Kerkorde GKN (2001)

Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland

Bron: 

Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland vastgesteld door de generale synode van Assen (1957) met de door volgende synoden daarin aangebrachte wijzigingen, aangevuld met uitvoeringsbepalingen, Uitgave 2001 (Kampen: Uitgeverij Kok)

Kerkorde GKN (2001) Inl.

Inleiding

Kerkorde GKN (2001) Art. 1.1

Inleiding

Artikel 1

Lid
1

Naar het apostolisch voorschrift van 1 Corinthe 14: 40, dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden, wordt in deze kerkorde een aantal regelen gegeven voor het leven en werken van de kerk, met het oog op het volbrengen van de taak, waartoe zij naar de Heilige Schrift en haar belijdenis geroepen is.

Kerkorde GKN (2001) Art. 1.2

Inleiding

Artikel 1

Lid
2

De voornaamste onderwerpen, die in de kerkorde achtereenvolgens ter sprake gebracht worden, zijn: de ambten van de kerk, de vergaderingen van de kerk, het werk van de kerk, het vermaan en de tucht van de kerk, en de betrekkingen van de kerk naar buiten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 1 Opm.

Inleiding

Artikel 1

Opmerking

Tot de Gereformeerde Kerken in Nederland worden ook gerekend de kerken, samenkomende in de “Synode der altreformierte Kirche in Niedersachsen” (welke naam 26 mei 1970 werd veranderd in “Evangelisch-altreformierte Kirche in Niedersachsen”), welke gevormd wordt door de classis Bentheim en de classis Oost-Friesland. Deze synode heeft onder bepaalde beperkingen de rechten van een particuliere synode. Een en ander is nader omschreven in de door de generale synode vastgestelde Regeling (Utrecht 1959, acta art. 104).

Kerkorde GKN (2001) H1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

Kerkorde GKN (2001) H1.I.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (2001) Art. 2.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 2

Lid
1

De ambten, waaraan in opdracht van Christus het dienstwerk in de gemeente is toevertrouwd, zijn die van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 2.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 2

Lid
2

Deze ambten zijn van elkander onderscheiden, niet in waardigheid of eer, maar in opdracht en werk.

Kerkorde GKN (2001) Art. 3.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 3

Lid
1

Niemand zal in de kerk enig ambt vervullen zonder daartoe op wettige wijze geroepen en daarin bevestigd te zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 3.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 3

Lid
2

Voor de roeping tot enig ambt komen slechts in aanmerking belijdende leden, die voldoen aan de in de Heilige Schrift voor ambtsdragers gestelde eisen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 4.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 4

Lid
1

De roeping tot het vervullen van een ambt wordt uitgebracht door de kerkenraad.

Kerkorde GKN (2001) Art. 4.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 4

Lid
2

De kerkenraad brengt deze roeping uit in de regel op grond van een onder zijn leiding gehouden verkiezing door de gemeente. Deze verkiezing geschiedt uit een aantal door de kerkenraad voorgestelde kandidaten, dat in de regel het dubbele is van het aantal te vervullen plaatsen. De kerkenraad kan echter ook in een vacature slechts één kandidaat voorstellen; hij zal dan mededeling aan de gemeente doen van de redenen, die hem daartoe genoopt hebben.

Kerkorde GKN (2001) Art. 4.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 4

Lid
3

De kerkenraad kan de leden der gemeente tevoren in de gelegenheid stellen de aandacht te vestigen op voor het ambt geschikte personen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 4.4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 4

Lid
4

De verkiezing geschiedt, na gebed, door de stemgerechtigde leden der gemeente overeenkomstig de door de kerkenraad vastgestelde regeling.

Kerkorde GKN (2001) Art. 4.5

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 4

Lid
5

De kerkenraad zal de namen van de beroepen ambtsdragers op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente voordragen om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging. Indien geen bezwaren zijn ingekomen of de kerkenraad de ingebrachte bezwaren niet genoegzaam gegrond acht, zal de bevestiging in een kerkdienst plaats hebben, met gebruikmaking van de daarvoor vastgestelde formulieren.

Kerkorde GKN (2001) H1.II.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Kerkorde GKN (2001) Art. 5.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 5

Lid
1

Voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords is een deugdelijke theologische opleiding vereist.

Kerkorde GKN (2001) Art. 5.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 5

Lid
2

Degene die een zodanige opleiding ontvangen heeft, hetzij aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, en staat naar het ambt van dienaar des Woords, dient zich te onderwerpen aan een kerkelijk examen.
De deputaten daartoe aangewezen door de particuliere synode waaronder de kerk ressorteert, die als eerste de kandidaat in haar ledenregister heeft ingeschreven, nemen het examen af. De classis, waaronder de genoemde kerk ressorteert, stelt diegene die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, op voorstel van de deputaten van de particuliere synode beroepbaar, tenzij zij daartegen overwegende bezwaren heeft. Een en ander geschiedt overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 5.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 5

Lid
3

Ten aanzien van hem, die aan een andere hogeschool of universiteit in binnen- of buitenland een theologische opleiding ontvangen heeft, zullen de in lid 2 bedoelde deputaten handelen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 5.4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 5

Lid
4

Voor de uitzending als missionair dienaar des Woord is, naast de in lid 1 bedoelde opleiding, nog een bijzondere opleiding vereist aan het zendingsseminarie.

Kerkorde GKN (2001) Art. 6.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 6

Lid
1

Van de regel, dat een deugdelijke theologische opleiding vereist is, kan alleen worden afgeweken, indien op overtuigende wijze blijkt dat iemand in die mate de gaven bezit, welke voor een dienaar des Woords onmisbaar zijn, dat hij ondanks het gemis van een zodanige opleiding geacht kan worden in staat te zijn de gemeente met stichting te dienen. De beoordeling of zulks het geval is, geschiedt door deputaten terzake benoemd door de generale synode, alsmede door de deputaten tot het afnemen van het kerkelijk examen, aangewezen door de particuliere synode, waaronder de classis van zijn woonplaats ressorteert, met dien verstande dat laatstgenoemde deputaten tot hun onderzoek niet mogen overgaan dan na ontvangen gunstig advies van de eerstgenoemde, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 7.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 7

Lid
1

De beroeping van een dienaar des Woords zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de beroepbaarheid van degenen, die andere dan de Gereformeerde Kerken in Nederland gediend hebben, alsmede van de bepaling inzake het meer dan eenmaal beroepen van dezelfde dienaar des Woord in dezelfde vacature. In geheel vacante kerken zal de beroeping niet geschieden zonder het raadplegen van de consulent.

Kerkorde GKN (2001) Art. 7.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 7

Lid
2

In geval de beroepene reeds als dienaar des Woords een andere gemeente gediend heeft, zal zijn naam aan de gemeente worden voorgedragen. Voorts zal de bevestiging niet geschieden, dan nadat de classis waaronder de vacante kerk ressorteert, op grond van het overgelegde wettige getuigenis van zijn vertrek uit de kerk en de classis waaraan hij tevoren was verbonden, en van de overgelegde goede kerkelijke attestatie van zijn leer en leven, haar approbatie verleend heeft.

Kerkorde GKN (2001) Art. 7.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 7

Lid
3

In geval de beroepene tevoren niet in het ambt van dienaar des Woords gestaan heeft, is voor de approbatie van de classis tevens overlegging van de akte van de classis die de betrokkene beroepbaar stelde, vereist. De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 8.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 8

Lid
1

Proponenten en dienaren des Woords, die beroepen worden als missionair dienaar des Woords, zullen moeten overleggen een getuigschrift, waaruit blijkt dat zij de afzonderlijke opleiding voor dit doel overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen gevolgd hebben.

Kerkorde GKN (2001) Art. 8.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 8

Lid
2

Vrijstelling van het overleggen van dat getuigschrift kan alleen verleend worden met bewilliging van de generale synode of haar deputaten, die met de behartiging van de algemene zaken der zending belast zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 9.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 9

Lid
1

Het zal geen dienaar des Woords vrijstaan binnen het ressort van enige kerk zonder bewilliging van haar kerkenraad voor te gaan in een samenkomst, welke geacht moet worden in enigerlei vorm het karakter van een kerkdienst te dragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 10.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 10

Lid
1

De taak van de dienaar des Woords is de bediening van het Woord aan de gemeente en al naar de gelegenheid eveneens de verkondiging van het Evangelie aan wie het Evangelie niet kennen; de bediening van de sacramenten; het uitspreken van de zegen; de leiding van alle overige ambtelijke werkzaamheden in de kerkdiensten, als in het bijzonder het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, het doen van bekendmakingen inzake vermaan en tucht, het bevestigen van ambtsdragers, het bevestigen van huwelijken en het catechetisch onderricht.

Kerkorde GKN (2001) Art. 10.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 10

Lid
2

Voorts is het zijn taak, tezamen met de ouderlingen, over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen ook op andere wijze dan door de openbare verkondiging van het evangelie voor Christus te winnen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 10.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 10

Lid
3

De kerkenraad kan aan een dienaar des Woords een bijzondere opdracht geven en op grond daarvan hem van een deel van de in lid 1 en 2 bedoelde werkzaamheden vrijstellen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 11.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 11

Lid
1

Een dienaar des Woords, die arbeid aanvaardt waardoor hij aan een gemeente verbonden blijft of wordt, maar welke voor hem een verhindering is de in artikel 10 bedoelde taak in een gemeente te verrichten, zal toch de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden, mits is voldaan aan de in lid 2 omschreven vereisten en de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
Een proponent, die arbeid aanvaardt als hierboven bedoeld, zal de eer en de naam van een dienaar des Woords ontvangen, mits is voldaan aan de eerdergenoemde vereisten en bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 11.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 11

Lid
2

De in lid 1 bedoelde arbeid dient te zijn aanvaard met bewilliging van de kerkenraad, met goedkeuring van de classis en met medewerking en goedvinden van de deputaten van de particuliere synode, bedoeld in artikel 56, lid 1 van de kerkorde. De classis zal haar goedkeuring slechts kunnen verlenen, indien de desbetreffende arbeid — naar het tevoren door haar ingewonnen oordeel van de deputaten, daartoe door de generale synode benoemd — een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het Evangelie in rechtstreeks verband staat.

Kerkorde GKN (2001) Art. 11.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 11

Lid
3

Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing voor een dienaar des Woords bedoeld in artikel 12, die de in het eerste lid omschreven arbeid wenst te aanvaarden. Hij dient bewilliging en goedkeuring te verkrijgen van de meerdere vergadering waaraan hij is verbonden. De classis handelt daarbij met medewerking en goedvinden van de deputaten, genoemd in het tweede lid.

Kerkorde GKN (2001) Art. 11.4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 11

Lid
4

De dienaar des Woords, bedoeld in lid 1, zal ten aanzien van zijn ambtelijke positie in de regel worden verbonden aan de gemeente in welker gebied hij werkzaam zal zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 12.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 12

Lid
1

Een dienaar des Woords of een proponent die, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen, door een meerdere vergadering wordt geroepen tot arbeid in haar opdracht ten behoeve van in haar samenkomende kerken, welke arbeid een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het Evangelie in rechtstreeks verband staat, zal de eer en de naam van een dienaar behouden respectievelijk ontvangen en worden verbonden aan de meerdere vergadering die hem benoemt, in dienst van de kerken in haar ressort. Een meerdere vergadering kan zulk een benoeming slechts verrichten indien de desbetreffende arbeid — naar het tevoren door haar ingewonnen oordeel van de deputaten, daartoe door de generale synode benoemd — aan de bovengenoemde vereisten voldoet.

Kerkorde GKN (2001) Art. 13.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 13

Lid
1

Indien een kerkenraad respectievelijk een meerdere vergadering en een dienaar des Woords, ten behoeve van een taak als bedoeld in de artikelen 10 tot en met 12, een verbintenis willen aangaan onder beperkende of anderszins bijzondere voorwaarden, kan daar slechts uitvoering aan worden gegeven met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen bij dit artikel.

Kerkorde GKN (2001) Art. 13.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 13

Lid
2

Een emeritus-verklaarde dienaar des Woords kan met bewilliging van de kerkenraad der gemeente dan wel de meerdere vergadering, waaraan hij verbonden is, voor een bepaalde periode worden geroepen tot het verrichten van ambtelijke arbeid in bepaalde hiervoor in aanmerking komende kerken, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen. Hij zal dan geacht worden in de desbetreffende kerk het ambt van dienaar des Woords te vervullen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 14.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 14

Lid
1

Met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen kan een meerdere vergadering een dienaar des Woords eervol ontheffen van de ambtsbediening indien hij door omstandigheden, anders dan emeritering, zijn taak niet meer kan of behoeft te verrichten. Bij de eervolle ontheffing van de ambtsbediening ontvangt de dienaar des Woords de rechten van een emeritus.

Kerkorde GKN (2001) Art. 15.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 15

Lid
1

Het staat een dienaar des Woords niet vrij zijn ambt neer te leggen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 15.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 15

Lid
2

Een dienaar des Woords kan op zijn verzoek van zijn ambt worden ontheven, om zich tot een andere staat des levens te begeven, indien de kerkenraad en de classis, met medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten, oordelen dat daarvoor bijzondere en gewichtige redenen zijn.
Indien zulk een verzoek wordt ingediend door een dienaar des Woords die verbonden is aan een classis of een particuliere synode, staat dit ter beoordeling aan de naastvolgende meerdere vergadering.
Indien zulk een verzoek wordt ingediend door een dienaar des Woords die verbonden is aan de generale synode, staat dit ter beoordeling aan de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 15.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 15

Lid
3

Indien een dienaar des Woords, door omstandigheden anders dan emeritering, gedurende een bepaalde tijd zijn ambt niet meer heeft vervuld, zal — al dan niet op zijn verzoek — ontheffing uit het ambt plaats hebben bij besluit van een meerdere vergadering overeenkomstig de hiervoor door de generale synode vastgestelde bepalingen.*)


*) Dienaren des Woords die tussen 3 oktober 1990 en 24 november 1997 door toepassing van art. 15 lid 3 K.O., na eerdere toepassing van art. 18 K.O. uit hun ambt zijn ontheven kunnen zich wenden tot de kerkelijke vergadering die het besluit tot ontheffing heeft genomen met een verzoek om de eer en naam van predikant te herkrijgen. De betrokken kerkelijke vergadering handelt dan als betrof het een aanvraag tot verlenging als bedoeld in Ubp 18.1 lid 2 en volgende (Goes 1997, acta art. 36).

Kerkorde GKN (2001) Art. 15.4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 15

Lid
4

De weg tot het ambt van dienaar des Woords kan alleen worden heropend met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 16.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 16

Lid
1

Zolang een dienaar des Woords aan een gemeente verbonden is voor arbeid als bedoeld in artikel 10, zal deze in het onderhoud van hem en zijn gezin voorzien, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen. Zij zal zich van deze plicht niet ontslagen mogen rekenen, indien hij wegens ziekte of om een andere wettige reden zijn werk tijdelijk niet kan verrichten.
Indien met toepassing van het derde lid van artikel 10 anderen dan de kerkenraad mede verantwoordelijkheid dragen voor de werkzaamheden van deze dienaar des Woords, kan met zijn bewilliging geheel of gedeeltelijk op andere wijze in het bovenbedoelde onderhoud worden voorzien.

