Kerkorde Dordrecht (1578) VI.

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 92

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
92

1. Overmidts de Heere Christus behalven den dienst des woordts ende der sacramenten oock de kerckelicke vermaninghen ende straffinghen inghestelt heeft, so sullen de dienaren niet alleen openbaerlick leeren straffen vermanen ende wederlegghen, maer sullen oock een yeghelick in ’t bijsonder vermanen tot sijn behoorlicke plicht, maer ghelijck de christelicke straffe geestelick is ende niemant van de straffe der overicheyt en bevrijdt, alsoo worden oock boven de borgherlicke straffinghe de kerckelicke straffinghen nootsakelichen vereijscht, om den sondaer met God ende sijnen naesten te versoenen ende de erghernisse uut der ghemeijnte Christi wech te nemen.38


38 Met betrekking tot de kerkelijke tucht zijn de bepalingen der synode van Dordrecht (1578) vergeleken met die van Emden, het minst aan verandering onderworpen geweest. De Waalse kerken hebben voorstellen gedaan die vooral betrekking hadden op de verduidelijking van wat in 1571 bepaald was. De omschrijving van heimelijke zonden, van openbare zonden diende veranderd te worden. Ook de kwestie van het herstel der dienaren, ouderlingen en diakenen diende nader geregeld te worden. Over het algemeen zijn het geringe veranderingen. Het beginsel was in Emden vastgelegd in overeenstemming met de gevoelens die in de gereformeerde traditie werden aangehanden. De synode heeft de kerkelijke tucht omschreven als een noodzakelijk kerkelijk, d.i. geestelijk middel, dat naar de instelling van Christus gebruikt dient te worden, ook waar de overheid tot Reformatie is overgegaan. Dit artikel is een korte samenvatting van de Remonstrantie die vanwege de Synode van Rotterdam (1575) werd ingediend bij de Staten van Holland en Zeeland, vgl. Reitsma en Van Veen, II, blz. 159vv.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 93

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
93

2. Soo dan yemant in de suyverheijt der leere dwaelde ofte in den wandel sondichde, soo verre als het heijmelick is ende gheen openbare erghernisse en brengt, soo sal den reghel onderhouden worden dien Christus duydelick voorschrijft Matt. 18.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 94

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
94

3. De heymelicke sonden daer van de sondaer in ’t bijsonder van een twee ofte dry ghetuyghen vermaent sijnde hem bekert en sal men tot den kerckenraet niet brenghen.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 95

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
95

4. Soo yemant van heymelicke sondern door twee ofte dry vermaent sijnde niet en hoort ofte een openbare sonde begaen heeft, sulcx sal den kerckenraet aenghegheven worden.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 96

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
96

5. Die hartneckelick de vermaninghe des kerckenraets verwerpt sal van den nachtmael affghehouden werden, maer soo hy affghehouden sijnde na verscheyden vermaningen gheen teeken der boetverdicheyt en gheeft soo sal dit de voortganck sijn totter afsnijdinghe.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 97

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
97

6. De dienaer sal opentlick de ghemeynte van den hartneckighen sondaer vermanen, de sonde openbaren ende de behoorlicke plicht die men ghedaen heeft in hem te straffen van het Avontmael aff te houden ende daerna neerstelick te vermanen voor den volcke verclaren ende sal de ghemeynte vermanen dat se voor desen onboetverdighen sondaer bidde eer dat men ghedwonghen werde tot de laetste remedie te koemen.
Sodanighe drye vermaninghen sullen der ghedaen worden.
In de eerste en sal men den sondaer niet noemen op dat hy eenichsins verschoont werde.
In de tweede sal men hem noemen.
In de derde sal der ghemeynte aengheseyt worden datmen hem afffsnijden sal ten sij dat hij hem bekeere opdat soo hy hartnechkich blijft sijn affsnijdinghe door stilswijghende bewillinghe der ghemeynte gheschiede.
De tijt die tusschen de vermaninghen gaen sal, sal in ’t oordeel des kerckenraets staen.
Ende in de affsnijdinghe van dusdanighen hartneckighen sondaer sal de dienaer in ’t breede verclaren het ghebruyck ende eynde der selver, ende der selver, ende de gheloovighen vermanen dat se gheen onnoodiche ghemeijnschap ofte conversatie metten afghesnedenen hebben maer sijn gheselschap schouwen, in sonderheyt tot desen eynde, opdat de afghesneden door schaemte verslaghen sijnde aernstelick bedencken magh hem te bekeeren.39


