomsten betrekking, het derde alleen op de meerdere vergaderingen.
Alleen kerkelijke zaken bij alle kerkelijke samenkomsten.
Oppervlakkig schijnt dit vanzelf te spreken. De historie leert echter anders. Vaak is er in de praktijk een ander beginsel gevolgd en ook nu nog wordt afgeweken van het in theorie aanvaarde beginsel.
De eerste redactie van de K.O. van ’71 had dit beginsel nog niet, want in 1571 waren er kerken, die dit niet aanvaard hadden of in practijk brachten, nl. die onder het kruis en in de verstrooiing.
In tijden van vervolging was het voor de kerken van hoog belang uit moeilijkheden bevrijd te worden en vrijheid te krijgen.
’t Lag voor de hand, dat de kerken nu en dan op politiek terrein overtraden. De strijd om de religie kon niet een geestelijke strijd blijven, want Rome streed met stoffelijke, wereldlijke wapenen. Daartegen verzette men zich ook op uitwendige wijze en dit gaf telkens eene dooreenmenging van kerkelijke en politieke zaken. Hier te lande was de zaak der kerken als de zaak der geuzen, die voor vrijheid streden.
Behalve die gelijkheid van belangen bewogen de kerken zich hierdoor op politiek gebied. Elke actie tot verkrijging van politieke vrijheid heeft organisatie noodig. In den wilde kan er niet met vrucht gestreden worden. Van den eersten Franschen godsdienstoorlog af gebruikten de Fransche Gereformeerden de politieke organisatie tot kerkelijken strijd. Men zei dan, dat de politieke strijd een religieuzen grondslag had en ten bate der kerk gestreden werd. De kerken hadden een organisatie. Waarom zou men die dan niet gebruiken? Daarin waren mannen van invloed met organisatorisch talent. In Frankrijk dienden de consitoriën ook voor politieke en oorlogszaken. Ze maakten geen oorlogsplannen maar de leiders van den politieken strijd gebruikten ze om geld bijeen te brengen. De kerkeraden dienden om sympathie te wekken, berichten te verspreiden, etc.

|119|

De kruiskerken deden dit hier te lande, b.v. het aanbieden van een som gelds aan Philips om vrijheid. Prins Willem wilde, dat de kerkeraden nog meer in dien geest zouden werken, wenschte meewerking der kerken om de wettigheid van het verzet tegen Spanje den volke duidelijk te maken, wilde meewerking der kerken tot verkrijging van geld.
1571 Synode van Emden.
Prins Willem deed door middel van Marnix voorstellen indienen in dien geest op classes en synode.
Op de synode van 1571 zijn gravamina op dat punt ingekomen. In dien tijd was het beginsel der K.O. niet algemeen aangenomen en was er eerder eenige neiging tot het tegendeel. Toch hebben de kerken in ’t geheel dat beginsel niet aangewild. Emden, door Marnix wetende wat de Prins wilde, nam geen besluit in zijn geest. De Prins toonde zich daarna niet zeer met de synode ingenomen. De synode sprak zich echter niet in tegenovergestelden zin uit.
Ook die synode was blijkbaar van hetzelfde beginsel, doch sprak het niet uit om moeilijkheden te voorkomen, dus uit voorzichtigheid. Op dusdanige voorstellen ging ze niet in.
Daarna, toen in 1572 de vrijheid begon te komen, was alle aanleiding om de kerkelijke organisatie voor politieke doeleinden te gebruiken, vervallen. Toen was er politieke organisatie. In 1574 zag de Prins zelf niet graag, dat de kerken zich met de politiek zouden bemoeien.
Toen werd dit beginsel gesteld, dat op kerkelijke samenkomsten alleen kerkelijke zaken zouden behandeld worden.
Redactie ’74, art. 5 met de bijvoeging, dat bij zaken van gemengden aard (ten deele kerkelijk, ten deele politiek) de goedkeuring van de Overheid zou gevraagd worden. Vooral huwelijkssluiting en bevestiging werden ten deele politiek genoemd. Dit was zoo, want er was geen burgerlijke stand en huwelijksbevestiging was tegelijk huwelijkssluiting.
De synode deed nu te meer uitkomen, dat de kerken alleen binnen haar eigen terrein moesten besluiten.
De Overheid wilde eerst niet, want zij wilde ’t aan de kerk overlaten, maar ze deed het toch.
Er kan quaestie komen of eene zaak kerkelijk is of niet. Rome noemt veel dingen kerkelijk, die het niet zijn.
De Gereformeerden onderscheidden steeds goed tusschen ecclesia visibilis en ecclesia invisibilis, tusschen de kerk als organisme en de kerk als instituut.
Hier is sprake van zaken, die tot de kerk als instituut behooren, niet die de kerk als organisme raken. Christelijke belangen zijn dus niet door kerkelijke vergaderingen te beslissen.

Tweede beginsel is „en dezelve op kerkelijke wijze.”
Ondersteld is, dat er meer dan één wijze van behandeling is, b.v. een politieke wijze, een militaire etc. en een kerkelijke.
’t Onderscheidende van kerkelijke behandeling is niet duister, nl. niet overheerschend, bevelend, niet dwingend, met geweld opleggend. Dit is in ’t politieke en militaire soms noodig. De Overheid heerscht, beveelt, gelast en dwingt, geeft aan de

|120|

onderdanen geen rekenschap, eischt gehoorzaamheid, gebruikt dwang met uiterlijk geweld. Dit behoort juist tot het karakter van de Overheid.
In de kerk is dat zonde. Alle besluiten en regelingen moeten voor de kerken gemotiveerd worden en altijd op Gods Woord steunen. Men moet in ’t kerkelijke overtuigen, geduld oefenen, waar bezwaren zijn. Kerkelijke terminologie moet verschillen van civiele terminologie. Volgt de kerk de laatste in vorm na, dan ontaardt ze. In de kerkelijke vergaderingen zijn de dienaren dienaren van Christus om Gods Woord te bedienen. Ze zijn geen Overheden. Dit beginsel is noodig tegen ontaarding en de gemeente zou tegen overheersching in verzet komen, want ze gevoelt zeer goed, dat dit niet mag. Dan komt er scheuring, of de kerk of gemeente moest zelf als Rome diep gezonken zijn.

Het derde beginsel is de tweede alinea. Classicale en synodale meerdere vergaderingen hebben een beperkter terrein, waarop ze handelend optreden, dan de mindere.
Dit is een eigenaardigheid van het Geref. stelsel. In bijna alle andere stelsels is het juist andersom, natuurlijk wegens hun aard en karakter.
In ’t papale stelsel is de macht van de Paus onbeperkter dan die van een aartsbisschop enz. naar beneden toe.
Zoo ook in het Episcopale en territoriale stelsel de macht van den landsvorst in de kerk. Het college, door hem ingesteld als consistorie is heel wat ruimer dan de plaatselijke kerk.
De collegiale bestuursmacht is ruimer dan die van de kerkeraad.
In het Geref. stelsel zijn de meerdere vergaderingen geen bestuurscolleges, maar eene samenvoeging van kerken, waar de plaatselijke kerkeraden hun macht bijeenbrengen, zij het ook niet al hun macht.
Hieruit volgt, dat de meerdere vergaderingen in geen geval ruimer macht hebben. Waar zou die macht vandaan komen? Een macht, die de kerken niet hebben, kan de meerdere vergadering ook niet hebben, want de kerken brengen zelf de macht samen. Evenveel macht in abstracto laat zich denken. De meerdere vergadering had dan de volle macht van den kerkeraad op ruimer terrein (want tien zijn meer dan één), niet eene diepere qualitatieve macht. Maar dan moesten de kerkeraden al hun macht op de meerdere vergaderingen bijeen hebben; dan zou de kerkeraad tijdens zulk eene vergadering zijne macht kwijt zijn. Neen, de kerkeraad brengt op de classe dat deel van macht, dat noodig is om andere kerken te helpen of dat hij alleen in verbinding met andere kan gebruiken, bij wat hij alleen niet kan afdoen. Ook zaken betreffende verschillende kerken door gemeenschappelijk belang.
Daardoor wordt de macht van classe en synode eigenlijk zeer beperkt. Tegenover ééne zaak, die de kerk niet afkan, staan er tien, die ze wel afkan. Daarover mag de classe of synode niet beslissen. Komen zulke zaken ter classe of synode, dan moet de classe of synode ze terugzenden. Vaak is in de practijk hiervan afgeweken, maar dit mag niet. Men zegt wel eens, het gaat zoo gemakkelijker, maar daarin bestaat de kerkregeering niet.

|121|

Dan kunnen we alleen wel de bevelen van den Paus uit Rome ontvangen. Dit gaat voorzeker gemakkelijker. Om die reden heeft men in de Geref. Kerken geen permanente meerdere vergaderingen. Stonden ze er boven in aard en qualiteit, dan moesten ze permanent Hoofdbestuur zijn. Men zou dan de kerken niet drie jaren van dat bestuur mogen berooven, als centraal-bestuur. Doch bij de Gereformeerden is de kerkeraad het eenige bestuur.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 31

Appel.

Art. XXXI. Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de artikelen in deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn.

Art. 31 geeft de behandeling van een bepaald punt, dat aan de meerdere vergaderingen opgedragen is nl. de beslissing van hooger beroep. Hooger ziet op de hoogere macht, omdat er meer kerken saam zijn.
Hoofdzaak is in hoeverre de bindende kracht van het besluit behandeld wordt. Te dien aanzien zijn drie beginselen uitgesproken. De uitwerking laat de K.O. aan de kerken zelve over, daar ze geen kerkelijk wetboek is.

1. Van iedere kerkelijke uitspraak of besluit is er beroep op de meerdere vergadering. Niet staat die laatste hiërarchisch hooger en heeft ze daarom meer gezag. Dit is het motief niet. Bij de Geref. kerken is het alzoo, omdat bij een meerdere vergadering meer waarborg ligt voor een goed en onpartijdig oordeel en de leiding des Heiligen Geestes zal zich daar natuurlijk zuiver openbaren en er is meer waarborg, dat er een rijpe, wel overwogen beslissing zal worden genomen. Dit is noodig ter bewaring van orde, vrede en rust in de kerk. Er moet een uitweg open staan bij geschillen, voor hen die zich verongelijkt achten. Dit beroep sluit den weg voor scheuring, die de gemeente verwoesten zou. De kerkeraad wordt zoo voorzichtiger in zijn besluiten.
De bijzonderheden worden overgelaten aan de classes en synoden. De kerkorde spreekt alleen beginselen uit. Uitwerking en toepassing is overgelaten aan classes en synoden.
Nadere bepalingen zijn ongetwijfeld noodig om in de praktijk met dit beginsel te kunnen werken.
B.v. er moet iets bepaald worden omtrent den termijn, gedurende welken men die vrijheid van appel heeft. Die termijn kan niet onbepaald blijven, want dan kan men zich altijd beroepen, ook al is het zeer lang geleden.
Ook staat niet in de K.O. op welke wijze, aan wie men het te kennen geven moet. Of men zelf moet toelichten of dat men het door een ander kan laten doen. Hoe ’t gaan moet met een besluit voordat

|122|

de meerdere vergadering bijeen is, bij welke appel is aangeteekend. De K.O. spreekt alleen algemeene beginselen uit. Classes, prov. synoden, soms ook wel generale synoden maakten eene nadere bepaling, b.v. over den termijn waarbinnen het appel moet geschieden, omdat de zaak niet slepend mag blijven. Vooral in de vorige eeuw door een bepaald aantal dagen of weken te noemen, in navolging van de burgerlijke wet (14 dagen, 6 weken). Tegen zoodanige tijdsbepaling zijn altijd groote bezwaren.
1. Men moet altijd aan de menschen herinneren, dat zulke tijdsbepaling er is, want ze kunnen het zelf niet weten. De eene kerkelijke vergadering kan 6 weken, de andere slechts 14 dagen vaststellen. Dit herinneren wordt vaak vergeten en zoo verkort men iemand in zijn recht.
2. Voorts gebeurt het vaak, dat een meerder beroep uit onwetendheid eenige uren te laat ingesteld wordt. Dan kan een fatale werking van een termijn uitgaan. Zoo is er in de kerk heel wat ontevredenheid gekweekt, omdat het hooger beroep alleen formeel ontvankelijk verklaard wordt en onrecht bestendigd. In goed Geref. kerken heeft men wel vaak aan den termijn de hand gelicht.
3. Door het stellen van een termijn wordt men zoo vaak belemmerd om eene zaak af te doen, wanneer het juist goed kon, omdat de vergadering die ’t besluit neemt, dan altijd dien termijn moet afwachten. Bijv. bij een generale synode die slechts kort vergadert. Iemand zal er zich op beroepen. In die zes weken kan de synode weer naar huis zijn. Cf. onder art. 76.
Beter is den termijn te stellen, die oudtijds het meest in de Geref. kerken gegolden heeft, nl. voordat de eerstvolgende meerdere vergadering saamkomt of op die vergadering zelf. Dit is rationeel. Ieder begrijpt het.
Die termijn ligt in den aard der zaak. Formeel kan dan een beroep niet afstuiten, want bezwaren komen per se op de classicale vergadering. Een classicale vergadering behoeft dan nooit naar huis te gaan, terwijl de zaak nog niet aan de orde is.
De vraag: of daarvan ook kennis gegeven is aan dien, over wien men bezwaard is.
Men moet de bezwaarde altoos in kennis stellen met het hooger beroep.

Mag men hulp vragen of moet men in eigen persoon de zaak behandelen?
De Geref. kerken lieten altijd het gebruik van een „mond” toe, doorgaans een der leden van de meerdere vergadering. Het doel was recht en gerechtigheid te doen. Men onderstelde juist, dat mening gemeentelid en predikant de zaak niet zoo juist kan voorstellen als noodig is. De kerkeraad waarover men zich beklaagde, kon zijn woord zelf wel voeren. Er is geen advocaat bedoeld, die ten voordeele van zijn client spreekt, maar de „mond” zorgde alleen, dat de klager volle recht zou hebben. Dit komt ook nog uit bij het stellen van stukken. Vroeger achtten onze kerken het best, dat de klager meekwam.

|123|

Vraag: In hoeverre in den tijd, die er verloopt tusschen het besluit en de behandeling van het beroep, het besluit te executeeren is.
Het antwoord hierop is moeilijker. Er is geen algemeene regel te geven. Besluiten zijn er, die niet geëxecuteerd kunnen worden of ze moeten gepraejudiceerd en afgedaan zijn. Sommige besluiten kunnen niet wachten. Het hangt dus af van de besluiten zelf.
Bij bezwaar tegen approbatie van een predikant moet er gewacht op de uitspraak van de meerdere vergadering. Zou het te lang duren, dan moet er een buitengewone classe saamgeroepen. Een besluit van een kerkeraad om Zondags dienst te houden of over het uur van dienst, kan moeilijk wachten. De vergadering zelf draagt dan de verantwoordelijkheid.
Besluiten van kerkeraden moeten geregeld niet geëxecuteerd worden bij beroep op de classe, want een buitengewone classe is gemakkelijk te houden en dan ook zijn er kerkelijke visitatoren. Besluiten van de classe moeten eerder uitgevoerd dan besluiten van den kerkeraad, en die van een particuliere synode eerder dan die van een classe, want binnen één jaar heeft een provinciale synode plaats en binnen drie jaren een generale synode. Anders zou men ook veel obstructionisme kunnen aanvoeren.

Tweede beginsel is:
„En ’t gene door de meeste stemmen goed gevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden.”
In kerkelijke vergaderingen geldt het besluit van de meerderheid. Dit ligt in den aard van iedere vergadering. Zoo is er waarborg voor een goed besluit.
Hiermee schijnt het beginsel, dat in kerkelijke zaken de een niet over den ander mag heerschen en alles met gemeen accoord moet gaan, te kort gedaan. Dit is schijnbare strijd. Dit laatste handhaaft men ook in de kerk.
In de Algemeene en Provinciale Staten moesten alle besluiten eenparig zijn. Dit civiele bestaat ook in het kerkelijke.
Het was ook zoo in Emden 1571 en in 1578 te Dordt. Hoe kwam men daartoe? Is besluiten dan niet onmogelijk?
Bij meerderheid en minderheid werd gediscussieerd. De minderheid moest zich naar de meerderheid conformeeren.
Emden 1571. Men hield twee stemmingen. De eerste na de discussie om te zien aan welke zij de meerderheid was, de tweede, waarbij allen goedvonden, terwijl toch ieder zijn eigen gevoelen behield. Zoo kan men ook voor een besluit zijn, omdat de meerderheid er voor is.
Redactie 1578 art. 23. Men zal blijven bij het advies der meeste stemmen om daarna te besluiten, dan ook dienovereenkomstig te handelen. Dus formeel tweemaal stemming. Later had er eenmaal stemming plaats. De anderen werden gerekend zich te conformeeren.
Dit ook in het laatste artikel van de K.O. art. 86, waar gesproken wordt, dat deze artikelen met gemeen accoord zijn aangenomen. In Dordt waren er in 1619 leden genoeg, die de dingen anders wilden. In de Postacta staat uitdrukkelijk, dat er bij sommige artikelen een minderheid en meerderheid was.

Een uitzondering hierop in art. 31, en dat is het derde beginsel.

|124|

„Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Artikelen in deze generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere generale Synode veranderd zijn.”
Strijd met de kerkorde is te bespreken in het laatste artikel van de K.O., art. 86.
Dit deel van de clausule leverde nooit bezwaar of moeite. Een besluit in strijd met de kerkorde kan niet vast en bondig zijn, want de kerkorde zelf is vast en bondig.
Het moet bewezen worden, dat zij strijdt met het Woord Gods.
De zin blijkt uit art. 23 van de redactie van 1578. Er moet zijn evidente strijd met een uitgedrukt Woord Gods. De bedoeling is niet als men bij lange deductie zou kunnen aantoonen dat het met een beginsel van Gods Woord in strijd is. Dit ligt in den aard der zaak. Die deductie is feilbaar en menschelijk. Men vindt het meest zelf zoo en het is niet evident. Vaak begrijpt men het verschil niet tusschen deductie en uitgedrukt Woord Gods. B.v. bij kerkelijke misstanden, mag men als iemand deductie toepast, niet zeggen: zoo iemand moet gecensureerd worden. Want het kan berusten op een verschil van inzicht.
Voor wie?
Voor de meerdere vergadering zelve of in ’t oog van hem die zich bezwaard acht?
Sommigen stellen het eerste, b.v. Prof. Kleyn (Algemeene kerk en plaatselijke gemeenten, 1888). Anders zou het oordeel van een bijzonder persoon geacht worden boven dat van den kerkeraad te staan. Dit is onware voorstelling. Men zegt niet, dat die zich bezwaard gevoelt, de waarheid aan zijn zijde heeft. Nooit is de bedoeling, dat hij gelijk heeft, maar alleen dat hij zich op dien grond excuseeren kan voor onderwerping, omdat hij anders tegen Gods Woord, tegen zijn conscientie zou handelen.
Het zou onzin zijn in het art., dat de strijd met Gods Woord voor de meerdere vergadering en niet voor een bezwaard lid bewezen moest zijn, want nam de meerdere vergadering dit aan, dat het besluit streed met Gods Woord, dan was het besluit teruggetrokken.
Er blijkt echter uit het artikel, dat de meerdere vergaderingen volhouden. Cf. Pol. Eccl. van Voetius, die zelf aan dit artikel meewerkte.
Boven de uitspraak van de synode staat niet deductie, maar wel Gods Woord, daarom is er sprake van een uitgedrukt Woord Gods.
De strijd moet bewezen. Het moet aangewezen, waar Gods Woord ipsis verbis iets anders zegt.
Voor wie moet dit bewezen zijn?
Voor de meerdere vergadering zelf dan wel voor den persoon, die bezwaar inbrengt?
In de laatste jaren is er strijd over dit artikel ontstaan. De Hervormde kerkelijke besturen namen besluiten, waarvan men aanwees, dat ze streden met Gods Woord. De hiërarchie zei het kerkelijk besluit zelf, dat het geincrimineerde besluit nam, moet het bewezen achten. Van de andere zij werd gezegd: Dit kan niet, want dan heeft het artikel geen zin. Een kerkelijke vergadering, die zoo’n besluit nam en erkende dat het streed met Gods Woord, trekt

|125|

het direct in en dan is appel langer onmogelijk. Conflict is alleen mogelijk, als het voor den appellant bewezen is en voor de meerdere vergadering niet. Het bewijs moet dus geleverd zijn voor den persoon die het inbrengt.
Daartegen is opgemerkt door Prof. Kleyn (algem. kerk), dat daar het oordeel van bijzondere personen boven dat van classe gesteld is en iemand geacht wordt op eigen zeggen de waarheid aan zijn zij te hebben. Dit is niet juist voorgesteld. Zoo’n persoon heeft de waarheid nog niet aan zijn zijde, maar alleen wordt in het artikel gezegd, dat op grond van de kerkorde zoodanig persoon zich niet aan het besluit heeft te onderwerpen, kerkrechtelijk niet gebonden is. Als dat niet-gebonden zijn, practisch zou leiden tot wanorde, dan moeten de kerkelijke vergaderingen zien wat ze doen, in hoeverre de vrager vrij kan blijven of dat hij het kerkverband moet verbreken.
Dit laatste volgt altijd bij conflict als beide volhouden.
Aan welke zij de waarheid is, wordt door die formeele bepaling niet uitgemaakt. Zoo is de praktijk geweest. Cf. Kleyn:
Ongehoorzaamheid in Zuid-Holland aan een synodaal besluit door kerkeraad in de vorige eeuw. In dat voorbeeld is geen sprake van een strijd met een uitgedrukt Woord Gods, maar de ouderlingen eischten, dat de Synode haar besluit met Gods Woord zou staven. Dit is een ander geval. Volgens art. 31 moesten zij bewijzen. Dit voorbeeld gaat dus niet op.
2e voorbeeld van Kleyn. Zeeland 1610. Vr.: Als iemand voorwendt, dat het strijdt, of hij dan niet gehouden is het na te komen behoudens appel? De Synode antwoordde ja, vooral als het besluiten zijn, die dadelijk uitgevoerd moeten worden. Voorwenden is nog geen bewijs. Iemand maakt dan misbruik van dit artikel om zich aan de K.O. te onttrekken.
Aanwijzing der bedoeling in Voetius Pol. Eccl. en „Desperata causa papatus”. In den bloeitijd der Geref. kerken is niet gezegd dat men zich altijd aan het besluit van een wettige kerkelijke regeering moet onderwerpen, ook al ziet men er strijd in. Was dit waar, dan is daarmee de Reformatie geoordeeld. De Reformatie rust hierop, dat men op grond van Gods Woord zich formeel tegen het wettig bestaande verzet. Anders had men te wachten totdat de kerkregeering de reformatie zelf ter hand nam. Een eeuw later konden de Gereformeerden het fundament der Reformatie niet opgeven. Ze handhaafden dus verzet tegen wettige besluiten.
Voetius Pol. Eccl. Dl, 178. Bibl. Ref. 1e serie, 294.
An classes aut synodi habeant potestatem coactivam (dwingende macht) hoc est ecclesiasticam definitivam (definitieve kerkelijke macht).
Alle macht van kerkelijke vergaderingen is niet oorspronkelijk maar ontleend door delegatie, is niet absoluut, maar hypothetica. De onderwerping is soortgelijk als die van gemeenteleden aan een kerkeraad, b.v. als een kerkeraad veertig dagen vasten uitschreef voor Paschen.
Voetius zegt, wat dan de classe doen moet, als de synode haar besluit handhaaft. Ze moet op verandering blijven aandringen of

|126|

vrijheid om er niet naar te handelen.
Kan dit niet verkregen worden, dan moet ze ter wille van de orde dit besluit dragen of verdragen, mits men niet genoodzaakt wordt iets te doen of te beloven. Dus bloote verdraagzaamheid.
Men mag niet zoo maar het kerkverband verbreken. De classe of kerkeraad moet blijven protesteeren en ageeren, maar ook moet men soms het kerkverband verbreken, althans wanneer opgelegd wordt toch naar de besluiten te handelen. Dan moet men de kerk afscheiden van die factie van kwaadwilligen die de kerk bederven. De Reformatoren onttrokken de kerk aan de factie van het Pausdom.
De autoriteit van kerkelijke besluiten in meerdere vergaderingen is altijd limitata.

Er bestaat verschil tussen het Geref. kerkrecht en het Collegiale, Territoriale en Papale, waar die macht onbepaald is en er nooit vrijheid is er tegen op te komen.
Het geval zelf doet zich vaak voor.
Het moet al ver gegaan zijn, als een kerkelijke vergadering zulk een besluit in strijd met Gods Woord blijft handhaven.
Beginsel is: Boven alle macht van kerkelijke vergadering staat Gods Woord.
Niet vloeit er uit voort, dat eene kerkelijke vergadering altijd haar besluiten met Gods Woord moet waar maken, alsof er een aantal teksten bij moesten staan.
Bij Confessie en Catechismus is dit wel noodig. Die willen systematiseeren wat in Gods Woord verspreid ligt en geleerd wordt. Daar wordt alles rechtstreeks uit Gods Woord genomen.
In een dogmatiek is het meer deductie. Juist omdat in Gods Woord met betrekking tot kerkelijke ordening de toepassing van beginselen aan de kerken zelve overgelaten is, behoeft dit bij de kerkorde niet. Er zijn veel zaken in de K.O. waarvan Gods Woord niets zegt, zoogenaamde middelmatige dingen, b.v. dat een classis 4 maal ’s jaars moet samenkomen. Te Emden, art. 2 van de particuliere vragen, is dezelfde quaestie ingebracht.
De broeders van Keulen hadden gevraagd of alle dingen niet met de H. Schrift moesten bevestigd, die de conscientie en de K.O. raken. De synode antwoordde: dingen die de conscientie raken wel, de tweede serie niet. Over de conscientie regeert God alleen.
Deze vraag ook in 1574 te Dordt, art. I van de part. vragen.
Geantwoord werd, dat het onnodig was. Ze handhaafden het antwoord van de synode van Emden. In de dingen van de conscientie is ze overtuigd zich op de H. Schrift gegrond te hebben, maar noemt de teksten er niet bij. De menschen moesten het zelf maar doen.
De synode acht het genoeg ook in de conscientiezaken met Gods Woord gerekend te hebben. Hieraan hebben de kerken zich steeds gehouden.
Synode van 1581. Die vraag ook uit N. Holland. De synode ging er niet nader op in. ’t Beste is als de teksten bij de conscientiezaken staan.

Laatste quaestie bij dit artikel is: Of met betrekking tot alle besluiten van meerdere vergaderingen beroep op classe en synode mogelijk en ontvankelijk is.
Deze vraag gaat over de cassatie.
Dit is zoo in het Roomsche, collegiale en territoriale stelsel.
De Paus kan iedereens besluiten casseeren en er een ander voor in de plaats stellen, want de hoogere besturen commandeeren.

|127|

In ’t Geref. stelsel is dit zoo niet.
Niet over ieder besluit kan men appelleeren, maar alleen zoo men meent verongelijkt te zijn. Of de kerk half 10 begint of om 10 uur kan iemand niet verongelijken. Het kan niet naar zijn zin zijn, maar eigen zin is niet norma. Verongelijking zou er zijn, als de menschen verhinderd werden in het kerkgaan.
Vernietiging van besluiten behoort in het Geref. kerkrecht niet thuis. Besluit een mindere vergadering verkeerd, dan moet deze gedrongen worden het besluit zelf te veranderen.
Het recht van appel is dus beperkt.
Het heft het recht van de plaatselijke kerk en de classis niet op.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 32

Handelingen.

Art. XXXII. De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping des Naams Gods aangevangen, en met eene dankzegging besloten worden.

Dit artikel heeft reeds gestaan in de eerste redactie van kerkorde van 1571. Cap. II De Classibus Conventibus artt. 2 en 8. Cap. III De provincialibus Synodis artt. 2 en 7.
Evenzoo redactie van ’78. Art. 21 (kerkeraad, art. 29 Classe, art. 30 Synode.
De redactie van ’81 legde zich op bekorting toe. Daar alle bepalingen op alle samenkomsten gelijkelijk betrekking hebbend saamgevat. Art. 24 bevat de algemeene bepaling „de handelingen in alle samenkomsten”. Zoo bleef het in art. 29, redactie 1586. Evenzoo in 1619, art. 32.
Noodig was dit niet. Het sprak vanzelf. Toch was er geen zwarigheid om het artikel in de K.O. te brengen. Meer quaestieus is het of het gebed een formuliergebed moet zijn of een vrij gebed van den voorzitter.
In onze liturgie zijn twee formuliergebeden voor en na den kerkeraad. Eo ipso voor classes en synoden met verandering van het enkelvoud in meervoud, want classe of synoden zijn vergaderingen van kerkeraden saam. Bij den kerkeraad bidt men in het enkelvoud. Foutief is de tegenwoordige Hollandsche uitgave. 3 × komt voor de kerken. Dat is een gen. singularis. In de uitgaven van onzen tijd is der kerken behouden. Tegenwoordig moet het zijn: der kerke, of der kerk, der gemeente. Anders heeft het geen zin.
In den regel verdient het formuliergebed aanbeveling. Bij een vrij gebed is het gevaar zoo groot, dat het gebed minder goed ter zake dient. Het gebed voor en na de kerkelijke vergadering is op een speciaal doel gericht, evenals elk ander gebed.
Nu kan het geschieden en geschiedt het ook, dat de voorzitter dit in het oog houdt. Maar ’t kan ook, dat de voorzitter dit in het oog houdt. Maar ’t kan ook, dat de voorzitter afdwaalt. Zulk bidden gebeurt niet tot stichting. In ’t gebed voor scholen wordt niet voor allen nood der Christenheid gebeden, al is dit op zichzelf goed. Zoo bestaat er bij een vrij gebed gevaar, dat er in het hart des voorzitters gedachten zijn, niet ter zake dienende.

|128|

Bij een vrij gebed is het aan te bevelen de stroom der gedachten te laten gaan.
De formuliergebeden zijn zeer juist opgesteld en met zorg bewerkt. Anders kan de voorzitter in het gebed zijn persoonlijke meening laten doorschemeren. Geheel neutraal te bidden ten opzichte van die zaken gaat niet gemakkelijk. De tegenpartij wordt daardoor niet gesticht. Er bestaat dus gevaar, dat men in het gebed zijn eigen gevoelen debiteert.
Bij gebruik van formuliergebeden is het gebed beter te volgen. Men weet wat er volgen zal. Bij eigen woorden wacht men wat volgen zal. Herhalingen kunnen plaats hebben. Het kan gebeuren, dat de zinnen niet afloopen. Bij een particulier gebed geeft dit niets, bij een ander wel. Het is nietwaar als men tegenwerpt, dat een formuliergebed niet zoo uit het hart komt. Dit geldt nog wel bij een persoonlijk gebed, maar niet bij een publiek gebed. Dit moet niet formalistisch opgevat. Is er een ziek b.v., is men samen om te beroepen, dan ligt zooiets bij alle leden van de kerkeraad boven op. Maar in ’t algemeen is een formuliergebed beter.

Hier is geen sprake van het lezen van Gods Woord. Dit gebruik is eerst in de laatste halve eeuw opgekomen en op plaatselijke vergaderingen overgebracht uit samenkomsten meest methodistisch getint. Men begon daar natuurlijk met de Heilige Schrift. Dit werd op een kerkeraad overgebracht. Hiertegen geen bezwaar. Toch doen alle kerkeraden dit niet en terecht, want vroeger werd het nooit gedaan. In den kerkeraad is men niet samen tot onderlinge stichting saam te komen, maar daarvoor vergadert de kerkeraad niet. Vooraf een kleine stichtelijke samenkomst is niet noodig, ja zelfs min passend, want dat is toch zulk lezen van Gods Woord. Bovendien zijn er maar eenige capita die op het ambt slaan. Zoo komt men er dan toe iets anders te nemen. Dat dit met het doel van de samenkomst niet altijd in verband staat, ligt voor de hand. Wordt het er mee in verband gebracht, dan kan hij een schriftgedeelte kiezen, waaruit een aansporing tot het een of ander schijnt te spreken. Het gevaar kan worden vermeden, maar is niet altijd te vermijden en wordt dan ook altijd niet vermeden.
Bij handeling b.v. kan men een schriftgedeelte kiezen, dat tot handelen of een dat tot afwachten aanspoort. Beide is mogelijk.
Afschaffen is niet wenschelijk. Slechts moet met zorg gekozen. Maar dit gebruik instellen is nooit geraden.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 33

Credentiën.

Art. XXXIII. Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hunne credentie-brieven en instructiën, ondertekend zijnde van degenen, die ze zenden, medebrengen, en deze zullen alleen keurstemmen hebben.

Art. 33 handelt van de credentie.
Ze is met betrekking tot de meerdere vergaderingen hoofdzaak en

|129|

bestaat niet in eene formaliteit om de namen goed geschreven en gespeld te hebben, maar is de kracht der vergadering zelf. Het is geen vergadering van de kerkbestuurders maar van kerken. De afgevaardigden zitten er niet voor zich zelven of om een persoonlijke waardigheid op te houden, maar ze representeeren kerken. Daarom is een geloofsbrief noodig. Door de credentie wordt aangewezen dat de kerken zelve daar tegenwoordig zijn. Daarom moeten die credentiebrieven bij den aanvang onderzocht. Zijn de brieven niet in orde dan wordt men niet tot de vergadering toegelaten. Ieder moet bewijzen gedeputeerd en gecommitteerd te zijn.
Bij een kerkeraad behoeft niet de geheele kerkeraad te onderteekenen, maar zij die gewoon zijn te onderteekenen. In hen onderteekenen dan alle leden.
Daarom is er sprake van instructie, d.w.z. niet voorschrift hoe men stemmen moet, maar alleen wat men doen moet. Het zou zelfs niet gaan om een voorschrift tot stemmen mee te geven. Absoluut verboden is het niet. De lastgever kan aan een lasthebber zeggen hoe hij handelen moet. Maar alleen in zeer bijzondere gevallen. Immers werd dit regel of geschiedde het zonder dringende noodzakelijkheid, dan werd daardoor de meerdere vergadering onmogelijk gemaakt, en eveneens de deliberatie. De afgevaardigden werden dan stemmachines. Een persoon die de stemmen registreerde was dan ook voldoende.
Bovendien komt men op de meerdere vergaderingen om meerder licht des H. Geestes. Het kan alleen, wanneer de H. Schrift uitdrukkelijk spreekt of wanneer er reeds genoegzaam licht is.
Het is gebeurd in Zwolle, toen een ouderling aldaar pantheïst was. De deputaten ter Classe uitdrukkelijk bevel, een erkenning van Zwolle te geven, tenzij de kerkelijke tucht gehandhaafd werd.
Instructies houden oudtijds dan ook alleen gravamina in.
Formeel is de opdracht tot stemmen nooit gegeven.
Persoonlijk kan men nooit een vraag doen, daarom moet in de instructie staan, dat de afgevaardigde uit naam van de deputeerende kerk iets aan de orde stelt.
Alleen in het beging der 17e eeuw was hierover van Remonstrantsche zijde moeilijkheid. Ze zeiden: de kerken moeten individueel gehoord worden. Daarbij was opdracht tot stemmen noodig. Maar de Gereformeerden bewezen, dat dit oudtijds nooit geschiedde en bovendien zoo zouden de zaken op de lange baan geschoven worden en zaken doen onmogelijk zijn. De Remonstranten beweerden dit dan ook om de Synode onmogelijk te maken en niet uit een kerkrechtelijk beginsel.

Ook is met betrekking hierop gevraagd: Moet er een vast model van credentie zijn?
Ook in onzen tijd is er op sommige classen een vast model vastgesteld. Dit gaat niet. De lastgever moet het zelf weten hoe de credentie is vast te stellen. Wel kan de classe of synode eischen dat de lastgeving niets inhoude wat de vergadering onmogelijk zou maken, b.v. dat de afgevaardigden in een aantal zaken buiten stemming blijven moet.
Wel moet er in staan: volmacht.
Er behoeft niet in te staan (hoewel het wel mag en het ook zeer

|131|

goed is), dat de kerkeraad houden zal wat er besloten is, want men deputeert overeenkomstig de Dordtsche kerkorde. Ook met exceptie van art. 31 (appel).
Er mag wel een model worden gemaakt, omdat vooral dorpskerken de kracht van uitdrukking niet altijd kennen, maar dat mag niet verbindend gesteld.
Die in het bezit zijn van credentiebrieven en instructiën zullen alleen keurstemmen hebben. Een ouderling mag daarom wel mee adviseeren.
De synode van 1619 voegde art. 42 over het stemmen in de K.O. Daardoor is artikel 33 feitelijk eenigszins gewijzigd, hoewel men er niet aan gedacht heeft, dit formeel te wijzigen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 34

Scriba.

Art. XXXIV. In alle samenkomsten zal bij den Praeses een scriba gevoegd worden om naarstiglijk op te schrijven, ’t gene waardig is opgeteekend te zijn.

Art. 34 handelt over het moderamen.
Dat eene vergadering een moderamen noodig heeft, ligt in den aard der zaak. Het is noodig om de vergadering en hare actie te leiden. De Praeses moet leiden, de scriba opteekenen. Van assessor wordt niet gesproken. Die is ook niet altijd noodig, althans niet bij vergadering van kerkeraad en classe, aangezien daar alle predikanten tegenwoordig zijn en wanneer dan toerbeurt gehouden wordt (art. 35) met het praesidiaat, dan is zij vanzelf de plaatsvervanger van den praeses aangewezen. In den rooster zelf is dan aangegeven wie bij ontstentenis van den praeses plaatsvervanger zal zijn.
Het is daarom niet verboden of verkeerd om in den kerkeraad of de classe een assessor te hebben, maar noodzakelijk is het niet, te minder omdat een vergadering van den kerkeraad met ¼, ½ en hoogstens een ganschen dag afloopt en een classicale vergadering ook niet langer dan één dag duurt. Er bestaat weinig gevaar dat de praeses de vergadering dan moet verlaten.
Het goede er van bestaat hierin, dat dan iemand aangewezen is om den praeses met advies te helpen en om de vergadering te leiden, wanneer de praeses zelf het woord wil voeren over eene aanhangige zaak.
Wat het eerste betreft is op te merken, dat al is er geen bepaalde assessor, dit daarom den praeses toch niet verhindert om aan een van de aanwezige dienaren des Woords advies te vragen en hem te raadplegen.
Bij het tweede is op te merken, dat in de regel het beste is, dat de praeses zelf niet het woord voert over een aanhangige zaak, maar dat hij zich tot leiden bepaalt.
In veel kerken buitenslands is dit vaste regel. Daar is het den praeses zelfs verboden zich in de discussie te mengen. Dit gaat te ver, want de praeses kan iets zeggen wat door een ander niet gezegd is en hij kan een goed advies hebben. Toch moet hij niet te

|132|

veel gebruik van zijn macht maken, want als praeses heeft hij toch al veel invloed. Daarom moet hij zoo weinig mogelijk spreken.
Hier te lande is volgens de usantie niet in gebruik een assessor te doen praesideeren, als de praeses het woord voert. Toch behoort het zoo te geschieden, want ook de praeses kan buiten de orde gaan.

Bij classicale vergaderingen is er iets voor een assessor te zeggen.
Bij de synoden staat het er anders mee.
1e redactie, Emden 1571. Aanhangsel. Particularia, Cap. 3, art. 2. Bij synoden is een assessor te kiezen. Bij kerkeraad en classe staat dit niet. Evenzoo in art. 25, red. 1578, dat bij synoden ook een bijzitter zal gekozen worden.
In de volgende redacties zijn de bepalingen over het moderamen niet 3 à 4 maal in de K.O. opgenomen, voor elke kerkelijke vergadering afzonderlijk, maar saamgevat in eene algemeene bepaling voor alle kerkelijke vergaderingen tegelijk. Het woord assessor is dan weggelaten. Men wilde het niet voorschrijven. Maar toch vroeger was het voorgeschreven gebruik bij synoden. Dus ook thans. Daarom mag men niet zeggen, dat een assessor door de K.O. verboden is. De oude redacties bewijzen het tegendeel.
Synoden zitten dagen achtereen. Daarbij kan het allicht voorkomen, dat de praeses verhinderd is. Bij een synode moet een moderamen meer voorbereiden voor den goeden loop der vergadering. Dan is een assessor noodig tot advies.
De scriba moet acta van de vergadering houden. Hij is niet verplicht alles op te teekenen, hij behoeft geen compleet verslag te leveren. Er geschiedt veel, dat niet waardig is opgeteekend te worden en waaraan het nageslacht niets heeft.
Vroeger was vaste regel om bij kerkelijke vergaderingen alleen acta te houden van datgene wat besloten werd. Discussies werden dan niet opgenomen. Er zijn veel acta over maar hoogstens wordt bij zeer gewichtige zaken van enkele onderscheiden gevoelens gesproken. Geen discussie.
Dit is wel de beste manier van acta houden. Alleen bij de besluiten hebben de kerken belang. Werden discussiën en andere zaken, toespraken opgenomen, dan zou gevolg zijn, dat de acta verdronken werden in eene zee van andere aanteekeningen en naderhand zou ’t moeite kosten die op te diepen.
In onze eeuw van openbaarheid geeft men zoo getrouw mogelijk verslagen. Als men ze leest, is men als ’t ware zelf bij de vergadering. Toch beantwoorden de acta dan toch niet zoo goed aan haar doel, want men moet lang zoeken, eer men de besluiten gevonden heeft.
In onze eeuw echter, waarin ieder graag alles weet, is men er op uit zulk een schildering te geven, dat men zich voorstellen kan er zelf bij te zijn. Vroeger heetten het acta. Thans heten het feitelijk notulen. ’t Is voor een scriba bijna onbegonnen werk om de discussiën goed op te teekenen. De ondervinding leert, dat een spreker maar zelden tevreden is over de opteekening van zijn woorden, vooral wanneer men later zelf ziet, dat men zich niet precies heeft uitgedrukt, of wanneer men een advies gaf, dat van

|133|

achteren slecht bleek te zijn. Een verslag zou desnoods stenographisch kunnen worden opgenomen, maar dit zouden dan nooit de officiëele acta zijn.
„’t Gene waardig is opgeteekend te zijn.”
Voor ’t officiëele karakter moet het voorgelezen aan de vergadering en zoo noodig verbeterd, ’t zij nog in dezelfde vergadering of ook in een volgende.
Er valt buitendien nog wel iets te schrijven voor een kerkelijke vergadering. Besluiten met betrekking tot personen of kerken die niet aanwezig zijn, moeten op de vergadering beschreven. Die besluiten moeten meegedeeld. Zoo is er dus correspondentie, waarvan het artikel niet spreekt. Bindende bepalingen zijn daarvoor niet noodig. Oudtijds deed de scriba dit niet. De gewoonte was om een of ander lid ter vergadering uit te noodigen een concept van brief op te maken. De praeses wees ze aan. Dit gebeurt nog wel op classen en synoden. Om dit vrij te laten om het op te dragen aan wien men wil, wordt er hier van dit werk niet gesproken. Voor het schrijven van zulke brieven zijn praeses en scriba verantwoordelijk. Waar het aan niemand bepaald is opgedragen, moet de scriba of het moderamen het in de eerste plaats doen.

Praeses en scriba: De vreemde woorden kunnen blijven. Ze hebben burgerrecht verkregen. Ze zijn genaturaliseerd.
In het begin der 17e eeuw, ook in onzen tijd, is er een puristische strooming, die niet onderscheidde tusschen vreemde woorden en woorden van vreemden oorsprong, die burgerrecht verkregen. Scriba is hetzelfde als schrijver, maar schrijver drukt hetzelfde niet uit. Toch zou men onder een schrijver van eene vergadering een klerk verstaan. Het gebruik van het Nederlandsche woord zou de uitdrukking voor Holllanders niet duidelijk maken, maar juist onduidelijk. Dit geldt ook van het woord „synode”. Vergadering is te algemeen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 35

Praeses.

Art. XXXV. Het ambt van den Praeses is, voor te stellen en te verklaren ’t gene te verhandelen is; toe te zien dat een iegelijk zijn orde houde in ’t spreken, den knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken, te bevelen dat zij zwijgen; en over dezelve, geen gehoor gevende de behoorlijke censuur te laten gaan. Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt.

Art. 35 omschrijft het ambt van den praeses.
In de 16e en 17e eeuw beteekende het woord ambt de werkzaamheid, die aan iemand opgedragen is. De beteekenis van dit woord is verloopen. Ambt beteekent ook wel werkzaamheid, maar vooral wordt het gebruikt om aan te duiden: de qualiteit die aan iemand eigen is tengevolge dier werkzaamheid. Den laatsten zin had het woordt ambt vroeger niet. „Dienst” drukte vroeger de qualiteit uit. Daarom is er sprake van de kerkelijke diensten.
Die kerkelijke diensten hebben, hebben in dien dienst een ambt.
Zoo is de beteekenis van ambt in het bevestigingsformulier en

|134|

in de Bijbelvertaling in ’t ambt van ouderlingen en diakenen.
Hier is sprake van de werkzaamheid, die aan den praeses als zoodanig is opgedragen, van de praesidiale werkzaamheid.
In de Lat. vertaling staat officium, niet munus.
Het in dit artikel genoemde is in alle vergaderingen het ambt van den praeses.
Censuur = vermaning, bestraffing met woorden. Ze is niet afhouding van het Avondmaal. Het is goed dat dit alles herinnerd wordt omdat het er op aankomt, dat de praeses alles doet, wat in dit artikel staat.
’t Gebeurt toch maar al te vaak, dat een praeses denkt: ’t is genoeg met een hamer in een leunstoel te zitten. Wat er van zijn ambt gezegd wordt, ligt in den aard der zaak. Hij moet zich vooraf op de hoogte van de zaken stellen, zich praepareeren, om ze voor te stellen, toe te lichten en te verklaren en duidelijk te maken, waarom het gaat. Hij moet toezien op de orde, mag niet alles laten zeggen wat men zeggen wil. Hij moet tot de orde roepen met zachtheid, zoodat de orde bewaard blijft. Anders is de vergadering gelijk aan een wagen, terwijl men de teugels van de paarden laat glippen. Het is geen gemakkelijk werk.
De praeses mag de vergadering niet regeeren. Hij mag niet bepalen waar de wagen heen moet. Hij staat niet boven, maar onder de vergadering. Hij mag zijn wil niet aan de vergadering opleggen. Zoo wordt men tyranniek. Dit mag in geen enkele vergadering geschieden. Hij is dienaar van de vergadering om haar tot een besluit te doen komen. Vooral voor wie wat mans is, is dat een zware verzoeking. De vergadering moet gaan, waarheen zij wil. Bij quaestie moet de praeses zich onderwerpen aan het oordeel der vergadering, ook al is het met het zijne in strijd.

Om tyrannie te voorkomen is er bijgevoegd: „zijn ambt zal uitgaan als de samenkomst scheidt.”
Dit spreekt vanzelf. Als er geen vergadering meer is, bestaat zijn functie, het leiden der vergadering niet meer. Met opzet wordt dit in de K.O. uitgesproken, want in veel kerken ook nu nog is het gebruikelijk het anders op te vatten.
Bij alle andere stelsels van kerkrecht is het ambt en de aanwezigheid van praeses vast aan iemands persoon. Men is praeses ook buiten de vergadering, ’t zij voor jaren ’t zij voor levenslang. Het praesidiaat is dan een soort afzonderlijke kerkelijke dienst, hooger staande dan die van een anderen herder. Dit ligt op den weg van het episcopale systeem en leidt tot bisschoppelijke hiërarchie. Daarom heeft het artikel daartoe den pas afgesneden en hebben de Geref. zich steeds hiertegen verklaard.
De Independenten verweten aan de Gereformeerden, dat ze ambten hadden, waar de Schrift niet van weet, nl. deputaten en praesides, maar men zei: ze vatten de zaak verkeerd, want het praesidiaat was vast aan de vergadering, maar niet aan den persoon. Nooit is er iemand tot permanente praeses benoemd.
Wel was er een praeses voor één vergadering van dagen, want deze werd beschouwd als eene vergadering met tusschenpoozen, met schorsing, als ééne vergadering. Buiten de vergadering kan

|135|

niemand praeses zijn, al kan hij zich wel zoo noemen.
Men kan niet een praeses benoemen voor b.v. een synode van 2 jaar. Dat zijn dan verschillende vergaderingen.
Men kan iemand wel praeses noemen met dien verstande: als er eene vergadering was, zou hij praeses zijn.
Een kerkeraad heeft een dienaar des Woords tot praeses bij beurten van een week. Men kan nu officiëel niet zeggen, dat een dienaar des Woords praeses is voor een week, want dan zou hij meer te zeggen hebben dan de andere dienaren des Woords. Hij is praeses als er vergadering is. Hij kan alleen eene vergadering bijeenroepen. Het zou er anders toe leiden, dat zulk een weekpraeses alleen besliste buiten de vergadering. Dit mag niet. Hij kan niet eens voorlopig besluiten buiten de vergadering.

Om hiërarchie te mijden is bepaald dat dezelfde niet twee malen achtereen praeses mag zijn. Voor synoden geldt deze bepaling niet. Red. ’71, cap. 3, art. 5. Synoden mogen wel denzelfden praeses herkiezen: „Praesidis officium cum actione finitur, liberum autem erit proximio conventui Provinciali vel eundem vel alium eligere.” Dan was er genoeg tegenwicht en ook konden er redenen voor zijn. Bij een synode zijn geen voorschriften te geven, wel bij classe en kerkeraad.
Ook onze kerkorde verbiedt het alleen voor classe en kerkeraad (art. 41).
De praeses mag niet handelen buiten de vergadering of stukken ontvangen. Toch moet er een adres voor kerkelijke vergadering zijn aangegeven. Een classe moet te bereiken zijn, al is ze niet vergaderd. Gewoonte is, dat men een classicale kerk aanwijst om stukken in ontvangst te nemen en de vergadering uit te schrijven. Men kan ook een persoon, een actuarius benoemen. Daaraan wordt echter geen macht verbonden, zoodat er geen vrees voor hiërarchie bestaat.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 36

Subordinatie.

Art. XXXVI. ’t Zelfde zeggen heeft de Classe over den kerkeraad, ’t welk de particuliere Synode heeft over de Classe, en de generale Synode over de particuliere.

Dit artikel is eerst in 1581 in de kerkorde ingekomen. Redactie ’81 art. 27 met dezelfde woorden.
Het beginsel daarin uitgesproken heeft van den beginne af in het Geref. Kerkverband gegolden. In 1571 werd het bij het eerste opstellen van de kerkorde als van zelf sprekend aangemerkt, eveneens bij de vroeger gehouden particuliere synoden onder het kruis en in de verstrooiing.
Toch werd het in 1581 dienstig geacht het ook in de kerkorde op te nemen, om voor de Overheid duidelijk te maken, wat men met die meerdere vergaderingen bedoelde.
De Classe heeft gezag = een zeggen over iemand hebben. 1581 Eadem est auctoritas in de officieele vertaling.
Dit gezag vloeit voort uit den aard der zaak, omdat classen en synoden meerdere vergaderingen zijn en een aantal kerken daar bijeen komen. Tien hebben uit den aard der zaak meer macht dan één

|136|

en vijftig meer dan tien, terwijl bij een grooter getal meer waarborg is voor goede beslissingen en leiding des Heiligen Geestes.
Het gezag der meerdere vergaderingen ligt dus in haar karakter als meerdere vergadering. Daarop moet goed gelet. Ook nu het gezag van classen en synoden behoorlijk te onderscheiden van het gezag, dat in andere stelsels van kerkrecht aan personen of bestuurscolleges wordt toegekend. Het is niet gelijksoortig met het gezag van bisschop en paus en bestuurscolleges. Classen en synoden zijn geen bestuurscolleges, maar vergaderingen van kerken. Ze danken daaraan hun gezag en niet aan eene zekere bestuurshoogheid, die in classen en synoden zou inliggen. Juist daarom is het gezag van classen en synoden dan ook volstrekt niet absoluut of algemeen of blijvend.

Welk gezag het eigenlijk is, stelde Voetius duidelijk in ’t licht in zijn Politica Ecclesiastica (Bibliotheca Reformata, 1e serie pag. 252, waar hij handelt over de autoritas en potestas van classen en synoden.
1. De autoritas is niet een inhaerent bezit maar alleen een tijdelijke uitoefening. Bij een kerkeraad is permanent en inhaerent gezag aan den kerkeraad als zoodanig eigen, want ’t is eigen aan de ambtsdragers als synode.
2. Bij classe en synode is het gezag niet absoluut en beperkt, niet alleen door de clausule, dat de besluiten niet met Gods Woord mogen strijden, want dit geldt ook voor allen, ook voor den kerkeraad, maar ook door den kring van onderwerpen, waarmee de meerdere vergaderingen zich mogen bezig houden, cf. art. 30 en ook door de instructiën, die de afgevaardigden van hun kerkeraden meekrijgen; beperkt bovendien nog doordat classe en synode haar tijdelijk verleende macht niet gebruiken mogen tegen de kerken of in haar nadeel.
3. Het is een dienend, niet een heerschend gezag, non magistralis sed ministralis.
4. Het is niet het hoogste gezag, maar een lager gezag met betrekking tot de kerken zelve en haar kerkeraden. Een classe of synode staat zeker in bepaalde gevallen wel boven één enkelen kerkeraad, omdat er meerdere saam zijn, maar ze staat niet boven de kerkeraad in het algemeen, maar er onder. Als de kerkeraden gezamenlijk konden bijeenkomen, zouden ze natuurlijk boven de generale synode staan.
5. Het gezag der meerdere vergaderingen is niet oorspronkelijk, maar afgeleid, bij manier van overdracht. ’t Berust oorspronkelijk en onmiddellijk bij de kerkeraden en bij de kerkeraden als organen. Door middel van de kerkeraden komt het dus middellijk tot classe en synode.
6. Het is niet een gezag, dat een eigen recht heeft om te bevelen, niet een gebiedend gezag, zooals van ouders over hun kinderen zooals van heeren over hun dienstknechten, van de Overheid over hare onderdanen, maar het is een gezag als er bestaat tusschen een aantal vrienden over één gemeenschappelijken vriend, als er bestaat tusschen een aantal geconfedereerden over één lid der confederatie. Zoodat er dus geen subordinatie kan bestaan van kerkeraden aan classen en synoden en er geen

|137|

sprake is van bestuursrecht of heerschappij van classe en synode over een kerkeraad. Voor iedere kerk is het een onderlinge en wederkeerige afhankelijkheid van gelijken om elkaar te helpen.
Voetius leidt hieruit af, dat als classe en synode een besluit nemen, dat de kerken oordeelen te strijden met Gods Woord of den kerken te na komen, zulke kerken het besluit niet mogen uitvoeren, maar trachten moeten het langs wettigen weg veranderd te krijgen. Bij mislukking daarvan blijft de keus om het kerkverband te verbreken en zich te voegen, mits men hen dulde met hun protest. Indien de andere kerken dit toelaten mag men het kerkverband niet verbreken, maar men moet zien het besluit veranderd te krijgen.
Voetius noemt dit een moeilijke quaestie, die niet met een algemeene regel op te lossen is. Als de andere kerken zulk eene dissentieerende kerk niet toelaten, maar dwingen, moet men zich afzonderen en het kerkverband verbreken. Zoo stond de quaestie met Rome, dat niet toeliet, dat de kerken zich reformeerden naar den Woorde Gods.
Het gezag van een meerdere vergadering is dus van een anderen aard dan het gezag van een kerkeraad zelf over de gemeente. Het is alleen te vergelijken met het gezag van een enkelen kerkeraad over een enkelen der kerkeraadsleden.
Daarom staat er in het artikel niet bij wat men anders verwachten zou en dat de kerkeraad gezag heeft over de gemeente.
Was gelijkstelling bedoeld, dan zou het er bij staan.
Gezag van kerkeraad over gemeente is blijvend bezit, bestuursmacht, oorspronkelijk en niet afgedragen.
Door de opname van dit artikel is voorkomen, dat classen of synoden in de Geref. kerken als bestuurscolleges zouden optreden;
is gehandhaafd, dat kerkeraden het eenige bestuursmacht hebben.
Bij handhaving van dit artikel kan geen hiërarchie insluipen. Om die reden wordt in de K.O. altijd eerst gehandeld over den kerkeraad en daarna over classe en synode.
Het Hervormde genootschap van 1816 keerde de orde om. Toen is men begonnen het eerst de synode te noemen. De synode werd de hoogste macht, de kerkeraad een lagere macht.
Ook zal het goed zijn dit ook in zijn wijze van uitdrukking steeds vol te houden en het ook bij kleinigheden niet uit ’t oog te verliezen. B.v. waar men handelt over den kerkeraad en ook voor berichten, die kerkelijke bladen geven voor classen en synoden zal het van belang zijn de volgorde te gebruiken van kerkeraad, classe en synode.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 37

Kerkeraad.

Art. XXXVII. In alle kerken zal een kerkeraad zijn, bestaande uit Dienaren des Woords en Ouderlingen, dewelke ten minste alle weken eens te zamen komen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of Dienaren, zoo daar meerdere zijn, bij gebeurte) presideeren en de actiën regeeren zal. (En zal ook de Magistraat van de plaats respectievelijk indien ’t hun

|138|

gelieft, een of twee van de hunnen, wezende lidmaten der gemeente bij den kerkeraad mogen hebben, om aan te hooren, en mede van de voorvallende zaken te delibereeren).

In art. 37 wordt over een kerkelijke vergadering afzonderlijk gehandeld.
De kerkeraad is punt van uitgang. Dan volgt wat die zijn moet, waaruit die bestaat, wie de actie leidt en tenslotte de verhouding tot de Overheid.
Dit artikel kenschetst een Geref. kerk. Alle kerk heeft een kerkeraad. Dit behoort zoo. Waar geen kerkeraad is, is geen Geref. kerk, althans hoogstens een zeer onvolledige, want dan ontbreken de noodige organen om zich te uiten. Het laat zich denken, dat er door hulp van buiten een associatie van belijders is, maar die moeten een organisatie hebben en organen, anders is ze niet compleet.
Het is Christus’ ordinantie voor Christus’ kerk, dat er opzicht en tucht zij, dienst des Woords en der sacramenten en der barmhartigheid. Daarvoor zijn ambten noodig. Waar die dienst er niet is en er dus eigenlijk geen personen kunnen zijn, daar is eigenlijk maar een beginsel van kerk.
In het artikel is maar van éénen kerkeraad sprake. Dit altijd in de K.O., behalve op plaatsen waar de taal scheiding maakt. Op plaatsen van meer dan ééne taal is er meer dan één kerkeraad, b.v. in plaatsen waar Waalsch geproken werd waren er twee kerkeraden in ééne kerk. In een ander geval kent de kerkorde dit niet en is het in strijd met de kerkorde.
Vroeger werden twee kerkeraden alleen met conniventie geduld door tijdelijke omstandigheden. Het blijft altoos misstand en mag daarom nooit regel worden.
Het kan ook niet omdat tot den kerkeraad behooren alle dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen der gemeente. En gemeente is een plaatselijk omschreven begrip, dus allen, die binnen een zekere grens wonen en die zijn niet in tweeën te splitsen.

Samenstelling: De kerkeraad bestaat uit Dienaren des Woords en Ouderlingen. In art. 30 van de Nederl. Confessie wordt van den kerkerad gezegd, dat hij bestaat uit predikanten, ouderlingen en diakenen. Dienovereenkomstig luidde ook de bepaling van de K.O. van Emden 1571, art. 6.
Op de eerste provinciale synode van Holland en Zeeland in 1574 kwam er naar aanleiding van dat artikel een gravamen of vraag in uit de classe van Zierikzee: of de diakenen zijn van den kerkeraad en verbonden om ter weke in consistorie te komen.
Op de eerste synode na de vrijheid in Holland en Zeeland kwam dus de vraag in of de diakenen wekelijksch verplicht zijn de kerkeraadsvergadering bij te wonen.
Uit de formuleering volgt, dat diakenen er bezwaar in hadden. Dit laat zich begrijpen, want toen in Holland en Zeeland de diakenen in het bezit gekomen waren van de publieke armengoederen, althans van het genot er van, waren ze ook rekenplichtig aan de

|139|

burgerlijke Overheid. Aan de Overheid moesten ze rekening en verantwoording doen. Daardoor was het diakenschap eigenlijk niet zuiver kerkelijk en verkeerden diakenen in een min of meer halve positie. Daarvoor was natuurlijk het gemakkelijkst, als ze geheel op zich zelf stonden.
Volgens de Confessie en de kerkorde behoorden ze tot den kerkeraad en in den kerkeraad moesten ze zich als kerkelijke armenverzorgers gedragen en kon er conflict komen met de Overheid met verlies van de burgerlijke armengoederen.
Daarenboven: waarom moesten zij alles weten, zooveel tijd besteeden aan wat niet tot het werk der barmhartigheid behoorde? Diakenen zeiden daarom ook: alle zaken gaan ons niet aan. Er waren dus bezwaren van de zijde der diakenen. De provinciale synode van ’74 antwoordde niet door het artikel van Emden te wijzigen, want daartoe had ze als prov. syn. het recht niet, maar door een nadere verklaring van het artikel te geven. Cf. acta synodi art. 4.
Zoo zullen dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen consistorie maken ..... verhandelen.
M.a.w. de kerkeraad zal bestaan uit alle drie, maar saamkomen in twee afzonderlijke vergaderingen. Dienaren des Woords en ouderlingen én diakenen afzonderlijk zullen ieder hun eigen zaken doen. De dienaren en ouderlingen zullen samenkomen en de diakenen opnemen, als het hun zaken gold.
Het artikel is feitelijk niet geheel gehandhaafd. In gewone omstandigheden bestaat nu een kerkeraad uit predikanten en ouderlingen en staat de diaconie afzonderlijk. Er is één kerkeraad, om twee besturen te voorkomen.
Gemeenschappelijke vergadering kan men dus hebben.
Een uitzondering werd gemaakt voor kleine plaatsen. Daar kan men de diakenen altijd bij den kerkeraad toelaten en moeten ze ook komen. Daar zijn de diakenen ook belast met een soort van hulpouderlingenschap en de ouderlingen met een soort diakenschap. Dit is noodig, om het gezag over meer dan twee personen te kunnen verdelen, want er zijn plaatsen met twee ouderlingen en dit is een te klein getal voor zaken van opzicht en tucht en andere kerkregeering.
In 1581 gen. Syn. van Middelburg is het denkbeeld van ‘74 overgenomen en in de kerkorde geformuleerd. Art. 28. De kerkeraad zal bestaan uit dienaren des Woords en ouderlingen.
Art. 29. Desgelijks zullen diakenen alle weken samenkomen om te handelen van de zaken, die hun ambt betreffen.
Toen kwam in gebruik om ’t woord kerkeraad zonder nadere bepaling te gebruiken voor vergadering van Dienaren des Woords en ouderlingen. Vergaderden diakenen er bij, dan heette het breede kerkeraad, groote kerkeraad of kerkeraad met diakenen.
De kerkeraad of gewone kerkeraad bestaat uit predikanten en ouderlingen.
In 1586 bleef dit in de K.O. Bijgevoegd werd, wat ook in ’74 besloten was, dat in kleine gemeenten diakenen altijd tot den kerkeraad zouden behooren (artt. 34 en 35), niet alleen bij wijze van vergunning, maar als vanzelfsprekend. Het besluit van ’74 werd dus geheel opgenomen.

|140|

Zoo bleef het ook in 1619.
Dienovereenkomstig bestaat de kerkeraad in groote gemeenten uit predikanten en ouderlingen, maar bij een aantal zaken met diakenen er bij.
De kerkeraad is dus niet altijd even groot, naar gelang van omstandigheden zijn er meer of minder leden.
Regel is: kerkeraad bestaat uit predikanten en ouderlingen. In sommige gevallen is hij grooter. Welke die gevallen zijn, kan niet in details bepaald. In den aard der zaak liggen
1. alle zaken betreffende den dienst der barmhartigheid = diaconale zaken.
2. Voorts zaken, die niet rechtstreeks tucht en opzicht raken, maar de algemeene belangen der gemeente, nl. de financiëele.
3. Ook komen die gevallen voor bij beroepingen, benoemingen etc.
In kleine gemeenten bestaat de kerkeraad altijd uit alle drie: predikanten, ouderlingen en diakenen.
Regel is dat in sommige gevallen het oordeel van ouderlingen overwegend is, nl. bij tuchtzaken en in sommige gevallen nl. bij armenzaken het oordeel van diakenen.
Practisch is er dus zeker overwicht toe te kennen of aan de ouderlingen of aan de diakenen, naar gelang de zaken die te behandelen zijn.

Ten tweede wordt in dit artikel gehandeld over den tijd van samenkomst. Alle weken minstens één maal.
Redactie ’71 art. 6: alle weken minstens eenmaal. De nadere bepaling van tijd en plaats werd overgelaten aan de enkele kerken.
Is het ook noodig in de allerkleinste plaatsen of dorpen? Er zijn niet altijd zaken.
In groote plaatsen is het zeer noodig saam te komen, hoewel het in deze eeuw is nagelaten. In het Hervormd Genootschap evenzoo. Dit was mogelijk door een permanente commissie, die deed wat des kerkeraads was. De kerkeraad nu kan dit nooit doen, wel een commissie tot uitvoering en voorbereiding van handelingen.
Ook is dit in vorige eeuwen nagelaten op kleine plaatsen op weekdagen. Maar dan toch na den dienst in de consistorie kwam de kerkeraad des Zondags twee malen bijeen. Op zichzelf komt dus de kerkeraad vanzelf samen. Men kan dan op kleine plaatsen den kerkeraad in de twee weken eens offici‰el samenroepen, behalve bij buitengewone gevallen.
Toch moet men hierin niet te ver gaan, daar er dan gevaar bestaat voor verslapping van de werkzaamheid van den kerkeraad.

Kan de kerkeraad voor de werkzaamheid in een groote stad zich splitsen in verschillende wijken? Vooral thans, nu de groote steden door het vervallen van muren en wallen zich uitbreiden?
Dit is een zaak van zeer weinige kerken, daarom kan het in zulke groote kerken wel plaatselijk beslist worden. De kerken in het algemeen laten zich hiermede niet in.

De laatste bijvoeging van het praesidium komt als vanzelfsprekend niet voor in de oudere edities. In de edities van ’71 en ’78 (art. 21) komt een afzonderlijk artikel voor, waarbij staat: met gebed openen en met dankzegging sluiten.

|141|

Art. 21, red. ’78. In den kerkeraad zullen de dienaren bij gebeurte presideeren en de handelingen met aanroeping des Naams des Heeren aanvangen en met een gebed en dankzegging, bekwaam tot de zaak besluiten.
Later werd dit weggelaten omdat het in art. 32 stond (1586, art. 34).
„Bij gebeurte” raakt een beginsel. De eene dienaar heeft meer tact en leiding dan de andere. Daarom ware er aanleiding om te zeggen: laat zoo’n meest geschikte dat dan doen. Doch dan kon men dat ook zeggen van het prediken. Een dienaar moet alle deelen van zijn ambt vervullen. Laat hij één deel varen dan is hij voor de ander minder geschikt. Bovendien zou er gevaar bestaan voor bisschoppelijke hiërarchie, want zulk een enkel dienaar zou alle leiding in zich concentreeren.
Alle dienaren zijn echter gelijk. Daarom moet ook het bij gebeurte presideeren gehandhaafd.
Om den hoeveel tijd is onderling te regelen.
Gewoonlijk was het van den oudsten tijd af om de week. Drie maanden ware te veel. De zaken gingen dan wel vlugger, maar veel grooter gevaar is er dan voor hiërarchie. De praeses moet de actie leiden, maar de kerkeraad zelf moet ageeren.