Kerkorde GKN (2001) Art. 16.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 16

Lid
2

Indien een dienaar des Woords arbeid aanvaardt als bedoeld in artikel 11 of artikel 12, berust de verantwoordelijkheid voor het onderhoud, bedoeld in het eerste lid, bij de gemeente respectievelijk de meerdere vergadering waaraan hij voor die arbeid verbonden is, tenzij anderen die verantwoordelijkheid hebben aanvaard overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 17.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 17

Lid
1

Een dienaar des Woords zal emeritus worden verklaard wanneer hij de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt heeft of wanneer hij door arbeidsongeschiktheid niet in staat is zijn taak te blijven verrichten. Hij komt voorts voor emeritaat in aanmerking wanneer hij ten minste veertig jaren zijn ambt heeft vervuld of wanneer hij voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld door de generale synode, voor vervroegd uittreden.
De aanvraag voor emeritaat gaat uit van de dienaar des Woords of van de desbetreffende kerkelijke vergadering, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, waarin tevens de wijze van behandeling van de aanvraag wordt gegeven.
De dienaar des Woords behoudt als emeritus de eer en de naam van een dienaar des Woords en blijft verbonden aan de gemeente respectievelijk de vergadering welke hij het laatst diende.

Kerkorde GKN (2001) Art. 17.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 17

Lid
2

De meerdere vergadering die het emeritaat verleent kan — in het geval van de classis met medewerking en goedvinden, en in het geval van de particuliere synode met advies van de door de particuliere synode aangewezen deputaten — aan de emeritaatsverlening van een dienaar des Woords een beperkende bepaling verbinden inzake het vervullen van tot dit ambt behorende werkzaamheden, indien hij, naar haar oordeel, de kerken niet met stichting zal kunnen dienen. Het opnemen van een dergelijke bepaling zal evenwel een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (2001) Art. 17.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 17

Lid
3

In het onderhoud van de emeritus, en na zijn overlijden in dat van de nabestaanden, zal worden voorzien overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, voor zover de verantwoordelijkheid hiervoor niet berust bij anderen als bedoeld in artikel 16.
Deze voorziening geschiedt voor rekening van de gezamenlijke kerken, met inbreng van een bijdrage van de dienstdoende dienaren des Woords, die daarvoor in aanmerking komen. De uitvoering hiervan berust bij de daartoe door de generale synode aangewezen deputaten overeenkomstig de door haar vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 17.4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 17

Lid
4

Het in lid 3 bepaalde geldt eveneens voor het onderhoud van de nabestaanden van een dienaar des Woords, die vóór het verkrijgen van zijn emeritaat is overleden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 18.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 18

Lid
1

Indien een dienaar des Woords — door oorzaken gelegen bij zijn gemeente, in zijn werk, bij hemzelf of in verschillende factoren — zijn taak niet langer met stichting kan vervullen en er geen reden bestaat tot het oefenen van kerkelijke tucht, kan de desbetreffende kerkelijke vergadering hem ontheffen van zijn ambtsuitoefening overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.
Gedurende de ontheffing van de ambtsuitoefening geniet de Dienaar des Woords de rechten van een emeritus, en is hij beroepbaar.

Kerkorde GKN (2001) Art. 18.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 18

Lid
2

Een meerdere vergadering kan aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, een beperkende bepaling verbinden inzake het vervullen van tot zijn ambt behorende werkzaamheden, indien de dienaar des Woords naar haar oordeel de kerken niet met stichting zal kunnen dienen. Het opnemen van een dergelijke bepaling zal evenwel een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (2001) Art. 18.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 18

Lid
3

Zolang de dienaar des Woords niet elders is beroepen of benoemd, blijft de gemeente respectievelijk de meerdere vergadering waaraan hij verbonden is, binnen de door de generale synode bepaalde grenzen, verantwoordelijk voor de voorziening in het onderhoud van hem en zijn gezin.

Kerkorde GKN (2001) Art. 19.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 19

Lid
1

Indien de kerkenraad en de classis, met medewerking en goedvinden van de deputaten van de particuliere synode, oordelen dat een dienaar des Woords die aan een gemeente verbonden is, zonder dat er goede grond is voor het verlenen van emeritaat of voor het oefenen van kerkelijke tucht, de bekwaamheid mist om enige gemeente met stichting te dienen of enige functie als dienaar des Woords met stichting te vervullen, zal een volledig ontslag uit de dienst slechts kunnen volgen, wanneer de particuliere synode met een meerderheid van ten minste twee derden der uitgebrachte stemmen dat oordeel bevestigd en, in geval van appèl, de generale synode deze beslissing bekrachtigd heeft.

Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing voor een dienaar des Woords bedoeld in artikel 12. Alsdan berust de beslissing bij de particuliere synode indien hij aan een classis is verbonden en bij de generale synode indien hij aan een particuliere synode of de generale synode is verbonden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 19.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

II. De dienaren des Woords

Artikel 19

Lid
2

Ten behoeve van het onderhoud van hem die ontslagen is en van zijn gezin zal de kerkenraad respectievelijk de meerdere vergadering waaraan hij was verbonden, ook hangende het appèl, hem een uitkering doen overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) H1.III.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Kerkorde GKN (2001) Art. 20.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 20

Lid
1

Voor de opleiding tot de dienst des Woords onderhouden de kerken gezamenlijk een Theologische Universiteit.

Kerkorde GKN (2001) Art. 20.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 20

Lid
2

Voor de verzorging van deze Universiteit zal de generale synode een aantal deputaten benoemen en wel één uit elk van de in haar bijeenkomende particuliere synoden in Nederland, zulks op voordracht van deze synoden. Zij worden curatoren genoemd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 20.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 20

Lid
3

Alles wat betrekking heeft op de inrichting en leiding van deze Universiteit, wordt geregeld in een afzonderlijk reglement en in de overige door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 21.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 21

Lid
1

Het verband met de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit wordt door deputaten van de generale synode onderhouden volgens de overeenkomst, aangegaan met de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs, in welke overeenkomst de wederzijdse rechten en verplichtingen omschreven zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 22.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

III. De opleiding tot de dienst des Woords

Artikel 22

Lid
1

Om in de behoefte aan dienaren des Woords te voorzien, zullen de kerken voor zoveel nodig aan daarvoor in aanmerking komende studenten en dienaren des Woords financiële steun verlenen, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) H1.IV.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Kerkorde GKN (2001) Art. 23.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 23

Lid
1

De ouderlingen en de diakenen zullen gedurende een door de kerkenraad vast te stellen periode zitting hebben. De kerkenraad kan deze periode voor eenmaal met één jaar verlengen; hij zal dan mededeling aan de gemeente doen van de redenen, die hem daartoe genoopt hebben.

Kerkorde GKN (2001) Art. 23.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 23

Lid
2

In de regel zal ieder jaar een deel van hen aftreden. De aftredenden zullen niet terstond herkiesbaar zijn, tenzij naar het oordeel van de kerkenraad het welzijn van de gemeente het raadzaam maakt een of meer hunner opnieuw aan de gemeente ter verkiezing voor te stellen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 24.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 24

Lid
1

De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herderlijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeente trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen voor Christus te winnen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 25.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 25

Lid
1

De taak van de diakenen is te bevorderen dat aan leden der gemeente en aan anderen die onder druk leven, hetzij van incidentele dan wel van structurele aard, zowel in eigen omgeving als elders in de wereld, in navolging van Christus, gerechtigheid en barmhartigheid bewezen wordt;

Kerkorde GKN (2001) Art. 25.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 25

Lid
2

Met het oog daarop zullen zij de leden der gemeente opwekken en zo toerusten, dat ook dezen in woord en daad voor hen die geen helper hebben zullen opkomen;

Kerkorde GKN (2001) Art. 25.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

IV. De ouderlingen en de diakenen

Artikel 25

Lid
3

Zij zullen ervoor zorgdragen dat de door de gemeente tot dat doel ter beschikking te stellen stoffelijke bijdragen worden ingezameld en zorgvuldig beheerd en dat daarnaast andere goede middelen worden gezocht en aangewend.

Kerkorde GKN (2001) H1.V.

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De instemming met het belijden van de kerk

Kerkorde GKN (2001) Art. 26.1

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De instemming met het belijden van de kerk

Artikel 26

Lid
1

De ouderlingen en de diakenen zullen in de eerste bijeenkomst van de kerkenraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, blijk geven van hun instemming met het belijden van de kerk door ondertekening van een afzonderlijk formulier dat door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 26.2

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De instemming met het belijden van de kerk

Artikel 26

Lid
2

Degenen die met goed gevolg het kerkelijk examen hebben afgelegd, zullen in de bijeenkomst van de classis, waarin de beroepbaarstelling plaatsvindt, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 26.3

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De instemming met het belijden van de kerk

Artikel 26

Lid
3

De dienaren des Woords zullen van diezelfde instemming blijk geven niet alleen door in de eerste bijeenkomst van de kerkenraad, welke zij na hun bevestiging in het ambt bijwonen, het in lid 1 bedoelde formulier te ondertekenen, maar bovendien door in de eerste bijeenkomst van de desbetreffende classis een formulier te ondertekenen dat door de generale synode speciaal met het oog op hen is vastgesteld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 26.4

Hoofdstuk 1

De ambten van de kerk

V. De instemming met het belijden van de kerk

Artikel 26

Lid
4

De hoogleraren in de theologie en de overige in artikel 12 van de kerkorde bedoelde dienaren des Woords zullen, bij de aanvaarding van hun taak, van diezelfde instemming blijk geven door ondertekening van een afzonderlijk formulier, dat door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (2001) H2.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

Kerkorde GKN (2001) H2.I.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (2001) Art. 27.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 27

Lid
1

De regering van de kerk en het opzicht en de tucht in de kerk zijn toevertrouwd aan haar vergaderingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 27.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 27

Lid
2

Er zijn vier gewone vergaderingen: de kerkenraad, de classis, de particuliere synode en de generale synode. Van de kerkenraad worden de drie andere vergaderingen onderscheiden als meerdere vergaderingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 27.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 27

Lid
3

Van deze gewone vergaderingen worden onderscheiden de synoden waarop het in artikel 66 bepaalde van toepassing is, die een bijzonder karakter dragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 28.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 28

Lid
1

Deze vergaderingen hebben, elk naar eigen aard, een kerkelijk gezag, haar door Christus verleend.

Kerkorde GKN (2001) Art. 28.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 28

Lid
2

Hetzelfde gezag dat de classis heeft over de kerkenraad, heeft de particuliere synode over de classis en de generale synode over de particuliere synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 29.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 29

Lid
1

Deze vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandelen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 29.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 29

Lid
2

De behandeling van deze zaken zal steeds geschieden in overeenstemming met het kerkelijk karakter van deze vergaderingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 30.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 30

Lid
1

Door een meerdere vergadering zullen, behalve de zaken die de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaan, uitsluitend zaken behandeld worden, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden en daarom door deze in de vorm van een vraag, van een instructie, van een bezwaarschrift of op andere wijze aan de orde worden gesteld, alsook zaken ten aanzien waarvan een lid ener kerk of een vergadering bij haar in appèl is gekomen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 30.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 30

Lid
2

Zaken welker behandeling tot de taak van een meerdere vergadering behoort, kunnen behalve op grond van voorstellen van mindere vergaderingen, ook door die vergadering zelf aan de orde worden gesteld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 31.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 31

Lid
1

De besluiten van de vergaderingen zullen steeds na gemeenschappelijk overleg en zoveel mogelijk met eenparige stemmen worden genomen. Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan zal de minderheid zich voegen naar het gevoelen van de meerderheid. De besluiten van de vergaderingen dragen een bindend karakter.

Kerkorde GKN (2001) Art. 31.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 31

Lid
2

Degenen die enig besluit van een vergadering — niet zijnde een op een revisieverzoek of een in appèl genomen besluit — in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord of met bepalingen van de kerkorde, of die op andere wijze door zulk een besluit het welzijn van de kerk geschaad achten, of die menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, kunnen aan de vergadering die het besluit genomen heeft, revisie van dat besluit verzoeken. Betreft het een besluit van de generale synode, dan kan revisie verzocht worden bij de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 31.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 31

Lid
3

Degenen die een verzoek tot revisie indienen, zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat revisieverzoek in acht te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 31.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 31

Lid
4

De uitvoering van het besluit waarvan revisie wordt verzocht, wordt door indiening van het revisieverzoek niet opgeschort. Een vergadering heeft wel het recht de uitvoering van een door haar genomen besluit op te schorten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
1

Van een door een kerkenraad of classis genomen revisiebesluit kunnen degenen die het revisiebesluit in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord of met bepalingen van de kerkorde, of die op andere wijze door zulk een besluit het welzijn van de kerk geschaad achten, of die menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, in appèl gaan bij de particuliere synode. Indien door het revisiebesluit het oorspronkelijke besluit niet is gewijzigd of ingetrokken, staat de mogelijkheid van appèl uitsluitend open voor diegenen, die revisie hebben gevraagd. Van het door de particuliere synode in appèl genomen besluit is geen revisie mogelijk.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
2

Van een door een particuliere synode genomen revisiebesluit kan in appèl worden gegaan bij de generale synode, waarbij het in lid 1 gestelde van overeenkomstige toepassing is.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
3

De particuliere synode beslist op een appèlverzoek niet dan nadat een door haar daartoe ingesteld particulier deputaatschap voor appèlzaken advies uitgebracht heeft.
Indien de particuliere synode wil afwijken van het door het deputaatschap uitgebrachte advies, dient zij eerst appèllanten, de betrokken kerkelijke vergadering en het deputaatschap te horen alvorens een afwijkend besluit te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
4

De particuliere synode is verplicht de door de generale synode vastgestelde bepalingen omtrent de instelling en werkwijze van het particuliere deputaatschap voor appèlzaken in acht te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.5

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
5

De generale deputaten voor appèlzaken kunnen een door een particuliere synode in appèl genomen besluit voorleggen aan de generale synode met het advies om een afwijkend besluit te nemen, voorzover het zaken betreft, die het gehele kerkverband aangaan, en met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.6

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
6

In afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel bestaat bij bezwaren tegen een leer van een dienaar des Woords voor een ieder de mogelijkheid van appèl op de generale synode van het door de particuliere synode in appèl genomen besluit.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.7

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
7

Van een door de generale synode genomen revisiebesluit kan in appèl worden gegaan bij de eerstvolgende generale synode, waarbij het in lid 1 gestelde van overeenkomstige  toepassing is.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.8

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
8

De generale synode beslist op een appèlverzoek niet dan nadat het generale deputaatschap voor appèlzaken een advies uitgebracht heeft. Indien de generale synode wil afwijken van het door het deputaatschap uitgebrachte advies, dient zij eerst appèllanten, de betrokken kerkelijke vergadering en het deputaatschap te horen alvorens een afwijkend besluit te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.9

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
9

Degenen die bij de particuliere of generale synode in appèl gaan zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat appèlverzoek in acht te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32.10

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32

Lid
10

De uitvoering van het besluit waarvan men appèl heeft ingesteld, wordt door de indiening van het appèlschrift niet opgeschort.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32a.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32a

Lid
1

De voorzitter van het particuliere deputaatschap voor appèlzaken is bevoegd op verzoek van degenen die revisie van een besluit verzocht hebben of van een revisiebesluit in appèl gegaan zijn, een spoedvoorziening te treffen totdat op het revisie- of appèlverzoek definitief zal zijn beslist.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32a.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32a

Lid
2

De voorzitter van het generale deputaatschap voor appèlzaken is beveogd tot het treffen van een spoedvoorziening in het geval dat revisie wordt verzocht, dan wel van een revisiebesluit appèl is ingesteld bij de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 32a.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 32a

Lid
3

Degenen die de voorzitter van het particuliere dan wel generale deputaatschap voor appèlzaken het verzoek doen een spoedvoorziening te treffen, zijn verplicht daarbij de door de generale synode vastgestelde bepalingen aangaande vorm en termijn van dat verzoek in acht te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 33.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 33

Lid
1

Indien iemand zich bezwaard gevoelt over een besluit of uitspraak van de generale synode, als naar zijn oordeel in strijd met duidelijke uitspraken van Gods Woord, zullen de vergaderingen jegens hem tolerantie gebruiken, tenzij zijn wijze van optreden een bedreiging zou inhouden voor de goede werking van de kerkelijke gemeenschap ter plaatse of in het kerkverband.