39 De bedoeling van den ban moet door de dienaar aan de gemeente bekend gemaakt worden. Het formulier van de ban is eerst tussen 1581 en 1586 ontstaan. Met geëxcommuniceerden mocht geen ‛onnodige gemeenschap’ worden onderhouden. Daarover verschillen de gereformeerden aanzienlijk van mening met sommige anabaptisten, die in hun opvatting van mijding alle natuurlijke relaties tussen gehuwden en ook tussen ouders en kinderen verbraken.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 98

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
98

7. Van den sonden die van hare nature openbaer sijn, ofte die door verachtinghe der vermaninghen der kercke openbaer ghemaeckt worden sal de versoeninghe openbaerlick gheschieden, niet na het segghen van een ofte twee maer na het oordeel des gantschen kerckenraets op sulcker wijse ende forme als tot de opbauwinge elcker kercke alderbequaemst gheacht sal worden.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 99

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
99

8. De ghene die sware sonden begaen hebben die der kercke schandelick sijn ofte oock die van der overicheyt ghestraft behooren te worden, al ist dat se met woorden boetverdicheyt bewijsen, sullen sij nochtans van de ghemeynschap des Avontmaels om de aerghernisse wech te nemen ende hare boetveerdicheyt te beproeven affgehouden worden.
Dogh hoe dickwils off hoe lange dit gheschieden sal, sal in ’t goetduncken des kerckenraets staen.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 100

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
100

9. Soo de dienaers ouderlinghen ofte diakenen een openbare grove sonde, die der kercke schandelick ofte van der overicheyt oock te straffen ware beghinghen, soo sullen de ouderlinghen ende diaconen wel terstont van haren dienste door het oordeel des kerckenraets affghesettet worden, maer de dienaers sal men van haren dienste opschorten.
Dogh off men se gheheel affsetten sal, sal in ’t oordeel staen van de classicale vergaderinghe.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 101

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
101

10. Maer off de dienaers ouderlinghen ende diaconen affghesett sijnde na dat sij der kercken met boetveerdicheyt voldaen hebben soo sij wederom vercoren worden toeghelaten sullen moghen wesen, soo vele als de ouderlinghen ende diakenen aengaet sal de kerckenraet oordeelen maer soo vele de ministers belanght sal van de classicale versamelinghe gheoordeelt worden.

Kerkorde Dordrecht (1578) Art. 102

(Cap. VI) Van de kerckelicke vermaninghe ende straffinghe

Artikel
102

11. Gheen kercke en sal over andere kercken, gheen dienaer over andere dienaers, gheen ouderlinck noch diaken over andere ouderlinghen ofte diakenen eenighe heerschappie voeren ofte overhant hebben, maer liever sal hem een yeghelick van alle oorsake ende suspitie van dien wachten, hoewel uut plicht der liefde de eene kercke de andere, de een dienaer den anderen etc. niet alleen moghen, maer oock behooren te vermanen.40


40 Het eerste artikel van Emden is hier het laatste geworden. De toevoeging: Hoewel uit plicht der liefde enz., is nieuw en komt bij de volgende synodes ook niet meer voor. De gedachte die er in tot uitdrukking wordt gebracht is dezelfde als in art. 66, waar sprake is van de onderlinge censuur.
De mogelijkheid van een kerkverband naar gereformeerde opvatting ligt in deze twee beginselen, waardoor de kerken elkander vrij laten en tegelijk in verantwoordelijkheid jegens elkander leven. Mogelijk staat de toevoeging in verband met de moeilijkheden die te Aken gerezen waren, vgl. het protest van de Classis Keulen, die bij voorbaat verklaart zich niet aan een eventuele censuur der synode te zullen onderwerpen, Rutgers, a.w., blz. 311v.