Zitting van den Magistraat.
Dit stond er niet van den beginne af in. Eerst in 1586 is het in de K.O. gekomen. Art. 34. Als een concessie van de kerken aan de Overheid ten einde approbatie van de K.O. te krijgen en de K.O. ook te maken tot eene wet, die tot staats-wet kon verheven.
In 1618 werd de hoop op approbatie nog gehandhaafd.
Toegepast is het alleen maar in Amsterdam in 1630 en in het midden van de 17e eeuw in Utrecht. In 1630 was te Amsterdam de kerkeraad in gespannen verhouding tegenover de Magistraat om de afzetting van Ds. Smout. Daarom heeft de Magistraat zich vertegenwoordigd, gesteund door classe en synode.
Het liep kort af.
In Utrecht heeft het langer geduurd. Delibereeren in officieuze vergaderingen en in officiëele vergaderingen met de Magistraat er bij had het stemmen en notuleeren plaats. Toch is ook dit later vervallen.
De Overheid beriep zich op de K.O. maar de kerken wezen er op, dat het concessie was en nu vervallen moest.
Voetius handelt hierover in zijn Pol. Eccl. Bibl. Ref. Serie I, pag. 115, 116 en vgg.
Deze bepalingen moeten geacht worden niet toegelaten te zijn. Overal hebben de kerken Magistraatspersonen niet toegelaten.
Uitvoeriger bespreekt hij dit pag. 168-176. Appendix: Contineris quaestionem, de praesentia Magistratus in omnibus conventibus Presbyterialibus seu Consistorialibus, qui offidatim et hebdomadatim habentur.
Het is een lange verhandeling.
Principiëel is er niets voor te zeggen. Het komt niet overeen met de roeping der Overheid noch met de vrijheid der kerken.
De bepaling in quaestie werd niet bepaald maar nolens volens toegelaten, omdat de politieken alleen, wanneer deze clausule werd toegevoegd approbatie gaven.
Daardoor is het alleen concessie. Houdt de een zich nu niet aan

|142|

het „ut des” dan kan de ander niet meer gedwongen worden zich te houden aan het „do”.
Voetius heeft in 1619 er zelf aan meegewerkt.
Na de revolutie, toen de Overheid ophield Gereformeerd te zijn, kon het niet eens meer toegelaten worden.
Feitelijk is dus deze bepaling afgeschaft, reeds 1e door het gewoonterecht, de praktijk, 2e doordat het niet meer mogelijk is.

Alle verdere bepalingen zijn niet opgenomen, zoals convocaties, presentie. Wel is er in 1581 over gesproken, naar aanleiding van een ingekomen vraag uit Brabant (natuurlijk naar aanleiding van een concreet geval): „Waarvoor te houden zijn de consistoriën die extraordinair zijn, waartoe niet alle leden geconvoceerd zijn?”
Het antwoord was: voor niet geldig. Het volle consistorie kan de besluiten verwerpen. Zijn allen tot de extraordinaire vergadering opgeroepen, dan is er geldigheid, ook al kunnen allen er niet zijn. Misbruik van afwezigheid van bepaling over convocatie mag niet worden gemaakt. Convocatie bij geregelde vergadering is noodeloos, omdat er een vaste dag en uur is. Bij buitengewone vergaderingen moet ze echter zijn, om reden dat allen het niet weten. Deze convocatie tot een extraordinaire vergadering kan ook door een officieel orgaan geschieden, maar allen moeten er van geweten hebben.
Wat de praesentie betreft, men zal wel nooit nieuwe zaken in weinig bezochte vergaderingen afdoen.
Een bepaling, dat alle besluiten alleen met ⅔ van de stemmen kunnen genomen worden of anderszins is niet noodig. Ze is lastig voor kleine zaken. Bovendien zou een volgende voltallige vergadering het kunnen verwerpen.

In dit artikel komt niet voor iets omtrent de vergaderingen van Waalsche en Nederlandsche kerkeraden.
Op de Haagsche synode kwam een vraag der Waalsche kerken in om op zekere tijden met de Nederlandsche kerken te mogen vergaderen. Toen waren er ongeveer maar zes. Later door de refugiés werd haar aantal grooter. In 1586 is daaromtrent niets bepaald, evenmin in 1618.
In de 17e eeuw hebben de kerken dit wel gewenscht, vooral toen te Amsterdam een Waalsch Arminiaansch predikant was. Eindelijk is hij afgezet, maar medestanders zeiden: waar bemoeien de Nederduitschers zich mee. Daarom was saamvergaderen wel goed. Vooral toen er refugiés kwamen en de predikanten niet al te Gereformeerd en weinig onderlegd waren, was voor de zuiverheid in de leer saamvergaderen wel gewenscht.
Toen Willem I in 1816 het Hervormd Genootschap stichtte, werd bepaald: eens per maand vergadering met de Waalschen. Er moest dan Fransch gesproken worden. Dit konden alleen de meer ontwikkelden. Onder de minder ontwikkelden zaten goede Gereformeerden. Deze wilde Willem I weg hebben. Vandaar dat expedient. Doch die vergaderingen zijn te niet gegaan. Er was niet te behandelen. De leer was vrij. Ook in ’t genootschap worden zulke vergaderingen thans in ’t geheel niet meer gehouden.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 38

|143|

Kerkeraad.

Art. XXXVIII. Welverstaande, dat in de plaatsen waar de kerkeraad van nieuws is op te richten, ’t zelve niet geschiede, dan met advies van de Classe. En waar ’t getal van de ouderlingen zeer klein is, zullen de diakenen mede tot den kerkeraad mogen genomen worden.

Dit was altijd geschied. Waar de dienst des Woords moest worden opgericht was dit het werk van de Classe. De Classe was aangewezen tot hulp van een zwakke kerk of kerk, die nog niet tot openbaring was gekomen.
Waar nog geen genoegzaam aantal ouderlingen te krijgen was, moest men wachten. Waren er zeer weinigen, dan werden diakenen mede tot den kerkeraad genomen.
Als er twee ouderlingen zijn en één is er ziek en de kerk is vacant, dan bestaat de kerkeraad uit 1 ouderling. Doch hierover is reeds in het vorige artikel gehandeld.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 39

Kerkeraad.

Art. XXXIX. In de plaatsen, waar nog geen kerkeraad is, zal middelertijd bij de Classe gedaan worden, ’t gene anders den kerkeraad naar uitwijzen dezer kerkenordening opgelegd is te doen.

In artikel 39 wordt gehandeld over plaatsen, waar nog geen kerkeraad is. In de K.O. is daaromtrent een bepaling eerst gekomen in 1586 (art. 35 van de red. van ’86).
Toch is natuurlijk reeds vroeger in een dergelijk geval moeten gehandeld worden, omdat de gevallen zich telkens voordeden. In zekeren zin had dit geval zich voorgedaan in alle Geref. kerken, dat er een groote kring Gereformeerden was zonder kerkeraad. Bij de Reformatie zelf was er telkens een gemeente zonder kerkeraad. Onder Rome waren er geen ouderlingen en diakenen. In oude tijden hielp men zich, zooals het kon. Op raad van Calvijn werden dan de belijders der zuivere religie saamgeroepen. De saamroeping ging uit als ’t kon van een predikant, die er tijdelijk was of van een naburig predikant of van eenige zeer invloedrijke leden der gemeente zelf.
Bepaalde regelen zijn in den eersten tijd niet gemaakt. Ze konden ook niet gemaakt worden. In dien eersten tijd geschiedden er, zoolang er geen kerkeraad was, ook geen kerkelijke handelingen. Reeds Calvijn had beslist afgeraden over te gaan tot bediening van het Woord en der sacramenten. Eerst moest er een vorm van kerk zijn, voordat het Woord en de saramenten bediend werden. Eerst moest er een kerkeraad zijn om toezicht en tucht te oefenen. Zoolang dit niet geschiedde, was er een kleine kring van gelijkgezinden, van geloovigen, die tot onderlinge stichting en oefening saamkwamen.
Eerst later, toen er meer Geref. kerken waren bestond de mogelijkheid tot kerkelijke handelingen te verrichten. De naburige kerken

|144|

konden zulk eene plaats, waar nog geen kerkeraad was helpen met bediening van Woord en sacrament. In den aard der zaak lag, dat dit zonder formeele bepalingen geschiedde. Practisch was dit in oude tijden reeds de gewoonte.
In 1586 is dus geen nieuwe bepaling gemaakt, maar codificatie van wat usueel reeds lang plaats had.
In 1619 bleef deze bepaling zoo.
Bedoeling van dit artikel is blijkbaar niet zoo’n toestand als min of meer normaal voor te stellen. Eigenlijk moet in elke gemeente een kerkeraad zijn. Dit is beginsel van Geref. kerkrecht. Doch er zijn kleine en zwakke gemeenten, waarin de stof voor een kerkeraad ontbreekt. Voor die uitzonderingen geldt deze bepaling.
Het geval deed zich voor hier te lande alleen in Roomsche streken, b.v. in ’t Land van Nijmegen, ’t Oosten van N. Brabant en Limburg waar zeer weinig Geref. woonden. Daar waren soms gemeenten van 3 tot 6 mansleden, daaronder geheel ongeschikten voor kerkeraadsleden of diakenschap. Toch moest daar dienst des Woords en der sacramenten zijn. De classe hielp nu en wees doorgaans sommige predikanten en ouderlingen aan die helpen moesten.
Ook op andere plaatsen b.v. in Gelderland in sommige heerlijkheden waar de heer van de plaats van de Overheden gedaan kreeg, dat er belemmeringen voor kerkformatie kwamen.
„waar nog geen kerkeraad is”, d.w.z. er is er nog geen, maar er moet er zoo spoedig mogelijk een komen. Onder leiding der classe, die zorgen moet dat er een kerkeraad komt, moet door de leden der gemeente een kerkeraad gekozen worden.
Het heeft dan ook nooit aan de Classe gelegen, dat een gemeente die zich uitbreidde, geen kerkeraad had. In de practijk heeft men alle overheersching gemeden, want bij de toepassing waakte de classe er altijd voor zoo min mogelijk den schijn van overheersching te hebben, zulke kerk niet voor vol te erkennen en iets met gezag op te leggen.
Vooral kwam dit uit bij beroepingen.
Ook zwakke kerken hadden toch een predikant. Dit kon, omdat ze gebouwen en inkomsten van kerkelijke goederen hadden. Kerk en kerkelijke goederen had de Overheid aan de Roomschen ontnomen. De predikant had dus traktement. Veel te doen had hij wel niet. Soms had hij tot gemeente eigen familie + familie van den meester + een of andere ambtenaar. Nooit beriep nu de classe, maar de classe riep de gemeente saam en liet ze meestemmen.
Ruimer toepassing van het artikel kan er plaats hebben, als het geval zich voordoet, dat opeens een geheele kerkeraad op een plaats wegvalt.
Bij kleine kerkeraden van twee ouderlingen en twee diakenen is het mogelijk, dat er één of twee plaatsen vacant zijn, die niet aanstonds vervuld worden en dat de beide andere ledig komen door verhuizing, bedanken, sterfgeval etc. Dan kan men bij analogie dit artikel toepasselijk maken. Ook dan moet weer de classe optreden.
Dan is er op te letten, dat in zulk geval de classe daar niet als kerkeraad gaat zitten, maar moet ze zorgen, dat er zoo spoedig

|145|

mogelijk weer een kerkeraad komt en zal ze de gemeente saamroepen ter verkiezing en zich onthouden van kerkeraadshandelingen. Zoo was het vroeger praktijk. Waren er zeer dringende zaken, b.v. censuur, armenbedeeling, dan deed dit de classe, maar slechts voor enkele dagen, in zooverre deed de classe wat des kerkeraads was.
Het zitten van een classe vele dagen achtereen in de plaats van een kerkeraad is geheel in strijd met het Geref. kerkrecht. De eerste daad van de classe moet zijn: zorgen voor een nieuwen kerkeraad.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 40

Diaconale vergaderingen.

Art. XL. Insgelijks zullen de Diakenen alle weken te zamen komen, om met aanroeping des Naams Gods van de zaken hun ambt betreffende, te handelen, waartoe de Dienaren goede opzicht zullen nemen en des noods zijnde zich daarbij laten vinden.

De reeks artikelen over den kerkeraad wordt besloten met een artikel over de diakenen.
Wat de hoofdzaak betreft dateert dit art. van 1574.
In de redactie van ’71 had evenals in de Confessie gestaan, dat de kerkeraad zou bestaan uit predikanten, ouderlingen en diakenen, dus dat diakenen leden van den kerkeraad zijn.
In 1574 kwam de vraag of dan diakenen bij alle handelingen des kerkeraads tegenwoordig moesten zijn. Geantwoord werd dat zulks niet noodig was. Dit behoefde alleen in kleine plaatsen te geschieden. De diakenen waren bepaald voor den dienst der armen. Voor hun eigen ambtszaken konden ze ook afzonderlijk vergaderen. Altoos in grootere plaatsen. Die nadere toelichting en verdere ontwikkeling is sedert gebleven.
De daarop betrekking hebbende bepalingen zijn in de acta van Dordt 1574, vooral in art. 33 te vinden.
De volgende synoden hebben deze bepaling telkens overgenomen.
Alleen in 1586 is er iets bijgekomen.
Er was een gravamen ingekomen (art. 19 der gravamina): of niet de bediening der diakenen staat onder opzicht van den kerkeraad en of er niet een dienaar des Woords moet zijn om hun handelingen te leiden.
Blijkbaar was het dus voorgekomen, dat men moeilijkheden had ondervonden van die diaconale vergaderingen, doordat ze een zelfstandige positie tegenover den kerkeraad gingen innemen en als tweede bestuur naast den kerkeraad gingen staan.
Daarom vroeg men of het niet goed was, dat een dienaar des Woords daar leiden zou. De Haagsche synode is het daarmee eens geweest en heeft aan de bepaling toegevoegd: waartoe de dienaren goede opzicht zullen nemen en des noods zijnde zich daarbij laten vinden. Art. 37.
De diakenen staan dus onder opzicht van den kerkeraad en daartoe zal goed zijn, dat een dienaar des Woords aan de diaconale vergadering leiding geeft.

|146|

Die uitspraak ligt in den aard der zaak. Het ambt van diaken is gelijksoortig aan het ambt van ouderling en dienaar des Woords. Als dienst of ambt staat het diakenschap niet hooger, maar gelijk met het predikambt. Staan predikanten en ouderlingen onder toezicht van den kerkeraad bij de uitoefening van hun ambt, dan ook diakenen, tenzij het een buiten-kerkelijk ambt ware, wat niet zoo is, omdat het een kerkelijk ambt is.
Stelde men diakenen buiten toezicht van den kerkeraad en werd het diakenschap zelfstandig, dan zou dit uitloopen op vernietiging van het ambt, kwam het buiten de kerk te staan en was het geen kerkelijk ambt meer.
In diezelfde kerk kan men ook maar één en niet twee onafhankelijke besturen hebben. In iedere kerk is maar één bestuur, nl. de kerkeraad. Daaraan kan niemand zich onttrekken. Op kerkelijk gebied kan geen kerkelijke functionaris zich aan dat bestuur onttrekken. Al wat op kerkelijk gebied geschiedt staat onder dat bestuur. Alleen onder toezicht van den kerkeraad kan iets kerkelijks gebeuren. Wordt er iets aan onttrokken, dan krijgt men verwarring.
Er is nog een derde reden.
Indien een diaconale vergadering niet aan regeling en toezicht van den kerkeraad onderworpen was, dan zou ze niet onderworpen kunnen zijn aan classe en synode.
Classe en synode hebben minder macht dan een kerkeraad. Zij kunnen nooit een macht hebben die de kerkeraad niet heeft, wel omgekeerd. Waar kwam anders die macht vandaan? Een Paus kennen wij niet.
Zoo zou er wel een regeling zijn van het predikanten- en ouderlingenambt. Doch voor de diaconale vergadering zou er heel geen toezicht bestaan en dit ware ongerijmd. Dan mocht een kerkorde niets bepalen over diakenen en kwam het diakenschap buiten alles dus ook buiten de kerk te staan en werd het daardoor onkerkelijk.
Daarom is het goed dat deze nadere bepaling is opgenomen.
Dit wil nu niet zeggen, dat de kerkeraad voor alle kleinigheden een regeling moet maken en dat de diakenen uitvoeren wat de kerkeraad regelt; ook niet dat de dienaren des Woords er altijd bij moeten zijn en op elke gift een toepassing moeten geven, want dit zou te kort doen aan den dienst des Woord en den dienaar des Woords tot diaken maken.
Het artikel spreekt het beginsel uit. De kerkeraad moet eenige algemeene regelen stellen voor den dienst der barmhartigheid. De uitwerking en toepassing ligt bij de diakenen zelf.
Zij zelf maken hun huishoudelijke regeling, leggen die aan den kerkeraad voor, die desnoods aanmerkingen maakt en haar kan afkeuren. Verder zijn ze aan het toezicht van den kerkeraad onderworpen.
„Des noods zijnde”. Er staat dus niet dat er per se dienaren des Woords bij moeten zijn.
In ’t begin der Reformatie is er uitvoerig over diakenen gehandeld. Bepaaldelijk door de samenkomst van Wezel 1568 en de prov. syn. van ’74.
Te Wezel het uitvoerigst.

|147|

Red. ’68, cap. V. De diaconie. 19 artikelen. Opmerkelijk is, dat hier van tweeërlei soort diakenen gesproken wordt. Doch niet zoo, alsof men als algemeenen regel, dus overal twee soorten van diakenen zou willen hebben.
In art. 1 wordt het diakenambt omschreven als de dienst der tafelen (Hand. 6), d.i. om de behoeften der armen te hulp te komen, giften en aalmoezen in te zamelen en aan de armen uit te deelen.
Van de tweede soort is sprake in art. 5, dat het wel goed zou zijn in groote plaatsen, als een deel zich bezig hield met het ontvangen en uitdeelen van gaven en een tweede deel zich onledig hield met het bezoeken van kranken, gewonden en gevangenen en met gasthuisdienst. Zoo was het in Geneve ingericht en met het oog daarop is het zeker zoo ingesteld.
De Emder synode 1571 heeft zich niet met diakenen ingelaten. Onder het kruis of in de verstrooiing konden diakenen niet openbaar optreden, dus hoofdzaak was het ontvangen en uitdeelen van giften.
In ’74 was de quaestie ingewikkeld en moeilijker op te lossen, want toen had men te doen met de Overheid.
Uit gravamina van den Briel blijkt dat de betrekking tot de Overheid aanleiding tot moeilijkheden gaf.
Na 1572 is over het diaconaat weinig gehandeld. Overal waar na dien tijd de Overheid Gereformeerd werd, kreeg de Overheid het beheer over de kerkelijke goederen. De diaconie kreeg van de Overheid het bestuur, de administratie over de armengoederen, ook wel H.Geest-goederen genaamd, die tot dusverre onder Roomsche administratie gestaan hadden, ’t zij van de Overheid, ’t zij van de kerk, ’t zij onder gemengde particuliere administratie.
De Overheid had die goederen nu opgenomen en na weinig moeite de inkomsten er van aan de Gereformeerde diakenen toevertrouwd, maar niet ten name van de kerken, niet in eigendom, maar als eigendom van de Overheid, of als stichting onder eigen naam en titel.
Voorts werden die inkomsten niet onvoorwaardelijk, niet zonder beding aan de Geref. diakenen ten gebruike gegeven (geheel voor armenzorg), maar op conditie, dat diakenen rekening en verantwoording zouden doen aan de Overheid.
De diakenen bleven dus afhankelijk van de Overheid.
Door de Overheid werd aan de diakenen opgelegd ook niet-Gereformeerden te helpen. Op Geref. standpunt is hiertegen geen bezwaar. De Christelijke liefde strekt zich zoover mogelijk uit. De kerken waren dus niet geheel vrij in het regelen van de armenzorg. Afhankelijk van de Overheid konden ze te dien aanzien niet zoo handelen als ze wilden.
Op ’t stuk van de K.O. in ’t algemeen had men al reeds veel strijd gehad met de Overheid, nl. met betrekking tot de approbatie. Men wilde nu weer niet in conflict komen. Daarom liet men de zaken maar liever rusten. De Overheid liet de diakenen hun weg gaan. Hun werk bleef ontvangen van giften, innen der inkomsten der goederen en uitdeelen aan de armen. Zoo is de toestand gebleven in ’t eind der 16e eeuw en andere eeuwen.

|148|

Op kerkelijke vergaderingen werd zeer weinig over de diaconiën gehandeld, evenzoo in boeken over Geref. kerkrecht.
In onze eeuw is dat beletsel vervallen. De kerken zijn nu vrij om het diaconaat naar eigen opvatting te regelen. Nu kan er gevraagd, of er niet veel meer voor diakenen te doen is dan de traditie hun te doen gaf, en of het diaconaat niet moet uitgebreid. Vooral in de laatste jaren is dit gedaan. Dit is niet alleen goed, maar vooral noodig, wegens de tegenwoordige maatschappelijke wanverhoudingen en sociale quaesties, die op den voorgrond treden.
Alleen maar is wel toe te zien, dat men bij uitbreiding niet in verkeerde sporen komt.
Dus eenige zaken wel in ’t oog houden:
1e. Dat in het Geref. kerkrecht de kerkeraad het bestuur en wel het eenige bestuur der gemeente is.
Daardoor wordt afgesneden alle behandeling en regeling van diaconale aangelegenheden, die buiten den kerkeraad, classe en synode zou omgaan en daarnaast zou komen te staan met zekere zelfstandigheid. Nooit mag zoo geregeld worden, dat de diaconie als zekere macht naast den kerkeraad komt te staan. Dit strijdt met ’t grondbeginsel van ons kerkrecht. Geen twee besturen in ééne kerk.
Alleen op dien grond zijn in onze kerkenordening de grondbeginselen voor het diaconaat opgenomen. Anders hadden de classen en synoden zich er niet mee mogen bemoeien. Twee vlaggen op één schip, twee stuurlui aan één roer gaat niet. Een zelfstandig bestuur naast den kerkeraad ondermijnt de kerk en verwoest ze.
2e. Alle regelingen van diaconalen aard moeten geschieden onder toezicht en leiding van de dienaren des Woords, evenals ouderlingen en omgekeerd ook dienaren des Woords onder toezicht van de ouderlingen staan. Ook voor het diaconaat is Gods Woord grondslag en regel. Daarom moet het licht van Gods Woord hier verspreid. De dienaren des Woords moeten uit Gods Woord de lijnen trekken, zooals art. 40 aanwijst.
3e. Iedereen mag kerkelijk handelen, alleen in zaken die zijn ambt betreffen. Men moet binnen de grenzen van zijn ambt blijven. Bij alle regeling van het diaconale ambt moeten diakenen diakenen blijven. Geen zaken moeten er bij betrokken, die er niet bij behooren. Zoo behoort het niet tot het ambt van diaken om als zoodanig sociale quaesties te behandelen en op te lossen. Dat is een dienst uit recht in de maatschappij en niet dienst der barmhartigheid, maar veel meer om recht te doen gelden.
Het eischt ook veel meer dan van diakenen kan worden gevraagd.
Zooveel wordt er reeds van hen geëischt. Oplossing van sociale quaesties eischt bestudeering van toestanden en kennis van het maatschappelijk leven, van quaesties die boven de bevatting van diakenen uitgaan. Ze toch op te lossen leidt tot een verkeerde oplossing.
Dit wil niet zeggen, dat een diaken er geen kennis van moet hebben. Hij mag zich er wel een weinig mee bemoeien, omdat er geen dienst van barmhartigheid bestaat zonder kennis van maatschappelijke

|149|

toestanden. Voor goede armenverzorging is dit bepaald noodig.
Evenmin behoort tot het diaconaat geneeskundige opleiding. Geen opleiding in de medicijnen, wel dienst der ziekenverpleging behoort tot het ambt van diaken. Daartoe is medische kennis noodig. Wat tot de opleiding behoort, behoort niet tot het diaconaat. Evenmin als de kerkeraad bouwkundigen kweekt en vormt, omdat zij kerkgebouwen noodig heeft.
In onzen tijd is aan diakenen soms geheel de kerkelijke administratie van kerkelijke goederen en inkomsten toevertrouwd, omdat zij toch administreeren. Maar zij administreeren in dienst der barmhartigheid, niet als administrateurs als zoodanig. Maar dit is niet goed. Er is iets tegen, omdat diakenen diakenen zijn. Wel hebben zij administratie slechts als onderdeel van den dienst der barmhartigheid, maar kerkelijke administratie is een gansch andere soort dan administratie van barmhartigheid. Een arme kan niet eischen. Wat de kerk betaalt, kerkelijke administratie, is afdoen van schuld en behoort niet bij de diaconale administratie (betalen van traktement van predikanten, schuld afdoen aan timmerman etc.).
Men moet daarvoor oppassen bij de gemeente. Het is anders moeilijk liefdegaven van kerkelijke bijdragen te onderscheiden. Zelfs predikanten bevelen soms de collecte aan als gaven der liefde voor armen en kerk. Dit is verkeerd, want voor de kerk is men schuldig te betalen. Men moet dus niet per se aan diakenen qua talis kerkelijke administratie opdragen. Dan ook geeft men liever een liefdegave voor een arme voor een stuk brood, dan timmerwerk. Ten opzichte van de kerk echter geeft men geen liefdegave maar doet men zijn schuld af. Bij armenadministrateurs deelt men wat er is. Bij kerkelijke administratie vraagt men wat er moet zijn.
Mits dit in ’t oog gehouden wordt, is uitbreiding gewenscht.
4e. Bij hun armenzorg moeten diakenen altijd rekenen met de beschikbare geldmiddelen ter uitdeeling. Dit staat tegenover de ideale beschouwing, dat diakenen maar moeten uitdeelen in het geloof dat God wel zorgen zal voor het noodige en in dat geloof ook schulden maken. Dit is gansch buiten de H.Schrift. Deze leert: Het is beter niet te beloven, dan te beloven en niets te geven. De H.S. leert er juist bij het schulden maken mee te rekenen, of we wel betalen kunnen. Niet beloven zonder te geven. Geen Methodisme: God rekent anders dan de menschen! Ja, als de menschen verkeerd rekenen, anders niet. Geloof = werken met de middelen, die we hebben. Men moet alleen op goede gronden uitgeven. Er moet een grondslag zijn, waarop men bouwt, als men schulden maakt. B.v. een beloofde som kan in tijd van nood verdeeld worden.
5e. Hoofdzaak is, dat het bij alle bespreking en regeling niet allereerst op de regelingen aankomt, maar op de menschen, die ze moeten uitvoeren. Ze moeten dat goed kunnen doen, anders helpt ’t niet. Ook met zeer gebrekkige regelingen kan het goed gaan. Uitnemende diakenen kunnen zelfs uitnemend zorgen met gebrekkige regelingen.
Geeft God bekwame mannen, die tijd hebben, die gedreven door liefde voor God en den naaste zich geven, dan is het reeds uitstekend. Het komt ook hier niet aan op getal, evenmin als bij ouderlingen.

|150|

Van een klein getal mannen die hun roeping begrijpen, is veel meer te verwachten, dan van die twaalf onder eene groote menigte die niet ijverig zijn. Een groot getal verflauwt zelfs den ijver der besten.
Het komt dus niet aan op ’t getal, maar op ’t innerlijk gehalte.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 41

Classis.

Art. XLI. De classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling ter plaatse en tijd bij hen in ’t scheiden van elke vergadering goedgevonden (zoo nochtans, dat men ’t boven de drie maanden niet uitstelle), daar henen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen, in welke samenkomsten de dienaars bij gebeurte, of anderszins, die van dezelve vergadering verkozen wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden.
Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen of zij in hunne kerken hunne kerkeraadsvergaderingen houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of daar iets is, waarin zij ’t oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner kerk behoeven.
De dienaar, dien ’t in de voorgaande classe opgeleid was, zal eene korte predikatie uit Gods Woord doen, van welke de andere oordeelen, en zoo daar iets in ontbreekt, aanwijzen zullen.Ten laatste zullen in de laatste vergadering voor de particuliere Synode verkozen worden, die op deze Synode gaan zullen.

Artikel 41 handelt over de Classen.
Over de classes is in de Geref. kerken van den aanvang af gehandeld en van den aanvang af zijn ook de kerken uit den omtrek saamgekomen in kerkelijke vergadering om saam te handelen, saam te overleggen, elkander te helpen en samen te besluiten.
Er konden geen provinciale synoden gehouden worden reeds sedert 1563 zonder classen, dus reeds voor 1563 waren er ook classen, al waren de synoden soms zelf slechts classes.
Reeds te Emden in 1571, waar het kerkverband gelegd werd, is de zaak van de vergadering der classe geregeld.
Art. 7 der acta.
Appendix cap. II. De classicis Conventibus. In 8 artikelen wordt daar uitvoerig over de classicale vergadering gehandeld.
Een dienaar zal een predicatie doen met korte critiek van de anderen tot onderlinge toetsing. Vragen zullen er gedaan worden met betrekking tot den toestand der kerken. Daar zal af te handelen zijn, wat in den kerkeraad niet kon worden afgehandeld. Theologische punten en quaesties tegen de Papisten zullen er behandeld (zeer practisch). Afgevaardigden ter provinciale synode zullen gekozen en voordat de voorstellen die op de prov. synode zouden

|151|

gedaan worden, zouden geformuleerd, zouden eerst de acta van de voorgaande synode nauwkeurig worden gelezen, opdat niet zou voorgesteld worden, wat reeds vroeger behandeld en met algemeen goedvinden besloten was.
Deze hoofdpunten werden te Emden bepaald. Daarna is er geen substantiëele verandering gekomen.
In 1574, toen de kerken van Holland en Zeeland samenkwamen is er niets veranderd, alleen is er te Dordt art. 11 van de acta bijgekomen, dat de classicale vergaderingen op verscheiden plaatsen d’een na d’ander zouden gehouden worden, om beter met alle kerken bekend te worden.
Nat. Syn. van 1578. Hetzelfde weer herhaald met bijna dezelfde woorden. Art. 26-33. Doch hier de bijvoeging, dat uit elken kerkeraad maar twee met keurstemmen zouden komen. Art. 27 (predikant + ouderling). En dat in een classe dezelfde niet 2 keer achtereen als praeses mocht verkozen. Art. 28.
1581 Synode te Middelburg. Alles samengevat in één artikel, art. 30, en bekort. Dit art. 30 is hetzelfde als ons tegenwoordig art. 41.
Aan de classes is groote beteekenis toegekend. Waarom?
Dat van den aanvang af de nadruk op de classicale vergaderingen gelegd werd en deze dus geregeld werden, lag in den aard der zaak. De andere stelsels van kerkrecht zijn ze ten deele onbekend, ten deele zoo geregeld, dat het iets geheel anders is.
Een classis is een vergadering van genabuurde kerken. Ze bestaat niet in het Roomsche of episcopale stelsel. Wel hebben daar de genabuurde kerken wederzijdsche steun aan elkaar te verleenen, maar dit gaat dan door middel van bisschoppen, niet van de kerken zelve. In het territoriale stelsel zijn wel classes mogelijk, maar aangezien de Overheid daar alle macht heeft, zijn ze van de Overheid afhankelijk. De classis wordt dan een ondergeschikte vergadering: Reeds plaatselijk heeft de Overheid macht in de kerk, want de plaatselijke Overheid is meester in de plaatselijke kerk. Het Independentisme kent ook classes. Ook daar kunnen kerken samenkomen, maar slechts als adviseerende, consultatieve vergaderingen, als een soort ontmoeting om gevoelens uit te spreken, maar ze hebben geen kracht tot samenbinding en regeling.
Alleen in het Gereformeerde kerkrecht wordt het recht van de classe hoog gehouden.
Het Geref. stelsel erkent:
1. het recht van de plaatselijke kerk, maar
2. de noodzakelijkheid van kerkverband.
Een van die twee wordt in de andere stelsels geloochend.
In het Geref. stelsel komt het kerkverband uit in de classisvergaderingen. Deze zijn voor het kerkverband punt van uitgang en hoofdzaak, niet de synoden, gelijk voor het geheele kerkrecht de plaatselijke kerk uitgangspunt is. Daarom zijn er bij de Geref. altijd classes geweest.
Soms werden ze met een anderen naam genoemd. B.v. de Nederl. vluchtelingenkerken in Engeland, hoewel eerst door den bisschop onderdrukt, hielden classes. Maar reeds in de 16e eeuw waren er colloquia. Fr. consistoires (= kerkeraad = presbytère). Doch de

|152|

zaak was dezelfde. De hoofdzaak wordt hier in dit artikel saamgenomen.
Uit den aanhef blijkt reeds het karakter der vergadering. Het zijn vergaderingen niet van personen, maar van kerken. De kerkeraad is een vergadering van personen, die in de plaatselijke kerk een kerkelijk ambt hebben, een vergadering van de kerkedienaren van de plaatselijke kerk. Ieder brangt daar zijn eigen kerkelijke, ambtelijke macht mee. Zoo heeft de kerkeraad gezamenlijke ambtelijke macht.
Op de classis komen de personen als representanten van kerken. In de personen van die ter classe komen, komen de kerken samen. Daarom is bij de vergadering van de classes zooveel gehecht aan de credentiebrieven gelijk ook volgt in het artikel. Een classis is geen vergadering van bestuursleden, die ’t zij voor eenige jaren ’t zij voor levenslang zitting hebben. Die personen hebben alleen gekregen macht. Al hun macht die zij hebben, is slechts de macht der kerken.
In de credentiebrief staat dat ze daartoe gemachtigd zijn, staat hun karakter als afgevaardigde aangeduid. ’t Inleveren en onderzoek van credentiebrieven is dus geen formaliteit of middel om zeker te weten te komen, wie er tegenwoordig zijn, als een soort presentielijst; maar zij beheerschen geheel het karakter der vergadering. Daarom mag nooit met de credentiebrieven de hand gelicht. Men mag niet zeggen: dat weten we nu wel, dat hij is afgevaardigd. De credentiebrieven mogen niet in onbruik raken. Ontbreekt de credentiebrief dan mag geen keurstem verleend worden. De zitting mag men wel bijwonen. Zoo wordt ook gehandeld op synoden. Men moet wachten tot een credentiebrief komt, als het kan. Zijn er toevallig leden van dien kerkeraad samen, dan komen die en maken spoedig een credentiebrief op.
Hoe moet de credentiebrief opgesteld zijn? Wat moet er in staan?
Sommigen drongen aan op een vast model, een bepaalde formule. Dit is onnoodig en niet wenschelijk, als het maar een credentiebrief is, waarin de naam van den afgevaardigde voorkomt en dat hem door deze of gene kerk volmacht gegeven wordt om namens haar in de classicale vergadering te handelen. Wenschelijk is ook de clausule, dat de kerk zal houden, wat conform Gods Woord en de kerkorde is. Het ontbreken van die clausule doet niet te kort aan den credentiebrief. ’t Spreekt ook vanzelf. Toch is het goed ze er bij te zetten, opdat nog eens herinnerd worde.
1e aan welk grondbeginsel de kerken gebonden zijn.
2e opdat men zich zou houden aan het beslotene, omdat de besluiten der classe bindende kracht hebben, tenzij ze in strijd zijn met Gods Woord, Belijdenis en Kerkorde,
Mag in den credentiebrief eene beperking van volmacht komen, dat de afgevaardigden zoo moeten stemmen?
Elke kerk heeft daartoe het recht, mandat impératif. Het recht der kerk kan niet ontkend worden haar afgevaardigden te binden aan een bepaalden last. Maar in den regel volgt toch uit den aard der classicale vergadering, uit den aard van het kerkverband,

|153|

dat in den regel zoodanig mandat impératif niet moet gegeven worden. Immers, werd dit gebruik, dan kon men de classicale vergadering wel nalaten en een stembureau oprichten, waar de stemmen geregistreerd werden, en dan besluiten genomen werden zonder dat de kerken beraadslaagd hadden. Bovendien, er moet juist op de classicale vergadering over de zaken gedelibereerd worden. Daarom is mandat impératif alleen dan geoorloofd als de kerken gedelibereerd hebben over de zaak en dan nog in zeer noodige gevallen, als b.v. een plaatselijke kerk door een nieuwe beslissing in groote ellende zou komen en groote schade lijden. Feitelijk is het alleen geoorloofd als door insluiping van ketterij in de kerkelijke vergadering tweeërlei strooming in de kerkelijke vergadering is. Maar de kerken moeten er dan reeds lang en breed over gesproken hebben. Cf. in het begin van de 18e eeuw bij het Spinozisme als insluipende ketterij, werd mandat impératif gegeven, want dat anders het kerkverband maar liever moest verbroken worden. Indien dus eene kerk er toe neigt om mandat impératif te geven, moet dit afgeraden, vooral in middelmatige dingen, daar men juist op een kerkelijke vergadering saamkomt tot meerder onderling overleg en gemeenschappelijk besluit. Mandat impératif mag alleen gegeven betreffende principieele punten.

„De classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde kerken.” Uit dit karakter van Classe volgt, dat dus al die kerken op de classe behooren te komen en haar afgevaardigden hebben te zenden. Alle zaken moeten door al die kerken behandeld.
Het is met den aard van classe in strijd voor eenige genabuurde kerken eenige personen als deputaten aan te wijzen om de voorkomende en loopende zaken af te doen.
Er zijn classes die telkens deputaten benoemen om minder gewichtige zaken met andere classes af te doen, ook met bepaalden last. Dit kwam vroeger niet voor, wel in onzen tijd: b.v. bij het beroepingen goedkeuren, attesten afgeven.
Dit is in strijd met den aard en instelling van classen. Geen enkele zaak mag gelegd op enkele personen. Wel mogen deputaten benoemd om de besluiten der classis te effectueeren als boden, maar dan handelen ze niet zelfstandig. Zelfstandige deputaten, die op eigen verantwoordelijkheid handelen, zijn onbestaanbaar.
Men is er toe gekomen door het bezwaar, dat een classe niet om de twee à drie weken kon samenkomen. Dan zijn deputaten gemakkelijk. Maar gemak is geen beginsel van ’t recht in ’t algemeen, dus ook niet van het kerkrecht.
Gemakkelijker was dan nog een bisschop, die in zijn diocese alles regelt. Gemak mag er alleen zijn als ’t wezen der zaak er niet onder lijdt. Benoemt men deputaten en draagt men de macht der kerken op hen over, dan is dit het beginsel van classicaal bestuur, dat uit personen bestaat. Waarom dan alleen afgeven van attesten en approbeeren van beroepingen? Dan komen er ook deputaten voor examens en wordt hun ambt spoedig ten onrechte uitgebreid. Het kan ook niet, want de kerken zijn verantwoordelijk voor wat deputaten doen en hoe kunnen dan deputaten beslissen zonder dat de

|154|

kerken er zeggenschap in hebben.
Aan het bezwaar van classis om de twee à drie weken wordt tegemoet gekomen, door te bepalen dat bij alle buitengewone classes niet alle maar enkele kerken behoeven te komen. Maar altijd als er geen principieel bezwaar kan zijn. Zoo deed men vroeger veel. Als men wist dat alle kerken het eens waren, werd gezegd, dat de kerken thuis konden blijven. Er werd dan classis contracta gehouden, waar enkele kerken waren. Iedere kerk wist van te voren, wat er behandeld zou worden en kon afgevaardigden zenden als ze dacht dat het noodig was, want het was een classis. De zaken werden dus niet afgedaan buiten de kerken om.
Bepaalde zaken waren voor classes contractae aangewezen, b.v. zaken waarbij haast moest gemaakt. Alleen over die bepaalde zaak mocht dan worden gehandeld.
Niet iedere kerk behoeft er te komen. Wel werden er bepaalde kerken aangewezen, die er komen moesten.
Dit beginsel werd altijd vastgehouden: alle kerken moeten over alle zaken gehoord worden.
Het stelsel van deputaten loopt tenslotte op vernietiging van classe uit. De zaak van approbatie is in vele gevallen niets dan formaliteit, maar komt straks ketterij dan kan men niet zeggen: nu veranderen. Bij afwijkende richting wordt de zaak van beroep en attest van hoog gewicht en als dan deputaten de macht in handen hebben, kunnen moeilijkheden ontstaan. Daarom: voorkomen is beter dan genezen.

Welke genabuurde kerken?
Hoe moeten de classes saamgesteld en ingedeeld?
Over de saamstelling en indeeling der classen bepaalt hier het artikel in de kerkorde niets. Het gaat ook niet in een K.O., want het hangt af van omstandigheden en is telkens te wijzigen.
De oudste indeeling is die van de Synode van Emden 1571. De kerken in de verstrooiing en de kerken onder ’t kruis hadden ieder 4 classen. Art. 10 en 11.
Met de vrijheid (1572) in Holland kon deze indeeling niet behouden blijven, want de gezamenlijke kruiskerken van Holland, Overijssel en West-Friesland werden tot één classe saamgevoegd, daar er weinige waren, in ’t geheele midden van het land slechts 12 kerken (Amsterdam, Delft).
In 1572 na de vrijheid waren er echter Geref. kerken bij dozijnen. Toen de vrijheid toch kwam, waren er vele kerken tegelijk vrij. De saamvoeging der classes werd toen naar gelegenheid geregeld. Invloedrijke personen stelden een regeling voor, die men goedkeurde Het ging dus min of meer informeel.
In 1573 heeft vooral Cornelissen van Delft daarvoor veel gedaan.
In 1574 kwam er een nieuwe indeeling voor Holland en Zeeland.
In Zeeland twee classen. In N.H, Z.H. en Midden-Holland 12 classen
In 1578 werden de Hollandsche classen anders verdeeld. N. Holland 4, Midden-Holland 3, Zuid-Holland 5, Zeeland 4. Buiten Holland en Zeeland waren in de andere provinciën genoeg Geref. kerken. Daar dus ook classen. Alleen kon men toen niet veel bepalen over

|155|

het midden en Noorden. Brabant 6, Utrecht 5, Friesland 3. Groningen, Overijssel en Gelderland waren nog onder Spanje.
1581. Nat. Syn. Ook die provincies waren toen Gereformeerd. Hier weer een nieuwe regeling gemaakt. Midden-Holland verdwenen, N. Holland 8, Z. Holland 6, Zeeland 5, Brabant 5 enz.
Geheel aan de synodale regeling hielden de kerken zich niet. Hierin zat niets kwaad. Soms kort na de synode kwamen er weer veranderingen. Dit kon, want de K.O. bepaalde er niets over. Het was een regeling naar omstandigheden te wijzigen, hetgeen dan ook later geschiedde.
Soms greep de Overheid in en wijzigde zij wel eens de grenzen der classen. De kerken schikten zich er dan in, hoewel de Overheid dit geheel ten onrechte deed.
Verandering van grensregeling komt nog telkens voor, doch nu hangt de quaestie af van plaatselijke gesteldheid, gemak van correspondentie, etc.
Of ook het aantal kerken van invloed is? Hoeveel kerken moeten er in een classe zijn? Is er een minimum of een maximum voor vast te stellen?
Theoretisch is deze vraag in onze kerken nooit behandeld. Feitelijk zijn de classen zeer onderscheiden in grootte.
In het Roomsche deel van Gelderland, Brabant en Limburg waren classen van 7 kerken. De classen van Walcheren en Zutphen daarentegen 50 à 60 kerken. Het bepaalde getal hangt af van de omstandigheden.
Als algemeene regel kan men stellen:
Een classe moet in omvang zoo samengesteld zijn als meest strekken kan om het doel van de saamvoeging te bereiken, nl. steun en hulp. Eischte men in streken waar weinig kerken zijn, veel kerken tot één classe, dan is de omvang te groot om hulp te verleenen. Waar dus weinig Geref. kerken zijn een klein getal kerken in één classe. Een al te groot aantal kerken, waar veel kerken zijn, in één classe is onnoodig. Het zou onnoodige kosten van vergaderingen met zich brengen.
In Gelderland heeft men over het aantal kerken gehandeld. Men sprak toen uit, dat in den regel daar een classe uit ongeveer 10 kerken bestaan zou. Men kon ook halve classen hebben van 5 à 6 kerken, die toch als geheele classen optraden. Doch die cijfers zijn niet absoluut maar zeer relatief, want 5 talrijke kerken, waar vaal geestelijke kracht is, zijn beter in staat elkaar te helpen dan 10 zwakke. Op het gehalte der kerken moet gelet.
In ’t algemeen moet een classe niet dalen beneden 5 of 6 kerken en niet meer zijn dan 25 kerken. Dan is het moeilijk elkaar te helpen en op de hoogte te zijn en is splitsing gewenscht. Bij grooter classen bestond vroeger ook nog een onderverdeeling in ringen, met ’t oog op hulp van kerkedienst. Dit bestaat ook nu nog wel. Vooral waar de reisgelegenheid moeilijk is. Of ’s winters moeilijk over te trekken bevroren rivieren. Dan zijn er enkele kerken, die elkaar wederkeerig helpen. Anders zou hulp onmogelijk zijn.
Toch is in vroeger tijd hulp van ringen alleen bepaald voor predikdienst, zonder eenige verdere beteekenis. Op de classicale

|156|

vergadering werd die hulp dan geregeld. Deden zulke ringen dienst om bij deputatiën der classe uit ieder deel der classe deputaten te hebben, dan werd ook dit nog door de classe bepaald en geregeld. Er was geen afzonderlijke constitueering van ringen evenmin waren er vergaderingen van ringen. Deze zijn eerst ingevoerd bij de constitueering van het Hervormde Genootschap in 1816. Toen zijn de ringen op den voorgrond geplaatst. De classe trad er geheel bij op den achtergrond. Der classe verboden meer dan eenmaal ’s jaars te vergaderen, alle beteekenende werkzaamheid werd haar ontnomen en aan de ringen geschonken. In de ringen werden volgens het reglement belangrijke zaken behandeld. De oorzaak en reden lag hierin, dat op de classe altijd afgevaardigden van de kerk kwamen, predikanten en ouderlingen. Bij ringen kwamen alleen predikanten en geen ouderlingen. De macht van de kerken was gebroken, aan de gemeente haar macht ontnomen en aan de predikanten gegeven, zoodat hun macht nu voorop ging. Dit is een uitvloeisel van het hiërarchisch beginsel der kerkorde van 1816.
Daarom moet er steeds voor gewaakt dat predikanten het werk van classen doen. Er mogen geen afzonderlijke vergaderingen van predikanten gehouden worden.
Hoe is bij wijziging van de grenzen met de classe te handelen?
Bij wijziging van de grenzen van een kerk is het oordeel der classe noodig, omdat een kerk dit niet afkan; dus ook bij wijziging van de grenzen van een classe oordeelt de provinciale synode. Niet een enkele classe heeft dan daartoe het recht, want bij wijziging van grenzen zijn altijd twee classen betrokken.
Te letten is dan op dit, dat alleen het belang der kerken motief mag zijn. De classen moeten gehoord en ook de kerken, die ’t aangaat, het voor en tegen moet gewogen en daarna de beslissing vallen.

De afvaardiging tot de classe.
Iedere kerk zendt twee afgevaardigden. Een dienaar des Woords + een ouderling. Waar één dienaar is niet twee ouderlingen en waar meer dienaren zijn niet twee dienaren. Waar meer dienaars zijn, moet de kerkeraad tusschen de dienaars kiezen, evenals bij ouderlingen.
Er is iets voor te zeggen, dat het naar toerbeurt geschiede, anders is het mogelijk, dat vaak dezelfde afgevaardigd wordt. Toch mag dit niet gebonden, toerbeurt is geen absolute regel. De kerkeraad moet altijd besluiten. De meest geschikte moet afgevaardigd. En de eene dienaar kan voor een zaak meer geschikt zijn dan de ander. Er kan verschil van overtuiging zijn tusschen den ouderling bij toerbeurt en den kerkeraad. Staat nu de kerkeraad vast in opinie over een besluit, dan vaardigt hij niet af, wie er tegen is. Ook kan bezwaar zijn verbondenheid. De ouderling kan verhinderd zijn.
Toch is toerbeurt wenschelijk, anders komt de een altijd en de ander nooit.
Zijn er meer dienaren, dan mogen die wel gaan met keurstem maar niet als afgevaardigde. Cf. art. 42 over het verschijnen van meer predikanten. Een afgevaardigde is verplicht te komen uit naam der

|157|

kerk, die afvaardigde.
Als er geen dienaar is (bij vacature of ziekte) en als beide ouderlingen niet kunnen door vacature of ziekte, hoe dan?
Doorgraans regel: als er geen dienaar was, verving een tweede ouderling zijn plaats. Sommigen wilden: met de bijvoeging dat ze samen één stem hadden. Doch niet altijd geschiedde dit. ’t Was soms moeilijk, vooral als ze het oneens waren.
Waren er nu ouderlingen verhinderd, dan kwam soms een diaken. Op de provinciale synode van Dordt 1574 werd dit geaccepteerd. Het werd goedgekeurd, als anders de kerk onvertegenwoordigd bleef. Een algemeene bepaling is er niet voor gemaakt. Waar men het toeliet, was ’t argument: in kleine kerken doen volgens art. 38 diakenen hulpdienst als ouderlingen. Dit kunnen ze doen bij classen, maar dan moet blijken, dat de ouderling volstrekt niet kan. Dus bepaalde noodzakelijkheid moet er voor zijn.
De vraag, of het recht is, dat uit iedere kerk één ouderling en één dienaar des Woords komt, om ‘t even of het een groote of kleine kerk is.
B.v. Amsterdam vaardigde even goed 2 deputaten af als Sloterdijk.
De kerken hielden dit toch altijd vast.
Het past niet in het revolutionaire stelsel, waar alleen met de meerderheid gerekend wordt en deze beslist. Daar wordt alle macht uitgedeeld naar meederheid.
In het Geref. kerkrecht zijn de gezamenlijke kerken niet één groot genootschap met afdeelingen waarin alle leden zich laten gelden, maar is het kerkverband confoederatief met gelijk recht en gelijke vrijheid. Geen kerk zal over de andere heerschen. Een groote niet over de kleine. Dit had men juist tegen het Roomsche stelsel, dat Rome over alle andere kerken heerschte. Iedere plaatselijke kerk is openbaring van het lichaam van Christus en heeft alle macht in zichzelve. Het kleinste dorpje heeft evenveel recht als de kerk van Rome. Dus alle kerken zijn volkomen gelijk.
Eenigszins is aan dat bezwaar, dat groote kerken evenveel afgevaardigden zenden als kleine, tegemoet gekomen door de bepaling, dat uit een groote kerk alle predikanten met stemrecht komen kunnen, doch maar één predikant als afgevaardigde. (art. 42). Dit om te voorkomen, dat het recht en de vrijheid van de plaatselijke kerk te niet gedaan wordt. En dit mag in geen enkel punt geschieden. Is het op een enkel punt losgelaten, dan is het op de andere punten ook niet meer veilig.
Op de classicale vergadering kan daarom het advies of oordeel van een grootere kerk, waar een aantal dienaren en ouderlingen zijn en dus de zaak van meer kanten bekeken wordt, wel zwaarder wegen dan van een kleine. Dit ligt in Gods ordinantie zelve. In een grootere kerk zijn meer kundige personen.
Maar dit is heel wat anders dan het formeele. Formeel heeft de eene kerk niets boven de andere voor.
In de vorige eeuwen is men hiervan wel eenigszins afgeweken. Uit grootere kerken stond men toe, dat 2 of 3 ouderlingen afgevaardigd werden, dit geschiedde dan niet om die kerk meer macht te geven, maar er kwamen meer predikanten uit de grootere kerk, dus

|158|

moesten er ouderlingen naast staan. Of ook begreep één ouderling zijn opdracht niet altijd en wist hij niet alles betreffende de meening der grootere kerk.
Het bezwaar, dat hierdoor ontstond, werd opgeheven, doordat men bij gewichtige zaken niet hoofdelijk, maar kerksgewijze stemde. Dan verviel immers toch de beteekenis van het grooter aantal afgevaardigden. Doorgaans werd er hoofdelijk gestemd. De twee afgevaardigden waren het bij gewichtige zaken altijd eens, dus dan kon het.
Zal men bij eventueele wijziging opnemen: uit plaatsen waar meer predikanten komen, zullen er ook meer ouderlingen komen? Is dit wenschelijk?
Er is iets voor: nl. dat anders de predikanten spoedig teveel overwicht krijgen, maar de vele vacaturen maken het voorshands onnoodig en zoo is het aantal ouderlingen toch grooter.
Bovendien is bezwaar, dat formeel de grootere kerken op deze wijze overwicht en grootere zeggenschap krijgen.

Tijd en plaats.
De classen bepalen zelf het aantal der vergaderingen. Minstens 4 maal ’s jaars.
1e redactie 1571, art. 7.
Classe te houden alle drie of vier maanden, 4 of 2 maal ’s jaars. ’t Was in de verstrooiing voor de kerken niet gemakkelijk om saam te komen. Onder ’t kruis in ’t vaderland was 2 maal ’s jaars saamkomen al heel wat.
Bij de vrijheid (red. 1574) werd in art. 10 bepaald, alle maanden classe en die wijd uiteenlagen 6 maal ’s jaars. Er was nu zoo ontzettend veel te regelen en in de kerken zelf was weinig regeling. Bovendien was de vijand nog in ’t land.
In 1578 is die bepaling niet gebleven.
Art. 26: alle maand ofte zes weken, in ieder geval 4 × ’s jaars.
In 1581 art. 30 is het geformuleerd zooals het nu is. Art. 38 red. 1586 is art. 41 van 1619.
Doorgaans vergaderde men 4 x, enkele classen 6 × ’s jaars. In Gelderland 2 of 3 maal. De Staten wilden het niet hebben. De Overheid moest ’t geld van de kosten restitueeren en dat was bij die groote classe nogal veel en ook was ze bang voor kerkelijke macht.
Het artikel spreekt niet van buitengewone vergaderingen. Dit staat aan de classicale regeling.
Vroeger waren er deputaten aangewezen tot saamroeping van buitengewone classen en kerken die verplicht waren daar saam te komen. Ze heette dan classis contracta. Zoo’n classis contracta bij zaken van weinig belang maar die haast hadden, b.v. bij approbatie van beroep, afgeven van attest of dergelijke loopende zaken. Als er geen bezwaren waren dan kwamen zij. Dergelijke regeling bestaat ook nu nog. Deputaten voor buitengewone vergadering aangewezen. De kosten worden gedragen door hen in wiens belang de classicale vergadering gehouden wordt.
Enkele classen hebben deputaten voor loopende zaken. Dit is gevaarlijk. Ze zijn feitelijk classicaal bestuur, personen, die doen wat der kerken is. De kerken zelf zijn verantwoordelijk, niet de

|159|

deputaten. Zulk een commissie kan nooit anders besluiten, dan dat zij niet besluiten kan. De deputaten doen dan goed met niet te beslissen zonder classe. Het is onnoodig. Loopende en spoedeischen zaken moeten op buitengewone classes behandeld worden. De zaken zijn zelden zoo dringend, dat zij niet een week of langer wachten kunnen.

Plaats.
De plaats van vergadering werd aan de kerken zelve overgelaten. Dikwijls circuleerde het.
Oudste K.O.: op verschillende plaatsen, dus de classis werd naar toerbeurt op verschillende plaatsen gehouden, opdat men met alle kerken bekend zou raken. Men moest dan een dag te voren komen om de reidgelegenheid, hetgeen dus een uitstekend middel was om kerk en kerkelijke toestanden te leeren kennen. Door logies vernam men alles wat er in zoo’n plaats omging. Toen was dit dus middel op om de hoogte te komen van de plaatselijke kerk. Nu reist men gemakkelijker en is dat doel geheel vervallen.
Het omloopen van de classe in de verschillende plaatsen heeft nog alleen zijn grond hierin, dat niet één kerk altijd de verste reizen heeft. Bezwaren zijn: niet alle kerken hebben gelegenheid voor vergadering, niet alle hebben een geschikt gebouw. Het archief kan niet telkens verplaatst. Bij examina zijn in een kleine kerk niet altijd de noodige boeken. Er zijn geen Hebr. bijbels genoeg.
Welke plaats hangt af van de ligging. Beteekenis heeft de plaats niet. De kosten worden betaald of uit de classicale kas of gezamenlijk of ook de kerk van de plaats, waar de vergadering gehouden wordt draagt ze.

De leiding.
„In welke samenkomsten de Dienaars bij gebeurte, of anderszins, die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden.”
Dat ook een scriba verkozen moet worden, behoeft niet meer gezegd, want in art. 34 staat, dat in alle kerkelijke samenkomsten een scriba zal zijn. Dat er een praeses zijn moet volgt ook al uit artikel 34.
Wat hier gezegd wordt, bepaalt zich er toe, dat de praeses bij de classe of door de vergadering gekozen wordt of bij toerbeurt die functie heeft. Men moet een predikant zijn en niet een ouderling. Niet tweemaal achtereen dezelfde praeses.
Toerbeurt heeft tot motief om alle inkruipsel van alle beginsel van hiërarchie te weren en om onder de dienaren des Woords de lasten en lusten gelijk te maken. Men had kunnen bepalen bij toerbeurt en dan was voorkomen, dat één dienaar als primus inter pares, als summus episcopus zou gaan optreden. Want met dit laatste zou het bisschoppelijk bestuur ingevoerd zijn. Toch is bij classe de mogelijkheid gelaten, dat ook de vergadering den praeses kan kiezen. Het zou immers kunnen gebeuren, dat bij toerbeurt de een of ander zou worden aangewezen, die minder geschikt zou zijn tot het presideeren der classe en daardoor zouden de zaken schade

|160|

lijden.
Bij den kerkeraad was dit niet bepaald. Ik groote kerken toch worden niet de onbekwaamste geroepen. Daarom ligt het in den aard der zaak, dat toerbeurt hier geen gevaar oplevert. En in een kleine kerk kan een onbekwaam dienaar nog goed zijn.
Nu zou het bij een classe kunnen gebeuren, dat men bij een bijzonder belangrijke vergadering ook een bijzonderen praeses koos, nl. die het geschiktst was. Om het episcopaat van dien bekwaamste te voorkomen, geldt de bepaling: niet 2 × achtereen dezelfde, want één is er altijd de allergeschiktste.
Van tevoren moet dus eerst een regeling gemaakt of het bij toerbeurt gaat, zooals bij de meeste classes of niet. Kiest men, dan is het best, dat op de eene vergadering de praeses voor een volgende vergadering gekozen wordt, of anders bij regeling naar toerbeurt moet hij aangewezen.
Wie presideeren moet, dient het van te voren te weten. Dan kan hij zich voorbereiden. Gebeurt dit niet, dan kan de praeses andere dienaren des Woords tot steun nemen, hun advies inwinnen en zichzelf eenigszins door hen laten leiden.
Van een assessor is geen sprake.
Sommige classes hadden er vroeger een, andere niet. Noodig is hij niet, wel bij een synode, die weken achtereen zit. De aangewezen praeses kan dan verhinderd zijn en moet de assessor zijn plaats vervangen. Een classe vergadert maar ½ dag. Daar kan de praeses wel tot ’t eind blijven. Toch kan een assessor zijn nut hebben. De praeses kan met hem consulteeren over de leiding en hij kan hem vervangen bij eventueele verhindering.
De functies zijn zoolang van kracht als de vergadering duurt. Buiten de vergadering bestaat er geen praeses van een classe. Hierdoor is niet uitgesloten, dat stukken of brieven na de vergadering van de classe uitgaande door praeses en scriba onderteekend worden, want dit wordt gedacht geschied te zijn op de vergadering zelf. Ze moeten dan ook gedateerd op den dag der vergadering, aangezien na het uiteengaan der vergadering de vergadering niet meer bestaat en dus niets doen kan.
Dit is in het oog te houden, want soms is er neiging bij de kerken om praeses en scriba van de classe ook buiten de vergadering aan te houden. Er kan b.v. van een classe een verklaring van een besluit gevraagd worden, terwijl ze niet vergaderd is. Die vraagt men dan soms aan den praeses en scriba van de laatste classe in qualiteit. Daarbij de neiging alsof ze nog in functie zijn.
Bijvoorbeeld voor ontheffing van werkelijken militairen dienst moet de predikant een getuigschrift van zijn kerkeraad hebben. De regeering wil verifieering daarvan door de meerdere vergadering. Men wil dit dan door praeses en scriba van de laatste classe laten geschieden. Doch dit mag niet. Alleen deputaten der classe kunnen dat doen, daartoe door de classe afgevaardigd.
Het moderamen moderat = leidt, nil amplius.

Werkzaamheden van de classe.
Natuurlijk worden alleen vaste werkzaamheden aangegeven. De meeste konden hier niet genoemd, omdat ze van omstandigheden afhangen. Naar bepaald aanleiding komen er stukken in. Op de eene

|161|

vergadering komen ze wel, op de andere niet. Een algemeen agendum is voor alle classes niet vast te stellen. Vandaar ook in dit artikel geen compleet agendum.
Alles wat niet bij de classe hoort, verklaart ze onontvankelijk.
Vaste werkzaamheden: voorts zal de praeses onder anderen enz.
De praeses moet aan alle kerken afzonderlijk vragen doen over den toestand en geestelijken welstand der kerk. Hoe het er mee staat, of er hulp of raad noodig is.
1e. of ze kerkeraadsvergadering houden, want zoo blijft de kerk in orde en dit is noodig voor de goede gang van zaken.
2e. over de kerkelijke discipline, want verslapping der tucht ondermijnt de kerk en doet ze wijken van haar fundament.
3e. over armen en scholen.
Thans iets anders dan vroeger. Vroeger de vraag of er voor scholen en armen gezorgd wordt, of er scholen zijn en of de schoolmeesters van de Geref. religie zijn, of hij de Geref. religie onderwijst en of de kerkeraad er toezicht op houdt. De Overheidsscholen waren vroeger Gereformeerd.
Nu de Overheidsscholen niet meer Gereformeerd zijn de vraag, of de kerkeraad wel zorgt voor Christelijk onderwijs, voor een school waar Christenouders hun kinderen kunnen heenzenden.
Dit staat niet in het artikel, maar het is volgens den geest van het artikel. Vroeger toch toen alle Christelijke scholen gereformeerd waren, was de vraag of de Overheid geen belemmering en verhindering in den weg legde.
Er staat niet: of er kerkelijke scholen zijn. Dit is niet Geref. Het maatschappelijk onderwijs behoort niet tot de roeping van de kerk. Er is sprake van Christelijke scholen, waarop de kerkeraad toezicht heeft.
4e. de algemeene vraag of er moeilijkheden zijn, waarin de classe kan helpen. Kerk voor kerk moet dan gevraagd, om daarop advies te geven.

Korte predicatie op de classicale vergadering te houden. Van den beginne af heeft dit in de K.O. gestaan.
Reeds in de red. van 1571 Synode van Emden, art. 1 van de bepalingen omtrent de classe (aanh. cap. 2). Bij toerbeurt zou het geschieden. Deze bepaling is gebleven en in de volgende redacties in de kerkorde zelf opgenomen. Eveneens in 1619 gebleven.
De bedoeling van de korte predicatie is reeds in 1571 in ’t artikel 1 duidelijk genoeg uitgesproken. Niet een soort stichtelijk begin of einde van de classe, of bij de officieele werkzaamheden toch ook een half uur stichting te hebben, want deze gedachte is eerst in onze eeuw opgekomen en is methodistisch, afkomstig uit het Reveil.
Tot onze eeuw toe is steeds uit elkaar gehouden saamkomen tot onderlinge stichting en saamkomen om een van God opgelegde taak uit te voeren. Bij elke saamkomst voor arbeid is geen stichting noodig. Dit is niet Gereformeerd. Den tijd tot uitvoering van een van God opgelegde taak mag men niet tot stichting gebruiken.
Men begon de classicale vergadering en kerkeraadsvergadering niet met het lezen van een gedeelte der Schrift of een stichtelijk woord of predicatie, want men kwam om ’t werk te doen waartoe

|162|

God riep. Dat werk moest gedaan. Men kwam om zijn tijd goed te besteden, evenals op alle gebied. Iemand die werk doet voor een ander mag niet in dien tijd even iets gaan doen voor zijn stichting.
In ’71 stond er uitdrukkelijk bij, dat het doel der korte predicatie was om tot critiek te dienen, om gecritiseerd te worden, dus niet tot stichting. De dienaren des Woord der Classe moeten er te meer door bekwaam gemaakt worden en geoefend worden in hun werk opdat zij door goed preeken de kerken tot steun zouden zijn.

Onderlinge steun is het doel der classe. Dit dus ook in deze bepaling.
(Art. 1. „In classicis conventibus Ministrorum unus concionem in Ecclesia habebit. De ea caeteri Collegae una collecti indicabunt et si quid corrigendum sit indicabunt. Idem caeteri suo quisque ordine praestabunt in provinciis classicis conventibus.” B.v.d. Meer, Synode van Emden, dissertatie).
De reden lag hierin, dat de meeste predikanten niet opgeleid waren, grootendeels waren het verloopen monniken of gewezen pastoors. Sommigen hadden particuliere opleiding bij predikanten gehad, sommigen ook op scholen en in de profeten-inrichting te Londen. Zeer enkelen waren aan Seminariën en Universiteiten in Zwitserland en Duitschland geweest. Velen waren er van art. 8. In dezen tijd van nood waren ze op zijn lichtst geëxamineerd, zooals in een der brieven van v.d. Cornput staat.
De classe moest nu die predikanten wat verder brengen; ’t was een soort homiletiek-college, practisch college in homiletiek.
De critiek werd met ernst geoefend en aangewezen dat de predikant wat meer studeeren moest.
Dordt ’74. De leden brachten eenig geld bijeen om een die gepreekt had aan boeken te helpen. Hij had niet goed gepreekt en nu klaagde hij, dat hij geen boeken had.
De bekwaamheid liet veel te wenschen over, vooral door de Reformatie in massa waren in Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel veel monniken en priesters overgegaan, die „min” preekten.
Daarom werd in 1586 de zaak nog eens ter hand genomen en op de korte predikatie aangedrongen. Er werd een circulaire aan de classen gericht om op eenige hoofdpunten de aandacht te vestigen, 1 Aug. 1586. Voor elke classe een paar deputaten benoemd om nader aan te dringen dit toe te lichten. De Synode vermaant, dat men deze propositiën zal houden (propositiën van predikanten) om elkaar in de prediking te oefenen en zuiverheid der leer te bewaren. Vooral bij ’t opkomen van ketterijen diende de korte predicatie om deze daarbij te bestrijden. Men gaf van te voren teksten op. Was iemand verdacht, dan gaf men hem juist een tekst waardoor hij beproefd zou worden.
De predicatie geschiedt niet voor de gemeente, dan was het stichtelijk, maar voor de classe.
In de practijk is die korte predicatie veel verzuimd, want in vele classen is ze weinig of niet gehouden.
Daarvoor waren veel oorzaken:
1e. Er waren te veel zaken en weinig tijd. En men wilde niet een dag extra vergaderen.

|163|

2e. Vele dienaren des Woords waren er niet op gesteld door de classe gecritiseerd te worden.
Die korte predicatie is in onbruik geraakt. Ook nu wordt ze weinig gehouden.
Van de 17e eeuw af gold het motief van de 16e eeuw lang zoo sterk niet meer. De opleiding was beter en de examina strenger geworden. Het getal onbekwame predikanten werd zoo vanzelf kleiner.
Ook werkte wel mee, dat dit middel van vorming niet zoo doeltreffend was. Wel kon het helpen als een ongeschikt predikant elke vergadering eene preek hield, doch ’t ging bij toerbeurt. Daarenboven - het bood geen waarborg. Voor ketterij hielp ‘t ook niet veel, want zoo’n predikant die kettersch was, liep 6 à 7 jaren zonder aan de beurt te zijn. Ook zou men bij toerbeurt een reeks predikanten kunnen krijgen voor wie ’t niet noodig was, b.v. te Amsterdam, Trigland, Ursinis en Plancius. Verder, die kettersch dacht, drukte zich wel voorzichtig uit.
Veel beter hielp voor zuiverheid van leer het benoemen van deputaten om onverwachts en ongemerkt plotseling een verdacht predikant te gaan hooren, zooals sommige classes wel eens deden.
De motieven voor de korte predicatie zijn voor ’t grootste deel vervallen. Ook in onzen tijd gevoelt men dit zelf wel en is daarom de classicale predicatie schier geheel in onbruik geraakt. Men wil de K.O. in onzen tijd wel weer naleven, maar men ziet toch, dat het voor vorming niet noodig en doeltreffend is. Is er tijd voor, dan kan het, maar veel heil ligt er niet in.