Kerkorde GKN (2001) Art. 34.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 34

Lid
1

Elke vergadering zal haar bijeenkomsten met aanroeping van de naam Gods beginnen en beëindigen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 34.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 34

Lid
2

Elke meerdere vergadering zal zo dikwijls als er naar haar oordeel aanleiding toe is in een bijeenkomst aan haar leden de gelegenheid geven elkander onderling te vermanen, opdat de christelijke saamhorigheid van haar leden bewaard blijft.

Kerkorde GKN (2001) Art. 34.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 34

Lid
3

Zij zal een regeling maken voor haar werkzaamheden, waarin onder meer voorzieningen worden getroffen voor de archieven en het toezicht op en de controle van alle financiële handelingen door of namens haar uitgevoerd.

Kerkorde GKN (2001) H2.II.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Kerkorde GKN (2001) Art. 35.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 35

Lid
1

In elke gemeente zal een kerkenraad zijn, die gevormd wordt door haar ambtsdragers.

Kerkorde GKN (2001) Art. 35.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 35

Lid
2

Indien het getal der ouderlingen meer dan drie bedraagt, zal het vrijstaan onderscheid te maken tussen de brede kerkenraad waartoe alle ambtsdragers behoren, en de smalle kerkenraad waarvan de diakenen geen deel uitmaken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 35.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 35

Lid
3

Een streekgemeente kan een, van het in dit en de volgende artikelen bepaalde, afwijkende regeling vaststellen, evenwel met inachtneming van de ter zake door de generale synode vastgestelde bepalingen.
Onder een streekgemeente wordt verstaan een gemeente, gevormd door een aantal oorspronkelijk op zichzelf staande gemeenten van welk ten minste één niet bij machte is gebleken een zelfstandig bestaan te voeren, die, met medewerking en goedvinden van de classis besloten hebben, onder behoud van beperkte zelfstandigheid, in elkaar op te gaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 36.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 36

Lid
1

De kerkenraad heeft de leiding der gemeente, in het bijzonder het opzicht over en de tucht in de gemeente, alsmede de zorg voor de dienst der barmhartigheid in het algemeen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 36.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 36

Lid
2

Indien er onderscheid gemaakt wordt tussen de brede en de smalle kerkenraad, zal het opzicht over en de tucht in de gemeente bij de smalle kerkenraad berusten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 36.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 36

Lid
3

In het in lid 2 bedoelde geval zullen de diakenen onder leiding van één van hen afzonderlijk bijeenkomen om de zaken die tot hun taak behoren, te behandelen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 36.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 36

Lid
4

De diakenen doen verantwoording van hun beleid en beheer in de kerkenraad.

Kerkorde GKN (2001) Art. 36.5

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 36

Lid
5

Het zal aan een kerkenraad vrijstaan de voorbereiding of afdoening van bepaalde zaken in handen te leggen van commissies of van wijkraden; hij zal er echter op toezien, dat aan dergelijke colleges niet het gezag wordt toegekend, hetwelk aan de kerkenraad toekomt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 37.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 37

Lid
1

In de regel berust het presidium van de kerkenraad bij de dienaar des Woords of, indien er in een gemeente meer dienaren des Woords zijn, in de regel beurtelings bij ieder van hen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 37.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 37

Lid
2

In geval een gemeente geen dienaar des Woords heeft, berust het presidium bij één van de ouderlingen, daartoe door de kerkenraad aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 38.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 38

Lid
1

De kerkenraad zal in de regel ten minste éénmaal per maand bijeenkomen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 38.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 38

Lid
2

De kerkenraad zal ten minste éénmaal in de drie maanden aan zijn leden de vraag voorleggen, of er reden is elkander onderling te vermanen, in het bijzonder in verband met de vervulling van hun ambten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 38.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 38

Lid
3

De kerkenraad bepaalt in zijn regeling van werkzaamheden de wijze van samenroeping van een buitengewone bijeenkomst.

Kerkorde GKN (2001) Art. 39.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 39

Lid
1

In geval een kerk ten minste twee dienaren des Woords heeft, op geen van wie het in artikel 10 lid 3 bepaalde van toepassing is, kan de kerkenraad zijn taak ten dele toevertrouwen aan een aantal in te stellen wijkkerkenraden; zelf zal hij dan als kerkenraad voor algemene zaken optreden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 39.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 39

Lid
2

De kerkenraad voor algemene zaken zal worden gevormd door de dienaren des Woords alsmede een aantal ouderlingen en diakenen, die in de regel door de gehele gemeente zijn verkozen en die tevens deel uitmaken van een der wijkkerkenraden, zulks met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 39.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 39

Lid
3

De aanwijzing van de aan de kerkenraad voor algemene zaken voor te behouden en van de aan de wijkkerkenraden toe te vertrouwen zaken zal geschieden bij plaatselijke regeling, zulks met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 39.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 39

Lid
4

Voor wat de aan hem toevertrouwde zaken betreft is op de wijkkerkenraad van toepassing hetgeen voor de kerkenraad is bepaald.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
1

De kerkenraad kan een deel van zijn taak toevertrouwen aan een kleine kerkenraad met een aantal sectieteams en taakgroepen. Zelf zal hij dan optreden als grote kerkenraad, waarvan alle ambtsdragers deel uitmaken, ter vaststelling van het algemene beleid van de kerkenraad.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
2

De kleine kerkenraad wordt gevormd door de dienaren des Woords alsmede een aantal ouderlingen en diakenen, die in de regel tevens deel uitmaken van een sectieteam of van een taakgroep.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
3

Elk sectieteam en elke taakgroep bestaat uit één of meer ambtsdragers, van wie er ten minste één lid is van de kleine kerkenraad, alsmede een aantal niet-ambtsdragers.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
4

Een sectieteam werkt ten behoeve van de opbouw van een deel van de gemeente; een taakgroep werkt ten behoeve van de voortgang van een deel van het werk van de gemeente.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.5

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
5

De sectieteams en de taakgroepen werken binnen het beleid van de grote en kleine kerkenraad inzake het gehele leven en werken van de gemeente.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.6

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
6

De verdeling van taken en bevoegdheden over de grote kerkenraad, de kleine kerkenraad, de sectieteams en de taakgroepen geschiedt bij plaatselijke regeling, zulks met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 40.7

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 40

Lid
7

Waar naar artikel 39 wijkkerkenraden zijn ingesteld kan, met inachtneming van het in dat artikel bepaalde ten aanzien van de verhouding tussen de kerkenraad voor algemene zaken en de wijkkerkenraden, in lid 1 van dit artikel in plaats van kerkenraad wijkkerkenraad of kerkenraad voor algemene zaken worden gelezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 41.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 41

Lid
1

Wanneer een kerk geen dienaar des Woords heeft, zal de kerkenraad aan de classis verzoeken, volgens de door haar vastgestelde regeling, een dienaar des Woords uit een der naburige kerken als consulent aan te wijzen, om voor zover nodig aan de kerkenraad leiding en raad te verschaffen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 41.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 41

Lid
2

De kerkenraad zal in belangrijke aangelegenheden, met name in wat betrekking heeft op de beroeping van een dienaar des Woords, de consulent raadplegen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 41.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 41

Lid
3

De consulent woont, indien hij daartoe is uitgenodigd, de bijeenkomsten van de kerkenraad bij; aan hem kan dan het presidium worden opgedragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 41.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 41

Lid
4

De consulent is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Kerkorde GKN (2001) Art. 42.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 42

Lid
1

Wanneer ter instituering van een kerk een kerkenraad wordt ingesteld, gebeurt dit niet dan met medewerking en goedvinden van de classis.
Een zodanige kerkenraad bestaat uit ten minste drie leden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 42.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 42

Lid
2

De kerkenraad is bevoegd te besluiten tot splitsing van de kerk, tot samenvoeging van de kerk met een of meer andere kerken of tot opheffing van de kerk.
Hij zal een dergelijk besluit niet nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben.
Splitsing, samenvoeging en opheffing van kerken kunnen alleen plaatsvinden met medewerking en goedvinden van de classis.

Kerkorde GKN (2001) Art. 43.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 43

Lid
1

In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht over en de tucht in de gemeente, met name in zaken waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkenraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben.

Kerkorde GKN (2001) Art. 43.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

II. De kerkenraad

Artikel 43

Lid
2

Onverminderd het in lid 1 bepaalde zal in kerken, waar wijkkerkenraden zijn ingesteld, in zaken waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, de kerkenraad voor algemene zaken geen besluit nemen zonder gunstig advies van alle wijkkerkenraden.

Kerkorde GKN (2001) H2.III.

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

Kerkorde GKN (2001) Art. 44.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 44

Lid
1

Elke meerdere vergadering bestaat uit ambtsdragers, die afgevaardigd zijn door de in haar bijeenkomende mindere vergaderingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 44.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 44

Lid
2

De mindere vergaderingen zullen zorg dragen, dat haar afgevaardigden in het bezit zijn van deugdelijke credentie-brieven, op vertoon waarvan zij stemrecht hebben, met dien verstande dat dit recht hun niet toekomt in die zaken, welke hun persoonlijk of de vergaderingen door welke zij afgevaardigd zijn, in het bijzonder aangaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 45.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 45

Lid
1

(Vervallen)

Kerkorde GKN (2001) Art. 46.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 46

Lid
1

Elke meerdere vergadering zal worden samengeroepen door de kerk, welke daartoe in haar laatstgehouden bijeenkomst is aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 46.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 46

Lid
2

Op de kerkenraad van de samenroepende kerk rust de zorg voor de voorbereiding van de desbetreffende bijeenkomst. Hij kan daarbij advies vragen aan de classis, indien de particuliere synode, en aan de particuliere synode, indien de generale synode moet worden samengeroepen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 47.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 47

Lid
1

De mindere vergaderingen zullen aan de samenroepende kerk zoveel mogelijk tijdig mededeling doen van zaken, die zij wensen behandeld te zien.

Kerkorde GKN (2001) Art. 47.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 47

Lid
2

De samenroepende kerk stelt uit de in lid 1 bedoelde gegevens, uit opgaven van deputaten en uit andere bij haar ingekomen stukken een voorlopig agendum samen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 47.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 47

Lid
3

De meerdere vergadering zelf stelt het definitief agendum vast, mede aan de hand van instructies, bezwaarschriften, vragen en mededelingen, die aan de afgevaardigden zijn medegegeven. Zij zal op het agendum geen stukken plaatsen, ingezonden door leden van de gemeenten, wanneer niet blijkt, dat deze stukken van tevoren aan het oordeel van een mindere vergadering onderworpen zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 48.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 48

Lid
1

De meerdere vergaderingen zullen, naast de preses en de scriba, één of meer leden aanwijzen, die met hen het moderamen vormen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 48.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 48

Lid
2

De leden van het moderamen van de particuliere en de generale synode zullen door vrije verkiezing worden aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 48.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

a. Algemene bepalingen

Artikel 48

Lid
3

De leden van het moderamen van de classis zullen naar de huishoudelijke regeling worden aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 49.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 49

Lid
1

Het ressort van een classis wordt gevormd ten minste door zes in elkanders nabijheid gelegen kerken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 49.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 49

Lid
2

Indien het aantal kerken meer dan twintig bedraagt, zal, en indien het meer dan twaalf bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een classis worden overgegaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 49.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 49

Lid
3

Splitsing van het ressort van een classis en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de particuliere synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 50.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 50

Lid
1

Naar de classis zal de kerkenraad van elke kerk een dienaar des Woords, een ouderling en een diaken afvaardigen, of, indien de kerk vacant is, twee ouderlingen en een diaken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 50.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 50

Lid
2

Ambtsdragers, die niet afgevaardigd zijn, kunnen door de vergadering worden toegelaten als adviserende leden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 51.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 51

Lid
1

De classis zal ten minste eens in het kwartaal samenkomen ter behandeling van de voorkomende zaken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 51.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 51

Lid
2

Het behoort met name tot haar taak toe te zien, dat de kerken haar roeping en taak nakomen, zoals die in de kerkorde staan omschreven; advies en hulp te bieden aan de kerkenraden, in het bijzonder deze bij gebleken behoefte in staat te stellen een dienaar des Woords te beroepen; en de grenzen tussen de kerken van haar ressort vast te stellen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 51.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 51

Lid
3

De taak van het afgeven en het in ontvangst nemen van het getuigenis van vertrek alsmede van het verlenen van approbatie met betrekking tot dienaren des Woords kan de classis, voor de periode tussen haar gewone bijeenkomsten, toevertrouwen aan twee of meer kerken. Deze kerken zullen van de daartoe te houden bijeenkomst kennis geven aan de overige kerken, in geval van ingebrachte wettige bezwaren geen beslissing nemen en voorts van haar handelingen op de eerstvolgende bijeenkomst der classis verantwoording afleggen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 52.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 52

Lid
1

De classis zal ieder jaar in een van haar bijeenkomsten ten minste twee van de meest ervaren en geschikte dienaren des Woords aanwijzen, om in alle kerken visitatie te verrichten. Zij kan naast deze dienaren des Woords ook andere, voor die
taak bekwame ambtsdragers — bij voorkeur ouderlingen — aanwijzen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 52.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 52

Lid
2

De visitatoren zullen onderzoeken, of de ambtsdragers zowel persoonlijk als gezamenlijk hun taak getrouw vervullen, zich aan de zuivere leer houden, de bepalingen van de kerkorde en de overige besluiten der meerdere vergaderingen onderhouden en naar vermogen het hunne doen om met woord en daad de opbouw en de uitbreiding der gemeente te bevorderen. Voorts zullen zij nalatigen broederlijk vermanen, en allen met raad en daad bijstaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 52.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

b. De classis

Artikel 52

Lid
3

De visitatoren zullen van hun bevindingen schriftelijk rapport uitbrengen aan de classis.

Kerkorde GKN (2001) Art. 53.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 53

Lid
1

Het ressort van een particuliere synode wordt gevormd door de kerken van ten minste drie in elkanders nabijheid gelegen classes.

Kerkorde GKN (2001) Art. 53.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 53

Lid
2

Indien het aantal classicale ressorten meer dan zes bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een particuliere synode worden overgegaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 53.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 53

Lid
3

Splitsing van het ressort van een particuliere synode en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 54.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 54

Lid
1

Naar de particuliere synode zal elke classis twee dienaren des Woords, twee ouderlingen en een diaken afvaardigen, of indien er niet meer dan vier classes zijn, en zulks door die synode bepaald is, drie dienaren des Woords, drie ouderlingen en twee diakenen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 55.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 55

Lid
1

De particuliere synode zal ieder jaar eenmaal worden samengeroepen in gewone bijeenkomst ter behandeling van de voorkomende zaken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 55.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 55

Lid
2

Zij kan ook in buitengewone bijeenkomst worden samengeroepen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 56.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 56

Lid
1

De particuliere synode zal enige dienaren des Woords, uit elke classis één, aanwijzen als deputaten met de opdracht de classis desverlangd in moeilijkheden bij te staan en van advies te dienen en de vereiste medewerking te verlenen bij alles wat betrekking heeft op elke vorm van ontslag uit de dienst, overgang tot een andere staat des levens, emeritusverklaring, en afzetting van dienaren des Woords.

Kerkorde GKN (2001) Art. 56.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 56

Lid
2

De particuliere synode zal in overleg met de classes deputaten aanwijzen welke tot taak hebben het kerkelijk examen, bedoeld in artikel 5 lid 2, af te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 56.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 56

Lid
3

Deze en alle overige door de particuliere synode met welomschreven opdrachten benoemde deputaten zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende particuliere synode en zijn aan deze ook overigens verantwoording schuldig.

Kerkorde GKN (2001) Art. 57.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 57

Lid
1

Het zal aan elke particuliere synode vrijstaan, samen te werken met andere particuliere synoden of met classes van andere particuliere synoden, zulks evenwel niet zonder goedvinden van deze synoden, ter behartiging van belangen, die deze vergadering in het bijzonder aangaan, of tot het verrichten van gezamenlijke arbeid van evangelisatie, zending of anderszins.

Kerkorde GKN (2001) Art. 57.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 57

Lid
2

Van een dergelijke samenwerking zal steeds aan de eerstvolgende generale synode kennis worden gegeven.

Kerkorde GKN (2001) Art. 57.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

c. De particuliere synode

Artikel 57

Lid
3

Geschillen ter zake zullen aan de beslissing van de generale synode onderworpen worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 58.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 58

Lid
1

Het ressort van de generale synode wordt gevormd door de gezamenlijke kerken van de particuliere synoden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 59.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 59

Lid
1

Naar de generale synode zal elke classis bij toerbeurt, naar een door het breed moderamen der synode te maken rooster, een dienaar des Woords, een ouderling of een diaken afvaardigen, en wel zo, dat zoveel mogelijk twee van elke vijf classes een dienaar des Woords afvaardigen, twee een ouderling en één een diaken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 59.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 59

Lid
2

De hoogleraren en wetenschappelijke (hoofd)medewerkers aan de Theologische Universiteit en de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, benoemd door de generale synode of in overeenstemming met de door haar goedgekeurde bepalingen om onderwijs te geven, dat betrekking heeft op de opleiding tot de dienst des Woords, kunnen, voor zover zij belijdend lid in volle rechten zijn van een Gereformeerde kerk, worden uitgenodigd om de zittingen van de generale synode bij te wonen als adviseur. De uitnodiging en de positie van de adviseurs zullen worden geregeld bij door de generale synode vast te stellen bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 60.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 60

Lid
1

De generale synode zal om de twee jaar samenkomen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 60.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 60

Lid
2

Als samenroepende kerk wordt in de regel beurtelings uit elk van de ressorten der particuliere synoden in Nederland een kerk aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 60.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 60

Lid
3

Het zal aan de synode vrijstaan haar zittingen te onderbreken en voort te zetten tot aan het bijeenkomen van de eerstvolgende generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 61.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 61

Lid
1

Na vaststelling van haar agendum zal de synode daar geen nieuwe stukken aan toevoegen dan alleen voor zover het betreft een voorstel van kerkelijke vergaderingen, ingediend door ten minste twee particuliere synoden, hetzij door ten minste vijf classes welke behoren ten minste tot drie particuliere synoden; dan wel het verzoek van een deputaatschap, dat in zijn opdracht ter zake gemachtigd was tot het voorleggen van bepaalde aangelegenheden aan de synode; dan wel een belangrijke aangelegenheid ten aanzien waarvan zij met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen oordeelt dat die generlei uitstel gedoogt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 61.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 61

Lid
2

In geval van buitengewone omstandigheden, zoals in tijden van oorlog, van algemene volksrampen en van grote druk voor de kerk alsook in tijden van grote zegen voor kerk, volk en land, kan de synode te allen tijde bijeenkomen om dagen of uren van boete, gebed of dankzegging uit te schrijven, alsook om getuigenissen op te stellen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 62.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 62

Lid
1

Tot de taak van de generale synode behoort met name de aanwijzing van de door de kerken te gebruiken Bijbelvertaling alsook de vaststelling van de belijdenisgeschriften, van de in artikel 26 bedoelde ondertekeningsformulieren, van de kerkorde, van het psalm- en gezangboek, van de liturgische formulieren en van de orden van dienst.

Kerkorde GKN (2001) Art. 62.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 62

Lid
2

De generale synode zal ten aanzien van deze zaken, behoudens in geval van wijzigingen van formele aard, over welke geaardheid in haar midden eenparigheid van gevoelen moet bestaan, geen definitieve beslissingen nemen, zonder de mindere vergaderingen in de gelegenheid te hebben gesteld van haar gevoelen blijk te geven. Voorts zal een dergelijke definitieve beslissing, die genomen wordt door de synode volgende na die welke de voorlopige beslissing nam, evenzeer als de beslissing in zake een wijziging van formele aard, een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (2001) Art. 63.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 63

Lid
1

De generale synode zal uit haar midden een aantal leden aanwijzen, die tezamen met haar moderamen het breed moderamen vormen, zulks met inachtneming van de door de synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 63.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 63

Lid
2

De synode kan het breed moderamen opdragen de behandeling van bepaalde zaken voor te bereiden, alsook bepaalde zaken geheel af te doen, een en ander met inachtneming van de door de synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 64.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 64

Lid
1

De leden van het moderamen van de generale synode zullen, in de perioden die vallen tussen haar zittingen alsmede na haar sluiting, als haar deputaten de kerken vertegenwoordigen of doen vertegenwoordigen in alle gevallen, waarvoor geen andere deputaten aangewezen zijn en waarin zij dat wenselijk achten, en voorts alles verrichten wat in de huishoudelijke regeling van de generale synode ten aanzien van hun taak is bepaald. Voor hun werkzaamheden na de sluiting van de synode zijn zij verantwoording schuldig aan de eerstvolgende synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 65.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 65

Lid
1

De generale synode kan deputaten benoemen voor het uitvoeren van besluiten en het uitbrengen van adviezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 65.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

d. De generale synode

Artikel 65

Lid
2

Deze deputaten zullen welomschreven opdrachten ontvangen, waaraan zij gebonden zijn. Zij zullen van hun handelingen rapport uitbrengen aan de eerstvolgende synode, tenzij anders bepaald wordt. Zij zijn verplicht hun uitgaven te houden binnen de grenzen van de hun toegestane bedragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 66.1

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

e. Bijzondere synoden

Artikel 66

Lid
1

De kerken kunnen met andere kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering in gemeenschap treden door samen te komen in vergaderingen, die bijzondere synoden worden genoemd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 66.2

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

e. Bijzondere synoden

Artikel 66

Lid
2

De afgevaardigden naar deze synoden worden benoemd door de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 66.3

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

e. Bijzondere synoden

Artikel 66

Lid
3

De generale synode kan alle zaken, die op haar agendum dienen en voor bespreking met de in lid 1 bedoelde andere kerken in aanmerking komen, aan deze synoden voorleggen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 66.4

Hoofdstuk 2

De vergaderingen van de kerk

III. De meerdere vergaderingen

e. Bijzondere synoden

Artikel 66

Lid
4

Uitspraken van deze synoden zullen binnen door de generale synode vast te stellen grenzen, als bindend aanvaard worden.

Kerkorde GKN (2001) H3.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

Kerkorde GKN (2001) H3.I.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Algemeen

Kerkorde GKN (2001) Art. 67.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

I. Algemeen

Artikel 67

Lid
1

Alle leden van de gemeente hebben de taak om hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan zijn gemeente geeft. Ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen hebben daarom tot taak naar vermogen ruimte te scheppen en te laten voor initiatieven uit de gemeente. Zij zullen voor de uitvoering van hun bijzondere taak mede een beroep doen op en gebruik maken van de dienst van de leden der gemeente.

Kerkorde GKN (2001) H3.II.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

Kerkorde GKN (2001) Art. 68.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 68

Lid
1

Elke kerkenraad zal zorgen dat de gemeente, in het bijzonder op de dag des Heren, wordt samengeroepen tot de dienst des Woords, de dienst der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid.

Kerkorde GKN (2001) Art. 68.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 68

Lid
2

De inrichting van de kerkdiensten zal worden vastgesteld door de kerkenraad.

Kerkorde GKN (2001) Art. 68.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 68

Lid
3

In deze kerkdiensten zullen gebruikt worden de Bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de liturgische formulieren, welke door de generale synode zijn aangewezen of vastgesteld, en zal men zich zoveel mogelijk houden aan een orde van dienst, die door de generale synode is vastgesteld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 69.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 69

Lid
1

De leiding van de kerkdiensten zal berusten bij de dienaar des Woords van de gemeente of bij een van haar dienaren, dan wel bij een andere, door de kerkenraad daartoe uitgenodigde bevoegde dienaar des Woords.

Kerkorde GKN (2001) Art. 69.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 69

Lid
2

Indien een proponent voorgaat, zal de leiding bij hem berusten, met dien verstande dat hij zich onthouden zal van alle verrichtingen welke een ambtelijk karakter dragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 69.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 69

Lid
3

Anderen dan dienaren des Woords of proponenten zijn gerechtigd tot het leiden van en het voorgaan in een kerkdienst, indien hun daartoe de bevoegdheid is verleend in overeenstemming met de door de generale synode vastgestelde bepalingen. Bij het uitoefenen van die bevoegdheid zullen zij zich onthouden van alle verrichtingen, welke een ambtelijk karakter dragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 69.4

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 69

Lid
4

In de overige gevallen zal de leiding berusten bij een ambtsdrager of een ander, naar het oordeel van de kerkenraad geschikt, lid der gemeente en zal een naar het oordeel van de kerkenraad geschikte preek worden gelezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 70.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 70

Lid
1

Op de dag des Heren zal de kerkenraad de gemeente zo mogelijk tweemaal, doch ten minste eenmaal in kerkdiensten samenroepen en voorts ten minste eenmaal op het Kerstfeest, de Goede Vrijdag en de Hemelvaartsdag.

Kerkorde GKN (2001) Art. 70.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 70

Lid
2

De kerkenraad zal zoveel mogelijk zorg dragen, dat kerkdiensten worden gehouden op de Oudejaars- en de Nieuwjaarsdag en op de bid- en dankdagen voor gewas en arbeid.

Kerkorde GKN (2001) Art. 70.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

a. Algemene bepalingen

Artikel 70

Lid
3

Het wordt in de vrijheid van de kerken gelaten kerkdiensten te houden op de tweede feestdagen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 71.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

b. Dienst des Woords

Artikel 71

Lid
1

In de kerkdiensten zal het Woord worden bediend door de Heilige Schrift te verklaren en toe te passen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 71.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

b. Dienst des Woords

Artikel 71

Lid
2

Op de dag des Heren zal zoveel mogelijk in één van de kerkdiensten het Woord worden bediend door ontvouwing van de christelijke leer, gelijk zij uit de Heilige Schrift is samengevat in de Heidelbergse Catechismus.

Kerkorde GKN (2001) Art. 71.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

b. Dienst des Woords

Artikel 71

Lid
3

Op het Kerstfeest, de Goede vrijdag, het Paasfeest, de Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest zullen in de kerkdiensten in het bijzonder de grote heilsfeiten herdacht worden. Voorts zal daarmede in de Adventstijd en de lijdenstijd bij de tekstkeuze rekening worden gehouden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 72.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 72

Lid
1

De heilige doop zal door de dienaren des Woords aan de kinderen des verbonds in een kerkdienst bediend worden met gebruikmaking van een der daarvoor vastgestelde formulieren.

Kerkorde GKN (2001) Art. 72.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 72

Lid
2

De kerkenraad zal erop toezien, dat de doop zo spoedig mogelijk wordt aangevraagd en bediend.

Kerkorde GKN (2001) Art. 72.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 72

Lid
3

Wanneer geen der ouders gerechtigd is de doopvragen te beantwoorden, zal de kerkenraad in overleg met de ouders omzien naar een of meer doopgetuigen, die genoegzaam waarborg kunnen geven voor een christelijke opvoeding.

Kerkorde GKN (2001) Art. 73.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 73

Lid
1

Degenen die niet als kind gedoopt zijn, zullen de heilige doop eerst ontvangen, nadat zij door de beantwoording van de in het daarvoor vastgestelde formulier opgenomen vragen openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 74.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 74

Lid
1

Ten aanzien van degenen die uit een andere dan een Gereformeerde Kerk in de gemeente opgenomen worden, zal de doop slechts erkenning vinden, indien komt vast te staan dat deze in of vanwege een christelijke kerk of een kring van christenen, door een aldaar bevoegd geacht persoon, in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes bediend werd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 75.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 75

Lid
1

Toegang tot het heilig avondmaal wordt in de regel verkregen door het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier zal worden gebruikt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 75.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 75

Lid
2

Voordat iemand wordt toegelaten tot het afleggen van deze openbare belijdenis des geloofs zal de kerkenraad een onderzoek instellen naar zijn beweegredenen, alsook naar zijn leer en wandel en zijn naam aan de gemeente ter goedkeuring voordragen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 75.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 75

Lid
3

Zij die uit een andere gemeente overkomen, zullen tot het heilig avondmaal toegang verkrijgen op grond van een overgelegde attestatie, voor zover deze genoegzame waarborg biedt van een gezonde leer en een godvrezende wandel.

Kerkorde GKN (2001) Art. 75.4

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 75

Lid
4

Zij die uit een andere dan een Gereformeerde Kerk daartoe het verlangen kenbaar maken, zullen tot het heilig avondmaal toegang verkrijgen, nadat zij, op grond van een door de kerkenraad ingesteld onderzoek naar hun leer en wandel, in de gemeente zijn opgenomen. De kerkenraad kan daarbij bepalen dat vooraf door hen openbare belijdenis des geloofs moet worden afgelegd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 75.5

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 75

Lid
5

De kerkenraad kan, overeenkomstig de bepalingen, die de generale synode hiervoor heeft vastgesteld, de toegang tot het heilig avondmaal ook verlenen aan gedoopte kinderen en jongeren die nog geen openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 76.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 76

Lid
1

Het heilig avondmaal zal, met gebruikmaking van één der daarvoor vastgestelde formulieren, in alle geval eens in de twee of drie maanden in een kerkdienst worden bediend. Bij de wijze van bediening zal de kerkenraad, met inachtneming van hetgeen in Gods Woord is voorgeschreven, handelen naar wat hij oordeelt het meest stichtelijk te zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 76.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

c. De dienst der sacramenten

Artikel 76

Lid
2

Het zal in de vrijheid van de kerken staan in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden en dergelijke inrichtingen het heilig avondmaal in een afzonderlijke kerkdienst te doen bedienen voor hen die tot de avondmaalsviering gerechtigd zijn of daartoe naar het oordeel van de kerkenraad als gasten kunnen worden toegelaten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 77.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

d. Dienst der gebeden

Artikel 77

Lid
1

Voor de dienst der gebeden kan gebruik gemaakt worden van de door de generale synode vastgestelde gebeden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 78.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

e. Dienst der barmhartigheid

Artikel 78

Lid
1

Voor de dienst der barmhartigheid zullen, naar vaste orde, in de kerkdiensten gaven worden ingezameld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 78.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

II. Kerkdiensten

e. Dienst der barmhartigheid

Artikel 78

Lid
2

De ingezamelde gaven kunnen worden bestemd voor diaconale hulpverlening aan andere kerken, alsmede voor instellingen welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven.

Kerkorde GKN (2001) H3.III.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Catechese

Kerkorde GKN (2001) Art. 79.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Catechese

Artikel 79

Lid
1

Aan de kinderen der gemeente en aan anderen die dit begeren, zal in de leer der kerk onderricht worden gegeven om hen voor te bereiden tot het doen van openbare belijdenis des geloofs en tot het vervullen van hun roeping ten opzichte van de kerk en van de wereld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 79.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Catechese

Artikel 79

Lid
2

Dit onderricht betreft het verstaan van de Heilige Schrift, de belijdenis en de geschiedenis van de kerk, alsmede het hedendaagse kerkelijke leven, inzonderheid gelijk dit zich openbaart in het werk van evangelisatie en zending.

Kerkorde GKN (2001) Art. 80.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Catechese

Artikel 80

Lid
1

De catechese zal worden gegeven in opdracht en onder toezicht van de kerkenraad, in de regel door een dienaar des Woords.

Kerkorde GKN (2001) Art. 81.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Catechese

Artikel 81

Lid
1

De catechese wordt gegeven in directe aansluiting aan de Heilige Schrift; als voornaamste leerboek zal daarbij dienst doen de Heidelbergse Catechismus.