Afvaardiging.
Hoeveel afgevaardigden, en de afvaardiging zelve wordt behandeld in art. 47. Aantal ouderlingen = aantal predikanten = 2.
Hier staat de bijvoeging alleen om het „in de laatste vergadering voor de particuliere synode”, wat zeggen wil, dat nu niet op de eerste vergadering na de particuliere synode deputaten benoemd worden voor de volgende eventueele synode, maar dat men telkens voor een bepaalde synode afvaardigt.
Het motief was, dat men eerst dan weet, wat er op de synode zal verhandeld worden. Alle kerken moeten het weten.
Misschien staat dit in verband met een gebruik van de 16e eeuw dat niet uit alle kerken ouderlingen kwamen. In sommige kerken was bepaald, dat het niet zou, en dat niet uit clericalisme, maar om bezwaren der ouderlingen zelve. Zelven toch moesten zij de kosten betalen. En deze waren niet zoo gering want het reizen ging moeilijk. Er gingen drie dagen mee heen: 1e dag heenreis, 2e dag vergadering, 3e dag terugkeer.
Maar wel kwamen de ouderlingen dan in classes ante-synodaal. Maar daarvoor moest dan ook die vergadering bepaaldelijk zijn. Het ligt nu in den aard der zaak in de classe ante-synodaal af te vaardigen. Men weet dan het best, wie op de synode in den geest der classe zal spreken, wie verhinderd is etc.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 42

Stemmen.

Art. XLII. Waar in eene plaats meer predikanten zijn dan één, zullen die al te zamen in de classe mogen verschijnen en keurstemmen hebben, ten ware in zaken, die hunne persoon of kerken in ’t bijzonder aangaan.

|164|

Dit artikel is eerst in 1619 in de kerkorde gekomen, naar aanleiding van gravamina op de Dordtsche synode te dien aanzien ingekomen.
Post-acta Dordtsche Synode 158e sessie, 14 Mei, punt 5. De vraag werd gedaan of meer predikanten uit eene kerk tot de classis komende, ieder daarop een stem behoort te hebben.
Gelijk bij alle gravamina bracht elke provincie er advies over uit en ook waren de professoren adviseurs. Den 15den Mei heeft ieder der provincies haar gevoelen gezegd, dat den vorigen avond was opgemaakt.
In de 159e sessie werd bepaald, wat we in art. 42 letterlijk vertaald vinden.
Het gravamen had zijn grond: te dien aanzien was geen bepaling gemaakt en gold nog steeds wat in art. 41 stond, dat elke kerk één dienaar en één ouderling zal afvaardigen. Toch is van den beginne af als regel ingevoerd, dat alle predikanten op de classe kwamen. In de 16e eeuw was dit bijna noodig te achten. In ’t begin der Reformatie waren er maar zeer enkele predikanten en zeer weinig bekwamen. Waren alle predikanten uit groote plaatsen op één na niet ter classe tegenwoordig geweest, dan zou het er treurig mee gegaan zijn. Dan geen leiding. Het was dus allernoodigst, dat tegenover de minder ontwikkelde predikanten de meer ontwikkelde kwamen.
Uit stukken van ’72, ’78, ’79 zien wij, dat zij door alle predikanten onderteekend zijn. Allen zijn dus ter classe geweest. Bij predicatie of critiek had men alle predikanten noodig. Keurstem had alleen, wie gedeputeerd was. De anderen adviseerden slechts.
In 1581 Nat. Syn. van Middelburg, kwam een gravamen van West-Friesland (N.H.) in, eenigszins onduidelijk geformuleerd, of zij, die niet gedeputeerd waren ook stem zouden krijgen. De synode antwoordde: ze zullen mede advies geven tot opening der zaken. Geen keurstem, wel adviseerende stem werd dus toegekend.
Uit welke provincie in 1619 de zaak weer op het tapijt kwam, is niet duidelijk. Ook vóór ‘t besluit zal het wel zoo geweest zijn, dat b.v. Trigland, Plancius, Rolandus door hun adviezen grooten invloed hadden, zoodat men hen nu ook formeel verantwoordelijk wilde stellen voor de besluiten, gelijk ze materieel reeds zooveel invloed hadden. Misschien werkte de overweging wel mee, dat alle kerken wel gelijk staan, maar dat, waar het geldt den invloed op den gang van zaken een grootere kerk meer invloed mag hebben, niet omdat ze grooter is, of om haar grootte meer is, maar omdat in groote kerken licht meer wijsheid is.
Toch ook dit niet zonder bedenking. Het is feitelijk uitzondering op den regel, dat alle kerken gelijk zijn.
Nu het er staat, kan het er blijven staan, maar eigenlijk zijn die predikanten geen deputaten van de kerk.
Artikel 41 had eigenlijk op dit punt moeten gewijzigd worden.
Ook in ander opzicht is te wijzigen, waaraan men niet gedacht of niet gewild heeft, nl. het ouderlingen-aantal moet vermeerderd. Nu is er wel gevaar voor clericalisme. B.v. uit Amsterdam kwamen 28 predikanten en één ouderling. De predikanten kregen het overwicht.

|165|

De classen zelf poogden hieraan tegemoet te komen door in classicale regelingen van de 17e eeuw op te nemen, dat er meer ouderlingen moesten wezen. In Zeeland 3 of 4 ouderlingen. Maar art. 41 laat dit eigenlijk niet toe. De Dordtsche synode had dit moeten veranderen.
Dat men dit in de 17e eeuw toch besloot, doet blijken, dat men zich aan de kerkorde niet letterlijk gebonden achtte en dat men dit niet in strijd achtte met den geest der kerkorde.
Wat in ’t slot staat, „keurstemmen, ten ware in zaken, die hunne persoon of kerken in ’t bijzonder aangaan”, ligt in den aard van alle vergadering.
Het staat er bij, opdat men uit art. 42 niet zou afleiden, dat predikanten over alles mee te spreken hadden. En ook niet kan men er uit afleiden, dat in alle andere zaken iemand wel rechter is in eigen zaak.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 43

Censuur.

Art. LXIII. In ’t einde van de classicale, en andere meerdere samenkomsten, zal men censuur houden over diegenen, die iets strafwaardigs in de vergadering gedaan, of de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben.

Wat over kerkeraad was bepaald, hier over classe en synode.
Het ziet op misgaan in woorden of verzuimen van plicht. Hier geldt alleen echter handelingen in de vergadering.
In de kerkeraad geschiedt het gewoonlijk om de drie maanden voor het Avondmaal. Op grootere vergaderingen is dit in onbruik geraakt. Had iemand zich aan de mindere vergadering misgaan, dan was er gewoonlijk een klacht. Misging iemand zich op de vergadering, dan werd hij terstond tot de orde geroepen.
De censuur werd zoo formaliteit. Het artikel staat er alleen om aan te toonen, dat aan iemand zekere teugel wordt aangelegd. Men mag niet alles doen, wat men wil.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 44

Visitatoren.

Art. XLIV. Zal ook de classe eenige harer dienaren, tenminste twee van de oudste, ervarenste en geschiktste autoriseeren, om in alle kerken, van de steden zoowel als van het platteland, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien of de leeraars, kerkeraden en schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen; bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomen orde in alles onderhouden en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen, teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of het ander bevonden worden, in tijds mogen broederlijk vermanen en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en ’t meeste profijt der kerken en scholen helpen dirigeeren. En zal iedere

|166|

classe deze Visitatoren mogen continueeren in hunne bediening, zoo lang het haar zal goed dunken, ten ware dat de Visitatoren zelven, om redenen, van dewelke de Classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden.

Art. 44 behandelt met betrekking tot de werkzaamheid van elke classe het bepaaldelijk toezicht op de kerken.
Hiervoor worden in art. 44 deputaten benoemd, die elk jaar de kerken moeten visiteeren.
Dit artikel heeft niet van het begin af in de K.O. gestaan Zelfs in de eerste revisie is het nog niet opgenomen. In den beginne waren er geen visitatoren.
Alle opzicht over kerken en dienaren werd door de classicale vergadering zelf geregeld, die daarvoor zoo dikwijls mogelijk bijeenkwamen en in onderscheiden plaatsen rondgingen om zoodoende met de kerken bekend te worden.
In 1581 was er wel sprake van visitatoren. Men heeft er niet aangewild uit vrees voor kerkbestuurders. Dit lag aan den naam waaronder het voorgesteld werd in een gravamen uit Zeeland, Oostvlaanderen en Engeland, onder den naam o.a. van inspecties of super intendenten. Op dit woord kwam men doordat in Schotland altijd zulke superintendenten waren geweest sedert den tijd van John Knox, echter niet met zijn goedkeuring, maar door den nood der tijden. Er waren zeer weinige predikanten. Nog geen dozijn bij elkaar. Men plaatste in iedere groote kerk een predikant die voor een aantal kerken zorgde voor preeklezers etc. Knox was er tegen. De uitkomst bewees, dat er een verkeerde idee in kwam.
In Duitschland waren superintendenten namens de Overheid.
Men gevoelde het bezwaar en voegde er in het gravamen bij: met zekere „limitatie”.
De synode oordeelde het onnoodig en zorgelijk.
Wat de predicatie betreft, de classe kan een dag te voren den tekst opgeven. Blijken kan hieruit, dat bij de toelichting van het gravamen bezwaar was geopperd dat een predikant lang kon denken over een tekst. Daarom was men voor plotseling hooren.
Voor superintendenten was men bang. In die eeuw kon iemand te Amsterdam niet beroepen worden, omdat hij heette gesolliciteerd te hebben naar de betrekking van superintendentschap.
Men mag hieruit niet afleiden, dat deze synode tegen alle visitatie was. Er was altijd zekere visitatie als klachten over eene kerk niet in de classe zelve konden afgedaan worden.
In 1586 is de zaak weer aan de orde gesteld door een gravamen uit Zuid-Holland, dat men toch maatregelen zou nemen om aan de kerkorde meer autoriteit en handhaving te verzekeren. Daarbij was ook eene memorie van toelichting, hoe men de maatregelen zou wenschen. Dit stond in verband met de politieke approbatie.
Uit de memorie blijkt, dat op de Z.H.-synode overwogen was, of het niet goed zou zijn een senatus ecclesiasticus in ’t leven te roepen bestaande uit politieke en kerkelijke personen, die een soort superintendentie over de kerk zouden hebben.

|167|

Het plan behoeven wij hier niet in den breede te bespreken. Het kwam neer op een opperconsistorium, zooals de Duitsche kerken hadden en nog hebben. In verband wordt voorgesteld eenige te deputeeren en op gezette tijden visitatie te doen over de kerk en hare dienaren. Deze visitatie is wel niet geheel en al vastgemaakt aan een opperconsistorium, maar toch wel eenigszins. Wel stond er dit mee in verband en het droeg daarom een bedenkelijk karakter. In de memorie van toelichting zei de minderheid, dat die macht bij de classe behoort. Maar op sommige plaatsen waren in ’86 de zaken zoo in de war, dat veel Geref. predikanten er aan wanhoopten goede orde in de kerk te brengen zonder hulp der Staten. Er waren kerken, die zich niet aan het kerkverband stoorden. Vele bleven op zichzelf staan, de predikanten waren onkundig. Zonder het kerkverband in acht te nemen, werd er beroepen. Daarom wilde men de Overheidsmacht als noodhulp inroepen.
Toch sloeg de Haagsche synode dien weg niet in. De meerderheid was tegen het beginsel van zulke nieuwe hiërarchie, maar met ’t oog op de verwarring en van orde kwam ze terug op het besluit van de Middelburgsche Synode van 1581 ter zake van de benoeming van kerkvisitatoren. De Haagsche synode wilde kerkvisitatie invoeren, maar geheel op kerkelijke wijs. Het gevaarlijke van het voorstel Zuid-Holland dreef zeker hiertoe.
Daarom werd artikel 40 opgenomen. „Zal ook de classes, daar zulks nood zijn zal, de vrijheid hebben eenige harer dienaren van d’eene classicale vergadering tot de andere te autoriseeren, om opzicht te nemen op de leer en ’t leven der predikanten en den stand der kerken onder diezelve Classe sorteerende en daarvan op de naaste vergadering rapport te doen.”
De politieken waren er dus buiten. Het tegenwoordige artikel is uitvoeriger.
De Haagsche synode voerde nog geen kerkvisitatie in voor alle classen. Ze voerde ze facultatief in. De classe mocht het doen als het noodig was, met de restrictie: alleen van de eene classicale vergadering tot de andere, dus niet voor 1 jaar maar voor 3 maanden. Enkel opzicht houden en dan rapporteeren aan de naaste classe. Het gevaar door de Middelburgsche synode gevreesd werd dus vermeden. Zeer voorzichtig en zeer te recht. Zoo lag er niets gevaarlijks in kerkvisitatie, maar was ze zeer nuttig.
De Haagsche synode maakte ook een regeling voor kerkvisitatie in 4 artikelen (aanhangsel der acta).
De inspectie dient om zuiverheid der leer en goede gerechtigheid in de gemeente te onderhouden.
Art. 1. De visitatoren zullen zoo van tijd tot tijd eens Zondags de predicatie gaan hooren en letten op de leer en op de manier waarop het Woord bediend werd. Eveneens of de sacramenten wel goed bediend werden.
Art. 2. Bij die bezoeken zullen ze ook ter plaatse informeeren of de predikant naarstig is in het bouwen der kerk en in ‘t dienen, bij ouderlingen, diakenen en gemeenteleden.
Art. 3. Informeeren of er een twist in de gemeente is en toezien op den wandel van den dienaar.

|168|

Art. 4. Bij misstanden zullen ze vermanen en bij de classe bezwaren indienen en de zaak aanbieden.
Tenslotte, in eene circulaire bij ’t sluiten der synode, beveelt de Haagsche synode aan de classen aan zorg te besteden hieraan, dat art. 40 nagekomen en in ’t werk gesteld worde.
In 1619 werd dit artikel uitgebreid in bijzonderheden tot art. 44, dat in substantie hetzelfde bevat als art. 40 van 1586.
Na 1586 was kerkvisitatie in alle classen ingevoerd. In 1619 is nog meer daarop aangedrongen. Sedert dien tijd hebben de classes zelf of particuliere en provinciale synode de zaak in bijzonderheden nog nader geregeld. In de meeste classicale handboekjes staat een concept van vragen bij kerkvisitatie.
In 1721 werd door Zuid-Holland een visitatiereglement synodaal vastgesteld. Men behoefde er zich niet aan te houden, maar toch was het in alle classes zoowat hetzelfde. Deze vragen kwamen vrijwel neer op informatie naar ’t dienstwerk, zooals in 86. Informeeren naar predikanten bij ouderlingen en diakenen, 2e ook in de gemeente. Zoo ook in het tegenwoordige artikel 44.

Eerst wordt gezegd: wie tot kerkvisitatie te kiezen zijn.
Het moeten dienaars zijn. Op zichzelf zou het kunnen voorkomen, dat ouderlingen daartoe geschikt zijn, maar dit geen regel.
In den regel zal bij een ouderling niet zijn die kennis van leer, kerkrecht en ervaring in kerkelijke handelingen, die noodig is voor kerkvisitatie, opdat zij predikanten kunnen helpen. Vele ouderlingen hebben ook geen tijd.
De oudste, ervarenste en geschiktste.
Onder de predikanten gaat dat niet naar toerbeurt en niet alleen naar ouderdom. Ze moeten ook meest ervaren en geschikt zijn. Het moeten zijn predikanten, die zooveel mogelijk kennis hebben van de leer, kerkelijke ervaring en zekeren tact om met menschen om te gaan, want het doel van kerkvisitatie is om zonder formeele kerkelijke procedure (zooveel mogelijk te vermijden) misstanden uit den weg te ruimen.
Hun mandaat strekt niet langer dan 1 jaar. Men kan hen dan continueeren, hetgeen liefst zooveel mogelijk gebeuren moet, omdat ervaring hier eene hoofdzaak is.
Het artikel zegt niet uitdrukkelijk voor 1 jaar, maar uit „alle jaar” is af te leiden, dat zij jaarlijks benoemd moeten worden. De visitatoren mogen dus geen kerkbestuurders worden.
Het getal wordt niet bepaald.
Ten minste twee, want twee kunnen beter oordeelen en spreken dan één. In den regel is het beter er 3 te benoemen, nl. 2 en 1 plaatsvervanger. Ook kan er één zijn uit eene kerk waar juist misstand is. Dan kan hij zijn eigen kerk niet inspecteeren, dus geen visitator zijn.
Ten minste twee, dan kan er één verhinderd worden. „In alle kerken”, niet alleen dus voor zwakke kerken, maar ook voor groote, want ook daarin kunnen dingen voorkomen, die verbetering behoeven. Hoofdzaak is het mandaat: wat zij moeten doen. Informeeren naar het dienstwerk van Dienaren des Woords, ouderlingen, diakenen en schoolmeesters. Niet alsof de scholen toen kerkelijk waren,

|169|

want zij gingen uit van de Overheid, maar het toezicht op de scholen was door de Overheid aan de kerken opgedragen. Kerkelijke colleges waren schoolcomissie. De schoolmeesters stonden onder toezicht van den kerkeraad. Thans moet er ook wel naar scholen onderzocht, maar toch kan men tegenwoordig niet verhinderen, dat er schoolmeesters zijn, die niet onder de tucht van den kerkeraad staan.
Maar wel volgt uit het artikel, dat waar geen scholen zijn, de visitatoren daartoe zullen vermanen, opwekken en raad geven. Het doel van de informatie is niet in de eerste plaats om dit als als rapport, als klacht op de classe te brengen, maar om te voorkomen dat klachten op de classe komen. Om, zooals het er in het artikel uitdrukkelijk staat, officieus langs den weg van raad en vermaning misstanden uit den weg te helpen „in tijds”, voordat het tot kerkelijke klacht aanleiding geeft.
Hoofddoel is de zaak in ’t reine te brengen door vermaning, raadgeving, opwekking, besturing, leiding. Niet door dwang maar door het broederlijke woord.
Macht tot handelen hebben zij niet. Ze kunnen dus geen dwang opleggen.
De hieraan ten grondslag liggende gedachte is: iemand kan licht verkeerd doen en afwijken in leer en leven. Ook zijn er in een gemeente misstanden, verkeerde gedragingen, twisten of persoonlijke quaesties, die den goeden loop hinderen en den bloei der gemeente benadeelen. Nu gaat het niet aan al die dingen officieel op de classe te vonnissen, omdat dit dan de gemeente geestelijk kwaad doet. Daarom is het veel beter dit te voorkomen.
Het mandaat is in zeer algemeene termen uiteengezet, juist met opzet. Visitatoren hebben vrijheid van handelen. Ze mogen hun doel bereiken, zooals zij dit naar den stand van zaken het best vinden, maar ze hebben geen macht om namens de classe te handelen. Ze moeten alle broeders vermanen. In het uiterste geval, als hun broederlijk woord niet helpt, moeten zij het aan de classe rapporteeren.
Moeten ze dan niet alle misstanden aan de classe rapporteeren? Men zei ja, doch verkeerd meende men, dat zij van alles op de classe moesten verhalen, wat zij hadden helpen in orde te brengen. Het is onjuist. Soms kan het, meestal niet. Door vermelding van moeilijkheden en toelichting van woorden, haalt men licht weer tweedracht op door verschil van voorstelling der zaak. Het kan schadelijk zijn uit den weg gezuiverde moeilijkheden weer op te rakelen. Men zou kunnen zeggen: de visitatoren hebben verkeerd gedaan en dan ontstaat er weer moeite op de classe zelf. Alleen moet maar gerapporteerd, dat de zaak uit is. Zoo noodig dan rapporteeren ze naar omstandigheden uitgebreider.
Vraag: of de kerkvisitatie van te voren aan de gemeente moet worden bekend gemaakt?
Hoe zonderling het ook klinke, er zijn gemeenten, ja zelfs classen, die menen dat zulks niet behoeft en niet goed is. Dit is verkeerd, want dan kan de visitatie niet aan haar doel beantwoorden. ’s Zondags moet afgekondigd, op welken dag en uur de visitatoren komen, opdat de gemeenteleden kunnen inbrengen wat ze hebben.

|170|

Men zegt, ja, dan moeten ze dat van te voren maar schrijven. Doch een brief schrijven gaat moeilijk. Ze weten niet wie visitatoren zijn en men weet zeer wel, dat vooral in kleine gemeenten men niet zoo vlug is met de pen. Men durft dan niet schrijven en houdt het achter en praat er dan over met andere gemeenteleden in plaats van met de visitatoren. Zoo is er gevaar, waar klachten uitgesproken worden niet tegenover de visitatoren, maar onder elkaar, dat er een groep malcontenten ontstaat.
Eindelijk barst het soms op een nietigheid los. Dit is geestelijke schade. Kleine ontevredenheid moet in beginsel gesmoord ter plaatse, waar men helpen kan.
Visitatoren zijn er niet alleen om notulen of boeken na te zien. Dit gebeurt al op de classe, cf. art. 41, en is de moeite van de reis niet waard. Maar hoofdzaak is de gemeente. Vandaar ook het informeeren bij de gemeente.
Van predikanten verneemt men in kleine gemeenten niets. Daarom moeten de menschen hun hart eens kunnen luchten. Van de visitatoren willen zij veel liever vermaningen aannemen dan van hun eigen predikant. Is er werkelijk reden voor ontevredenheid, dan moeten kerkvisitatoren daarover met den kerkeraad spreken en dien desnoods terecht wijzen.
De menschen willen soms dadelijk uitspraak van visitatoren. Hun moet duidelijk gemaakt, dat dit niet kan. Dat visitatoren alleen maar raad geven, maar dat dit reeds veel is.
De kerkvisitatie moet dus des te voren aan de gemeente bekend gemaakt worden.

Visitatoren zijn de eenige soort deputaten van de classe, waarvan de K.O. spreekt. Over andere soorten van deputaten spreekt de K.O. niet. Daaruit volgt niet, dat er geen andere soort van deputaten der classes kunnen zijn. Integendeel ligt het in den aard der zaak dat die er moeten zijn om de zaken geregeld te doen marcheeren.
Van de 16e eeuw af hebben alle classen dan ook andere deputaten gehad, niet omdat er personen zouden zijn, die de classe representeerden tijdens haar niet vergaderd zijn om in den tusschentijd in zaken der classe op te treden. Bij elke benoeming moet men toezien dat ze niet zelfstandig handelen en doen wat der classe is. Ze mogen alleen uitvoeren, wat de classe besloten heeft. Vroeger werd die macht nooit toegekend. Men was er te voorzichtig voor. In onzen tijd wel. Er zijn classen die deputaten benoemen van de eene classe tot de andere om loopende zaken af te doen, soms dringende. Deputaten voor de zaak van attesten, approbatie van beroepingen; om aanvragen buiten de classe om tusschentijds af te doen. Dit is dan macht aan personen geven om buiten de classe om te handelen namens de classe. Dit kan met zulke deputaten soms jaren lang goed gaan, maar te eeniger tijd moeten er groote bezwaren uit voortvloeien en onvermijdelijk is, dat er eens een botsing komt, die dan niet meer kan genezen.
Het beginsel is verkeerd, dat de classe wat haar is opgedragen, weer zou overdragen aan personen. Men kan zeggen, de zaken zijn zoo onbelangrijk, die opgedragen worden, maar de classe kan niet van te voren al goedkeuren wat de andere doen zullen. Maar behalve dat het begrip onbelangrijk rekbaar is, raakt het hier een

|171|

beginsel. Zulk een beginsel is verkeerd. Gemakkelijker is het wel deputaten te hebben, maar het gemak dient altijd en langzamerhand wordt hun om het gemak meer en meer opgedragen. Dan loopt het uit op een classicaal bestuur dat eindelijk handelt en alleen naderhand verantwoording doet, als de zaken reeds geschied zijn. Zulke verkeerde beginselen werken door, al is het ook niet zoo bedoeld.
Zijn er gewichtige dingen, dan worde gehouden een classe extraordinair.
Deputaten worden om hun handigheid meestal gecontinueerd. Zoo komen er permanente deputaten, is er reeds het bestuur en krijgt men hiërarchie. Dit is dan wel zoo niet bedoeld, maar toch is het het einde, als dat beginsel eenmaal aangenomen is. Dan moet men liever wat omslachtiger zijn en buitengewone classe houden. De kerken zouden dan stilzwijgend kunnen goedkeuren zonder op de classe te komen.

Het verdient aanbeveling om de mandaten zooveel mogelijk is splitsen, voor ieder apart belang één deputaat.
B.v. voor examina moeten er personen of een kerk zijn, waaraan de zorge is opgedragen om ze voor te bereiden; om capita en een tekst voor predicatie op te geven. Bij peremptoir examen moeten de provinciale deputaten aangeschreven worden. Deze deputaten moeten de aanvragen in ontvangst nemen, de stukken ontvangen en zorgen, dat het examen kan gehouden worden.
Ze moeten het examen voorbereiden. Zij mogen niet beslissen of iemand tot het examen kan toegelaten worden. De classe oordeelt daarover, zij mogen waarschuwen.
Zoo ook kunnen er deputaten voor hulpbehoevende kerken zijn, voor het in ontvangst nemen van collecten, om de collecten aan een adres af te dragen, om gegevens in te zamelen voor aanvrage en inlichtingen op aanvragen te geven. Om de voorbereiding voor uitkeering te regelen.
Maar zij mogen niet subsidieeren, subsidiën toekennen is het werk van de classe zelf.
Zoo ook met studiebeurzen. De classe moet altijd beslissen. Deputaten mogen alleen de besluiten van de classe voorbereiden.
Het beste is voor iedere zaak afzonderlijke deputaten, aparte personen te benoemen. Men voorkomt zoo te meer zekere kerkelijke suprematie aan eenige personen toe te kennen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 45

Acten.

Art. XLV. De kerk, in dewelke de Classe, en desgelijks de particuliere of generale synode samenkomt, zal zorg dragen, dat zij de acten der voorgaande vergadering op de naastkomende bestelle.

Art. 45 handelt over de acta.
Reeds in art. 34 stond, dat de scriba ze moest opteekenen. Nu moet de kerk, waarin volgens art. 42 de classe samenkomt, zorgen voor de acta der vorige vergadering.

|172|

Het belang van dit artikel is, dat er iemand zorgen moet, dat de noodige stukken ter tafel aanwezig zijn. Het zou aan een paar deputaten kunnen opgedragen. Doch de kerkorde draagt dit liever op aan eene kerk, die ter uitvoering voor deputaten benoemen kan uit den kerkeraad. Doch de kerk is verantwoordelijk. Er moet natuurlijk een lijst zijn, welke rapporten moeten inkomen enz. De acta der vorige vergadering moeten voorgelezen en goedgekeurd. Daaruit moet kennis genomen van wat aanhangig bleef in de vorige vergadering en van opdrachten, waarover nu moet gerapporteerd.
Het is een algemeen artikel, want het handelt van classes, particuliere en generale synoden.
Bij een generale synode is het doel niet om in de volgende synode de acta te laten goedkeuren. Daarvoor is de tijd van 3 jaren te lang. Bij een generale synode is een andere toepassing en strekking dan bij classes en particuliere synoden. Ook zijn bij een volgende synode niet dezelfde personen tegenwoordig. De goedkeuring van de acta geschiedt staande de generale synode zelf, dag bij dag, op elke volgende zitting. De notulen van den laatsten dag goed te keuren wordt aan het moderamen opgedragen.
Het artikel zegt het alleen opdat men op de hoogte zij van wat er behandeld is. Dit is nu niet meer noodig, want tegenwoordig worden de acta gedrukt en uitgegeven. De geschreven acta zijn daarom niet meer noodig.
Bij de generale synode is deze bepaling van de kerkorde dus overbodig.
In den tijd van de opstelling van het artikel dacht men er niet aan om de acta vanwege de synode te laten drukken, evenmin als die van de classes. In de 16e eeuw zijn er volstrekt geen acta gedrukt. De kerken kregen er kennis van door overgeschreven exemplaren.
Uit de acta van de Prov. syn. van Dordt 1574 blijkt: aan ’t eind der vergadering dicteerde de scriba de geresumeerde acta aan de deputaten van de classe. Allen namen copie mee. Gewoonlijk werden de exemplaren nog ter vergadering geverifieerd door praeses en scriba. De kerkeraden namen er dan copie van of niet en dan werd het geborgen in het classicaal archief. Doch deze omslachtige wijze van rapporteeren kon op den duur niet voldoen. Kerkeraad en predikanten hadden te weinig aan een exemplaar in ’t archief. Ze moesten er allen één hebben.
In de 17e eeuw begon men daarom sedert 1612 kerkelijke handboekjes uit te geven, waarin de acta afgedrukt werden van de synode van 1571 af.
Die uitgave had geen officieel kerkelijk karakter, was een particuliere onderneming. Ze zijn niet volkomen betrouwbaar, niet geverifieerd. Er zijn nog al wat fouten in.
Een betere uitgave naar de authentieke stukken der synode komt voor in de werken der Marnix-vereeniging.
Veel menschen denken dat de geldigheid van de besluiten eener Gen. Synode van het drukken der acta afhangt. In de laatste jaren kwam herhaaldelijk in kerkeraad en classe voor: het is wel besloten, maar geldt niet, het is nog niet gedrukt. Dit is zonderling

|173|

en zonder grond. Een kerkelijk besluit is geldig van het oogenblik af dat het genomen is, tenzij er eene bepaling is, wanneer de geldigheid intreedt. De meeste kerkeraden laten hun besluiten niet publiceeren, zoo zijn ook besluiten van classes en synoden dadelijk geldig, tenzij uitdrukkelijk een latere termijn is bepaald.
De deputaten moeten de kerken, die hen afvaardigen, daarover mededeeling doen. Dit is niet de plicht der scriba.
Consequent paste een kerkeraad nooit toe, dat het besluit eerst bij het drukken geldig was. Cf. het besluit van vereeniging van 1892.
Anders zou het in de macht van scriba, drukker of zetter staan om de geldigheid op te houden. Practisch heeft men er zich nooit aan gehouden. Het drukken is slechts middel om te maken dat de besluiten aan ieder bekend zouden kunnen zijn.
Men is hiertoe gekomen, doordat op staatkundig terrein een wet eerst geldt bij formeele afkondiging en plaatsing in het staatsblad. Voor dien tijd is de wet niet geldig.
Maar op kerkelijk gebied is geen sprake van formeele afkondiging door een synode. Uitgave der acta der synode dient voor het gemak van kennisneming.
Thans wordt met notulen en acta een ander systeem gevolgd dan in de 16e en 17e eeuw. Van 1571 af bevatten de acta alleen, wat onvermijdelijk was, zeer kort en summierlijk, wat er noodzakelijk in moest staan, nl. de besluiten die de vergadering heeft genomen. Alle bijwerk is afgesneden. Ditzelfde ook in de acta van partic. synoden, classes en kerkeraden. Alleen besluiten vermeld, niet eens altijd de motieven. Zijn ev. motieven door de vergadering bijgenoemd, dan zijn ze ook opgeteekend, anders niet. Van discussiën wordt nooit gesproken. Nooit formeele zaken vermeld, alleen wat blijvend belang heeft. In de vorige eeuw ging men ook notulen houden. Acta = wat de synode gedaan heeft, niet gedelibereerd heeft of ieder lid der synode gezegd heeft, maar der synode als zoodanig wezenlijke handelingen.
Notulen = opteekening van al wat er is voorgevallen, van wat ieder gezegd heeft. Die zijn natuurlijk veel uitvoeriger. Veel gebeurt er wat nog geen besluit is. Worden notulen gehouden naar eisch, dan moesten ze alles bevatten. Daarvoor zijn eigenlijk stenographen noodig. Dit is te kostbaar en daarom werd er in de vorige eeuw zooveel mogelijk opgeteekend. Het komt dan aan op de gevatheid van de scriba.
Men noemt dit ook wel acta. Ten deele onjuist. Het zijn wel acta der leden, maar niet van het geheel. Bezwaar is 1e. dat men dan nooit precies een beeld der vergadering heeft. Het gaat altijd door het brein van den scriba. Nooit staat er precies wat er gezegd is. Soms vindt men naderhand zijn woorden geheel anders weergegeven. De namen moeten er uit gelaten, want staan die er bij dan is er veel drukte over. Soms verandert iemands opinie. Hij wil dan weer zijn naam uit de notulen hebben, of anders gezegd, wat hij werkelijk zóó gezegd had. Iemand die onjuistheden gezegd heeft, wil ze graag veranderd zien. Daarom geeft namen erbij veel last. Laat men de

|174|

namen weg dan verliezen de discussiën veel van haar gewicht en belang, want men weet niet wie het advies gaf en het is niet hetzelfde wie adviseert.
Grooter bezwaar is dit: het mededeelen der discussiën is wel van belang, als men publiceert in een courant. Op ’t oogenblik zelf leeft men graag mee, maar na eenigen tijd en 100 jaren geeft men niet meer om discussie. Het allergrootste bezwaar is, dat door de langdradigheid en uitvoerigheid de uitgave der acta het doel mist. In een zee van letters worden dan de besluiten der synode verdronken en het kost moeite uit te visschen wat de synode besloot. Wie de synode bijwoonde, kan spoedig iets vinden, een ander niet. Men moet dan een boekje met enkel besluiten, een compendium met acta er bij hebben.
Daaraan heeft men dan genoeg. Het groote verliest zijn waarde. Hoe meer synoden er komen des te bezwaarlijker wordt het naslaan der acta. Beter is het de acta als besluiten uit te geven. Men zou de notulen kunnen opteekenen voor belangstellenden en het archief.
Het zou ook schadelijk kunnen zijn voor de latere studiën, zoo dit niet gebeurde. Niet noodig is publiciteit van wie bad, wat gezongen werd, van toespraken, van vreemde afgevaardigden, etc.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 46

Instructiën.

Art. XLVI. De instructiën der dingen, die in meerdere vergaderingen te behandelen zijn, zullen niet eerder geschreven worden, voordat de besluiten der voorgaande synoden gelezen zijn, opdat ’t gene eens afgehandeld is, niet wederom voorgesteld worde, ten ware, dat men iets achtte veranderd te moeten zijn.

Deze bepaling ligt eenigszins in den aard der zaak. De strekking is: In synodale vergaderingen moet de tijd niet opgehouden worden door zaken, die reeds afgehandeld zijn.
Het ontstaan van het artikel is hieraan te danken, dat het gedurig voorkwam, dat in de instructie der deputaten punten voorkwamen, die reeds behandeld waren. Dit geschiedde uit onwetendheid. De mindere vergadering wist dan niet, dat de zaak uit was.
Dit mag niet geschieden in een normale regeling. Daarom moeten de deputaten de besluiten van de synode meedeelen.
Tegenwoordig is dit gevaar van onwetendheid niet zoo groot.
Daarmee is niet uitgesloten, dat de synode op een besluit kan terugkomen. Daarom de bijvoeging: ten ware dat men iets achtte veranderd te moeten zijn.
Dan gebeurt het niet uit onkunde met het besluit der vorige vergadering, maar blijkt juist, dat men het weet.
Het is tegenwoordig niet meer noodig, dit artikel precies zoo na te komen, want de verslagen worden gepubliceerd. De besluiten der synode behoeven niet meer door voorlezing in de vergadering gepubliceerd te worden, want ze worden tegenwoordig gedrukt.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 47

|175|

Synode.

Art. XLVII. Alle jaar (ten ware dat de nood eenen korteren tijd vereischte) zullen vier of vijf, of meer nagebuurde Classen samenkomen, tot welke particuliere Synode uit iedere classe twee dienaars en twee ouderlingen afgevaardigd zullen worden.
In ’t scheiden, zoowel der particuliere als der generale synode, zal eene kerk verordend worden, die last hebben zal, om met advies der Classe den tijd en de plaats der naaste Synode te stellen.

Artikel 47 handelt over de Provinciale Synode.
Zeer weinig bevat de kerkorde op dit punt. Slechts één artikel. Vroeger was dit anders. Volgens de Emdensche synode van 1571 (art. 8) zullen de kerken zich tot classes en de classes zich tot provinciale synoden saamvoegen. Er waren drie groote provinciën. Daarvoor zijn bepalingen gemaakt. Cf. aanhangsel der acta van Emden, cap. 3. 16 artikelen De Synodis Provincialibus. Dat de afgevaardigden instructies en credentiebrieven moeten hebben.
Op de provinciale synoden mogen alleen punten behandeld die de kerken en classes niet hebben kunnen afdoen, of die alle kerken saam betreffen.
Zij wordt geopend door den Praeses der laatste synode of van de plaatselijke kerk. Alle zaken moeten onderzocht. Stemmen opnemen. Orde. Leer. Kerkbestuur, Particularia. Plicht van den praeses is de orde te bewaren. Zijn ambt duurt zoolang als de vergadering.
Een volgende synode kan een anderen of denzelfden praeses kiezen. Alle predikanten en ouderlingen kunnen tegenwoordig zijn zonder stem. De vergadering wordt geopend met gebed. Notulen worden gehouden. Een kerk moet aangewezen om saam te roepen, waaraan al de punten moeten worden toegezonden.
De kosten zijn door de classe te dragen.
Aan ’t eind der vergadering zal een avondmaalsviering gehouden worden, voor zoover de regeling der plaats het toelaat.
Op de Dordtsche synode van 1578 is deze regeling in de kerkorde zelf opgenomen, bijna in dezelfde woorden. Artt. 34-43.
De enkele wijzigingen zijn, dat de particuliere synode bestaan zal uit vier of vijf of meer genabuurde classen.
Dat tot elke prov. synode uit iedere classe vier deputaten zullen worden afgevaardigd, t.w. 2 predikanten en 2 ouderlingen;
Dat de prov. synode in gewone omstandigheden alle jaar zal samenkomen.
Op de Middelburgsche synode van 1581 waren de kerken er zooveel mogelijk op uit de K.O. te bekorten, teneinde gemakkelijker politieke approbatie te verkrijgen.
Alles is toen in één artikel, het tegenwoordige saamgeperst. Art. 34.
Al wat de provinciale synode regelde is er uitgelaten.
De bedoeling was echter niet dat men dat niet meer zou nakomen. Er moest toch regeling zijn. Maar het werd overgebracht naar de particuliere vragen van de acta van 1581. Hiervoor vroeg men

|176|

natuurlijk geen politieke approbatie. De bedoeling was deze bepalingen wel voor de kerken te laten gelden, maar zonder approbatie aan te vragen. Part. vragen, artt. 16-18 (nogal lange artikelen). In 1586 en 1619 is dit niet aangeroerd maar bleef het zoo.
Art. 43 red. van 1586.
De naam is met betrekking tot die synode eenigszins gewijzigd. Later kwam de oude naam door het gebruik er weer boven op. In 1571 sprak men van provinciale synode. In 1578 van particuliere synode. Sedert is het zoo gebleven in de acta, ofschoon in het gebruik de eerste naam bleef.
Zoo b.v. in de acta van 1619, sessie 158.
Voorgesteld zijn eenige gravamina.
1e. aangaande de Visitatores der kerken en haar ambt.
2e. de gedeputeerden der provinciale synoden.
3e. de correspondentie tusschen de particuliere synode van iedere provincie, etc.
In ’t spraakgebruik behield de naam „provinciale synode” de overhand.
In 1578 was de naam provinciale synode niet juist.
Er was toch een synodale vergadering voor Noord-Holland en Zuid-Holland. Zelf is er één synodale vergadering geweest van Middel-Holland (maar één, men scheen het niet practisch te vinden).
Voor ééne synode was Holland te groot (ook westelijk Brabant was er bij). Provinciale synode kon niet heeten de synode van een deel der provincie. Een provinciale synode in eigenlijken zin werd in 1582 gehouden.
Deze onderscheiding gold alleen voor Holland. In andere provinciën was particuliere synode hetzelfde als provinciale synode. Tegenwoordig is het ook zoo in Noord-Holland en Zuid-Holland.
De classen komen ter provinciale synode, nl. kerken, door classes vertegenwoordigd. Voor een provinciale synode 4 of 5 classen was het normale getal gelijk voor een classe 10 kerken.
Toch was er een classe van 60 kerken. In de provincie Zuid-Holland waren 10 classen op de provinciale synode.
Toch kon men zich ook voor synoden niet stipt aan het normale getal houden. Hetzelfde bezwaar als bij de classen gold niet bij Brabant. Brabant was geen provincie. West-Brabant behoorde bij Holland en in Oost-Brabant waren geen kerken. Maar wel bij Utrecht, dat maar klein was en Drenthe, dat schraal bevolkt slechts drie classen telde.
Kan men niet zoo indeelen, dat er toch 4 classen zijn?
Ja, maar daardoor ontstaat veel moeite voor de kerken om aan de letter te voldoen, waaraan de usantie nooit zooveel waarde blijkt gehecht te hebben.
Het is niet onmogelijk de kerken tot 4 classen saam te voegen, maar dan moet men of de classen te zwak maken of over de grenzen van een provincie gaan. Doch er is onderscheid tusschen de provinciën. Een provincialisme à tors et à travers tegen te willen gaan, is verkeerd, is streven naar eenvormigheid, wat door de Gereformeerden nooit gedaan is.
Een synode bestaande uit 6 leden is te weinig competent. Daarom

|177|

moeten uit iedere classe 4 afgevaardigd.
Toch is dit getal zelden vastgehouden. Op alle synoden kwamen klachten binnen over het wegblijven van ouderlingen. Die hadden hun werk en geen geld genoeg om te reizen. Inbilletteeren was wel een middel, maar was het dan hun werk?
Men zocht daarom ouderlingen, die daartoe vaceeren konden.
In de 16e eeuw waren het wel eens 3 predikanten en 1 ouderling maar toch hielp dit niet veel. Tenslotte accepteerde men de excuses. Tegenwoordig gaat het gemakkelijker.
„In ’t scheiden, zoowel van de particuliere als der generale synode, zal eene kerk verordend worden, die last hebben zal, om met advies der classe den tijd en de plaats der naaste synode te stellen.”
Plaats en tijd te bepalen kan niet aan ééne kerk overgelaten worden. Er hangt te veel van tijd en plaats af voor de beslissing die zal genomen worden. En voor een jaar later precies den dag vaststellen kan de synode natuurlijk niet doen.
Omtrent de te behandelen zaken wordt niets bepaald. Daarvoor geldt de algemeene bepaling van art. 30.
De wijze van behandeling wordt aan de synode overgelaten.
Omtrent de afgevaardigden is wel eens de vraag gerezen of het niet goed zou zijn, dat de afvaardiging bij toerbeurt ging.
Het is zeer leerzaam, zoo’n synode bij te wonen volgens gravamen part. vragen 1581, art. 65.
„Of het niet goed en ware, dat dezelve Dienaar niet tweemaal na den anderen tot den synode gezonden wierden, opdat andere Dienaars ook leeren mochten?”
Antwoord: het zal alle kerkeraden, classen en particuliere synoden vrijstaan, tot den classen, synoden particulier en generaal, te zenden uit hare Collegiën, die zij daartoe bekwaam vinden naar haar beliefte.
De synode van 1581 achtte het dus wenschelijk telkens dezelfde deputaten te zenden. Men komt er ook niet om te leeren.
Op de generale synode komen bijna ook telkens dezelfde deputaten; volgens sommigen nog te weinig.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 48

Correspondentie.

Art. XLVIII. Het zal aan elke synode vrijstaan correspondentie te verzoeken en te houden met hare genabuurde synode of synoden, in zulke forme, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemeene stichting.

Artikel 48 handelt over de Correspondentie.
Onder correspondentie, waarvan hier sprake is, wordt verstaan het zenden van één of twee deputaten van de eene provinciale synode naar de andere, om de vergadering van de andere bij te wonen om des gevraagd zijnde, daar ook te adviseeren en terugkomende rapport aan de committeerende synode te brengen. De correspondentie hier bedoeld, bevat dus juist, wat in het woord ligt opgesloten: het onderhouden van betrekkingen, het op de hoogte

|178|

blijven van elkanders toestanden en handelingen.
Hiervan is in de 16e eeuw in onze kerken nog geen sprake geweest.
De gedachte om in een particuliere synode een deputaat te benoemen om een eerstvolgende synode van een genabuurde provincie te gaan bijwonen (als die ’t tenminste goed vond) is ’t eerst in 1600 op de Zuid-Hollandsche synode uitgesproken.
Vroeger kon ze moeilijk uitgesproken. Immers de correspondentie bestond van den aanvang inderdaad en op veel betere wijze in het feit, dat er generale synoden bijeenkwamen. Daarvoor komt juist de generale synode bijeen om de algemeene belangen aller kerken te behartigen. Zoolang er dus geregeld generale synoden gehouden werden, was er behoefte aan een andere correspondentie, die gebrekkiger was. Aan ’t eerste had men volkomen genoeg. Men bleef zoo ’t best op de hoogte, hielp elkander in ’t handhaven van de zuivere leer en tucht en gaf elkander raad.
Intusschen na 1586 heeft ’t samenkomen van de generale synode groote moeilijkheden ondervonden. Reeds in 1586 was ’t twee jaar te laat en had deze synode in 1584 moeten gehouden zijn, want ze kwam om de 3 jaren bijeen. Toch hoopte men op beter. Doch na Leycesters vertrek ging het nog moeilijker, vooral Holland en Utrecht waren er sterk tegen. Onder Oldebarneveld werd ’t provincialisme sterk gedreven. Men moest zooveel mogelijk op dit standpunt voorkomen, dat er meer gecentraliseerde macht en gezag kwam, ook op kerkelijk terrein. Iedere provincie moest souverein op zich zelf zijn. De politiek van Oldebarneveld bracht mede, dat men tegen een generale synode was. Niet één kerkverband, maar provinciale kerken wilde hij hebben, waarvan de plaatselijke kerken onderdeelen waren, b.v. een kerk van Holland, een kerk van Utrecht, etc. Deden alle kerken samen, dan was een provinciale overheid er niet tegen opgewassen.
Toen dit 14 jaren geduurd had, merkte men de schadelijke gevolgen van dit uitblijven van de generale synode en alle correspondentie bleef niet uit. Men wist niets meer van elkander af. Er was gevaar om ook in de leer tenslotte tegenover elkander te komen staan.
Een generale synode had weinig kans van te kunnen samenkomen.
De Zuid-Hollandsche synode bedacht er toen een expedient op in de benoeming van deputaten. Andere synoden spraken er ook over. Tenslotte kwam op de Dordtsche synode van 1619 een gravamen in van onderscheiden provinciën. Na advies van deputaten en professoren is in de 159ste sessie besloten, dat zulke correspondentie zou gehouden worden, is dit artikel gemaakt en in de kerkorde ingelascht.
In de ervaring der laatste jaren (32) lag voor dit artikel voldoende reden en motief. Daarom is het nu eerst in de kerkorde opgenomen, hoewel de gedachte dus veel vroeger is opgekomen.
Die reden ligt dan ook voor de hand. Men was bang, dat een generale synode ook in het vervolg wel eens moeilijkheden zou kunnen ondervinden. Toch is niet aanstonds dit artikel overal geëffectueerd. Bij de Overheid waren bezwaren. De Staten waren er niet erg voor. Toch hebben ze toegegeven, eerst in Holland, daarna ook in andere provinciën, ofschoon niet in alle.

|179|

Het is toegegeven en geëffectueerd in de provinciën en tusschen de particuliere synoden van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland en Zeeland, ofschoon het in Zeeland niet kon worden uitgevoerd, omdat daar geen provinciale synoden mochten gehouden worden. Dit vervalt dus eigenlijk.
Sedert dien tijd waren er op die synoden altijd correspondenten. Soms één, doorgaans waren er twee deputaten tegenwoordig. Ze werden benoemd voor den tijd van één jaar. Hun taak was dan om de andere synoden te gaan bijwonen, waarvoor zij gedeputeerd waren, daar mededeelingen te doen uit hunne provincie, desgevraagd advies te geven en rapport van de synode terug te brengen. Dit laatste geschiedde dan, doordat zij afschrift van de acta meebrachten. Nog veel exemplaren zijn daarvan in de archieven. Zoo zijn in elk provinciaal archief vele acta bewaard, ook waar het origineel weg was.
Op die wijs is het niet-houden van generale synoden eenigszins vergoed.
In de 18e eeuw zijn zoo vele generale zaken behandeld en afgedaan. B.v. in ’t begin van de 18e eeuw was te Zwolle een Pantheistische predikant. De gewone weg ware een generale synode geweest, nu werden er door correspondentie eensluidende besluiten genomen en de zaak afgedaan. Op dezelfde wijze werd in 1771 de nieuwe Psalmberijming ingevoerd. En zoo ging het met vele andere generale zaken.
Intusschen bleef het niet anders dan een surrogaat en zeer gebrekkig. Een generale synode is het eigenlijke.
Daarom is tegenwoordig voor het artikel feitelijk alle reden vervallen, nu er weer geregeld generale synoden kunnen en worden gehouden. Waar nu nog zulke deputaten benoemd worden, is het niet anders dan een overtollig goed werk. Het is dan niets dan schaal en larve en heeft dan geen raison d’être. Nu is het alleen een soort van beleefdheid, die slechts onnoodig de predikant van tijd berooft en dus meer kwaad dan goed doet. De predikanten, die gaan verzuimen er hun dienstwerk door.
Ook wel had men in de 17e eeuw hier en daar classicale correspondentie, b.v. in Utrecht. Ook hier geschiedde het om dezelfde reden, nl. voor het geval, dat de Overheid een provinciale synode verbood, want de Overheid stond soms in den weg aan de bijeenroeping daarvan. In Zeeland waren ze zelfs door de Overheid verboden. Is er gelegenheid voor prov. synode, dan is classicale correspondentie niet noodig. Soms is er wel correspondentie tusschen twee classen noodig en gewenscht. Dan is ’t dus wel goed maar alleen voor speciale gevallen.
Er kunnen wel zaken zijn, die door correspondentie kunnen afgedaan, b.v. het grensregeling prepareeren ter goedkeuring op een provinciale synode, of voor provincies op een generale synode. Die moeten dan alleen goedkeuring geven. Doch dit zijn buitengewone gevallen. Daarop ziet het artikel echter niet, want het artikel bedoelt regel.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 49

|180|

Deputaten synodi.

Art. XLIX. Iedere synode zal ook eenige deputeeren, om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten (zoowel bij de Hooge Overheid als) bij de respectieve Classen, onder haar sorteerende, mede om te zamen of in minder getal over alle examina der aankomende predikanten te staan. En voorts in alle andere voorvallende zwarigheden aan de classen de hand te bieden, opdat goede eenigheid, orde en zuiverheid der leer behouden en gestabilieerd worden. En zullen deze van al hunne handelingen goede notitie houden, om de synode rapport daarvan te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hun dienst, voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat.

Art. 49 handelt over synodale deputaten.
Eerst in 1619 is dit artikel in de kerkorde ingekomen naar aanleiding van een gravamen daarover, 158ste sessie. Dit wil niet zeggen, dat men voor dien tijd geen synodale deputaten kende, want ook vroeger wel waren zulke deputaten bekend.
Reeds de synode van 1586 had besloten voor een bepaald geval synodale deputaten te benoemen, nl. dat in de onderscheiden provinciën deputaten zouden benoemd worden, om de besluiten der prov. synode mee te deelen en aan te dringen. Dit was echter een speciaal geval. Zij hadden niets te doen dan dit ééne. Daarna waren zij geen deputaten meer.
Behalve deze is er ook in ’t laatst der 16e eeuw reeds sprake van provinciale deputaten om de besluiten der synode uit te voeren en verschillende dingen te verrichten. Het eerst in Zuid-Holland. Noord-Holland is spoedig daarop gevolgd. Wat zij deden blijkt uit hun acta en stukken in de archieven. We weten dit nog precies.
Bepaaldelijk van Zuid-Holland in ’t archief der Ned. Herv. Kerk (ontvangen brieven, minuten van gezonden brieven, korte aanteekeningen van handelingen). Zij moesten de besluiten der provinciale synode aandringen, op de classes tegenwoordig zijn bij het examen van aanstaande predikanten. Zij waren dus werkzaam geheel in den geest van dit art. 49.
Dit gebruik is toen door de Dordtsche synode eenvoudig gecodificeerd en in de kerkorde geredigeerd.
Over die deputaten is in het midden van de 17e eeuw veel te doen geweest, vooral om de Geref. kerken te verdedigen tegen de beschuldiging 1e van Hugo de Groot en 2e van de Independenten, die de Geref. beschuldigiden, dat zij een nieuw bestuur hadden in gevoerd en dat zij een episcopale inrichting, een nieuw college van kerkbestuurders, een soort van bisschoppelijke macht in ’t leven hadden geroepen, en wel op grond van dit artikel. Voetius heeft zich hiertegen verzet, weerlegde alles en toonde met name aan, dat het niet zoo was, dat er geen nieuw college in ’t leven was geroepen.
Voetius handelt uitvoerig en herhaaldelijk hierover om ’t beginsel

|181|

zuiver te houden, omdat het eene zaak is van zoo groot belang omdat het zulk een gevaarlijk beginsel zou zijn. Cf. Pol. Eccl. III, pag.527.
Kerkelijke deputaten zijn deputaten, die gekozen worden uit eenige vergadering om de besluiten der vergadering af te doen.
Dit kunnen zijn deputaten van een kerkeraad, classis of synode. Synodale deputaten worden kat’ exochèn zoo genoemd. Ze zijn voor 1 of 2 jaar benoemd. Maar meer dan deputaten zijn het niet. Zij mogen alleen een gegeven last uitvoeren.
Uitvoeriger komt Voetius er op terug in Dl I, pag. 110 van zijn Pol. Eccl.
Het probleem is an delegati seu deputati (quod in Belgio nunc vocant) synodorum, seu synodales, praestent et referant Collegium aliquod et jus cathedrale, seu metropoliticum, et an potestas atque inspectio eorum sit reipsa episcopalis, aut saltem ei proxime affinis et an Conventus eorum, quos subinde capitula aut consistoria ecclesiastica.
De vraag is dus: of er is een bestuurscollege van deputaten.
Voetius antwoordt ten sterkste ontkennend. Grotius heeft gelijk dat er éénmaal zulke deputaten zijn benoemd in 1612, maar door een Remonstrantsche synode, die zelfs een gezangboek heeft ingevoerd. In de Geref. kerken is dit nooit geschied. Niet alle provinciën hebben ze. Zeeland heeft ze niet. Bovendien vormen ze geen bestuursvergadering en bestaat er dus geen college van deputaten, want onze kerkorde kent maar vier soorten van bestuursvergadering, cf. art. 29. Dus hebben de deputaten geenerlei macht en niets te zeggen, noch over de synode, classe, kerkeraad, predikanten, noch over eenig gemeentelid, tenzij de synode hun opgedragen heeft om aangaande iemand iets te doen, dan is het niet hun macht, maar die van de synode. Evenals een bediende, die iets voor zijn heer doet, diens macht heeft. Maar zoodanige lastgeving kent hun geen macht toe. Macht kunnen zij niet oefenen. Zij zelven hebben geen uitspraak over iets te doen. Zij zijn geen arbiters.
Boekenkeurders kunnen zij alleen zijn, omdat de synode het hun opgedragen heeft. Moeten zij iets overbrengen aan de classis, dan zeggen zij wat zij op ‘t hart hebben, gaan dan de deur uit en er wordt zonder hen gehandeld. Teruggeroepen hooren zij het besluit der classe.
Wat moeten zij dan doen?
Fideliter de acta hunner synode onderzoeken, wat zij doen moeten. Zij mogen advies geven. Bij examina kunnen zij niet verhinderen, dat een classe een niet-orthodoxe predikant toelaat. Ze kunnen alleen rapporteeren aan hun synode, die ’t in den regel met haar deputaten eens zal zijn. Een apart ambt is het evenmin als bijv. boeken nazien of wat ook soms aan een predikant wordt opgedragen.
Uit den aard der zaak, van het deputaatschap, vloeit verder voort, dat de deputaten geen bestuurscollege zijn of een permanente commissie met bestuursmacht.

|182|

Daarom is het beste ze deputaten, dan commissie te noemen. Een commissie is een soort college voor korter of langer tijd, maar een deputatie is persoonlijke lastgeving voor één zaak. Dit geldt vooral tegenover de Independentisten. Ze beschuldigden de Gereformeerden van onschriftuurlijke ambten en colleges in te voeren. Ze wezen bepaald op deze deputaten en hun macht. Het kwam er nu op aan te bewijzen, dat dit eene verkeerde voorstelling was.
In Dl I, pag 224 van de Pol. Eccl. stelt Voetius de vraag: Of de kerk eenige macht haar toekomende mag overdragen op een college of andere kerk.
Deze vraag wordt volstrekt ontkennend beantwoord. Een kerk of kerkeraad kan nooit zijn macht overdragen en gesteld al, dat ze het voor zichzelf zouden kunnen doen, dan kan hij toch nooit verbinden voor de toekomst, voor een volgende kerkeraad.
Kan nu de kerk geen macht overdragen? Is dan alle deputatie onwettig of gevaarlijk?
An ergo omnis delegatio, deputatio et commissio ecclesiastica illegitima aut periculosa est?
Hij antwoordt: neen, want de deputatie geschiedt voor handelingen en uitvoering van handelingen, die aan deputaten worden aangewezen en niet om hun eenig recht of kerkelijke macht te geven.
Zij zijn uitvoerders van hetgeen de kerkelijke vergadering hun opdraagt.
Nog uitvoeriger is Voetius in het Tractaat tegen de Independentisten gericht, Pol.Eccl. Dl IV, pag.145, waar hij het bezwaar beantwoordt tegen allerlei ambten van praeses, deputaten, visitatoren, etc.
Hij antwoordt: de Independenten begrijpen die namen niet. Geen ambt maar een werk wordt er door aangeduid aan een opziener opgedragen. Evenmin is het een nieuw ambt, als dat een deputaat met een boodschap naar een andere kerk wordt afgezonden, opzieners huisbezoek doen, etc. Doch de Independenten gaan verder. Hun eenige tegenwerping is, dat er toch ook permanente deputaten zijn. Voetius antwoordt: misschien is een deputaat op die wijze zijn boekje wel eens te buiten gegaan. Sed abusus non est ordo. In ‘t deputaatschap zelf ligt het misbruik niet in. Dat zij voor een bepaalden tijd en bepaalde zaak worden gedeputeerd is geen nieuw ambt. Voor alle andere zaken buiten hun mandaat kunnen zij adviseeren.
Om ‘t belang van de zaak komt Voetius er telkens op terug en voegt hij bij deze uiteenzetting ook een historische schets en wel ontleend aan hetgeen geschiedde na de inneming van Den Bosch in 1629. Pol. Eccl. Dl IV, pag. 327.
Voetius spreekt hier over zending, van wie die moet uitgaan. Hij haalt de geschiedenis aan van de zending naar ‘s Hertogenbosch, toen deze stad in 1629 door Frederik Hendrik was ingenomen en daar de Reformatie moest worden aanvaard. Naar het systeem des tijds was de stad gereformeerd. De menschen moesten dus tot reformatie gebracht. Daar moesten dus predikanten zijn. De omliggende plaatsen stonden dus hun predikanten tot den dienst des Woords af. Voetius zelf was predikant te Vlijmen geweest en stond toen

|183|

te Heusden. De deputaten meenden toen te moeten doen wat der synode was, nl. van Zuid-Holland, als het dichtst bij liggend.
De deputaten richtten zich toen tot de Staten met een verzoekschrift, waarin o.a. de synode moet doen, wat in de Roomsche kerk de Paus doet. Nu was er geen synode, dus moesten deputaten handelen. Voetius c.s. verzetten zich hiertegen en hebben met zooveel kracht hun zaak verdedigd, dat de Zuid-Hollandsche zelfs niets had besloten, voor geval dat den Bosch mocht openkomen. Daarom handhaafden de kerkeraden hun macht. Alleen de predikanten die door de naburige kerken gezonden waren, mochten in Den Bosch prediken.
Er is dan ook niets van gekomen.
Voetius zegt, dat hij deze geschiedenis zoo nauwkeurig heeft opgeteekend, opdat de kerken en synoden toen geen bisschoppen, aartsbisschoppen of patriarchen zouden benoemen.
Hugo de Groot noemde ze interreges. Hij heeft de kerken met zulk advies belast.
Deze raadgeving van Voetius was later van veel waarde. Ook in de vorige eeuw gingen deputaten vaak buiten hun boekje. Zoo zijn de „Besturen” voorbereid.
In 1816 heeft het ontbroken aan aanwijzingen, dat deputaten iets anders zijn dan bestuurders. Hierop moet wel gelet worden. Het ligt in de menschelijke natuur, dat deputaten hun macht te buiten geen.
Het gemakkelijkst is wel alles van boven te besturen. Alles door een Paus te laten besturen is wel het gemakkelijkst. Het kan echter maar een tijd lang goed gaan. Het beginsel is verkeerd, daarom moet het ten slotte vastloopen.
Alle zaken moeten afgehandeld worden in classen en synoden. Art. 30.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 50

Nationale Synode.

Art. L. De nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware, dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen. Tot deze zullen twee dienaren en twee ouderlingen uit elke particuliere Synode beide van de Duitsche en Waalsche sprake, afgezonden worden. Voorts zal de kerk, die last heeft om den tijd en de plaats der generale Synode te benoemen, (zoo dezelve binnen de drie jaren te beroepen ware) hare particuliere Synode vergaderen, en dit ook der naastgelegen kerk, die van eene andere taal is, laten weten, dewelke vier personen daar henen zenden zal, om met gemeen advies van den tijd en de plaats te besluiten.
(Dezelfde kerk, die verkoren is om de generale Synode te zamen te beroepen, wanneer zij met de Classe van den tijd en de plaats beraadslagen zal, zal dit der Hooge Overheid in tijds te kennen geven, opdat met haar weten en zoo het haar gelieft mede eenige te zenden tot de Classe, van de zaak in tegenwoordigheid en met advies van hare gedeputeerde besloten worde.)

|184|

Artikel 50 handelt over de Nationale of generale Synode.
De kerkorde is niet vast in de terminologie, niet consequent is ’t gebruik der woorden. Correlate begrippen zijn nationaal en provinciaal; generaal en particulier. Soms vindt men ook particulier gelijk aan provinciaal. Doch de begrippen dekken elkander in de praktijk. Daarom wordt tusschen de woorden geen onderscheiding gemaakt.

„Alle drie jaren”. Vroeger was het niet altijd zoo. In het concept van Wezel 1568 werd raadzaam geacht blijkens cap. 8, art. 19, dat de classes alle 2 of 3 maanden zouden bijeenkomen, de provinciale synode 2 maal in het jaar en de generale synode alle jaren.
Hierover was in den eersten tijd veel te zeggen. Voetius spreekt een eeuw later de wenschelijkheid van ditzelfde uit. Tot afdoening van zaken zou het veel helpen. Zoo heeft men elk jaar een "schoone lei". Het is zeer bevorderlijk voor de eenheid, om opgekomen ketterijen tegen te gaan, etc.
Ook is deze bepaling niet opgenomen in de eerste redactie van de Emdensche kerkorde van 1571. Deze synode bepaalde in art. 7: Wel de classis liefst alle drie maanden (of anders zes maanden). Provinciale synode alle jaar, art. 8. En de vergadering van alle andere alle twee jaar, art. 9.
Intusschen, dit is echter al aanstonds niet geschied, Er is niet van gekomen door de veranderde tijdsomstandigheden.
De Emdensche synode, die zich zelve niet nationale synode noemde, bepaalde wel dat in 1572 een synode saamgeroepen zou worden door de Classe van de Paltz.
In 1574 werd er een particuliere synode van Holland en Zeeland gehouden te Dordt.
Eerst in 1578 werd na Emden de eerste nationale synode te Dordt gehouden.
Omtrent dit punt werd toen bepaald, dat ’t niet meer om de 2 maar om de 3 jaren zou geschieden en sedert is het altijd zoo gebleven.
De reden, waarom het niet bij 2 jaren gebleven is of niet op 1 jaar is gehouden, ligt voor de hand. Ze lag in de bezwaren aan het saamroepen van een nationale synode verbonden.
1e. Was er moeite met de Overheid.
Vanwege de betrekking der kerken tot de Overheid was er niet alleen verlof van de Overheid noodig, maar wilde de Overheid ook meewerken bij de saamroeping en commissarissen zenden. Doch in Holland wilde de Overheid, bevreesd voor de macht der kerken, niet saamroepen. Zoo is slechts op één uitzondering na nooit om de 3 jaren synode gehouden.
2e. Ook was het zeer bezwaarlijk voor de deputaten ter Synode.
Het waren bijna altijd dezelfde, als zijnde de knapste. Het kostte hun te veel tijd. Hun gemeentelijk werk leed er te veel onder en de gemeentelijke arbeid vorderde reeds veel van hen. Zij konden ’s Zondags in den tusschentijd nooit thuis zijn. En de wijze van de behandeling der zaken nam weken in beslag.
3e. Er lag bezwaar in de kosten.
Zelfs op synoden is dit bezwaar besproken. In 1571 gold, dat

|185|

de kerken zelf daarin moesten voorzien. Fondsen waren er niet voor. De kerken waren allesbehalve rijk. Veel kosten werden er gemaakt aan kerkedienst, traktementen en armen. Gewoonlijk vergaderde men ‘s morgens en ‘s avonds. Voor eten en drinken was in iedere herberg veel tijd noodig. De kosten waren voornamelijk, dat de deputaten moesten eten. Logies bij vrienden was niet zoo gemakkelijk te verkrijgen. De deputaten klaagden aan de kerken. De kerken antwoordden: dan moeten zij maar wat zuiniger leven. Later wilde men dat de Overheid de kosten dragen zou en dit is gelukt.
Van de beide synoden in 1586 en 1619 heeft de Overheid de vele kosten gedragen. Dit was echter een nieuwe band van de kerk aan de Overheid.
Voor een goed deel gelden deze bezwaren ook nu nog. De kosten zijn ook nu nog bezwaar. Ze kunnen alleen gevonden door een omslag over de kerken. En de kerken zijn ook nu reeds gedrukt door eigen zaken.
Het eenige en zeer groote bezwaar tegen 3 jaren is, dat de zaken van appel zoo lang moeten wachten. Reeds in de 16e eeuw drukte dit bezwaar, het meest in de 17e en 18e eeuw. Daartegen kan alleen een expedient gevonden worden daarin, dat de beslissing en uitspraak van een prov. synode of classe in executie gaat totdat de nationale synode saamkomt.
Men heeft dan waarborg tegen partijdigheid, zeer weinig zaken vergen dan ook een aparte synode. Zijn er zaken van groot gewicht, dan moet er eene extraordinaire synode plaats hebben. Daarvoor staat in het artikel: ordinaarlijk alle drie jaren eens, en: ten ware dat er eenige dringende nood ware om den tijd korter te nemen.
Daarvoor bepaalt het artikel hoe het bij een extraordinaire synode gaan moet.
Een buitengewone nationale synode is dus niet uitgesloten. Er wordt in ’t geheel niet aangeduid, welke motieven er zijn voor zulk een buitengewone synode. Dit zou in de kerkorde ook moeilijk kunnen. Algemeen kan men zeggen en algemeene regel is: wanneer er dringende zaken van algemeen belang zijn. Wanneer groote algemeene belangen van alle kerken een buitengewone synode noodig maken, in dier voege, dat uitstel schade zou zijn. Niet dus, waar het geldt zaken van bijzondere of persoonlijken aard, al zijn ze soms dringend. Algemeen belang gaat voor particulier belang. Aan een synode zijn altijd belangen van kerken op te offeren.
Het moet dus zijn: groote algemeene belangen van alle kerken. Dit moet beslist worden naar het geval zelf en kan niet te voren bepaald. Ten einde te voorkomen, dat een buitengewone synode zou bijeengeroepen worden zonder noodzaak, wordt bepaald, dat ’t niet aan de aangewezen kerk alleen overgelaten wordt haar saam te roepen.