Kerkorde GKN (2001) Art. 81.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

III. Catechese

Artikel 81

Lid
2

Voor het overige is de keuze van de leerboeken en de andere leermiddelen toevertrouwd aan de dienaar des Woords, die daarover met de kerkenraad overleg pleegt.

Kerkorde GKN (2001) H3.IV.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Kerkorde GKN (2001) Art. 82.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 82

Lid
1

De dienaren des Woords en de ouderlingen zullen hun herderlijke zorg uitstrekken tot alle leden van de gemeente, door hen en in het bijzonder de zieken en bejaarden die verhinderd zijn de kerkdiensten bij te wonen, en ook de afdwalenden, trouw te bezoeken; door hen op te wekken tot een leven in het geloof en hen in tegenspoed te troosten; en door hen te waarschuwen tegen valse leringen en dwalingen evenals tegen wereldse wandel en goddeloze praktijken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 83.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 83

Lid
1

De kerkenraden zullen aan hen die uit de gemeente vertrekken, een getuigenis over hun kerkelijke staat meegeven, met welke attestatie zij in de kerk van de nieuwe woonplaats toegang hebben als lid.

Kerkorde GKN (2001) Art. 83.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 83

Lid
2

De kerken zullen elkaar schriftelijk bericht geven over de verhuizing van haar leden. Wanneer geen attestatie wordt ingeleverd, heeft de kerk van de nieuwe woonplaats tot taak die inlevering na te streven en vallen betrokkenen ook overigens onder haar zorg.

Kerkorde GKN (2001) Art. 83.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 83

Lid
3

Bij de uitvoering van het bepaalde in dit artikel zal worden gehandeld overeenkomstig de door de synode vastgestelde bepalingen, onder meer betreffende de procedure ten aanzien van kerkleden die de volwassenheid nog niet hebben bereikt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 84.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 84

Lid
1

De namen van hen die gedoopt zijn, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben, die na afsnijding weder in de gemeente zijn opgenomen, die met attestatie uit een andere gemeente zijn overgekomen, alsook van hen die uit een andere dan Gereformeerde Kerk in de gemeente zijn opgenomen, zullen met nadere bijzonderheden in daarvoor aangelegde registers zorgvuldig worden opgetekend.

Kerkorde GKN (2001) Art. 84.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 84

Lid
2

Hetzelfde zal worden gedaan met de namen van hen die met attestatie vertrokken zijn, die zijn overleden, die afgesneden zijn en die zich hebben onttrokken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 85.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 85

Lid
1

Indien zij die naar een andere gemeente vertrekken, bijstand ontvangen van diakenen, zullen dezen op vertrouwelijke wijze de diakenen van die gemeente daarover inlichten, en, zo de omstandigheden daartoe nopen en het onderling overleg daartoe leidt, hetzij voorgoed hetzij voor een bepaalde periode verdere bijstand verlenen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 86.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 86

Lid
1

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de leden der gemeenten hun huwelijk aangaan met inachtneming van de geboden Gods en het ten overstaan van de overheid voltrokken huwelijk in een kerkdienst laten bevestigen, waarbij één der daarvoor vastgestelde formulieren zal worden gebruikt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 87.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 87

Lid
1

De kerkenraden zullen er toe medewerken, dat de leden der gemeenten die gestorven zijn, op christelijke wijze begraven worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 88.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

IV. Herderlijke zorg

Artikel 88

Lid
1

De generale synode zal, voor zoveel dat naar haar oordeel nodig is, de arbeid onder schippers, zeevarenden, militairen, verstrooiden in het buitenland, hen die in ziekenhuizen verpleegd worden, doven, en anderen die door de mindere vergaderingen niet of niet genoegzaam bearbeid kunnen worden, aan afzonderlijke deputaten en dienaren des Woords toevertrouwen.

Kerkorde GKN (2001) H3.V.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Kerk en Israël

Kerkorde GKN (2001) Art. 88a.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Kerk en Israël

Artikel 88a

Lid
1

De kerken zijn geroepen gestalte te geven aan de onopgeefbare verbondenheid van de gemeente van Christus met het volk Israël en te zoeken naar gelegenheid voor Joden en Christenen tot wederzijds getuige zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 88a.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

V. Kerk en Israël

Artikel 88a

Lid
2

Ten behoeve van dit werk benoemt de generale synode deputaten voor Kerk en Israël met de opdracht de kerken met adviezen te dienen en tevens namens de kerken deel te nemen aan het overleg tussen Joden en Christenen.

Kerkorde GKN (2001) H3.VI.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Kerkorde GKN (2001) Art. 89.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 89

Lid
1

De kerken zullen zich door middel van de arbeid der evangelisatie richten tot hen die vervreemd zijn van het evangelie, om hen zo mogelijk te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk.

Kerkorde GKN (2001) Art. 89.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 89

Lid
2

Deze arbeid geschiedt onder leiding van de kerkenraad, die de leden der gemeente ook zal opwekken Jezus Christus in het midden der wereld met woord en daad te belijden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 90.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 90

Lid
1

Ten behoeve van de arbeid der evangelisatie zal de generale synode deputaten benoemen, aan wie wordt opgedragen de kerken met adviezen te dienen en het nodige te verrichten tot bevordering van de opleiding van krachten voor die arbeid.

Kerkorde GKN (2001) Art. 90.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 90

Lid
2

Voor deze arbeid kan de generale synode één of meer dienaren des Woords benoemen, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 91.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 91

Lid
1

Voor bepaalde takken van de arbeid der evangelisatie kan de generale synode deputaten benoemen ten dienste van die kerken, welke daarvoor in aanmerking komen, en zo nodig de kerken opwekken dit werk naar vermogen te steunen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 92.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 92

Lid
1

Samenwerking in de arbeid der evangelisatie met andere dan Gereformeerde kerken en personen zal uitsluitend plaatsvinden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 93.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 93

Lid
1

(Vervallen)

Kerkorde GKN (2001) Art. 94.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 94

Lid
1

De kerken zullen zich richten tot de volken, die vreemd zijn aan het Evangelie om hun in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus het Evangelie te verkondigen en om degenen, die tot het geloof gekomen zijn en de heilige doop ontvangen hebben, bijeen te brengen in een gemeente.
Waar reeds gemeenten zijn, zullen de kerken desgevraagd naar behoefte hulp bewijzen bij het inrichten en opbouwen van een eigen kerkelijk leven alsook met die gemeenten deelnemen aan het vervullen van de zendingsopdracht.

Kerkorde GKN (2001) Art. 95.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 95

Lid
1

Om de zendingsopdracht van Christus uit te voeren, zullen de kerken zoveel mogelijk samenwerken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 95.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 95

Lid
2

De wijze van samenwerking wordt nader geregeld door de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 95.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 95

Lid
3

De beroeping van een missionair dienaar des Woords zal geschieden door de kerk die daartoe door de voor een bepaalde arbeid der zending samenwerkende kerken is aangewezen, evenwel niet zonder overleg met deze kerken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 96.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 96

Lid
1

De arbeid der zending kan ook in samenwerking met elders bestaande kerken worden voortgezet of aangevat in een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Kerkorde GKN (2001) Art. 96.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 96

Lid
2

De hiertoe strekkende overeenkomsten behoeven de goedkeuring van de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 97.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 97

Lid
1

De in artikel 95 bedoelde samenwerking van de kerken ten behoeve van de uitvoering van haar zendingsopdracht zal geregeld worden in een afzonderlijk statuut, dat de goedkeuring van de synode behoeft.

Kerkorde GKN (2001) Art. 98.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 98

Lid
1

De algemene leiding van de in artikel 95 en 97 bedoelde samenwerking zal berusten bij een aantal deputaten voor de zending, die benoemd worden door de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Art. 98a.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 98a

Lid
1

De kerken zorgen, zo mogelijk in samenwerking met andere kerken, voor het in stand houden van een seminarie ten behoeve van de opleiding van missionaire dienaren des Woords, van missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak en van anderen die begeren toegerust te worden voor het uitvoeren van de zendingsopdracht, een en ander met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 98a.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VI. Evangelisatie en zending

Artikel 98a

Lid
2

Voor de arbeid aan dit seminarie kunnen door de generale synode een of meer dienaren des Woords worden benoemd, die dan geacht zullen worden in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (2001) H3.VII.

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Kerkorde GKN (2001) Art. 99.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 99

Lid
1

De kerk is rechtspersoon en wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de kerkenraad.

Kerkorde GKN (2001) Art. 99.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 99

Lid
2

De kerk kan ook vertegenwoordigd worden door één of meer leden van de in lid 4 bedoelde commissie dan wel door één of meer andere personen, door de kerkenraad daartoe aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 99.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 99

Lid
3

De kerkenraad zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden der kerk.

Kerkorde GKN (2001) Art. 99.4

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 99

Lid
4

De kerkenraad kan deze taak toevertrouwen aan een commissie van beheer, die aan hem verantwoording schuldig is.

Kerkorde GKN (2001) Art. 99.5

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 99

Lid
5

Voor de uitvoering van niet-ambtelijk kerkelijk werk in de ruimste zin kan de kerkenraad medewerkers aanstellen, die als zodanig geen ambtelijke positie bekleden. Die aanstelling zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 99.6

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 99

Lid
6

Waar wijkkerkenraden zijn ingesteld is in de voorgaande leden met de kerkenraad de kerkenraad voor algemene zaken bedoeld.

Kerkorde GKN (2001) Art. 100.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 100

Lid
1

De in een meerdere vergadering bijeenkomende kerken vormen een lichaam dat rechtspersoonlijkheid heeft.

Kerkorde GKN (2001) Art. 100.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 100

Lid
2

De rechtspersoon wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd, hetzij door de preses en de scriba van de vergadering, hetzij door de preses en de scriba van de door de vergadering terzake benoemde deputaten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 100.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 100

Lid
3

De rechtspersoon kan ook vertegenwoordigd worden door één of meer andere personen, door de vergadering of de deputaten daartoe aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 100.4

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 100

Lid
4

Iedere meerdere vergadering zal de nodige voorzieningen treffen voor een zorgvuldig beheer van de stoffelijke aangelegenheden welke aan de kerken binnen haar ressorten gemeen zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 100.5

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 100

Lid
5

Voor de uitvoering van niet-ambtelijk kerkelijk werk in de ruimste zin kan een meerdere vergadering medewerkers aanstellen, die als zodanig geen ambtelijke positie bekleden. Die aanstelling zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 101.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 101

Lid
1

(Vervallen)

Kerkorde GKN (2001) Art. 102.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 102

Lid
1

De generale synode kan vaststellen dat een door haar in het leven geroepen instelling rechtspersoonlijkheid heeft.

Kerkorde GKN (2001) Art. 102.2

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 102

Lid
2

Deze rechtspersoon wordt bestuurd door deputaten, die door de generale synode worden benoemd en handelen volgens een door de generale synode te geven instructie.

Kerkorde GKN (2001) Art. 102.3

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 102

Lid
3

Deze rechtspersoon wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de in lid 2 genoemde deputaten dan wel door één of meer andere personen, door deze deputaten daartoe aangewezen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 102.4

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 102

Lid
4

Het in lid 1 bedoelde besluit zal een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen behoeven.

Kerkorde GKN (2001) Art. 103.1

Hoofdstuk 3

Het werk van de kerk

VII. Beheer en burgerrechtelijke aangelegenheden

Artikel 103

Lid
1

Bij het in het leven roepen van nieuwe of het deelnemen aan bestaande stichtingen zullen de vergaderingen van de kerk zich gedragen naar de daarvoor door de generale synode gegeven richtlijnen.

Kerkorde GKN (2001) H4.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

Kerkorde GKN (2001) H4.I.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (2001) Art. 104.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 104

Lid
1

Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods Naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 104.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 104

Lid
2

Het vermaan en de tucht, welke door de kerkenraad geoefend worden, laten onaangetast de roeping die op alle leden der gemeente rust om op elkander in broederlijke liefde toe te zien en zo nodig elkander te vermanen en zulk een vermaan ter harte te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 105.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 105

Lid
1

Vermaan en tucht betreffen de belijdenis en de wandel van allen, die tot de gemeente behoren.

Kerkorde GKN (2001) Art. 106.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 106

Lid
1

Omdat vermaan en tucht een geestelijk karakter dragen, zullen zij ook op geestelijke wijze geoefend worden, met vermijding van alle wereldse machtsoefening.

Kerkorde GKN (2001) Art. 107.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 107

Lid
1

De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerpen van het broederlijk vermaan, door Christus in Mattheüs 18: 15-16 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkenraad zijn gekomen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 108.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel 108

Lid
1

Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en niet dan nadat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden.

Kerkorde GKN (2001) H4.II.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Kerkorde GKN (2001) Art. 109.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 109

Lid
1

Bij het vermaan en de tucht over de doopleden zal onderscheid gemaakt worden tussen jeugdigen en volwassenen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 109.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 109

Lid
2

Met hen zal worden gehandeld overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake het vermaan en de tucht over de doopleden en zo nodig met gebruikmaking van de daartoe bestemde openbare bekendmakingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 110.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 110

Lid
1

Wanneer belijdende leden, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid gegeven hebben, zal de kerkenraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 110.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 110

Lid
2

De wijze waarop de verzoening tot stand gebracht wordt, evenals de vraag, of aan de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, voor een bepaalde tijd het avondmaal nog behoort onthouden te worden, zal ter beoordeling van de kerkenraad staan. De verzoening zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst en dit niet zonder goedvinden van de classis.

Kerkorde GKN (2001) Art. 111.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 111

Lid
1

Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en na te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid geven, door de kerkenraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen met zich medebrengt, dat de uitoefening van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 111.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 111

Lid
2

De kerkenraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 112.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 112

Lid
1

Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkenraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier. Tot deze afsnijding zal niet worden overgegaan, zolang niet vaststaat dat de uitspraken in dat formulier ten volle van toepassing zijn.

Kerkorde GKN (2001) Art. 112.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 112

Lid
2

De kerkenraad zal tot deze afsnijding niet overgaan dan nadat hij door drie openbare bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, zijn afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Kerkorde GKN (2001) Art. 113.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 113

Lid
1

Indien bij een dooplid dan wel bij een belijdend lid een onverschilligheid wordt aangetroffen, die zover gaat dat zich daarin openbaart een volstrekte afwijzing van het evangelie van Jezus Christus zodat met het oefenen van tucht volgens het in de artikelen 109 en 112 bepaalde zelfs geen aanvang kan worden gemaakt, zal de kerkenraad verklaren, dat zo iemand niet meer tot de gemeente van Christus gerekend kan worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 113.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 113

Lid
2

De kerkenraad zal tot een dergelijke verklaring besluiten niet dan nadat de desbetreffende persoon uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden en niet dan na verkregen toestemming van de classis.

Kerkorde GKN (2001) Art. 113.3

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 113

Lid
3

Nadat het besluit tot een dergelijke verklaring is gevallen, zal de kerkenraad dit ter kennis brengen zowel van de desbetreffende persoon als van de gemeente.

Kerkorde GKN (2001) Art. 114.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel 114

Lid
1

Indien iemand die van de gemeente werd afgesneden, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkenraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, zulks aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier.

Kerkorde GKN (2001) H4.III.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Kerkorde GKN (2001) Art. 115.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 115

Lid
1

Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 115.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 115

Lid
2

De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de vervulling van het ambt is uitgesproken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 116.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 116

Lid
1

Wanneer ambtsdragers in strijd handelen met hun instemming met het belijden der kerk, of zich schuldig maken aan een schromelijk veronachtzamen of misbruiken van hun ambt of op een andere wijze in ernstige mate afwijken van de gezonde leer of de godvrezende wandel, zullen zij in de vervulling van hun ambt geschorst of terstond daaruit ontzet worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 116.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 116

Lid
2

Het oordeel, of de ontzetting uit het ambt terstond zal geschieden, alsook of na de voorafgaande schorsing, deze ontzetting zal volgen, staat aan de bevoegde vergadering, als bedoeld in de artikelen 119 tot 123.