„Voorts zal de kerk, die last heeft om den tijd en de plaats der generale synode te benoemen (zoo dezelve binnen de drie jaren te beroepen ware) hare particuliere synode vergaderen.”
Indien die kerk meent, dat dit dus noodig is, dan moet eerst een particuliere synode bijeengeroepen worden. Niet alleen de kerk roept saam, maar de kerk in overleg met de Prov. synode, waartoe zij behoort. Alzoo is er waarborg voor een overijld of ondoordacht

|186|

besluit.
Omtrent de saamroeping behelst het artikel nog, dat er een kerk is, die saamroept.
De staart van het artikel is gevallen. De Overheid houdt zich met het saamroepen als zoodanig niet meer bezig.
Het overleg met de Overheid is dan ook vervallen wegens de veranderde staatkundige verhoudingen. Voor een gewone synode treedt de synodale kerk in overleg met de classe, voor een buitengewone synode in overleg met de provinciale synode.
Zoo is de saamroeping ook altijd gegaan, behalve in de 16e eeuw, toen er nog geen kerkorde was. Vroeger zijn de kerken saamgeroepen door classen, de classen tot conventus praeparatorius.
De classen Delft en Antwerpen waren aangewezen om een synode saam te roepen.
In 1581 is de saamroeping toen uitgegaan van de Overheid, zoo ook in 1586 en 1618.
Amsterdam was voor 1618 aangewezen, maar de acta en stukken waren verloren, waaruit blijken moest, dat Amsterdam als saamroepende kerk aangewezen was.
De Dordtsche synode van 1618/19 heeft de classis van Dordt aangewezen de volgende synode saam te roepen, dus niet eene kerk maar een classe, 178ste sessie.
„De classis van Dordrecht, als classis synodaal, zal bezorgen, dat de uitschrijvinge van de naaste nationale synode, te zijner tijd belegd en aangesteld worde, en voorts alles doen, wat tot nog toe van de nationale kerke placht te geschieden.”
De oorzaak zal wel zijn, dat de kerk van Dordt niet bijzonder vrij van de Overheid was. Men vreesde daardoor vertraging. Bij de classe stonden de kerken onder verscheiden Overheden en had de Overheid niet zooveel macht. Deze voorzorg heeft echter niet gebaat.

Dan wordt nog gehandeld over de saamstelling van een nationale synode.
„Tot deze zullen twee dienaren en twee ouderlingen uit elke particuliere synode, beide van de Duitsche en Waalsche sprake, afgezonden worden.”
Niet van den beginne af was het alzoo.
Te Emden in 1571 werden alle kerken tot 3 provincies saamgevoegd, art. 8. Schotland, Holland, Duitschland. Er werd uitgesproken, dat er afgevaardigden alleen van de provinciale synoden zouden komen. Dit is zeker met ’t getal van twee + twee afgevaardigden uit iedere provincie bepaald. Dit is veel te weinig. Hoeveel afgevaardigden is overigens overgelaten aan iedere provincie.
In 1578 werd de geheele indeeling van Emden als vervallen ter zijde gesteld. Nu stond ’t niet meer zoo, dat in Nederland maar ⅓ der Gereformeerden zou zijn. Er waren geen drie provinciën meer. De vreemdelingenkerken waren zeer geslonken. Alle politieke provinciën waren nog wel niet gereformeerd.
Daarna werd op een conventus praeparatorius besloten, dat de classes zouden saamkomen tot een generale synode en dus ter synode zouden deputeeren.

|187|

Dit strijdt natuurlijk niet met het beginsel der kerkorde. Het is alleen een wijziging naar de tijdsomstandigheden. Er wordt dus niet van classes tot part. synode en van prov. synode tot generale synode afgevaardigd.
Na 1578 werd het echter mogelijk provinciaal af te vaardigen. Holland, Zeeland en Utrecht waren reeds vrij. Groningen, Friesland en Overijssel gaven uitzicht op vrijheid. Er waren reeds 7 provinciën Gereformeerd. Daarom kwamen reeds in 1581 deputaten uit de provinciale synoden op de synode van Middelburg. Doch niet precies kwamen er 2 predikanten + 2 ouderlingen uit iedere provincie.
In 1578 waren er 5 maal meer predikanten dan ouderlingen en ook in 1581 waren er meer predikanten.
Slechts sommige provinciën hielden zich aan de bepaling van 2 predikanten en 2 ouderlingen, nl. Brabant, Oost- en West-Vlaanderen, Friesland, Overijssel, Gelderland en de Waalsche kerken. Maar Zeeland zond 4 predikanten en geen ouderlingen. Dit lag volgens de notulen der Zeeuwsche synode aan misverstand: er waren 4 predikanten als deputaten en twee ouderlingen uit Middelburg als getuigen benoemd. Zijn er andere provinciën die meer deputaten zonden, dan mochten de ouderlingen ook stemmen. Dit geschiedde natuurlijk niet.
Ook in Holland ging het niet precies naar de kerkorde.
Daar waren 3 particuliere synoden. Er kwamen 6 predikanten + 3 ouderlingen. Uit N.Holland 2 predikanten + 1 ouderling, uit Midden-Holland 3 predikanten + 1 ouderling, uit Zuid-Holland 1 predikant + 1 ouderling. Utrecht had alleen 2 predikanten gezonden. Onwettig was zulk een synode niet. De kerken moesten het zelf weten of zij onvoldoende wilden afgevaardigd worden.
In 1586 waren er nog minder ouderlingen: 1 uit N.Holland en 1 uit Friesland. Dit waren de eenige ouderlingen, al de andere afgevaardigden waren predikanten.
In 1618 is de kerkorde weer veel beter gevolgd.
De reden waarom er meer predikanten dan ouderlingen waren, ligt bij sommigen misschien in clericalisme, doch niet geheel, want op zeer vele synoden en provinciale synoden kwam de vraag ter sprake hoe men toch meer ouderlingen kon krijgen. Zelfs is een ouderling gecensureerd omdat hij niet kwam. Maar de ouderlingen konden om hun werk en burgerlijk beroep niet. De predikanten bleven in kerkedienst, maar de ouderling moest uit zijn maatschappelijke positie uit. Men moest voor dien geheelen tijd van huis blijven. Zelfs bericht van huis krijgen was moeilijk. Toch moet het beginsel vastgehouden.

Dan is over de deputatie gevraagd of men telkens in de Prov. synode zal laten stemmen over de afgevaardigden of deze bij toerbeurt aanwijzen. Dit is dezelfde vraag als bij de deputatie ter provinciale synode, maar gewichtiger. In de K.O. is sprake van verkiezing. Deze uitdrukking schijnt er op te wijzen, dat men geen toerbeurt wilde houden, maar vrije verkiezing. Hiertegen zijn enkele practische bezwaren ingebracht:

|188|

1e. nl. de uitkomst is dat dikwijls dezelfde personen ter synode afgevaardigd worden. Dit lag in den aard der zaak. Men koos altijd de meest geschikte, b.v. Cornelissen, v.d. Corput, v.d. Heyden en Helmichius zijn bijna op alle synoden geweest.
2e. Zoo zou men wel een nieuwe hiërarchie kunnen krijgen.
Antw.: Dit is zoo, doch dit gevaar voor hiërarchie is niet zoo groot. De verkiezing blijft altijd in de macht der kerken. De kerken hebben macht om iemand, die Paus wil spelen, nu eens niet te kiezen.
Omgekeerd, wanneer men het bij toerbeurt doet, dan komen er soms ongeschikte personen ter vergadering. Vele predikanten zijn wel geschikt voor gemeentelijk werk, maar niet voor groote synodale vergaderingen. Zoo konden verkeerde besluiten genomen worden tot schade voor al de kerken.
Afvaardiging bij toerbeurt kan nog naar de classe, omdat die 4 × ’s jaars bijeenkomt en er toch ook andere predikanten bij zijn.
Ook in groote steden kan toerbeurt gelden voor het praesidium van den kerkeraad, omdat in groote kerken gewoonlijk de bekwaamste predikanten zijn.
Anders is toerbeurt niet aan te bevelen.

De vraag is gedaan of in de Generale of nationale synode de doctores ecclesiae en de Professoren in de Theologie als adviseerende leden zitting hebben.
Niet alle doctoren zijn bedoeld, maar alleen die tot het munus docendi geroepen zijn in overleg met de kerken en in betrekking tot de kerken staan. Als zoodanig werden doctores ecclesiae en theologiae professor gelijk genomen.
In de praktijk is door de kerken in de 16e eeuw beslist, dat de doctores niet vanzelf als adviseurs in de synode zitting behooren te hebben. In hun doctoraat ligt niet een afvaardiging naar de synode. Dit ligt nog niet in hun ambt evenmin als bij een dienaar des Woords. Wel is deze verkiesbaar, maar hij is nog niet per se gedeputeerd.
Voorts hebben de synoden wel gebruik gemaakt van het advies van de Leidsche professoren, maar dan door uitnoodiging.
Zoo is in 1581 Prof. Danaeus uit Leiden genoodigd. De synode zou de kosten dragen.
In 1586 is prof. Saravia uit Leiden uitgenoodigd om advies te geven in de zaak van Herberts e.a.
De uitnoodigingsbrief is nog over.
In 1618 zijn de professoren als zoodanig op de synode geweest, geconvoceerd door de Staten-Generaal. Aan hun college werd ook een decisieve stem toegekend.
Later is de vraag alleen voorgekomen voor provinciale synoden, waarop men een professor als adviseur wilde uitnoodigen. Doch het is niet geschied. Alleen geschiedde het, als er synode gehouden werd in eene stad, waar een Universiteit was. Toen is gebruik gebleven, dat wanneer de provinciale synode vergaderde in Leiden, de professoren werden uitgenoodigd.
Of zij er behooren?
Voetius antwoordt: de professoren kunnen niet jure suo ter synode

|189|

gaan. Ze zijn niet jure suo lid der synode, maar wel achtte hij het gewenscht voor de kerken. Deze moeten zelf tot de uitnoodiging besluiten. Wel is van belang voor de kerken om hun adviezen te hebben, vooral als zij zich zelf in kerkelijke zaken hebben bewogen. Zoo is het ook nu in onzen tijd.
De bedenking, dat zij door hunne presentie te veel zullen influenceeren op de vergadering berust in den grond der zaak op een anabaptistische geringschatting van de wetenschap en de van God geschonken meerdere talenten. Of de meening dat men advies liefst niet moet gaan halen bij die er meer van weet, omdat dit praedomineert. In ‘t natuurlijke doet men dit niet eens. Het is geringschatting van Gods bestel over de wetenschap en in strijd met het eerste geloofsartikel.

Ook is wel de vraag gedaan, of de deputaten van de vorige synode bij de volgende synode behooren, ’t zij met of zonder stemrecht, voor de zaken waarvoor zij gedeputeerd waren of ook voor andere zaken.
De aard der zaak brengt mede, dat zij die door een synode gedeputeerd zijn om een last uit te voeren, aan de kerken daarvan rekenschap geven, omdat de wijze waarop zij dat deden, beoordeeld moet worden. Dit kan eerst op een volgende synode geschieden. Zij moeten daarom op die volgende synode niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk rapport indienen. En niet alleen schriftelijk rapport inzenden, maar zij moeten ook zelven tegenwoordig zijn om op eventueele vragen te kunnen antwoorden of zich tegen beschuldigingen te verantwoorden.
In de reden ligt dus, dat zij er niet komen als leden der synode maar als lasthebbers der kerken, als verslaggevers van hun werkzaamheid. Ze hebben dus ook voor andere zaken niets op de synode te maken, maar alleen met de zaak die zij hebben gehad.
Daarom was in vroeger eeuwen gewoonte, dat de deputaten na hun rapport vragen beantwoordden. Daarop verlieten zij de vergadering en in hun afwezigheid werd hun wijze van volvoeren van den last beoordeeld, of zij hun last goed hadden uitgevoerd of niet. Was dit goed, dan werden zij dank gezegd en gedechargeerd.
Deputaten behooren dus alleen op een volgende synode rekenschap te geven van de wijze, waarop zij hun mandaat hebben uitgevoerd.
Toch heeft de synode altijd de vrijheid om nog op een andere wijze van hun diensten gebruik te maken. De synode kan voor een zaak uitnoodigen wie zij wil. De synode kàn dan van hun tegenwoordigheid een ander gebruik maken als adviseurs etc.
In vroeger eeuwen was het dan ook wel gewoonte geworden in prov. synoden, dat de rapporteur van de deputaten bleef op de synode, omdat gewoonlijk aan dezelfde vele werkzaamheden werden opgedragen en zij dan meteen konden adviseeren. Enkele deputaten als rapporteurs ter synode zijn genoeg. Alle deputaten ter synode is te kostbaar.

|190|

Ook is nog de vraag gedaan of de geloovigen in ’t algemeen vrijen toegang tot de synodale vergaderingen hebben.
Of men de synode zal openstellen voor de geloovigen?
De vraag of ze geheel publiek waren is niet gedaan. Men deed de zaken binnendeurs af. Publiciteit van vergaderingen behoorde niet tot de denkbeelden van de vorige eeuwen. De publieke behandeling van zaken dateert eerst uit deze eeuw.
Maar wel is de vraag geopperd of gemeenteleden toehoorders mochten zijn.
Natuurlijk is met deze eerste vraag niet bedoeld, dat alle geloovigen leden zouden zijn; er vergaderden kerken, geen geloovigen. Het woord voeren zou dan een Poolsche landdag worden. De synode kan uit de toehoorders natuurlijk iemand om advies vragen. Dat kan zij iedereen.
Door sommigen is verdedigd, dat de zaken der kerk ook coram ecclesiam moeten behandeld worden met beroep op Hand. 15. Op die eerste synode waren ook de broeders tegenwoordig.
Toch meende men, dat het in onze Ned. kerken niet wenschelijk was. Anderen vonden het minder voorzichtig. Bij ons heerschte ’t denkbeeld dat zoo’n vergadering niet publiek zou zijn. Op voorbeeld van den Magistraat, die onder eede de zaken geheim hield, behandelde men de zaken binnendeurs.
Een uitzondering maakte de Dordtsche synode van 1618/19. Deze is de eenige publieke synode. Daar zijn toehoorders toegelaten, niet enkel gemeenteleden, hoewel het er voor gehouden werd, dat zij dit waren. Er was geen toezicht op of er ook ongeloovigen kwamen. De zittingen waarin men tuchtzaken of deliberatiën had, die men niet publiek wilde hebben, waren gesloten.
Toch gaf dit nog geen groote publiciteit en waren er niet veel toehoorders, want de synode werd in het Latijn gehouden.
Doch Voetius zegt, dat dit toelaten van hoorders een uitzondering extraordinair was, omdat het ook een synodus extraordinaria was.
Hieruit blijkt dus, dat het de gewoonte niet was om zelfs alle gemeenteleden toe te laten. Slechts eenige publiciteit bestond in zooverre men alleen aan predikanten vergunde als toehoorders tegenwoordig te zijn. Maar ook alleen predikanten, zelfs niet als men in comité général vergaderde.
Toch ligt publiciteit wel in de beginselen van het kerkrecht, in aanwijzingen der Schrift en der oude kerkgeschiedenis.
De leden der synode handelen in naam van de kerken. Het zijn zaken der kerken die daar behandeld worden. En dus ligt het wel voor de hand, dat de leden der kerken als lastgevers er ook bij tegenwoordig mogen zijn. Elk lid afzonderlijk is wel geen lastgever, maar toch de kerk en die wordt gevormd door de leden. De leden der synode zijn wel lasthebbers der kerken maar toch hebben de leden der gemeente er belang bij. Het geldt hun zaken. De leden der kerken hebben zeker recht om op de vergadering hunner kerken tegenwoordig te zijn.
Daarom wordt het tegenwoordig toegestaan met uitzondering van tuchtzaken en zaken, wier publiciteit gevaar voor de kerk geeft. De gevaren die men van die publiciteit door tegenwoordigheid van

|191|

gemeenteleden ducht, zijn denkbeeldig. De zaken blijven toch niet geheim waar zooveel personen aanwezig zijn; want een geheim van 40 personen blijft geen geheim. Eer dreigt er gevaar van geheimhouding, dat het rapport tusschen synode en classen, kerken en gemeenteleden verbroken wordt, en dat er hiërarchie ontstaat.
Waren de gemeenteleden een oproerige hoop gepeupel, zooals de Franschen bij de vergadering van zoodat pressie te duchten was, dan was geheimhouding gewenscht. Nu niet. Een verstoring van de orde en evenmin pressie behoeft men niet te vreezen. Dit is van Geref. gemeenteleden niet te duchten.
Door het openbaar houden der vergaderingen wordt de belangstelling geprikkeld en het vertrouwen gesterkt.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 51 & 52

Duitsche en Waalsche kerk.

Art. LI. Alzoo in de Nederlanden tweeërlei sprake gesproken wordt, is voor goed gehouden, dat de kerken der Duitsche en Waalsche taal, op haar zelve haar kerkeraad, classicale vergaderingen en particuliere synoden hebben zullen.

Art. LII. Is niettemin goedgevonden, dat in de steden, waar de voorzeide Waalsche kerken zijn, alle maanden sommige dienaren en ouderlingen van beide zijden vergaderen zullen, en goede eendracht en correspondentie met malkanderen te houden, en, zooveel mogelijk is, naar gelegenheid des noods met raad malkanderen bij te staan.

De artikelen 51 en 52 behooren bij elkaar. Ze handelen over de positie, die de Waalsche kerken in het kerkverband innemen.
Waalsche kerken zijn er altijd geweest. Ze waren hier van den beginne af aan. De eerste particuliere synoden zijn zelfs van Waalsche kerken geweest (in 1563). In het zuiden waren alleen Waalsche kerken.
Bij de constitueering van het kerkverband in 1571 te Emden waren er ook de Waalsche kerken in de Zuidelijke Nederlanden en in de verstrooiing in betrokken, want er wordt gesproken van de Waalsche kerken in de Z. Ned., van de Waalsche vluchtelingenkerk te Londen, in de Paltz.
Toen later de Zuidelijke Nederlanden almeer onder Spanje kwamen, ontstonden ook in de Noordelijke Nederlanden Waalsche kerken van gevluchte Walen. Vooral in Holland, ook in Zeeland, Utrecht, Gelderland. Bij de Geref. kerken konden zij niet komen, want zij verstonden geen Nederlandsch. Het taalverschil vorderde een eigen dienst. Toch wilden zij saamvergaderen.
Dit geschiedde dan ook van 1574 af.
Sedert dien tijd begonnen zij samen te vergaderen in classes met de Nederduitsche kerken, maar als afgevaardigden, die geen Hollandsch verstonden.
Het bleek dan ook, dat dit niet ging om de taal. Reeds in 1577 was er te Dordt een aparte vergadering van Walen; de 1e Waalsche synode van de Zuid-Nederlanden en Holland.

|192|

Er waren niet vele kerken.
Op de nationale synode van 1578 is in de K.O. een artikel 46 opgenomen, waarin men uitsprak, dat de Waalsche kerken door een ordonnantie Gods gescheiden van de Nederduitsche kerken, afzonderlijk zouden vergaderen.
Maar beide soorten van kerken zouden saamvloeien in de Nationale Synode. Alleen in de nationale synode zouden afgevaardigden komen van de Waalsche kerken. Daartoe moesten dan personen gekozen worden, die wat Hollandsch verstonden.
Besluiten daar genomen mochten door de Waalsche kerken niet veranderd worden.
Zoo waren de Waalsche kerken vertegenwoordigd op de nationale synoden van 1581 en 1586. Deze bepaling werd op de synoden voortdurend bestendigd en bleef ook in 1618 in de kerkorde.

Art. 52.
In 1586 kwam er bij, wat nu in art. 52 staat en wel op verzoek van de Waalsche kerken zelve.
Volgens punt 7 van den staat der gravamina was er een verzoek der Waalsche kerken ingekomen, dat op zekeren tijd hun kerkeraden met de Nederduitsche kerkeraden zouden vergaderen. Of wel, dat sommigen zouden gedeputeerd worden, omdat de Walen geen Hollandsch verstonden en sommige Ned. ouderlingen geen Fransch, anderen wel.
’t Was om te zorgen, dat men altijd eenstemmig zou handelen in zaken van tucht en leer. Ook was het voor den overgang van de eene gemeente naar de andere. Men wilde zoo verschil van toepassing van kerkorde en verschil van kerkinrichting opheffen, omdat anders alleen botsing en schade kon komen.
In ’t begin der 17e eeuw is dit te Amsterdam goed te stade gekomen tegenover den Arminiaansch geworden Ds. Moulard.
Van de toepassing kwam echter hoe langer hoe minder. Men liet ’t aan de menschen zelf over bij welke kerk zij wilden zijn.
In de vorige eeuw is dit aanleiding geworden, dat de aanzienlijken, wanneer er een welsprekend predikant was, alleen naar de Walenkerk gingen. In ’t begin dezer eeuw is dit artikel nog eens ter sprake gekomen op een synode van het Hervormde Genootschap. Er zijn toen een aantal Waalsche kerken opgeheven, omdat er geen leden meer waren. Bij Koninklijk besluit werd dit genoemd vereeniging van de Waalsche kerken met de Ned. Herv. Kerk, d.w.z. dat een enkele Walenouderling opgeslokt werd. Dit gold voor kleine plaatsen. In groote plaatsen durfde Willem I het niet aan. In kleine plaatsen waar de Walenkerk op de nominatie stond om opgenomen te worden (Breda, Bergen op Zoom, enz.) droeg men aan dien gecombineerden kerkeraad vele zaken op. De synode van 1817 haalde art. 52 op. Zij stelde voor dat in de groote steden de kerkeraden ook zouden saamvergaderen. In het rapport haalde men dit aan als de weer opleving van een oud en broederlijk gebruik. Doch dit was slechts een voorwendsel om min geschikte (immers orthodoxe) lieden als ouderlingen te weren, want nu moest men Fransch kennen. De synode vond dit voorstel echter nog wel wat te gewaagd en het

|193|

werd voorlopig uitgesteld.
In ’t algemeen kan met betrekking tot deze twee artikelen gezegd, dat ze van weinig belang voor onze kerken zijn.
Tegenwoordig beteekenen de Waalsche kerken niets meer. Ze bestaan soms alleen nog omdat er een kerkgebouw en goederen bestaan en om de staatstraktementen. In Amsterdam, Den Haag, Rotterdam kon misschien de kerk blijven staan, in al de andere plaatsen echter niet. Er zijn geen gevluchte Walen meer, die alleen Fransch verstaan.
Bovendien de Waalsche kerken die er nog zijn, zijn van de zuivere belijdenis geheel en al afgeweken. Bij hen zijn sierlijke redenen, kort en zonder ernst. Een zeker gehoor zocht zoo iets. De predikanten moesten zoo blijven preeken om hun gehoor te houden.
Wat tegenwoordig ernstig is, voegt zich bij de Ned. kerken en blijft niet bij de Waalsche.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 53

|194|

Hoofdstuk III. Van de Leer, Sacramenten en andere ceremoniën.

Onderteekening der Formulieren door Predikanten en Professoren.

Art. LIII. De Dienaren des Woords Gods en desgelijks de Professoren in de Theologie (’t welk ook den anderen Professoren wel betaamt) zullen de belijdenis des Geloofs der Nederlandsche kerken onderteekenen en de dienaren, die zulks refuseeren, zullen de facto van hunnen dienst bij den kerkeraad of de classe opgeschort worden, tot ter tijd toe, dat zij zich geheellijk daarin verklaard zullen hebben, en indien zij obstinatelijk in weigering blijven, zullen zij van hunnen dienst geheellijk afgesteld worden.

Art. 53 handelt over de Leer.
In de Geref. kerken in ’t algemeen heeft eenheid van belijdenis en dus ook van de leer altijd bijzonder op den voorgrond gestaan.
Tot op zekere hoogte en eenigszins geschiedde dit ook wel in de Roomsche, Luthersche en andere meer afwijkende kerkgenootschappen. Zonder eenheid is geen verband denkbaar. Indien ook formeel alle eenheid is opgeheven, dan houdt men niet anders over dan eene bloot menschelijke vereeniging tot administratieve doeleinden. In het begrip van kerk ligt het begrip van eenheid in belijdenis.
In de Roomsche kerk staat boven die eenheid in belijdenis en leer dat men zich aan den Paus onderwerpt, dus onderwerping aan de Pauselijke hiërarchie. De eerste vraag voor kerkverband is of men zich aan den Paus onderwerpt.
In de Geref. kerken is ’t juist andersom. Daar is eenheid van belijdenis en leer blijkens de geschiedenis als punt van uitgang en eenige grondslag voor ’t kerkverband genomen. In Frankrijk, Schotland, Zwitserland, Engeland en Nederland is men begonnen die te vereenigen, die van één belijdenis waren, is men begonnen zich in ééne belijdenis te groepeeren en eerst daarna werd tot instelling der ambten en tot kerkreformatie overgegaan.
En ook waar die kerkreformatie voorafging, zooals in Genève, waar ze door de Overheid plaats greep, werd aanstonds daarna als conditio sine qua non gesteld eenheid van belijdenis. Calvijn en Viret stelden een belijdenis op, die alle burgers moesten bezweren. Calvijn schrijft in een zijner brieven, dat alles in verwarring was. Men preekte, voilà tout. Daarom zorgde hij eerst voor eene belijdenis, volgens welke kon geleerd worden.
Ook hier te lande in 1563, toen de kerken in classes samenkwamen, kwamen alleen samen kerken, die de belijdenis van Guido de Brès hadden aanvaard. Waren er (wat niet geschied is) andere kerken bij gekomen met een andere belijdenis, dan waren zij niet toegelaten tot het kerkverband. In het verschil van belijdenis ligt een kerkontbindend element.
Prins Willem I heeft er zeer op gewerkt om de Nederlandsche

|195|

kerken te bewegen de Augsburgsche Confessie aan te nemen om zoo met de Duitsche protestantsche vorsten te kunnen samenwerken. Dit is door de kerken afgewezen. In hoofdzaak was zij wel dezelfde, doch in sommige punten verschillend. Men kon dus niet officieel samengaan. Zij konden hun eigen confessie niet prijsgeven, omdat in haar confessie de kerken de zuiverste uitdrukking der Schrift erkenden.
In 1568 op het convent van Wezel had de voorbereiding plaats van het kerkverband. Men was eens en stelde op den voorgrond, dat alles behoorlijk en met orde geschieden moest. De inleiding van de Wezelsche artikelen stelde daarom niet alleen eenheid in belijdenis en leer maar ook in Dienst des Woords en kerkregeering. De eenstemmigheid in de leer was er toen blijkbaar al, want anders hadden ze onmogelijk samen kunnen komen.
Daarbij komt, dat de kerkenordening en de regeling van den kerkedienst niet los van de belijdenis zijn en niet buiten belijdenis en leer kunnen omgaan. Kerkrecht is niet anders dan toepassing van kerkleer en belijdenis op het kerkelijk leven. Het kerkrecht hangt onmiddellijk samen met de dogmatiek. De grondbeginselen van het kerkrecht zijn resultaten van de dogmatiek. Ook hierdoor wordt de eenheid geëischt. Waar dus niet eenheid in belijdenis is, kan niet zijn eenheid in leven, omdat uit verschillende beginsels een verschillende toepassing volgt.
Nu kan er ook wel eenheid in belijdenis zijn, zonder een geschreven confessie. Maar dan is er toch altijd eene ongeschreven Confessie, waarmee allen instemmen.
Zoo is het in de 16e eeuw in de eerste weken en maanden in ons land geweest voordat Guido de Brès onze belijdenis (in 1559) had opgesteld.
In den eersten tijd kon dit wel. Zoolang het een klein getal is, kan voor een kleinen tijd wel een ongeschreven belijdenis dienen. Doch op den duur gaat dit niet en moet de belijdenis op schrift gebracht in woorden. De belijdenis is voor de kerken, dan de kerkelijke band, het accoord van kerkelijke gemeenschap. Zoo is de belijdenis in onze Geref. kerken dan ook altijd beschouwd.
Wel is te dien aanzien soms een afwijkende voorstelling gegeven door die van de belijdenis afweken. Door dezulken werd dan vaak gezegd, dat de belijdenis niet als de kerkelijke band moest gelden, omdat de belijdenis niet was de Heilige Schrift, niet kon zijn regel des geloofs. En de Geref. kerken werden dan beschuldigd de belijdenis met de Schrift gelijk te stellen; aan menschenwerk het gezag van Gods Woord toe te kennen, een gezag, dat de belijdenis niet hebben kon, en dat ook niet door de opstellers bedoeld was.
Dit alles berust op een verkeerde voorstelling en is miskenning van wat de kerken met de belijdenis bedoelden.
Veel citeert men prof. Saravia, die zich daaromtrent heeft uitgelaten in een brief aan Uitenbogaert: „Ut unius opus censere non debeat”.

|196|

Saravia liet zich tijdens Leycester veel in met de kerkelijke troebelen, deswege is hij ook met Leycester uitgeweken. In Engeland is hij aan ’t afwijken geraakt. Hij had ook meegewerkt aan de belijdenis. Hij wees er op, dat de belijdenis niet het werk van één mensch was, maar van allen. De saamwerkers bedoelden niet een regel des geloofs te geven, maar een toetssteen van geloof. En canon fidei is de Heilige Schrift: de canonieke Schriften.
Dit is ook altijd zoo door de Geref. kerken beleden. Zij is alleen in zooverre van kracht, als zij met Gods Woord overeenkomt.
Saravia wijst er hier op, dat de bedoeling der opstellers is geweest te werken voor de kerken. De belijdenis is dus geen persoonlijke opinie.
Ursinus spreekt hierover ook. Men beroept zich ook valschelijk op hem. Men moet niet uit de belijdenis maar alleen uit de Schrift afleiden, wat men moet gelooven, maar wel zegt de belijdenis, wat de kerk gelooft, wat zij uit Gods Woord verstaat.
Zij hechten dus beiden zeer hooge waarde aan de belijdenis, alleen waarschuwen zij tegen gelijkstelling van belijdenis en Heilige Schrift.
De belijdenis is dus accoord van kerkelijke gemeenschap. Nu kan iemand in dienst der kerken hiermee breken, maar dan moet hij het kerkverband en de kerk verlaten.
Om deze reden is van den beginne af aan voor diegenen, die de kerk zouden dienen in ieder geval voor de dienaren des Woords onderteekening van de belijdenis noodzakelijk geacht. De kerken moesten van den Dienaren vergen, dat zij overeenkwamen met de belijdenis, het Woord zouden bedienen in naam der kerk. Dit toch kon niet afhangen van de willekeur van den Dienaar.
Toen in 1571 te Emden het kerkverband tusschen de Geref. kerken gelegd werd, werd in art. 2 van de acta bepaald, dat de eendrachtigheid in de leer tusschen de Ned. kerken nu ook bewezen moest worden. Ze was er al, maar moest nu blijken. Daarom onderteekening van de belijdenis voortaan verplichtend gesteld voor aanstaande dienaren des Woords.
Art. 4. Men zal predikanten, die niet op de synode zijn, verzoeken ook de belijdenis te onderteekenen.
De Emdensche synode ging verder en wilde hetzelfde ook voor de Fransche kerken hebben. Dit kon, want de belijdenis was dezelfde. Door verschillende omstandigheden is er niet van gekomen. De bedoeling was: kerkverband zoover de belijdenis strekt.
In 1574 (art. 32) wilde men onderteekening van de belijdenis ook voor ouderlingen en diakenen, allen die in kerkedienst stonden. In 1578 is dit toen weer beperkt tot de ouderlingen alleen. Aan diakenen was niet opgedragen regeering, tucht en handhaving van belijdenis. Het was dus niet zoo strikt noodig. Diakenen stonden bovendien ook eenigszins in dienst van de Overheid, ze waren daaraan rekenplichtig voor de rijke subsidie van armengoederen. De hand werd er wel eens mee gelicht wanneer de Overheid zeker persoon diaken wilde hebben, b.v. een oud-regent van armengoederen of een ander.

|197|

In 1581 heeft men de diakenen er weer bijgenomen. In 1586 is toen weer alleen van de dienaren des Woords gesproken en zoo is het in 1619 gebleven, toen daaromtrent niets voorgesteld werd.
Dat het in 1586 en 1619 niet meer voorgesteld werd, heeft niet tot reden, dat men het voor ouderlingen en diakenen niet wenschelijk achtte. Dat was wel bij vorige synoden gebleken. Er lag alleen in, dat men het niet voor alle kerken verplichtend wilde stellen. Niet uitgesloten was, dat men het provinciaal, classicaal of in iedere kerk voor zich bepaalde. Dit is ook veel geschied. Zelfs menige kerk na 1619 bepaalde dit voor hare diakenen.
Een kerk mag alleen doen wat naar Gods Woord mag, tenzij men van een deel van vrijheid afstand heeft gedaan om het hooger doel van kerkverband. Een kerk ontleent haar bevoegdheid niet aan de kerkorde, maar zij ontleent haar macht aan Christus. De synode ontleent haar macht aan de kerken en niet andersom de kerken aan de synode. In den kerkelijken dienst moet handhaving der belijdenis grondslag zijn. Het is dus veelszins wenschelijker, dat het wel geschiede.
De wijze van onderteekening was in 1571 en vervolgens simpliciter. Men zette zijn naam onder de belijdenisschriften met een korte bijvoeging er bij of niet, dat men het aannam of geloofde. In 1619 was er een strikt formulier hiervoor om gegeven aanleiding.
De onderteekening simpliciter was intusschen lang niet overal onderhouden. Uit classicale en synodale acta om het weer te gaan doen, blijkt dat het verzuimd was.
Niet uit oppositie was ’t nagelaten, maar eenvoudig uit slordigheid, nonchalance.
In ’t begin der 17e eeuw kwam er bij dat de onderteekening simpliciter met het oog op sommige classes niet voldoende scheen te zijn, tegenover het opkomende Arminianisme.
Zoo voor ’t eerst in de classe Alkmaar bleek het noodig een formule van onderteekening vast te stellen.
Over zoodanige formule was reeds vroeger gehandeld in eene correspondentie tusschen Helmichius en Arend Cornelissen.
Eigenlijk sprak vanzelf dat de onderteekening een volkomen bevestiging van een instemming met de belijdenis was, anders ware het onwaardig spel geweest. Afwijkenden konden er echter zich misschien op verkeerde wijze op beroepen. Daarom stelde men uit voorzichtigheid op verscheiden plaatsen een formule voor, waarin stond, wat de onderteekening bedoelde.
Doch de zaak is blijven hangen tot de synode van 1618, want alleen een nationale synode kon erover beslissen.
Op de Dordtsche synode van 1618 is de zaak van onderteekening, met name door de dienaren des Woords, zeer ernstig ter hand genomen. Uit verscheiden provincies waren gravamina gekomen over de noodzakelijkheid van discipline over degenen, die in kerkelijken dienst zijn.
Hierover is besloten in de 162ste sessie. Door de synode is uitgesproken, dat door eenvoudige onderteekening de kerken wel eens bedrogen waren. Er is toen een concept gemaakt van formulier voor onderteekening, dat in de 164ste sessie gearresteerd is.

|198|

Dit formulier is toen overal in gebruik genomen en alle classes hebben er ook goed de hand aan gehouden. In de classicale handboekjes (verzamelingen van besluiten) zijn er eenige paragraphen over. In de classe Dordt placht men den examinandus te vermanen, dat hij de formulieren nog eens zou lezen, opdat hij wist, wat hij deed.
Voor ouderlingen en diakenen werd onderteekening der belijdenisschriften niet noodzakelijk geacht. Dit was een zaak die plaatselijk en classicaal kon uitgemaakt. Waar dit geschiedde, had het natuurlijk met een ander formulier plaats. Sommige kerken en classes maakten er een formule voor. Dat der nat. synode was speciaal voor dienaren des Woords ingericht.
Dit alles geschiedde om te handhaven de zuiverheid in de leer, omdat die leer de grondslag was van het kerkverband.
In onze eeuw is hiertegen wel aangevoerd, dat de synode van 1618 niet kon bedoeld hebben de dienaar des Woords aan de Drie Formulieren te binden, aangezien de leden alleen gebonden waren aan Gods Woord, aangezien zij zelf de formulieren hadden gereviseerd en aangezien zij bepaald hadden, dat alle drie jaren revisie kon plaats hebben.
Ad. I. De band aan Gods Woord brengt niet mee losheid van de formulieren, wanneer en zoolang die formulieren erkend worden als de korte, systematische saamvatting van wat God in Zijn Woord leert, als de korte inhoud der Schrift en dus met de Schrift overeenkomen. Wel staan zij niet gelijk met Gods Woord. Gods Woord alleen is grond voor bewijs. Zoolang dus de formulieren in overeenstemming zijn met de Schrift, moet men ook aan de formulieren gebonden.
Ad II. Dat de Dordtsche synode zelf de formulieren reviseerde. De revisie was vroeger ten tijde van Oldebarneveld geweigerd om het doel dat er achter zat. Van de Dordtsche synode geldt, dat het aan haar door de Overheid was opgelegd en dat in 1618 de kerken zich daarnaar zeer goed konden schikken.. Bovendien deze synode had een ander karakter. Het was een uitgebreide nationale synode. Deze synode had ook deputaten uit het buitenland. Dit gaf veel meer stemmen en bevestigde veel meer handhaving der waarheid.
Ad III. De revisie zou om de drie jaren plaats hebben in eene nationale synode. Dit is eenvoudig niet waar. Er kon alleen revisie plaats hebben, omdat de formulieren altijd appellabel zijn, maar ’t was volstrekt niet voorgeschreven.
Cf. Prof. Kuyper. Revisie der Revisielegende en de Leidsche professoren en de executeurs der Dordtsche nalatenschap.
In het laatste boekje komt ook voor, hoe het komt, dat de Leidsche professoren die onderteekeningsformule niet onderteekend hebben.
Ongereformeerden hebben gemeend, dat de professoren tegen de formule bezwaar hadden. Dit wordt door de feiten weersproken. Ze zijn geweest bij de aanneming op de synode en later altijd hebben ze er hun instemming mede betuigd. Zelf hebben ze een formulier gesteld, dat niet minder stringent was.

|199|

De eenige reden lag hierin, dat de Staten en Curatoren, hun meesters, ’t hun verboden hadden. Dit was een quaestie wie zeggenschap over de faculteit zouden hebben, de Staten of de kerken. De Staten en Curatoren zeiden, dat de professoren wel onder de kerken mochten staan, d.w.z. onder een prov. synode, als zij zitting en stem mochten hebben. Dit konden de kerken niet aannemen. De Curatoren en Staten handhaafden daarom hun zeggenschap over de faculteit.
Het geschiedde dus niet uit oppositie. En later is zelfs een niet minder scherp en stringent formulier voor professoren opgesteld.
Toch heeft ook in 1618 een groot aantal predikanten dat formulier onderteekend, die spoedig bleken rationalistisch te zijn. En later is het onderteekend door Rationalisten en Revolutionairen. Daaruit is te verklaren dat in 1816 het formulier op slimme wijze veranderd is zonder veel oppositie.
Op de 1e synode der Ned. Herv. kerk is voorzichtig gesteld de dubbelzinnige uitdrukking dat men de drie formulieren onderteekende „als overeenkomende met Gods Woord”. Dit kon uitgelegd „quia” zooals te Dordt of quatenus.
Doch met zulk een reserve en uitlegging kon men alles wel onderteekenen, kan zelfs een Gereformeerde Pauselijke decreten en de Koran onderteekenen.
Alle band aan de formulieren werd op deze wijze losgemaakt.
Later is die onderteekening in 1854 nog verzwakt en in 1883 is ook die lakse uitdrukking nog verzwakt tot iets geheel anders in hoofdzaak, zoodat er zoo goed als niets meer overbleef.
Alleen in de Gereformeerde kerken is het oude Dordtsche formulier hersteld.
Er is gevraagd: kan zulke onderteekening gedaan worden door iemand, die tegen enkele uitdrukkingen bezwaar heeft? Houdt zulk een onderteekening alle ontwikkeling van de leer niet tegen?
Antw. De onderteekening van de drie Formulieren van Eenigheid in stringenten zin, mag volstrekt niet opgevat als een onfeilbaarverklaring dier formulieren. Daarentegen hebben de kerken steeds tegen deze gedachte geprotesteerd. Men kan tot een ander gevoelen komen; alleen men belooft dit gevoelen niet te zullen leeren, voorstaan of verdedigen in de gemeente, maar het aan kerkeraad, classe of synode ter beoordeeling te onderwerpen en zich aan de beslissing en uitspraak der kerken te onderwerpen.
1e. Men mag alleen op grond der Schrift afwijken.
2e. In de kerken mag men dat alles alleen doen, indien de kerken het niet wraken of beletten.
Er kunnen uitdrukkingen in de belijdenis zijn, die het fundament niet raken of anders konden genomen zijn. Zien de kerken er gevaar in, dan moet men zwijgen of anders zich van de kerken losmaken.
Zoo is er eenerzijds vrije ontwikkeling. Anderzijds blijven de formulieren accoord van kerkelijke gemeenschap. Anders hadden ze niets te beteekenen.

|200|

Daarom is art. 53 zoo bindend en zoo streng gesteld tegen afwijking.
Opmerkelijk is, dat in het artikel alleen sprake is van belijdenis des geloofs onderteekenen. Eigenlijk had ‘t moeten zijn: de belijdenis, de catechismus en de 5 artikelen (declaratio quinquarticulana).
De commissie van redactie om de besluiten der synode in de kerkorde op hun plaats te brengen, hadden dit blijkens besluit der 164ste sessie moeten bijvoegen. In de praktijk is het dan ook zoo opgevat.
Zelfs is in sommige classes nog meer ter onderteekening gevraagd. Dit is ook niet uitgesloten door de K.O. Het kerkverband laat het toe. Een kerk of classis mag wel omtrent andere dingen verklaringen afvragen.
In de Zeeuwsche kerken geschiedde dit met betrekking tot de Walchersche artikelen, in andere kerken tegen Roëll en Bekker.
Bij plaatselijke afwijkingen geschiedde dit veel. Waren namelijk in zekere streek meermalen dezelfde afwijkingen voorgekomen, dan liet men onderteekenen, wat tegen zulke afwijkingen gericht was.
Alleen prov. synoden en classes en nog meer kerken moeten daarmee zeer voorzichtig zijn, want men kan verkeerd formuleeren. De geschilpunten juist te formuleeren is lang niet ieders werk. En dan zouden de goeden lijden en de kwaden het goed hebben.
’t Best doet men door zooveel mogelijk eenheid tusschen alle kerken te krijgen èn om zekerheid van besluit èn om krachtiger band tusschen de kerken te hebben.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 54

Onderteekening der Formulieren door Schoolmeesters.

Art. LIV. (Insgelijks zullen ook de Schoolmeesters gehouden zijn, de Artikelen als boven, of in de plaats van die, den Christelijken Catechismus te onderteekenen.)

Art. 54 handelt ook over de onderteekening der formulieren en wel door de schoolmeesters.
Van den beginne af is hierover gehandeld. De kerken mochten zich hier wel mede bemoeien. Dit had zijn grond hierin, dat alle scholen Christelijke scholen moesten zijn en dus onder het toezicht der kerken stonden en de schoolmeesters den catechismus moesten onderwijzen.
Onder ’t kruis was dit nog niet, maar zoodra in 1574 de kerken in Holland en Zeeland meer vrijheid kregen is op de Prov. Dordtsche synode in art. 22 der acta besluit dienaangaande genomen.
Ze moesten de Confessie onderteekenen en den Catechismus leeren.
Het was geen bepaling voor kerkelijke scholen, want die waren er niet. De scholen stonden onder de Overheid. Die moest dus geraadpleegd. Wilde daarom de Overheid dit niet hebben, dan moest het gezocht bij de Hooge Overheid, bij de Staten of den Prins. Dit moest daar de plaatselijke Overheden of ambachtsheeren vaak Roomsch of Libertijnsch waren.

|201|

In de acta van 1578 (nat.synode te Dordt) komt ook een hoofdstuk over de scholen voor. In art. 47 komt alleen voor, dat de onderwijzers de kinderen den catechismus zouden leeren en tot de waarheid leiden.
Hier is van onderteekening niet gesproken. Het bleef dus buiten de kerkorde. Dit lag daaraan, dat men gaarne een geapprobeerde kerkorde had. En de Overheid was tegen de onderteekening. Men meende ten opzichte van dit punt zachter te kunnen te werk gaan.
In 1581 is het onderteekenen van de Confessie weer in de kerkorde opgenomen.
Art. 37: „De dienaren des Woords, ouderlingen en diaconen; Item de Professores Theologiae (’t welk ook den anderen Professoren wel betaamt) en de Schoolmeesters, zullen de belijdenis des geloofs der Nederlandsche kerken onderteekenen.”
In art. 12 was reeds van de schoolmeesters gezegd, dat zij catechismus zouden onderwijzen. Dus overeenkomst met 1574.
In 1586 is op de nationale synode in den Haag de bepaling omtrent de schoolmeesters bijna woordelijk zoo gelaten.
Art. 19 = art. 12 M.K.O.
De eenige verandering was, dat in art. 46 de onderteekening van de confessie facultatief werd gelaten. In plaats daarvan konden zij den catechismus onderteekenen. Niet omdat men aan de confessie minder waarde toekende, maar omdat de schoolmeesters den catechismus moesten onderwijzen en niet de confessie. Deze was geen onderwijsboek en ook sommige onderwijzers waren niet genoeg in de confessie thuis. Verder hadden sommige ambachtsheeren iets tegen de onderteekening van de confessie, niet echter tegen die van de catechismus.
In 1619 is er niet formeel over gehandeld en is het artikel gebleven.
Toch had het formeel veranderd moeten worden, immers in de 164ste sessie is ook voor rectoren en schoolmeesters een formulier van onderteekening vastgesteld evenals in deze sessie voor de predikanten een formulier gemaakt is. In dat formulier is niet alleen sprake van catechismus, maar ook van de confessie en de declaratie quinquarticulana. In de post-acta is nadrukkelijk opgenomen, dat zij confessie, catechismus en de 5 artikelen zouden onderteekenen.
In de kerkorde, art. 54 is dit dus niet geregeld in overeenstemming met de besluiten der synode zelf. Overeenkomstig dit formulier had in het artikel eene verandering gemaakt moeten worden.
Doch met dit artikel ging het als met meer artikelen. De besluiten der synode werden niet in de K.O. ingelascht.
Dit lag daaraan, dat de artikelen niet formeel in de synode gewijzigd zijn. Wel is in de synode mededeeling gedaan door het moderamen, welke artikelen zij veranderd hadden.
Wij weten dit uit aanteekeningen van ouderling Heinchius van Amsterdam, die bewaard zijn in de bibliotheek van Utrecht.
In de praktijk is dit artikel lang niet altijd toegepast. De kerken hadden er niet altijd zeggenschap over, evenmin als bij de

|202|

professoren in de theologie. De lagere scholen stonden geheel onder de Overheid. Overheid en ambachtsheeren benoemden de schoolmeesters en gaven het traktement. Wel oefende de kerk invloed uit en wat het toezicht over de scholen betreft, werd dit in dorpen en steden veel aan de kerkeraad overgelaten. De kerkeraad in eene stad was ongeveer wat nu een schoolcommissie is. Had de kerk iets aan te merken, dan kon zij niet eigener autoriteit schorsen, maar wel beklag doen. Gewoonlijk werd aan deze klacht toegegeven, omdat het voor een schoolmeester niet uit te houden was, als hij den kerkeraad tegen zich had. Soms weerstond de Overheid, maar ze moest toch toegeven, vooral op dorpen.
Toch waren er zelden conflicten over de leer der schoolmeesters. De oorzaak lag dan in hun wandel of andere dingen, Moeilijkheden met schoolmeesters waren overigens zeer zeldzaam.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 55

Approbatie der boeken.

Art. LV. (Niemand van de Gereformeerde religie zal zich onderstaan eenig boek of schrift van hem of van een ander gemaakt of overgezet, handelende van de religie, te laten drukken, of anderszins uit te geven, dan ’t zelve vooraf doorzien en goedgekeurd zijnde van de dienaren des Woords zijner Classe, of Particuliere Synode, of Professoren der Theologie van deze Provinciën, doch met voorweten zijner Classe.)

Artikel 55 handelt over de boekencensuur.
Reeds van de 1e synode van 1571 af is dit punt in bespreking geweest.
Art. 51 van de acta. Nemo librum a se aut alio compositum in quo de religione agatur imprimendum vel alioque evulgandum curabit aut patietur, nisi a Ministris Classis aut publicis Theologiae professoribus nostrae confessionis examinatum et probatum.
Niemand zal een boek uitgeven of laten drukken, waarin religie ter sprake komt zonder approbatie van de Dienaren der Classe of der Theologiae Professores.
Boekencensuur werd toen zoo algemeen en ruim mogelijk gesteld. Er kon toen nog geen quaestie zijn voor de kerken van uitvoering der bepalingen daaromtrent. Doch men hoopte op vrijheid. In andere landen bestond ze ook.
In 1574 op de synode van Holland en Zeeland is op dit punt bij vernieuwing de aandacht gevestigd. Men had een zgn. Geref. Overheid. Men stelde een artikel vast, dat nog duidelijker uitgewerkt was dan het latere van 1619.
Art. 3 van de acta, naar aanleiding van een gravamen uit de classe Walcheren: om te verzoeken bij Zijn Excellentie een bevelschrift uit kracht waarvan de verkoop van kettersche boeken geinterdiceerd worde.
De synode heeft volgens art. 3 meer gedaan. „Tot uitroeiing der valsche leeringen en dwalingen, die door het lezen van kettersche boeken meer toenemen zal men die middelen gebruiken die hier na volgen.

|203|

1e. zullen de dienaars van den Predikstoel het volk vermanen tot naarstige lezing der Bijbelsche Schrifturen, en van de ongezonde kettersche boeken afmanen, doch de namen der boeken spaarlijk noemen.
2e. zullen de Geref. boekverkoopers toezien, dat zij geen slechte boeken verkoopen.
3e. zullen de dienaren bij huisbezoek toezien of er schadelijke boeken zijn, opdat ze hen vermanen mogen, zulke boeken weg te doen.
Deze middelen waren niet zeer practicabel. Vooral tegen het 3e, de voorgestelde huiszoeking naar boeken van verkeerd allooi, kwam heftig verzet. Men achtte dat in Holland een nieuwe inquisitie. De Delftsche ouderlingen weigerden beslist te vragen: wat hebt ge hier in huis voor boeken?
Men heeft dit als te scherp ingezien. De synode van 1575 mitigeerde dan ook veel dingen van de synode van 1574. Zoo de boekencensuur, als het verbod van ’74 en den doop van kinderen te laten wachten totdat de moeder er bij was.
In ’75 werd gezegd: de Ministri zullen zien met wijsheid te handelen. In deze zaak werd het besluit van ’74 nu zoo verstaan, dat als men de boeken bij geval in handen kreeg, men dàn over den inhoud daarvan spreken zou. Dus niet meer zou gevraagd worden, of zij ook ergens een kettersch boek verstoken hadden. Zoo nu kon het.
In 1578 is het artikel over de boekencensuur weer geredigeerd als in 1571. Art. 55.
Ieder die over religie een boek zou maken, drukken of uitgeven zou het eerst aan de dienaren der classis of aan de professoren in de theologie laten zien.
In 1581 bleef dat artikel eveneens bestaan. Art. 36. Alleen zou men als antwoord op een gravamen van onderscheiden kanten (art. 46 particularia) bij de Overheid er op aanhouden, dat orde zou gesteld worden op de drukkerijen. Van Overheidswege moest dus daarop toegezien.
In 1586 is het overgenomen, met een wijziging van nogal wijde strekking.
De vroegere redactie luidde: niemand zal een boek maken, drukken enz. Nu werd het: Niemand van de Gereformeerde religie. Art. 49.
Vroeger was dit zoo niet bedoeld.
Men wilde in Holland verbod evenals in Genève bestond. Men wilde nu van Holland een zuiver Gereformeerden staat maken, waarin niets anders geduld werd. Hiertegen kwam eenigszins terecht verzet der politieken. Dit scheen niet bindend voor de consciëntie; toch kon iemands consciëntie hem dwingen een tegenovergestelde opinie te uiten.
In deze synode is besloten te vragen dat de Overheid zou toezien dat geen boeken zouden gedrukt die der Policie-maatschappelijke en zedelijke orde schadelijk konden zijn.
De Gereformeerden hebben alleen zeggenschap over degenen, die tot de Geref. religie behooren. Men eischte echter van de Overheid, dat zij toezicht zou houden op alle drukkerijen.
De kerken verlangden van Leicester en van de Staten per request

|204|

placcaten op de drukkerijen: geen boek zou in ’t licht komen zonder goedkeuring der Overheid.
Aan die verzoeken is toen in alle provinciën door de Overheid voldaan. Onderscheiden placcaten werden door de Overheid uitgevaardigd.
Er is tot op onze eeuw eene boekencensuur geweest, doch van geheel anderen aard dan de kerken die wenschten, b.v. de Overheid stond toe dat Remonstrantsche geschriften verschenen. Alleen als de religie te erg gevaar liep, of als de publieke orde en zedelijkheid werd aangetast kwam de Overheid tusschen beide, niet meer dan een veroordeeling.
De kerkelijke censuur ging bepaaldelijk alleen over diegenen die tot de Geref. religie behoorden over boeken, die van Geref. zijde werden geschreven.
Maar al wie publiek er voor uitkwam, dat hij ongereformeerd was, dissentieerde, viel buiten de kerkelijke censuur en kon vrij alles drukken. Hij had dan alleen met de Overheidscensuur te doen. De Overheid maakte het gemakkelijk. Zoo was het dan voor Gereformeerden veel moeilijker een boek uit te geven dan voor een afwijkende. En zoo kwamen de Gereformeerden in kwade conditie. De praktijk leerde, dat er veel bezwaren waren voor goed Gereformeerde schrijvers, in eere bij het volk, en goedkeuring te krijgen in de classe, waar dikwijls weinige en onbekwame deputaten voor boekencensuur waren aangewezen.
De geschiedenis leert dan ook, dat de boekencensuur veel moeilijkheden gegeven heeft.
Leenhof, predikant te Zwolle, wiens kettersche geschriften zuiver pantheïstisch waren, kreeg van vrienden approbatie.
Fruytiers Zions worstelingen en Geschiedkundige aanteekeningen, zeer Gereformeerd, werden afgekeurd. Toch zijn ze gedrukt. Om den lieven vrede is hij afgezet. Deze werken zetten de puntjes op de i’s.
Het eerste doel dat men met de censuur wilde bereiken was, dat de kettersche boeken niet werden verspreid en er alleen gezonde literatuur zou zijn.
Doch dit kon men, gelijk gebleken is, niet met dit artikel bereiken.
Het eerste bezwaar tegen de uitvoering van dit artikel is, dat niet gemakkelijk classicale censoren zijn te vinden om uit te maken of in kiem ook ketterijen in een boek lagen. Daartoe behoort veel kennis, veel geestelijke tact. Lang niet ieder die gestudeerd heeft, kan dit. Dit gaat bovendien niet in een eeuw als de onze, waarin zooveel boeken uitkomen. Er is zooveel werk, dat men aparte personen moet hebben. Tenzij het oppervlakkig ga. Doch geen censuur is gevaarlijker dan oppervlakkige.
Vooral voor periodieke literatuur is het approbatie geven niet toe te passen, vooral niet als zij van groote omvang is.
Toepassing maakt het den Gereformeerden onmogelijk dag- en weekbladen uit te geven. Hierop kan men geen toezicht houden, want anders is het nieuwe weg.
Zoo gaat men door dit artikel op te volgen tegen zijn bedoeling in.

|205|

Door scheiding van kerk en staat kan men ook niet beletten dat een afgekeurd boek uitkomt.
Derde bezwaar is toch, dat afgekeurde boeken juist de grootste reclame maken. Gevolg is dat de menschen alleen zoo’n afgekeurd boek willen zien.
Er kan dus gezegd worden, dat het artikel practisch onuitvoerbaar is. De bedoeling en strekking blijft gelden. De kerken hebben eene roeping tegenover wat uitkomt, ze hebben middelen aan te wenden, teneinde verkeerde literatuur te bestrijden.
In 1619 is bij de redactie de moeilijkheid gevoeld om goede classicale censuur te krijgen en daarom is er bijgevoegd: of professoren der theologie. Dezen waren daartoe beter geschikt. Doch dezen waren ook niet altijd te vertrouwen; ze konden afwijken en de Overheid kon ze dan de hand boven het hoofd houden. Daarom er bij: met voorweten zijner classe. Doch daardoor is het nog niet mogelijk geworden.
Nog is op te merken, dat de hier bedoelde censuur alleen geldt van boeken op kerkelijk terrein behoorende, als staande in de kerkorde. Overtreding van dit artikel kon alleen ten gevolge hebben dat de kerk de kerkelijke tucht op den overtreder toepaste. Zoo iemand viel onder kerkelijke censuur, zijn boek werd afgekeurd, hij zelf kon, zich verzettend, tenslotte worden geëxcommuniceerd.
De kerk gevoelde zelf wel, dat dit zeer veel moeilijkheden opleverde en toch zoo het doel der kerken niet bereikt werd om verkeerde boeken te voorkomen in drukken of verspreiden. Zoo kon men dan tenslotte toch niet weren, dat buiten de kerk staande lieden zulke verkeerde boeken uitgaven. Dit kon alleen door dwang. Daarom moest de Overheid er aan te pas komen. Zij moest helpen. Classes en synoden hebben dan ook herhaaldelijk bij de Overheid aangedrongen op het maken en handhaven van placcaten tegen de drukpers. De Overheid moest zich dan voor religieuze boeken schikken naar het oordeel der kerken. En de Overheid oefende wel censuur, doch niet volgens het advies der kerken. Haar eigen censuur stond naast de kerkelijke.
We zien dit aan de vele placcaten, die door de Overheid op dit punt werden uitgevaardigd. In tijden van Rome’s overheersching deed de Overheid dit in aansluiting aan de Roomsche kerk. Ze volgde de indices librorum prohibitorum. De Gereformeerden volgden dan dit na in anderen zin.
In 1575 is er door de Staten van Holland een placcaat uitgevaardigd (natuurlijk op naam van Philips II zooals alles tot 1581), waarin bepaald werd dat voor het drukken van geschriften octrooi noodig was van de Overheid. Van de Sociniaansche en atheïstische boeken werd het drukken en verspreiden verboden. En weinig later geschiedde dit ten aanzien van boeken in ’t algemeen, die tegen het Christelijk geloof streden.
In 1583 stond in het ontwerp van wetten voor de kerk door den staat gemaakt, dat niemand boeken met Godslasteringen mocht uitgeven. Behalve boeken die verkeerd waren op religieus gebied, ook geen boeken, die seditieus waren op politiek gebied, evenmin scandaleuze boeken, die met de zedelijkheid in strijd waren.

|206|

De placcaten bedreigden straf aan de overtreders. Zoo werkten ze dus repressief, vervolging van gedrukte boeken. Doch de staten gingen ook preventief te werk, zooals in het placcaat van 1581, d.w.z. de boeken moesten voor ze gedrukt werden, eerst door de staten goedgekeurd worden.
Dienovereenkomstig is door de staten in de 16e eeuw reeds besloten en tot op den tijd der revolutie gehandeld.
Ook in de 17e en 18e eeuw zijn placcaten uitgevaardigd, herhaaldelijk boeken verboden en drukkers en schrijvers met gevangenis en andere straffen gestraft.
Hoe de Overheid censuur uitoefende?
Verschillend. De uitvoering van het strafvonnis ging lang niet overal gelijk. Somtijds werd het aan de staten of gecommitteerden of de Leidsche professoren overgelaten, soms ook aan de Overheden der steden.
In 1585 kwam er een placcaat, waarbij aan de Magistraten der steden werd gelast toe te zien op de drukkerijen (de dorpen hadden die natuurlijk niet).
Daardoor was er geen uniformiteit. De eene Overheid ging veel strenger te werk dan de andere. De drukkers wisten ook wel, dat ze in de eene stad gevaar liepen en in de andere niet. Voor afwijkende geschriften wisten de drukkers dus wel plaats.
Zoo had dus de boekencensuur niet veel te beteekenen. Schadelijke boeken zijn lang niet altijd geweerd. Vele boeken verschenen zonder octrooi. Gefingeerde namen van plaatsen kwamen op het titelblad te staan, b.v. Lyon en dan was het te Antwerpen gedrukt of ook zonder naam van plaats en drukker verschenen ze.
De Gereformeerden hadden het reeds toegepast in de verdrukking. Sommige boeken zijn eerst nu bekend wat den schrijver betreft. Men kon zoo licht geheim drukken of zelfs op publieke drukkerijen drukken wat men wilde. Nu zelfs, met zooveel beter recherche heeft een ingesteld onderzoek niet altijd het gewenschte gevolg.
Soms drukte men brutaal weg met den naam er bij. Het waren dan bekende schrijvers en drukkers. Men durfde toch niet vervolgen.
Toch is herhaaldelijk de Overheid opgetreden, vooral waar ze op politiek terrein kwade gevolgen vreesde, zoo b.v. in 1581 ten aanzien van een geschrift van een Luthersch predikant uit Woerden, die geheel conservatief legitimist was, dus tegen de afzwering van Philips II. Ook zijn geschrift behelsde die meening. Volgens Gods Woord moest men alle Overheden onderdanig zijn, niet afzweren.
De Staten van Holland meenden hiertegen te moeten opkomen, omdat het ingang vond. Ze hebben den schrijver de keuze gesteld tusschen herroepen en Philips afzweren of ’t land verlaten. Daar hij niet wilde herroepen, was hij gedwongen naar Duitschland uit te wijken.
Ook trad de Overheid meermalen op tegen boekjes van Coornhert en Coolhaas. Wel waren zij het er mee eens, maar alleen op grond dat zij onrust verwekten. Al de andere liet men gaan.

|207|

Zoo is bekend, dat de procedure in 1597 tegen zekeren Vogelenzang die een ergerlijk boekje had uitgegeven tegen de leer der Geref. kerk gericht, waartoe hij niet wilde behooren en door welke hij geëxcommuniceerd was. Hij verklaarde zich voor Sabelliaan, Arianen enz. en alle oude ketters. Te meer is dit bekend, omdat burgemeester Corn. Pieterszoon Hooft, de vader van Pieter Cornelisz. Hooft, Vogelenzang verdedigd heeft, niet omdat hij het zoo goed met hem eens was, maar wijl hij vrijheid van drukpers voorstond. Toch is Vogelenzang gevangen genomen en verbannen.
Dergelijke procedures komen er later nog steeds voor. Langzamerhand echter minder in aantal. Vooral van de Arminiaansche Overheden tegenover de Gereformeerden.
Toch lieten de Magistraten ook weer andere boekjes toe, b.v. het geschrift van Uitenbogaert over het gezag der Overheid in de kerk, aan de Staten opgedragen. De Geref. wilden hiervan niet hooren, hetgeen onrust verwekte. De Overheid die zich zedelijk zwak gevoelde, durfde echter niet achtervolgen.
Tot 1798 bleef de censuur der Overheid gelden. In 1798 schafte de Nationale vergadering ze af. Toen werd de vrijheid van drukpers afgekondigd. Daarna is nog weer in den Franschen tijd de censuur ingevoerd onder het Napoleontisch systeem, waarin ze goed paste.
Dr. Sepp heeft over die boekencensuur veel belangrijks uitgegeven. Zijn vader had in dien tijd een drukkerij te Haarlem. Allerlei staaltjes. B.v. in een preek te Utrecht gehouden over 2 Cor. 4: 17, „Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch meer uitnemend gewicht der heerlijkheid”, wilde de Fransche censuur geschrapt zien als toepasselijk op Napoleon.
De latere Prof. Schrand (?), toen pastoor te Bovenkerk, hield een rede over het gezag van den Paus. Ook over de Gallicaansche kerk. Deze niet aangevallen, want hij was liberaal Roomsch, dus was hij er voor. De censuur vond: dat zal wel tegen de Gallicaansche kerk zijn. In Parijs weerlegde hij ten laatste.
Dr. Sepp’s vader herdrukte Doopsgezinde Gezz. Er kwam in: Een kroon van dwingelandij die welhaast zal vergaan. Voor wat geld heeft toen de politie het zoo aangelegd, dat er verzegeld was, maar men kon de boeken er uit halen.
1839 Straus over
Mod. critiek, Prof. Hofstede de Groot, hoofd der Groninger school, spoorde de boekdrukkers aan niet te drukken. Er kwam een besluit der boekdrukkersvergadering. Doch Nijhoff te Arnhem stoorde zich er niet aan.
Nu is een ieder aansprakelijk voor hetgeen hij uitgeeft.
Strafbaar is, wat tot oproer aanzet, de publieke eerbaarheid aanrandt en bepaalde personen schandvlekt. Daarop kan dan de rechterlijke vervolging en straf worden toegepast, doch dan is het eene gewone procedure als het boek gedrukt is.
Alleen moreele dwang kan helpen. Men kan thans zoo te werk gaan, dat men de ouders met betrekking tot hun kinderen tegen slechte boeken waarschuwt, dat men verkeerde boeken weerlegt en er het verkeerde van aantoont.
Vooral zorge men voor goede boeken, opdat de kennis van het

|208|

volk vermeerderd worde, opdat het volk zelf kunne oordeelen.
Ook de kerken werkten wel eens te veel negatief en te weinig positief.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 56

[Cursus 1894-1895]

Van den Heiligen Doop.

Art. LVI. Het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den Doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt. Doch ter plaatse waar niet zoovele predicatiën gedaan worden, zal men een zekeren dag in de week verordenen, om den Doop extraordinaarlijk te bedienen, zoo nochtans, dat ’t zelve zonder predicatie niet geschiede.

Met art. 56 begint een onderdeel van Hoofdstuk III en zijn de sacramenten hoofdzaak.
Artt. 56-60 handelen over den doop, voor zooveel dit in de K.O. kan en moet geschieden. Bij die artikelen is natuurlijk ondersteld wat in de belijdenisschriften ten aanzien van den doop beleden wordt. De kerkorde is geen dogmatiek. Het kerkrecht rust op de dogmatiek, neemt uit de dogmatiek als basis Lehnsätze over, die resultaat zijn van dogmatisch onderzoek. In art. 56 is ondersteld
1e. dat de doop bondszegel is.
2e. dat dit bondszegel toekomt aan de kinderen des verbonds.
Voorts behoort de quaestie van den kinderdoop in de dogmatiek thuis.
In de kerkorde komt alleen ter sprake, wat de praktijk van doopsbediening aangaat, hoe de beginselen moeten toegepast, wat er uit de leer van den doop volgt met betrekking tot kerkelijke handelingen.
In hoofdzaak zijn die kerkrechtelijke gevolgtrekkingen uit de leer van den doop reeds uitgesproken op het convent te Wezel in 1568, toen de leiders bijeen waren om een voorloopige regeling onder elkander af te spreken. In de acta cap. 1, artt. 10 en 11 en cap. 6, artt. 1-5, zijn over doop en ten aanzien van doopsbediening eenige beginselen uitgesproken.
Algemeen beginsel ten aanzien van doopsbediening was, dat aan de kerken niet moet voorgeschreven wat adiaphoron is, adiaphoron in den zin van: zulke dingen die niet algemeen en in alle gevallen bepaald zijn, maar die van tijden en omstandigheden afhangen. Eigenlijk niet adiaphoron dus. Algemeen beginsel is, wat volstrekt noodzakelijk is voor de orde van kerken enz. Alleen werd als regel gesteld wat in de leer der Apostelen gegrond is.
Als adiaphora zijn genoemd 1 × of 3 × besprengen, doop voor of na de preek, doopen met of zonder getuigen.
Noodzakelijk werd gesteld, dat de sacramenten en dus ook de doop met ’t Woord verbonden zouden zijn. Dus ook dat de doop alleen

|209|

door een dienaar des Woords te bedienen is en wel in de vergadering der gemeente. Alleen om de verwarde toestanden waren enkele uitzonderingen toe te laten.
Verder werd noodzakelijk genoemd om de doopvragen woordelijk overeenkomstig het formulier te doen en aanteekening van de gedoopten te houden.
Dit waren geen kerkelijke bepalingen. Het convent te Wezel droeg geen kerkelijk karakter.
De praktijk zou er later wel iets aan toe voegen en ook was er uitwerking noodig. Verschillende vragen moesten zich in de praktijk wel bij doopsbediening voordoen, waarop antwoord noodig was. Kerkeraden, classes, part. synoden e.a. houden zich daarmede bezig.
De voornaamste vragen, die zich voordeden, waren:
1e. Aan welke kinderen de doop te bedienen is, aan wie wel en aan wie niet.
2e. Door wie de doop te bedienen was en hoe te handelen als hij door een onbevoegde was bediend.
3e. Wanneer de doop moest bediend.
4e. Waar de doop moest bediend.