Kerkorde GKN (2001) Art. 117.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 117

Lid
1

Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, van dat ambt vervallen verklaren. Voorts zal de kerkenraad over hen de volgens artikel 115, lid 2 vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.

Kerkorde GKN (2001) Art. 118.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 118

Lid
1

Wanneer tegen een ouderling of diaken een aanklacht is ingediend of een ernstige verdenking gerezen, zal het aan de kerkenraad, en, wanneer het een dienaar des Woords betreft, aan de kerkenraad tezamen met de kerkenraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, of aan de meerdere vergadering, bij welke de zaak aanhangig gemaakt is, vrijstaan hem voor een bepaalde termijn van de vervulling van zijn ambt te ontheffen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 118.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 118

Lid
2

Deze ontheffing draagt niet het karakter van een tuchtmaatregel.

Kerkorde GKN (2001) Art. 119.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 119

Lid
1

Ten opzichte van een dienaar des Woords zal een maatregel van schorsing genomen worden óf door de kerkenraad van de gemeente, waaraan hij verbonden is, tezamen met de kerkenraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, óf door de classis, bij welke de kerkenraad de zaak aanhangig heeft gemaakt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 119.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 119

Lid
2

Indien het oordeel van de kerkenraden niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 119.3

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 119

Lid
3

Een maatregel van afzetting zal genomen worden door de classis, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 120.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 120

Lid
1

Ten opzichte van ouderlingen en diakenen zal een maatregel van schorsing of afzetting genomen worden door de kerkenraad van de gemeente waartoe zij behoren, tezamen met de kerkenraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente.

Kerkorde GKN (2001) Art. 120.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 120

Lid
2

Indien het oordeel van de beide kerkenraden niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 120.3

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 120

Lid
3

Het zal aan de kerkenraad, indien naar zijn oordeel aan het volgen van de in lid 1 genoemde weg overwegende bezwaren verbonden zijn, vrijstaan de zaak terstond ter beslissing aan de classis voor te leggen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 121.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 121

Lid
1

Onverminderd het in de artikelen 119 en 120 bepaalde, zal het aan de classis en eveneens, indien door bijzondere omstandigheden het inroepen van de hulp der classis overwegende moeilijkheden zou opleveren, aan de andere meerdere vergaderingen vrijstaan de maatregelen van schorsing en afzetting te nemen, wanneer, in geval van wanbestuur bij de kerkenraad, op haar door een deel van de kerkenraad of ook door een deel van de gemeente, niet zonder dat vooraf de kerkenraad erin is gekend en er zich over uitgesproken heeft, een beroep wordt gedaan om hulp en medewerking.

Kerkorde GKN (2001) Art. 122.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 122

Lid
1

Bij het vermaan en de tucht over missionaire dienaren des Woords, die beroepen zijn door een kerk in Nederland in samenwerking met een zelfstandige kerk op het zendingsterrein, zal gehandeld worden naar de vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 123.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 123

Lid
1

Zij die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben en die als lid behoren tot een andere gemeente dan die waaraan zij nog verbonden zijn ten aanzien van hun ambtelijke positie, zijn onderworpen aan het vermaan en de tucht van de kerkeraden der beide gemeenten, die in voorkomende gevallen zich met elkander zullen verstaan om tot een eenparige beslissing te komen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 123.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 123

Lid
2

Indien de beide kerkenraden met elkander niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij de beslissing in handen leggen van de classis, onder welke de kerk ressorteert waaraan de dienaar des Woords ten aanzien van zijn ambtelijke positie verbonden is.

Kerkorde GKN (2001) Art. 123.3

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 123

Lid
3

De maatregel van afzetting zal genomen worden door de in lid 2 bedoelde classis, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door haar particuliere synode aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 123.4

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 123

Lid
4

Ten aanzien van de dienaren des Woords, die overeenkomstig artikel 12 zijn verbonden aan een meerdere vergadering, zal in voorkomende gevallen worden gehandeld overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 123.5

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 123

Lid
5

Wanneer zich een geval als in artikel 121 bedoeld voordoet, geldt het aldaar bepaalde eveneens bij toepassing van het in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bepaalde.

Kerkorde GKN (2001) Art. 124.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 124

Lid
1

Een terecht opgelegde maatregel van schorsing kan niet worden opgeheven dan nadat genoegzame blijken van boetvaardigheid zijn gegeven en de verzoening tot stand gekomen is.

Kerkorde GKN (2001) Art. 124.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 124

Lid
2

Tot opheffing is bevoegd de vergadering, die de maatregel heeft genomen, of die in appèl uitspraak doet.

Kerkorde GKN (2001) Art. 125.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 125

Lid
1

Een kerkenraad zal iemand die uit het ambt werd ontzet, niet opnieuw tot het vervullen van een ambt roepen dan na ernstig onderzocht te hebben, of daarmee wel de eer Gods gediend en het welzijn van de kerken bevorderd wordt.

Kerkorde GKN (2001) Art. 125.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel 125

Lid
2

Een classis zal iemand die uit het ambt van dienaar des Woords werd ontzet, niet opnieuw beroepbaar stellen dan met medewerking en goedvinden van de classis en de particuliere synode, waaronder de kerk ressorteert waaraan hij als dienaar des Woords verbonden was.

Kerkorde GKN (2001) H4.IV.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Kerkorde GKN (2001) Art. 126.1

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Artikel 126

Lid
1

Het toezicht over degenen die als missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak werkzaam zijn, zal worden geoefend door de deputaten van de kerken, door welke zij uitgezonden zijn, dan wel door gezamenlijke deputaten voor de zending of enige uit hun midden daartoe aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 126.2

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Artikel 126

Lid
2

Schorsing en ontslag uit hun taak kunnen alleen geschieden door de vergadering of de vergaderingen, op welker verantwoordelijkheid zij die taak vervullen, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) H5.

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Kerkorde GKN (2001) Art. 127.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 127

Lid
1

De kerken zullen christelijke gemeenschap oefenen met andere kerken in het buitenland door toe te treden tot oecumenische organisaties waarin die kerken zich verenigd hebben.
In het bijzonder zal christelijke gemeenschap worden geoefend met kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering die hetzij mede deel uitmaken van die oecumenische organisaties, hetzij zich hebben verenigd alleen in een organisatie van confessionele aard, hetzij geheel afzonderlijk staan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 127.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 127

Lid
2

Over de toetreding tot zodanige oecumenische organisaties beslist de generale synode met twee derden van de over een daartoe strekkend voorstel uitgebrachte stemmen; over het samengaan met andere kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering in een organisatie van confessionele aard met gewone meerderheid van stemmen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 127.3

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 127

Lid
3

De wijze waarop de bedoelde christelijke gemeenschap zal worden geoefend, wordt door de generale synode geregeld, met inachtneming van de voor de desbetreffende oecumenische organisatie geldende bepalingen, en met dien verstande dat daardoor geen inbreuk gemaakt wordt op de gereformeerde belijdenis en kerkregering.

Kerkorde GKN (2001) Art. 127.4

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 127

Lid
4

De christelijke gemeenschap met kerken van gereformeerde belijdenis en kerkregering kan, behalve door middel van de ontmoeting en samenwerking in oecumenische organisaties, ook geoefend worden door middel van het zenden van afgevaardigden naar elkanders synoden, door het wederzijds verlenen van rechten ten aanzien van de toelating van dienaren des Woords tot de bediening van Woord en sacramenten alsmede ten aanzien van de uitwisseling van attestaties van leden der kerken, en door andere overeenkomstige middelen. Regelingen dienomtrent moeten steeds tot stand komen bij afzonderlijk besluit van de generale synode, niet dan in overleg met de synode van de kerk in het buitenland waarmede de regeling wordt aangegaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 127.5

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 127

Lid
5

Het in lid 4 bepaalde is eveneens van toepassing op het oefenen van christelijke gemeenschap met andere kerken, die evenals de Gereformeerde Kerken in Nederland de Leuenberger Konkordie hebben aanvaard.

Kerkorde GKN (2001) Art. 127.6

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 127

Lid
6

Voor de uitvoering van de met de oefening van die christelijke gemeenschap samenhangende taken zal de generale synode deputaten aanwijzen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 128.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 128

Lid
1

Met kerken en groepen van gereformeerde belijdenis en kerkregering in Nederland zullen betrekkingen aangeknoopt en onderhouden worden in het belang van het herstel van de eenheid. Alle daartoe geëigende middelen, ook wanneer deze plaatselijk ondernomen worden, zullen, voor zover doenlijk en verantwoord is, steun ontvangen van de kerkelijke vergaderingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 128.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 128

Lid
2

Indien een kerkenraad besluit tot het instellen van gemeenschappelijke kerkdiensten met een van de in lid 1 bedoelde kerken, hetzij bij gelegenheid, hetzij regelmatig, zal hij daartoe niet anders overgaan dan met inachtneming van de door de generale synode terzake vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 128.3

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 128

Lid
3

Indien een kerkenraad besluit tot het aangaan van een nauwe verbintenis ter plaatse met een van de in lid 1 bedoelde kerken, welke inhoudt het op gelijke voet samen handelen en besluiten ten aanzien van het werk der kerk zoals omschreven in het derde hoofdstuk van deze kerkorde, geheel dan wel in belangrijke mate, zal hij daartoe niet anders overgaan dan na de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben en voorts met inachtneming van de door de generale synode terzake vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 128.4

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 128

Lid
4

Met het oog op het proces van vereniging van de Gereformeerde Kerken in Nederland met de Nederlandse Hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, kan de generale synode voor de samenwerking van de gereformeerde kerken of meerdere vergaderingen met hervormde en evangelisch-lutherse gemeenten of meerdere vergaderingen, interimregelingen vaststellen die afwijken van de kerkorde.
Voor zover deze interimregelingen afwijken van de kerkorde kunnen ze eerst worden vastgesteld na raadpleging van de mindere vergaderingen. Deze regelingen worden bijeengebracht in een Tussenorde en zijn als interimregelingen niet bepalend voor vorm en inhoud van de later vast te stellen orde van de verenigde kerk.
Aanvulling, wijziging en toepassing van deze regelingen geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 129.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 129

Lid
1

Met andere dan de in artikel 128 bedoelde kerken in Nederland, die uit de Reformatie zijn voortgekomen dan wel sedert de Reformatie zich gevormd hebben, kunnen betrekkingen aangeknoopt en onderhouden worden in het belang van de samenwerking en het oefenen van christelijke gemeenschap.

Kerkorde GKN (2001) Art. 129.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 129

Lid
2

Indien een kerkenraad besluit tot het instellen van gemeenschappelijke kerkdiensten met een van de in lid 1 bedoelde kerken, hetzij bij gelegenheid, hetzij regelmatig, zal hij daartoe slechts overgaan met inachtneming van de door de generale synode ter zake vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 129.3

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 129

Lid
3

Indien een kerkenraad besluit tot het aangaan van een samenwerking ter plaatse met een van de in lid 1 bedoelde kerken, zal hij daartoe slechts overgaan na de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben en voorts met inachtneming van de door de generale synode ter zake vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 129.4

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 129

Lid
4

Met de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland kunnen betrekkingen aangegaan en onderhouden worden in het belang van het oefenen van christelijke gemeenschap.

Kerkorde GKN (2001) Art. 129.5

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 129

Lid
5

Indien een kerkenraad besluit ter zake van het in lid 4 bedoelde iets te ondernemen, zal hij daartoe slechts overgaan na de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben en voorts met inachtneming van de door de generale synode terzake vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 130.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 130

Lid
1

De kerken zullen deelnemen aan het gesprek over belangrijke problemen van de menselijke samenleving en met de middelen die haar ten dienste staan dit gesprek stimuleren en verder helpen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 130.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 130

Lid
2

In voorkomende gevallen zullen de kerken tot overheid en volk haar getuigenis doen uitgaan.

Kerkorde GKN (2001) Art. 131.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 131

Lid
1

De kerken zullen contact met de rijksoverheid onderhouden door middel van deputaten, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 132.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 132

Lid
1

De kerken zullen aan de rijksoverheid haar medewerking verlenen voor de geestelijke verzorging van hen, die opgenomen zijn in de krijgsmacht, alsmede van hen die zijn gedetineerd of opgenomen in inrichtingen ressorterende onder het ministerie van Justitie, in het bijzonder door dienaren des Woords af te staan, die mede in haar opdracht werkzaam zijn als vloot-, leger-, en luchtmachtpredikanten en als predikanten werkzaam in een inrichting, in vaste of in tijdelijke dienst.

Kerkorde GKN (2001) Art. 132.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 132

Lid
2

Het onderhouden van de daartoe nodige betrekkingen zal de generale synode toevertrouwen aan deputaten, terwijl de positie van de in lid 1 bedoelde predikanten geregeld wordt overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 132.3

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 132

Lid
3

Voor de geestelijke verzorging in de krijgsmacht en in het bijzonder voor het onderhouden van contact met de vloot-, leger- en luchtmachtpredikanten kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken.

Kerkorde GKN (2001) Art. 133.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 133

Lid
1

De kerken zullen erop toezien, dat de kinderen der gemeente zoveel mogelijk op christelijke scholen onderwezen worden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 133.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 133

Lid
2

De kerken zullen van alle gelegenheden om op andere scholen onderwijs in de christelijke godsdienst te doen geven zoveel mogelijk gebruik maken, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 134.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 134

Lid
1

De kerken zullen de vrije jeugdorganisaties op gereformeerde grondslag, die de principiële vorming van de jeugd van de gemeente ten doel hebben, met raad en daad steunen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 134.2

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 134

Lid
2

Voor het onderhouden van contact met dergelijke organisaties alsook voor het behartigen van de relatie tussen de kerk en de jeugd der gemeente in het algemeen kan de generale synode een dienaar des Woords benoemen, die geacht wordt in dienst te staan van de gezamenlijke kerken en die zijn taak volbrengt onder leiding van daartoe aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (2001) Art. 135.1

Hoofdstuk 5

Betrekkingen van de kerk naar buiten

Artikel 135

Lid
1

De kerken kunnen aan maatschappelijke organisaties, welke de leniging of bestrijding van bepaalde maatschappelijke noden nastreven, haar medewerking verlenen, en daartoe die organisaties met raad en daad bijstaan, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen.

Kerkorde GKN (2001) H6.

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Kerkorde GKN (2001) Art. 136.1

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel 136

Lid
1

Bij de vervulling van hun taak zullen de ambtsdragers zich verre houden van alle heerschappijvoering van de een over de ander en zullen zij alles heenleiden naar de onderwerping aan de heerschappij van de enige Meester, Christus.

Kerkorde GKN (2001) Art. 136.2

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel 136

Lid
2

Hetzelfde geldt van de ene kerk tegenover de andere.

Kerkorde GKN (2001) Art. 137.1

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel 137

Lid
1

Van de bepalingen der kerkorde zal men niet afwijken dan alleen onder bijzondere omstandigheden.

Kerkorde GKN (2001) Art. 138.1

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel 138

Lid
1

Indien en voor zover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven der kerk onmogelijk maken, zal het aan de daarvoor in aanmerking komende vergadering of deputaten vrijstaan van de kerkorde af te wijken en de door de omstandigheden tijdelijk geboden maatregelen te nemen.

Kerkorde GKN (2001) Art. 139.1

Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel 139

Lid
1

Wijziging van de kerkorde kan alleen geschieden krachtens besluit van de generale synode.

Kerkorde GKN (2001) Ubp.

Uitvoeringsbepalingen
bij de Kerkorde van de
Gereformeerde Kerken
in Nederland

Kerkorde GKN (2001) Ubp. H1

Uitvoeringsbepalingen bij hoofdstuk 1 van de Kerkorde

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 5.1

Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde

5.1 Kerkelijk examen. Beroepbaar stellen als proponent (art. 5 lid 2)

(Toelating tot het proponentschap van hen, die een theologische opleiding hebben ontvangen aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland of aan de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit.)