Ad 1, de meest omvattende:
Art. 56 zegt: aan de kinderen der Christenen. In de oudste redactie op een na van 1574 stond „der Christenen” er niet bij. Daar in art. 57 „Het verbond Gods zal in de kinderen (zoo haast als men den doop Christelijk bekomen kan) met den doop verzegeld worden” etc. De bedoeling was volstrekt niet alle kinderen zonder onderscheid b.v. ook van Joden en heidenen, maar natuurlijk kinderen van Christenen. Red. 1578 art. 59: „kinderen der Christenen”. De gen. syn. van 1581 redigeerde in art. 39 tot nadere verduidelijking „aan de kinderen der gedoopte Christenen” om te doen uitkomen, dat de ouders één van beide gedoopt moesten zijn.
Die bijvoeging was vrijwel overbodig. Het gedoopt zijn lag al in het Christen zijn.
Een ongedoopte Jood of heiden is kerkelijk nog geen Christen te noemen. In zijn hart zou hij het wel kunnen zijn. Hij zou moeten gedoopt worden, eer zijn kinderen konden gedoopt.
In 1586 is die bijvoeging dan ook geschrapt, art. 50, kinderen der Christenen.

Vraag: wie zijn dan voor Christenen te houden?
In de praktijk is wel eens geantwoord: alleen diegenen, van wier geloof en bekeering men genoegzaam verzekerd is. Dit geschiedde nog niet in de 16e eeuw, wel in de 17e eeuw en daarna bepaaldelijk kringen, waarop Baptisme, Labadisme of andere mystieke stroomingen hadden ingewerkt.
De kerken zelf hadden zich nooit zoo uitgesproken. Ze konden dat niet, want voor de kerken was de regel geldend: de intimis non iudicat ecclesia. Zoo werden voor Christenen gerekend, die door belijdenis en wandel openbaar maakten tot de kerk te behooren.

|210|

Doch daarmede was volstrekt niet genoeg gedefiniëerd, want vooral in de 16e eeuw rees aanstonds de quaestie:
Hoe te handelen met kinderen van papisten die zich niet aansloten bij de Geref. kerken?
Ze werden ook niet beschouwd als buiten de Christelijke kerk en het verbond te staan. Ook zij waren gedoopt, behoorden tot de Christelijke kerk en beleden ook de fundamenteele stukken der Christelijke waarheid. Het kind van een papist stond niet buiten het verbond. Wel gaf deze vraag groote moeilijkheden in de praktijk.
1571 synode van Emden. Partic. vragen cap. 1 vraag 9 behelst een gravamen van de kerken van Keulen: an liceat papistae alicuius infantem baptizare, qui testatur baptismi formam in ecclesiis reformatis receptam sibi puriorem videri, quam eam, quae in papatu usurpatur.
In beginsel was zulk een papist eigenlijk geen papist meer.
Reeds vroeger was diezelfde vraag voorgelegd aan de predikanten en professoren van Genève. Ze antwoordden toen door de pen van Beza.
De synode van Emden antwoordde, dat zij zich daarbij aansloot.
Respondetur, qui sibi satisfieri cupiunt exemplar sumunt articuli a fratribus Genevensibus ea de re conscripti.
Hoofdzaak van dit advies was, dat men vooral in den eersten tijd niet licht een doop zou weigeren uit vrees, dat men den doop zou weigeren aan een kind, aan ’t welk de doop toch toekwam. Gewone regel was om alleen kinderen te doopen van Christelijke vaders. Niet om alle kinderen te doopen, alleen omdat voor 1000 jaren de voorouders Geref. waren geweest, maar om uit Rome terug te krijgen wie bij de kerk behoorde.

Toch werd niet iedereen tot den doop toegelaten. Zoo daar eenig persoon is, die van het Evangelie gansch niet weet, dan mag alleen gedoopt, als hij belooft, dat hij zijn peter het kind zal laten doopen.
Onderscheid werd bij de ouders gemaakt of ze papist waren met hart en ziel en te wachten was dat zij het kind papist zouden maken, dan wel of ze papist waren, maar beloofden hun kind in de Geref. leer door peters en meters te laten opvoeden. In dat geval zou men de peters en meters als getuigen in hun ambt en plicht daartoe goed verbinden.
In het laatste geval mocht gedoopt. Werd dit geweigerd, dan niet.
In 1574 kwam die vraag weer. Zulke gevallen kwamen dagelijks voor.
Instructie classis van den Briel. In de classe van Brielle was het voorgekomen, dat een papist die niet aan Beza’s condities voldeed, zijn kind nergens dan bij de Geref. kon gedoopt krijgen en alleen doop vroeg, omdat hij bang was, dat zijn kind ongedoopt niet zou zalig worden. De synode ging op die vraag niet in, want zij gaf er geen antwoord op.

|211|

Volgens het advies van Beza moest den doop geweigerd, want het was lastering van den Geref. leer.
In 1578 is de vraag meer algemeen gesteld ingekomen.
De synode neigde er toe zoo min mogelijk uit te sluiten, maar doop met getuigen.
Later heeft deze vraag zich nog telkens en telkens weer voorgedaan.
De papisten hadden in de republiek geen vrije uitoefening van religie, ook niet van doop. Wel had die in ’t geheim plaats.
Nu waren er verstrooide Roomsche gezinnen die hun kinderen niet aanstonds konden laten doopen en dit toch noodig achtten. In den regel hebben dan de Geref. kerken zulke kinderen gedoopt, maar toch ook altijd zijn getuigen daarbij gevraagd. Werd aan dezen laatsten eisch niet voldaan, dan werd het kind ook niet gedoopt.

Toch is reeds door Voetius in zijn Pol. Eccl. „De administratione Baptismi” gewaarschuwd tegen laksheid om al te spoedig doop toe te staan aan kinderen van ouders, die de Geref. leer tegenstonden.
Hij verwijst hier naar Calvijns antwoord aan Farel. De grootmoeder vroeg doop voor een kind, welks ouders weer tot Rome waren teruggevallen. Calvijn was er tegen.
Ten slotte berust de macht niet bij de getuigen maar bij de ouders, zegt Voetius.
Een Geref. opvoeding is niet te verwachten, waar de ouders alleen macht hebben en zoo beslist Roomsch zijn.
Het geval zelf komt nu bijna niet meer voor, wel alleen in den vorm van gemengde huwelijken, als één van de beide ouders Geref. is. Niet om het advies van Genève alleen, maar ook om andere redenen moet men ook thans een kind uit een gemengd huwelijk doopen. Dan is de doop toe te kennen met dien verstande, dat als de vader Roomsch is, de vader er ook toestemming toe verleent, want de vader bepaalt als hoofd van het gezin hoe het kind opgevoed zal worden.
Men moet dus niet ter sluiks doopen, want dan volgt er toch een ongereformeerde opvoeding.

Nauw verwant is hiermee de quaestie: Hoe te handelen met kinderen van onverschilligen, gecensureerden en geëxcommuniceerden?
Met onverschilligen worden bedoeld, zij die zich niet aan de kerk laten gelegen liggen en om religie niet geven.
Die vraag is herhaaldelijk op synoden behandeld.
Dordtsche synode van 1574.
Kinderen van geëxcommuniceerden mochten gedoopt. De gevaders en getuigen moest men dan nauwer stipuleeren = verbinden.
Midd. syn. 1581. Of men kinderen zal doopen welker ouders van de religie vreemd zijn en ook getuigen stellen, die de religie niet toestemmen.
Dit noemt de synode onordening, waartegen de dienaren moeten optreden, omdat er in ieder geval bekwame getuigen noodig zijn.
De principiëele vraag was of kinderen van geëxcommuniceerden op zichzelf buiten het verbond te staan moeten gerekend.
De synode antwoordde ontkennend. Dit was wel wat summierlijk

|212|

geantwoord.
Later oordeelden de kerken niet altijd zoo en zijn ze er op teruggekomen.
Voetius zegt: er moet onderscheiden tusschen kinderen voor en na de excomunicatie geboren.
Ook wat de laatste betreft zijn de gevallen te onderscheiden en hangt het af van de houding die de geëxcommuniceerde met betrekking tot de kerk aanneemt; hoofdzakelijk van dit, of de geëxcommuniceerde nog eenige hoop geeft van beterschap, dan wel of hij zich tegen de kerk inzet en als vijand daarvan beschouwd moet.
In dit laatste geval staat het kind buiten het verbond en kan het niet gedoopt.
In ’t eerste geval wel, doch met getuigen.
Een algemeene regel is niet te geven, zegt Voetius, want de gevallen zijn honderdvoudig verschillend. Het komt echter niet zoo vaak voor.

Bij al die quaesties was hoofdzaak, hoe de vader over den doop dacht.
Quaestie is daarom hoe te handelen bij den doop als de vader er tegen is?
Dergelijke quaesties zijn er meer, ook die in onzen tijd voorkomen.
Hoe te doen met kinderen, wier ouders wel gedoopt zijn, maar niet tot het Heilig Avondmaal zijn toegelaten, die dus nog geen complete, volle leden der kerk zijn?
Er zijn er, die meenen, dat zulke kinderen niet moeten gedoopt worden voordat althans één der beide ouders op belijdenis des geloofs tot het Avondmaal is toegelaten.
Vroeger is in zulken zin geantwoord.
Voetius, Pol. Eccl. pag. 144-145 (Bibl. Ref.): Er zijn er die het lidmaatschap van de kerk strikt nemen en dit bepalen tot de toegelatenen tot het Heilig Avondmaal, dus uitsluiten catechumenen en al die feitelijk zich voegen bij de kerk, maar nog niet op haar lidmaatschap staan.
Dezulken dan, zegt hij, meenen dan, dat het externum foedus nimis coactatum moet opgevat en dat het privilegium baptismi alleen toekomt aan kinderen dergenen, die tot het Heiland Avondmaal zijn toegelaten.
Doch, hij laat volgen: probare non possumus. Dit gevoelen is in beginsel Anabaptistisch. Zooals hij laat uitkomen. Het raakt hetzelfde punt, als waarop de Geref. in de 16e eeuw met de Anabaptisten streden, toen deze beweerden, dat die in de 16e eeuw tot reformatie kwamen, geen Christenen mochten heeten, omdat ze in de Paapsche kerk gedoopt waren en dus eerst belijdenis moesten doen. De Anabaptisten zeiden, dat de Doop onder de Paus eigenlijk niets beteekende. Ze waren dus eigenlijk niet gedoopt en hadden geen belijdenis gedaan, feitelijk waren ze dus ongeloovigen, en de doop komt niet toe aan kinderen van afgodische ouders. De Geref. hielden vol, dat zij wel degelijk zaad der kerk waren en dat zij zelven wel belijdenis gedaan hadden.
Dit was dus dezelfde quaestie.
Voetius voegt er bij, dat hij niet goedkeurt de praktijk van

|213|

sommige predikanten, die nl. promiscue alle aangeboden kinderen doopten, ook al waren het kinderen van Joden en heidenen, als er maar een getuige bij was. Maar wat in onordelijkheid een predikant doet, kan niet aan de kerken toegeschreven.
De kerken hebben dit dan ook nooit gewild, maar aan de andere zijde hebben zij het verbond Gods verder uitgestrekt dan de Anabaptisten en het niet beperkt tot de toegelatenen tot het Avondmaal.
De quaestie is: of de ouders kunnen gerekend worden binnen het verbond Gods te staan, binnen de grenzen van het Christendom en of er waarborg is voor een Christelijke opvoeding. Anders is de doop een bespotting.
In synoden, ook in de formulieren van Eenigheid en de liturgische formulieren is, zooals hij aantoont, dit standpunt steeds door de kerken ingenomen. Zijn nu de ouders één van beiden gedoopt, dan staan zij niet buiten Christelijke erve en hebben de kinderen recht op den doop.
Wel heeft men gezegd: maar de ouders hebben dan geen kerkelijke rechten. Dit is waar, doch kerkelijke rechten van ouders zijn niet noodig. Doop is niet een gevolg van een recht van de ouders voor hun kind, maar van recht van het kind voor zich zelf. Al hebben de ouders geen kerkelijke rechten, daarom kan het kind er wel recht op hebben.
Doopweigering doet te kort aan het recht van het kind op inlijving in de gemeente.
Doch daarbij is voor de kerk een waarborg noodig voor Christelijke opvoeding.
Hebben nu de ouders nog geen belijdenis gedaan, dan heeft de kerk voor het kind geen waarborg genoeg, want de ouders hebben geen kerkelijke qualificatie, kunnen niet kerkelijk optreden, dus niet stipuleeren. Daarom is een getuige noodig, anders is de doop in vele gevallen eene bespotting.

Het getal getuigen is nooit bepaald. Eén getuige is genoeg.
Die getuige moet wel kerkelijke rechten hebben. Hij moet belijdenis gedaan hebben, zuiver in belijdenis en onbesproken in wandel zijn. En hij moet invloed kunnen hebben en het oog kunnen houden op de opvoeding. Daarom moet het liefst een familielid zijn.
Voor dit standpunt beriepen de kerken zich op wat de Heilige Schrift zegt over de besnijdenis onder het oude verbond; en wat de grenzen betreft op het oude verbond, toen de kerk tot Israël beperkt was en op den strijd met de Anabaptisten.
Jes. 50: 1, Hos. 2: 2, Ezech. 16: 21 waren bewijsplaatsen der Gereformeerden, Matth. 19:14 op den doop evenals bij besnijdenis Gods verbond onder het O.T. niet te nauw te nemen was. God wil altijd zijn volk weer aannemen.

Een geheel andere quaestie is:
Hoe te handelen met zulke gedoopte ouders. Of de kerk ze zoo kan laten loopen en levenslang ongemoeid laten, ook al doen ze nooit belijdenis. Of de kerken er officieel eene categorie van doopleden op na kunnen houden.
Dit kan niet.
Deze quaestie hoort thuis bij het kerkelijk opzicht en tucht.

|214|

Vrage:
Of men ook doopen mag kinderen van ouders die buiten het verbond staan, als zij geadopteerd worden door een Christelijk gezin?
Deze quaestie is vooral op de Dordtsche synode behandeld.
Er waren er, die meenden van ja en die de grenzen van het verbond verder wilden uitstrekken dan de Gereformeerden, als ze maar in een Christelijk huisgezin opgevoed werden.
Practisch deed deze quaestie zich voor in het begin van de 17e eeuw, toen herhaaldelijk Christelijke gezinnen kinderen van heidensche ouders in zich opnamen.
Vooral de kerk van Amsterdam had veel te doen met dienst des Woords in Oost-Indië en bracht daarom de quaestie op de Dordtsche synode (in deze vorm: An pueros — educandos). Als de hoofden der Christelijke gezinnen de stipulatie op zich namen.
Sommigen op de Dordtsche synode antwoordden bevestigend. Nog over is het oordeel der Engelsche theologen, die oordeelden, dat men zulke kinderen doopen mocht.
1e. Evenals allen die in Abrahams huis waren, besneden werden. Ze waren eens gelijk te stellen met die in Abrahams huisgezin waren opgenomen. Ofschoon ze niet tot Israël behoorden, werden ze toch besneden.
2e. Zulke kinderen door Gods Voorzienigheid in ’t Christendom overgebracht, moesten het teeken daarvan hebben.
3e. Omdat zulke kinderen nog eerder tot de Christelijke kerk te rekenen waren dan kinderen van gecensureerden en geëxcommuniceerden.
De Dordtsche synode besliste in tegenovergestelde zin en antwoordde dus ontkennend, voor een goed deel gedrongen door het advies van de Zuid-Hollandsche afgevaardigden, waaronder ook Voetius, die het advies stelde en het ook opnam in zijn Pol. Eccl. Dl I, pag. 658/659.
De kinderen mochten niet gedoopt voor ze zelf belijdenis des geloofs konden doen, want
1e. voor zulke kinderen is geen Schriftwoord aan te voeren, dat zij tot het verbond behooren. Er is geen grond voor hun doop daar de doop bondszegel is.
2e. De kerk oordeelde altijd zoo, ook in de eerste eeuwen, toen men eveneens op belijdenis wachtte bij kinderen van heidensche ouders, die heidens bleven.
3e. Adoptie in een Christelijk gezin geeft geen geestelijke voorrechten, geeft wel deel aan stoffelijke uitwendige goederen, niet aan geloof.
4e. Er bestaat niet de minste noodzakelijkheid die kinderen vóór hun geloofsbelijdenis te doopen, aangezien aan de doop geen zaligheid verbonden was, in tegenstelling met Rome.
5e. Moeilijkheid was, dat de ouders van zulke kinderen, die kinderen konden terugnemen. Dan was er geen waarborg voor Christelijke opvoeding.
6e. In Abrahams gezin zijn volstrekt niet besneden kinderen van ouders die heidensch bleven, maar de ouders zelf werden eerst besneden en in het verbond opgenomen.

|215|

Het voorbeeld van Abraham strijdt er dus mee.
Derhalve mochten de kinderen niet gedoopt voordat de ouders belijdenis hadden gedaan. Dan waren zij zaad der kerk.
Alleen die kinderen moesten dus gedoopt, die gerekend konden worden ’t zaad der kerk te zijn, tot het verbond te behooren.

Vaak groote moeilijkheid leverde de quaestie op of de doop ook toe te dienen is aan kinderen, die op onbehoorlijke, onwettige en onvolledige wijs reeds gedoopt zijn? B.v. aan kinderen die heeten gedoopt te zijn op een of andere manier.
Deze vraag doet zich ook nu nog voor. In sommige gevallen is zij niet gemakkelijk te beantwoorden.
Natuurlijk staat op den voorgrond, dat de doop maar eenmaal kan bediend. Het sacrament der inlijving geschiedt evenals de geboorte maar eenmaal. De kerken keurden herdoop en wederdoop af.
Maar de vraag of alles wat voor doop wordt uitgegeven als doop gelden kan. Deze vraag is niet met een algemeene phrase te beantwoorden. De gevallen zijn te honderdvoudig.
In vroeger eeuwen was het zoo: of de doop buiten de kerk door ketters bediend als doop te erkennen is. Of hij erkend moest als de ketters terugkeerden, zoodat de gedoopten dan alleen belijdenis hadden te doen?
Altijd was het kerkelijk antwoord, dat bij ketters en kettersche secten te onderscheiden was tusschen ketterijen, die de fundamenteele stukken der Christelijke waarheid loochenden en die dit niet rechtstreeks deden.
Ook tusschen kettersche secten, die hun ketterij als beginsel stellen en tusschen kettersche personen, die in strijd met het beginsel van hun gemeenschap ketterij voorstaan.
3e. Of de doop naar de instelling van Christus bediend is dan wel op willekeurige wijze.
4e. Of de persoon, die den doop bediend heeft, in zijn gemeenschap, in zijn eigen kring gerekend wordt, daartoe bevoegd te zijn al dan niet. Zoo niet, dan kon de kerk dien doop niet erkennen. Dan was het geen doop geweest.
De Socinianen b.v. zijn geen Christelijke gemeenschap, zij loochenen de Drieëenheid, het fundament der Christelijke religie. Hun doop mag nooit erkend.
Doch als de gemeenschap niet afweek in fundamenteele stukken en de afwijking dus nog niet buiten het Christendom viel of wanneer de afwijking alleen een eigenaardigheid was van den persoon die doopte, of was de persoon in zijn kring erkend, tot doopen bevoegd en was de doop bediend naar de instelling van Christus, dàn hebben de kerken op die condities den doop zelf erkend en was belijdenis des geloofs voldoende. Dan was er in de Geref. kerken alleen nog belijdenis des geloofs en afzwering van vroegere dwalingen.
Ook in de Roomsche kerk is geen herdoop.
In onzen tijd komt die quaestie meer voor dan in de 17e eeuw want het aantal secten is toegenomen. En ook thans is deze quaestie in bovengenoemden zin beantwoord.

|216|

Doop is doop, als de gemeenschap binnen Christelijke erve staat en als de doop bediend is naar de instelling van Christus door een persoon, die in zijn gemeenschap als daartoe bevoegd erkend wordt.
Zoo oordeelden de kerken ook in de 17e eeuw met betrekking tot den doop van afgezette Remonstrantsche predikanten. Zij bleven de sacramenten bedienen en uit zulke kringen sloot men zich bij de Gereformeerden aan. Dit was dus doop door afgezette predikanten buiten den kring van de Geref. kerk.
In de officieele belijdenis was geen afwijking van primordiale leerstukken: Drieëenheid enz. De predikant gedroeg zich als zoodanig en de doop werd bediend naar de instelling van Christus.
Hun doop werd erkend om de drie bovengenoemde redenen.
Hetzelfde geldt bij de doop van Baptisten. Daarbij moet onderzocht, door wien de doop bediend is, want daar doopen onbevoegden ook wel.
In de practijk geeft dit wel moeilijkheden, maar de kerkeraad kan de zaak op een classis of synode brengen.

Er is nog een punt.
Hoe te handelen, wanneer de vader of de moeder den doop van het kind niet wil. Hier dus de quaestie van doop tegen den zin van vader of moeder. In 1571 kwam op de synode van Emden deze vraag uit Antwerpen. Art. 13 van de quaestiones particulares.
„Ad eorundem propositionem an liceat mulieri fideli infidele marito coniunctae illo invito infantem suum Ecclesiae baptizandum offerre, responsam est: licere quidem et debere, sed quia forsitas non semper expediret pro Ecclesiarum conditione, operae pretium erit, ut ea in difficultate consistorii consilium requirat, cuius prudentiae erit nec timidioribus frena laxare, nec rigore nimco conscientias gravare.”
De Emdensche synode antwoordde dus: ja, het mag en moet.
Wanneer het groote moeilijkheid oplevert, moet men voorzichtig handelen, vooral als de gemeente gevaar loopt van vervolging.
Later is zoo niet geantwoord.
De kerkorde laat het niet toe.
Later is terecht ingezien, dat de doop niet kan bediend tegen den zin van den vader, die recht heeft op ’t kind. Want de vader heeft het toezicht op de opvoeding en dan is de waarborg weg voor een Christelijke opvoeding. Dus dan is de doop maar half.
De vader moet het kind ten doop presenteeren. Rome is in dat opzicht faciler en is voor ob- en subjectieven doop. Ze vindt zulks juist verdienstelijk om een kind met listigheid aan de ouders te ontnemen. Ze meent recht te hebben, dat het kind in de Roomsche kerk gedoopt wordt.
In sommige landen geeft de civiele wet daartoe aanleiding, omdat deze zich er mee bemoeit in quaesties van voogdij etc. De doop is daar dan beslissend voor de vraag tot wie het kind als wees behoort.

|217|

Doch is de doop algemeen christelijk, dan is ook niet noodig dat het kind in een bepaalde kerk gedoopt wordt. Onze kerken vatten den doop algemeen christelijk op en hebben bezwaar tegen zoodanigen doop omdat door doop tegen den zin van den vader de ordinantie Gods miskend wordt, die den vader tot hoofd stelde. De schuld komt dan niet op de kerk maar op den vader, die ook in geestelijken zin voor zijn kind heeft te zorgen. Bovendien de waarborg voor christelijke opvoeding ontbreekt. De vader blijft toch in burgerlijke zaken over zijn kind macht hebben. Het zou dus toch niet baten, want de vader „is baas”. Zelfs zou hij toch nog invloed kunnen oefenen door invloed op een na zijn dood te benoemen voogd.

II. Door wie de doop te bedienen is. En in verband daarmee de vraag: Hoe te handelen als de doop door een ander is bediend dan die bevoegd geacht wordt.

Op de vraag door wie den doop bediend moet is in ’t algemeen geantwoord: door den dienaar des Woords en speciaal in de Gereformeerde kerken nog veel stringenter dan in de andere.
In de Kerkorde zelf is dit uitgesproken in de allereerste artikelen als een grondbeginsel van de Gereformeerde kerken.
Art. 3: Het zal niemand, alhoewel hij een doctor, ouderling of diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en der sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn.
De bediening des doops kan volgens de Gereformeerde Kerkorde alleen geschieden door dienaren des Woords. In de Geref. kerken hier te lande nu, is het bijna nooit voorgekomen, dat een ander dan een dienaar des Woords doop bediende en kwam het voor, dan traden de kerken er aanstonds tegen op. Ze namen dan dadelijk maatregelen om verdere afwijking te voorkomen. Natuurlijk hadden ze geen zeggen over die tot andere kerkelijke gemeenschappen behoorden. Toch kwam het vaak voor, dat personen uit andersoortige kerkformaties, uit andere kerkelijke kringen tot de Geref. kerken kwamen en dan deed zich de vraag voor: Kunnen deze als gedoopten beschouwd. In de 16e eeuw had deze quaestie weer actueel belang om de antithese met de anabaptisten, die geen doop erkenden dan die bij hen was geschied. Zij herdoopten Roomschen en Gereformeerden. Zooals zij natuurlijk zeiden werden zij dan voor ’t eerst gedoopt.
De Geref. kerken moesten zich dus des te meer uitspreken.
In verscheiden synoden der 16e en 17e eeuw kwam de quaestie aan de orde, of ’t zoo bepaald noodig was, dat degene die doopte altijd een dienaar des Woords was, en in hoeverre doop buiten de Geref. kerken door anderen bediend, geacht moet worden geldig te zijn.
Zij namen nooit het standpunt in, dat alleen doop in de Geref. kerken geldig was. Ze handhaafden de catholiciteit van de kerk, traden nooit als secte op, zooals de Anabaptisten, maar wilden openbaring zijn van de eene algemeene christelijke kerk

|218|

en erkenden dat de kerk zoover ging als het teeken des doops. Die in andere kerken gedoopt waren stonden niet buiten christelijk erf.
Nieuw waren die quaesties over den persoon die doopen moest, niet, want ze bestonden reeds van de eerste eeuw af. Ook vroeger bestonden er kettersche secten en onordelijkheden en hadden de kerken zich er dus reeds mee moeten bezig houden.
Het canonieke recht had er veel bepalingen over. De scholastieken werkten ze uit en vermeerderden ze. Vooral bij Thomas Aquinas komen er vele voor.
Onder die quaesties komen vele futiele vragen voor, waarmee de Geref. kerken zich nooit zullen bezighouden noch ooit hebben beziggehouden. Want dat zou tot in ’t belachelijke uitloopen. B.v. of de christelijke doop ook wel zou kunnen bediend worden door Jood of Heiden of Mohammedaan. Hiertoe kwam men, omdat in de Roomsche kerk de doop noodzakelijk tot zaligheid is. Daar moet het kind op alle mogelijke manieren gedoopt. Was er ver in de omtrek buiten de moeder geen christen, dan lag deze vraag voor de hand. De Geref. zeggen: Doop is niet absoluut noodzakelijk ter zaligheid. Bovendien kan zoodanige quaestie niet bij hen voorkomen, want wie buiten de kerk staat, kan niet dienaar van Christus zijn om de bondszegelen toe te dienen. Vraag: Hoe iemand in geval van nood zichzelf kan doopen, b.v. onder de heidenen zijnde.
Rome behandelt deze quaestie zeer scrupuleus en antwoordt bevestigend. Iemand, b.v. een predikant, kan zichzelf het avondmaal ook bedienen, waarom zou men zichzelf dan ook niet kunnen doopen? Doch hierbij wordt het verschil tusschen de twee sacramenten uit het oog verloren. Doop is het sacrament van inlijving en avondmaal is het sacrament van voeding. Voeden, zichzelf onderhouden, kan men nog wel, instrumenteel althans, wederbaren niet.
Of iemand die stom is de doop kan bedienen. Maar een stomme de doopsformule niet kan uitspreken. Rome antwoordt ja. Een Geref. zegt: Een stomme kan geen dienaar des Woords zijn, want hij kan niet verkondigen. Opschrijving der doopsformule geeft den schijn alsof het er niet bij hoort.
Of iemand, die zijn rechterarm mist doopen kan? Preeken kan hij natuurlijk wel. Of als hij beide armen kwijt is? Dan is hij niet meer geschikt.
Dit zijn dwaze quaesties.
Een stomme en verminkte bij elkaar zetten, antwoordde men tot uitweg.
Wel heeft deze quaestie beweging gemaakt, of doop uit aardigheid doop is. Sozomenos verhaalt van Athanasius, dat hij als kind eens kerkje speelde en toen de doop bediende aan ongedoopte kinderen. Men zegt dan, dat Alexander, bisschop van Alexandrië, van oordeel was, dat die doop wel degelijk moest gelden.
De Gereformeerden zeiden: ten onrechte, als het althans waar is. De kinderen moeten gestraft, als ze met het heilige spotten.
Ook komen ter sprake de doopsbedieningen van zendelingen van

|219|

Rome onder de heidenen. Van een zendeling-monnik wordt zoo verhaald, dat hij onder de Indiërs werkte met troepen kinderen, die hij de doopsformule geleerd had en naar de heidenen zond om ze te doopen. Zulke doop kon natuurlijk ook niet erkend.
Wel komen deze vragen in de Gereformeerde kerken voor: Hoe te oordeelen wanneer de doop bediend is door een vroedvrouw. Dit is in de Roomsche kerk niet zoo zeldzaam. Regel is daar ook de doop door geestelijken, maar ze onderscheiden de casus necessitatis. Rome antwoordde: Doop door vroedvrouw is geldig. Dreigt het kind te sterven, dan mag de baker doopen. Wordt het kind beter, dan moeten alleen de verzuimde ceremoniën ingehaald, maar de doop zelf behoeft niet herhaald. De vraag kwam in 1574 op de prov. Dordtsche synode volgens instructie van de afgevaardigden van den Briel. Een vader had in de Geref. kerk zijn kind ten doop gepresenteerd, dat door een vroedvrouw nooddoop had ontvangen. De synode sprak uit, dat het gedoopt moest worden, vermits vrouwendoop geen doop is. Vrouwendoop is niet als doop te erkennen.
Nat. Syn. van Dordt 1578: Doop van een privaat persoon is niet van waarde te houden.
Zulk een doop casu necessitatis is geldig gehouden door Rome en in de 17e eeuw door de Luthersche kerk en een tijdlang ook door de Anglicaansche kerk. In dien tijd werd wel niet uitdrukkelijk aan vroedvrouwen en particulieren bevoegdheid tot doopen gegeven, maar wel geoordeeld dat het er door kon casu necessitatis en indien het geschied was moet die doop geldig gehouden worden. Men beriep zich op Exod. 4, de besnijdenis als handeling van Zippora. En volgens Joh. 3 is de doop met water en geest noodzakelijk tot zaligheid.
Doch volgens het antwoord der Geref. kerken is in Joh. 3 geen sprake van uitwendige waterdoop, maar van een handeling des Heiligen Geestes. Water is hier niet doopwater. En de handeling van Zippora is abnormaal en onordelijk en dus volstrekt geen voorbeeld voor Gods kerk.
Moeielijkheid in de practijk is er te dien aanzien niet veel. In de Luthersche kerk was men het er eigenlijk niet mee eens. Zoo kwam het geval van doop door particuliere personen weinig voor.
Voetius bespreekt dit zeer breed en van waarde blijft zijn vermaning en waarschuwing, dat in zulke gevallen een Geref. kerkeraad en een Geref. dienaar zeer voorzichtig moet zijn en niet oppervlakkig moet oordeelen, de beslissing een tijdlang moet uitstellen en liever tot bespreking op de classe wachten. Beter is het kind ongedoopt te laten dan een eens bedienden doop te herhalen en daarmee den doop te verachten. Gemis van den doop schaadt niet, wel minachting van den doop, en dat zou het zijn als men den doop herhaalde. De kerken waren altijd sterk tegen den Anabaptistischen zuurdesem.

Een andere vraag in de Geref. kerken was: Hoe te oordeelen over

|220|

een doop door een ouderling bediend, die door den kerkeraad zelf daartoe uitgenoodigd is? In verband daarmee ook de vraag of desnoods niet een catechiseermeester zou kunnen doopen of een proponent, die al kerkelijk geëxamineerd was, of ook een hoogleeraar in de Godgeleerdheid. De kerken antwoordden hierop zeer beslist ontkennend.
Met betrekking tot de ouderlingen.
1578. De synode van Dordt antwoordde op de desbetreffende vraag: ouderlingen hebben geen bevoegdheid tot doopen. Maar toegevoegd werd, dat, indien het nu eens geschied was op uitnoodiging van den kerkeraad zelf, men den doop niet zou herhalen, omdat degene, die gedoopt had, dit niet qua ouderling deed, maar toch eenige forme van beroeping had. Hij was dan tijdelijk tot het doopen aangesteld, dus in zijn kring als bevoegd erkend.
Beginsel voor onordelijken doop was: Is de persoon die doopt door zijn kring als bevoegd erkend. Zoo ja, dan behoeft de doop niet herhaald. Nochtans, zei de synode, is het niet te prijzen noch na te volgen.
Men paste de regel toe: Multa fieri non debent, quae tamen facta volent.
Dit geval kwam alleen in den onordelijken tijd der 16e eeuw voor. Wel moet de gemeente terechtgewezen en zal de ouderling soms te bestraffen zijn. Maar toch komt het tegenwoordig wel niet meer voor.
Met betrekking tot de professoren is uitdrukkelijk in de toenmalige redactie van de Kerkorde in art. 51 opgenomen, dat alleen professoren, die tot den dienst des Woords geroepen zijn, doopen mogen. In Leiden deed zich b.v. het geval voor, dat een professor doopte, dien geen dienaar des Woords was.
Omtrent de proponenten werd er in de Haagsche synode van 1586 in art. 18 van de toenmalige redactie der kerkorde ook een verbod tot doopen opgenomen.
Ze zullen niet openbaarlijk van den predikstoel de gemeente leeren dan na praeparatoir examen afgelegd te hebben. Doch dan mogen ze nog geen sacramenten bedienen „tottertijd toe, dat zij volkomenlijker beroepen en bevestigd zijn, d.w.z. op een bepaalde plaats”.
Door het praeparatoir examen hadden ze dus gedeeltelijk beroeping.
Later is in de kerken gezegd, dat er wel een uitzondering te maken was voor proponenten, die bijna geheel tot den dienst des Woord waren toegelaten, b.v. als hulpprediker. Hiervoor is misschien wel iets te zeggen, doch ook voor het andere standpunt van volkomen roeping. Toch moet men er niet voor zijn, want de grens is moeilijk bij afwijking te bepalen en waar is dan het einde? Ook mag men geen voet geven aan de dwaling, dat doop noodzakelijk tot zaligheid is, noch mag men er den schijn van op zich laden.

Moeielijkheden zijn er ook voor de kerken gerezen, als de doop bediend was door personen die in haar kring erkend werden doop te mogen bedienen, b.v. door Roomsche pastoors, monniken,

|221|

kettersche voorgangers van kettersche secten (Anabaptisten 16e eeuw) en afgezette Geref. predikanten (Remonstranten).
Hoe te handelen wanneer de doop bediend is door een Roomsch geestelijke.
Deze quaestie in de 16e eeuw en ook nu.
In 1581 op de Gen. Syn. van Middelburg kwam deze vraag niet met betrekking tot Roomsche pastoors in geregelden dienst, maar tot vagabonde priesters en monniken = heen en weer trekkende priesters en monniken.
Geen quaestie was er over doop door een pastoor aan een vaste kerk verbonden. Zoo’n doop is altijd als christelijk erkend. Een Geref. stond het echter niet vrij zijn kind daar te laten doopen. Dien doop bij een Roomsch pastoor mocht men niet zoeken. omdat hij een valsche kerk diende, omdat hij zijn geheelen dienst tegen Christus inzette. Maar toch moest hij voor geldig gehouden, omdat in de ruïne van Rome altijd nog een overblijfsel van Christus’ kerk was en de doop bediend was naar de instelling van Christus, door dengenen, die in zijn kring daartoe geordend was. De vagabonde priesters, zeide de synode van Middelburg, hadden geen vaste plaats, maar waren wel geordend. Op hen werd het beginsel dat voor pastoor gold toegepast. Zij hebben de roeping van de Roomsche kerk ontvangen, want zij waren geordend. Hun doop is dus geldig. Evenzoo die van monniken en anderen, wanneer zij in de Roomsche kerk geautoriseerd waren, anders niet.
Dit beginsel van roeping was ook bij doop door een ouderling, vroedvrouw of dergelijke, of degene die den doop had bediend, daartoe in zijn kring beroepen was.
Op dienzelfden grond werd dan ook in de Geref. kerken de doop erkend, die bediend was in kettersche kringen.
In de Geref. kerken kwam het geval hoofdzakelijk voor met betrekking tot Baptistische kringen; in de 16e en daarna in de 17e eeuw met betrekking tot de Remonstrantsche kringen. In beide gevallen werd op de vraag, of doop in zulke kringen bediend, geldig moest worden verklaard, onderscheiden geantwoord, evenzeer als in de oude kerk een algemeen antwoord gegeven werd. Het hing er van af, of in die kerk of kring de fundamenteele stukken der waarheid, bepaaldelijk die bij doop gelden, nog worden vastgehouden, niet door de leden individueel, maar door de gemeenschap als zoodanig. Niet was de vraag of er veel afwijkenden waren, maar of de gemeenschap er zich nog aan hield. Deed ze dit niet, dan had ze opgehouden christelijke kerk te zijn.
Met betrekking tot de kerkelijke kringen in de 16e eeuw kwam deze vraag alleen voor ten aanzien van de socinianen, die de godheid van Christus en van den Heiligen Geest loochenden. Ze bestreden speciaal de Drieëenheid. Daarom werden ze gerekend niet meer tot de christelijke kerk te behooren.
Met betrekking tot de Remonstranten was in ’t midden der 17e eeuw de vraag: Kan men ook hun doop erkennen?

|222|

In de eerste tijd na hun veroordeeling deed deze vraag op de part. syn. van Zuid-Holland zich herhaaldelijk voor, of men den doop moest erkennen van een afgezet predikant die nog in stilte voortging met preeken en heimelijk doopte. Hierop werd bevestigend geantwoord. De afgezette predikant werd in den afgeweken kring als wettig erkend en de Remonstrantsche Broederschap verwierp niet formeel de fundamenteele leerstukken.
Later in de 17e eeuw bleek er tweeërlei strooming onder de Remonstranten. De eerste strooming was een practisch vroome richting, die uit zekere doopersche neigingen een afkeer hadden van het strenge leerstellige Calvinisme zooals ze het noemden, zonder de fundamenteele stukken aan te tasten.
De andere strooming ging uit van ter zijde stelling van de Schrift, volgde eigen philosophie en verviel al spoedig tot zeker Socinianisme.
De vraag werd gedaan: Kan men nu nog den doop in Remonstrantsche kringen bediend, algemeen erkennen. Toch is men dien kinderdoop blijven erkennen, omdat de Remonstrantsche kerken zich officieel en formeel als zoodanig niet homogeen in den Sociniaanschen geest hebben uitgesproken. Wel deden dit een aantal dienaren, maar niet de kerk zelf.
Natuurlijk bleef altijd gelden, dat men nooit in zulke kettersche kringen den doop mocht zoeken; ook niet in geval van nood. Immers, daardoor treedt men in gemeenschap met afwijkende kringen, verleent men er sanctie aan en steunt men de afwijking.

Eenigszins anders kwam die vraag te staan met betrekking tot de Lutherschen. Hun doop is altijd geldig erkend. De vraag is zelfs nooit gedaan. De Luthersche kerken werden door de Gereformeerden niet als kettersche kringen, maar als zusterkerken beschouwd. In de 16e eeuw zijn in Zwingli’s tijd door Calvijn en ook door de Geref. kerken zelf in ’t algemeen pogingen genoeg aangewend om tot een soort kerkverband of correspondentie althans te komen. Ze hadden wel eenigszins andere beschouwingen, zooals in het Avondmaal uitkwam, maar toch geen ketterij. Ze waren niet van dien aard, dat de kerkelijke gemeenschap er door verhinderd werd.
Op plaatsen waar even goed doop van Gereformeerden te verkrijgen was, moest men natuurlijk Gereformeerden doop zoeken, anders stelde men de Luthersche belijdenis hooger. Op plaatsen waar geen Gereformeerde dienst was, b.v. bij doop op reis, mocht men den doop bij Lutherschen vragen. In concreto deed zich die vraag voor in 1562 te Frankfort, toen daar een Geref. vluchtelingenkerk op aanstoken der Luthersche predikanten haar vrijheid van samenkomen, jarenlang door de regering toegestaan, verloor. Toen dus de vrij talrijke Gereformeerden met twee predikanten, Datheen en van de Heyden, toch maar geen doop

|223|

konden krijgen.
Met betrekking tot Frankfort was er geschil tusschen de Gereformeerden zelf.
Eén deel was van oordeel, dat de doop bij de Luthersche kerk gevraagd mocht, daar die zusterkerk was en de christelijke waarheid zuiver beleed. De Augsburgsche Confessie was goed, behalve op ’t stuk van het Avondmaal. Ook het doopleerstuk was in orde.
Datheen nu was voor doop bij Lutherschen.
(Men zeg wel eens: Datheen was onverdraagzaam. Dit is niet waar. Wel was hij onverdraagzaam op ’t punt van het Calvinisme tegenover Libertijnen en Roomschen.)
Het andere deel was van oordeel, dat dit volstrekt niet mocht. De Lutherschen hadden hun de vrijheid van saamkomen belet en zich vijanden van Gods kerk betoond. Te meer nog, zei van der Heyden, omdat men in de Luthersche kerk instemming moet betuigen met de Luthersche belijdenis.
Onafhankelijk van elkander schreven beide predikanten in 1562 aan Calvijn. Calvijn antwoordde aan beide. Zijn gevoelen stond tusschen beide in. Met Datheen was hij het eens, dat de Luthersche kerk eene zusterkerk was, dus dat men daarbij gerust doop kon vragen. En aan v.d. Heyden stemde hij toe, dat in den regel (en niet altijd) ook instemming gevraagd werd met de Luthersche belijdenis, ook met de afwijkende punten. En dit kon een Gereformeerde niet doen.
Calvijns advies was: In de eerste plaats doop zoeken. Als het niet kon elders doop zoeken of liever verhuizen, zooals een deel deed naar Frankenthal. Niet absoluut kan gezegd, dat men niet bij de Lutherschen gaan mag. En als men bij Lutherschen doopen laat, moet men niets verklaren en beloven, wat men niet met geruste consciëntie kan doen. Men mag niet tegen zijn eigen belijdenis ingaan en instemmen met de verschilpunten der Luthersche belijdenis. Men moet uitdrukkelijk zeggen, dat men het met die punten niet eens is. Wilden de predikanten dan niet doopen, dan moest men de doop elders zoeken.
Zoo is in ’t algemeen over de quaestie gesproken. Ook Voetius zegt: Kan men geen anderen doop krijgen en behoeft men geen deel te nemen aan de Luthersche ceremoniën (excorcisme) noch instemming te betuigen met de Luthersche afwijking in belijdenis, dan kan de Luthersche doop toegelaten worden. Anders niet.

Of men den doop ook vragen en erkennen mag van een predikant, die gehouden wordt voor een hypocriet, van een predikant die in het leven afwijkt, van b.v. een dronkaard, of die om andere redenen niet ter goeder naam of faam bekend staat.
De christelijke kerk en de Gereformeerden antwoordden hierop: De geldigheid van den doop hangt niet af van de persoonlijke waardigheid van den dienaar, evenmin als de boodschap afhangt

|224|

van hem die haar brengt. Is nu in de Geref. kerk iemand dienaar dien men op goede gronden van huichelarij kan beschuldigen, dan moet men zorgen, dat de wolf in schaapskleederen zijn bedrijf niet voortzet. Dan moet men kerkelijk optreden en de zaak kerkelijk behandelen; en volgens Voetius, hangende die zaak, niet bij hem maar bij een ander doop zoeken, en daardoor toonen, dat men gesteld is op eerlijkheid en zuiverheid in leer en leven.

III. Wanneer moet de doop worden toegediend?

De Kerkorde zegt: „Zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan”. Dit heeft van het begin af in de kerkorde ingestaan. Trouwens, dit is niet als iets nieuws bij de Reformatie ingevoerd, maar ’t was al van de eerste eeuwen af in gebruik. Nog niet in de eerste eeuwen.
Over den tijd waarop wordt in het Nieuwe Testament geenerlei aanwijzing gegeven.
Wel eens is uit analogie van de besnijdenis gededuceerd tot termijnbepaling voor den doop. Doch die conclusie is verkeerd, want bij de besnijdenis is daarvoor een bepaalde physische reden. Ze kon niet voor den achtsten dag plaats hebben, anders deed men te kort aan de gezondheid van het kind. De doop doet hieraan niets. Een kind mag best op den 2den of 3den dag gedoopt worden, zooals ook vaak gebeurd is.
Een tijdsbepaling is in de Heilige Schrift niet te vinden en de kerken hebben te dien aanzien nooit een tijdsbepaling gegeven.
In de alleroudste christelijke kerk is de doop bediend telkens als er heidenen tot het geloof in Christus kwamen en was er dus geen tijd bestemd. Langzamerhand is het gebruik geworden om liefst op Paschen en Pinksteren doopsbediening te hebben op groote schaal.
In de eerste tijden waren het voornamelijk volwassenen, maar ook kinderen.
Zelfs concilies uit de 4e eeuw raden aan den doop tot Paschen en Pinksteren te bepalen. Bekend is, dat in de eerste eeuwen een aantal geloovigen hun doop uitstelden tot aan het sterfbed in verband met de verkeerde beschouwing dat de doop geheel rein maakte, opdat dan bij het sterven de gedoopte zoo rein mogelijk voor God zou komen.
Later, toen de doop als noodzakelijk ter zaligheid werd beschouwd, en een ongedoopte dus niet zalig kon worden, was er van uitstel van doop geen sprake meer en werd dit afgekeurd en de bediening allerminst bepaald tot enkele tijden van het jaar. Toen werd de doop zoo vroeg mogelijk bediend. Zooals in de Roomsche kerk in de Middeleeuwen.

Bij de Reformatie hebben de Geref. kerken dit overgenomen, niet op dien grond, dat doop noodzakelijk is ter zaligheid, maar dat onnoodig uitstel van den doop een zekere geringschatting van het

|225|

Sacrament insluit en dat rechte waardeering van het Sacrament meebrengt het Sacrament zoo spoedig mogelijk voor het kind te zoeken.
Daarom is in de Geref. kerken gezegd, dat de kerken zelfs zooveel mogelijk gelegenheid tot doopsbediening geven zullen. Niet op bepaalde tijden in het jaar, enkele dagen in de maand, enkele dagen in de week, maar regel is, dat in iedere samenkomst der gemeente gelegenheid zij tot doopsbediening, ’t zij in de vroegpreek, zooals tot in deze eeuw nog in Amsterdam gebeurde, ’t zij in de ochtend-, middag- of avondpreek.
In een groote gemeente is dit niet noodig in alle samenkomsten die gelijktijdig plaats hebben. Het is onnoodig de doopsbediening te vermenigvuldigen en zoo de gemeente noodeloos door doop langer godsdienstoefening te doen hebben. De doop neemt tijd voor de predikatie weg en de gemeente mag niet onnoodig vermoeid.
In verband hiermee moest in weekbeurten gedoopt kunnen worden.
Op plaatsen waar geen weekbeurt was, moesten de kinderen toch zoo spoedig mogelijk gedoopt, omdat anders de Roomschen doopten.
1574. Op de provinciale synode van Dordt was een gravamen ingekomen uit de classis Brielle, inhoudende: wat zal men doen met degenen, die kinderen 3 of 4 weken houden van doop, wachtende op gevaders of herstel der moeders.
Het slot van art. 57 luidt: „Maar de affectie der ouders, die den doop harer kinderen begeeren uit te stellen, ter tijde toe, dat de moeder zelve hare kinderen presenteere of op de gevaders lange wachten, en is geen wettelijke oorzaak om den doop uit te stellen.”
Wachten op gevaders en herstel der moeders is dus geen reden tot uitstel.
Dit was in overeenstemming met hetgeen reeds in de kerkorde van à Lasco te Londen bepaald was (1550). In de vluchtelingengemeente te Londen mocht de doop niet worden uitgesteld, maar moest hij op de eerstvolgende vergadering der gemeente na de geboorte des kinds worden bediend.
1. Het uitstellen van den doop lag aan de vele doopersche neigingen in het Zuiden van Zuid-Holland, die er toe leidden, dat men vooral met den kinderdoop geen haast maakte. Ook hieraan, dat volgens
2. Roomsch gebruik de vader zich niet met den doop van zijn kind bemoeide, maar de zorg daarvoor geheel overliet aan de getuigen. Dit bracht veel schade toe. De vader was in de 16e eeuw altijd bij de doop afwezig. Ook tegenwoordig geschiedt het op sommige plaatsen zoo in de Luthersche kerk.
De Reformatie bracht hierin verandering. Doch ook toen van de Reformatie getuigen niet meer vereischt werden, was men nog niet aanstonds zoover, dat alle vaders hun plicht met betrekking tot den doop begrepen. Men wachtte dan totdat de moeder hersteld was.

|226|

3. Het derde motief lag in de groote doopmaaltijden, die men aanrichtte en waar de moeder bij tegenwoordig moest zijn.
Zelfs wachtte men soms om de kosten op een tweede of derde kind, dan ging de doop in een moeite door. Dit alles belemmerde den spoed, waarmede de doop gezocht werd en uit dit alles sprak geringschatting van den doop.
De hoofdgrond waarop men bij den doop op spoed aandrong, was dat de doop als verbondszegel aan het kind van Godswege toekomt en dat men het voorrecht van den doop niet zonder reden aan het kind onthouden mag. Anders treedt geringschatting, miskenning van de beteekenis van den doop in.
Hoewel dit nog niet zoo snel geheel doorgewerkt is, was het spoedig doopen toch wel regel. Het volk volgde immers de Roomsche traditie, want velen waren nog niet overtuigd, dat de doop niet noodig was tot zaligheid. Dit was zoo bij de meerderheid van het volk. Bij sommigen nu nog. Wie hiervan terugkwam, verviel in geringschatting van den doop.
Dwang of een synodaal besluit baatte niets. Het was practisch onuitvoerbaar.
Deze synode nam meer besluiten die er bij het volk niet zoo spoedig in gingen, b.v. omtrent het afschaffen der feestdagen.
De Z. Holl. Synode van ’75 heeft veel besluiten van ’74 gewijzigd. Zij gaf een soort verklaring van de artikelen der vroegere synoden, cf. art. 30. Ze ried aan met betrekking tot sommige besluiten dadelijk niet te ver te gaan. Zoo b.v. ten aanzien van feestdagen, boekencensuur, kinderdoop. Ze moesten vooral niet met te veel dwang in de gemeente ingevoerd. Het waren geen fundamenteele stukken dus moest men door het volk te onderwijzen langzamerhand naar een beteren toestand trachten.
De eerste nationale Synode van 1578 heeft in de K.O. opgenomen wat de prov. synode van 1574 al besloten had, cf. art. 59. De andere besluiten zijn verkort.
Hetzelfde geldt van de Middelburgsche synode van 1581 en van de Haagsche synode van 1586, waar de formuleering gemaakt is, zooals we die ook nu nog hebben.
Het beginsel is dus altijd gebleven.

Ten einde een spoedige doopsbediening te beter mogelijk te maken, hebben de kerken bepaald, dat in plaatsen, waar alleen ’s Zondags gepreekt werd ook in de week gelegenheid tot doopsbediening zou worden gegeven.
Art. 59 redactie 1574:
„In de plaatsen waar zelden de predikaties geschieden, en nochtans de kinderen ten doope gebracht worden, zal een tijd geordineerd worden dat men de kinderen in de kerke ten doope brengen zal; en men zal een teeken met de klokke geven, om het volk te samen te roepen en een korte vermaning voor de doop te doen.”
Hetzelfde in de algemeene Kerkorde van ’78, art. 60.

|227|

Doop alleen bij een predikatie. Is er geen predikatie dan korte predikatie verordenen.
Art. 39, red. 1581.
Doch ter plaatse, daar niet zooveel predikatiën gedaan worden, zal men een zekeren dag ter weke ordineeren, om den doop extraordinaarlijk te bedienen, alzoo nochtans, dat het zelve zonder predikatiën niet geschiedde.
Dit ook in art. 50 van de redactie van 1586 en in art. 56 gebleven.
De woorden van deze laatste redactie hebben wel eens tot misverstand aanleiding gegeven. Ook nu nog. Men vatte het op als alleen geldende voor plaatsen waar in ’t geheel geen dienst des Woords is, b.v. in buurtschappen waar wel een kapelletje of een kerkje, maar geen kerkeraad of predikant is. Dat men dan zou doopen (b.v. nu zijn in Gelderland vooral veel te kleine kerken).
Dat dit eigenlijk de bedoeling niet is, blijkt uit Voetius’ woorden, die het anders verklaren. Het heeft alleen betrekking op plaatsen waar alleen ‘s Zondags gepreekt wordt, voor kinderen die in ’t begin der week gedoopt worden.
Het kan dan ook in een particulier huis geschieden mits ouderlingen, diakenen, vrienden en buren saam zijn, geroepen en aanwezig zijn en een korte preek geschiede met de verklaring dat de doop niet noodzakelijk tot de zaligheid is.
Veel is echter van die bijzondere manier van doop niet gebruik gemaakt. Men wachtte maar liever tot den volgenden Zondag.
De zwakheid des lichaams van het kind kan een beletsel zijn.
Doch het beginsel en de regel moet vastgehouden, dat de doop bediend worde, zoo spoedig zulks mogelijk is.
Is er geen overtuiging, dan moet niet gedwongen worden om het kind dadelijk te doopen. Dat geeft twist in de gemeente.

IV. Vraag: Waar is de doop te bedienen?

Doop mag alleen bediend in een openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt, alleen bij een samenkomst der gemeente en bediening des Woords.
Dit is in de Geref. kerken van den beginne af op den voorgrond gesteld.
De redenen daarvoor worden door Voetius in zijn Politica Ecclesiastica en door een advies van de Geneefsche theologen aan Zanchius gegeven juist opgesomd.
1e. Ter vermijding van de moeilijkheden aan een privaten doop verbonden. Omdat zoo het best de orde bewaard blijft. Men kan anders zoo licht navragen naar de wettigheid van den doop.
2e. De doop is de bediening van een bondszegel, dat bediend wordt aan de gemeente. Het kind wordt alleen als lid der gemeente en in verband daarmee gedoopt.
3e. Door den doop worden de kinderen door de geïnstitueerde kerk ingelijfd en opgenomen. Die opneming moet dan ook ten overstaan van die kerk geschieden, met medeweten, medegetuigenis en stilzwijgende toestemming dier kerk zelve.

|228|

4e. Om te voorkomen, dat niet, zooals in ’t Pausdom de Sacramenten van het Woord worden afgescheiden en een soort ceremoniën met een zekere magische kracht op zichzelf worden. De Sacramenten behooren bij het Woord. Daarom zijn ze er niet van af te scheiden.
Dit wil echter niet zeggen, dat een anders bediende doop niet gelden zou. Maar een Geref. Kerk/kerkeraad, dienaar en lidmaten moet geen andere doop zoeken of aannemen.
Ook hier geldt de regel: multa fieri non debent, quas tamen facta valent.
Zoo is ook altijd in de Synoden geoordeeld. D.S. 1574, art. 64.
In 1578 in deze zin besloten. Men zal den doop niet bedienen dan in de predikatie.
1581: In de openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt. Zo is het gebleven.

Moeilijkheid deed zich hier alleen voor met betrekking tot zieke kinderen, die gevaar liepen er van te sterven, en ouders, die niet vrij waren van de meening, dat de doop ter zaligheid noodig was. Men vroeg op Classe etc. herhaaldelijk, of men dan toch geen uitzondering kon maken. Cf. Prov. Syn. van N. Holland.
In 1596. Gravamen uit Amsterdam.
Het doopen op ’t ziekbed van volwassenen die ziek waren en bekommerd, dat zij niet zalig zouden worden, werd niet toegestaan, ook niet absoluut geweigerd. Men verkeerde nog in twijfel en oordeelde in overleg te treden met de Zuid-Hollandsche Synode.
Zoodanige vraag kwam ook in op de Part. Synode van N.Holland in 1605. In sommige Classes hield men het voor goed en anderen namen geen besluit. De Synode van N. Holland verschoof het tot een Nationale Synode en liet ondertusschen de zaak ter discretie aan de classes. Een tijd lang keurden sommigen het goed, anderen niet.
In 1608 kwam op de Synode nog weer eens deze vraag in een gravamen uit Haarlem.
Hoewel het bij de Generale Synode behoorde, werd toch provinciaal een besluit gevraagd. Wederom werd geen definitief besluit genomen. De classes moesten het maar doen.
Evenzoo kwam het op de Z. Hollandsche Synode in 1596 ter sprake, naar aanleiding van een vraag uit Noord-Holland. Men liet het daar onder voorwaarden toe. Zoodanige personen moest men eerst uit Gods Woord beter zoeken te onderwijzen. Waren zij niet terecht te brengen, dan moest gedoopt met zekere godsdienstoefening.
De Synode van 1619 sloot het echter uit. Huisdoop is niet toegestaan.
1620. Of men niet mag verhinderen door huisdoop, dat de kinderen Roomsch gedoopt worden?
Antwoord: De Kerkorde moet gevolgd, die het verbiedt.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 57

Van den Heiligen Doop.

Art. LVII. De dienaars zullen hun best doen, en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presenteere. En in de

|229|

gemeenten, waar men nevens den vader ook gevaders of getuigen bij den doop neemt (welk gebruik in zichzelven vrij zijnde niet lichtelijk te veranderen is) betaamt het dat men neme, die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.

Een dergelijke bepaling heeft reeds van den beginne af in de K.O. gestaan. Om die goed te begrijpen moet in ’t oog gehouden, wat met betrekking tot dit punt de toestand was ten tijde der Reformatie.
In de vorige eeuwen was onder Rome’s leiding allengs gebruik geworden, dat een geboren kind zoo spoedig mogelijk gedoopt werd, omdat de zaligheid er aan hing en voorts was de vaste gewoonte dat het kind ten doop gebracht werd niet door den vader, maar door peter of meter, gevaders, minstens twee, soms ook meer. Doorgaans twee. Verder werd aan dit gevaderschap een geestelijke verwantschap verbonden, die geheel gelijk gesteld werd met bloedverwantschap, zoodat ten aanzien van het huwelijk de beperkingen bij bloedverwantschap ook toepasselijk gemaakt worden op de gevaders.
In de Luthersche kerk is de practijk van den doop in dit opzicht bijna geheel dezelfde gebleven. Alleen de geestelijke verwantschap is ter zijde gesteld, omdat hiervoor geen grond is in Gods Woord.
Maar wel bleef ’t gebruik, dat de peters en meters met het kind ten doop kwamen, terwijl de ouders er zich niet mee bemoeiden.
In de Geref. kerken echter gold een ander standpunt op voetspoor van en in aansluiting aan Calvijn, die de scheppingsordinantie en dus de roeping van den vader tegenover zijn kind ook bij den doop liet gelden. De doop van een kind is allereerst plicht en roeping van den vader. De vader is van Godswege verplicht voor de opvoeding van zijn kind te zorgen. Terzelfder tijd werd het gebruik van gevaders niet verworpen, alleen maar werden ze niet verplichtend gesteld en soms werd aan dat optreden van gevaders een eenigszins andere beteekenis gehecht.
In de Geref. kerken werden die peters en meters van den aanvang af met den naam van „getuigen” aangeduid, om ook hun roeping in dit woord aan te wijzen.
Door dat woord getuige is wel eens misverstand ontstaan.
Getuigen bij den doop kan drieërlei zin hebben.
1e. In den zin, dat zoodanige getuige te getuigen heeft omtrent den doopeling.
In dien zin is het bepaaldelijk in de eerste eeuw der Christelijke kerk gebruikt toen de doopelingen voor een goed deel volwassen waren en op belijdenis des geloofs gedoopt werden.

|229a|

Men verlangde dan voor den doop echter niet alleen zekerheid van belijdenis (die kon men hem zelf vragen), maar ook getuigen die omtrent zijn wandel getuigenis aflegden.
Men wilde ook waarborg voor Christelijke wandel.
Daarom werden minstens twee getuigen vereischt.
Geheel in dienzelfden zin wordt nog altijd gehandeld, wanneer nu een volwassene zich voor den doop aanmeldt (bejaardendoop). Zoo ook bij toelating van catechumenen tot het Avondmaal.
Vooral in groote gemeenten, wanneer de catechisant den kerkeraad niet genoeg bekend is. Twee getuigen die bekend zijn, zijn dan nodig. In kleine gemeenten zijn de catechumenen aan iedereen bekend. Ditzelfde ook wanneer de catechumeen nog niet gedoopt is. Doch in dien zin komt het getuige zijn alleen te pas bij volwassenen en geldt hun getuigenis alleen omtrent verleden en tegenwoordigen tijd en niet voor de toekomst. Hun getuigenis is dan bij de bejaardendoop afgeloopen.
In dit artikel is echter sprake van kleine kinderen. In dien zin is hier dus getuige niet te verstaan.
2e. Getuige is getuige van de verrichte handeling, om, wanneer er later twijfel mocht rijzen of onzekerheid komt of iemand wel gedoopt is, getuigenis af te leggen.
In dien zin kwam het juist herhaaldelijk tijdens de Reformatie voor en in tijden van vervolging en kruiskerken.
In rustige tijden is dit niet noodig. Dan kan de doop in tegenwoordigheid van een ouderling, bediend, onmiddellijk in het doopboek worden aangeteekend. Bij twijfel kan men dan naslaan.
Anders was dit bij de kruiskerken. In tijden van vervolging zijn boeken gevaarlijk. Zoo’n boek kan bij huiszoeking niet alleen een persoon zelf, maar een geheele gemeente verraden.

|230|

Daarom waren er getuigen noodig, opdat er geen twijfel omtrent den doop kon bestaan. Waren er geen getuigen, dan zou men een naam kunnen vergeten. Daarom moesten twee personen aangewezen om het feit van doop te constateeren.
3e. Het woord getuige komt voor in dien zin, dat de getuige meewerkt om aan de kerk een waarborg te geven voor de Christelijke opvoeding. Hij betuigt, belooft en stipuleert, dat hij daarop zal blijven toezien. Dit werd in de Geref. kerken voor onnoodig gehouden, wanneer de kerk op het woord van den vader aan kon en in zijne belofte genoegzame waarborg lag.
Maar noodig was een getuige als vader of moeder of beide geen belijdenis gedaan hadden en op de stipulatie der ouders niet genoegzaam zou worden gebouwd, wanneer ze onder censuur stonden en bekend was, dat zij tot ketterij neigden. Het kind is toch zaad der kerk. Daarom moet het gedoopt. Daarom is een getuige noodig, een onbesproken lid der gemeente, om waarborg aan den kerkeraad te geven.
In dien zin komt het woord thans bijna uitsluitend voor.
Toch werd het vroeger in de K.O. ook in anderen zin gebruikt.
Reeds bij ’t Convent van Wezel in 1568 werd over deze zaak gesproken.
Cap. VI art. 8.
„Het gebruik van bijzondere getuigen, die men peters en meters noemt en de forme van doopen wordt, gelijk te voren gezegd is, gelaten in ieders vrijheid.”
Het gebruik van getuigen werd dus vrijgelaten.
Evenzoo te Emden 1571 hetzelfde beginsel in art. 20.
Het gebruik van getuigen voor een middelmatig ding geacht, aan de vrijheid der kerken overgelaten, totdat door een Generale Synode misschien iets zou besloten worden. De kerken blijven dus bij de oude gewoonten.
In diezelfde Synode werd ook onderscheid gemaakt tusschen de tweeërlei soort van getuigen.
Uit de kerk van Keulen was een particuliere vraag gekomen met deze strekking, of men getuigen kon toelaten, die niet tot de gemeente behoorden.
Art. 10. Questiones particulares: an possint susceptores admitti, qui etiamsi religionem puram amplectantur, sese tamen Ecclesiae nolint adiungere.
Geantwoord werd dat het gebruik van getuigen was vrijgelaten, en als antwoord op die vraag, dat men zoodanige getuigen kan toelaten, wanneer zij alleen worden aangenomen als getuigen van den volbrachten doop. Dat kon natuurlijk iemand, die alleen eerzaam burger en geloofwaardig mensch was, doen, evenals iemand tegenwoordig als getuige bij den burgerlijken stand en bij het passeren van acte voor een notaris optreedt.
Maar zij werden aangenomen als getuige om toe te zien op de opvoeding der kinderen voor Geref. leer in een Geref. kerk, dan moeten ze lidmaten der kerk zijn.

|231|

Op de 1e Prov. Syn. van Dordt in 1574 was ook een dergelijke vraag ingekomen omtrent doopbediening en toelaten van getuigen.
Door die Synode is volgens art. 63 uitgesproken, dat men de ouders bij den doop verbinden en de bijstaande getuigen slechts vermanen zal.
Het gravamen hield in, dat er bezwaar bestond bij bijstaande getuigen om op de doopvragen te antwoorden. De ouders moet men verbinden omdat zij waarborg moeten zijn. Zij mogen geen bezwaar hebben tegen de doopvragen, maar de getuigen kan men als zij bezwaar hebben van de stipulatie ontslaan. Maar dan zijn ze in dat geval geen eigenlijke getuigen, maar min of meer figuranten.
Het is een concessie aan het gebruikelijk verschijnen van getuigen.
In 1578 heeft eerst de nationale Synode er nader op aangedrongen dat toch de vader allereerst zal verbonden worden bij den doop. Art. 61. De eeuwenoude gewoonte, dat de vader zich met den doop niet bemoeide, was nog moeilijk uit te roeien.
Wel had de Synode van 1574 besloten bij den doop niet op de moeder te wachten.
Maar het volk was nog niet overtuigd van presenteering door den vader.
Dit bleek uit de part. Synode van Z. Holland in 1575: Men zal toch niet te veel dringen.
Art. 61 red. 1578. De vader des kinds, dat te doopen is, zal inzonderheid bij het doopen tegenwoordig wezen, tenzij hij noodzakelijke verhindering heeft, opdat hij voor zijn kind bidden en voor opvoeding belove. Hij heeft alleen macht over het kind en bepaalt, hoe zijn kind zal worden opgevoed. Getuigen behoeft men dan niet te verbinden. Als zij geen bezwaar hebben, dan is verbinden natuurlijk beter.
Voordat de ouders het kind ten doop brengen, zullen zij vooraf bij den kerkeraad gaan of een predikant of ouderling, opdat deze kennis hebben van die gedoopt wordt en van de te nemen getuigen.
In 1578 was de redactie van dit artikel dus veel uitvoeriger. Doch de getuigen zal men zo nauw niet verbinden, maar hen slechts vermanen, nl. wanneer zij bezwaar hadden tegen de vragen.
Dezelfde Synode van 1578 behandelde in de particuliere vragen nog een paar punten omtrent de doopgetuigen.
Of leden der kerk, die kinderen ten doop brengen, niet leden der kerk als getuigen mogen nemen!
Het antwoord was: Leden der gemeente zijn beter. Niet-leden der gemeente mogen alleen niet verbonden, geen stipulatie doen. Maar als zij brave en onbesproken lieden zijn, die het evangelie niet tegenstaan, kan men ze toelatem.
Ook nog de vraag of het aan de keuze van leden der gemeente stond of er bij den doop getuigen zouden zijn of niet.

|232|

De Synode antwoordde dat het vrijstaat.
In Gods Woord staat er niets van. Dus de ouders zijn vrij. Maar de leden zullen vermaand worden zich te schikken naar de ordinantiën der kerk, waartoe ze behooren, gelijk in alle middelmatige dingen.
De Synode van Middelburg van 1581 besloot in denzelfden geest, zooals het ook nu nog is. Alleen moeten de getuigen genoemd bij aangifte aan den kerkeraad, opdat over al of niet toelating der getuigen zij te oordeelen.
De Haagsche Synode van 1586 heeft in dit opzicht niets veranderd.
Ook het al of niet verplichtend stellen van getuigen zoo vaak als punt voorkwam lag hieraan, dat er een heftige strijd over was gevoerd in de sterkst Geref. kerk, nl. de Geref. vluchtelingenkerk in Londen in 1569 en ’70. Daar was het hebben van getuigen altijd gewoonte geweest, doch de kerkeraad had het verplichtend gesteld. Zonder getuigen geen doop. Daartegen kwamen sommige gemeenteleden op. Men zei: in Gods Woord is daarvoor geen grond. De kerkeraad heeft er geen recht toe, want hij mag niets opleggen, wat niet in Gods Woord geboden is.
Wel zijn er getuigen noodig als de ouders geen waarborg bieden. Anders mag van het hebben van getuigen de doop niet afhankelijk worden gesteld.
De kerkeraad hield eerst vol en ‘t gaf een heftigen strijd omdat er toch al tweeërlei strooming in die kerk was, waar deze quaestie bijkwam of een gevangen Geref. zich verzetten mocht, ontvluchten of gewapend verzet bieden. Deze quaestie maakte verdeeldheid tusschen legitimieten en meer vrijheidsgezinden.
Dit heeft ertoe geleid, dat de Londensche kerkeraad een zeer groote lijst vragen (meer dan 40) met betrekking op de vraag welke macht de kerkeraad had, naar Beza en Marnix van St. Aldegonde zond. Hun adviezen zijn nog over. Marnix was het meest beslist tegen kerkelijke tyrannie, doch ook Beza legde er den nadruk op, dat de kerkeraad niet te veel moest bepalen.
De twist is langzaam tot bedaren gekomen. Ook omdat in 1572 in Nederland de vrijheid kwam keerden velen daarheen terug en is deze gemeente sterk geslonken.
Daardoor was ook dit punt in ons land een punt in quaestie geworden.
De praktijk der kerken kon men weten met betrekking tot kerke, waar men zelf geweest is en waarvan men gehoord heeft. Overigens is er geen aanteekening. Toch blijkt wel iets uit doopboeken. Wat betreft die kerkelijke praktijk is op te merken, dat, ofschoon het gebruik vrij was, toch doorgaans getuigen gebruikt werden.

|233|

Te Amsterdam is bijna geen kind gedoopt zonder 2 getuigen tot deze eeuw toe. Zoo ook in andere groote steden en ook zeker wel in dorpen. In ieder geval geschiedde het zeer veel.
Met volkomen zekerheid is echter moeilijk te zeggen hoe het in vroeger tijd practisch in alle kerken geweest is. De usantiën worden niet in couranten gepubliceerd en kennis op dit gebied is moeilijk anders dan door eigen aanschouwen te verkrijgen. Alleen de doopboeken kunnen iets zeggen.
Verplichtend is het stellen van getuigen alleen wanneer in de stipulatie van den vader of de moeder voor de kerk geen gegronde waarborg ligt voor de opvoeding van het kind in de Christelijke leer.
Dit is niet subjectief over geloofswaardigheid oordeelen, want uit de subjectieve appreciatie der ouders kon dit niet worden opgemaakt, maar uit uitwendige kenteekenen. Ouders, die zelve nog kerkelijk onmondig zijn of onder censuur staan, kunnen dan in de doopbelofte niet op hun woord geloofd worden, als zij zeggen, dat zij hun kind in de Geref. leer zullen opvoeden, omdat hun eigen levenswandel daarmee in strijd is. De opleiding van het kind zal dan altijd mank gaan aan de quaestie, waarom ze zelf geen lid der kerk geworden zijn. Leiden zij hun kind op tot compleet lid der kerk, dan kan dat kind hen later vragen, waarom zij zelf niet belijdenis doen.
Beide gevallen bewijzen geringschatting van de leer.
Evenmin als burgerlijke onmondigen burgerlijke handelingen kunnen doen, kunnen kerkelijk onmondigen beloven. Het is dus dezelfde grond, als waarop een burgerlijk onmondige geen contract kan aangaan. Een kerkelijk onmondige heeft voor de kerk geen mond om iets te beloven. Evenmin de gecensureerde, bij wien het behooren tot de kerk twijfelachtig is. Ouders kunnen het meeste doen met betrekking tot de opvoeding. Ook de moeder kan stipulatie doen. Getuigen zijn alleen noodig voor geval dat geen van beide ouders kunnen stipuleeren, dus onder de bovengenoemde rubrieken vallen.
In andere gevallen mag men wel getuigen stellen, maar het behoeft niet. Wil de grootvader, voor zoolang hij leeft, mee belofte doen, dan moet hij toegelaten.
Dit beginsel heeft in sommige streken wel bezwaren, vooral waar het Anabaptisme sterk nawerkt, waar een aantal leden uit beginsel niet tot het doen van belijdenis komt. Of ook uit Labadisme alleen rekenen met de bekeering en niet met de wedergeboorte en dan wachten op de zekerheid van bekeering eer men belijdenis doet. De vraag is of men dan ook getuigen moet stellen. Het antwoord luidt: ook al zijn zulke menschen zeer godvruchtig, dan moet de eisch van getuigen bij den doop worden vastgehouden als zij nog geen lid der kerk zijn.

|234|

Het is wel vernederend als men dit toch doet, maar die vernedering mag hun niet gespaard worden. Zoo zullen zij zien, dat zij niet in den goeden weg zijn.
Nochtans is scheuring der kerk te vermijden. Wordt onrust verwekt, dan moet men zeer voorzichtig handelen en moet onderwezen worden, waarom die getuigen noodig zijn. Maar den eisch om getuigen te stellen mag men nooit laten vallen, omdat men nooit formeel en officieel mag erkennen en toestemmen, dat leden der kerk recht hebben geen belijdenis te doen en zich van het Avondmaal onthouden en dat uit zeker beginsel.
Vraag, wie de getuigen zijn?
De getuigen moeten voorts zelven volle leden der gemeente zijn. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd, dat de getuigen menschen zijn, die invloed kunnen uitoefenen op de opvoeding van het kind.
Daarom zijn ‘t best daarvoor een oom of tante, familieleden, die door banden van bloedverwantschap met ‘t kind zijn verbonden, omdat deze bij het wegvallen der ouders vanzelf in hunne plaats treden.
Anders vooral diegenen, die zedelijken invloed op ’t gezin kunnen uitoefenen.
De getuigen kunnen ook wel van elders komen, mits den kerkeraad gebleken zij, dat die getuigen leden der gemeente Christi zijn. Daartoe heeft elk een bewijs van den kerkeraad zijner woonplaats noodig, dat hij tot het Avondmaal is toegelaten, niet gecensureerd en van goeden wandel is.
Het bezwaar, dat zoo iemand van buiten weinig invloed op de opvoeding van het kind kan uitoefenen, gaat niet op, omdat de invloed 1e niet afhangt van de woonplaats, maar van de betrekking, waarin de getuige tot het gezin staat. Een grootvader heeft elders meer invloed dan een vreemde buurman in dezelfde plaats.
De vragen in controvers met Rome of er geen exceptie voor bloedverwanten was en of de getuige een geestelijke bloedverwant wordt van het kind, zijn verouderd en behoeven in de Geref. kerken niet meer behandeld, daar deze geen geestelijke bloedverwantschap erkennen.
Zoo zijn er nog vele vragen uit de controvers met Rome, dat te weinig lette op de qualiteit der getuigen.
De vraag, of een Geref. Christen zelf altijd bij elken doop getuige kan zijn, is ook de moeite der beantwoording niet waard.
Ook zal wel geen Gereformeerde bij een vreemde kerkformatie als getuige optreden: b.v. bij een Roomsche, of Remonstrantsche kerk, omdat men dan altijd de kerk erkent. Wel bij de Luth. kerk als zusterkerk.

|235|

Natuurlijk zal men ook niet als getuige optreden bij den doop van het kind van een onbekende. Evenmin bij doop door ketters etc.
Vraag: Wat moet er geschieden, wanneer de ouders beiden niet bevoegd zijn en geen familie of bekenden hebben, die als getuigen kunnen optreden? Dit geval doet zich wel voor b.v. bij gemengde huwelijken, wanneer de Geref. vader of moeder gestorven is, de ander wel bij de Geref. kerk is, maar nog geen belijdenis gedaan heeft, of alleen de Roomsche uitwendig zijn of haar kind in de Geref. kerk wil laten doopen.
Hetzelfde komt bij schippers voor.
De oplossing is, dat de kerkeraad zelf de taak van het getuigen zijn overneemt en één of twee ouderlingen daartoe aanwijst, gewoonlijk van de wijk of ’t gedeelte der gemeente, waar ’t kind tijdens den doop is.
Die treden dan op als getuige ex officio.
Wel heeft de ouderling toch opzicht, maar nu moet hij in bijzonderen zin op de opvoeding toezien.
De generale roeping der ouderlingen wordt hier dan gespecialiseerd. Ook moet hij er moeite voor doen, dat de vader of moeder belijdenis doet.
Den doop weigeren mag in de Geref. kerken nooit geschieden, wanneer vaststaat, dat het een kind des verbonds is.
Alleen, wanneer geenerlei waarborg is te vinden voor een Christelijke opvoeding, dan mag niet gedoopt, omdat de doop dan een bespotting wordt.
Het „ten doop presenteeren” is wel eens opgevat, alsof de vader bij den doop het kind moet vasthouden. Doch in de handen houden is niet de zin van presenteeren, maar ten doop presenteeren wil zeggen het kind aangeven, aanbieden bij den kerkeraad en dat, wanneer het kind gedoopt wordt, diegene tegenwoordig is, die de macht heeft, nl. de vader. De bedoeling is, dat de kerk wete, dat de vader den doop van zijn kind wenscht en wil. De toestemming van den vader is de waarborg, die de kerk noodig heeft om te mogen doopen. De vader is degene, die over het kind macht heeft. Juist om die macht is het noodig, dat de vader zijn kind presenteert, d.w.z. goed vindt dat het kind in de Geref. kerk gedoopt wordt, Wil de vader niet dan kan de geheele familie er niets aan doen.
Dat goedvinden van den vader geschiedt vóór den doop door aangifte door of vanwege den vader zelf en volgt uit zijn tegenwoordigheid bij den doop.
In de Roomsche en tegenwoordig in de Luthersche kerk was dit geheel anders. Daar bleven de ouders thuis en kwamen de getuigen het kind aangeven.
Wie verder het kind vasthoudt bij het doopen is tamelijk onverschillig.

|236|

Dat werd niet genoemd, presenteeren, maar ’t kind ten doop heffen of hand leenen bij den doop.
Tusschen ten doop heffen en presenteeren wordt reeds bij Voetius nauwkeurig onderscheiden.
Het vasthouden door den vader heeft op zichzelf geen beteekenis. Het komt aan op het presenteeren tot den doop, niet op het vasthouden bij den doop.
Als de vader aangeeft en stipulatie aangaat, dan is er genoeg zekerheid voor kerkeraad en gemeente. In vele gevallen is het zelfs raadzaam den vader niet te laten ten doop heffen maar de moeder of een die meer gewoon is met kinderen om te gaan.
De quaestie van de moeder bij den doop is in de kerkorde niet ter sprake gekomen, omdat zulks toen niet aan de orde was.
De moeder kon er in Rome niet bij zijn, daar de doop nooit op herstelling der moeder wachtte. En evenals de Roomschen, drongen ook de Gereformeerden aan op zoo vroeg mogelijk doopen. Het was dus geen gewoonte, dat op de moeder gewacht werd, want de Roomsche zuurdesem zat er nog in.
De bedoeling was echter niet de moeder uit te sluiten.
Voetius spreekt ook wel eens van „parentes”, beide ouders of van „alter uter”, één van beiden. Dus wordt ook de moeder er bij begrepen.
De praktijk was dus tot op deze eeuw, dat, terwijl vroeg doopen de vaste gewoonte was, de moeder er nooit bij was, omdat ze niet hersteld was.
In deze eeuw is het gebruik gekomen om te wachten tot de herstelling der moeder en is gewoonlijk de moeder bij den doop tegenwoordig. Men kan er wel op wijzen, dat wachten op de moeder minachting van den doop is, maar de gemeente verstaat het zoo niet. Dat blijkt wel. Op de 100 doopen is er nu nauwelijks één, die binnen eenige (8) dagen geschiedt. Wanneer niets blijkt van minachting van den doop, dan is er geen absolute veroordeeling mogelijk. Men kan er niet met geweld tegen in gaan, want zoo komt men niets verder en wekt men onrust in de gemeente. Men moet de moeder niet op zij zetten. Het is wel gebeurd, dat men deed alsof de moeder er niet bij was. Dit ignoreeren heeft echter niet het verwachte effect, want de moeders worden boos. Wanneer de moeder zelve meekomt, behoeft men dit in ’t geheel niet te doen. Integendeel moet aan haar de haar toekomende plaats gegeven. Waarom zal men haar de stipulatie ontzeggen? Er is geen reden voor. Men neemt wel onnoodige getuigen aan en geen moeder? Dit is inconsequent. Maar zegt men: de moeder is begrepen onder de getuigen. Doch de moeder op zulk een wijze terug te zetten is onmenschelijk en hard.
Daarom is het beter haar dan te noemen. Maar ’t formulier mag niet veranderd worden. Dit moet niet verstaan in Byzantijnschen zin of als in notarieele acte. Wanneer de omstandigheden veranderen, moeten ook de uitdrukkingen in ’t formulier veranderd worden. Om geen onzin te zeggen moet men kleine wijzigingen maken. Zoo kan men b.v. niet danken „kinderen”, als er maar één gedoopt is, of lezen „vader of getuigen” als een weduwe haar kind ten doop brengt.

|237|

Geen verandering mag echter gemaakt in het wezen der formulieren. Wel mag een uitdrukking gebezigd die noodig is om geen onzin te leveren. Dit is niet wijzigen, maar alleen materieel te verstaan.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 58

Van den Heiligen Doop.

Art. LVIII. De dienaars zullen in ’t doopen zoo der jonge kinderen als der bejaarde personen, de formulieren van de instelling en ’t gebruik des Doops, welke tot dien einde onderscheidenlijk beschreven zijn, gebruiken.

Bij ’t doopen moet men de formulieren der Liturgie gebruiken. Het gebruik van die formulieren wordt hier als beginsel gesteld. Dit is van den beginne af in de kerken regel geweest.
Zoo was reeds in de Wezelsche artikelen van 1568 in Cap. VI over den doop voorgesteld en afgesproken om de vragen, die in het doopsformulier stonden „woordelijk” aan de ouders en getuigen voor te stellen. Art. 4 en art. 2 dat de doop bediend zou worden volgens het gebruikelijke formulier. In de synode, die daarop volgde is dit telkens herhaald.
De eerste nationale synode te Dordt 1578 bepaalt in art. 62 hetzelfde. Beter is het formulier te volgen, dan een iegelijk zijn eigen verklaring vrij te laten. Dus de reden van deze bepaling is er bijgevoegd.
Later, in 1581, 1586, 1618/19 is die reden weer weggelaten, niet omdat men het er niet mee eens was, maar omdat het motief in de Kerkorde niet behoeft te worden uitgedrukt. De reden was: Bij de bediening van het Sacrament moet ook voor de gemeente een verklaring van het Sacrament gegeven worden, wat het is en wat het betekent. Deze moet niet gegeven worden naar de eigen opvatting en uitdrukking van den dienaar, die doopt. Want ook al is hij het geheel met de kerkleer eens, zou hij een uitdrukking kunnen gebruiken, die een verkeerde gedachte deed post vatten. Voorts is de doopbediening geen private zaak tusschen den dienaar en de ouders etc., maar handelt hij als dienaar der kerk. Daarom moet hij geheel de opvatting en woordenkeus van de kerk gebruiken bij de uiteenzetting van de beteekenis van het sacrament. Doet men dit niet, dan is er schijn alsof het een particuliere zaak ware tusschen den Dienaar en het kind met zijne ouders, en komt men er toe den persoon van den dienaar op den voorgrond te brengen. Daar nu alleen het sacrament op den doorgrond moet staan en de persoon van den dienaar zooveel mogelijk op den achtergrond moet treden en wegvallen, is het noodig dat hij niet alleen de verklaring der kerk geve, maar ook de eigen woorden der kerk in het formulier gebruikt. Daarom is het ook niet raadzaam iets weg te laten, toe te voegen of te wijzigen, althans niet wezenlijke veranderingen te maken. Behalve die veranderingen dus, die door de omstandigheden geboden zijn, b.v. de verandering van een meervoud in een enkelvoud.

|238|

Mits dit met de noodige kennis van zaken geschiede mag een oud woord, dat niet meer verstaanbaar is, in een nieuw veranderd worden. Zoo b.v. in de derde doopvraag mag „voor u neemt” niet veranderd in „U voorneemt”. Dit is geheel iets anders. „Voor u neemt” beteekent in de 16e eeuw „op u neemt, voor uw rekening neemt”. In vele uitgaven is echter veranderd in „u voorneemt”. Doch dit is een verzwakking van de oorspronkelijke uitdrukking, die daarom moet blijven staan.
Verder is daardoor alle toespraak bij den doop geoordeeld.
Er is zelfs een tijd geweest, waarin die toespraak geheel op den voorgrond trad.
Eerst in onze eeuw is het toevoegen van iets aan het formulier opgekomen, zooals het heette, om den doop plechtiger te maken. De mooiste toespraak lokte de meeste doopelingen. Dus aan ’t sacrament werd dan minder gehecht, maar meer aan de toespraak van de dienaar. Het sacrament raakt zoo op den achtergrond. De doop wordt dan een soort particuliere zaak tusschen den dienaar en de familie.
Ook werd daardoor de nadruk gelegd, niet op wat God bij den doop verzekert en bezegelt, maar op wat de menschen op zich namen. Gods daad bij den doop trad dan op den achtergrond. De toespraak van den dienaar kon Gods zegel niet vaster maken, daarom moest die toespraak zich wel ’t meest bewegen om de belofte door de ouders afgelegd, daar Gods werk geen nadere verzekering uit een toespraak kon krijgen. Daardoor is Gods werk bij den doop genegeerd en werd de belofte hoofdzaak. Zoo werd de doop meer een beloven der ouders dan een sacrament Gods. Dit moest natuurlijk wel geschieden om den doop niet tot een bespotting te maken. Doch hoofdzaak is het sacrament.
Daarom geen toespraken.
De Ned. Geref. Kerken hebben slechts ééns op dat formuliergebruik een uitzondering gemaakt, nl. Middelburgsche synode 1581 art 21 der particuliere vragen. Vrijgelaten werd om in de 2e doopvraag de uitdrukking: de leere, die hier geleerd wordt, te gebruiken of na te laten. Het motief was, dat die uitdrukking door veel menschen verkeerd begrepen werd. Men meende dat het was: de leer, die op dien tijd door dien tegenwoordigen dienaar geleerd werd. Dàn kon het voor sommige ouders moeilijk worden. Dit besluit is niet gehandhaafd, het steunde niet op een goeden grond. Later is het dan ook herroepen. Deze verkeerde opvatting moest niet door wijziging in de vraag worden aangenomen, maar de menschen moesten beter onderwezen worden wat het beteekende.
Weinig moeite kostte het deze opvatting weg te nemen. Wijziging was niet noodig, want de uitdrukking was duidelijk genoeg. „De leere die hier geleerd wordt” beteekent niet de leer, die door ieder die bij de kerk in dienst is geleerd wordt, maar de leer die door de kerk geleerd wordt in dit doopsformulier en in al de formulieren. Het andere zou zelfs door de ouders van te voren niet zijn uit te maken, maar op dat oogenblik. Dit nu gaat niet. Wat

|239|

de kerk zelve leert staat in haar liturgische formulieren, niet wat ieder leeraar voorstelt. En met wat de kerk leert wordt instemming verlangd.
Het Middelburgsch besluit was dus verkeerd en is daarom door de kerken beschouwd als niet genomen.
Later hebben de Remonstranten in Amsterdam zich er nog op beroepen.
In ’t begin der 16e eeuw werd een kind van den Remonstrant Episcopius gedoopt. De goed geref. predikant had op die woorden den nadruk gelegd. Episcopius heeft toen beklag ingediend, dat de Middelburgsche synode het had vrijgelaten en dat dus de predikant het moest weglaten. Maar de Amsterdamsche predikanten wezen er op, dat hij de zaak verkeerd inzag, dat dit besluit niet meer gold, omdat het zakelijk verkeerd was, waarom het formeel nooit herhaald is.
Het aangenomen formulier moet dus in de Geref. Kerken onveranderd gebruikt worden.

De uitdrukking „als der bejaarde personen” is eerst in 1619 in de Kerkorde gekomen, omdat er vroeger nog geen apart formulier voor was. Ook vroeger zijn herhaaldelijk bejaarden gedoopt, maar was er geen formulier voor.
Voor den kinderdoop had Datheen reeds in 1567 een formulier gemaakt dat uit het Paltz. en Gen. was samengesteld. Voor 1567 gebruikte men het formulier van de Londensche vluchtelingen door à Lasco gemaakt, saamgesteld uit het Geneefsche en Straatsburgsche formulier. In 1574 werd het formulier van Datheen bekort, en dat is het tegenwoordige formulier, dat nu in gebruik is.
Wel was er telkens over een formulier van bejaardendoop op classes en prov. synoden gesproken, maar er was er geen opgesteld. Gewoonlijk werd het vrijgelaten.
Alleen in 1610 is te Veere op de Zeeuwsche synode, die veel deed voor de Zeeuwsche kerken, een formulier van bejaardendoop vastgesteld voor de Zeeuwsche kerken.
Ook was in Holland een concept-formulier in gebruik.
Op de Dordtsche synode van 1619 volgde men het formulier van de prov. synode van Zeeland met verandering van de toespraak aan de doopelingen, en vooral door ’t stellen van vijf vragen in plaats van twee, overeenkomstig het Hollandsch concept.
Door misverstand heeft men nu in uitgaven der formulieren het formulier van bejaarden laten opgaan in toespraak en vragen, en deze alleen bij bejaardendoop gebruikt. Doch de bedoeling was, dat de voorafgaande uiteenzetting omtrent de beteekenis van het sacrament uit het formulier van den kinderdoop zou worden overgenomen.
Er behoort dus naar ’t besluit der synode aan vooraf te gaan, al wat bij den kinderdoop gezegd is over de beteekenis en

|240|

verplichting van doop. Waar echter het formulier voor den kinderdoop vervolgt met „En alhoewel onze jonge kinderen etc.” moet het formulier voor bejaardendoop volgen. Ook de gebeden van het formulier voor den kinderdoop moeten met een zeer kleine noodige wijziging worden gebruikt.
In de Waalsche kerken heeft men ook nog andere formulieren gemaakt voor den doop van Anabaptisten, Joden, Mohammedanen (Indië) en heidenen, die tot de Geref. kerk kwamen. Waarom juist de Waalsche kerken dit gedaan hebben is niet gemakkelijk te doorzien. Zulke menschen traden toch zeer zelden tot de Waalsche kerken toe, wel tot de Holl. Geref. kerken.
Afzonderlijke vragen zijn daarin gesteld, vooral met betrekking tot de dwalingen der gemeenschap, vanwaar zij kwamen, b.v. bij Dooperschen omtrent kinderdoop, bij Joden omtrent profetie. Doch behalve dat dit weinig voorkomt, kwamen hier te lande zulke formulieren weinig te pas. Men kan ze bij ’t doen van belijdenis genoegzaam omtrent de dwalingen onderzoeken. Deze vragen komen dus beter te pas bij voorafgaand onderzoek voor den kerkeraad.

Het letterlijk uitspreken van de doopformule heeft wel eens quaestie gegeven.
Met betrekking tot het „woordelijk gebruik” zijn er zelfs veel quaesties geweest. Zoo in de Roomsche kerk in de Middeleeuwen. De scholastieken wisten deze gevallen uit te breiden. Zoo b.v. het bij vergissing of opzettelijk verkeerd uitspreken van de doopformule.
In den brief van Bonifacius komt voor van een priester, die geen Latijn kende en zeide „in Nomine Patrea, Filia et Spirita Sancta”.
Paus Zacharias maakte uit, dat deze doop wel geldig was, aangezien hier blijkbaar een vergissing in ’t spel was.
Later werd door priesters en monniken met de doopformule gespot, die er allerlei dwaze toevoegsels of veranderingen in maakten. Men verminkte opzettelijk de formule of zei er bij of in plaats er van een versregel van Vergilius of Ovidius.
Zoo werden de quaesties spoedig legio. B.v. als men „Ego” wegliet of voor baptiso mergo of zoo iets, of in plaats van „te” den naam van het kind zeide. Of indien men de voegwoordjes wegliet; of in nomine Trinitatis, of in nomine producentis zeide of in nomine Jesu Christi of Amen wegliet.
Was bij al die gevallen de doop wettig?
Cf. hiervoor Voetius op dit punt.
De vraag was, of die doopformule „woord voor woord” tot het wezen van den doop behoorde. In de Roomsche kerk was regel: de formule behoort tot het wezen van den doop. Zoo was het quaestie of „nos baptisamus” geldig was.
Het antwoord luidt: er zijn twee gevallen hiervan.
1. Als de Paus, aartsbisschop, bisschop of kardinaal doopte. De pluralis majestatis is dan gelijk aan den singularis bij een ander mensch.
2. Als twee doopen, één doopt en de ander de woorden uitspreekt.

|241|

Zoo kwam die quaestie ook in de Geref. kerk. De geref. kerken houden vast, dat de doopformule niet tot het wezen van den doop behoort.
Ook uit het N. Testament is wel op te maken, dat de Apostelen in den naam van Jezus doopten. Ten opzichte hiervan geldt, dat wij niet alles mogen doen, wat de apostelen deden. Generaliter moet geantwoord, dat de doop erkend moet als de Drieëenheid erkend wordt. De hoofdzaak is of werkelijk de belijdenis der Drieëenheid geleerd wordt. Bij vergissing en verkeerd uitspreken heeft men nooit geaarzeld de geldigheid van den doop te erkennen. Maar geheel anders is het wanneer in een gemeenschap met opzet de formule veranderd wordt om de Drieëenheid te loochenen. Dan is het geen wettigen doop.
Tevens werd er de nadruk op gelegd, dat elke dienaar toch ernstig zij bij de handeling van den doop en dat hij op zijn woorden lette. Dan zal geen vergissing plaats hebben.
Quaestie is dan ook alleen gerezen bij opzettelijke verandering der formule, die voortvloeide uit loochening der Drieëenheid. In het uitspreken der klanken dier woorden ligt geen tooverkracht waaraan Gods werking gehouden zou zijn. Maar toch behooren de woorden als verklaring der handeling er bij.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 59

Van den Heiligen Doop.

Art. LIX. De bejaarden worden door den Doop de christelijke gemeente ingelijfd en voor lidmaten der gemeente aangenomen, en zijn daarom schuldig het Avondmaal des Heeren ook te gebruiken, ’t welk zij bij hunnen doop zullen beloven te doen.

Dit is een bepaling omtrent den doop van bejaarden of liever, omtrent de verplichting van gedoopte bejaarden om ook het Avondmaal te gebruiken.
Deze bepaling is eerst in 1619 in de Kerkorde ingekomen.
In de Postacta wordt vermeld in de 159e sessie, dat er een gravamen was ingekomen om eenparigheid te houden ook omtrent den doop aan bejaarde personen.
Daarover is in de 162e sessie na de adviezen van provinciën en professoren ook besloten.
Het gravamen was gekomen uit de provincie Noord-Holland, zooals blijkt uit de acta dier Noord-Hollandsche synode.
In die provincie was het herhaaldelijk voorgekomen, dat de doop gevraagd werd voor personen van 10-18 jaren, die geen kinderen en ook nog geen volwassenen waren. Evenzoo in andere provinciën.
De N.H. noch Z.H. synoden hadden op deze herhaalde vragen geen definitief besluit genomen. Wel was men in de practijk tot eenparigheid gekomen over kinderen tot 14 jaar toe. Die hadden nog onderwijs noodig. Konden dus niet op eigen belijdenis van geloof gedoopt worden, waren dus te beschouwen als pasgeboren kinderen, d.w.z. als kinderen des verbonds, die alleen moesten gedoopt

|242|

worden mits er waarborg zij voor de christelijke opvoeding. De doop moest dan zoo spoedig mogelijk bediend. Om ’t verzuim en uitstel van den doop mocht hij dan niet geweigerd worden. Dan was de doop des te dringender noodig. Hoe langer hij verzuimd was, des te meer moest ingehaald.
Wel moest bij kinderen, die eenig verstand hadden, onderzocht, nl. kinderen van 10-14 jaar, of zij reeds een christelijke opvoeding hadden gehad. Het doel was 1. Om te weten of zij iets wisten van de christelijke religie en dus in een christelijke omgeving waren. 2. Om te constateeren dat er geen pertinent verzet tegen het christendom was. Er kon soms bij zulke kinderen reeds een groote perversiteit aan den dag komen. Dit kon natuurlijk, hoewel het niet regel was.
Moeielijker werd het als de doopelingen 15, 16 en 17 jaar waren. Dan was de vraag: kan men die als kinderen beschouwen? Men meende: ze staan tusschen beiden in.
De Noord-Hollandsche synode liet het in de vrijheid der kerken, totdat een generale synode zou beslist hebben.
Synode 1619. Hoe te handelen met jongelieden van 15, 16, 17 jaar.
Dat art. 59 antwoord was op een gravamen van Noord-Holland, blijkt uit het rapport dat de deputaten van N. Holland op de eerstvolgende provinciale synode van N. Holland uitgebracht hebben, waarin zij zeiden: Als antwoord op een gravamen uit Noord-Holland etc.
Welke zin hier aan het woord „bejaarden” is toe te kennen blijkt uit de historie van het artikel.
Het beteekent niet oud, bedaagd, zooals thans, maar in de 16e eeuw bedoelde het „tot jaren gekomen”, nl. tot jaren des onderscheids. Er worden geen oude menschen, maar jongelieden van 15 tot 17 jaar bedoeld.
Het antwoord was, dat zulke jongelieden te beschouwen waren als alle oudere volwassenen. Op 15-jarigen leeftijd was dus een doopeling gehouden tot eigen geloofsbelijdenis. Dit sloot zich aan bij ’t oude Romeinsche, oud-Germaansche en oud-Friesche recht, waarin iemand op zijn 15e jaar „mondig” werd geacht, d.i. een eigen mond tot spreken hebbende. Dit was geheel iets anders dan meerderjarig. Hij kon dan optreden in rechten en werd voor „weerbaar” geacht, d.i. hij kreeg eigen wapens om te strijden.

In de tweede plaats zegt ’t artikel dat zulke bejaarden verplicht zijn tot het Avondmaal te komen.
Dit is ook besloten naar aanleiding van een gravamen uit synoden van Zuid- en Noord-Holland. Er waren herhaaldelijk personen, bij wie de geheele vraag om den doop gegrond was op de omstandigheid dat zij anders soms geen burgerlijke rechten hadden, vooral bij huwelijk.
Zij wilden gedoopt worden terwijl er geen kennis, geen blijk van geloof was, ja zelfs hun leven nog te wenschen overliet, om burgerlijke rechten te verkrijgen.
Het huwelijk was kerkelijk. De kerk wilde een ongedoopte niet

|243|

met een gedoopte huwen en drong er bij de overheid op aan om dit ook burgerlijk niet te doen. Zulke ongedoopten vroegen dan uit nood om den doop, ook al gaven ze niets om de kerk. In Holland kon men bij de overheid terecht. Daarom porden de kerken de overheid aan om niet te trouwen om ze onder het net der kerk te krijgen.
Moeielijkheid ontstond dan, als de persoon zich wilde laten doopen, maar niet tot het Avondmaal wilde gaan.
Bij dit dilemma sloegen de kerken dan soms een middenweg in; wel doopen en niet tot ’t avondmaal toelaten. Maar vooral werd ’t verschoven tot een synode.
De Dordtsche synode zette zich hier beslist tegenover. Zij ging uit van de onderstelling, dat één van tweeën waar is, als iemand gedoopt wordt op grond van geloof en bekeering; òf dat er deze grond is om een bejaarde te doopen, maar dan moet hij ’t avondmaal ook gebruiken, òf omdat geloof en bekeering niet voldoende worden geconstateerd, is er geen grond voor den doop, dus ook niet voor ‘t avondmaal.
Dit is de reden van dit artikel.
Later echter was er toch een afwijking. Ook Voetius dacht er soms anders over. Hij achtte, dat men in sommige gevallen iemand, die geen kennis heeft, wel kan doopen en niet tot het avondmaal toelaten. B.v. krijgslieden die in ’t leger, zeelieden, die met hun schip moeten vertrekken etc. Hij meent, men kan dan wel doopen, ook al ontbreekt er nog wat aan.
Deze redenering gaat echter niet op. Die berust bij de menschen alleen op de idee, dat men zonder doop niet zalig wordt. Hun zaligheid hangt er niet van af, daarom behoeft die doop niet bediend.
Voetius voert aan, dat de doop sacrament der inlijving is en het avondmaal sacrament der voeding.
Doch uit het onderscheid tusschen doop en avondmaal volgt niet, dat bij volwassenen wel genoegzame kennis, ernst en zuiverheid des levens kon aanwezig zijn voor ’t sacrament des Doops, maar niet voor ’t sacrament des Avondmaals.
Bij kleine kinderen is natuurlijk vóór den doop geen geloof te zien. Maar voor ouderen geldt: „Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd”.
Het particuliere gevoelen van Voetius is nooit door de kerken goedgekeurd en aangenomen.
Het formulier voor den doop van bejaarden verhindert ook het in praktijk komen daarvan en het kon ook niet, nu artikel 59 zich zoo scherp uitdrukt.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 60

Van den Heiligen Doop.

Art. LX. De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen en desgelijks de tijd des doops, zullen opgeteekend worden.

Art. 60 is een opmerking van practischen aard, een practische wenk. In de Kerkorde staat geen bepaling voor al of niet geoorloofde namen, wel in de oudere redacties, b.v. in de K.O. van 1578, art. 63. Men zal weglaten de namen, die Gode of Christo eigen zijn, b.v.

|244|

Salvator, Immanuel, of der officieren in bijzondere diensten, als Engel, Baptista, of dewelke anderszins superstitieus zijn.
Verder is het vrij den kinderen al zulke nemen te geven als men wil.
Evenzoo in de K.O. van 1581, 23e particuliere vraag. Deze bepaling werd dus toen uit de K.O. uitgelicht en naar de particuliere vragen overgebracht, evenals meer andere om des te gemakkelijker politieke approbatie van de overheid te verkrijgen.
Later is die bijvoeging niet meer in de K.O. gekomen.
Toch moet gerekend worden, dat het gevoelen der kerken daarover niet veranderd is. Aan de ouders werd vrijgelaten de namen te geven die zij wilden, maar niet de namen van God etc. hetgeen aan de eere Gods te kort doet. Sterk werd aangedrongen om geen superstitieuze namen te geven.
Soms ging men verder. De Engelsche puriteinen en de Schotsche Covenanters hadden de gewoonte een tijd lang alleen bijbelsche namen te geven. Dat is door de Geref. kerken nooit aangenomen. ’t Kan ook niet, want er zijn heel wat namen in den bijbel die ongeschikt zijn.
Voetius merkt op, dat een Gereformeerde niet licht namen zal gebruiken als Beëlzebub, Kain, Dagon, Baäl Peor. Dus terecht is toch beperking noodig.
Dit kwam ook niet voor bij de kerk der Middeleeuwen. Integendeel, ook in de kerkgeschiedenis vond men een aantal namen, die zeer goedgekeurd werden.
Op dit punt gingen de Roomschen veel verder. Elk kind brengt zijn naam mee, d.w.z. het draagt den naam van den Heilige, op wiens dag het geboren is. (Elke dag heeft een heilige.) Bij de Lutherschen de naam, dien de Luthersche kalender aangaf, nl. een naam uit de kerkgeschiedenis van een gedenkwaardig man voor de Luthersche kerk.
Dit geschiedde om heidensche namen te weren. De Geref. zegt: De Schrift zelf gaat hierin niet voor, maar laat den naam vrij, cf. Apollos Hermas, hoewel heidensch, is ook een goede naam in de kerkgeschiedenis.
In de practijk heeft dit maar enkele malen moeielijkheid gegeven. In Geneve heeft Calvijn eenmaal op last van den kerkeraad geweigerd een kind te doopen om den ergerlijken naam. Jozua zou een kind mogen heeten. Die naam wordt ook door menschen gedragen. Jezus niet. Hier te lande zijn slechts zeer enkele namen. Tegenwoordig is er geen vrees, omdat men op den burgerlijken stand alleen bestaande en geen nieuw verzonnen namen aanvaardt.
De gewoonte om de namen van bekeerde Joden of heidenen in Christelijke te veranderen is niet in de Schrift gegrond. Het is niet noodzakelijk. Ook de apostelen veranderden hun naam niet, maar de heidenen die Christenen werden, behielden hun naam. De groetenissen in de brieven bevatten veel heidensche namen.
Het werd door de Gereformeerden niet absoluut afgekeurd, maar toch niet noodig geacht, soms zeer lastig en onraadzaam.

|245|

Voetius merkt op, dat het ook nogal moeilijk is iemand, die 40 jaren een naam gedragen heeft nu van naam te veranderen. Daarom moet men iemand den naam laten houden, mits die niet ergerlijk is.
Die namen nu moeten volgens dit artikel opgeteekend worden in een boek. De namen van de getuigen staan er bij, omdat het vroeger gewoonte was er altijd getuigen bij te hebben.
In de kruiskerken is die opteekening gewoonlijk wel, maar soms ook niet geschied. De vervolgingen beletten dit. Er lag soms veel gevaar in zulk een boek.
Toch is er reden voor die opteekening, want de kerk moet weten op welke kinderen ze nu als gedoopten heeft toe te zien. En ook om achteraf zekerheid te hebben.
Ook was onder Rome dezelfde gewoonte. Daar had het nog tot reden om te weten welke kinderen levenslang onder de tucht van Rome stonden, want Rome beweerde levenslang tucht over een door haar gedoopte te kunnen uitoefenen.
Dit hebben de Gereformeerden niet aanvaard. Men kan zich later aan de kerk onttrekken en het instituut verlaten.
Dit is omtrent den doop ’t laatste artikel.
Enkele andere doopquaesties werden beschouwd als adiaphora en vrijgelaten.
De hoofdzaken staan in de kerkorde. Bijkomstige quaesties zijn in de Geref. kerken tot de middelmatige dingen gerekend.
Reeds bij de artikelen kwamen er eenige uit. Thans bespreken we er nog enkele.
1. In de Geref kerken is altijd voor een middelmatig ding gehouden: besprenging met water of onderdompeling.
Daarvan is wel eens in de Christelijke kerk eene quaestie gemaakt, in de 16e eeuw door sommige Anabaptisten en in de 17e eeuw is ze weer opgekomen in sommige Baptistische kringen, voornamelijk Engeland. En tot op onzen tijd toe is ze herhaald.
Het is zonder twijfel een feit, dat in den beginne de doop door onderdompeling bediend is. Waar van doop in het N. Testament gesproken wordt, is soms uitdrukkelijk de onderdompeling er bij genoemd. Nergens is van iets anders, van besprenging sprake.
Evenzoo geschiedde het in de eerste eeuwen der Christelijke kerk. Gewoonlijk neemt men aan: tot ongeveer de 12e eeuw.
Historisch is dit toegelicht in een geschrift van den Leidschen Hoogleeraar Ger. Joann. Vossius in ‘t begin der 17e eeuw uitgekomen.
In ’t Westen is echter allengs sedert de 12e eeuw de besprenging meer in zwang gekomen. Zoo van den aanvang af was besprenging gewoonte in de Protestantsche kerk, behalve bij de Anabaptisten.
Aanleiding daartoe zal wel meest geweest zijn, dat in een koudere luchtstreek doop door onderdompeling zijn eigenaardige bezwaren en gevaren had. Ook overwegingen omtrent decorum en kieschheid kwamen er bij, waar het bejaarden, volwassenen gold.
Bij pasgeboren kinderen is onderdompeling des te meer gevaarlijk. Ook bij kinderdoop was een onderdompeling dus met bezwaren verbonden.

|246|

Om de besprenging te rechtvaardigen beriep men zich hierop, dat in het N. Testament, wanneer over de beteekende zaak gesproken wordt evengoed van besprenging als van onderdompeling sprake is; cf. Hebr. 12: 24; 1 Petr. 1: 2, waar sprake is van besprenging met het bloed van Christus.
Jes. 44: 3. Hier is sprake van water uitgieten op de dorstigen. Vooral werd op den voorgrond gesteld, dat de hoeveelheid water niet iets wezenlijks kon genoemd worden, maar het aankomt op de beteekenis van het water. Het komt aan op de wassching met het water. Daartoe kon beiderlei handeling dienen, want men kon zichzelf afwasschen door een bad of ook door water op het lichaam te brengen. De reinigende kracht van het water komt evengoed uit bij de besprenging. Het blijft evengoed teeken.
Dus lag het in den aard van den doop als symbolische wassching zelf, dat onderdompeling of besprenging adiaphoron was
Bij onderdompeling had men dan nog quaesties hoever de kleederen moesten uitgedaan. Sommigen zeiden geheel. Sommigen om het decorum ten deele.
Al deze visieve quaesties bij onderdompeling kunnen nu weggelaten worden.
Het komt aan op het water als middel tot wassching.
2. Welke plaats van het lichaam met water te besprengen is.
Dit is ook adiaphoron. In de H.Schrift wordt geen plaats bepaald. Dit is op zichzelf onverschillig. Vaste usantie is geworden om ’t voorhoofd te besprengen. Dit ligt voor de hand. Het voorhoofd is altijd vanzelf ontbloot en het kan ook ’t gemakkelijkst besprengd worden. Terwijl ook als zetel van het verstand het hoofd het lichaam regeert en dus het meest is, als het geheele lichaam vertegenwoordigende.
In de Roomsche kerk vroeg men, of men dan ook niet aan de handen kon doopen en of zo’n doop geldig was. Doch de Geref. zullen er nooit toe komen op de handen te doopen.
De plaats, die het meest aan het menschelijke in den mensch herinnert is het hoofd. Doop aan de handen is daarom betrekkelijk te verwerpen.
Adiaphoron wil hier evenmin zooals elders zeggen, dat ieder mag doen zooals hij wil. Strikt genomen is er geen adiaphoron.
Met betrekking tot de adiaphora geldt echter de algemeene regel, dat men niet moet afwijken van bestaande usantiën. Naar willekeur mag niet gehandeld worden.
De omstandigheid, dat wie zonder reden van de usantie afwijkt ontsticht, maakt de zaak betrekkelijk met adiaphoron.
3. Eenmaal of driemaal besprengen? De Emdensche K.O. van 1571 art. 19 noemt dit middelmatig.
Eenigszins afwijkend is het besluit der Dordtsche Synode van 1574, die blijkens art. 65 van de reductie uitsprak, dat het raadzaamste en beste is éénmaal te besprengen, doch driemaal zal men dulden ter tijd toe dat men de andere manier beter invoeren kan. Op 1 × besprengen wordt dus aangehouden.

|247|

Geen andere Synode heeft echter dit besluit gehandhaafd, maar zich aan het besluit der Emder Synode van 1571 gehouden.
Tegenwoordig is de praktijk algemeen 3 × besprengen. Zonder noodzaak is daarvan ook niet af te wijken. Wel is 1 × voldoende, maar door zonder reden van het 3 × besprengen af te wijken ontsticht men ook hier.
In het aantal besprengingen een antwoord te zoeken op de vraag of men Gods eenheid of Drievuldigheid meer op den voorgrond stelt, is ongerijmd. Een bijzondere beteekenis ligt er in het aantal besprengingen niet.
4. Of men de doopsformule uitspreekt precies tegelijk met het besprengen, dan wel even er voor of even er na.
Daaraan is door sommigen gehecht, die dan ook wilden, dat het precies zou saamvallen.
Doch hierin ligt niets bijzonders.
In den regel zal dit wel gebeuren, maar daarin zit toch niet de kracht van den doop.
5. Of de doop plaats heeft voor of na de predikatie.
De Dordtsche Synode van 1574 beslist volgens art. 60, hoewel de doop op zichzelf behoort bediend te worden is het beter ze te sluiten tusschen de predikatie en ‘t algemeene gebed. Dit is vrij algemeen de usantie. Dit sluit echter een anderen tijd niet uit b.v. doop vóór de predikatie.
Het besluit van sommige partic. synoden voor het terstond ná de predikatie en tegen het op anderen tijd doopen, is genomen in antithese met den doop na het uitspreken van den zegen. Wanneer de gemeente bijna geheel ’t gebouw heeft verlaten. Dus om de gemeente er bij te houden.
In Duitschland geschiedt het na den zegen en dus loopt de gemeente weg.
Ook soms in Engeland. Zoo wordt het een particuliere zaak tusschen den predikant en de familie van den doopeling. Om dat te voorkomen, werd dan uitgesproken, dat de doop gedurende den dienst na de predikatie moest geschieden.
Het best zal zeker zijn na den dienst en de bediening van het Woord te doen voorafgaan.
Alleen in sommige gevallen: als b.v. in een vacantie kerk in een vacaturedienst doop, Avondmaal en huwelijksbevestiging in één godsdienstoefening moet plaats hebben, dan kon men wel Doop voor de preek nemen.
Geenszins adiaphoron is dat de doop met water moet bediend worden. Anders is het geen wassching.
Het staat wel niet in de K.O. maar men wascht zich ook met water.
In de Roomsche kerk, waar de doop noodzakelijk ter zaligheid is, gaf dit wel eens bezwaren, als er gebrek aan water is, b.v. in de woestijn etc. Daarom worden in die dringende gevallen voor geval van nood door Rome surrogaten toegestaan.

|248|

In de Geref. kerken is dit onnoodig. Daar zijn geen surrogaten toegelaten, en moet men wachten tot er water is. Zonder waterdoop zal het kind toch zalig worden.
Men moet doopen op het lichaam. Het water moet aan het lichaam en niet aan de kleederen geappliceerd worden. Anders gaat het beeld te loor en verliest de doop zijn beteekenis.
Er is wel eens gewezen op de wassching der kleeren in het O. Testament. Doch dat is iets geheel anders. Daarmee wordt ook het lichaam niet gereinigd. En reiniging des lichaams is het symbool.
Het water moet gebruikt als teeken van de afwassching. Het deel van het lichaam, dat besprengd wordt, moet dus bloot zijn.
Al deze dingen staan niet in de Kerkorde, omdat ze vanzelf spreken.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 61

Van het Heilig Avondmaal.

Art. LXI. Men zal niemand ten Avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der kerk, tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vroomen wandels, zonder welke ook degenen, die uit andere kerken komen, niet zullen toegelaten worden.

In het eerste gedeelte van dit artikel is sprake van de eerste toelating tot het Avondmaal, in het tweede gedeelte van degenen, die reeds vroeger in een andere Geref. kerk voor ’t eerst zijn toegelaten.
Zoo is dit beginsel reeds van den beginne af geweest. Reeds vroeg is het uitgesproken.
Het uitvoerigst wordt hierover gesproken in de artikelen van het Convent te Wezel in 1568.
In Cap. VI art. 7-11 wordt een soort handleiding voor de kerken gegeven.
Art. 7. De Avondmaalsdisch, zooals voorop gesteld wordt, is niet promiscue voor iedereen, maar er is toelating daarvoor vanwege de kerken noodig en daarvoor zijn vereischt belijdenis des geloofs en onderwerping aan de kerkelijke tucht.
Artt. 8 en 9. Handelen over de toelating tot het Avondmaal van volwassenen, nl. van diegenen, die in dien tijd tot dusver onder Rome geweest waren. Voor hen gelden dezelfde vereischten: geloofsbelijdenis en onderwerping aan de kerkelijke tucht.
Zij moeten zich 8 dagen tevoren bij een der dienaren opgeven. In tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen moeten ze belijdenis des geloofs afleggen en bewijs geven van zuivere wandel. Die geloofsbelijdenis behoefde niet in ’t openbaar te worden afgelegd, wegens de bezwaren in de kerken van dien tijd. 1e. Vele kerken waren onder het kruis, dus er bestond gevaar. 2e. Velen meenden ’t wel goed, maar konden op vele vragen zeker niet antwoorden. Geen openbare belijdenis om ze niet beschaamd te maken. Alleen de kerkeraad hoorde hen.

|249|

Art. 10. Kinderen, die gecatechiseerd hebben, dus onderwijs hebben gehad, moeten in ’t openbaar belijdenis des geloofs doen.
Art. 11. Allen, kinderen en volwassenen, zullen in de godsdienstoefening, die aan de Avondmaalsviering vooraf gaat, openbare belijdenis doen, bestaande in antwoord op enkele vragen, en zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht.
Hierin liggen alle beginselen over de toelating tot het Avondmaal.
In latere Synoden is dit herhaald. De Emdensche Synode van 1571 heeft zich met dit punt niet bezig gehouden.
De Dordtsche Synode van 1574 bepaalde, dat bij de openbare geloofsbelijdenis de vragen alleen met „ja” zouden beantwoord worden.
Art. 72. Met een jawoord.
Art. 70. Het voorafgaand onderzoek voor den kerkeraad, een dienaar en twee ouderlingen. De Synode van 1578 besloot hetzelfde.
Art. 64. Zij heeft de vragen, die gedaan zouden worden, reeds eenigszins geformuleerd.
Substantieel bevatten zij hetzelfde als de tegenwoordige vragen.
In 1581 is het artikel zonder verandering van den zin in de tegenwoordige woorden geredigeerd, want zoo is het gebleven.
De zaak die hier geregeld wordt is dus de eerste toelating tot het Heilig Avondmaal. Toelaten moet ’t ook in de Kerkorde heeten, omdat het er op aankomt die uitdrukking te handhaven en niet er een andere uitdrukking voor in de plaats te stellen.
In ore populi wordt de hier bedoelde zaak nog vaak met een andere uitdrukking benoemd en dan gesproken van de aanneming tot lidmaat. Een wijze van spreken, die zich vooral in het Hervormd genootschap heeft uitgebreid en gangbaar geworden is.
Die uitdrukking is volkomen onjuist en oudtijds volstrekt niet gebruikt.
Wanneer men in oude lidmatenboeken de uitdrukking „aangenomen tot lidmaat der kerk” gebruikt vindt, beteekent dit niet, dat deze personen in ’t algemeen voor ’t eerst tot het Avondmaal worden toegelaten, maar dat die personen toegelaten worden tot het Avondmaal in die bepaalde kerk, waarvan dat lidmatenboek is, dat die dáár op die plaats worden toegelaten, zoowel van elders als van de plaats zelf. Het bedoelt dus niet, dat die personen tevoren nog geen lidmaten der kerk waren, maar wel, dat ze nog niet als lidmaten dier bepaalde kerk erkend waren, nog geen volle leden waren òf van elders gekomen.
In het afschrift van het Kort begrip en in drie vragen staat de algemeene uitdrukking: tot het Avondmaal toegelaten.
Die voor het eerst tot het Avondmaal wordt toegelaten, na reeds vroeger gedoopt te zijn, is reeds door den doop lidmaat der

|250|

geïnstitueerde kerk. Ook vóór den doop is hij dan toch reeds lidmaat maar van de kerk quatemum invisibilis nl. van het Lichaam van Christus. Dit blijkt o.m. uit de eerste doopvraag: Er wordt niet gevraagd of de ouders dat kind lidmaat willen maken, maar erkennen dat het reeds lidmaat van Christus is en als zoodanig moet gedoopt worden.
Door den doop wordt men erkend als lidmaat van de geïnstitueerde kerk. Daarom mogen de kinderen wel lidmaten genoemd worden. Zij zijn dan incomplete, onmondige, niet uitgegroeide leden der kerk.
Men wilde onder invloed van de Reglementen van het Hervormd Genootschap wel onderscheid maken tusschen lid (vóór de belijdenis) en lidmaat (na de belijdenis). Doch etymologisch is er geen verschil in de afleiding. Ook niet in het oude spraakgebruik.
Doet het er dan zooveel toe om hierop aan te houden?
De kerkelijke terminologie is nooit onverschillig, want er zit een erkenning in.
Zoo moet gesproken worden van zending onder de Joden, niet onder de Israelieten, want de geloovige Christenen zijn het ware Israel. Anders zou men hun nationale trots sterken. Zoo ook „Roomsch” of „Catholiek”. Eveneens is het met „lidmaat”.
Door verkeerde woorden worden verkeerde begrippen gepropageerd.
Zoo ook is ’t met de uitdrukking aannemen tot lidmaat. Waar die in gebruik is wordt die handeling hoofdzaak in het kerkelijk leven. Wordt men lidmaat door belijdenis dan wordt daardoor den Doop op den achtergrond gesteld en verzwakt. Zoo is ’t reeds geschied bij Rome in de Middeleeuwen. De Confirmatie werd boven den doop gesteld, want de laatste handeling mag zelfs door een leek, de eerste alleen door een bisschop geschieden.
Evenzoo in andere onzuivere kerken; bij alle kerk en genootschap, dat de belijdenis op den voorgrond stelt. Gods zegel wordt eerst naast dan onder menschenvinding gesteld. Zoo wordt Gods zegel verwaarloosd en aan een menschenwoord kracht gehecht.
Daarom moet in Gereformeerde kerken altijd gesproken worden van toelating tot het Avondmaal. Zoo komt het dat belijdenis doen bij sommige gereformeerden niet insluit aangaan aan het Avondmaal. Anders komt men in gevaar de aanneming tot lidmaat te scheiden van de toelating tot het Avondmaal. Zelfs in Geref. kringen is dit wanbegrip ingedrongen. Er is geen aanneming tot lidmaat, maar alleen toelating tot het Avondmaal.
Het belijdenis doen is natuurlijk altijd in verband met het Avondmaal te nemen. Tenzij men bij zulke Gereformeerden onder belijdenis aanneming verstaat, heeft de handeling geen betekenis.
Ten grondslag aan die bepaling ligt de gedachte, dat de Avondmaalsdisch niet promiscue mag zijn, dat de toegang tot het Avondmaal niet voor iedereen openstaat. De kerk moet zich vergewissen, dat die komen werkelijk Avondmaal kunnen vieren en dat in hun belijdenis en wandel niets daartegen is.

|251|

Het Avondmaal verschilt in zooverre van den Doop, dat niemand het kan vieren, zonder te weten wat hij doet. Het is ingesteld tot gedachtenis, om Christus’ dood te verkondigen. Het lichaam en bloed des Heeren moet onderscheiden worden. Dat kan niet onbewust geschieden. In hoofdzaak moet men dus kennis er van hebben, waarop het bij het Avondmaal aankomt. De kerk, in wier midden de disch wordt aangericht, moet zich verzekeren, dat aan die onmisbare voorwaarde voldaan is, moet weten wie zij toelaat. Dit beginsel is tot op zekere hoogte algemeen in de Christelijke kerk erkend.
Uitzondering is alleen in de Roomsche kerk geweest, of ook kinderen tot het Avondmaal mochten toegelaten? Daarop is wel eens bevestigend geantwoord met beroep op kerkvaders uit de 3e en 4e eeuw. Niet ten onrechte, want hier en daar schijnt in de eerste eeuw kindercommunie inderdaad te hebben plaats gehad, zelfs van zeer kleine kinderen, zuigelingen.
Dat blijkt uit de bijvoeging, dat men moest toezien, dat de kinderen nuchter kwamen, d.w.z. de borst nog niet gehad hadden. De grond hiervan lag in het dwaalbegrip, dat het Sacrament werkte ex opere operato, buiten het bewustzijn om. Dit kan wel bij den doop, maar niet bij het avondmaal, dat van geheel anderen aard is.
Deze vraag is echter in Geref. kerken nooit gedaan. Daar is altijd het beginsel gehandhaafd.
Wel is er in ander opzicht in de kerken, die van Rome verschilden, tegen dien eisch gezondigd, nl. waar men zeide dat de keus of de beslissing over de vereischten tot de Avondmaalsviering aan de personen zelf moet overgelaten. De kerk moet wel prediken maar ‘t onderzoek aan ieder zelf laten. Men beroept zich daarvoor op den tekst: Onderzoekt Uzelven etc.
Ook nu zijn er zelfs nog in het buitenland Geref. kerken, waar men zoo te werk gaat.
Onze Kerkorde sluit dit uit. Aan het Avondmaal heeft de Kerk des Heeren aan te zitten. De kerk moet dus toezien, dat daar niemand kome, die blijkbaar ongelovig is, die niet tot de gemeente des Heeren behoort. De kerk oordeelt wel niet de intimis maar toch moet zij op de kenmerken letten.
Bij de andere beschouwing is een toelating zonder onderzoek feitelijk een ontheiliging van het Sacrament. Dan is de opvatting alsof het Avondmaal een gewone maaltijd was, of wel alsof het geen van Gods aangerichte maaltijd was, alsof de gemeente daarbij geenerlei verantwoordelijkheid had en alsof het werd aangericht op autoriteit van niemand. Bovendien leidt het tot ontbinding der kerk en is het niet toe te passen op personen, die zeer ergerlijk van wandel zijn. Het zou toch niet wel aangaan een openlijk hoereerder of dronkaard te laten aankomen. Doch dan is men ook inconsequent, zonder beginsel. Het is een maaltijd der gemeente, die in Naam van den Koning der Kerk de tafel aanricht.

|252|

Voor de toelating zijn dus eischen te stellen. Welke eischen? Het antwoord vloeit vanzelf voort uit de beteekenis van de zaak zelve. Waar de beteekenis van het belijdenis doen verkeerd opgevat wordt, worden ook de eischen voor toelating verkeerd gesteld.
Het is geen examen, intellectueel onderzoek als eind van den leertijd van de catechisatie. Is het eene toelating tot de kerk, dan wisselen de eischen met meer of minder zuiver kerkbegrip van den toe te latene.
Is het een overnemen van de vroegere doopbelofte, een bevestiging aan den gedoopte van zijn doop, dan stelt men de eischen weer hiernaar.
Geëischt moet alleen, wat er voor een Avondmaalsviering noodig is. Dus:
1e. dat iemand tot jaren van onderscheid is gekomen;
2e. dat hij de noodige kennis bezit om het Avondmaal naar eisch te vieren;
3e. dat hij verklare het noodige geloof te hebben, dat aan het Avondmaal wordt betuigd, behoudens den regel: „de intimis non judicat ecclesia”;
4e. een onbesproken wandel, een leven, dat deze belijdenis niet weerspreekt;
5e. dat hij zich onderwerpt aan de kerkelijke tucht, omdat het tegelijk toelating is tot volgende Avondmaalsvieringen.
Dit wordt in art. 61 kortelijk saamgevat.
In het artikel wordt niet gesproken van jaren, want de leeftijd ligt in de belijdenis opgesloten. Niet van onderwerping aan de kerkelijke tucht, omdat ook deze in de belijdenis der Gereformeerde religie is toegelaten.
De wijze, waarop de zaken moeten geregeld worden, is niet nader omschreven.
„Naar de gewoonheid der kerken”.
„Der kerken” is gen. sing., zooals gewoonlijk.
Meervoud dus hier niet, omdat verschillende kerken verschillende gewoonten hebben en dus niet te spreken is van de gewoonheid van alle kerken. „Naar de gewoonheid der kerk”.
Daarin ligt dat de regeling niet moet geschieden door den predikant alleen, maar door de kerk, d.i. den kerkeraad. Die laat toe. De kerkeraad regeert, niet de predikant. De kerkeraad regelt, al kan de predikant voorstellen doen. Wil de kerkeraad hem vrijlaten, dan moet hij den kerkeraad dit punt beter duidelijk maken.
Ook moet de kerk de ouderlingen daarbij doen handelen.
Ook de gemeente moet er niet buiten gehouden, maar ze moet er bij werkzaam zijn.
Het is de gewoonte der “Kerk”.
De kerkeraad treedt alleen op als orgaan der gemeente en moet dus ook met de gemeente saam handelen.
Daaruit volgen de algemeene beginselen.

|253|

1e. Onderzoek naar den wandel moet plaats hebben. Daarbij moet de gemeente al aanstonds meewerken.
Dit kan verschillend geschieden. 1. Met betrekking tot de afkondiging. 2. Bij groote gemeenten heeft men b.v. minstens twee bekende en onbesproken getuigen, die omtrent het leven belijdenis afleggen.
2e. Voorts moet er zijn een geloofsbelijdenis, in bijzonderheden afdalende, waarbij degeen, die toelating begeert, omtrent de hoofdpunten ondervraagd wordt. Die punten worden in den Catechismus aangegeven, die juist daarvoor gemaakt is. Ellende, verlossing en dankbaarheid. De vermogens van den persoon moeten daarbij aangemerkt worden. Bij iemand met een vlug verstand zou onkunde in alle andere stukken gebrek aan belangstelling verraden en dus de belijdenis niet veel waard zijn. Bij ouden van dagen of onwetende menschen zijn die drie punten genoeg.
Dat onderzoek moet door den kerkeraad ingesteld, liefst in ’t openbaar. Vooral in de 16e eeuw is daarop aangedrongen, doch om schroomvalligheid is het wel nagelaten. Of zijn er bezwaren dan in besloten kring. Het beginsel eischt openbaarheid.
Door gecommitteerden uit den kerkeraad of door den geheelen kerkeraad.
Het moet geen examen maar een geloofsbelijdenis zijn. Het moet daarom zoo min mogelijk den vorm van een examen hebben.
Liefst moet niet elk predikant altijd zijn eigen catechisanten vragen, maar zooals in Vlissingen en Utrecht (Voetius) moet ieder predikant om beurte alle catechumenen ondervragen.
Ook de ouderlingen moeten mee vragen doen en mee oordeelen.
Het artikel spreekt er niet van of de belijdenis in ’t openbaar moet geschieden. Uit vroegere redactie blijkt echter, dat openbare belijdenis bedoeld is.
Wanneer het gedetailleerde onderzoek openbaar plaats heeft, kan daaraan de belijdenis vastgeknoopt. Zoo was het in vroeger eeuwen, als er menschen bij konden komen.
Heeft echter de gedetailleerde onderzoeking niet in ’t openbaar plaats, maar alleen voor den predikant en een paar ouderlingen, dan is een korte belijdenis in ’t openbaar noodig.
De stipulatie ter toelating is voor de gemeente, dus moet die in ieder geval openlijk in tegenwoordigheid van de gemeente plaats hebben.
De opneming in de volle gemeenschap der kerk moet natuurlijk plaats vinden in een volle samenkomst der gemeente.
De meest geschikte tijd voor ‘t afleggen der publieke geloofsbelijdenis is die avondgodsdienstoefening, waarin tegelijk voorbereiding voor ‘t Avondmaal plaats heeft. De openbare belijdenis moet liefst zoo kort mogelijk voor het Avondmaal geschieden. Daarom is het best, dat ze met de voorbereidingspredikatie saamvalle.
Vroeger was ze hiervan wel gescheiden.
Toen werd vóór de voorbereiding op Zaterdagavond op den daaraan

|254|

voorafgaanden Zondag nog een aparte belijdenispredikatie gehouden., waarin kortelijk alle stukken van de belijdenis nog eens werden geresumeerd. In groote kerken, waar drie diensten waren, geschiedde dit in drieën. In elk van de diensten dan een der drie stukken der belijdenis naar de indeeling van den Catechismus behandeld. Op het platteland geschiedde dit in één dienst, toch ook wel in steden, zooals blijkt uit uitgegeven en nog overgebleven belijdenispredikatiën. Deze zijn zeer lang, maar niet zoo uitgesproken, maar de uitgesproken predikatie (ook andere predikaties) werd uitgewerkt. Ze kunnen onmogelijk zoo gehouden zijn, anders had de dienst minstens zes uren achtereen geduurd. Bij die gewoonte was deze (belijdenis)dienst natuurlijk ook het meest geschikt voor ’t doen der belijdenis tot toelating tot het Avondmaal.
Tegenwoordig is ze in onbruik. Belijdenispredikaties worden thans niet meer gehouden. Het is ook uiterst moeielijk in één preek een kort resumé van de geheele christelijke leer te geven. Door het summierlijke wordt het bijna altijd dor en droog of wel verschillende stukken worden verwaarloosd.
De zoogenaamde bevestigingspreek of -beurt, een aparte dienst voor ’t doen van belijdenis, hoort in de Geref. kerken niet thuis.
Dit is dan ook alleen gedaan, toen men tengevolge van het collegiale stelsel is gaan meenen, dat men door de belijdenis eerst lidmaat der kerk werd. Daarop moet dan alle nadruk vallen, vandaar een aparte dienst. Dan ziet men echter ook niet in, dat belijdenis doen niet anders is dan een toegang tot het Avondmaal vragen. Daarom wordt het dan ook van de voorbereiding gescheiden. Dit moet in ’t licht gesteld tegenover hen, die wel belijdenis willen, maar geen toegang tot het Avondmaal. Dan toch is de belijdenis een protestatio actui contraria. Daarom moet ze liefst met de voorbereiding verbonden.
Ze omvat de belijdenis der Christelijke leer, het voornemen des harten zich daaraan te houden, een stipulatie zich te onderwerpen aan de kerkelijke tucht.
Vroeger was er geen formulier voor de vragen, die gedaan moesten worden. Wel was de inhoud aangegeven, doch niet de vorm. De formulering werd aan de kerken overgelaten,. niet de inhoud. Het kort begrip geeft de drie vragen. Doel is niet de kerkeraden aan die bewoordingen te verbinden.
Dit blijkt ook wel uit de Pol. Eccl. van Voetius in de inleiding over toelating tot de christelijke kerk, waar hij van drie vragen spreekt, maar bij de toelating (in ’t werk zelf) vermeldt hij vier vragen te Utrecht, ook vragen te Rotterdam. Verschillende kerken gebruikten dus verschillende vormen.
Op de dorpen hield men zich het meest aan de drie vragen achterin het kort begrip der christelijke religie, doch in steden formuleerde men zelf vragen. Daartegen bestaat ook geen bezwaar.
Doch de vrijheid van formulering staat niet aan den predikant Suo marte, maar aan den kerkeraad, want het is het werk van de kerk. Bovendien is dit formuleeren zoo gemakkelijk niet. Niet

|255|

elke kerkeraad kan dit doen. Vooral als zij uitgebreider worden kan de strekking van de vragen wel eens niet begrepen worden en de vragen verkeerd gesteld. Noodzaak voor die eigen formuleering is er niet. Men kan zich ’t best algemeen aan de drie vragen van het „Kort Begrip” houden.
Goed zal ook zijn, dat voor de jonge menschen van tevoren bekend zij, waarop zij hebben te antwoorden, omdat zij op ‘t eerste gehoor niet zoo dadelijk de portée vatten. Eisch van de zaak is, dat de personen, die de stipulatie aangaan, vooruit de vragen kennen, opdat er waarheid zij in de beantwoording.
Daarna heeft de inschrijving plaats in het boek van de ten Avondmaal toegelatenen.
Bij deze toelating tot het Avondmaal zijn nog tal van practische vragen te beantwoorden, die ook door Voetius zijn besproken.
O.a. hoe de kerkeraad zich het best vergewissen zal van den onbesproken wandel der catechumenen; hoe het onderzoek ’t best zal plaats hebben etc.
Voor die alle geldt: Variis modis bene fit. Op kleine plaatsen is dit heel gemakkelijk. Daar kennen allen elkaar. Is er op een der catechumenen iets aan te merken, dan weet men dit wel. Moeielijker is het in groote steden. De kerkeraad kent ze niet allen. Daarom was ’t daar steeds de gewoonte een schriftelijke verklaring of getuigschrift te eischen van twee onbesproken, ter goeder naam en faam bekend staande leden der gemeente.
Bovendien moeten ook vooraf de namen worden afgelezen in de gemeente.
In Amsterdam zijn vaak op afkondiging brieven van bezwaar gevolgd. Ook in kleine plaatsen moet men toch altijd afkondigen. De gemeente mag niet buitengesloten.
De regeling van het onderzoek is aan de predikant opgedragen, die met de catechumenen spreekt. In kleine kerken onderzoek voor den geheelen kerkeraad. In groote kerken voor een predikant met een paar ouderlingen, als deputatie van den kerkeraad.
Is er een leeftijd te bepalen, beneden welken men niemand tot het Avondmaal zal toelaten?
Moet een minimum leeftijd gesteld? Die vraag is dikwijls en uitvoerig in de christelijke kerk behandeld. Vooral omdat in de oude kerk vaak het Avondmaal aan kinderen werd bediend, gelijk nog in de Grieksche kerk kindercommunie bestaat. Het blijkt duidelijk uit de berichten der kerkvaders, dat het meermalen aan zuigelingen bediend is. Herhaaldelijk werd dan ook vermaand, zelfs een voorschrift gegeven, dat de zuigelingen vasten zullen vóór de communie, en dat aan zuigelingen die pas aan de borst waren geweest, het sacrament des Avondmaals niet mocht worden gereikt. Al doet de Roomsche kerk dit nu niet meer, toch past het wel bij haar beginsel, dat het sacrament ex opere operato laat werken. Dan komt de leeftijd er natuurlijk niet op aan. In de Roomsche kerk is toch het beginsel dat er aan ten grondslag ligt, behouden. Door de Gereformeerden is deze leer verworpen. Zij zeggen, men moet de zaken bij het Sacrament des Avondmaals kunnen

|256|

onderscheiden. Het Avondmaal moet zijn een verkondigen van den dood des Heeren en onderscheiden van het Lichaam en Bloed des Heeren, dus moet het bewust geschieden.
Een bepaalde leeftijd aan te wijzen is niet doenlijk. Hij was niet altijd gelijk. In de dagen van Calvijn was het 12e jaar vastgesteld, in de Ned. vluchtelingengemeente te Londen, onder leiding van à Lasco, het 14e jaar. En daarop zag men zoo streng toe, dat iemand, was hij op zijn 15e jaar niet geweest, berispt werd. En was hij op zijn 20ste jaar nog niet tot het Avondmaal toegelaten, dan werd hij geëxcommuniceerd.
Later werd in de practijk gewoonlijk de 16 of 17 jarige leeftijd gesteld.
Eerst in onze eeuw geschiedde het nog veel later. Thans geschiedt het soms heel laat. Men gaat hierbij dan uit van de theorie, dat men voor de belijdenis noodig heeft de volle verzekerdheid des geloofs. Men zeide: vóór de belijdenis des geloofs moet men verzekerd zijn een gelovige te zijn. De belijdenis was dan een bevestiging des geloofs. Doch de oude Gereformeerden willen alleen begeerte tot versterking des geloofs.
De Baptistische stroomingen wilden, dat men wist bekeerd te zijn en desnoods daarvan rekenschap kon geven.
Toch is hierin veel goeds. Loopt men over den eisch des geloofs te licht heen, dan wordt gelijk ook vroeger wel het geval was, het belijdenis doen een sleur en gewoonte, zoodat niemand wegblijft, doch doortrekken van het Baptistische standpunt leidt er toe, dat de eigenlijke kerk een klein kringetje wordt; dat hypocrieten worden opgenomen en dat de werkelijke geloovigen worden afgestooten. Wat daarbuiten is ziet tegen dat kringetje hoog op en verachtert hoe langer hoe meer in de genade.
Wenschelijk is dan ook dat de toelating weer vroeger worde gesteld en dus ook de belijdenis vroeger plaats heeft. Dan heeft de kerk er meer beslag op. Hoe langer men wacht. hoe meer bezwaren er tot toetreding komen. Dit wil niet zeggen, dat men ongeloovigen moet toelaten, of over de bezwaren laten heenstappen. Maar voor den strijd des levens moet toelating tot het Avondmaal verleend zijn, opdat als de moeielijkheden komen het Avondmaal kracht schenke. De toetreding tot het Avondmaal is niet het einde van den weg des geloofs, maar het begin en juist door het Avondmaal wordt dan het geloof gesterkt.
Dit moet door voorlichting verbreid worden en niet met geweld doorgevoerd worden.
Een andere vraag is: Of men een krankzinnige in zijn heldere oogenblikken niet tot het Avondmaal zou kunnen toelaten? Of ook epileptici? Kranken, die natuurlijk alleen tusschenbeide het Avondmaal zouden kunnen gebruiken?
Men moet hier met onderscheid te werk gaan en met wijsheid oordeelen. Keeren zulke heldere oogenblikken periodiek terug, dan is er geen bezwaar tegen en kan hij toegelaten. Doch anders geldt, dat men niet den dienst door een krankzinnige mag laten verstoren.
Op de vraag, of men hen, die een besmettelijke ziekte hebben, mag toelaten, moet worden geantwoord, dat zij niet mogen worden uitgesloten. Maar men kan hen afzonderlijk laten communiceeren,

|257|

door voor hen een aparte tafel aan te richten, of ook in een afzonderlijke samenkomst der gemeente.
Hoe is te handelen met hen, die geëxcommuniceerd zijn, of nog geen belijdenis gedaan hebben of gecensureerd zijn, of met onbekenden die van elders komen en toch het Avondmaal willen gebruiken.
’t Is goed voor jonge predikanten, zegt Voetius, zich die vragen te stellen, om te weten hoe te handelen. Antwoord: Natuurlijk moet het recht en de orde der kerk gehandhaafd. Merkt men, dat zoo iets zal geschieden, dan moeten de ouderlingen worden gewaarschuwd, opdat zij trachten mogen hen af te houden. Door middel van de ouderlingen moet dan een wenk gegeven worden, liefst in stilte, zonder opschudding. Doet zulk een het dan toch, dan moet men natuurlijk niet gaan vechten, maar dan is het ’t beste, dat de predikant aan iederen avondmaalganger persoonlijk het brood en den wijn toedient, en daarbij zoo iemand dan overslaat. Dit markeert, maar ’t is zijn eigen schuld.
Bij al zulke quaesties moet echter gelet worden op en onderscheiden tusschen opzettelijk verzet tegen de orde in de kerke Christi en onbekendheid met die orde. Geschiedt het nu uit onkunde, door iemand van elders, die logeert en niet weet, dat hij vooraf toelating moet vragen, dan kan men bij twijfel desnoods vragen doen aan het Avondmaal. Voetius verhaalt van een professor in ’t Grieksch uit Franeker uit zijn jeugd. Hij werd geacht een spotter te zijn, doch kwam aan ’t Avondmaal. De predikant stelde hem drie vragen. Hij antwoordde met een jawoord en kon blijven zitten. Later is hij ook aangesloten.
Altijd is vast te houden: Eensdeels: zonder toelating kan niemand komen. Maar ook dat er groot onderscheid bestaat tusschen opzettelijk verzet tegen de kerkelijke orde of onwetendheid.