 

1. Degene die staat naar het ambt van dienaar des Woords dient zich na voltooiing van de in artikel 5, lid 1 en 2 K.O. bedoelde theologische opleiding schriftelijk te melden bij de in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde deputaten om zich te onderwerpen aan het kerkelijk examen. Hij zendt een afschrift van de aanmeldingsbrief aan de in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde classis.

2. Het staat betrokkene vrij om, zodra de datum van het doctoraal examen van de theologische opleiding definitief is vastgesteld, een voorlopige aanmelding te zenden aan deputaten en classis.

3. De classis overlegt direct na (voorlopige) aanmelding met deputaten over tijd en plaats van het examen, dat zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden.

4. Bij de (definitieve) aanmelding worden de volgende bescheiden aan de deputaten overgelegd:
a. een bewijs dat met goed gevolg het doctoraal examen is afgelegd, hetzij aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, hetzij aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit; afgestudeerden van laatstgenoemde instelling dienen tevens een verklaring van de faculteit dat zij het op het predikantschap gerichte doctoraal examen hebben afgelegd te overleggen;
b. een verklaring van aanvankelijke geschiktheid voor het ambt van predikant;*)
c. een verklaring van het theologisch seminarium Hydepark inzake het met vrucht doorlopen van een leervicariaat/leerweken;
d. een getuigschrift betreffende de belijdenis en levenswandel van de kandidaat afgegeven door de kerk of kerken tot welke de betrokkene de laatstverlopen twee jaar behoorde.
*) Deze bepaling geldt voor studenten die na 1 september 1997 met de studie zijn begonnen.

5. Deputaten gaan na of de onder 4 bedoelde bescheiden in orde zijn. Vervolgens stellen zij een onderzoek in naar de voor het predikantschap vereiste gaven van vroomheid en ootmoed, van het vermogen om in loyaliteit aan de kerk en haar traditie een gemeente te dienen, en van wijsheid en integriteit.
Dit onderzoek dient binnen een maand na de aanmelding plaats te vinden, tenzij in overleg met de aanvrager een andere regeling wordt getroffen. Indien dit onderzoek bevredigend verloopt, geven deputaten direct daarna aan de kandidaat het Schriftgedeelte op voor de te maken preek.
Van de bevredigende afloop van het onderzoek geven deputaten kennis aan de in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde classis.

6. Deputaten stellen een onderzoek in naar de vertrouwdheid met de Heilige Schrift en het belijden van de kerk. Dit eerste deel van het examen wordt gehouden op een door de in artikel 5, lid 2 K.O. bedoelde classis vast te stellen tijd en plaats en is toegankelijk voor de afgevaardigden naar de classis. Voor dit onderzoek wordt tenminste een uur uitgetrokken.

7. Heeft ook dit onderzoek een bevredigend resultaat, dan vindt daarna op dezelfde dag het tweede deel van het examen plaats. De kandidaat heeft daartoe een op een kerkdienst afgestemde preek gemaakt over het door deputaten opgegeven Schriftgedeelte. Hij voegt als bijlagen daaraan toe een opgave van de gebruikte literatuur en een uitgewerkte orde van dienst.
Preek en bijlagen worden tenminste drie weken vóór de datum van het tweede deel van het examen bij deputaten ingeleverd, met zoveel afschriften daarvan als door de deputaten worden verlangd; de deputaten geven een schriftelijke beoordeling van de preek, die tevoren aan de kandidaat wordt toegezonden.
De deputaten dragen er zorg voor, dat tijdig aan alle afgevaardigden naar de classis waarin het tweede deel van het examen wordt afgenomen, een afschrift van de preek met de bijlagen wordt verzonden.

8. De deputaten nemen het tweede deel van het examen af in een vergadering van de classis. Zij stellen gedurende een van tevoren vastgestelde tijd, welke minstens een half uur dient te bedragen, aan de kandidaat vragen naar aanleiding van de preek en eventueel van de bijlagen. Indien daartoe behoefte blijkt kan de classis gedurende maximaal een half uur de deputaten navraag laten doen wanneer preek en verantwoording daartoe aan de classis aanleiding geven.

9. Na afloop van het examen stellen deputaten na overleg met de classis en in afwezigheid van de kandidaat hun oordeel over het examen vast. Is dit oordeel gunstig dan zullen zij de classis voorstellen de kandidaat als proponent beroepbaar te stellen.

10. De classis zal de kandidaat beroepbaar stellen, tenzij artikel 13 van toepassing is.

11. Voordat de aanvrager als proponent beroepbaar wordt gesteld, zal hij het in artikel 26, lid 2 K.O. genoemde ondertekeningsformulier, nadat dit hem is voorgelezen, ondertekenen. Hij zal zich tevens bereid verklaren om, wanneer hij predikant zal zijn, de werkbegeleiding van een daartoe aangewezen mentor voor de tijd door de generale synode bepaald, te aanvaarden.

12. Vervolgens zal de classis de aanvrager als proponent beroepbaar stellen en hem daarvan acte verlenen. Deze beroepbaarstelling geeft de proponent de bevoegdheid om gedurende één jaar in de kerken te proponeren.

13. Indien deputaten niet tot een gunstig oordeel over het examen komen, of indien de classis overwegende bezwaren heeft tegen beroepbaarstelling van de kandidaat en deze bezwaren ook in nader overleg niet worden weggenomen, zal de classis in overleg met de deputaten beslissen wanneer een nieuw examen zal plaatsvinden. Deputaten stellen na overleg met de classis de inhoud van het nieuwe examen vast. De classis deelt de uitslag van het overleg aan de kandidaat mee.

14. Indien deputaten in appèl gaan tegen het besluit van de classis om niet beroepbaar te stellen, zal de particuliere synode, wanneer zij het besluit van de classis vernietigt, zelf overgaan tot beroepbaarstelling. De onder 15-17 genoemde werkzaamheden blijven bij de classis.

15. Indien de proponent verlenging van de in artikel 12 bedoelde bevoegdheid verlangt, kan hij dat drie maanden voor het verstrijken van die termijn verzoeken aan de classis, die hem die bevoegdheid verleende, zulks onder mededeling van de redenen voor zijn verzoek en onder overlegging van een getuigschrift betreffende zijn belijdenis en levenswandel van de kerk of kerken, tot welke hij sedert zijn kerkelijk examen of de laatste verlenging van zijn bevoegdheid heeft behoord. In overleg met deputaten kan de classis de bevoegdheid tot proponeren voor één jaar verlengen.

16. De classis zal een proponent, die geen op hem uitgebracht beroep aanneemt, ter verantwoording roepen met betrekking tot de vraag of het hem ernst is met zijn wens toegelaten te worden tot het ambt van dienaar des Woords en van diens antwoord deputaten op de hoogte stellen.
Achten classis en/of deputaten dit antwoord onbevredigend, dan kan de classis na overleg met deputaten besluiten, het proponentschap te beëindigen.

17. Indien de proponent bij de beroepbaarstelling belangrijke redenen blijkt te hebben om voorlopig niet een eventuele beroeping in overweging te nemen, zal de classis hiervan bij de beroepbaarstelling uitdrukkelijk mededeling doen en hem voor één jaar preekconsent verlenen, welk consent op gelijke wijze kan worden verlengd als aangegeven is onder 15.

Almere 1987, art. 79
Mijdrecht 1991, art. 185
Aalten 1993, art. 144
Haren 1995, art. 137 en 153
Enkhuizen 1999, art. 96

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 5.2

Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde

5.2 Kerkelijk examen voor elders opgeleiden (art. 5 lid 3)

(Toelating tot het proponentschap van hen, die elders een theologische opleiding ontvangen hebben)

 

1. Hij, die zijn theologische opleiding niet aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde kerken in Nederland of aan de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit doch aan een andere hogeschool of universiteit in binnen- of buitenland heeft ontvangen en toch staat naar het ambt van dienaar des Woords in de Gereformeerde kerken in Nederland, dient zich te melden bij de in artikel 5 lid 2 K.O. genoemde deputaten met het verzoek zich te mogen onderwerpen aan het kerkelijk examen.

2. Deputaten dragen dan zorg voor een bij de aanvrager in te stellen afzonderlijk onderzoek dat in de plaats treedt van het examen dat krachtens besluit van de generale synode toegang geeft tot het kerkelijk examen.
Dit onderzoek wordt als volgt geregeld:
a. deputaten richten zich tot de Theologische Universiteit en de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit met het verzoek de aanvrager te examineren in de vakken van het zoeven genoemde examen;
b. dit examen wordt afgenomen door een examencommissie van hetzij de Theologische Universiteit hetzij de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, of door een examencommissie van Universiteit en Faculteit tezamen, onder verantwoordelijkheid van de generale synode;
c. tegelijk met het verzoek tot examinatie worden aan de examencommissie overgelegd:
- binnen- of buitenlandse getuigschriften waaruit blijkt dat de aanvrager een zodanige ontwikkeling verworven heeft als geëist mag worden voor het afleggen van wetenschappelijke examens alsook
- getuigschriften waaruit blijkt dat de aanvrager aan enige universiteit in binnen- of buitenland een volledige theologische opleiding gericht op het predikantschap ontvangen heeft;
d. gehoord de aanvrager stelt de examencommissie aan de hand van laatstgenoemde getuigschriften vast:
- of, en zo ja in welke mate nog aanvullende studie nodig is en
- op of na welke datum het examen zal plaats vinden;
e. bij gunstige uitslag van het examen verstrekt de examencommissie de aanvrager een desbetreffend bewijsstuk.

3. Hierna meldt de aanvrager zich onder overlegging van dit bewijsstuk alsmede van een getuigschrift betreffende zijn belijdenis en levenswandel van de kerk of kerken tot welke hij gedurende laatstverlopen twee jaren behoorde wederom bij de onder 1 genoemde deputaten.

4. Voor het overige is op de aanvrager van toepassing het in uitvoeringsbepaling 5.1 bepaalde.

5. In afwijking van de bovenstaande regeling geldt het volgende voor diegenen, die vóór 1 januari 1978 reeds ingeschreven waren aan de Protestantse Theologische Faculteit te Brussel: zij kunnen staan naar het ambt van dienaar des Woords in de Gereformeerde Kerken in Nederland wanneer zij
a. lid zijn van een gereformeerde kerk in Nederland of van een gemeente van de Verenigde Protestantse Kerk in België, welke vóór 1 januari 1979 behoorde tot de Gereformeerde Kerken in Nederland;
b. hun studie aan de Protestantse Theologische Faculteit voltooid hebben;
c. vóór 1 januari 1985 en binnen twee jaar na de sub b bedoelde Studie met goed resultaat aan de Theologische Universiteit of de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit een meer op de Nederlandse kerkelijke achtergronden gerichte na-opleiding hebben gevolgd, ten bewijze waarvan hun een testimonium zal worden verstrekt en
d. met goed gevolg het kerkelijk examen hebben afgelegd, bij de aanvrage waarvan zij, behalve de hierboven onder 3 vermelde stukken, ook bedoeld testimonium dienen te overleggen.
Voor het overige is eveneens op hen van toepassing het in uitvoeringsbepalingen 5.1 bepaalde.

Zwolle 1997, art. 178 en 303
Bentheim 1981, art. 249
Almere 1987, art. 79
Emmen 1989, art. 76

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 5.3

Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde

5.3 Regeling voor hen die hun opleiding ontvingen aan een rijksuniversiteit of de universiteit van Amsterdam

 

Van degenen die hun opleiding tot predikant ontvangen aan een Rijksuniversiteit of aan de Universiteit van Amsterdam en predikant willen worden in de Gereformeerde Kerken in Nederland dient de opleiding de volgende elementen te bevatten:

1. Inzake kerkrecht, dogmatische discussies en kerkgeschiedenis in/van de GKN: vier weken studie aangaande de (geschiedenis van) de kerkorde GKN, enkele belangrijke GKN-documenten, o.a. m.b.t. Schriftgezag en Verzoening en hoofdlijnen van de geschiedenis van de GKN vanaf begin 20e eeuw.
Omtrent het met goed gevolg afgelegd hebben van een toets in dezen dient door de betreffende kerkelijke opleiding een schriftelijke verklaring bij de doctoraalbul te worden gevoegd.
2. Inzake praktijkstages: geen aanvullingen.
3. Inzake Seminarie: vier weken stage op Hydepark voor rekening van de GKN.
4. Inzake vooropleiding en instroom: geen nadere regeling.

Gezamenlijke vergadering van de (generale) synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, gehouden op 28 en 29 januari 1994 te Lunteren; zie ook:

Aalten 1993, art. 72

Regeling afgifte geschiktheidsverklaring voor gereformeerde theologiestudenten
Zie voor de regeling afgifte geschiktheidsverklaring gereformeerde theologiestudenten ubp 20.1

Werkbegeleiding: Ubp 7.2
Predikanten uit ander kerkverband: Ubp 7.3 en 7.4

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 6.1

Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde

 

De generale synoden van Zwolle 1977 en Delft 1979 stelden richtlijnen en instructies vast bij artikel 6 K.O., welke hieronder zijn opgenomen.
Ten behoeve van hen, die dienaar des Woords willen worden op grond van artikel 6 K.O., volgt eerst een samenvatting van de procedure, die in de bepalingen 6.1, 6.2 en 6.3 is aangegeven.
- Advies vragen aan (generale) deputaten ad Art. 6 K.O.
- Getuigschrift vragen bij kerkenraad en classis (zie bepalingen 6.1 en 6.3).
- Met die getuigschriften een verzoek tot onderzoek indienen bij de deputaten voor het kerkelijk examen van de particuliere synode (6.1 en 6.3)
- Onderzoek door generale deputaten ad Artikel 6 K.O., op verzoek van de particulier synodale deputaten (6.2).
- Na gunstige uitslag van vorenbedoeld onderzoek: onderzoek door de particulier-synodale deputaten. Bij positieve uitslag van dit onderzoek ontvangt betrokkene een verklaring (6.1 en 6.3).
- Met die verklaring — eventueel na nadere studie — kan betrokkene kerkelijk examen aanvragen bij de particulier synodale deputaten (6.1 sub 8).
- Na dat examen volgt begeleiding door een classicale commissie, waarna de classis beroepbaar kan stellen (6.1 sub 9 en 10).

6.1 Kerkelijk examen zonder de vereiste opleiding, Beroepbaar stellen.

(Toelating tot het proponentschap van hen, die de in artikel 6 K.O. bedoelde gaven bezitten.)

 

A. Het onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 van de kerkorde bedoelde gaven geschiedt voor een deel door de deputaten ad artikel 6 van de generale synode (hierna te noemen: generale deputaten) en voor een ander deel door de particuliere synode, met dien verstande dat het onderzoek door de generale deputaten steeds aan dat door de particuliere synode dient vooraf te gaan en dit laatste alleen mag worden ingesteld na gebleken gunstig resultaat van het eerste.
De particuliere synode zal haar deel van het onderzoek doen verrichten door haar deputaten voor het kerkelijk examen (hierna te noemen: particulier-synodale deputaten).

B. Bij het onderzoek zullen de volgende bepalingen in acht worden genomen:

1. Wie overweegt zich aan het onderzoek te onderwerpen begint met generale deputaten ad Artikel 6 K.O. informatie en advies te vragen.
Deputaten zullen hem als onderdeel hiervan een standaardbrief met een pastoraal karakter doen toekomen.

2. Indien betrokkene na lezing en overweging van deze brief besluit zich aan het onderzoek te onderwerpen, wendt hij zich met een daartoe strekkend verzoek tot de particulier-synodale deputaten van de particuliere synode binnen het ressort waarin hij woont.
Hij zal dat verzoek vergezeld doen gaan van getuigschriften van de kerkenraad van de kerk waarvan hij belijdend lid is en van de classis waaronder deze kerk ressorteert, in welke getuigschriften verklaard wordt dat hij op grond van bepaalde, te vermelden motieven voor het onderzoek in aanmerking komt. De kerkenraad en de classis zullen geen handeling verrichten of goedkeuren, waardoor op enigerlei wijze wordt vooruitgegrepen op de beslissing waartoe het in te stellen onderzoek zal leiden.

3. Vervolgens verzoeken de particulier-synodale deputaten aan generale deputaten bij de betrokkene dat deel van het onderzoek in te stellen, dat dezen is opgedragen. Aan dit verzoek zal binnen een redelijke termijn worden voldaan.
Generale deputaten stellen particulier-synodale deputaten en betrokkene in kennis van de uitslag van hun deel van het onderzoek. Tegen een afwijzende beslissing van deputaten, die met algemene stemmen is genomen, kan de betrokkene geen bezwaar maken bij de generale synode. Tegen een afwijzende beslissing van deputaten, die bij meerderheidsbesluit tot stand kwam, kan de betrokkene bezwaar aantekenen bij de generale synode, die, gehoord de daartoe aangewezen commissie ter zake, een commissie kan instellen welke een eindbeslissing neemt.

4. Bij een gunstige uitslag gaan particulier-synodale deputaten over tot hun deel van het onderzoek dat met name ook betrekking zal hebben op beweegredenen die betrokkene geleid hebben tot de begeerte dienaar des Woords te worden.
Bovendien stellen zij zich op de hoogte van de mate van de bij betrokkene aanwezige kennis op het gebied van de uitleg der Heilige Schrift, de dogmatiek, de ethiek, de kerkgeschiedenis, het kerkrecht en de ambtelijke vakken. Het constateren van zekere tekorten in deze kennis vormt als zodanig geen genoegzame grond voor een afwijzende beslissing.

5. Bij een gunstige uitslag van het gehele onderzoek verstrekken particulier-synodale deputaten de betrokkene een desbetreffende verklaring. Hiermee wordt voor hem in beginsel de weg geopend naar het kerkelijk examen.

6. Tegen een afwijzende beslissing van particulier-synodale deputaten kan de betrokkene bezwaar maken bij de particuliere synode. In geval de particuliere synode zich met het oordeel van haar deputaten verenigt, staat hem de weg open van appèl op de generale synode. Het is niet geoorloofd, dat de betrokkene, na te zijn afgewezen, zich opnieuw tot dezelfde particulier-synodale deputaten of die van een andere particuliere synode wendt met het verzoek hem te (doen) onderzoeken op de aanwezigheid van de in artikel 6 van de kerkorde bedoelde gaven.

7. Indien particulier-synodale deputaten op grond van het in lid 4 genoemde onderzoek naar de aanwezige kennis van oordeel zijn dat nadere studie nog noodzakelijk is, zal de betrokkene zich naar dit oordeel voegen.
De nadere studie zal geschieden aan de hand van een door deze deputaten vast te stellen, op de betrokkene afgestemd studieprogram. Deze deputaten zullen de betrokkene bij zijn studie ook zo veel mogelijk met raad en daad ter zijde staan. Zij zullen zich in een afsluitende toetsing van de resultaten van de studie op de hoogte stellen.

8. Na ontvangst van de onder 5 genoemde verklaring dan wel, in het onder 7 bedoelde geval, na voltooiing van de nadere studie, kan de betrokkene zich onder overlegging van (een) getuigschrift(en) betreffende zijn belijdenis en levenswandel van de kerk of kerken tot welke hij gedurende laatstverlopen twee jaren behoorde tot de particulier-synodale deputaten wenden met het verzoek zich te mogen onderwerpen aan het kerkelijk examen.
Deputaten onderzoeken dan of dit (deze) getuigschrift(en) in orde is (zijn).

9. Het in artikel 5, lid 2 K.O. genoemde kerkelijk examen wordt door aanvrager afgelegd in de classis, waaronder de kerk van zijn woonplaats ressorteert, met inachtneming van de in Uitvoeringsbepaling 5.1, lid 6. e.v. getroffen regelingen, (waarbij de classis van de woonplaats op treedt als de in lid 6. bedoelde classis). Nadat hij het kerkelijk examen met goed gevolg heeft afgelegd, zal aanvrager gedurende een bij het examen door particulier-synodale deputaten vast te stellen periode welke zonodig op voorstel van de betrokken classis kan worden verlengd in de kerken van deze classis voorgaan in kerkdiensten.
Hij zal daarbij worden begeleid door een door de classis in te stellen begeleidingscommissie.

10. Pas wanneer die periode van oefenen tot genoegzame tevredenheid van de begeleidingscommissie verlopen is zal de classis, ten overstaan waarvan hij het kerkelijk examen aflegde, hem op de gewone wijze beroepbaar stellen.

Maastricht 1975, art. 335
Zwolle 1977, art. 196
Delft 1979, art. 175
Emmen 1989, art. 242
Mijdrecht 1991, art. 161 en 47 (BM)

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 6.2

Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde

6.2 Instructie voor de deputaten ad artikel 6 K.O. van de generale synode

 

Algemene opdracht:
Het geven van informatie en advies over het onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 van de kerkorde bedoelde gaven aan diegenen die staan naar het ambt van dienaar des Woords en niet in de gelegenheid zijn (geweest) een deugdelijke theologische opleiding te volgen.
Het instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van deze gaven bij zulke personen.

 

Taken van deputaten:
1. Bij degenen die zich tot deputaten wenden om informatie en advies nagaan of zij doelstelling en procedure van artikel 6 K.O. hebben begrepen; aansluitend zenden ze betrokkenen een standaardbrief met een pastoraal karakter toe.

2. Tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 K.O. bedoelde gaven dienen deputaten vast te stellen of betrokkene boven alle billijke twijfel verheven en op overtuigende wijze beschikt over zodanige gaven, welke hem ook zonder de in artikel 5 K.O. genoemde opleiding geschikt doen zijn voor het ambt van dienaar des Woords.
(Werd en wordt bij deze gaven gedacht aan die van vroomheid, van bescheidenheid, van wijsheid en van geestelijk onderscheidingsvermogen, men kan in dezen ook spreken van kritisch en onderscheidend inzicht, invoelend vermogen, vindingrijkheid en oorspronkelijkheid, echtheid en betrokkenheid en het duidelijk en helder kunnen verwoorden).

3. Deputaten geven van de uitslag van hun onderzoek kennis aan betrokkene en aan de deputaten voor het kerkelijk examen van de particuliere synode, op wier verzoek het onderzoek plaats had. Zij delen daarbij tevens mee, of hun beslissing met algemene stemmen werd genomen dan wel met meerderheid van stemmen.

4. In hun rapportage aan de generale synode leggen deputaten verantwoording af van de door hen gevolgde methode van onderzoek.

 

Overige aanwijzingen:
a. Het in te stellen onderzoek heeft plaats op verzoek van de deputaten voor het kerkelijk examen van de particuliere synode, binnen het ressort waarvan degene, die zich heeft aangemeld, woont.

b. De vaststelling van de manier, waarop deputaten ad artikel 6 K.O. hun onderzoek verrichten, is aan hen voorbehouden.

c. Van het deputaatschap ad artikel 6 K.O. dienen althans enigen deel uit te maken, die deskundig zijn op het gebied van de theologie en enigen, die deskundig zijn op het gebied van de gedragswetenschappen.

Zwolle 1977 art. 273
Almere 1987, art. 39 (BM)
Emmen 1989, art. 242
Mijdrecht 1991, art. 47 (BM)

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 6.3

Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde

6.3 Geadviseerde instructie voor de particulier-synodale deputaten ad art. 6 K.O.

 

1. Deputaten voor het kerkelijk examen zijn het adres waar iemand die zich aan het in artikel 6 bedoelde onderzoek wil onderwerpen, zich behoort te melden. Degene die het onderzoek aanvraagt, dient getuigschriften van de kerk waarvan hij of zij belijdend lid is, alsmede van de classis waaronder deze kerk ressorteert, bij zijn of haar verzoek te voegen. In deze getuigschriften dient duidelijk en gemotiveerd te worden vermeld, dat en waarom naar het oordeel van de kerkenraad en de classis de betrokkene in aanmerking komt voor een onderzoek naar de aanwezigheid van de in artikel 6 bedoelde gaven.

2. Deputaten overtuigen zich van de deugdelijkheid van genoemde getuigschriften.

3. Deputaten verzoeken generale deputaten dat deel van het onderzoek in te stellen dat dezen is opgedragen.

4. Indien het oordeel van generale deputaten gunstig is, gaan deputaten over tot hun deel van het onderzoek.
Zij stellen allereerst een onderzoek in naar de beweegredenen die betrokkene hebben geleid tot het verlangen predikant te worden.
Vervolgens stellen zij zich op de hoogte — echter niet door middel van een geprogrammeerd examen — van de mate van de bij de betrokkene aanwezige theologische kennis.
Het constateren van zekere tekorten in deze kennis vormt als zodanig geen genoegzame grond van een afwijzende beslissing (vgl. hieronder 6).

5. Deputaten geven na het door hen ingestelde onderzoek aan de betrokkene kennis van de uitslag. Is deze gunstig, dan verstrekken zij hem of haar een desbetreffende verklaring. Tegen een afwijzende beslissing kan de betrokkene bezwaar maken bij de particuliere synode.

6. Indien deputaten bij een gunstige beslissing van oordeel zijn dat de betrokkene ter voorbereiding op het kerkelijk examen nog nadere studie moet verrichten, stellen zij daartoe een op de betrokkene afgestemd studieprogram vast. Zij zullen hem of haar bij zijn studie met raad en daad terzijde staan.

Delft 1979, art. 175

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.1

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.1 Beroepingswerk (algemeen)

 

Er wordt bij de kerken op aangedrongen:
a. haar beroepingswerk zo te regelen, dat gewichtige uitzonderingen daargelaten, waarover de classis zal hebben te oordelen geen beroep wordt uitgebracht op dienaren des Woords, die nog geen vier jaren in een gemeente hebben gestaan;
b. zoveel mogelijk te vermijden, dat een beroep wordt uitgebracht op een dienaar des Woords, die over een ander beroep dat hij ontvangen heeft, nog niet beslist heeft.

Groningen 1963, art. 321

Het voor de tweede maal beroepen van dezelfde dienaar des Woords in dezelfde vacature zal niet zonder toestemming der classis mogen geschieden.

Dordrecht 1893, art. 164

Inzake de datum van ontslag gelden de volgende bepalingen:
a. deze datum zal in de regel worden gesteld op de zaterdag, volgende op de dag waarop de beroepen dienaar des Woords afscheid zal hebben gepreekt; en indien hiervan wordt afgeweken, wordt de datum met onderling goedvinden van beide kerken vastgesteld;
b. in het getuigenis van het vertrek van de beroepen dienaar des Woords zal de overeengekomen datum worden vermeld;
c. van de overeengekomen datum af zal de beroepen dienaar des Woords geheel voor rekening komen van de kerk die hem beroepen heeft;
d. de datum van ontslag zal vallen na de approbatie van het beroep door de classis waartoe de kerk behoort waarheen de predikant vertrekt; deze classis heeft bij die approbatie ook te oordelen over eventuele bezwaren die uit de nieuwe gemeente naar voren zijn gebracht.
De approbatie door de gemeente hoort derhalve aan die der classis vooraf te gaan; ook bij een eventueel appèl van bezwaarden zal de classis als regel toestemming geven tot de bevestiging over te gaan. (zie art. 31.6 K.O.).

Amsterdam 1908, art. 71
Aalten 1993, art. 144

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.2

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.2 Werkbegeleiding predikanten

 

Voor allen, die voor het eerst het ambt van dienaar des Woords gaan bekleden, is een werkbegeleiding ingesteld voor de duur van een half jaar. Deze begeleiding wordt uitgevoerd door predikanten-mentores, die aangewezen worden door de desbetreffende deputaten der generale synode. Deze mentores ontvangen een op die taak gerichte training.

Sneek 1969, art. 338
Dordrecht 1971, art. 86

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.3

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.3 Het beroepen van een predikant uit een ander kerkverband

 

Omtrent de beroepbaarheid van predikanten uit andere kerken zowel in als buiten Nederland is het volgende bepaald:

1. Zij moeten overleggen een getuigschrift aangaande belijdenis en wandel van de kerk of kerken, tot welke zij gedurende de laatstverlopen twee jaren behoorden, of bij gebreke daarvan een verklaring welke naar het oordeel van de classis genoegzaam bewijskrachtig is.

2. Zij moeten overleggen een bewijs aangaande hun beroeping tot de dienst des Woords in de kerk welke zij gediend hebben, alsmede desgevraagd getuigschriften waaruit blijkt dat zij een zodanige algemene ontwikkeling verworven hebben als geëist mag worden tot het afleggen van academische examens, alsook een zodanige theologische kennis als verwacht wordt van degenen, die in de Gereformeerde Kerken in Nederland aan het kerkelijk examen worden onderwerpen.

3. Zij moeten zich onderwerpen aan een door de classis met bijstand van de deputaten ad art. 56, lid 2 K.O. der particuliere synode in te stellen colloquium aangaande de leer, waarbij het onderzoek inzonderheid zal gaan over de kennis van de gereformeerde leer en kerkregering, met dien verstande dat indien iemand reeds eerder door de Gereformeerde Kerken in Nederland was toegelaten, volstaan kan worden met een eenvoudig onderzoek, of hij aan die leer getrouw is gebleven.

Zie ook Ubp 5.2, 11.3 en 127.3

Dordrecht 1893, art. 165
Groningen 1927, art. 161

Ingeval een predikant, die vroeger aan een gereformeerde kerk was verbonden, daarna evenwel de band met de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft verbroken, naderhand weer verlangt beroepbaar te worden gesteld, zal de classis geen beslissing mogen nemen zonder het advies van de deputaten der particuliere synode en zonder ook het oordeel van de kerkenraad van de kerk waaraan hij indertijd was verbonden, te hebben ingewonnen.

Groningen 1899, art. 153

Kerkorde GKN (2001) Ubp. Art. 7.4

Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde

7.4 Beroepbaar stellen predikanten uit buitenland

 

Indien studenten of predikanten, uit het buitenland komend, minder dan twee jaar lid zijn van één van de gereformeerde kerken dient door de classis vóór het colloquium voorafgaand aan de beroepbaarstelling, dan wel door deputaten ad artikel 56.2 K.O. vóór het kerkelijk examen, aan deputaten Oecumene te worden gevraagd inlichtingen te verschaffen over de aard van de kerken van waaruit de betrokkene komt en zo mogelijk ook over de voorgeschiedenis van betrokkene. Deputaten Oecumene geven deze inlichtingen zo spoedig mogelijk, met inachtneming van de volgende bepalingen:

1. Informatie over een desbetreffende kerk zal aldaar schriftelijk worden ingewonnen, tenzij de aard van die kerk als voldoende bekend mag worden beschouwd.

2. Informatie over de betrokken gegadigde dient door deputaten Oecumene bij diens kerkenraad of classis te worden opgevraagd.

3. Indien deputaten van oordeel zijn dat een gesprek tussen hen en betrokkene noodzakelijk is, treden zij in overleg met de deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde.

4. Indien deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde instemmen met dit oordeel zullen twee vertegenwoordigers van deputaten Oecumene een gesprek voeren in bijzijn van één of meer deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde.

5. Op grond van de ontvangen informatie brengen deputaten Oecumene advies uit aan de desbetreffende deputaten ad artikel 56.2 van de kerkorde.

6. Deputaten Oecumene zullen er naar streven aan de desbetreffende instanties hun inlichtingen te verschaffen binnen één maand na de aanvrage. Waar zij van schriftelijke informatie afhankelijk zijn, zal de termijn zo nodig tot zes weken worden verlengd.

Gouda 1985, art. 120 en 217