In het tweede deel van dit artikel wordt nu ook gesproken van de later volgende toelatingen in eene andere kerk door middel van eene attestatie.
Wie reeds is toegelaten in een kerk, behoeft in een andere kerk, waarheen hij verhuisd is, niet opnieuw belijdenis te doen, maar sufficit attestatie van goeden wandel.
Hiermede staat in nauw verband art. 62 van de Kerkorde over de Attestatie, welk artikel hier tegelijk behandeld moet worden.
Er wordt gesproken over attestatiën over een verhuizend lid der gemeente naar een andere kerk mede te geven.
Hiervan is natuurlijk van den beginne af al sprake geweest, zoodra er Geref. Kerken geïnstitueerd waren. Het geval deed zich in de tijd der vervolgingen nog veel vaker voor dan nu, toen de leden der kerk vaak verhuizen moesten. In den allereersten tijd, toen er nog zeer weinig Gereformeerden waren, was een bewijs niet noodig. Men kende elkander wel genoeg, wegens ’t geringe aantal en op de plaatsen van aankomst had men wel bekenden. Moeielijkheden gaf de zaak ’t eerst, wanneer de verhuizende leden behoeftig waren.

|258|

Vooral in de kerk van Emden moest met zich daarmee bezighouden, waar geheele scharen vluchtelingen, van alles beroofd, in grooten getale aankwamen. Zoo ook in Wezel en Frankfort. Onder deze kwamen dan ook vaak landlopers mee, die zich voorstelden als vervolgde Gereformeerden om een onderkomen te vinden.
Toen werd legitimatie noodig. Dit is de eerste aanleiding voor de invoering van attestatiën. In een brief van Marnix aan v.d. Heyden 1570 komt dit ook voor, evenals in de acta van de Emdensche synode 1571, die in art. 44 deze zaak behandelen.
Daarom zijn er dus in Emden reeds vroeg schriftelijke bewijzen geëischt om zich te legitimeeren. Art. 44 spreekt van hen, die lichtvaardig verhuizen of zich voordoen als Gereformeerde behoeftigen. Zoo onttrekken zij de aalmoezen der huisgenooten des geloofs toekomende en van noode zijnde. In elke kerk zou nu verkondigd worden, dat niemand zou worden geholpen, als hij niet had een „testimonium ante actae in Ecclesia unde proficiscunter vitae et doctrinae”. Intusschen waren er ook niet behoeftigen bij. Vooral na 1572. Toen kwam deze attestatie ook voor hen te pas.
De Dordtsche synode van 1574 besloot in deze zaak, dat de kerken haar leden van elders op attestatie zouden aannemen, tenzij de attestatie wat al te oud ware, in welk geval men opnieuw moest onderzoeken of men kon toelaten.
Had iemand echter al te late attestatie, b.v. 1 jaar oud, van een goed Gereformeerde kerk, waar hij als zeer goed Gereformeerd bekend stond en kon hij redenen opgeven van het laat indienen daarvan, dan neigde men er eer toe toe te laten dan af te wijzen.
Dit werd een algemeene regel.
Een nadere regeling had plaats op de Dordtsche synode van 1578. Zij bepaalde in art. 65 van de acta, dat dezelken die geschreven of levend getuigenis hadden van geloofwaardige personen, zonder nieuwe belijdenis zouden worden toegelaten. De attestatie subintreert dus voor belijdenis.
Dit is de eenige synode, die omtrent den vorm en inhoud der attestatie iets nader bepaald heeft. Volgens art. 25 zullen de getuigenisbrieven der lidmaten der gemeente, die vertrekken, alzoo geschreven worden, dat de vrome en godzaligen in de kerke Gods christelijk (zonder opspraak en ergernis) gewandeld hebben.
De kerkeraad moet de attestatie afgeven, niet de predikant alleen. Is er bijzonder haast bij, dan de predikant met advies van enige ouderlingen.
De bedoeling was niet, dat dit voorschrift nu een vaste formule zou zijn. Het bedoelt alleen de substantie aan te geven, niet de woorden.
Op andere synoden is over den inhoud der attestatie niet meer gehandeld. In de Midd. synode van 1581 is in art. 67 het eerste gedeelte van art. 62 geredigeerd, zooals het nu nog is.
In de Kerkorde is dan als regel vastgesteld:
1e. Dat tusschen de kerken attestatiën zullen geldig zijn. Op zichzelf heeft iedere kerk als volledige kerk het recht te zeggen, dat zij geen andere leden opneemt, dan die zij zelf onderzocht heeft. Doch waar er kerkverband is, vloeit daaruit voort

|259|

eenheid in belijdenis en kerkregeering. Anders is verband onmogelijk. Niemand kan dus in één van de kerken worden toegelaten, die onzuiver is in belijdenis en wandel. Daarom moet de eene kerk de andere vertrouwen. Ze moeten elkanders getuigenis gelooven.
Het gebruik van attestatiën vloeit dus uit het kerkverband voort. Het is waar wat de Independenten zeggen, dat elke kerk recht heeft om te onderzoeken. Maar uit het kerkverband vloeit voort dat een nieuw onderzoek niet behoeft en mag geschieden. De attestatie bewijst, dat de andere kerk onderzocht heeft. Moeielijkheid geeft dit alleen als het vertrouwen in den kring van dat kerkverband wordt geschokt. Dan vervalt natuurlijk de waarde van de attestatie, en gaat de kerk zelf onderzoeken. Zoo b.v. in den Arminiaanschen strijd eerst te Amsterdam, en daarna ook in andere kerken geen attestatie uit Holland en Utrecht aangenomen.
Ook in de volgende eeuw, toen in Zwolle een pantheïstische predikant ongestoord zijn gang ging, heeft de prov. synode een dergelijk besluit genomen. De attestatiën van Zwolle werden geweigerd. Daaruit vloeit ook voort, dat het kerkverband dan feitelijk verbroken wordt. Lang kon zoo’n toestand niet duren, of er moet ook formeel scheuring komen. Doch in normale tijden komen die moeielijkheden niet voor.
2e. Wat den inhoud betreft, moet er instaan, dat iemand christelijk en godzalig leeft, moet uit de attestatie blijken, dat hij zuiver is in leer en wandel.
Over de uitdrukkingen is soms getwist. Het wordt wel eens wat mystiek opgevat. Wel eens wordt er opgemerkt, dat men iemands hart toch niet zien kan. Doch attestatie bedoelt geen getuigenis omtrent iemands staat. Daaromtrent oordeelt alleen God. „De intimis non iudicat ecclesia”. Ze bedoelt alleen een getuigenis over het uitwendige, over wat er van zoo iemand openbaar wordt in zijn leer en leven. Of iemand een wedergeborenen of bekeerde is, ligt in die uitdrukking volstrekt niet. Wel is wel eens gezegd, dat het toch beter was als de attestatie ook iets zei omtrent den indruk, dien de kerkeraad had van iemands staat; of iemand den indruk maakt dat hij bekeerd is. Doch dit is òf niets òf te veel, als het iets innerlijks bedoelt. Het is een zeer gevaarlijke subjectieve handelwijze. Men weet er eenvoudig niets van.
3e. Niet de predikant, maar de kerkeraad of nog liever, de gemeente, geeft de attestatie af. Daarom moet de kerkeraad den naam van de persoon laten aflezen in de gemeente, om het getuigenis nog te versterken door het geen bezwaar maken van de gemeente. Ook opdat, wanneer er iemand is, die iets tegen den persoon weet, de klacht gehoord worde en de kerkeraadf dus de attestatie nog niet afgeve. De kerkeraad kan niet alles weten. Weet nu niemand eenig kwaad, dan kan men veilig aannemen, dat er niets op het afgeven van de attestatie is aan te merken. Het aflezen voor de gemeente is dus geen bloote formaliteit of kennisgeving.
Artikel 82 is wel eenigszins geantiqueerd.
De attestatie moet namelijk voorzien zijn van het zegel der kerk of, waar geen zegel is, van twee onderteekend. Die bepaling

|260|

is eenigszins geantiqueerd.
In den vroegeren tijd, in de 16e eeuw, lag in het zegel legale kracht. Het zegel was het symbool van de macht. De meest vertrouwde minister was grootzegelbewaarder. Hij kon alles doen. Het zegel subintreerde voor de handteekening, die dus weg kon blijven. Daarom is er in de Middeleeuwen alleen een zegel en geen handteekening (niet omdat zij niet konden schrijven). Doch niet ieder had in de 17e eeuw een zegel. Ook niet iedere kerk.
In onzen tijd is het zegel meer een ornament, en geeft het aan het stuk geen meerdere waarde. De bedoeling is alleen, dat de authenticiteit van het stuk kenbaar moet zijn.
De attestatie moet gegeven aan den persoon zelf, niet aan den kerkeraad, opdat die persoon zelf haar ook inleveren, en zich zoo zelf, in eigen persoon, bij de kerk presenteere. De attestatie moet men dus persoonlijk indienen, en niet per brief.
Daaraan hechtte men heel veel waarde. Zelfs beschouwde men het in het andere geval, alsof de attestatie nog niet was ingeleverd. Zoo b.v. bij Episcopius (Simon) uit Franeker naar Amsterdam verhuizende. Men was er op verdacht en de commissie van den kerkeraad was van plan hem onder handen te nemen. Episcopius gaf nu zijn attestatie aan de deur van het kostershuis af. Later, toen hij naar Leiden vertrok, gaf de kerkeraad geen attestatie af. Men zeide, formeel juist, dat men geen attestatie had ontvangen, wel een stuk papier.
Het zelf inleveren der attestatie is ook noodzakelijk om de woonplaats te weten.
De hoofdzaak is hier echter de antithese met het collegiale stelsel. Iemand is niet per se lid van eene kerk, waarheen hij verhuist. Dat wordt hij eerst wanneer hij persoonlijk zich aanmeldt met zijn getuigenis. Dit is wel zoo in het collegiale stelsel. Daar gaat alles tusschen de kerkeraden af, terwijl de kerken deelen zijn van ééne landskerk. Daarom is aan die persoonlijke inlevering van attestatiën bij den kerkeraad om des beginsels wille zeer veel te hechten. Ze mogen dus niet over de post toegezonden.
Hoe moet iemand handelen, die uit eene plaats komt waar geen kerkeraad is? Dan moet hij maar een getuigenis vragen van bekende vrome leden. Het geval is wel denkbaar, maar komt toch zelden voor. Tegenwoordig zijn zulke kerken door de classe meestal aan een naburige kerk toevertrouwd.
Hoe moet iemand doen, die met attestatie van den kerkeraad uit een kerk komt, die niet tot het kerkverband behoort? B.v. uit ’t synodaal genootschap, Luthersche kerk, binnen of buitenlandsch, of Episcop. kerk? Zulke attestatiën zijn niet geldig. Daarop kan men niet afgaan. Zelfs moet een nieuw onderzoek ingesteld, maar gewijzigd naar den toestand van het kerkverband, waaruit iemand overkomt. Naar bevind van zaken moet gehandeld. Het maakte natuurlijk verschil of er sprake is van een zusterkerk of van een kerk waar men tegenover staat. Groot verschil bestaat er b.v. tusschen een kerk uit ’t Hervormd genootschap, waar geen waarborg is en de kerk van Elberfeld.

|261|

Daaruit volgt dan, of men nog onderwijzen moet etc.
Hoe lang is een attestatie nog geldig? Hoe oud mag de attestatie zijn? Men nam gewoonlijk drie maanden, zooals ook Dordt. Er kunnen gevallen buiten iemands schuld zijn, dat langer uitstel wel geoorloofd is. Een schipper kan b.v. vier maanden onderweg zijn. Ook kan iemand uit slordigheid een paar maanden verzuimen. Met wijsheid moet dan gehandeld.
Ook is de vraag gerezen met personen, die onder censuur of kerkelijke behandeling zijnde, attestatie aanvroegen, of ook zoo maar vertrokken. In de 16e eeuw is dan in de kerken geoordeeld, dat men wel attestatie zou geven, maar naar waarheid; dus vermelding van hetgeen met hen is voorgekomen. Dit was dus geen gewone attestatie, maar dat hij wel is toegelaten tot het Avondmaal, doch dat dit of dat is voorgevallen. Natuurlijk kan hij met dat stuk niet zoo maar als lidmaat worden ingeschreven. Maar de kerk, waarheen hij zich begeeft, moet de zaak met hem voortzetten en hem tot schuldbelijdenis dringen. Eerst na schuldbekentenis en betering des levens kan hij toegelaten tot het Heilig Avondmaal. De vraag, of de kerk vanwaar hij vertrokken is, zich daarbij nog moet inlaten, of daarin gekend moet worden, hangt van de omstandigheden af, waaronder hij gecensureerd is en de censuur kan opgeheven worden. B.v. een onchristelijke twist met den vorigen kerkeraad moet eerst erkend en beleden voor dien kerkeraad. Censuur en dronkenschap kan b.v. zonder den vorigen kerkeraad opgeheven worden. Gewoonlijk vragen zij niet om attestatie.
Wanneer zij nu zonder attestatie vertrekken, dan moet de eene kerkeraad aan den anderen bericht zenden en hem ter behandeling en verzorging aan den nieuwen kerkeraad opdragen, opdat die hem moge bezoeken en kerkelijk gaan behandelen.
Hiermee staat ook in verband, hoe te handelen is, als onbesproken lieden verhuizen zonder attestatie op te vragen, hetzij uit vergeetachtigheid of door minachting van het avondmaal. En die zich toch als lid gedragen. Zij leven dan, alsof ze tot de gemeente behoorden, maar feitelijk zijn ze het niet en gevoelen ze ook geen behoefte aan het Avondmaal.
Reeds in de 16e eeuw in de Z. Holl. synode is bepaald: dan moet de kerkeraad van de kerk, vanwaar ze vertrokken zijn schrijven aan dien van de plaats, waarheen zij gegaan zijn, zoo mogelijk met de woonplaats er bij, opdat die kerkeraad hen bezoeke, vermane, wijze op hun toestand van dorheid, dat zij geen behoefte aan het avondmaal hebben en hen opwekken nog de attestaties op te vragen en in te dienen.
Hoe te handelen met attestatiën, afgegeven door kerken die niet tot het kerkverband behoren? Door een kerk die zich aandient als Geref. of Herv. kerk, of Luthersche kerk, of door een kerk in het buitenland, Z.Afrika, Amerika. Deze vraag komt gedurig voor.
In ’t algemeen geldt, dat men alleen zulke attestatiën erkent, die door kerken uit het kerkverband zijn afgegeven, omdat juist het vertrouwen der attestatiën in het kerkverband ligt. Maar van een

|262|

andere kerk, waarmee men niet in kerkverband staat, moet men de belijdenis weten, dat zoodanige kerk het in de belijdenis met de Geref. kerk eens is en dat die kerk door de tucht haar belijdenis handhaaft. Weet men dat niet of weet men ’t tegendeel, dan heeft zoo’n attestatie voor de kerk niet meer waarde dan van scheurpapier (Prof. R.). Dan is zoo’n verklaring „zuiver in leer en wandel” niets waard. Men kan die dus niet aannemen. Weet men nu, dat de belijdenis slechts weinig verschilt, dan heeft men alleen op de punten van verschil den persoon te onderzoeken.
Moeielijker is het, als men niet veel van hen weet, b.v. als ze van buitenlandsche kerken komen. Dan moet men opnieuw een onderzoek instellen en een getuigschrift vergen over zijn wandel van twee leden, bij de kerk bekend. Men behoeft hen niet meer als catechumenen te behandelen. Dit onderzoek behoeft dus niet door openbare belijdenis gevolgd als b.v. blijkt, dat hij dit reeds lang deed. Dan alleen een onderzoek voor een commissie uit den kerkeraad of voor den geheelen kerkeraad.
Nog is er een vraag, die in de oude tijden niet, thans wel in de laatste jaren is voorgekomen. Hoe te handelen, wanneer leden der kerk, die nog niet tot het avondmaal zijn toegelaten, om een attestatie vragen of met attestatie inkomen? Men noemt in de laatste jaren dezen dan „doopleden”. Allereerst is de vraag, wat men onder doopleden verstaat. Eigenlijk zijn alle leden van een christelijke kerk doopleden, want ze zijn gedoopt. Men verstaat er niet onder kinderen, want die vragen natuurlijk geen attestatie, maar bepaaldelijk volwassenen, die nog geen belijdenis deden en dus nog niet tot het avondmaal zijn toegelaten. De zoogenaamde doopleden zijn eigenlijk te beschouwen en te behandelen als ongehoorzame, weerspannige leden. Immers, ‘t zijn leden, die weigeren belijdenis des geloofs te doen en die weigeren aan ‘t avondmaal deel te nemen. Om welke reden dit ook zij. Terwijl dit toch niet aan hemzelf staat en aan ’t goeddunken van ieder is overgelaten, maar het ordinantie en instelling is van de koning der kerk.
Zoolang iemand klein is, nog kind is en nog niet tot jaren van onderscheid is gekomen, kon hij nog niet belijden, nog niet het avondmaal gebruiken naar de instelling van Christus. Hij is dan nog een onmondige, een nog niet uitgegroeid lid en brengt de ordinantie zelf mee, dat zij onvolwassen leden zijn. Maar bij de volwassenen is hiervan geen sprake. Alle redenen, die hij aanvoeren kan, ‘t zij dat hij de leer niet kent, niet aanneemt, zich niet tot heilige wandel wil verbinden, zijn altijd ongehoorzaamheid aan Christus, als Koning Zijner kerk.
Daarom is er groot bezwaar tegen en is het verkeerd aan zulke personen een afzonderlijk geordende positie in de kerk te willen geven. Dan bestaat de kerk uit twee deelen: 1e die alleen door doop en 2e die ook door belijdenis en toelating tot ‘t avondmaal met haar verbonden zijn. Doch door hen „doopleden” te noemen en als zoodanig, in die kwaliteit te erkennen, geeft de kerk als het ware toe, dat ze die positie innemen. Dan ordent de kerk de wanorde.
De kerk heeft nooit of te nimmer toe te geven, dat die ongehoorzaamheid

|263|

wordt gewettigd, dat er „doopleden” in de kerk zijn.
Daarom ligt er bezwaar in het noemen van „doopleden”. Zo geeft men ze positie. Men kan hun alleen een attestatie geven waarin staat, dat iemand wel gedoopt is, maar ongehoorzaam blijft aan Christus. En in die qualiteit kan geen kerk hen aannemen, want dit is geen qualiteit.
Er zijn wel onmondige leden in een kerk, maar die onmondigheid kan niet levenslang duren. Onmondigheid is de eenige reden voor het nog niet doen van belijdenis.
Men moet dus of attestatie weigeren, of deze ongehoorzaamheid in de attestatie vermelden en den nieuwen kerkeraad vermanen aan hen te arbeiden. Doet de kerk anders en geeft ze toe, dat zooiets geoorloofd is, dan zou de kerk eigenlijk dispensatie geven van Gods Woord.
Vertrekken ze zonder attestatie, dan moeten de kerkeraden elkander daarop wijzen. Oudtijds gold in de Geref. kerken de regel, dat iemand van zijn 15e tot 20e jaar tot het belijdenis doen vermaand zou worden; om, indien hij, als deze termijn verstreken was, nog weigerde, hem dan formeel te excommuniceeren.
Later is deze termijn wat uitgesteld en ook wel werd iemand, als hij geen belijdenis deed, dan geacht als zich van de kerk af te scheiden. Er is echter veel moeielijkheid in sommige kerken, omdat ’t Baptisme zoo diep in de Geref. kerken is ingedrongen.
Als men volgens de Anabaptistische strooming allen, die nog geen belijdenis doen afzondert, dan blijft er niet veel van de kerk over.
Doch wat blijft er over als de kerk de ordinantiën van Gods Woord verwaarloost en ter zijde stelt? Voor dit bezwaar moet men niet wijken, maar met voorzichtigheid te werk gaan. Veel moet onderwezen worden over het wezen van den doop. Men doopt op onderstelling van wedergeboorte. Houdt deze onderstelling zoolang mogelijk vast, maar niet levenslang.
Eindelijk is met betrekking tot dezulken de vraag gedaan, of men zulke zoogenaamde doopleden geen stemrecht mag toekennen? Er zijn kerken, waarin ze alleen over beheersquaesties, ook waarin ze over predikants- en kerkeraadsverkiezingen stemrecht hebben. Doch dit is eigenlijk een ongerijmdheid, om leden, die weigeren belijdenis te doen, toch te beschouwen alsof zij het wel gedaan hebben. Het zijn leden, die zich aan de volle gemeenschap onttrekken en die laat men handelen alsof zij reeds tot de volle gemeenschap zijn toegelaten.
Zij censureeren immers feitelijk zichzelf.
’t Sterkst komt het ongerijmde, de contradictio in terminis hierbij uit, wanneer men, zooals zelfs wel gebeurd is, gecensureerden mee laat stemmen. Censuur is toch tijdelijk excommunicatie. Het ongerijmde komt dus daar het best uit. Men zou dus tegelijk in en uit de kerk zijn. Dit brengt niet mee, dat men geen kinderen doopen moet. Want dit is geen recht van de ouders maar van de kinderen.
Wie zich onttrekt stelt zich gelijk met een onmondig kind. Alleen ’t is ongehoorzaamheid aan Christus.
Dit over de toelating.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 62

|264|

Van het Heilig Avondmaal

Art. LXII. Een iedere kerk zal zulke manier van bediening des Avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans dat de uitwendige ceremoniën, in Gods Woord voorgeschreven, niet verandere en alle superstitie vermeden worde en dat na de voleindiging der predicatie en der gemeente gebeden op den predikstoel, het Formulier des Avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende voor de tafel zal worden gelezen.

Art. 62 handelt over de Avondmaalsviering, over de wijze van bediening.
Reeds in de artikelen van Wezel staan hieromtrent de beginselen en die zijn in de historie der kerken dezelfde gebleven.
Er wordt onderscheiden tusschen middelmatige en noodzakelijke dingen. Alle aanleiding tot superstitie ook bij middelmatige dingen moest worden vermeden. B.v. knielen op zichzelf is geen zonde, doch het was wel te verwerpen, omdat dit in de Roomsche kerk de beteekenis had van erkenning van de ouwel voor het Lichaam van Christus, dus van de Godheid der hostie.
Of men aan tafel zit, staat, waarbij de Dienaar des Woords met een ouderling rondging langs degenen, die in kring staan, of gaat, defileert langs de tafel, welke van deze drie manieren men wil is onverschillig. Cap. I art.10. Alle drie waren in gebruik.
De nadere uitwerking vindt men in Cap. 6 art. 12 seqq.
Het breken des broods is noodzakelijk gesteld, omdat het behoort tot het symbool en zoo ingesteld is.
Art. 13. Door ’t uitspreken der woorden wordt de beteekenis aangeduid.
Art. 14. Soort en vorm van brood zijn onverschillig. Ongezuurd brood of iets dat aan superstitie deed denken moest vermeden. Evenzoo de ouwelvorm, op zichzelf onverschillig, maar wegens de aanleiding tot superstitie.
Art. 15. Onverschillig is of men plaatsen uit de Schrift zou voorlezen of psalmen zingen aan tafel. Dit waren nog geen bepalingen, maar slechts advies. Te Emden in 1571 is in art. 21 van de acta uitgesproken, wat middelmatig is.
Staande of zittende ’t Avondmaal gebruiken, psalmen zingen of de Heilige Schrift lezen. Bij de uitreiking het gebruik van de woorden uit de Evangeliën of uit 1 Cor. 11.
Alleen moet men vermijden, dat het uitspreken der woorden bij ’t Avondmaal niet den schijn van consecratie of wijding ontvangt. Ook geen ongezuurd brood of ouwel maar „gemeen spijsbrood”.
Op de 1ste Dordtsche Synode van 1574 heeft de Synode hierover eenige vragen uit de Classis Walcheren beantwoord.
Aan de woorden uit 1 Cor. 11 werd de voorkeur gegeven, boven die uit de Evangeliën, omdat die zich ’t best leenden.
Ook werd het wenschelijk geacht bij ’t Avondmaal te staan, niet te zitten. Doch zitten was in de meeste kerken gewoonte. Niet alsof staan eerbiediger was dan zitten, want daartegenover staat, dat men aan een maaltijd zit. Maar dit was eenvoudig een quaestie van orde. Ook diende dit om het aanzitten aan meer dan een tafel te vermijden. De eenheid moet uitkomen. Daarom ging

|265|

dan de predikant met een ouderling rond om het brood en den wijn uit te reiken.
’t Best zou zijn aan tafel eenige verzen uit de H. Schrift te lezen.
Van een toespraak door den predikant lezen wij niets. Deze was toen in ‘t geheel niet in gebruik. De keuze was niet tusschen toespraak en lezen of zingen, maar alleen tusschen lezen of zingen. Men meende zeker, dat de toespraak er niet bij hoorde. De persoon van den predikant en de door hem te geven voorstelling moest op den achtergrond treden voor de beschouwing der kerk en de beteekenis van ‘t Sacrament zelf.
Op de Generale Synode van 1578 werden in de Kerkorde dezelfde middelmatige dingen opgenomen. Het knielen vermijden en wat in 1574 bepaald was, werd hier herhaald. 1 Cor. 11 het geschiktst. Staan of zitten onverschillig.
Wat nu in de K.O. van 1619 in art. 85 staat, gold toen met betrekking tot ’t Avondmaal. Nu is het meer algemeen.
Op de Synode van Middelburg in 1581 (art. 44) is toen de redactie van art. 62, 1ste gedeelte geworden, zooals die nu luidt.
In de particuliere vragen werd hierop ook nog nadere verklaring gegeven.
Middelmatig was o.a. of men het zittende of al gaande zou gebruiken. Alleen niet knielen. Welke woorden? Liefst 1 Cor. 11.
Lezen of zingen? ’t Zal stichtelijk zijn dat bij gebeurte Psalmen gezongen en Gods Woord gelezen worde, artt. 29-31, q.p.
Ten opzichte van het breken van brood was er ook een gravamen tegen het gebruik van de meeste kerken om ‘t brood in lange stukken of reepen te snijden en die alleen te breken, tegenover het afbreken van het geheele brood. Art. 76 q.p.
Het eerste als het gewone gebruik in de kerken werd door de Synode gehandhaafd. Voor de ceremonie van het breken is het geheele brood niet noodig. En ’t zou anders te veel gekruimel geven; ook de stukken zouden dan niet evenredig zijn.
De bedoeling van de vraag was de ceremonie van ’t breken vast te houden doch daarvoor is ’t geheele brood niet noodig.
In de Synode van 1586 is dit gebleven en alleen het tweede gedeelte er bijgevoegd. Art. 55.
Wat aanleiding daartoe gegeven heeft weet men niet. Het blijkt niet wat de reden van deze bijvoeging was. De acta zijn bijna geheel verloren gegaan.
Op zichzelf is het een zeer middelmatig ding waar een predikant staat, wanneer hij het formulier leest. De preekstoel komt er niet op aan. De plaats waar de predikant staat, geeft niets voor de waarde van de verrichting.
Dus daarin kon de reden niet liggen. Alleen kan die daarin liggen, dat de bediening van het Avondmaal toen ter tijd in vele kerken in ’t koor der kerk plaats had en niet in ’t schip. De gemeente moest dan uit ’t schip der kerk naar ’t koor verhuizen. In vele kerken in onzen tijd is dit nog gebruik. De reden was, dat er in het schip der kerk niet zoo goed gelegenheid is om de Avondmaalstafel te plaatsen. Het geschiedde dus om de goede orde, om gedrang te voorkomen.

|266|

Alleen zoo heeft deze bepaling in de K.O. reden.
In zulke kerken moest natuurlijk het formulier voor de tafel gelezen worden; anders zou de lezing van ’t Formulier van de bediening des Avondmaals gescheiden worden. Dit nu mag niet. Maar in onze kerken zal het niet zoo vaak voorkomen. Er zijn zulke groote gebouwen niet meer.
Nu het echter zelden voorkomt is deze bepaling geheel middelmatig en soms zelfs niet op te volgen. Indien den predikant van den preekstoel af goed verstaan kan worden, moet het formulier van den preekstoel af worden gelezen. Dan is het in den geest der Kerkorde het tegendeel te doen.
Verder komen er verschillende vragen voor.
Zoo is later ook wel eens de vraag gedaan, hoe het is met de utensilia, die noodig zijn.
Of de kerk eigen schotels en bekers moet hebben? enz.
Altijd is hierop geantwoord, dat dit volstrekt niet noodig is. Voetius noemt eenige kerken, die het niet hebben ’t zij onvermogend uit armoede, of om eenige andere reden. Uit het huis van den predikant of van iemand anders werden dan de kannen etc. gehaald. Voetius teekent er in zijn Pol. Eccl. bij aan, dat er niets tegen is, omdat er niet eene zekere heiligheid zit in de voorwerpen, die gebruikt worden voor den dienst. Kan eene kerk het hebben, dan is het gemakkelijker en men is zeker het te hebben.
Op de vraag, of dat gereedschap zoo mooi en kostbaar moet zijn werd in de 17e eeuw altijd neen geantwoord..
Cf. Voetius op dit punt. Daarop komt het niet aan. Zelfs in groote kerken werden voor bekers gewone glazen, bierglazen gebruikt. In Amsterdam werd tot in de vorige eeuw toe nooit gesproken van zilver, maar een tinnen gereedschap gebruikt. Men moet gereedschap gebruiken, dat bij een gewone maaltijd gebruikt moet. Het Avondmaal moet zooveel mogelijk op een gewone maaltijd gelijken.
Later heeft men geredeneerd, dat men bij feestelijke gelegenheden ook in zijn huis iets bijzonders gebruikt en dat men ook op een gewone feestelijke maaltijd wel kostbare gereedschappen gebruikt, dus ook bij het Avondmaal.
Wat betreft den vorm van de Avondmaalstafel moet het een gewone tafel zijn. Ze moet niet den vorm van een altaar hebben, zooals bij de Lutherschen. Er geschiedt toch geen offerande; het is een gewone maaltijd, maar met sacramenteele beteekenis.
Vr. Of de dienaar des Woords zichzelf de tekenen kan toereiken.
In de meeste protestantsche kerken wordt het Avondmaal zelfs door twee predikanten bediend. Dit behoeft in ’t geheel niet. En in kleine kerken kan dat natuurlijk niet. Ook Christus heeft zichzelven het Avondmaal bediend, want Jezus zelf heeft bij het Avondmaal van het brood en den wijn genomen. Ook bij een gewonen maaltijd deelt de huisvader met de anderen ook aan zichzelf het eten mee.

|267|

Vr. Of een predikant het Avondmaal mag bedienen, zonder zelf er aan deel te nemen, b.v. als hij het twee Zondagen achtereen moest bedienen, zooals in groote dorpen, of niet in de stemming was.
Antwoord: De dienaar moet er aan deelnemen. Hij kan niet voorgaan en zelf er buiten staan. Hij moet altijd in de stemming zijn.
Wanneer er redenen voor hem zijn, dan mag hij ’t Avondmaal niet bedienen. Is hij b.v. in strijd dan moet een ander het doen.
Wat is bij de Avondmaalsbediening de taak van ouderlingen en diakenen.
De ouderlingen moeten weren, die onder censuur staan. Ook den predikant helpen en ter zijde staan. Op andere plaatsen verleenen zij hulp in het aanbrengen van brood en wijn. Dit wordt soms ook wel door diakenen gedaan, b.v. te Amsterdam, misschien met het oog op Hand.VI, hoewel daar niet de Avondmaalsviering, maar de dienst der tafelen bedoeld is. Toch is er niets tegen en mogen de diakenen het daarom ook wel doen, als de ouderlingen maar het opzicht over de tafels houden.
Vr. Of de dienaar aan ieder de teekenen zal toereiken of de schotels en bekers doen rondgaan.
Niet aan ieder behoeft de dienaar in eigen persoon de teekenen toe te reiken. De schotels en bekers mogen wel rondgaan. ’t Laatste is zeker wel het gemakkelijkst.
Vr. Of het goed is van elke tafel een soort aparte bediening te maken, telkens met een gebed te beginnen etc.?
Antw. Iedere tafel als aparte bediening houden is verkeerd. Dit moet niet alleen met het oog op den tijd niet geschieden. De Wezelsche artikelen zeggen, dat de preek binnen een uur moet afgeloopen zijn. Het Avondmaal is veel korter. Men moet denken om de zwakke en zwangere vrouwen.
Maar bovendien moet men altijd laten uitkomen en moet op den voorgrond staan, dat het maar één tafel is, waaraan allen zitten. De eenheid moet uitkomen.
Hiertegenover staat de valsche gewoonte der Darbisten om aan een afzonderlijke tafel alleen aan te zitten. Zij wachtten b.v. totdat ieder was aangeweest, op die dan na de laatste tafel nog aankwamen, omdat zij alleen wilden aangaan met degenen, die zij als geloovigen kenden. Dit berust op het verkeerde begrip, dat het verschillende bedieningen waren.
De geheele bediening b.v. van 20 tafels moet de indruk maken, alsof ’t maar één tafel was.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 63

Van het Heilig Avondmaal.

Artl. LXIII. Het Avondmaal des Heeren zal alle twee maanden eens, zooveel het mogelijk is, gehouden worden en zal stichtelijk zijn, waar het de gelegenheid der kerken lijden kan, dat op den Paaschdag, Pinksterdag en Kerstdag hetzelve geschieden. Doch ter plaatse, waar nog geene kerkelijke orde is, zal men eerst ouderlingen en diakenen bij provisie stellen.

|268|

Art. 63 bestaat uit twee leden. Het eerste lid handelt over den tijd van de Avondmaalsviering.
In den beginne, in den eersten tijd der Reformatie, was daaromtrent geen bepaling of afspraak. In de kruiskerken kon geen vaste regel gesteld worden, maar moest rekening gehouden met de vervolgingen en met de omstandigheid, dat niet altijd een leeraar te krijgen was.
Een bepaling kon dus alleen gemaakt, wanneer de omstandigheden het toelieten.
Zoo komt in de Wezelsche artikelen van 1568 nog geen voorschrift voor.
Art. 16 van Cap. 6 zegt, dat nog geen vaste regel kan gemaakt worden.
Tijd om het nachtmaal te houden, namelijk wanneer en hoe dikwijls kan vooralsnog niet eenparelijk beraamd worden voor alle kerken, maar laten de Synode bevolen zijn, die te stellen tot gemeenen dienst der gemeenten.
Dat veranderde, toen sedert 1572 in Holland de vrijheid kwam. Op de Gen. Synode van Dordt 1574 kwam dus daarover een oordeel en besluit, dat als art. 69 geboekt is. De kerken zullen moeite doen om de twee maande Avondmaal te houden. Trouwens, het was toen vroeger reeds in de buitenlandsche kerken zoo gebruikelijk geweest.
Deze bepaling werd ook in 1578 opgenomen in de K.O. in art. 73. Het avondmaal behoort niet bediend te worden in plaatsen waar nog geen kerkelijke orde gesteld is. Waar deze is zal men zorgen dat er alle twee maanden eens Avondmaal is. De kruiskerken zal men vrijlaten, dat zoo dikwijls te houden als het haar gelegen is.
Op diezelfde synode kwam ook de vraag in of men niet bij voorkeur op de zoogenaamde drie groote feesten avondmaal zou houden. Cf. particuliere vragen art. 33. De synode antwoordde ontkennend. Niet bij voorkeur op de feestdagen, maar men moest den gewonen tijd onderhouden, tenzij zij bijna samenvallen. In het gebruik van ieder land moest men niet zonder richtige oorzaak iets veranderen.
De synode van 1581 heeft deze bepaling gecontinueerd.
Art. 45 is zonder eenige bepaling der feestdagen. Alleen gaf de synode op de vraag of ook kruiskerken daaraan mee zouden doen, het antwoord, dat de vrijheid gereserveerd bleef. Eerst de synode van 1586 heeft bij de bepaling van de viering om de twee maanden de viering op de feestdagen gevoegd. Art. 56: „en zal stichtelijk zijn, waar het de gelegenheid der kerken lijden kan, dat op den Paaschdag en en Pinksterdag en Kerstdag hetzelve geschiede”. Toen is de tegenwoordige redactie gemaakt, ofschoon de vorige synoden dat bepaald afkeurden. De redenen voor beide zijn wel aan te geven.
Men keurde het vroeger af, omdat men in ’t algemeen tegen de onderhouding dier feestdagen was. De meerderheid der leiders volgde Calvijn, die altijd zeide, dat de viering van de feestdagen beter nagelaten werd. In Geneve heeft hij ze om het volk niet kunnen afschaffen. Ook in ons land waren de leiders er tegen.
De Dordtsche synode van 1574 had zelfs de vraag of ’t wel geoorloofd was op Kerstmis over de geboorte te preeken etc. Dit is toen wel bevestigend beantwoord.

|269|

Men wilde dus door de Avondmaalsviering die dagen niet bijzonder in de oogen van het volk verheffen.
Toen de massa van het volk met de Reformatie meeging, was intusschen allengs gebleken, dat afschaffing dier feestdagen onmogelijk was, wegens de gehechtheid van de overheid en het volk daaraan. Men zocht rust en ontspanning. Toen hebben de kerken zich daarnaar geschikt; alleen om uitspatting tegen te gaan hebben ze die dagen zoo ernstig mogelijk gestempeld. Door de avondmaalsviering kregen die dagen dan een bijzonderen ernst, waardoor voor uitspatting gewaakt werd. Slechts zeer weinig leden bleven van het avondmaal weg. Het geschiedde dus uit een practisch oogpunt. En zoo bleef ’t nu ook.
Toch is dit in de K.O. volstrekt geen gebiedend voorschrift. Een groot aantal kerken heeft het nooit gedaan.
In Voetius’ tijd is de quaestie nog eens opgeworpen. Hij bestrijdt het streven van hen, die in onzinnigen ijver de Kerkorde willen doorvoeren, het streven om op de feestdagen nadruk te leggen. Iedere kerk moet dat voor zich zelf weten. Bovendien was er wel een practisch bezwaar tegen de avondmaalsviering op die dagen, wanneer men een periodieke regeling wilde.
Alle twee maanden éénmaal gaat slechts zelden hierbij op. Kerstmis-Paschen is 3 à 4 maanden, meest 4 maanden. Paschen-Pinksteren 2 maanden. Zoodat ook kerken, die het om de drie maanden vierden, niet uitkwamen. Met een periodieke regeling raakt men dus in de war. Voor ’t overige behoort deze zaak niet tot de principiële punten, en moet ook hier gewaakt tegen superstitie, om toch niet superstitieus aan die dagen vast te houden, alsof zulk een avondmaalsviering op die dagen van groote betekenis is.
Velen denken evenals de Roomschen, dat op Paschen de eenige keer in ’t jaar valt om te communiceeren. Ook vele Gereformeerden meenen dat het alleen op Paschen avondmaalsviering is. Er mag echter geen hoogtijd op Paschen van gemaakt, want dit is Roomsche zuurdeesem. De periodieke regeling is dan ook verre te verkiezen.
„Alle twee maanden eens, zooveel het mogelijk is”, dus 6 maal ’s jaars.
Men wilde liefst zooveel mogelijk avondmaal vieren. Deze bepaling had dus niet ten doel om alles te laten aangaan, maar om zooveel mogelijk gelegenheid te geven. Op vele plaatsen geschiedde het vaker. Er zijn zelfs kerken in de groote steden geweest, waar men nog meer dan alle twee maanden gelegenheid gaf, zelfs alle weken, of ook twee zondagen achtereen in plaatsen, waar zeer groote kerken met veel kerkgebouwen waren.
De afstand wordt gereduceerd tot op hoogstens zeven maanden.
Omtrent de plaats is in de Kerkorde geen bepaling gemaakt.

|270|

Uit de Gereformeerde beschouwing vloeide vanzelf voort, dat het avondmaal door de gemeente in het midden der gemeente moest gevierd worden en dus ook in het kerkgebouw, waar die gemeente samenkwam. Niet in een heilig, een bepaald gewijd gebouw, zooals bij Rome. Alleen de aanwezigheid der gemeente is eisch. Buiten de gemeente is het avondmaal geen communie meer.
Avondmaalsviering aan huis moet dus afgekeurd. Zoo is op de Nat. Synode van Middelburg in 1581 de vraag daarover ontkennend beantwoord, cf. de vraag van Gelderland (op denzelfden dag als de gemeente aan huis door een Dienaar des Woords). Diezelfde vraag kwam ook uit Overijsel en de classe van Wezel, dus bepaald uit Duitschland, waar ook in de Luthersche kerken private communie aan huis plaats had.
In art. 78 part. vragen, wordt beslist ontkennend geantwoord op de vraag, die aldus luidde: Of men, wanneer het avondmaal gehouden werd, den kranken, professie van de religie doende en langste bedde gelegen hebbende, het avondmaal tot hare huize aandienen zal mogen, bijzonder, zoo daar eenige forme van kerke verzameld is? Antwoord: Neen, want men zal de Sacramenten niet uitrichten dan in de gemeene verzameling, ter plaatse, daar de gemeente ordinaarlijk t’samen komt.
Ook in den strijd met de Luthersche kerk is dit volgehouden.
Voetius in zijn Politica Ecclesiastica beantwoordt deze vraag met weerlegging van de argumenten der Lutherschen.
Hoofdzaak is, dat de Luthersche argumenten het punt in quaestie altijd onaangeroerd laten. Zij zeiden:
1. Dat de samenkomst der gemeente ook in een particulier huis kan zijn.
Ja, antwoordt Voetius, maar de zaak is hier: als de gemeente elders vergadert.
2. Dat toch waar twee of drie samen zijn in Christus’ naam, Christus in het midden aanwezig is.
Voetius: Ja, maar dan moet er een saamgebracht hebben. Dit ziet op de vergadering der gemeente.
3. Dat ook de apostelen huis aan huis het brood gebroken hebben in particuliere woningen.
Voetius: omdat de gemeente er vergaderd was.
4. Ze wezen op de behoefte der kranken aan sterking des geloofs.
Voetius: Die kan ook iemand hebben die gezond is. Dan kan men daarom toch maar niet avondmaal houden.
Het beroep op ‘t gebruik van de oude kerk, gelijk uit de kerkorde blijkt, was altijd het moeielijkst te beantwoorden. Privaatcommunie is zeker wel in de eerste eeuwen in de kerk in gebruik geweest. Doch dit is geen norma. Er was toen veel, dat men niet na moet volgen. Kindercommunie wordt ook niet door de Lutherschen voorgestaan.
Ook de Luthersche kerk is het er niet mee eens, dat het brood als heilig brood beschouwd moet. Gewoonte is nog geen wet.
Hoe men te werk moet gaan met betrekking tot de voorbereiding en dankzegging.
Vroeger heeft men daarover gehandeld en heeft er wel iets over

|271|

in de K.O. gestaan. Maar later heeft men het weggelaten, omdat men het niet noodig vond dit in de Kerkorde te bepalen, ofschoon men het met de zaak nog wel eens was. Cf. red. van 1574 art. 74: Is besloten van de voorbereiding voor het Nachtmaal des Heeren, dat men een simpele predicatie doen zal, na de gewoonte, in denwelke gehandeld zal worden van de beproevinge des menschen en van de verzoeninge met God en den Naasten, met vierige gebeden.
Wat is het doel van de voorbereiding.
Voetius zegt: Zulke voorbereidingspreeken kunnen van drieërlei aard zijn. P.E. Pars 1 Lib II Tract. II Sect.IV De Adm. Coenae cap. IV par. 2 of dl. 1 pag. 793. Voorbereidingspredicaties, consciones de Coena Domini. 1. tot opwekking en uitnoodiging, excitatoriae et invitatoriae; 2. tot uiteenzetting van de belijdenis, confessionales; 3. tot de eigenlijke voorbereiding over de wijze van avondmaalsviering, over de stemming tot ‘t avondmaal te gaan, conciones praeparatoriae merae.
In groote steden hield men de voorbereiding zelfs Zaterdag voor het Avondmaal en de zondag dáárvoor hield men dan een soort van belijdenispredicatie. De proefpreek ging dan nog soms daaraan vooraf.
Het gebruik bracht mede, dat men die voorbereidingspreek op Zaterdag voor het Avondmaal hield. Het was een instelling, afkomstig uit Londen, uit à Lasco’s kerkorde.
De synode van 1578 heeft in art. 68 van de K.O. een uitdrukkelijke bepaling daarvoor opgenomen. Hierin ook een eigenlijke voorbereidingspredicatie, waarin gehandeld zal worden van de bekeering des menschen, beproeving zijns zelfs, zijn verzoening met God èn den naasten en diergelijke materiën meer. Maar op den dag des avondmaals zelf, dus op den Zondag zelf, zal het nut zijn, dat men van de sacramenten zelf en met name van de verborgenheid des avondmaals het volk leere en tot dien einde een bekwamen (= geschikten) tekst neme, ten ware de gewoonlijke tekst daartoe bekwamelijk geschikt worden konde. Doch na den middag zal men met den gewoonlijken tekst of catechismus voortvaren. De synode van 1581 heeft toch bij de bekorting van de K.O. ter verkrijging van politieke approbatie, het geheele artikel er uitgenomen en de zaak naar de particuliere vragen verplaatst, en er alleen bijgevoegd dat de voorbereidingspredicatie vrijgelaten werd. Niet dus omdat de synode het er niet mee eens was, maar alleen om de kerken er niet toe te verplichten. Dit blijkt uit het antwoord op een particuliere vraag, art. 26. Toch is de voorbereidingspredicatie in de meeste kerken ingevoerd, op Zaterdag of Vrijdag of op dorpen op den Zondag te voren.
Dat er bij die gelegenheid vragen gedaan werden, is geen oud gebruik. Vragen bij de voorbereiding aan de geheele gemeente dateeren eerst uit deze eeuw, uit ’t Hervormd Genootschap. Vragen werden alleen gedaan aan hen, die openbare belijdenis des geloofs moesten afleggen ter eerste toelating tot het avondmaal.
De dankzegging, aansluitend aan het avondmaal, moest aan het einde van de avondmaalsviering geschieden. Zo was het ook hier in

|272|

de kerken, cf. synode van 1574. Na den middag gewone predicatie van de catechismus, art. 80. Evenzo in 1578, art. 68.
De synode van 1581 heeft op een desbetreffende vraag hetzelfde in de vrijheid der kerken gesteld. Art. 28 part. vragen: Of men op denzelven dag namiddag in den catechismus voortvaren of iets anders (dienende tot dankzegging) prediken zal? Antwoord: Het leste kan wel nuttelijk geschieden, doch zal ’t zelve vrij staan.
Dienovereenkomstig hebben alle kerken zulk een dankzegging. De kerkeraad bepaalt hier de orde. Iedere kerkeraad is natuurlijk vrij. Niet de predikant bepaalt. Hij licht alleen den kerkeraad voor.

We gaan nu over tot de bespreking van het tweede lid van het artikel.
Een Gereformeerde avondmaalsviering vordert noodzakelijk tucht bij de leden. Daarom is reeds veel vroeger, met name in Frankrijk, door Calvijn aan de gereformeerden, die zich ergens gingen vergaderen, geraden, zich, waar nog geen kerkeraad was, te bepalen tot onderlinge stichting en lezing van Gods Woord en niet over te gaan tot de bediening der sacramenten, voordat er opzieners waren; aangezien anders het avondmaal niet heilig kon gehouden worden en anders alle duurzaamheid en bestand door gemis van kerkelijk verband voor de kerk zou ontbreken.
Deze bepaling hangt dus samen met de Gereformeerde beschouwing omtrent de noodzakelijkheid van tucht. Daarom wordt ze ontkend en geloochend, door die van tucht niet weten willen; in de 16e eeuw door de Erastianen en zoo ook hier te lande door de Arminianen, die alles lieten aankomen op zelfonderzoek, 1 Cor. 11. Een iegelijk onderzoeke zich zelf. En die ieder steunende op eigen verantwoordelijkheid avondmaal laten vieren, zonder keur der kerk en met beroep op 1 Cor. 11.
Dat is ook de stelregel van het Methodisme, dat van kerkelijke tucht niet weten wil.
Het beginsel hangt met de noodzakelijkheid van tucht noodzakelijk samen.
De sacramenten zijn aan de kerk des Heeren gegeven. De kerk moet zorgen dat zij heilig gehouden worden. Dit kan niet geschieden dan door opzicht en tucht, die kan niet plaats hebben zonder opzieners en daarom is er kerkeraad noodig. In alle Gereformeerde kerken is dit erkend. Dit beginsel van noodzakelijkheid der kerkelijke tucht is ook in de Arminiaanschen strijd door de dolerende kerken uit de 17e eeuw altijd vastgehouden. Als er leden dolerend waren, dan werd er zonder dat er ambten ingesteld waren, toch geen avondmaal gevierd.
Verslapt het kerkbesef en het tuchtbesef, dan verslapt ook dat van kerkelijke orde. Zoo zijn er ten onzent vele evangelisatievereenigingen, die van dit beginsel niet willen weten en zonder bezwaar in hunne vergaderingen Avondmaalsviering toelaten. Er is dan geen kerkformatie, dus ook geen eigenlijk avondmaal.
„Bij provisie” stellen wil niet zeggen, dat men ze niet definitief zal stellen als het kan; maar alleen dat, als men nog niet definitief een kerkeraad kan vormen, men dan bij provisie daar

|273|

althans mede zal beginnen.
Natuurlijk zijn er nog vele quaesties, die bij het avondmaal ter sprake komen, maar die elke kerkeraad zelf kan bepalen, en waarover dus geen gemeenschappelijke bepaling noodig is. Verder zijn er nog veel dingen over het avondmaal, die niet van kerkrechtelijken aard zijn.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 64

Prediktijden.

Art. LXIV. Alzoo de avondgebeden in vele plaatsen vruchtbaar bevonden worden, zoo zal in ’t gebruik derzelve elke kerk volgen ’t gene zij acht tot hare meeste stichting te dienen. Doch wanneer men ze begeeren zoude weg te nemen, zal dit niet zonder ’t oordeel der Classe geschieden, (mitsgaders de overheid, de Gereformeerde Religie toegedaan).

Art. 64 handelt over de avondgebeden, dus over de dienst des Woords.
Het laatste gedeelte, de bepaling omtrent de overheid, is natuurlijk feitelijk vervallen, door de veranderde verhouding tusschen overheid en kerk, toen op ’t laatst der vorige eeuw de band tusschen overheid en kerk los raakte.
Over de inhoud van dit artikel is sedert 1574 voortdurend gehandeld.
Voor de vrijheid, in de kerken in de verstrooiing en in de kruiskerken kon natuurlijk van avondgebeden geen sprake zijn. De quaestie kwam het eerst op in Holland, toen de vrijheid kwam.
Reeds in 1574 was er over die quaestie een gravamen uit de classe Brielle: of men in alle kerken avondgebeden zal houden of niet? De quaestie kwam op omdat in de Roomsche kerk de avondgebeden als vesperdienst altijd werden gevierd. Toen in 1572 een aantal kerken gereformeerd werd, waren zij gewoon aan vesperdienst, waar in ieder geval een deel der gemeente was. Daar een aantal menschen dit in stand wilde houden, kwam nu de vraag op of men ook elke avond de kerkdeuren niet zou openzetten voor een korte dienst, om eenvoudig een openlijk gebed te doen plaats hebben.
In art. 51 heeft de synode van 1574 een gedetailleerd en gemotiveerd besluit genomen. Waar ze niet zijn, dus waar ze afgeschaft zijn, moet men ze niet invoeren, en waar men in plaats van den vesper een avondgebed had ingesteld zal men dit zoo voorzichtig en stil mogelijk afschaffen.
Men moest dus de menschen niet voor ’t hoofd stooten en afstooten van de Geref. kerken. Drie redenen werden er bij gevoegd.
1. Opdat men de gewone predicaties des te naarstiger bezoeke. De menschen zouden licht meenen, dat ’t genoeg was als ze elken avond zoo’n kwartiertje in de kerk waren.
2. De huisgodsdienst moet onderhouden worden. Elke huisvader is ook verplicht met zijne kinderen ’s avonds te bidden. Sommigen, vroeger Roomsch, deden het nooit!
3. Opdat de algemeene gebeden op de Vastendagen des te vuriger en solemnelijker zouden gehouden worden. Ze mochten niet in de schaduw gesteld. Het klinkt anders misschien vreemd dat een Geref. synode zich tegen gebeden verklaarde.

|274|

Het ligt zeker niet op de lijn der Methodisten die kracht zoeken in het buitengewone. Maar de Gereformeerden zochten hun kracht in de gewone predicaties, in de gewonen dienst des Woords, in de gewone huisgodsdienstoefeningen, in de gewone vast- en biddagen, en ze schoven in de kerk niet het buitengewone op den voorgrond. Bovendien trekt het buitengewone van het gewone af. Dit was het beginsel in dit artikel.
Er kwamen nog wel andere, practische redenen bij, die ook Voetius noemt, bijv. dat het zeer moeielijk is de gemeente, vooral in groote plaatsen, iederen avond bijeen te brengen.
Doch de hoofdreden is als bovengenoemd.
Op de synode van 1578 werd de vraag weer behandeld en een gelijk besluit genomen. Art 57. Waar het gebruik der avondgebeden is, zal het gedragen worden. Maar op huisgodsdienst komt ’t meest aan, die mag niet veronachtzaamd. Ook mocht het gebed dan niet op den achtergrond geschoven worden door een predicatie. Dit was het groote euvel, waaraan de bidstonden altijd gevaar loopen te gaan lijden. De predikanten zullen daarom meer kracht zetten op het gebed dan op de predicatie. De predikant las dan gewoonlijk een hoofdstuk, spoedig werd dit verklaard, zelfs uitvoerig, en zoo ontstond ’t gewone euvel, dat het meer predicatie was dan bidstond.
Maar daar ze nog niet ingevoerd zijn, zal men ze niet lichtelijk toelaten, ten ware in tijden van gemeene nooden.
Tenzij dus in buitengewone tijden van algemeene nooden. Uit het artikel blijkt ook, dat er kerken waren, waar niet op alle avonden van de week avondgebeden gehouden werden.
Het afschaffen gaf blijkbaar op sommige plaatsen groote moeielijkheid; daarom werd tot voorzichtigheid aangeraden, en was het advies der classe noodig, opdat niets overhaast geschiede.
Op de synode van 1581 werd een bepaling genomen, waaruit blijkt, hoe men zeker op sommige plaatsen zeer sterk aan die avondgebeden gehecht was. Art. 47. De kerken, in dewelke ‘t gebruik der avondgebeden is, zullen dezelve mogen houden, maar daar ze nog niet zijn, zal men ze nog niet inlaten, ten ware in tijden van gemeene nood, etc. In 1586 werd de bepaling geredigeerd zooals ze nu is.
Daaruit blijkt bij de kerken een zekere verandering der meening op ’t stuk der avondgebeden. Men begon er toen toch wel eenig nut in te zien. Ze waren stichtelijk bevonden. Men hield ze zeker niet meer allen dag, maar op enkele dagen in de week. Zoo in vele plaatsen, b.v. in Rotterdam en Vlissingen op Zondag.
Die avonddiensten werden vroeger nooit op Zondag gehouden. Maar in Rotterdam en Vlissingen is dit tot nu toe zoo gebleven, dat men dat avondgebed op Zondagavond stelde. Het wordt dan ook nog Avondgebed genoemd. Het was dan dienst, en duurde langer dan een half uur. In de practijk is het dus een gewone preek geworden. Voor de practijk heeft dit artikel veel van zijn waarde en belang verloren, omdat de avondgebeden nergens meer in gebruik zijn.

|275|

Het nut en de hoofdzaak is alleen, dat in ’t gewone de kracht zit en dat men niet in ’t buitengewone de kracht moet zoeken tot opwekking der menschen.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 65

Lijkpredicatiën.

Art. LXV. Waar de lijkpredicatiën niet zijn, zal men ze niet instellen, en waar ze nu alreeds zijn aangenomen, zal naarstigheid gedaan worden, om dezelve met de gevoeglijkste middelen af te doen.

Art. 65 handelt over de lijkpredicatiën
Sinds 1574 is daarover gehandeld.
Onder Rome was de begrafenis een kerkelijke acte en droeg diensvolgens een kerkelijk karakter.
De afschaffing der lijkpredicaties bracht groote moeielijkheden mee, omdat verandering licht den schijn kon hebben, dat men in de Reformatie minder eerbied voor de dooden had. En dat doet liefst niemand. Op dat stuk zijn de menschen altijd zeer conservatief.
De Geref. kerken konden geen Roomsche ceremoniën toelaten, geen gebeden voor de dooden of wijding van den grond etc. Wel waren de menschen dus gesteld op een korte toespraak. Men meende er kon toch wel een toespraak gehouden worden en gebeden worden.
Op de synode van 1574 kwam een gravamen in uit de classe van den Briel, vooral met betrekking tot klokluiden, waaraan Rome veel hechtte, het verdrijven van booze geesten, de rust van de dooden etc.
In art. 52 werd nu het besluit genomen, dat men de lijkpredicatiën met groote voorzichtigheid („zoekende de opbouwing der kerken”) daar ze ingevoerd zijn, afschaffe. Al wat naar superstitie zweemt zal men vermijden. Het klokluiden moet men daarom loslaten. Ook moet men geen „sermoenen” invoeren of ze voorzichtig afschaffen. Het Geref. standpunt werd hier ingenomen. De menschen zochten in die lijkpreek ook al iets superstitieus en een soort vergoeding. De doode was er beter aan toe, wanneer er over hem gepreekt werd, dan wanneer zulks niet geschiedde. Het kwam zowat in de plaats van het laatste oliesel en was een laatste kerkelijke handeling over de dooden. Daarom moest het natuurlijk tegengestaan. De synode van 1578 nam in art. 58 een soortgelijk besluit.
Waar het kan geschieden en men oordeelt dat het nut is, moeten ze meer de vorm van een ongepremediteerde vermaning hebben dan van eene predicatie. Vooral zal men oppassen, dat men den lof van den doode niet verkondige. Men zal trachten het klokluiden absoluut afgeschaft te krijgen.
De synode van 1581 heeft de tegenwoordige redactie gemaakt, art. 48. Zij bepaalde ook dat de Liturgie van Datheen een kleine wijziging zou ondergaan.
Een gebed bij begrafenissen overgenomen uit de liturgie der Londensche vluchtelingengemeente werd in de volgende uitgaven weggelaten.

|276|

Sommigen meenden echter, dat dit gebed, niet superstitieus gesteld, toch wel noodig was.
Daarom werd in het 81e artikel van de part. vragen het gravamen uit den Briel aldus beantwoord:
Alzoo de lijkpredicatiën niet aangenomen worden is gevraagd, of men de dankzegging bij de begrafenis der dooden staande achter in de Catechismus, voortaan in den Druk niet achterlaten zal.
Antw. Men zal de drukkers vermanen zulks te doen. Ondanks al die bepalingen zijn de lijkpredicatiën lang niet overal afgeschaft. In Groningen, Friesland en Gelderland zijn ze nog. In Holland, Zeeland en Utrecht worden ze niet meer gehouden. De andere provinciën waren er zeer op gesteld. Het kan zijn nut hebben.
Het moeilijkst was de bepaling der Synode in Gelderland te houden. De Landjonkers hadden veel pretentiën, en wilden altijd zaligsprekingen. Ze vorderden dat de lof van de afgestorvene en van de familie verkondigd werd.
Er zijn zeker veel lijkpredicatiën, die den toets niet kunnen doorstaan. Moeielijk is het een familie niet voor ’t hoofd te stooten en niet valsche gerustheid te kweeken.
Het beste is zeker de dooden te laten rusten en een vermaning tot de levenden, een woord van troost tot hen te richten.
Het klokluiden is nog veel minder afgeschaft kunnen worden. Men meende dat daarmede ook een zekere eer aan de doode werd bewezen. En hoe meer klokken er luidden, hoe meer eer.
Superstitie vindt men niet veel meer. Het kan zijn een publieke bekendmaking. Uit de manier van luiden blijkt dan, wie gestorven is, een man of een vrouw.
Toch kan dit ook geschieden door schoolkinderen enz. In de steden is het dan ook zeer spoedig afgeschaft.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 66

Biddagen.

Art. LXVI. In tijden van oorlog, pestilentie, duren tijd, zware vervolging der kerken en andere algemeene zwarigheden zullen de Dienaars der kerken de Overheid bidden, dat door hare autoriteit en bevel openbare Vast- en Bededagen, aangesteld en geheiligd worden.

Een dergelijke bepaling is ’t eerst in 1574 genomen. Dit wil niet zeggen, dat er vroeger geen bededagen gehouden werden, maar geen algemeene bededagen. Wel was er in tijden van vervolging de behoefte geweest om zich te vereenigen in gebed en door vasten zich voor te bereiden. Maar dit was niet algemeen. Ook waren de Gereformeerden soms per se afkeerig van het vasten. Toch was er van den beginne in ’t algemeen het vasten wel in gebruik. Cf. Calvijn’s Institutie.
Na de vrijheid in 1574 zijn er herhaaldelijk vast- en bededagen uitgeschreven (met het oog op Haarlem, Leiden en ‘t Spaansche leger in de Zuid.Ned.).

|277|

Op de synode van 1574 was ook hierover een vraag ingekomen uit de classe van den Briel, dat men, aangezien op vast- en bededagen zekere ceremoniën gehouden worden, eenparig zal besluiten.
In art. 54 wordt niet precies voorgeschreven hoe men zulk een dag zal houden, maar eenige algemeene wenken en voorschriften gegeven ter verkrijging van conformiteit.
1. Men zal de gemeente saamroepen en tekst voorlezen en verklaren, vurig bidden en om zulks beter te kunnen doen de gemeente vermanen tot vasten, geheele onthouding van spijs en drank.
2. Men zal de gemeente ook vermanen „in den tempel” te willen blijven. Eenige capita ter gelegenheid dienende moesten gelezen worden. Men zal ook met twee predicaties tevreden zijn, tenzij de vastendag op Zondag viel, daar men anderszins driemaal gewoon is te preken.
Het was dus een blijvende vergadering in de kerk niet alleen voor de preek, maar voor bidden en lezen. Naar huis gaan was niet noodig.
Er was echter geen dwang, „zonder nochtans hiertoe iemand te drijven”.
De Synode van 1578 plaatste hierover ook een artikel in de Kerkorde. Art. 74. Hier werd er bijgevoegd in welke gevallen, naar welke aanleiding zulke dagen zouden gehouden worden. Daarin ligt dus: niet op vaste tijden, zooals in de Roomsche kerk. Dat systeem werd verworpen. Het vasten mocht niet zijn een opus operatum, maar alleen om bij ellende en rampen onverdeeld de oorzaak van zulk een nood, de aanleiding tot vasten, te overpeinzen. Nl. oorlog, pestilentie, dure tijd, zware vervolging der kerk en andere openbare ellendigheden.
Was er dus reden tot vreugde, dan vastte men op Geref. standpunt niet.
De ellende moest dan niet gedeeltelijk, maar algemeen zijn en openbaar. Het werd dus bepaald tot algemeene en openbare redenen van droefheid, zoodat niet een deel van het volk vroeg, waarom men toch vastte. Het moest niet plaatselijk in een of andere kerk een reden van droefheid zijn. Daarvoor kon geen algemeene bededag gehouden.
De nood moest gevoeld, daarom moest er een openbare reden van droefheid zijn.
Het moest een inwendig vasten zijn, niet een uitwendige, doode vorm, maar een zaak van het hart.
De Synode bepaalde ook, dat het beter op een werkdag dan op een Zondag geschiedde. Op een Zondag kon het ook wel, maar dan was het niet zoo treffend. Het kwam dus niet zoo goed uit, omdat men ’s Zondags toch niet gewoon was te werken.
De Synode van 1581 heeft de vorige bepaling behouden, maar met veel afkorting, ongeveer zooals nu nog. Art. 49.
Er moest zekere autoriteit zijn, die zulk een dag uitschreef. Een Paus of kerkelijke overheid had men niet. Eén kerkeraad kon het niet doen. Een Synode was niet altijd bijeen. Daarom konden alleen deputaten zulks doen, maar ze moesten voor die zaken mandaat hebben.

|278|

Om de verhouding, waarin men tot de Overheid stond, liet men formeel het uitschrijven aan de Overheid over. De kerken verzochten het dan van de Overheid, omdat die alleen kon dwingen op die dagen niet te werken.
In 1586 is de bepaling geheel geworden, zooals ze nu is. Art. 59. In 1619 is het zoo gebleven.
In de praktijk ging het zoo, dat door de Overheid jaarlijks een vast- en bededag werd uitgeschreven. Deze beschouwde men dan zooals wij ongeveer de oudejaarsavond. Men begon er een nieuw jaar mede. De zegen en de weldaden Gods werden herdacht, ook de ondank en ontrouw van het volk in ‘t licht gesteld en het volk tot boete en bekeering opgewekt.
De hoofdzaak was natuurlijk niet het uitwendige, maar de gezindheid des harten.
CF. Voetius hierover: Ernstig letten op de redenen en oorzaken, waarom het vasten is uitgeschreven. Ernstige stemming om te bidden. Een concentreeren van het gemoed daarop. Recupiscentia. Berouw, boete en terugkeer tot den Heere.
De vraag deed zich voor, of vasten bestaat in onthouding van spijs en drank of in berouw en boete?
Antw. In het laatste, want het eerste geschiedt om het laatste.
Bij alle beschouwingen in dien geest moet er op gewezen, dat onthouding niet geheel geboden is. Op zichzelf is er geen zonde in op een vastendag te eten, vooral niet voor kinderen, zieken en zwakken, want op zichzelf ligt er in die uitwendigheid niets. Bij dezulken brengt juist de Geref. idee van het vasten mede zich niet te onthouden, maar eenige spijs en drank tot zich te nemen; anders zouden zij niet kunnen vasten met den geest.
Zeker moet ook in ’t oog gehouden worden, dat het menschengeslacht uit de 16e en 17e eeuw beter tegen het vasten bestand was. Het physische leven der menschen was er toen veel sterker en geschikter voor.
Toch blijft deze Geref. beschouwing ook geldig voor het tegenwoordige. Men kan het echter niet opleggen; het moet uit de mensch zelf opkomen. Toch zou het een goed teeken zijn, als deze idee weer levendig werd, dat het lichaam de eischen van den geest niet mag te na komen. Het moet weer gevoeld worden, dat het vleesch den geest niet beheerschen mag.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 67

Feestdagen.

Art. LXVII. De gemeenten zullen onderhouden, benevens den Zondag, ook den Kerstdag, Paschen en Pinksteren, met den navolgenden dag (en dewijl in de meeste steden en provinciën van Nederland daarenboven nog gehouden worden de dag van de besnijding en de Hemelvaart Christi, zullen de dienaars overal, waar dit nog in ’t gebruik niet is, bij de overheden arbeiden, dat zij zich met de andere mogen conformeren).

Art. 67 handelt over de feestdagen, de antithese van de vast- en bededagen. Zeker zou niet zoo bepaald zijn, als de kerken geheel vrij waren geweest, zooals blijkt uit de schijnbaar geheel contraire redactiën in den eersten tijd.

|279|

Deze bepalingen zijn concessies van de kerken aan de Overheid en aan de publieke opinie bij het volk en vloeien niet voort uit het Geref. beginsel, toch niet zoo noodzakelijk dat toegeven onmogelijk was.
De vroegere bepalingen waren heel anders. Calvijn was met de Overheid en met Bern hierover in tweespraak. Zijn gevoelen was om de feestdagen qua talis niet te vieren en af te schaffen. Alleen den Zondag wilde hij behouden. Op andere dagen wilde hij wel kerk, maar niet als op feestdagen.
In Genève heeft Calvijn zelf dat niet kunnen doorzetten, maar met de prediking werd er toch zeer weinig mede gerekend. Hij ging eenvoudig met zijn vervolgprediking voort. Hij preekte boeken. Zoo kwam hij op Kerstmis (weekbeurt, meer dan één beurt die dag) aan de huwelijkswetten van Deuteronomium. Het waren geen eigenlijk gezegde feestdagen. Hij preekte wel over die feiten, over de geboorte van Christus etc., maar wanneer hij de Evangeliën bepreekte.
Ook elders wilde men dat beginsel in de Geref. kerken doorzetten.
De Synode van 1574 heeft er reeds eene vraag over behandeld uit de classe Brielle of men ook zal prediken op feestdagen.
Voor dien tijd is het zoo niet besproken.
Art. 53. Men zal met den Zondag alleen tevreden zijn. Op den Zondag voor Kerstfeest zal men die materie behandelen. Dus hier zoo kras mogelijk afschaffing van alle feestdagen.
„Doch zal men de gewoonlijke materiën van de geboorte Christi, Zondags voor den Christdag in de kerken behandelen en het volk van de afschaffing dezes feestdags vermanen en ook van derzelver materie op den Christdag prediken, indien hij valt op een predikdag.” Dus alleen Zondag.
Intusschen bleek het dadelijk, dat het moeielijk ging. Feitelijk heeft maar één enkele kerk zich er aan gehouden en juist niet de meest gereformeerde. Cf. een preek van Coolhaes uit 1574. Coolhaes was bij de Synode en preekte op Christdag niet. Door het volk is hem dit zeer kwalijk genomen zegt hij, maar hij is zeker de eenige geweest. Van de andere predikanten heeft hij gehoord, dat zij gepreekt hebben. Dit hadden zij natuurlijk gedaan om Overheid en volk.
Op de Synode van 1578 waren de kerken nog in denzelfden geest, maar een weinigje getemperd.
Art. 75. Het ware wel te wenschen, dat de vrijheid van zes dagen te arbeiden van God toegelaten in de kerken gehouden en de Zondag alleen gevierd mochte worden etc. Doch bij wijze van concessie, omdat de Overheid de feestdagen in stand houdt, zal men ze vieren. Toch zal men moeite doen ze afgeschaft te krijgen.
Het motief voor de viering van feestdagen ligt dus daarin, dat de feestdagen door de Overheid werden erkend. Alle andere bepalingen voor Zondag golden dan. Niet alleen alle Overheidswerk, maar alle werk stond stil, evenals op Zondag. Dit gaf onnutten en schadelijken lediggang. Daarom moest men prediken.
In 1581 werd de bepaling korter geformuleerd.

|280|

Art. 50: De gemeenten zullen bij haar overheden aanhouden, dat de feestdagen, uitgenomen de Zondagen, Christdagen en Hemelvaartsdag, afgedaan worden. Maar ter plaatsen, daar meer feestdagen door bevel der Overheid gehouden worden, zullen de Dienaren arbeiden, dat ze wel prediken, den onnutten en schadelijken lediggang in een heiligen en nutte oefeninge veranderen.
Hier werd evenals in 1578 voor Hemelvaartsdag en Kerstdag een uitzondering gemaakt.
In 1586 bijgevoegd besnijding-Nieuwjaarsdag.
Toen werden nog meer concessies aan de Overheid gedaan en werd de redactie zoo ongeveer als de tegenwoordige, „met den navolgenden dag” is bijvoeging in sommige redacties, en is in 1619 gebleven.
Dezelfde motieven gelden ook nu nog.
Eerst als de Overheid deze dagen afschafte, kwam de vraag voor de kerken om ook af te schaffen. We mogen de feestdagen niet gelijk stellen met den Zondag. Alleen de prediking over de hoofdzaken van het Evangelie mag niet beperkt tot een enkelen dag in ’t jaar.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 68

Catechismus prediken.

Art. LXVIII. De dienaars zullen alomme des Zondags, ordinaarlijk in de namiddagsche predicatie de somma der Christelijke leer in den Catechismus, die tegenwoordig in de Nederlandsche kerken aangenomen is, vervat, kortelijk uitleggen, alzoo dat dezelve jaarlijks mag geëindigd worden volgens de afdeeling des Catechismus zelven daarop gemaakt.

Voor ’t onderwijs van de jeugd en van mingeoefenden is van de vroegste tijden af in de Geref. kerken een Catechismus gebruikt, gelijk overal de kerken leerboekjes gebruikten.
Hier te lande waren Waalsche kerken in ’t Zuiden en Vlaamsche kerken in het Noorden. Dientengevolge was er van den aanvang af tweeërlei Catechismus in gebruik, een Fransche en een Nederlandsche.
De Fransche Catechismus was de Geneefsche Catechismus door Calvijn gemaakt en in alle kerken waar Fransch gesproken werd de Catechismus bij uitnemendheid.
De Nederlandsche kerken onder ’t kruis en in de verstrooiing gebruikten meest den Catechismus van à Lasco uit de Londensche vluchtelingenkerk 1550, door Maarten Micron uit ’t Latijn in het Hollandsch vertaald. Dit is toen spoedig ook in onze Hollandsche kerken gebruikt, zoo onder ’t kruis als in de verstrooiing (Duitschland). Ook wel waren er andere in gebruik b.v. de Emdensche Catechismus of ook allerlei soorten van „korte begrippen”, die een paar dozijn vragen inhielden.
In bijbels uit het 3e kwartaal van de 16e eeuw komen verscheiden soorten ervan voor. Behalve dat van Maarten Micron ook dat van Beza e.a.
Geheele eenparigheid was er nog niet.

|281|

Eerst in 1563 toen de Heidelbergsche Catechismus verscheen en terstond in het Nederlandsch werd vertaald, kwam er eenheid.
Gemaakt volgens opdracht, op last van Frederik III, keurvorst van de Paltz, werd hij in Februari 1563 in ’t Duitsch uitgegeven door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus, professoren te Heidelberg.
In datzelfde jaar kwamen er nog onderscheiden Duitsche drukken met kleine wijzigingen.
De tweede uitgave kwam eenige weken na de eerste met eenige wijzigingen. De belangrijkste bijvoeging is de vraag over het onderscheid tusschen het Avondmaal en de paapsche mis, doch zij is nog niet zoo uitvoerig als nu beantwoord.
In den derden druk, die kort na den tweeden verscheen, komt die vraag eerst in den tegenwoordigen omvang voor.
In den tweeden en derden druk, wordt alleen gezegd dat deze vraag bij vergissing was uitgelaten. In Nov. 1563 kwam er nog een vierde uitgave bij de editie van de Paltzische Kerkorde.
De Catechismus is eerst in ’t Latijn vertaald, niet door de opstellers zelf, maar door Lagus Pitopoeus, Heidelbergsche geleerde, eveneens op last van den Keurvorst.
Het gezag van den Duitsche en Latijnschen tekst staat dus niet geheel gelijk. De Duitsche tekst is de oorspronkelijke.
Ook verscheen er in 1563 een Saksische vertaling ten behoeve van Noord Duitschland en Noord Nederland, waar Saksich gesproken en verstaan werd.
En behalve die in 1563 ook twee Nederlandsche vertalingen tegelijk, de eene te Emden door een onbekenden vertaler uitgegeven, de andere te Heidelberg door Petrus Dathenus vertaald. Behalve die twee is in 1566 nog een derde vertaling verschenen, die van beide andere afwijkt.
Van deze drie vertalingen zijn er twee zeer weinig verspreid, en de eenige, die bij de gemeente in gebruik is gekomen, is de vertaling van Datheen geweest.
In 1566 verscheen een tweede editie daarvan met bijvoeging van Datheen’s psalmberijming en de liturgie.
In datzelfde jaar is die vertaling toen minstens driemaal, in 1567 minstens viermaal, in 1568 minstens driemaal herdrukt. En later nog vele malen. Het aantal is niet precies op te geven. Er staan geen cijfers op den titel. Alleen door vergelijking is het op te maken. Van vele edities is nog maar één exemplaar over. Zeer wel mogelijk is, dat er ook nog edities zijn, waarvan alle exemplaren verdwenen.
Deze verspreiding is begrijpelijk en eveneens laat het zich zeer goed begrijpen, dat die vertaling spoedig alle andere verdrong.
1. Datheen bezat nl. groote populariteit. In 1566 was hij de voorname leider. Door hagepreek en beeldenstorm kreeg de Reformatie voorname uitbreiding.
2. Ook, doordat Datheen’s vertaling met de psalmberijming en de liturgie saamgevoegd een compleet kerkboek vormde.
3. En ook door de verdienstelijkheid van zijn vertaling.

|282|

Deze Catechismus is zeer spoedig in algemeen gebruik gekomen en met de Confessie van 1561 ook binnen zeer korte tijd feitelijk door de kerken erkend als Formulier van Eenigheid voor de Ned. Geref. kerken.
Toen in 1568 de voornaamste hoofden en leiders der Gereformeerden bijeenwaren in Wezel, was blijkbaar de Heid. Catechismus reeds door alle kerken erkend als formulier van eenigheid.
Cf. Wezelsche artikelen Cap. II art. 8.
Bij ’t examen moet ook onderzocht of ze overeenstemmen met de leer, die publiekelijk in de kerken is aangenomen. Deze leer wordt dan gezegd vervat te zijn in de Belijdenis en in den Catechismus.
Dienovereenkomstig wordt in de vier artikelen van Cap. III (van de Catechismus) het voorschrift gegeven om bij het catechiseeren den Catechismus te gebruiken, terwijl de Waalsche kerken den Geneefschen Catechismus zouden gebruiken.
Dit omdat de Geneefsche niet in ’t Hollandsch en de Heidelbergsche niet in ’t Fransch bestond. Groot verschil overigens was er in geenen deele, want Olevianus en Ursinus waren goede Gereformeerden. Het kwam alles op ’t zelfde neer.
Het Convent drong er erg op aan, dat de predikanten den Catechismus zouden laten leeren, niet alleen, maar ook aan de kinderen verklaren en de ouders vermanen mede te werken.
In Cap. VI art. 10 wordt ook gezegd, dat men voor toelating tot het Avondmaal zou onderzoeken naar het „kort begrip” en dat men daar ook bij zal voegen de hoofdstukken van den grooten Catechismus (tegenover het formulier van den kleinen Catechismus-kort begrip).
Geheel zooals er in 1568 over gehandeld werd, weer besloten te Emden in 1571.
Art. 5. De Emdensche Synode voege er de bepaling bij, dat de kerken, die een anderen Catechismus gebruikten (den Woorde Gods gelijkvormig zijnde) niet zouden genoodzaakt worden te veranderen.
Dit was noodig, omdat bij de Ned. Geref. kerken ook behoorden de vluchtelingenkerken in Engeland, die den Catechismus van à Lasco gebruikten, welke ook zeer goed was.
Op de Dordtsche Synode van 1574 kwam een gravamen uit den Briel in. Men vond dat de Catechismus voor kinderen wat lang viel, en niet onthouden kon worden. Ook was het kort begrip voor oudere lieden beter te verstaan.
Daarom was door de Dienaren in den Briel en op de dorpen in de Classe goedgevonden het „korte onderzoek” van Maarten Micron in plaats van de kinderleer te gebruiken.
De Synode van 1574 keurde dit voornemen af. Cf. art. 2 van de acta. 1e. Er zal eenerlei Catechismus in alle kerken zijn. 2e. Dit zal de Heidelbergsche Catechismus zijn. 3e. Alleen deze werd erkend. Toch werd het vrijgelaten dat de dienaars aan sommigen in het bijzonder het „korte onderzoek” laten leeren.

|283|

Wel mochten de predikanten het „korte onderzoek” als vragenboekje er bij gebruiken, maar slechts één Catechismus, de Heidelbergsche, werd kerkelijk erkend. Het korte onderzoek mocht niet in de plaats van den Catechismus gesteld.
In dezelfde Synode is in art. 80 ook nog bepaald, dat de Catechismus ‘s middags zou gepreekt worden, ook als het Avondmaal gehouden was en in art. 22 dat de meesters hem op de scholen aan de kinderen zouden leeren.
Op eene vraag uit Walcheren (part. vragen art. 1) of het niet goed was de predikanten te helpen met goede homilieën van den Catechismus, of goede uitleggingen voor de predikanten niet noodig waren, antwoordde de Synode, dat men dat nog zou achterwege laten. Wel was het goed op de Classe door de predikanten om beurten een paar vragen te doen verklaren, met critiek door de andere aanwezige predikanten.
Vraag en besluit hadden tot reden, dat er veel onkunde was. Er waren nog zeer veel slecht onderlegde predikers. Vele Roomsche predikers waren pas overgekomen. Sommigen hadden weinig gestudeerd daar men alleen in Heidelberg en Geneve Gereformeerd studeren kon. De nationale Synode van 1578 handhaafde de besluiten der vorige.
Art. 54, De Heid. Catech. werd gehandhaafd voor de Ned. Kerken en de Geneefsche voor de Waalsche. Maar omdat op een aantal plaatsen het korte onderzoek van Maarten Micron in gebruik was werd bepaald, dat ook vrijstond, dat bij ’t onderwijs te gebruiken.
De Middelburgsche Synode van 1581 heeft over den Catechismus de zaken in status quo gelaten en blijkbaar ondersteld, dat de Catechismus nog voortdurend gepredikt werd.
In art. 28 van de part. vragen is bepaald, dat de Catechismusprediking ’s namiddags zou geschieden.
Op de Synode van 1586 is toen het artikel in de tegenwoordige redactie gekomen.
Art. 61 = Art. 68 red. 1618/19.
De Dordtsche Synode van 1618 heeft zich toen weer zeer bepaald met den Catechismus bezig gehouden. Niet met de vraag welke Catechismus men gebruiken zou, maar wel hoe die Catechismus bij het volk ingang zou vinden, hoe men er voor zorgen zou, dat hij in de gemeente leefde. Cf. de 14e Sessie. Er kwamen klachten in, dat op vele plaatsen de Catechismusprediking verruimd werd. Sterk werd aangedrongen op het houden daarvan. De Synode besloot het artikel te vernieuwen en met censuur te dreigen waar ze nagelaten werd.
De namiddagpreek mocht ook niet verzuimd uit gebrek aan hoorders. In verschillende Classen was ze maar afgeschaft. Dit is verkeerd. Ze moesten preeken, ook al komt alleen hun familie. Als ze zoo voorgingen zou er wel navolging zijn. Ook werd besloten bij de Overheid het besluit te bewerken, dat geen andere dingen zouden geschieden, die verhindering gaven.
Na die bepalingen der Synode volgt nu aan het slot van de 14e Sessie, dat er klacht is over de ondoelmatigheid en ongenoegzaamheid van den Catechismus om haar uitvoerigheid in sommige antwoorden. De Catechismusinstructie uit den Heidelbergschen Catechismus is niet voldoende.

|284|

Wat nu buitendien nog zou te doen zijn.
Daarop werd advies gevraagd aan de buitenlandsche godgeleerden en aan de binnenlandsche colleges.
In de 15e Sessie op 28 november 1618, den volgenden dag zijn toen die adviezen ingekomen. In extenso zijn ze in de acta opgenomen. Van Engeland, de Paltz, Hessen, Zwitserland, van Geneve, van Bremen. De stand van zaken in die kerken werd uiteengezet. Medegedeeld werd hoe het in die onderscheiden landen geschiedde en hun verdere opinie over die zaak.
Een besluit van de Synode is daarop in de 17e zitting genomen. Een concept-besluit is in behandeling gekomen en aangenomen over de Catechismus en de manier van catechiseeren. Drieërlei manier is er. 1. in huis, 2. op school, 3. in de kerk.
Dan 1. over de plichten der ouders in huis, 2. over de plichten der meesters op school in dit stuk. Hierbij wordt gezegd dat er voor de jeugd noodig is drieërlei vorm van leerboek of Catechismus.
a. voor de kleine kinderen: een zeer korte, waarin de 12 artikelen, ’t Onze Vader, 10 geboren met een paar vragen.
b. Wat grooter, een soort van kort begrip uit den Catechismus. Waarvoor als zeer geschikt werd aangewezen, dat kort tevoren door Herman Faukelius e.a., Middelburgsche predikanten, gemaakt was. Ook zou de Synode er zelf een later opstellen.
c. De geheele Catechismus.
3. De predikanten zouden preeken en onderwijzen en op de scholen toezien.
Een Commissie werd benoemd om uit den grooten Catechismus twee extracten te maken, bestaande uit: Gomarus, Polyander, Thysius, Faukelius, Udemants etc. Zooveel mogelijk zouden ze woorden uit den Catechismus zelf gebruiken.
Kort daarna kwamen de Arminianen. Hun zaak moest toen eerst behandeld.
Daarna kwam deze quaestie weer aan de orde. Cf. Post acta Sessie 47 op 27 Mei 1619.
De twee extracten waren gereed. Het kleine is voorgelezen, nagezien en geapprobeerd, nadat er een enkel woord uit den Catechismus was bijgevoegd. Het bestond uit 20 vragen en antwoorden en is toen lang in gebruik geweest.
De middelsoort Catechismus oordeelde de Praeses te lang om voor te lezen. Vrijgelaten werd dit kort begrip te gebruiken of dat van Faukelius. Dit concept is dan ook niet voorgelezen. Men was het dus blijkbaar met den praeses Bogerman eens, dat het te lang was.
In de praktijk volgde men voortaan het kort begrip van Faukelius, dat door de Synode niet is gemaakt, maar wel geapprobeerd.
Van die tijd af was de Catechismus Formulier van Eenigheid en leerboek.
Veel quaestie is er hier in later tijd over den Catechismus niet geweest. Moeielijkheden zijn niet voorgekomen. Wel zijn er vragen gedaan omtrent den Catechismus en de Catechismusprediking, maar die zijn spoedig opgelost.

|285|

Wel eens is de vraag gedaan, of men bij de Catechismusprediking altijd gehouden is aan de afdeeling in Zondagen en of men moet beginnen over den eersten Zondag op den eersten Zondag van het jaar te preeken.
In het algemeen is het wel de bedoeling van de Kerkorde, maar afwijking is soms niet te veroordeelen. Het is geen wet van Meden en Perzen. Er kan inbreuk op worden gemaakt. Allerlei omstandigheden kunnen veroorzaken, dat de Catechismus niet rond in een jaar wordt doorgepreekt, b.v. Biddag op Zondag. Dankzegging. Vacature. ’t Kan ook noodig zijn in zekere gemeenten, vooral op ’t platteland, één vraag wat uitvoeriger te behandelen.
Wel eens is de objectie gemaakt dat er Catechismuszondagen zijn, die veel te lang zijn, doch deze objectie van te veel stof in één Zondag gaat niet door.
De eisch is niet, dat men bij elken Zondag alles even uitvoerig moet behandelen, dat aan ieder punt evenveel tijd zal worden besteed. Bij verschillende keeren kan men op verschillende punten nadruk leggen.
Ook is de vraag gedaan, of men vooraf een tekst moet voorlezen?
Sommigen wilden het zelfs in zooverre, dat ’t niet behoefde bij ’t Onze Vader en de 10 geboden. In den eersten tijd is dit nooit en nergens in de kerken gedaan.
Er is veel tegen te zeggen.
De Catechismusprediking gaat uit van de veronderstelling, dat de Catechismus aan Gods Woord ontleend is, dat hij is een korte samentrekking van de leer uit Gods Woord. Daarom moet bij de behandeling aangewezen hoe hij aan Gods Woord ontleend is.
Het vooropzetten van een tekst zou haast veronderstellen, dat de Catechismus niet uit Gods Woord was genomen. Zulk een tekst, die een geheele Zondagsafdeeling dekt, is nooit te vinden. Zet men er een tekst boven, dan moet hij behandeld worden. Laat men dien tekst rusten, dan gebruikt men dien tekst voor motto. En men mag Gods Woord nooit voor motto gebruiken.
Bij elke Catechismuspreek moeten in de preek zelf de teksten voorkomen, welke te verklaren van zelf taak is. Bij elke afdeeling zijn een 10-, 20- of 30-tal teksten te voegen en te verklaren. Dan is ook de Catechismusprediking juist een verklaring van Gods Woord.
Het is dus geen terzijdestelling van de H. Schrift, wanneer men de Catechismus preekt zonder tekst vooraf.
Eigenlijk is ook de oorspronkelijke Catechismusprediking niet een preek voor de gemeente, maar een onderwijzing van de gemeente in de Christelijke leer. In den eersten tijd kwam dit uit, doordat er gevraagd en geantwoord werd.
Vraag of dat nog moet onderhouden?
In de groote steden geschiedt het nog wel. Aanbeveling verdient het opdreunen van de antwoorden door kinderen niet.

|286|

(Prof. weet nog uit zijn jeugd, dat in Leiden voor den voorganger twee kinderen zaten. Niet altijd waren er kinderen te vinden. Daarom werden er kinderen uit het weeshuis gedresseerd. Dit gaf dus niet den indruk van Catechisatie, maar dat de kinderen in het weeshuis goed konden leeren. Het kweekte geestelijke hoogmoed.)
Een eigenlijke groote catechisatie, waarbij naar aanleiding van verkeerde antwoorden iets wordt terecht gewezen, is moeilijk in te voeren.
De schijn van een catechisatie is niet noodig en te verwerpen. Op dorpen zijn de kinderen verlegen. En Catechismus opzeggen kan de predikant ook evengoed. De kinderen leeren er den Catechismus toch niet door, alleen den Zondag, die voor hun rekening komt.
Eindelijk is nog in ’t oog te houden, dat de Catechismusprediking niet te lang duren moet, hoogstens één uur of ¾ uur. Met zingen enz. mee 1 1/2 uur. Anders is het afmattend en vermoeiend. Menschen die al één preek hebben gehoord, luisteren niet gemakkelijk zoo lang meer. Er moet op aangedrongen, dat vooral kinderen in de kerk komen. En ook kinderen, die bij de Catechismuspreek hooren, kunnen niet gemakkelijk zoo lang aandacht houden. Men moet zich dan maar wat bekorten. Alles te behandelen zou wel vier uren duren. Men moet altijd, nu eens dit, dan eens dat punt op den achtergrond laten.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 69

Psalmen.

Art. LXIX. In de kerken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de Tien Geboden, het Onze Vader, de 12 Artikelen des Geloofs, de Lofzangen van Maria, Zacharias, en Simeon gezongen worden; ’t Gezang o, God, die onze Vader zijt, wordt in de vrijheid der kerken gesteld, om ’t zelve te gebruiken of na te laten. Alle andere gezangen zal men uit de kerken weren, en waar er eenige alreeds ingevoerd zijn, zal men dezelve met de gevoeglijkste middelen afstellen.

Art. 69 handelt over het kerkelijk gezang.
In de Geref. kerken is van den beginne af gezang door de gemeente ingevoerd. Alzoo was het in de Roomsche kerk niet, waar het door een koor geschiedde.
Toen Calvijn in 1538 te Straatsburg een Fransche gemeente organiseerde, heeft hij het eerst ingezien, dat het zingen door de gemeente ook bij den Gereformeerden dienst behoorde. Hij trachtte toen ook de gemeente aan een berijmde psalmbundel te helpen. En hoewel zelf geen dichter berijmde Calvijn zelf eenige psalmen.
Spoedig kwam er echter voor de Fransche kerken een psalmbundel tot stand van Clement Marot ⅓ gedeelte en van Beza ⅔ gedeelte. Louis Bourgois en Maitre Pierre, twee voorzangers, maakten de melodie (woordenboeken geven andere namen aan, doch die zijn onjuist).

|287|

Door de onderzoekingen vooral van de laatste 5 jaren is dit uitgekomen. Musici rekenen hen tot de eerste musici van Europa, vooral door de manier waarop de melodieën door de componisten zelf vervaardigd zijn, niet zooals nu op heele en halve noten.
Calvijn heeft toen met alle ijver dit zingen doorgezet. De menschen moesten leeren zingen. De kinderen werden in de scholen geoefend en leerden daar zingen door de voorzangers, die meesters waren. Zij en de kinderen zongen. Een heel enkele kon maar meezingen. Doch allengs kwamen er meer. De kinderen werden groot. En zoo kwam er langzamerhand een gemeente die mee kon zingen.
Daarom werd er door Calvijn op aangedrongen geen orgels te gebruiken. In Geneve waren zeer schoone orgels. Zondags zwegen zij. In de week werden zij gebruikt voor orgelconcerten. Vooral als het orgel een zware toon aangaf, zong de gemeente niet mee.
Per se werd dus geen orgel gebruikt, anders zou de gemeente nooit zingen geleerd hebben.
Bij Calvijn zongen allen mee.
In de Nederlandsche kerken zijn toen in ’t eerst allerlei berijmingen gevolgd:
1. Slechts eenige psalmen en Souterliedekens van Willem van Zuylen van Nijevelt.
2. Van Utenhove, ook maar gedeeltelijk en eerst later voltooid.
En nog andere psalmberijmingen, b.v. van De Heere, etc. Deze kwamen altijd sporadisch voor, sommigen alleen in huis.
Een kerkelijk psalmboek kwam er eerst in 1566 door Datheen’s berijming, een vertaling van de in 1565 uitgekomen Fransche psalmberijming, die zeer spoedig klaar was. Bijna zonder kerkelijke tegenstand is die de eigenlijke kerkelijke psalmberijming geworden.
Daartoe werkte toen alles aangaande Datheen mede.
1. Het was een volledige berijming. 2. Datheen’s populariteit. 3. Bijvoeging van de liturgie. 4. De berijming was wel niet een hooge dichterlijke vlucht maar er zat een gezonde zalving in en dat sprak tot het hart van het volk. De inhoud moest spreken tot het gemoed van een Gereformeerde.
Dat deze zoo spoedig algemeen was blijkt reeds spoedig.
In Weselsche artikelen van 1568 Cap. 2 art. 31 komt de algemeene aanvaarding van Datheen’s psalmberijming voor.
In de kerkelijke gezangen zal men in alle kerken van Nederland onderhouden de Psalmen van Dathenus overgezet, opdat niet door verscheidenheid der overzetting iets worde ingebracht of tusschen kome dat minder bekwaam is en minder zoude dienen tot stichting.
Hetzelfde wordt op de Synode in 1574 ondersteld blijkens antwoord op de vraag: of het nut benevens de Psalmen Davids door Petrus Dathenus eenige andere liederen te gebruiken.
Antwoord: Men zal met de Psalmen van Datheen tevreden zijn.

|288|

Door de 1ste Nat. Synode van 1578 werd uitdrukkelijk bepaald, blijkens art. 76, dat de psalmen Davids van Petrus Datheen overgezet in de kerken gezongen zullen worden, achterlatende de gezangen, die in de Heilige Schrift niet gevonden worden.
Datheen was daar Praeses, evenals te Wesel. Hij zal het wel niet voorgesteld hebben, maar feitelijk had hij als zodanig wel invloed.
In 1580 is toen de psalmberijming van Marnix van St. Aldegonde verschenen, eene berijming waaraan hij heel wat tijd en arbeid besteed had. Hij had de psalmen zelf in het Hebreeuwsch gelezen en geëxegetiseerd en heeft zich bij zijne berijming er op toegelegd den zin weer te geven zoo na mogelijk aan den oorspronkelijken zin en bedoeling.
Ze zijn dus oorspronkelijk en niet zooals die van Datheen slechts een vertaling uit het Fransch.
Naar getuigenis van den uitgever is er 10 à 12 jaren lang onafgebroken aan gewerkt.
Marnix was te meer gequalificeerd tot dit werk, omdat hij de Hollandsche taal zeer goed meester was en tot de beste Hollandsche schrijvers uit dien tijd behoorde.
Voordat die berijming uitkwam was er reeds iets van bekend geworden en waren in Holland de boekhandelaars ongerust geworden. Met name Jan Canin in Dordt duchtte gevaar, zoo ook anderen. Zij hebben allen het hunne gedaan om de uitgave van kerkelijke zijde te beletten. Cf. is het Archief voor kerkelijke geschiedenis van 1884 den brief van den kerkeraad van Dordrecht op hun aanstoken aan den kerkeraad van Antwerpen verzonden, om die uitgave desnoods met kerkelijke middelen te voorkomen. Zij hadden gehoord dat de Antwerpensche boekhandelaar dit wilde doen. Zij achtten nu 1. Alle nieuwigheid gevaarlijk en alle verandering periculeus. 2. Een Synode moet besluiten. 3. De uitgave zou veel last zijn voor de gemeenteleden, want alle gezinnen moesten dan de nieuwe psalmberijming koopen. 4. Moeielijk was het ze opnieuw te leeren. 5. Particulier belang van den boekhandelaar Jan Canin (ƒ 1000,— aan exemplaren).
Toch is de uitgave van Marnix’ berijming natuurlijk niet belet kunnen worden. Niemand had er het recht toe. Ze was niet kettersch, dus de kerkeraad had geen recht om haar te beletten.
In 1580 is ze dan ook te Antwerpen uitgegeven. Van den beginne af is deze uitgave zeer gepousseerd door den Leidschen hoogleeraar Vulcanius, zeer geleerd in Latijn en Grieksch. Hij was amanuensis bij Marnix geweest en hield zich ook bezig met ’t uitgeven van boeken. Vandaar Vulcanius’ verdrag met Marnix. Hij gaf geld en kreeg zelf voordeelen van verkoop en had alleen den drukker betaald. Vulcanius heeft al het mogelijke gedaan om die berijming ingevoerd te krijgen.
In 1581 wendde hij zich tot de Middelburgsche Synode.
Daar was een gravamen uit Vlaanderen en Zuid-Brabant ingekomen, met een klacht over de psalmberijming van Marnix en met de meening, dat die van Datheen moest gehouden worden.

|289|

De Middelburgsche Synode heeft toen dus daarover moeten handelen. Op die Synode is zoowel voor als tegen Marnix’ berijming gesproken.
Bezwaren: 1. Vele saamtrekkingen van woorden. 2. „du” en „dijn” behouden en andere dergelijke taalkundige opmerkingen meer.
Er is niet besloten tot invoering van de berijming van Marnix, maar evenmin tot afwijzing daarvan. Veeleer was de geest van die vergadering in ’t voordeel van Marnix.
In de acta ligt, dat men alleen acht, dat invoering nog bezwaren heeft. Men liet ’t feitelijk alleen wegens bijkomende omstandigheden.
Bij de revisie van de K.O. werd door de Synode dan ook de naam van Datheen in het artikel weggelaten en alleen van Psalmen Davids gesproken.
Art. 51 red. 1581.
De Psalmen Davids alleen zullen in de kerken gezongen worden, latende die gezangen, die men in de Heilige Schriften niet vindt.
Dit artikel om vrijheid te laten, ook voor een verdere berijming.
Vulcanius heeft toen bij de Synode van Haarlem in 1582 pogingen gedaan om ze althans provinciaal ingevoerd te krijgen. Zijn brief aan de Synode is nog over. Hij noemt de voordeelen op: De taal is zooveel beter. Vele treffelijke luiden komen niet ter kerke. Dit was niet waar, misschien van hem zelf alleen. Tenslotte kwam het uit, waarom het te doen was: of de Synode hem van de exemplaren ontlasten wilde.
Vulcanius was er niet de geschikte persoon voor. Hij was feitelijk humanist. Zijn ambtgenoot Scaliger zegt van hem, dat hij beter met kaarten en dobbelstenen wist om te gaan, dan met den bijbel. IJver voor het heil der kerk was er bij hem eigenlijk niet. Hij was dus geen goed patroon, hetgeen hij zelf had moeten begrijpen.
Bovendien was een provinciale Synode niet gerechtigd eene nieuwe berijming in te voeren.
Toen wendde Marnix zichzelf tot de Nationale Synode van den Haag in 1586.
Hij vond nog meer gehoor dan vroeger op de Synode van 1581. Er was ook toen weer een gravamen omtrent de zaak der psalmberijming van onderscheiden kerken ingekomen.
20 Juni 1586 werd er besloten dat de psalmen van Marnix zouden worden ingevoerd met eenige condities:
1. Eenige correcties zouden aangebracht worden.
2. De naam van Marnix verzwegen, zeker omdat hij niet overal populair was.
3. Een voorrede en voorbereiding van de Synode.
4. Aanbeveling privatim door predikanten en ouderlingen.
5. Publieke aanprijzing van den preekstoel, zonder die van Datheen te verwerpen.

|290|

6. Ze moet door de schoolmeesters op school geleerd.
7. Er zou gepoogd worden om ze zonder privelegie uit te geven, zoodat ze goedkoop zou blijven.
Na dit besluit heeft Marnix toen de verbeteringen door de synode gewild, aangebracht. Cf. de 2de editie in 1591.
Verder is er niet veel van het besluit gekomen. Aan het besluit der synode is verder niet voldaan. Marnix’ naam kwam toen in groot discrediet. Dit kwam niet alleen door het verzet der boekhandelaars, maar ook door het vertrek van Leicester. Na diens vertrek zonk het gezag der synode in ’t algemeen zeer. De staatszaken waren veranderd en reactie volgde. Bovendien bleef Datheens berijming zeer populair. De taalkundige bezwaren waren nooit overwegend. Hoogstens was er bij de meer ontwikkelden en bij de predikanten een taalkundig oogpunt. Marnix’ berijming was beter, maar in die van Datheen lag meer zalving in goeden zin, wat alleen door het volk kon worden gevoeld. Marnix’ berijming is toen dus feitelijk niet ingevoerd.
Naderhand is ze nog herhaaldelijk uitgegeven, o.a. in 1617 bij Elsevier in Leiden, die de berijming van Datheen en Marnix naast elkaar drukte met de bedoeling om door vergelijking tot een keuze te doen komen, en zeker om de laatste als de betere te doen uitkomen. Zeker ook om zoo op aanstaande synoden te werken.
Toch is de synode van 1618/19 er niet op ingegaan. Ze heeft de zaak der psalmberijming niet behandeld, evenals ze op zooveel andere artikelen niet inging noch die veranderde. Het artikel bleef zooals het was.
Toch kan men daarom niet zeggen, dat in artikel 69 van de K.O. van 1618/19 de berijming van Datheen wordt bedoeld. Integendeel, formeel was de berijming van Marnix juist bedoeld. Zoo wordt ook in 1773 de nieuwe berijming niet verstaan. Alleen de feitelijke toestand verleent een recht aan die van Datheen. Een feitelijke toestand, die jarenlang duurt wordt rechtstoestand. Was Datheen genoemd, dan had men in 1773 niet gedacht aan een nieuwe psalmberijming. Zelfs tegenstanders schrikten terug voor verandering in de K.O.
Juist omdat er geen berijming genoemd was, bleef er vrijheid voor iedereen, om aan een psalmberijming zijn kracht te beproeven. Immers, er was geen naam genoemd. Van die vrijheid is wel gebruik gemaakt. Reeds op ’t eind der 17e eeuw werd in het Noorden een nieuwe berijming beproefd door D. Trommius. Deze was niet gelukkig uitgevoerd. Men heeft er nooit aan gedacht ze in te voeren. Ze werd dus niet gebruikt, maar men begon er aandacht aan te schenken.
In de 18e eeuw werden er verscheiden pogingen tot berijming aangewend. Veel nieuwe berijmingen. Eenstemmigheid was er moeielijk te verkrijgen. Er was geen generale synode, daarom had men correspondentie en vaardigde men deputaten af van de eene synode naar de andere.
Eindelijk is men in 1772 tot eenstemmigheid gekomen. Toen is ook

|291|

door de synode van Drenthe besloten mee te werken en is door alle provinciale synoden het besluit genomen om eene nieuwe berijming te verkrijgen door ’t combineeren uit drie bestaande berijmingen: 1. die van Hendrik Chijsen, 2. van Johannes Eusebius Voet. 3. van het genootschap Laus Deo Salus Populo.
De overheid werd daarbij in de arm genomen en in 1773 is een commissie in den Haag bijeengekomen. Van Januari tot Juli is ze bijeengeweest en heeft ze voor iederen psalm uit die berijmingen een keuze gedaan en ze verbeterd. Op last van de generale staten is toen die psalmberijming voor de Nederlandsche kerken ingevoerd.
De wijze van invoering, op zijn striktst genomen, was niet zuiver, daar het alleen door een generale synode kan geschieden. De zaken van alle kerken kunnen alleen door een generale synode behandeld. Daar nu de staten geen generale synode toelieten. kon het niet anders dan door correspondentie tusschen de provinciale synoden geschieden. Dit is dan ook geschied.
De overheid wilde daarbij ook wel steunen. Jammer was, dat de overheid met dwang te werk ging.
Op sommige plaatsen had de invoering te gewelddadig plaats. De meeste predikanten en gemeenten waren er voor. Maar sommigen er ook tegen. Nu werd voorgeschreven van een bepaalden datum af de nieuwe berijming te gebruiken. Dit werkte verzet. Vooral in de classis Walcheren.
Had men de zaak haar gang laten gaan, dan was de berijming vanzelf in gebruik gekomen. Doch door de vervolgingen kwamen er martelaars voor de psalmen van Datheen. Daarom bleef de oude berijming daar veel in eere en kwam ze er nog veel vaster in.
Tevens ging daarmee gepaard eene beweging voor de muziek. In de muziek werd een verandering gebracht. Men wilde de lang uitgehaalde noten van het koraalgezang eenigszins bekorten. Het zingen van oude berijmingen ging nog, want de melodieën waren gelijk. Maar een andere wijze van zingen bracht verwarring.
Dit gaf daarom nog veel meer moeielijkheden. In Maassluis leidde het zelfs tot een ergerlijke vechtpartij in de kerk. Er was oproer. Zeker hing het welzijn van de kerk hier niet aan. Maar de onverstandige manier van invoering, waarop alles werd opgedrongen, was de schuld hiervan en gaf oorzaak tot opstand.

Het tweede gedeelte.
Toen de Psalmberijming van Datheen uitkwam, waren er dadelijk reeds eenige gezangen aan toegevoegd, nl. de tien geboden, het Onze Vader, de drie lofzangen, de 12 artikelen en: o God die onze Vader zijt.
In andere der oudste psalmberijmingen, b.v. van Utenhoven, vond men die gezangen ook. Vandaar, dat ze reeds veel bekend waren, en van den beginne af aan geen bezwaar tegen het gebruik is geweest. Daarentegen heeft men andere gezangen nooit gewild.
Deze quaestie is het eerst behandeld op de synode van 1574, art. 41. „Aangaande den gewoonlijken gezang tusschen ’t gebed en predikatie, o God, die onze Vader bist etc. dat zal in de vrijheid

|292|

der dienaren staan te houden of te laten.”
Op een gravamen, of ’t niet goed was ook eenige gezangen te zingen, werd geantwoord: Men zal tevreden zijn met de psalmen, totdat een generale synode anders beslisse.
In overeenstemming daarmede werd in art. 76 van de synode van 1578 eveneens besloten, „achterlatende de gezangen, die in de Heilige Schrift niet worden gevonden”. Hier staat het motief er bij. Men wilde alleen gezangen zingen, die in de Heilige Schrift gevonden worden.
Niet van toepassing was deze formule op den Morgen- en Avondzang, en de gebeden voor en na het eten. Dit was dus eene uitzondering, eene afwijking van het gestelde beginsel.
In 1581 op de synode van Middelburg, werd de bepaling zoo gelaten. Alleen werd er een tijdelijke concessie gedaan aan de kerken uit Overijsel. Er was nl. een gravamen, of ‘t niet goed zal zijn, dat eenige gezangen uit de oostersche achter onze Psalmboeken gedrukt worden. Dit zag op geestelijke liederen, die onder het volk bekend waren, en veel ingang schijnen gevonden te hebben. Daarom heeft de synode besloten, cf. art. 48 van de particuliere vragen, dat ’t niet raadzaam was ze achter de psalmen te laten drukken, maar alleen uit zeker respect toegelaten 12 der lichtste oostersche liederen (uit Duitschland) bij de psalmen te voegen. Dus een conniventie der synode voor Overijsel.
In 1586 is de bepaling zoo gebleven.
Ook in 1619. Alleen kwam er toen een kleine uitbreiding bij naar aanleiding van een gravamen. Er kwam bij: „Alle andere gezangen zal men uit de kerken weren, en waar er eenige alreeds ingevoerd zijn, zal men dezelve met de gevoeglijkste middelen afstellen.”
Hieruit blijkt, dat er toen reeds in onderscheiden Ned. kerken gezangen ingevoerd en in gebruik waren. Het is wel na te gaan, waar dit bijzonder op zag, nl. op eenige kerken in Friesland en Drenthe, waar men eenige tot nog toe ongebruikte gezangen had ingevoerd en vooral ook op Utrecht, waar in 1612 door de Arminiaansche synode een geheele gezangbundel was ingevoerd. Die gezangbundel was wel niet geprononceerd Arminiaansch, maar in de beginselen toch zeer beslist. Niet de kenmerkende leerstukken werden positief uitgesproken, want dit was te gevaarlijk. Maar het kenmerkend Geref. beginsel was er geheel in afwezig. De waarheid was verwaterd. Inzonderheid werd aangedrongen op onderlinge liefde en eenheid, etc. In dien tijd was dit zeer verdacht. Het bedoelde alleen een brug te slaan voor de Arminianen. De doorgaande geest en stichting was Arminiaansch.
Dr. A. v.d. Linden, de schrijver van het laatste schotschrift tegen Calvijn over M. Servet, heeft in onzen tijd, in een tijd, dat hij weer Geref. wilde heeten, deze gezangbundel uitgegeven. (Hij heeft een veelbewogen leven, heeft zich met allerlei bezig gehouden, doch niet ten gunste van de Gereformeerden).
Historisch is hij in de voorrede niet geheel juist in zijn beoordeeling van Voetius’ bezwaren. Onjuist wordt gezegd: „Niet Arminiaansch, door Voetius ten onrechte beweerd”, want velerlei

|293|

strijdschriften zijn er uit dien tijd. Willem Teelinck b.v. gaf dadelijk tegen dien gezangbundel in 1612 een volksboekje uit onder den naam Cleopas. Er bestond dus wel bezwaar in die dagen. Tegen die gezangen richt zich dan deze bepaling in de Kerkorde.
Aan dit besluit is dan ook overal voldaan.
De voorname grond voor dit beginsel was reeds aangegeven door Datheen, in de voorrede van zijn psalmen, cf. vooral de uitgave van 1572. In hoofdzaak was het hetzelfde als door Calvijn van de psalmen gezegd was.
De psalmen zijn nl. gezangen, die in de Schrift worden gevonden. De psalmen in de H. Schrift zijn door den Heiligen Geest voor de gemeente zelf gedicht en aan de gemeente op de lippen gelegd. Die woorden alleen moeten in de kerk gebruikt worden. In ons gezang moeten we bidden en danken met de woorden, die God zelf ons op de lippen legt. Het besef van de inspiratie der psalmen heeft hier dus gewerkt.
Er komt bij, dat de gezangen bijna altijd en onvermijdelijk een tijdelijk karakter dragen. Ze zijn product van den tijdgeest of bepaalde plaatsen. Ze zijn altijd een weerspiegeling van de meest heerschenden geest in een bepaalden kring en tijd. Na doorlezen of doorbladeren van een gezangbundel kan men wel tamelijk zeker zeggen welke tijd en welke plaats. Er zijn slechts zeer enkele classieke gezangen. De rationalistisch-supranaturalistische geest van den gezangbundel in de Herv. kerk van 1806 springt dadelijk in het oog. Deze zal wel niemand toeschrijven aan de 16e eeuw of de Middeleeuwen of onzen tijd te beantwoorden. Men wilde niet afwijken, maar toch is ze supranat.-rationalistisch. Zoo is het met alle andere gezangbundels. Ook in ‘t buitenland. Ze dragen een Methodistisch ascetisch karakter, maar van generale beteekenis en strekking is geen enkele bundel.
Daarom is het zoo bezwaarlijk, omdat een bundel niet aan de eischen van alle tijden maar slechts aan één tijd beantwoordt.
Elke eeuw zou men dus een nieuwen gezangbundel noodig hebben. Er zou dus telkens moeten verwisseld worden. Doch al zulke verandering van kerkelijke boeken gaat altijd uiterst moeielijk. Doch dit is niet het hoofdbezwaar. Tot op zekere hoogte zijn gezangen alleen menschenwerk.

Er wordt in het artikel niet gesproken van orgelspel, gelijk doorgaans wel in vroegere redactiën van de K.O. Zeker wel, omdat op dit punt de kerken zich noodgedrongen gevoegd en geschikt hadden naar de inzichten en het gevoelen der overheid en de meest notabelen van het volk.
Er was op de Dordtsche synode van 1574 voor ’t eerst een gravamen.
Vroeger was er van orgels geen sprake, want in de kruiskerken had men natuurlijk geen orgels, ook niet in de kerken in de verstrooiing. Zij vergaderden, waar zij maar plaats konden vinden. Eerst na de vrijheid 1572 kreeg en kwam men in kerken, waar mooie orgels waren en organisten, die gaarne orgels gebruikten. De overheid was hiervoor ook en zij stelde de kerken open.

|294|

De quaestie van het orgelgebruik kwam dus toen aan de orde.
De synode van 1574 besliste, dat het spelen van orgels gansch behoorde afgezet te worden met beroep op 1 Cor. 14: 14. Art. 50.
Dit besluit laat zich verklaren uit de algemeene beschouwing der Geref. kerken.
In de eerste christelijke kerk was geen orgelspel. Men keurde dit als heidensch gebruik af.
Eerst in de 11e eeuw is het gebruik van orgels in de christelijke kerk ingevoerd, maar niet ter begeleiding van het gezang.
Evenmin werden de orgels in de eeuw der Reformatie, de 16e eeuw, ter begeleiding van het gezang gebruikt, maar alleen tot afwisseling van het koorgezang, als het begin en de uitgang.
Een gemeentelijk gezang was in de Middeleeuwen ook bij de Roomschen onbekend.
Toen Calvijn het invoerde is met beslistheid het orgel afgewezen. Nu had men kunnen besluiten het gemeentelijk gezang door het orgel te doen begeleiden. Men was er echter sterk tegen. Men wilde bovendien van muziek in ’t geheel niet weten, vooral niet op Zondag. In Genève waren mooie orgels, die in de kerk zwegen, ook voor en na de dienst. In ’t begin was de overheid er tegen, ten minste voor of na kerktijd.
Ook in onze kerken was men van den beginne af aan tegen het orgel. Niet tegen het begeleiden van het gezang met het orgel, want dat geschiedde nog nergens. Het ziet alleen op het vrije orgelspel. Het besluit van 1574 ziet dus niet op het begeleiden van het gezang door orgelspel, maar op orgelspel, waarbij het alleen om de muziek van het orgel te doen is, nl. voor en na den dienst. Dan deed de organist zijn best. De menschen vergaten dan, zei de synode, wat ze gehoord hadden. Velen bleven in de kerk en zoo werd het collecteren aan de uitgangen bemoeielijkt.
Ze waren dus tegen een gebruik van het orgel, waarbij de organist zijn kunst vertoonde.
In 1578 kwam die vraag weer.
Art. 77. Het gebruik der orgelen in de kerk houden wij niet voor goed, inzonderheid vóór de predicatie. Het argument was, dat men na den dienst kon wegloopen, maar voor de predicatie moest men wel hooren. Daarom wordt er thans gelezen en gezongen voor de predicatie.
In 1581 was hierover weer een gravamen. Part.Vr. art. 77. Het werd niet voor goed gehouden, en daarom zal men trachten het af te schaffen.
Uit de laatste woorden van ’78 en ’81 blijkt intusschen al, dat de kerken het niet aanstonds hadden kunnen afgeschaft krijgen. Men had het een tijd lang geduld. De kerk was niet vrij. De overheid of heer van de plaats had de administratie en wilde soms de besluiten van den kerkeraad niet uitvoeren. Men achtte dan, dat men de zaak der kerken niet in ‘t gevaar, onder het kruis mocht brengen. Cf. Voetius, Polit. Eccl. I pag. 544-599.
In de tijd van de Dordtsche synode is de quaestie eenigszins

|295|

anders geworden, omdat deze toen begon betrekking te hebben op orgelspel ter begeleiding van het gezang. Daarover is toen in het tweede kwartaal van de 17e eeuw een vrij langdurige strijd in onze kerken geweest, meest naar aanleiding van de oratio van Voetius tot inwijding van de Illustre school te Utrecht tot een universiteit, waarmee hij de verandering der Utrechtsche illustre school tot Academie heeft ingeleid.
Disputatio 1. Musicam organicam nec partem nec additum esse cultus publici. Om te demonstreeren, dat orgelspel geen deel en ook geen toevoegsel is van den openlijken dienst. Er kwam een anoniem tegenschrift.
Voetius’ antwoord is een repliek: „Thersites Heautontimoroumenos”.
Een weinig later kwam er nog een tegenschrift, waarop hij in 1649 antwoordde.
Daarna heeft Constantijn Huygens zich ook in den strijd gemengd, die het gebruik van het orgel verdedigde in een geschrift: “Gebruik en ongebruik van het orgel in de kerken der vereenigde Nederlanden”. Voetius antwoordde er op met een tractaat (cf. Pol. Eccl. Deel 1 pag. 544-599), De organis et de cantu organico, dat in zijn hoofdwerk staat.
In ééne kerk is hier te lande het gebruik van het orgel vast ingevoerd, nl. in Leiden in 1637. Daar waren, evenals in alle steden en dorpen van ons land, waar de kerken orgels hadden, die orgels in wezen gebleven. Noch bij de beeldenstormerij noch bij de inrichting der kerken voor kerkedienst waren ze vernield of onbruikbaar gemaakt. Alleen werden ze voor orgelconcerten in de week gebruikt.
De magistraat in Leiden heeft ze bij den dienst in gebruik gesteld. De kerkeraad legde er zich bij neer. Toen geschiedde dit ook in andere steden.
Het archief voor kerkelijke geschiedenis, deel X, pag. 189-304, geeft een vrij volledige geschiedenis van het kerkelijk orgelgebruik. De geschiedenis is niet geheel accuraat. Vooral met betrekking tot de Hervormers, met name Calvijn en de Gereformeerden, is ze niet zoo nauwkeurig. Eenige stukken zijn niet uitgegeven, die later gevonden zijn. Overigens is er veel uit te leren.
De tegenstand dateert van de oude Christelijke kerk af.
Opmerkelijk is, dat de schrijver van die verhandeling, een voorstander van het gebruik van orgels, aan ’t slot tot de erkenning komt, dat in ons land ’t gebruik der orgels inderdaad niet gediend heeft tot verbetering van het kerkgezang, maar alleen de gebreken daarvan bedekt heeft. Het orgel hield den toon. In scholen en huisgezinnen werd minder acht gegeven op de melodieën.
De voornaamste gronden, door Voetius aangevoerd, zijn:
1. Dat de muziek op zichzelf niet dient tot Godsvereering. De gemeente moet gesticht door Gods woord en niet door muziek evenmin als door beelden of schilderijen.

|296|

Het gewone argument was: godsdienstige stemming. Doch de invloed van de muziek op de geesten der menschen is soortgelijk aan dien van andere kunstproducten. Dan kunnen daartoe ook beelden gebruikt, waarvan de Catechismus spreekt in vraag 98.
2. Het gezang der gemeente wordt er door op den achtergrond gedrongen en de muziek komt op den voorgrond. Het orgel gaat praedomineren. Vooral waar een goed organist is, wil hij laten uitkomen, wat in ’t orgel zit en zijn kunst toonen. Daarom liefst niet een al te best orgel en een niet al te bekwaam organist.
3. Dat de begeleiding van het orgel in zichzelf wel een middelmatig ding is, en dus wel is toe te laten, mits ze diene tot begeleiding van het gezang en niet tot muzikaal genot.
De kerken erkenden met ronde woorden: Begeleiding van den zang door muziek is adiaphoren. Maar dan moet ze ook als adiaphoren plaats hebben. Muziek is een gave Gods, maar muzikaal genot staat in den weg als de gemeente tot den dienst des Woords samenkomt. Op zichzelf is tegen de muziek niets, maar daarvoor komt de gemeente niet samen.
Die speelt moet altijd doordrongen zijn van het doel om het gezang goed te doen lopen.
Al te lange voor-, tusschen- of naspelen moeten dus wegblijven. Het orgel moet op zijn plaats blijven en alleen door begeleiding het gezang voor verkeerdheden bewaren. De muzikale argumenten moeten wegvallen. Van muzikale eischen is alleen in zooverre sprake als het gezang der gemeente er door gebaat wordt.
De Zuid-Hollandsche synode erkende het volledig als adiaphoren.

Rutgers, F.L. (1892-) Art. 70

Huwelijks-ordonnantiën.

Art. LXX. Alzoo bevonden wordt, dat tot nog toe verscheiden gebruiken in huwelijksche zaken alomme onderhouden zijn, en nochtans wel oorbaar is gelijkvormigheid daarin gepleegd te worden, zoo zullen de kerken blijven bij het gebruik, ’twelk zijn conform Gods Woord en voorgaande kerkelijke ordonnantiën tot nog toe onderhouden hebben, totdat bij de hooge overheid (die men daartoe met den eersten zal verzoeken) eene generale ordinantie, met advies der kerkendienaren, daarop gemaakt zal zijn, tot dewelke deze kerkenordening zich in dit stuk refereert.

Art. 70 handelt over de huwelijksbevestiging. Deze redactie dagteekent van 1586. Art. 63. In 1619 is dus niets nieuws bepaald.
In de vroegere redacties staat over het huwelijk veel meer. Het laat zich goed begrijpen, omdat toen over veel meer zaken de kerken zich hadden uit te spreken.
De quaestie is jarenlang tijdens de Reformatie eene moeielijke zaak geweest.
In de Roomsche kerk was het huwelijk een sacrament en dus al wat er betrekking op had, was door de kerk bepaald. De overheid bemoeide er zich nagenoeg in ’t geheel niet mede.

|297|

Bij de Reformatie kwam een geheele omkeering. Na de Reformatie werd de beschouwing, dat het huwelijk „fori miati” is: ten deele kerkelijk, ten deele politiek.
Ten deele politiek, om de maatschappelijke ordening die er in ligt en de burgerrechtelijke gevolgen; ten deele kerkelijk, voor zoover de kerk voor het huwelijk de beginselen uit Gods Woord heeft aan te geven, waaraan ook de overheid gebonden is. Ze heeft de goddelijke instelling te handhaven. Het is niet slechts een burgerlijk contract. In den Naam des Heeren moet door de kerk het zegel op het huwelijk gezet worden. De zegen des Heeren moet er door de kerk over gevraagd. Hiermede was in ’t begin de overheid het nog niet eens. In ’t eerst bemoeide de overheid er zich in ’t geheel niet mede. Daarom moesten de kerken nagenoeg alles regelen en dus wel allerlei bepalingen maken omtrent ondertrouw, afkondiging, echtscheiding, etc.
Langzamerhand heeft later de overheid ook zelf bepalingen gemaakt en heeft de kerk zich teruggetrokken.
In 1586 was dit gevraagd, maar nog geen gevolg er aan gegeven.
In 1619 is het in het request van de synode aan de staten nog eens gevraagd. Niet aanstonds is het toen ingewilligd. In onderscheiden provinciën echter zijn door de staten bepalingen gemaakt. Toen werd het huwelijk ten deele als een politieke zaak beschouwd, maar de kerk werd daarbij als ’t ware door de overheid gemachtigd om huwelijken te sluiten. Zij trad in den regel op als gedelegeerde van de overheid. Soms deed de overheid het ook zelf wel, maar dan was het enkel burgerlijk.
De Gereformeerden kwamen bij de kerken: registers van den burgerlijken stand. Joden en totaal ongeloovigen kwamen bij de overheid. Ook wanneer de kerk bezwaar maakte tegen ongeoorloofde graden van bloedverwantschap ging men naar de overheid.
Zulke burgerlijke huwelijken waren zeldzaam. Evenzoo is ’t nog in vele landen, b.v. Oostenrijk, Zwitserland, Hongarije. In Duitschland is ’t ook pas eenige jaren geleden veranderd. De revolutie heeft er hier te lande een einde aangemaakt. De Code Napoleon heeft ten onzent van het huwelijk puur een overheidsinstelling gemaakt.
Juist daarom gelden de kerkelijke bepalingen van vroeger niet en zijn ze niet meer toepasselijk. De kerken sluiten het huwelijk niet meer, treden ook niet meer op als gedelegeerden der overheid. Die bepalingen onderstellen dus altijd de beschouwing van de 17de eeuw.
De huwelijksordonnantiën zijn uit de K.O. verdwenen en onder de overheidsinstellingen opgenomen. De hoge overheid heeft die huwelijksordinantie niet gemaakt met advies der kerkendienaren, maar ze is toch zuiver. De huwelijksordonnantiën ten tijde der revolutie gemaakt, zijn nu feitelijk niet in strijd met Gods Woord. Zoo is er dus geen sprake van moeieljkheden.
Moeielijkheden konden slechts rijzen, wanneer er bepalingen door de overheid gemaakt werden, die tegen Gods Woord ingingen, zooals

|298|

b.v. van socialistische zijde is voorgesteld: huwelijk afschaffen of tijdelijk maken. Dan moeten de kerken weer zelf optreden en zouden ze zelf een huwelijksordinantie moeten maken en aan de overheid zich in zooverre onderwerpen als ze niet tegen Gods Woord inging. De toetsing aan Gods Woord blijft altijd eisch.
Een conflict op dit punt tusschen kerk en staat zou schrikkelijke gevolgen hebben. Het huisgezin is de grondslag van de maatschappij. De gevolgen zouden openbaar worden en erkenning van de wettigheid bij het erfrecht, enz. Alleen een bepaalde eisch van Gods Woord mag daarom noodgedwongen tot een conflict van de kerk met de overheid leiden.
Met die burgerlijke gevolgen wordt niet opgeheven de kerkelijke huwelijksbevestiging. In zedelijken zin is ’t huwelijk zonder dat niet volkomen. Kerkelijke huwelijksinzegening is bijbehouden als vastmaking van het huwelijk in zedelijken zin.
Het huwelijk moet voor God en de gemeente voltrokken. Daartoe moet de consciëntie dringen. Uit Christelijk oogpunt is het noodig voor God door de kerk het te laten bevestigen = vastmaken. De zegen Gods op zoo gewichtige zaak moet worden gevraagd. Bovendien moet ook de zegen der gemeente gevraagd worden. Hier is sprake van iets anders dan van een gewoon gebed.
Met betrekking hierop zijn er allerlei quaesties. Of huwelijksbevestiging altijd door een dienaar des Woords moet geschieden of ook door een proponent, ouderling, etc.
De classes behandelden zulke vragen en altijd is geantwoord, dat huwelijksbevestiging ook een stuk van den dienst des Woords is, met toepassing op een bepaald geval, nl. het huwelijk. Daarom moet ze altijd door een dienaar des Woords geschieden. Anders zou ’t ook in huis kunnen gebeuren en dan was het slechts een stichtelijke avond door een broeder onder de broeders.
Hoe te handelen als het huwelijk gedwongen is of anderszins onordelijk bevonden is? Dan meent men, mag de huwelijksbevestiging niet geschieden. In sommige streken van ons land heeft men alleen kerkelijke inzegening als alles in orde is. Dit is zeer onjuist. Wel moet op zoodanige zonde tegen het 7de gebod censuur toegepast. Toch geldt dan, dat zeker de kerkelijke tucht moet geoefend, maar daartoe behoort niet de ontzegging van de huwelijksbevestiging. Dit is geen kerkelijk censuurmiddel en heeft met de tucht niets te maken. De huwelijksbevestiging is niet verklaring der kerk dat alles met betrekking tot het huwelijk in orde is.
Er moet dan bij de inzegening over gesproken worden als een afschrikwekkend voorbeeld. De zaak van de huwelijksbevestiging is van geheel anderen aard.
De vraag is alleen of het huwelijk door Gods Woord verboden is of niet. Of het naar Gods Woord al dan niet te voltrekken is, b.v. wanneer er te nauwe bloedverwantschap bestaat of wel bij vroeger echtbreukigen. De vraag is: of ’t een huwelijk is, dat Gods Woord niet verbiedt, maar zelfs eischt. B.v. een gedwongen huwelijk is naar Gods Woord noodzakelijk. Dit dus moet de kerk bevorderen.
Op een andere wijze mag de kerk nooit een huwelijk weigeren.

|299|

Ten opzichte van gemengde huwelijken (huwelijken met ongedoopten of ongeloovigen), is de bevestiging toegelaten, als de betrokkene ongeloovige partij wil meegaan en bewilligt in de christelijke inrichting van zijn huisgezin. Dit is altijd niet gemakkelijk uit te maken. Maar in geval de ongeloovige zich leerzaam betoont en geen bezwaar maakt, dus op zijn huisgezin een christelijk stempel staat, mag het.
In het andere geval mag zoodanig huwelijk niet bevestigd.